zondag 22 november 2015

Een leven lang


Ik heb er echt over proberen te lezen. Warm liep ik slechts voor een zwart omrand vierkant. Daarbinnen stond: ‘Er zijn zoveel meningen, zoveel oordelen. Daarom laat Wablieft deze plek nu wit. Wij denken aan alle slachtoffers van geweld.’

Al die uitleg, abstrahering, reflectie en kritiek naar aanleiding van Parijs, al dan niet in het verlengde van Beirut, heeft ongetwijfeld iets zinnigs, maar verkeert tegelijk in een fog of theories. Gemeen zullen ze hebben dat ze een proces moesten beschrijven, dat vervat is in één werkwoord: ‘radicaliseren’. Daarmee wordt de betekenis van ‘radicaal’ gereduceerd.

Ik zou het onmiddellijk geloven indien omringende werkwoorden in het commentaargeweld geregeld bezoek hebben gekregen van voorzetsels. Meer in het bijzonder van ‘door’ en ‘om’. Waar heb ik het dan over? Werkwoorden als omturnen, omslaan, doordraaien, doorslaan… In dit rijtje is waarschijnlijk ook ‘doorzetten’ te begrijpen, zij het een tikje paradoxaler: met je wil verder gaan dan je wil.

Er zit een verschil tussen wat deze voorzetsels uitdrukken. Bij ‘door’ gaat een proces verder in dezelfde richting, bij ‘om’ gaat de ontwikkeling de andere kant op. Klassiek voorbeeld is de conservatief die zijn diametraal andere politieke voorkeur van weleer als logische jeugdzonde beschouwt.

Na alles wat ik erover gelezen heb weet ik niet onder welke variant radicalisering onder jonge moslims valt. Beide opties kunnen. En uit de geschiedenis tot en met de toekomst is berucht dat verse gelovigen, ook wel bekeerlingen genoemd, zich meer fanaat opstellen.

Laat ik me bij mijn leest houden. Van de bedoelde voorzetsel-werkwoordcombinaties zijn me onlangs, overigens naar aanleiding van heel andere onderwerpen, drie exemplaren onder ogen gekomen. Een artikel over tendensen bij arbeidscontracten in het onderwijs meende dat de zaak hier was ‘doorgeflext’.

Verder was er Op de rok van het universum, het nieuwe boek van Tonnus Oosterhoff dat zo uitzonderlijk is dat ik mag hopen dat die eigenschap niet op gangbare laaglandse wijze wordt afgerekend. Eén van de talloze realityromans die er de revue in passeren meldt: ‘Duiven zijn monogaam, hun huwelijken duren gewoonlijk een leven lang. Gedwongen omparen gaat echter gemakkelijk.’

dinsdag 10 november 2015

En de bloesem nikte


Vraagt het taalkundig genie: ‘Waarom zit er een w in het woord erwt?’ Specialisten blijven op deze blog welkom, temeer daar ik persoonlijk geen antwoord heb. Ik heb nooit iemand zelfs een zweem van de w horen uitspreken. Bovendien spel ik voor een aangenaam dier dat bijna hetzelfde klinkt, evenmin ‘herwt’.

Het is tamelijk gênant, maar bij de erwt moet ik snel denken aan een gedicht. Gelukkig is het een fraai exemplaar, geschreven door niemand minder dan Wilfred Smit:

 

Parabel

 
Zo zag ik een erwt weifelen
aan een stoeprand,
de erwtebloesem onzeker zijn
naar welke wind
haar dolle rose hoofd te hangen –

 
en de bloesem nikte, er kwam een hand
in handschoen haar bedekken,
en de erwt viel, er kwam een schoen
om op haar te staan.
 

Het gedicht staat in de bundel Franje uit 1963, toen bijvoorbeeld Wilders geboren werd en de schedelinhoud van Kennedy tot puree wederkeerde.

Smits werkwoord ‘nikken’ is literaire taal voor knikken. Hier past het mooi, uit het hangend hoofd valt de k en de bloesem voelt al dat het niet goed afloopt met haar kindje. Wel vind ik het minstens zo gênant ook meteen de associatie met een kind te maken. Ofschoon het immer pril aanvoelende vaderschap zich zelden onbetuigd laat, biedt hier de actualiteit minder kans op ontsnapping, gelet op het zoveelste onomkeerbare lot van een jonge, zogeheten zachte weggebruiker (om nog te zwijgen van mensen en families voor wie een vloedlijn de stoeprand moet zijn omdat ze op een bootje een ander continent opzoeken).

Zo wordt de erwt een kwetsbaar ding. Da’s eigenlijk raar, omdat het beroemdste verhaal over de peulvrucht juist zoiets als stekeligheid presenteert. Hans Christian Andersens sprookje van de prinses die een erwt gewaarwordt onder vele kussens, maakt van hare hoogheid dan wel een heuse hoogheid maar bovenal een verwend nest.

