dinsdag 9 januari 2024

Dus wees maar zoet




 

Tot mijn vele onbekende gebiedsdelen behoort het oeuvre van Annie M.G. Schmidt. Vreemd, zo’n paradijselijk geliefde auteur! Virtuoos lijkt me die omissie evenzeer. Ik durf te beweren dat ik als kind best veel heb gelezen en van de bieb geleend. En De spin Sebastiaan stond gewoon thuis in de kast; die ABC-pocket heb ik zelfs, schandelijk voorzien van mijn eigen naam, meegesmokkeld en zou ik nog altijd onverwijld kunnen raadplegen.

Als vader heb ik wel voorgedragen uit Het beertje Pippeloentje, een cadeau, maar niet vaak en er staat me geen zin uit bij. Des te gênanter wordt dan het besef dat ik tegenover studenten oreer over een traditionalistische ‘Piet Pluimers-poëtica’ en ‘Jip-en-janneketaal’, vernoemd naar personages uit dit werk. Ik vrees ook weinig over Schmidt te hebben gelezen. Dat ze ‘altijd acht gebleven’ is, daar houdt het al zo’n beetje op.

Tot ik in de bibliotheek stuitte op zo’n sjoelschijf van het uitgeefwezen, klein en dun en met harde kaft. Het was een bloemlezing en heette Voeden, verschonen en in de wieg mikken en verscheen in 2009. De ironisch nuchtere titel verwijst naar het thema: het opvoeden van kinderen. En het prettige is dat er zowel columns (door de auteur altijd bescheiden gereduceerd tot ‘stukjes’) als gedichten in staan.

 

Een lel

Zal laatstgenoemd genre à la Schmidt voor velen gesneden koek zijn, ook daarin schiet mijn kennis tekort. De achterflap rept van ‘haar beroemde dichtregel “en als ze kwaad zijn, zeg ik: Bil!”’, die een slot blijkt van een poëem dat op muziek gezet werd voor de jeugd. Maar mijn naam is weer eens haas. Wel bekruipt me na eerste kennisname van het geheel de sensatie dat die gedichten, in de inhoudsopgave Liedjes geheten, volledig samenvatten wat de columns in meer woorden poneren.

Een coupletje dan maar:

 

Ik raak zo in de war, weet u wel

De ene zegt: kom geef dat kind een lel

De ander zegt: geef ’m een zoen

Je weet niet meer wat je moet doen

Maar iedereen zegt altijd: wees voorzichtig

Want het psychische is zooooo gewichtig

 

De ik-figuur bekent het spoor bijster te zijn over correct opvoeden. De reden van die verwarring ligt elders, bij adviezen. In de columns komen ze uit boeken, in dit gedicht uit mondelinge raadgevingen. Toch heerst er onbekommerdheid, alsof chaos altijd nog te prefereren is. Het gedicht port lezers tot een onderonsje aan, door een aanspreking, een overhalen tot identificatie van ‘ik’ naar ‘je’ en natuurlijk door al die o’s in de slotregel.

Enerzijds bedelt die spelling om een lach, anderzijds ontdoet ze zich van pretentie. Afzetpunt is dan ‘het psychische’ dat in de columns soms namen krijgt van studieuze auteurs. Zoals ‘mevrouw Ribble’, die in 1948 het boek De rechten van de zuigeling publiceerde. Fijn detail in het couplet vind ik het mannelijke ‘’m’ dat in zijn verwijzing naar het onzijdige ‘kind’ authentiek klinkt (omdat Schmidts eigen kind een jongen was, geboren in 1952?).

Het ‘psychische’ suggereert gelaagdheid, allicht diepzinnigheid die Schmidt ontmaskert of minstens pareert met onverstoorbaar dagelijkse ervaring. Pedagogie ondergaat hetzelfde lot. Theorie verruilt Schmidt gretig voor improvisatie en praktijk, waarin het vooral een beetje vooruit moet gaan en leefbaar blijven. En bij voorkeur gevrijwaard van onwerkbare nuanceringen tot in de zoveelste graad, verstrekt door meneren die toch niets beters te doen hebben in Nederland:

 

En alle dingen hebben hier twee kanten

en alle teddyberen zijn hier dood.

