dinsdag 27 april 2010

Coreferenties (5)

Vandaag: literatuurdocent, auteur, vertaler en recensent Yves van Kempen (1944). Hij publiceerde, samen met Bert Bultinck, Querido’s leesclubgids. Romans uit Nederland en Vlaanderen (2006) en de roman-in-verhalen Koningin-moeder (Uitgeverij Bert Bakker, 1999). Voorts schreef hij, met Cyrille Offermans, Anthony Mertens en Frits Prior Materialistiese literatuurteorie. De literatuurteoretiese opvattingen van Herman Gorter, Franz Mehring, Henriëtte Roland Holst, Th.W. Adorno, Walter Benjamin, Bertolt Brecht en Georg Lukács (Uitgeverij SUN, 1973), en vertaalde onder meer Russische formalisten en Michel Foucault. Hij recenseerde voor De Groene Amsterdammer. Onlangs verzorgde hij, samen met Hafid Bouazza, Roes. Een bloemlezing over drank en drugs in woord en beeld (Uitgeverij Prometheus, 2010). In juli verschijnt van hem Querido’s klassieke leesclubgids. 


Over literatuuronderwijs aan jongeren 

Het is 2010 als literair agent Paul Sebes een nieuw tijdschrift op internet introduceert: Pulp Fictie. Daarop mogen ‘jonge Nederlanders en Vlamingen laten zien dat ze kunnen schrijven’. Hij vraagt om korte verhalen, confectiematen geven de omvang ervan aan. Maximaal 1500 woorden. Dat zijn dan wel hele grote broeken, XL. Kleiner mag ook: L (tot 500 woorden), M (tot 250 woorden), S (tot 100 woorden) en XS (tot 50 woorden). Jammer dat een eerste zinvolle begeleiding op zijn site ontbreekt.
Het is ook 2010 als schrijver Abdelkader Benali de betekenis van het literatuuronderwijs ontdekt. Beter laat dan nooit, zegt het clichémannetje in mij dan. Want dat onderwijs verkeert in een deplorabele toestand. In de literatuurlessen is bij de invoering van het studiehuis drastisch gesnoeid, op het vmbo is het geloof daarin vrijwel nul en geen leraar in Nederland loopt met het mobiel telefoonnummer van de inmiddels opgestapte onderwijsminister Plasterk op zak om daarin verandering te brengen. Benali wel. Je zou hopen dat zo’n interventie helpt, maar ik weet wel beter. 
Voor de Stichting CPNB mocht hij, geassisteerd door vier docenten Nederlands, ter gelegenheid van de 75e Boekenweek de bundel TXT. Alles is mogelijk in zestien verhalen samenstellen. Met prijsvraag, jubelt het omslag. Hij selecteerde verhalen die scholieren de wereld van de literatuur moeten binnenlokken. Of is het de bijgevoegde wedstrijdprijs die dat moet doen? ‘WIN: 4 kaarten voor 3 dagen A Campingflight to Lowlands Paradise’ verleidt een van de laatste pagina’s van het boekwerk. Wat je daarvoor moet doen? Een zelf gekozen verhaal amputeren op het procrustesbed van chirurg Twitter: ‘Vat het verhaal samen in minimaal 3 en maximaal 10 tweets, met je favoriete personage als ik-figuur, in maximaal 140 karakters per tweet’. Behalve dat identificatiemomentje met de favoriet is daar ook die vermaledijde samenvatting weer. Voor de gelegenheid in een modieus jasje gestoken, desalniettemin de herhaling van het misverstand dat een literaire tekst ongestraft gemillimeterd kan of om didactische redenen moet worden. Benali’s enthousiasme over zijn Twitterlatuur-vondst is ontwapenend: ‘Dat ze het in 140 woorden moeten doen, dat is wel lekker. Het is overzichtelijk, voordat ze moe zijn geworden zijn ze al klaar’, verduidelijkt hij in een interview. 
De meeste verhalen in TXT bevatten het hoogste soortelijk gewicht aan seks. Dat is regelmatig de honing waarmee te veel docenten de puberende leerlingen denken te kunnen verlokken. De vraag daargelaten of die truc werkelijk werkt, speelt ook hier een uitgekauwde traditie op: die van de thematische benadering. Vat samen, bepaal het thema, beschrijf de hoofdpersoon. Het is de vaste fantasieloze benadering van schoollezen, een waarvan leerlingen terecht gruwen en die de liefde voor boek of verhaal op afstand zet. Waarom die betutteling toch altijd? 
Onderwijs moet je niet overlaten aan de bureaucraten van pedagogische centra of samenstellers van schoolboeken. Leerplannen met hun bijbehorende curricula zijn evenals leerboeken keurslijven. Vitaal onderwijs komt altijd voort uit de actualiteit van wat er zich in de klas afspeelt tussen de docent en zijn leerlingen. Interessanter dan het voortdurend toetsbaar maken van leerstof is, naast het overbrengen van kennis over de geschiedenis van literatuur en in relatie daarmee cultuur, zoiets moeilijk definieerbaars als ontvankelijk maken, enthousiasmeren, nieuwsgierigheid uitlokken, bezielen. Het gaat erom een appèl te doen op de speelse, nog niet door conventies en allerlei mores aangetaste geest van jonge mensen. Scholen beschikken tegenwoordig over voldoende hulpmiddelen en apparatuur om lessen toe te snijden op het karakter van een klas – uiteraard mits de docent daartoe is geëquipeerd. Daar schort het nog wel eens aan. Oorzaak: de minimalistische programma’s op de lerarenopleidingen. Interne scholing, begeleiding van docenten in de klas door ervaren collega’s die speciaal daarvoor enkele uren zijn vrijgesteld van lesgeven, kan dat probleem oplossen. Op die manier werkten we in de Open Schoolgemeenschap Bijlmer te Amsterdam succesvol met het concept van een zichzelf vernieuwende school. 