Omdat een erwt zo zacht is? In de Brickyard Blues zeker!

vrijdag 30 oktober 2015

Witte zwanen

Afgeven op ‘het moderne leven’ ligt me niet, maar ik kan niet ontkennen steeds vaker in restaurants en andere openbare gelegenheden in verlegenheid te raken na wc-bezoek. Als ik mijn handen wil wassen maak ik tegenwoordig de vreemdste bewegingen – en zie me ze ook maken in de onvermijdelijke spiegel.
Heb ik een revolutionaire zwemslag ontwikkeld? Een choreografie die het midden houdt tussen de macarena en de vogeltjesdans? Vond ik het bewijs dat de mens wel degelijk kan vliegen? Probeer ik meerdere insect tegelijk weg te slaan?
Feitelijk druk ik een vrij eenvoudig verlangen uit: ik wil water, uit de kraan.
Draaien kan niet meer. En timmermansogen schieten tekort. Er blijken decent weggewerkte knoppen te zijn, voetpedalen, sensoren op niet-gestandaardiseerde hoogten en veel meer dat ik verdrongen heb. Een designmuseum waar ik onlangs was, wilde ook in deze niche kennelijk iets extra’s brengen. De kraan had twee wijde vleugels, waarvoor evenzeer bewegingen moesten worden gemaakt – en dan blies er drogend bedoelde lucht.
‘Like water,/ language runs to the sea, flush with information.’ Dit schreef Ron Silliman in The Alphabet. Kan iemand mij wellicht even de A aangeven, opdat de publieke handenwasser ten minste iets heeft om voor aap mee te staan? Noten en miezen worden ook steeds op hoge prijs gesteld.
Kranen zonder knop. Waar is de ratio? Wie deze per ongeluk vindt, mag gelijk aan de dienstdoende beambte een vervolgvraag lanceren: wat is de ratio?

woensdag 21 oktober 2015

Techneuten, rijken, intellectuelen

In een column werd uit een nieuw boekje over taal, dat weer eens streeft naar begrijpelijkheid, een citaat geplukt: ‘Voor de voet weg moet dit probleemveld worden neergetunneld in een motie, om langs deze weg in lijn met de afspraken met het kabinet al zwaluwstaartend de pijnpunten snelstens en bestens af te concluderen. Daarom moet het tekort op Volksgezondheid eerstens worden versleuteld en verspijkerd, waarvoor een tijdpad dient te worden uitgezet. Langs deze weg moet de problematiek geleidelijk aan worden afgekocht en verschmertzt.’
Deze tekst komt van Ruud Lubbers, uit de tijd dat hij, in de jaren tachtig en begin negentig van de vorige eeuw, alleenheerser was in Nederland. En de columnist vervolgt: ‘Het is vrijwel onbegrijpelijk dat Lubbers, zoals zovele anderen, hiermee wegkwam.’
Zo onbegrijpelijk vind ik dat niet. De premier gebruikt woorden en zinswendingen in een cadans die ingebed lagen in zijn era (‘neertunnelen’ zal geïnspireerd zijn op de Betuwelijn). Misschien zal iemand zich over een paar decennia afvragen hoe het mogelijk is dat, behalve voetbaltrainers, ook een columnist sprak over ‘ermee wegkomen’.
Wie het niet gelooft, of meent een Hollander generalisaties te zien verheffen tot universalismen, wijs ik op het boekje Wetstratees van Bert Bultinck. Het dateert van 2004, toen er nog gerookt mocht worden zonder dat excommunicatie erop volgde. Iets meer dan een decennium later is het een soms bizarre ervaring Bultincks boekje, feitelijk een verklarende woordenlijst, door te bladeren. Veel bestaat nog, veel is er bij gekomen, maar de accenten liggen totaal anders.


woensdag 14 oktober 2015

Onblijde boodschappen

Eindelijk hebben we de ontkenning opgegeven. De garderobe is aangepast, de verwarming ging aan, de eerste kastanjepuree heeft onze magen gevuld. Vooruit dan maar, het is herfst. We gaan weer eens opnieuw beginnen.
Laat dat nu zijn wat Jean-Pierre en Luc Dardenne laten gebeuren in Deux jours, une nuit. Ooit lieten ze zich voor die film inspireren door een artikelenboek onder redactie van Pierre Bourdieu, met de opbeurende titel La Misère du monde. Daarna moest het scenario een decennium rijpen.
Zekerheidshalve. Een kleine arbeidersploeg kan kiezen tussen een bonus van 1000 euro per persoon of het behoud van een collega. Bij een stemming op vrijdag valt de balans uit ten gunste van de bonus. De in principe ontslagen werkneemster krijgt een weekend de tijd om haar collega’s een voor een op andere gedachten te brengen.
Voor mij was het een nogal hallucinerende ervaring geen toeschouwer te kunnen zijn. Het is film! Het is maar film? Ik besefte ineens hoe mijn ontwijkgedrag is ingedaald, sinds ik na een gewenningsperiode in de grote stad besloot niet langer geld te geven aan wie, met of zonder vergunning, erom vroeg.
Aan Deux jours, une nuit valt niet te ontkomen. Telkens moet ik me identificeren met de antagonisten. Ook met de bonusklanten? Jazeker, het gaat hier niet om bankiers, sommigen blijken krabbelaars. Ik meen zelfs – voor zover die absurde vergelijking te trekken valt – dat de werkneemster minder verontwaardigd is dan een kijker over de meermaals gestelde collegiale wedervraag: ‘Kun jij je dan niet in mij verplaatsen?’ En zoals die collega’s niet al te inhalig willen ogen tegenover de werkneemster, zo doet haar lichaam er alles aan om geen te expliciete smeekbede op te voeren.
Natuurlijk borrelen wel veruit de meeste gevoelens op bij de manoeuvres van de vragende partij,
Pas achteraf besefte ik dat die ontmoetingsscènes, vanuit één standpunt, real time zijn opgenomen. Bestaat de geweldige film Victoria zelfs uit één take, bij de Dardennes sorteert de herhaling van dat procedé schoksgewijs een heftiger gevolg.