En boze stukken staan in boze kranten

en dat doen boze mannen voor hun brood.

 

Die kinderlijke nevenschikking pakt hier effectief uit want ze maakt autoriteiten beklagenswaardig en saai. Daarbij fungeren, opnieuw uit het dagelijks leven, teddyberen als lakmoes – in de hoofden van kinderen zijn ze immers nooit dood. In de columns krijgen zulke fantasieën ruim baan en hoeft het even niet vooruit te gaan. Iedereen blijkt ook over de gave van de verbeelding te beschikken, zelfs een brave man met collectebus, geconfronteerd met het woordje ‘buuste’.

Zelfs die spelling is programmatisch. Nooit revolutionair, veeleer gemoedelijk en aanstekelijk voor brede lagen van de bevolking die zich wel en niet aangesproken zullen voelen. Dat vind ik een kunst op zich, oneindig kietelen met de garantie dat zelfs astmatici er nooit van sterven. Voor ‘een toppunt van gezapigheid’ heeft Schmidt bijvoorbeeld midden in een column de schitterend lullige metafoor ‘breisteekgevoel’.

 

Zoetsappigheid

Netto resultaat is nooit heel erg onbraaf. een gematigd populisme tot en met de titel. De zwaarste tendens in Voeden, verschonen en in de wieg mikken lijkt me een voortdurend relativeren. En nodigt een type bescheidenheid uit waar iemand als Henny Vrienten tot in de verkleinwoorden ook zo in uitblonk. Zo kan pretentie het eenvoudigst worden ontdaan van elke moraal, door Schmidt evengoed teruggevonden bij oudere collega’s die ze in haar eigen jeugd moest lezen:

 

Kind, huil maar niet, wees maar bedaard:

ik gooi Rie Cramer in de haard.

Hier is de strip, met stromen bloed.

Beng, weer een lijk. Dus wees maar zoet.

 

De babbelende ik-figuur is een bondgenoot die ondanks haar officieel hogere leeftijd weet, want zelf beleeft, wat kinderen beweegt. En dus haar reputatie waarmaakt ‘altijd acht gebleven’ te zijn. Dan heet de blik ontwapenend. Op feitelijk gevorderder leeftijd vergt dit wel een krachtsinspanning. Dat demonstreren ook de columns. Bijvoorbeeld eentje die zich teweerstelt tegen raadgevingen over de opvoeding in langere adviezen dan het hier eerst geciteerde gedicht gaf.

Schmidt doet dat in bedoeld prozastukje behendig door één motief te kiezen, van ‘knolletjes’ op een kinderbord waartegen collega-ouders steeds andere eetaansporingen geven. Voor haar spot met de psychologie kan ze dan evenzeer plaats inruimen. In de fameuze beginjaren van een kinderleven hebben ouders het dan niet goed gedaan. Waarna zogenaamd een trauma, waarna behandelingen op rijen divans:

 

En bij allemaal komt het uiteindelijk weer op die knolletjes neer, die knolletjes in hun jeugd, altijd zijn het weer de knollen, nou ja, bij een enkele zouden het misschien citroenen zijn.

 

Kan echt alleen nuchterheid redden? Nee, suggereert de schrijfster al te grijnzend, wanneer ze zich in een andere column voorstelt dat op latere leeftijd haar mentaal geprangde zoon een vriendin heeft gekregen, Lies. En zich tegenover haar, de integrale titel van de column citerend, over zijn moeder laat ontvallen: ‘Ze heeft het volkomen verknold’. Een duivels voltooid deelwoord waarin alle in wetenschap verzamelde volwassenenkennis het moet ontgelden.

Of wordt er gehengeld naar lezerssympathie? Hoewel ik geen liefhebber van dit soort benaderingen ben, verheldert de achterflap van Voeden, verschonen en in de wieg mikken toch het nodige:

 

Annie M.G. Schmidt dankt een belangrijk deel van haar populariteit aan de boeken die ze schreef voor kinderen. Maar hoe dacht deze eigenwijze dame over kinderen? Inderdaad: eigenwijs.