Literatuurlessen en taalonderwijs moeten onverbrekelijk met elkaar zijn verbonden. Ze zijn dat niet meer als gevolg van de rigoureuze scheiding tussen taalbeheersing en literatuurstudie zoals die in de jaren zeventig door de lobby van taalbeheersers is doorgevoerd. Literaire tijdschriften waaronder Bzzlletin met zijn verklarende artikelen over literatuur verdwenen langzaam uit de schappen van de bibliotheek die mediatheek ging heten. Het lezen van boeken werd gemarginaliseerd. Afschaffen die tweedeling. De keuze voor een geformaliseerd begrijpend lezen en de dwingend geformuleerde eis om ‘functioneel’ en ‘gericht’ te schrijven, heeft te veel docenten Nederlands vervreemd van het reservaat waar de taal werkelijk wordt vernieuwd: de literatuur. Je kijkt er niet meer van op als collega-neerlandici je ronduit bekennen dat ze allang zijn opgehouden literatuur te lezen, of er zelfs nooit werkelijk aan zijn begonnen. 
Recht doen aan literaire teksten betekent allereerst in de huid van de taal kruipen, in de klanken van de woorden, de ritmes van de zinnen en opgaan in de opgeroepen beelden. De gulden regel: lezen is stillezen, is hardop lezen, is schrijven, imiteren, articuleren, is acteren, is avonturieren in de wereld van het woord. Van het meerduidige, het dubbelzinnige woord, want de literaire taal is op meer dan alleen communicatie ingesteld. Daarom zijn leesboeken geen leerboeken die je ongestraft kunt comprimeren, al kun je er veel uit leren, dichtregels nooit leefregels al kun je er soms naar leven en essays geen wetenschappelijke vertogen al zitten ze vol kennis. 
Inspirerende lessen ontstaan altijd tijdens het experimenteren en improviseren met de eigen ideeën en die van de leerlingen. Er is geen receptuur voor, het is en blijft een kwestie van zoeken en vinden. Bijvoorbeeld langs de weg van de imitatie. Haal uit een serie humoristische en absurde teksten de diverse stijlfiguren en zet daarmee vervolgens iedereen aan het werk. Orkestreer de diverse resultaten tot een cabaretavond waarin dat alles wordt opgevoerd: parodie, kolder, spot, bizarre woordstapelingen, slapstick, meligheid, boertigheid. Of neem een mythe als die over Icarus als uitgangspunt, de val, de minotaurus, het labyrint, de verbeelding ervan door schilders en dichters. Vergelijk de diverse poëtische commentaren op de beeldbewerkingen van het oeroude verhaal. Laat de hele klas Hanlo’s ‘Oote’ a capella zingen, het liefst door de muren van het lokaal heen. Zet de leerlingen op het podium en speel toneel met ze. Dan leren ze in de Oidipus de oude Grieken kennen, uit de Elckerlyc en de kluchtige uitsmijter De Buskenblazer de middeleeuwen en dankzij een toneelbewerking van Kees de Jongen het Amsterdam van eertijds. Het bijkomend effect is al even belangrijk: ze zullen bij elke repetitie de kracht moeten opzoeken waarmee de stem de ruimte moet veroveren, het nut van een goede articulatie onderkennen en het theatrale gebaar ervaren. Laat ze een verhaal of fragmenten uit een roman in de klas dramatiseren, tot luisterspel verwerken, verfilmen. Of stuur ze een literair tijdschrift in, een favoriet verhaal of gedicht daaruit voorlezen in de klas, laat ze kennismaken met de prestaties van beginnende schrijvers op de website van Sebes. Het zijn zomaar wat suggesties, alles is mogelijk. Verveel leerlingen vooral niet met getwitterde samenvattingen en uitgeloogde identificatievragen – hun creativiteit is XL.

maandag 19 april 2010

Coreferenties (4)

Vandaag: dichter, essayist en redacteur Hans Groenewegen (1956). Hij publiceerde bij Uitgeverij Wereldbibliotheek de poëziebundels lichaamswater (2002), en gingen uit sterven (2005) en zuurstofschuld (2008). Voor Historische Uitgeverij redigeerde hij artikelenbundels over Hans Faverey (1997), Lucebert (1999), Kees Ouwens (2002) en Karel van de Woestijne (2007), en schreef hij zijn recentste studie Het handschrift van Lucebert (2009). Hij stelde voor Uitgeverij Van Gennep een bloemlezing samen over oorlog in de Nederlandstalige poëzie na de val van de Muur: Vrede is eten met muziek (2005). Veel van zijn poëziekronieken, waaronder de selecties voor Uitgeverij Vantilt onder de titels Schuimen langs de vloedlijn (2002) en Overvloed (2005), zijn integraal te vinden op zijn website. 