maandag 5 oktober 2015

Als er vier eendjes waren

Niet alleen Max Havelaar is een vat vol tegenstydigheids. Herman van Veen is het ook, afgaand op zijn Herinnerde dagen.
In dat tweede deel van zijn memoires ontbreekt in heel wat zinnen het onderwerp. Je kunt er ‘ik’ invullen. Techniek of formalisme? Het beoogde effect blijft bescheidenheid. Bizar is wel het boek wemelt van artikelen over en brieven van beroemdheden aan Van Veen. Valse bescheidenheid is nergens goed voor, en Van Veen heeft een imposante loopbaan – hij betoont zich zijn eigen hagiograaf.
Van een soortgelijke spreidstand getuigt zijn ijver voor het milieu. Van Veen was een early adopter. Wel kon hij door zijn vak lastig sedentair zijn. Hij beschrijft zijn optredens in binnen- en buitenland als permanent motorische reizen. Vergis ik me, of is zijn ecologische voetafdruk gigantisch? Zoals ik dit noteer, klinkt het als een verwijt dat ik, nochtans getalenteerd op dat vlak, niet wil maken.
Eindelijk eens iemand die er zelfs met overdoses humor niet in slaagt te relativeren. De werkelijkheid overweldigt hem telkens.
Iemand ook die sentimenteel durft te zijn. Jacques Brels ‘La Chanson Des Vieux Amants’ reikt in het origineel ver, maar gelukkig voor Hollanders is dat in het onverstaanbaars want Frans. En Van Veen? Inclusief scherpe randjes in Erik van der Wurffs pianobegeleiding is zijn bewerking ‘Liefde van later’ schaamteloos gevoelig. De poging van de betreurde en bekwame Thé Lau gaf veeleer een associatie met dronkenschap.
In wat ik tegenkwam over Van Veens bewerking, uit 1969, bevat ze voor vele luisteraars een sleutelzin: ‘Zo hebben we dan geleerd: je kunt altijd opnieuw beginnen’. Die notie staat niet in het origineel en is ook niet direct hetgeen waar je, zeker destijds, bij ouderen aan denkt. Wel bij de tijdgeest?


maandag 21 september 2015

Armeluiswoorden

Wie had ooit kunnen voorspellen dat Dirk De Wachters studie Borderline Times meer dan 100.000 keer over de toonbank zou gaan? De auteur zelf lijkt er bijwijlen nog altijd met stomheid over geslagen en ik, vanuit tekstambachtelijk opzicht, eigenlijk ook wel. Toch komt zijn aanpak me vertrouwd voor. Het manische, het niet kunnen laten ontglippen omdat in het laatste rechte eind naar de finish elk nieuw bericht van toepassing lijkt…
De studie is misschien vooral een proeve van een fanaat kranten- en bijlagenlezer, die vooral uit de jaargangen 2011 en 2012 citeert – toen de auteur aan Borderline Times werkte.
Veel van de smakelijke bijzaken in De Wachters verhaal komt van horen zeggen, zien lezen feitelijk dus. In interviews, voorpublicaties, getuigenissen van derden,… Vaak werkt dat, soms niet. Bijvoorbeeld als het initiatief Eenzame Uitvaart wordt toegeschreven aan F. Starik in plaats van aan Bart FM Droog, omdat De Wachter zich baseert op het geheugen van Luuk Gruwez.
De schrijver als knutselaar of, deftiger en toch zonder voetnoot, als bricoleur. Op basis mede van een bak aantekeningen, waarin soms in de haast en verstrooidheid een redenatie tweemaal wordt gebruikt (bv over rijstpap en gouden lepeltjes). Plus de charme van uitdrukkingen als ‘Waar is de tijd dat…’ of juist ‘Tegenwoordig is het heel gewoon…’ – goddank gevoegd bij verzekering dat het vroeger heus niet beter was.
Dat Borderline Times een seller werd, mag kortom een wonder heten. Maar niets is natuurlijk zeker, helemaal in deze branche. Extra hilarisch dunkt me daarom de verzekering van Volkert van der G over hoe hij grote inkomsten kan verwerven in de Lage Landen: met het maken van een boek. Er was ook al sprake van geweest, maar mediaverbod, kweenie of ik de waarheid wil vertellen, kan die ook verzinnen, enz.
Op deze voorspelling van het lucratieve boek heb ik geen reactie vernomen. Op overige uitlatingen van Van der G wel. In de betreffende televisie-uitzending zou hij zich gewetenloos hebben betoond. Om precies te zijn sprak hij zich vrank uit over het leven dat hij leidt in voorwaardelijke vrijheid na zijn moord op Pim Fortuyn.
Die uitspraken deed Van der G aan een meneer wiens doopceel mij is ontgaan. In elk geval had deze ‘informant’ voor een ‘onkostenvergoeding’ van 1500 euro Van der G. op zijn praatstoel weten te krijgen. Die stond op een terras in Utrecht, waar technici aanpalende geheime apparatuur hadden geïnstalleerd, zodat er geluid én beeld was. Het was er, zoals dat heet, zonovergoten. Van der G dronk een tomatensap.
Natuurlijk is het nieuws van de eerste orde. Het hoe en wat rond een moordenaar, terug uit de onderste onderwereld van zijn bestraffing. Ongetwijfeld zullen de programmamakers – journalisten die gewend zijn informatie te vergaren – met de informant de strijdwijze doorgesproken hebben om een maximum aan krasse details te winnen. De ironie wil dat een van de onvermijdelijke deskundigen bij de beelden rept van Van der G als een uitgekookte strateeg.
De informant steunde Van der G dermate empathisch in diens redenaties, dat de ondertitels soms ongemarkeerd zijn concluderende tekst gaven na Van der G’s beweringen. Zo ontstond een redelijk sluitend betoog, dat echter nog altijd een beeld is. Noodzakelijk uit zijn context gerukt, die door de programmamakers werd verstrekt.
Ik ben geen psycholoog, laat staan dat ik me zou durven beroepen op mentaal doorzicht, maar Van der G maakte op mij een eenzame indruk.