In al haar versjes over kinderen echoot haar beroemde dichtregel ‘en als ze kwaad zijn, zeg ik: Bil!’. Ook in de vele columns die ze over hen schreef is weinig zoetsappigheid te bespeuren, en al helemaal geen volwassen vertedering. Wel: een kritische kijk op ouders die in hun kroost louter wonderkindertjes zien, een vrolijke blik op eigenzinnigheid en de onafhankelijke logica van de jeugd. Want kind – dat is ze zelf ook altijd gebleven.

 

Dit tekstje velt Schmidts karakter driemaal met de bijl van ‘eigen’. Even dwingend zijn de dubbele punten en cursieven, die potentiële kopers bij de hand voeren en variëren op de bold en geweld van de markeerstift. Pontificaal zelfs het gedachtestreepje aan het eind, een voorbeeld van terloopsheid waarin een persoonlijke stijl zich volgens mij onthult. Hier tart het verstarde volwassenen – wier ruimdenkende, zelfkritische en dynamische soortgenoten het boek meteen aanschaffen.  

Indien dat gebeurt, dan zouden Schmidts opvoedkundige teksten in 2009 nog relevant zijn geweest. Meer dan een halve eeuw na dato! De korte verantwoording van de bloemlezing verwijst voor de columns namelijk naar Impressies van een simpele ziel, ook een behoorlijk charmerende titel, en dateert die raadselachtig op ‘1952 en 1952’. Een andere bron is In Holland staat mijn huis en wordt gepostdateerd op 1956.

 

De val

De sjoelschijf zal zijn bedoeld als cadeauboekje voor nieuwe generaties ouders, zekerheidshalve met een campy omslag. In een ontwapenende blik kan spot met de moraal vanwege zogenaamd fatsoen evengoed uitvloeien in kritiek op beschaving. En dat vind ik wonderlijk bij Schmidt, die principieel relativerend wenst over te komen en ondanks zichzelf dan plots in alle hevigheid een punt kan maken doordat de verteller zich levenswijs denkt te betonen. En dan geen acht is, maar achtentachtig.

In één passage kondigt het zoontje zonder nadenken tegen grotere jongens aan dat hij ‘een ba’ gaat doen en hij nodigt hen uit in ‘de pot’ te komen kijken. Het wordt dan stil en hij voelt volgens de moeder-verteller dat hij ‘iets verkeerds gezegd had’. Waarna, en dat is wederom haar conclusie: ‘de gêne is geboren. En de val uit het paradijs is begonnen.’ Uiteraard een overdrijving, maar een ernstige.

Ze komt verderop in de bloemlezing terug, wanneer de moeder een ‘werktuiglijke uitlating’ doet die iedereen in de buurt van een balancerend kind wel eens heeft gehoord of gezegd: ‘Pas op, zo meteen val je.’ Dwaas en onzinnig, vindt de vertelster bij nader inzien, weer opmerkelijk pathetisch, omdat zoiets een toekomst veronderstelt maar ‘beter en mooier dan dit appelstrooptijdperk wordt het nooit en nooit’.

De ban is dan toch gebroken en de fantasie kanaliseert zich in een mogelijk beroep. Schmidt noemt er een paar die gemeenschappelijk hebben dat men ervoor moeten ‘lunchen’. Na die gevatheid stelt ze zich voor dat zoonlief dichter wordt en dringt ‘mijn’ Piet Pluimers-poëtica door de oppervlakte. Ze bekritiseert namelijk formele kenmerken van toenmalige experimentelen, zonder rijm en metrum, die zelfs ‘zonder hersens’ zou zijn. Dus dat beroep hoeft voor haar ook weer niet.

Op zulke momenten toont Schmidt wat onder haar bewonderenswaardig soepele teksten sluimert.



 

Geen opmerkingen:

Een reactie posten