maandag 14 september 2015

My baby’s heart

Vaak ogen uitlatingen van kunstenaars over multidisciplinariteit gratuit. Voor het meer kwaadaardige deel der mensheid dienen ze subsidiedossiers. Maar de fameuze koorddanser Philippe Petit grossierde er zo gul in, dat mij alvast enig geloof bekroop.
Eerst had hij op keurig modernistische wijze nog verteld over dat niet hij niet bewust in het vak getreden, maar dat kunst hem had geroepen. De uitwerking ervan was echter leuk, toen Petit het had over zijn dans op de Notre Dame in 1971, tussen de twee torens. De bakstenen gevaarten hadden hem toegeroepen: ‘Kom, doe iets wat ons leven verandert’.
Geweldige pretentieuze bescheidenheid! Petit deed zijn naam niet echt eer aan.
Het was, redeneerde hij voort, de koorddanser die hier zorgde voor het goddelijke verband. Hij was de postiljon d’amour voor de torens. Hij schiep letterlijk verbintenissen, en alsof dat niet genoeg was, kwam Petit aan met de tergendste en meest snobistische aller verklaringen: uit de etymologie. Daarbij openbaarde zich heus Latijn, namelijk het werkwoord religare.
Ik denk dat ik val voor dat constaterende. In kunst is het gebruikelijker om ‘onderzoek te doen’ of ten minste zaken ‘in vraag te stellen’.
Om die reden charmeert mij ook het liedje ‘Jacques Derrida’ van Scritti Politi, uit 1982:

I'm in love with a Jacques Derrida
Read a page and know what I need to
Take apart my baby's heart
I'm in love.

Vooral dat a voor de door bergen vooroordelen over ‘Franse filosofen’ beladen eigennaam maakt het hilarisch. Er zijn mensen die zoiets heel goed, om niet te zeggen brutaal naturel kunnen uitleggen, maar het zijn rare en verdrietige tijden. En de tekst maakt, onder een muziekje dat een campingachtige uitbundigheid ten beste geeft, nogal wat kronkelingen.
Om te constateren moet je durven. De laatste weken wordt dat wel erg vaak bewezen met beweringen van politici over vluchtelingen. Hoe omineuzer, hoe controversiëler en dus, voor een groter publiek, commerciëler.

dinsdag 1 september 2015

In weelde van cola

Hoewel getraind in weerstand bieden met alle hersenspieren, klikte een complete huishouding van mijn reflexen onmiddellijk op de kop ‘UvA verbiedt gedicht studentenraad op opening academisch-jaar’. Natuurlijk, er wordt veel verboden, ongetwijfeld ook op universiteiten, maar een gedicht? Anno 2015?
Het schijnt dat het woord ‘hoer’ niet door de beugel had gekund. Op basis van de YouTube-beluistering van de met percussie gelardeerde tekst, aangeprezen als ‘Gedicht verboden door de UvA’, leek me vooral de spanningsboog wat slap te staan. Het begin ent zich dan wel expliciet op Howl van Allen Ginsberg, we zijn inmiddels zestig jaar verder. Hedendaagse oren en ogen hebben naar verluidt minder uithoudingsvermogen, en zijgen mogelijk ineen wanneer een ‘trap met voeten wordt getreden’. Rijm hoorde ik dan weer niet.
Huidige studenten kun je lastig nog verwend noemen. In het gedicht wordt rekening gehouden met volgende generaties en, daarom ietwat hovaardig, met een Amsterdamse lente. Het signaleert echter ook dat acties ingekapseld worden door een beroepssector. ‘Dat hadden we kunnen leren van onze vaders’. Zou het geholpen hebben wanneer de dichter had gezongen?
Wel moest ik, tegenover mijn ‘hermetische’ praktijk van weleer, toegeven dat onmiddellijk duidelijk was waar het gedicht over ging. Voor dezelfde prijs bood het gevolg en resumé van de Maagdenhuisbezetting begin dit jaar. Ik besefte ook dat de kennis die daar, op de kritische Nieuwe Universiteit, was opgedaan toch weer voortkwam uit een zittende houding. Dat maakt die kennis tegelijk wat ruimteloos.
Zitten op iets wat beweegt behoort momenteel tot de meest uitgeoefende houdingen op dit deel van de wereld. In een bark op weg naar waar het beter zou zijn, in elk geval onmogelijk slechter dan in het vertrekpunt, en waar misschien wel vrijheid heerst. Ik vraag me af hoe de omgeving bij al dat wachten wordt ervaren, ook door degenen die te voet verder gaan en op een trein raken, met een zitplaats als luxe.
Kan vrijheid worden gepersonifieerd? De gedroomde landen van aankomst heetten ooit Utopia, Atlantis en dies meer. Maar nu?

zaterdag 22 augustus 2015

Nieuwe elementen

Onlangs blijkt er een boek te zijn verschenen met de ondertitel Herinnering van een meeloper. De auteur anticipeert ermee op een verwijt dat geregeld de ronde doet en dat één woord groot is: ‘hypocriet’. Niet alleen omdat het zowel zelfstandig als bijvoeglijk kan worden gebruikt, ook omdat het zo vertrouwd klinkt weet dat woord de gemoederen nooit te bedaren.
Eat your pie before you die.
Bedoeld wordt dat een overtuiging uit het verleden, in het ergste geval met aplomb beleden, niet rijmt met een uitspraak of daad in heden.
Mocht een beschuldigde de puf hebben om daarop te reageren zonder in pijnlijke details te moeten treden, dan valt er geregeld nog een geijkte term, dubbel zo groot: ‘voortschrijdend inzicht’.
Zeker in verhouding tot de beschuldiging is dat flou. Vaagheid kan de beschuldigde wel gebruiken, indien hij weinig anders had gedaan dan de consensus van het moment huldigen (‘meelopen’ is een graadje bewuster dan ‘meesurfen’).
Gelukkig kan voortschrijdend inzicht een andere gedaante aannemen. Daarover biedt Tariq Ramadan in Een jihad van vertrouwen uitkomst. Hij schrijft over trouw, die idealiter steeds gepaard gaat met bezwaar. Kritische loyaliteit, noemt hij dat, en actieve rationaliteit. Ze zijn wapens in het verzet tegen geloofsgenoten die verzaken.
Ook zegt Ramadan dat er geen trouw bestaat zonder evolutie (waarmee hij niet de oorsprong van het heelal wil verklaren, maar voortschrijdend inzicht concretiseert). Onveranderlijk bij hem zijn slechts ‘de universele waarden van waardigheid, vrijheid en rechtvaardigheid’.
Ik noem Ramadan ook vanwege het onderwerp dat hij aanroert. Heden is dat amper uit de agenda te schrappen. Zeker bij progressievelingen, die hun hele leven op de barricaden hebben gestaan voor die universele waarden. Is het mogelijk over hen, met de wetenschap van het heden, de term ‘hypocriet’ te gebruiken?

donderdag 13 augustus 2015

Opgerold in vitrines

Kun je bij leven gedateerd raken, onderhuids in crisis met je tijd? In Vechtmemoires van Joost de Vries, vorig jaar verschenen, staat terloops dat volkstuintjes een verouderde hobby zijn. Er zijn fenomenen als trend, mode en gevestigde of zelfs tijdloze waarde, en de bewering haalt hun status voor mij door elkaar. Zie ik onscherp, foutief of te selectief?
Ik kwam mede op deze vraag door een opiniestuk. Een wetenschappelijk onderzoeker had veldwerk gedaan in een arme wijk en ‘door vele gesprekken’ ontdekt dat platvloers racisme een kelder verborg, want economisch gemotiveerd bleek. ‘Het merendeel van de inwoners willen in de eerste plaats zelf vooruitkomen in plaats van hun gekleurde buren achteruit te zien gaan.’
Om wiens vooroordelen ging het hier? Die gedachte maakte zich meteen van mij meester, tot ik besefte dat andermans blindheid eenvoudiger te tonen is dan eigen rondtasten.
Een evidentie – gevoed door actualiteit in mijn branche. Vertrouwde namen in het literaire landschap vallen gestaag weg. Na Polet en Rogi Wieg stierf Eriek Verpale.
Na dat nieuws heb ik een dierbaar boek herlezen. Wel liep ik kans te worden besprongen door een oordeel dat zich gefundeerd acht door een verfijndere smaak en voortschrijdend inzicht. Alles in het klein, uit 1990, bleek gelukkig nog altijd een soort revelatie. Ik kwam terug in de ban toen ik me begon te verzetten.
Het boek opent met verhalen die recht doen aan de titel. Toen het tweede deel begon, met brieven, verwachtte ik het alleen nog draaglijk zou zijn wanneer die over derden zouden vertellen. (‘Voor de gojim ben ik een jood, voor de joden ben ik een gojisj Kopflach. Ik ben ontworteld. Ik vind mijn plaats niet. Niet Sartre of Brecht of Che zijn mijn geestelijke leiders, maar Rabbi Mendel van Kotzk. Een mens is maar een mens, men moet zichzelf accepteren.’)
Maar de brieven bleken het verhaalde te hernemen, perspectieven verschoven. Ik ervoer muziek, en het ontstaan van het boek als geheel voor dezelfde prijs. Was ik dat vergeten of werd ik geconfronteerd met een latere fascinatie?

dinsdag 4 augustus 2015

Sybren Polet en de groenwitte bal

In De noodzaak van het overbodige poneerde Sybren Polet: ‘Linkse dictaturen hebben terecht geen boodschap aan grote, “autonome” literatuur – de poëtische complexiteit en het complete poëtische gevoel verhinderen eenduidigheid –, rechtse dictaturen, voor zover niet ultrarechts en nazistisch, tolereren haar om dezelfde reden: hoe complexer de gevoelens en hoe autonomer de literatuur hoe minder expliciet de relaties met de werkelijkheid, dus hoe ongevaarlijker voor hen.’
Ik weet niet of ik hierom moet lachen of huilen, en of die reflex wordt voortgebracht door links of rechts, door literatuur of dictatuur. Alle waarden liggen plots vast, misschien prikkelt dat nog het meest. Dus ook, eerlijk gezegd: dat eenduidigheid het per definitie aflegt tegen complexiteit.
Het heeft iets komisch dat een beweeglijk schrijver als Polet zo’n these heeft gelanceerd. De bewering is immers statisch, terwijl ze zich daartegen verzet. (Niet het makkelijke etiket ‘paradoxaal’ plakken.) Ook de hopeloosheid van zelfs de meest betrokken kunst, dat ze op wonderlijke wijze tegelijk autonoom weet te blijven.
Polets ijzige toevoeging in het woordje ‘terecht’.
Wel vermoed ik dat Polets inzet links was. Als weinig andere auteurs weigerde hij zich neer te leggen bij, zoals dat heet, de bestaande verhoudingen. Hij ging daarin alleen een beetje verder dan een doorsnee activist. De grens tussen nu en vroeger, tussen materie en antimaterie: dat erkende Polet niet. Letterlijk een vorm van conservatisme. In zijn rijke verbeelding kon alles veranderen. Steeds opnieuw.
Is de dood dan niet iets voor de common sense? Het nagekomen bericht dat Polet onlangs gestorven is, valt eigenlijk onder de onmogelijkheden. Mogelijk wordt het vanzelf apocrief. Geen defaitisme, er is permanent werk te doen.
Sybren Polet bleef een zachtmoedige krijger. Officieel heeft hij over kwesties als in het citaat opgevoerd 91 jaar lang nagedacht en de proef op de som genomen. Dat klinkt raar. Doen baby’s al zoiets? Polet heeft het nooit uitgesloten. Elke ervaring leert.
Toch was hij bij leven verticaal geklasseerd: avant-gardist, experimenteel, enz. Het is zuur om het op te rakelen, maar het behoort ook tot de werkelijkheid dat het laatste artikel in boekvorm over (vooral) Polet, te vinden is in Wat er op het spel staat van Cyrille Offermans. Het betreft diens bijdrage aan het ‘Literair engagement 2.0’-nummer van het tijdschrift Deus ex Machina, maar in de boekverantwoording wordt die tekst niet vermeld.
Tegen Offermans’ exercitie heb ik me al eens verzet. Nog altijd ontgaat me wat hij wil. Hij beweert dat Polet als geen ander weet wat orthodoxie is – wegens geboren te Kampen. Offermans verwijst voor aanvullende bewijzen naar Een geschreven leven, Polets driedelige autobiografie, zonder aan te geven dat hij daarin voorkomt. In een, voor een van metamorfoses aaneenhangend oeuvre, weinig complimenteuze gedaante.
Reageren is kennelijk te veel eer, zeker indien veroordelen soepeler gaat. Bijvoorbeeld door, meer dan dertig jaar na dato, uit een lange lijst auteursnamen in Polets bloemlezing Ander proza te wijzen op wel vier spelfouten. Minder schoolmeesterachtigheid dan een insinuatie dat Polet de genoemden niet eens gelezen had?

maandag 13 juli 2015

Koppelteken-identiteit

Wat schiet je nu nog op met redelijkheid? Precies die lovenswaardige eigenschap kenmerkt Dick Pels’ boekje Van welk Europa houden wij? en precies die lovenswaardige eigenschap zal voor Griekenland de boom in kunnen. Met haar bizarre strengheid heeft de Europese Unie zich zo irrationeel getoond dat ze er zelf onder zal lijden.
Natuurlijk verscheen Pels’ tekst op een moment dat de tragedie zich nog moest ontvouwen. Syriza moest nog aan de macht komen. Maar zou Pels met al zijn optimisme het aandurven de schuld voor het onderhandelingsdebacle bij Griekenland te leggen? Hij pleitte destijds al voor schuld saneren in plaats van wat in België, stuiterend als een kers, austeriteit heet.
O woorden, o frames.
Het breed uitgemeten paternalistische geneuzel dat dreigementen moet verpakken. Een tijdelijke Grexit, een schorsing van vijf jaar: wie kan zoiets verzinnen behalve een halve rancunelijder? Het ontbreekt er nog maar aan te vernemen dat Tsipras soms de zaal moest verlaten, zodat de grootmachten even helemaal de democratische dienst konden uitmaken, achter gesloten deuren. Dat gebeurt bij de TTIP-onderhandelingen immers evenzeer.
Het heeft bovendien iets bevreemdends om door Pels’ boekje herinnerd te worden aan de strategie van Lenin, die zijn bolsjewistische minderheidsafsplitsing met een flinke dosis bluf tegenover de mensjewieken opklopte tot meerderheid. En aan de observatie van Ulrich Beck, dat de Duitse bezuinigingpolitiek neerkomt op ‘staatssocialisme voor de rijken en de banken en neoliberalisme voor de middenklasse en de armen’.
Misschien is het juist door die zich als pluralisme manifesterende redelijkheid dat Van welk Europa houden wij? de onmogelijkheid van een zwakke staat in de Unie van munitie voorziet. Pels determineert ‘ideologische convergentie’ van links en rechts bij populistische partijen die tegen de EU zijn. Ze verbinden volgens hem elementen van radicale zelfontplooiing uit de jaren zestig met verdediging van de nationaliteit soevereiniteit, identiteit en cultuur.
Terecht zegt Pels dat het woord ‘vrijheid’ een vlag is geworden die wel zeer uiteenlopende ladingen dekt. Misschien dienen de revolutionaire waarden uit de protestjaren vooral als een nogal perfide legitimatie – een borstwering tegen de tsunami’s die ze juist zouden kunnen verwelkomen. Met behulp van een ‘agressief antipaternalisme’ is de betichting van censuur eveneens van eigenaar verwisseld.
Zo komt Pels, niet ongeestig, op de stroming van het ‘nationaal-individualisme’. Ik kan me indenken dat de Grieken daar inmiddels gevoelig voor zijn geworden – mochten ze daartoe de middelen vinden.
Vooralsnog is het al onnavolgbaar genoeg wat statistische getallen over te nemen uit Van welk Europa houden wij? Pels benoemt daarbij dan dat er door Europa een scheidslijn loopt tussen noordwest en zuidoost, met Engeland als de uitzondering die de regel bevestigt. Griekenland scoort bijvoorbeeld relatief zwak bij de onderdelen opleiding, zelfvertrouwen, transparantie (wat wil je met de huidige media?!), zelfvertrouwen en antisemitisme.

dinsdag 7 juli 2015

Belichting

Wanneer besloot ik niet meer ‘bij’ te willen zijn? Op de middelbare school werd de hitparade verboden domein, maar ik wist aardig wat er elders voor nieuwe muziek verscheen. Daarna ging mijn aandacht naar onverkende snobgenres en toen docenten uit hun bol gingen bij Crowded House omdat die ‘de nieuwe Beatles’ zouden zijn, was het mij helder: ik doe niet meer mee! Laat de schaamte regeren!
Het geeft iets onaantastbaars om, binnen de beperkingen van de wereldvreemdheid, te kunnen zeggen nooit te hebben gehoord van een beroemdheid. En ‘kinderlijk enthousiast’ te worden van iets dat voor jou splinternieuw is en anderen blijkt te smaken (King Gizzard & The Lizard Wizard).
Bij boeken ligt dit al lastiger. Natuurlijk is er, zeker bij pontificale uitdraging, kans op enige gezaghebbendheid als je geen weet hebt van ‘de waan van de dag’, maar in de branche liggen veel pareltjes die door rechtvaardigheid opgepoetst mogen worden. De kans iets waardevols te missen is groot. Zo ben ik trots ooit het debuut van Pam Emmerik te hebben gelezen, al was het vanwege deze zin: ‘Het was gewoon de op een na beste mogelijkheid om te verdwijnen die ik op dat moment kon bedenken.’ Bovendien zeurde ik als jong menneke in de rondte dat machtighebbers helemaal niet bijhielden wat er verscheen, of dat ze vergelijkingen trokken met het vertrouwde die niet op hun plaats waren. Dat doe ik zelf inmiddels dus ook.
Bij mijn derde manie, taal, kan niemand het zich permitteren onkundig te blijven. Al die veranderingen en nuances, het gekronkel en de kickstarts. Wel blijft onzeker of je ‘bij’ bent. Bij taal dringen nieuwe betekenissen pas door als je merkt dat mensen anders handelen op basis van een term.
Zo loop ik een halve eeuw rond met een idee van ‘solidariteit’ dat me na het hart gaat. Ik bezit een boek waarin die geschiedenis aanschouwelijk is gemaakt: De rode droom. Een eeuw sociaal-democratie in Nederland. Het is niet alleen omdat dat koppelteken in dat traditiewoord onder een spellingshervorming is gesneuveld dat dit boek weemoedig stemt, maar ook omdat ‘solidariteit’ refereert aan iets wat voorbij is nadat de postmoderne ironie heeft huisgehouden. Daarbij trof het niet dat de vakbondsman die de term dikwijls in de mond nam, Van der Scheur heette.
Nadien werd de vraag: wat levert solidariteit op? Mij gruwelt zoiets. Het liedje “voor wat hoort wat” regeert. Een tegenprestatie dus.

zondag 28 juni 2015

Niet leuk

Sinds enige weken is de gourmande dermate overtuigd van haar liefde voor de trompet, dat we haar hebben ingeschreven voor zogeheten initiatielessen. Het is hartverwarmend hoe graag ze wil, maar ook wat vreemd. Haar lippen heeft de gourmande nog niet tegen een mondstuk wagen te zetten. Ook is ze erg jong, zeker voor dit instrument dat het moet hebben van de embouchure. Al haar melktanden zijn in volle glorie aanwezig.
Ik mag haar begeleider worden op gitaar, of als het niet anders kan op piano.
Haar ervaring met blaasinstrumenten beperkt zich tot een geelroze plastic saxofoon in het grootouderlijk huis. Als ze erop blaast, zweven er bellen uit de beker. Tegelijk wekt elk ander instrument haar interesse, tot het moment dat we het als optie noemen. Zo krijgt het wagenpark aan mogelijkheden bij haar principieel de status van uitweiding – het specialisme van Multatuli. Die naam noem ik mede, omdat de meneer heel goed wist wat zijn hoofdlijn was.
De vakterm voor uitweiding is parenthese. Ze komt voor in een gedicht van e.e. cummings. Ooit vertaalde Peter Verstegen dit als ‘haakje sluiten’. Dat trof me met terugwerkende kracht. De enige twijfel die de gourmande namelijk nog even openbaarde, richtte zich op de viool. Maar toen was het ook definitief gedaan. Het werd de trompet. Cornet, in de praktijk. Die beslaat al voldoende van haar lengte.
Inmiddels begrijp ik hoe deze passie heeft kunnen ontstaan. De gourmande heeft haar uit het oude lievelingsboek van haar grote zus: Het rode kippetje door Max Velthuijs. Dat bevat een dierenverhaal getiteld ‘Trompet voor olifant’. Als in meer van Velthuijs’ geweldige teksten staat daarin een conflict centraal, dat wordt beslecht door samenwerking en begrip.
Interessant is de verhouding tussen de partijen, hier een trompettist en – uiteraard – een violist. De violist krokodil noemt zich van nature kunstenaar die zonder muziek niet kan leven. De trompettist olifant begint met zijn instrument pas op latere leeftijd wanneer hij door zijn schuchterheid en wanhoop heen ontdekt heeft dat iedereen kunstenaar is.
Krokodil en Olifant hinderen elkaar bij hun repetities, doordat ze buren zijn. Ze verdragen elkaars herrie niet, of beter: worden erdoor gestoord bij de perfectionering van hun eigen kunstje. Het conflict escaleert als de muur tussen hen letterlijk valt. Eerst pakt de krokodil een ‘pneumatische boormachine’, dan bekroont olifant de woede met ambachtelijke slagen met de hamer.

vrijdag 19 juni 2015

Geen lol te beleven

Heb ik een stand? Ben ik het daaraan verplicht te zeggen wat ik vind?
Wat me aan mezelf opviel, was dat ik het boek snel wilde hebben en lezen. Ondanks het wat snobistische bepaalde lidwoord in de titel: De brieven. Wethouderhekkingachtig viel op het omslag ook te vernemen ‘Samengesteld, ingeleid en geannoteerd door’ enz.
Maar ja, een nieuw boek van Frans Kellendonk is een nieuwe Kellendonk. En het fijne nieuws is dat het, voor mij althans, de scoop van twee vertalingen gaf. Hij heeft Nederlands gemaakt van Bartleby en ‘The idea of order at Key West’ (een lang gedicht van Wallace Stevens).
I would prefer to read it all indeed.
Verder betrapte ik me op de gewaarwording dat Kellendonk mij een aardige man leek. De bundel bevat een acrobatisch lichte liefdesbrief aan Pieter Kottmann, maar misschien had ik mijn gewaarwording uit mijn beroeps-bias, want ik vond het knap hoe Kellendonk als redacteur van De Revisor ultimata-ego’s tegemoet trad.
Vanuit die bias ontwaarde ik dat hij lang maandelijks met zijn uitgever blijkt te hebben gegeten. Wijst dat op een belangrijk auteur of op een slimme baas? Ik ontkom er niet aan in dat kader een streepje te zetten bij de annotatie dat het toenmalige huis ‘op dat moment de meest prestigieuze literaire uitgever in Nederland’ zou zijn geweest. De brieven is de eerste titel die elders verschijnt.
Komt Kellendonk me daarom voor als een schrijver ‘van een uitgestorven ras’? Hij schreef natuurlijk nog met de hand. Toch acht ik hem allerminst geraakt door de pijl van de tijd. Hij brengt hooguit een andere subcultuur aan het licht. Zoals provo’s in de jaren zestig praatten met een bekaktheid die heden uit de mond van corpsstudenten komt.
Mogelijk bedoel ik vooral dat hij me als vakman scrupuleus voorkomt. Schrijver tot aan het eind: ‘Het probleem is dat ik zo duidelijk weet wat ik zeggen wil dat er aan het opschrijven geen lol te beleven valt.’
Was dat het?

woensdag 10 juni 2015

Laat ons denken aan de vrienden uit holland

Het nodige gelezen en herlezen van Hans Groenewegen. Ook onverwacht. Vlak voor het bericht kwam dat deze essaybundel integraal op het web staat las ik Groenewegens exemplaar van Oneigenlijk gebruik door Geert Buelens, die vol bleek te staan met potloodstreepjes, uitroepen en kanttekeningen. Gratis dus twee ervaringen voor dezelfde prijs.
Op zijn beurt toont Groenewegen twee gezichten. De strepen zijn er duidelijk voor de studie, opdat hij onthoudt en terugvindt. De uitroepen zijn echter vaderlijk. Ik weet toevallig dat hij Buelens hoog had, maar afgaand op deze bundel vond hij dat er nog veel huiswerk te doen viel.
De twee poëziekenners van de Lage Landen hebben altijd de wens getoond zoveel mogelijk nuances in hun stellingen aan te brengen en de praktijk altijd voorrang te verlenen boven de theorie. Dit exemplaar leerde mij dat ze verschillende talen spreken. Uitgerekend de nuances zijn Groenewegen met termen als ‘soms’ en ‘vaak’ een doorn in het oog. Of zouden ze hem zijn voorgekomen als relativeringen?
Veel durf ik niet meer met zekerheid te beweren. Onlangs beaamde ik dat van Barthes’ Plezier van de tekst uitsluitend de politieke kant is benadrukt. Maar het slotessay van Oneigenlijk gebruik bewijst de boudheid van die stelling. Ook ben ik in dat boek een gedicht van mezelf tegengekomen waar een witregel in zat.
Onbetwistbaar is slechts de bladwijzer: dat tijdens Groenewegens lectuur een treinkaartje Rijswijk-Amersfoort 7,80 euro kostte (met reductie).
Al met al een verwarrende toestand. Waar de eerste auteur aan wist bij te dragen, met zijn opmerking dat Marvin Gayes protestsong ‘Inner city blues’ grotendeels uit dah-dah-dah gezang bestaat – klopt werkelijk niet, zelfs als je ‘o’ en ‘no’ meetelt.
Het hebben-we-het-over-hetzelfde-gevoel bekroop me onlangs ook bij een foto van iemand die haar arm liet rusten op de vertaling De blikken trom. Wat had de tijd met mel gedaan?

dinsdag 2 juni 2015

Haardvriendin

Getuige geweest van een mooie uitvaartdienst, de eerste in een rouwcentrum dat de heiden die ik ben niet deed verlangen naar een kerk. Veel licht en ramen, waardoorheen velden met mogelijk het bordje Scharrel eieren en, iets verder op de achtergrond, het geluidloze schokken van treinen.
Dat uitzicht vond ik troostend. Het was nodig, hoe licht de toespraken ook waren. Heen was gegaan de burgemeester van onze straat. Helaas is het altijd achteraf dat je je, al was het met het oog op de toekomst, afvraagt of er nog veel van zulke mensen bestaan. Iemand die iedereen in elk huis kent en aanspreekt met verhalen zonder begin, die gemeentewerkers feilloos kan wijzen welke leidingen waar onder het trottoir lopen en die de parkeerpolitie immer kan laten aanbellen bij het huis waarvan de bewoner zijn auto al te onmogelijk heeft geparkeerd.
De meisjes waren eveneens onder de indruk. In eerste instantie natuurlijk van al het snoep dat ze gaan missen en de vaste flauwe grap op weg naar school die door herhaling steeds leuker wordt. Ik vermoed ook dat ze even beseften wat vertrouwdheid kan zijn of nabijheid buiten de muren van het ouderlijk huis.
Is het typisch dat ze rangordes maken van vriendinnen, of doen jongens dat ook? Doordesemd met ironie ken ik de term ‘beste vriend’ eigenlijk niet in de 100%-waarde van mannen. In België spreekt men van ‘mijne maat’, maar ik heb nooit begrepen hoe dik het dan aan is. En weliswaar bestaat de zogeheten boezemvriend, maar die is sinds André van Duin en Vanessa van betekenis veranderd en van gedaante.