Augustus 2005 verschijnt het eerste nummer van een nieuw literair internettijdschrift: Komkommer & Kwel. De redacteuren formuleren in het eerste redactioneel hun ambitie als volgt: ‘Een van de doelstellingen van Komkommer & Kwel is het presenteren van proza, poëzie en beschouwende teksten van ongekend talent. We bieden hen een podium in de hoop dat het een volgende stap is op weg naar een uitgeverij, erkenning en (uiteindelijk) wereldfaam.’ Ze weten dat tijdschriften traditioneel met iets van een beginselverklaring op de proppen moet komen. Zij doen dat ook, maar dan anders: ‘De motivatie om een literair tijdschrift op te zetten berust vaak op een gevoel van ontevredenheid. Ontevredenheid bijvoorbeeld over het heersende literaire klimaat van het moment. Provocatie, openbare executies en allesverwoestende bommentapijten zijn dan de middelen die het doel moeten heiligen. Wij keren al dat wapengekletter de wang toe.’ 
De geboorte van Komkommer & Kwel werd met ergernis geconstateerd door Jeroen Mettes op zijn weblog Poëzienotities. Die ergernis vormt een prima bijdrage aan de discussie over literaire tijdschriften. Ik bezondig me hier aan een gewoonte die ik op papier heb ontwikkeld en neem het citaat over: 

‘Nu vind ik het prettig dat niet iedereen in Nederland zo boos en uitgesproken is als ik of Geert Wilders, maar de vraag rijst: als ik een auteur was – bekend of onbekend –, waarom zou ik dan mijn werk gepubliceerd willen zien in Komkommer & Kwel? Waarom zou ik het niet gewoon op mijn eigen blog of website zetten? Ik bereik immers een even groot publiek. De enige legitieme reden om in een online literair tijdschrift te publiceren lijkt me de volgende: het tijdschrift biedt een bepaalde context voor mijn werk, een bepaalde visie op literatuur en een waardering voor bepaalde tradities die ik deel. Ik wil nl. niet alleen dat mijn werk gelezen wordt, ik wil ook dat het goed gelezen wordt en dat het de juiste lezers bereikt. D.w.z. een tijdschrift moet een bepaalde gemeenschap representeren. Zonder zo’n gemeenschap is het niets meer dan een publicatiemogelijkheid, een leeg podium, dat ik met digitale middelen in een kwartier voor mezelf heb gefabriceerd. Goed, ik kan na zes bundels zeggen: “Mijn debuut was destijds in Komkommer & Kwel.” Maar wie zal zich een tijdschrift herinneren dat bewust geen enkele indruk wil maken?’ 

Wat is er nieuw onder de zon? Al in 2005 lag het vraagstuk van de literaire tijdschriften en internet op tafel. Het aardige van het redactioneel van Komkommer & Kwel enerzijds en de reactie van Jeroen Mettes anderzijds is dat het helemaal niet om internet tegenover niet-internet gaat. De Komkommer&kwellisten geven duidelijk aan dat zij een digitale springplank (het woord ‘podium’ is wat onzorgvuldig gekozen) willen zijn naar papieren erkenning. Mettes maakt het niet uit of een tijdschrift alleen online bestaat of (ook nog) op papier. Een tijdschrift is voor hem onderdeel van dialogen – zowel de dialoog van de poëticale gemeenschap die het tijdschrift samenstelt, als de interventie die zo’n tijdschrift pleegt in het literaire en maatschappelijke debat. Hij verwacht antwoorden. 
Het vruchteloze van de tijdschriftendiscussie komt hier ook aan de oppervlakte. Er praten twee groepen langs elkaar heen die verschillende belangen hebben. 
Aan de ene kant zien we de avant-garde – Mettes noemde zichzelf, met restricties en toevoegingen die hier te ver voeren, een avant-gardist; hij liet zich enkele maanden na de start van Poëzienotities inlijven bij zowel Parmentier als yang. Zij wil literatuur vernieuwen. Internet biedt extra mogelijkheden om dat te doen. En internet vormt een ruimte, een gelegenheid voor gelijkgezinde nieuwsgierigen die elkaar op interessante boeken en blogs wijzen, elkaars begrippen begroeten of bevragen. Kijk maar eens naar de enthousiaste en vruchtbare discussies in de eerste maanden van het bestaan van Poëzienotities. De avant-garde verhoudt zich tot de mainstream literatuur. De mainstream literatuur verhoudt zich tot de avant-garde. De dominerende esthetica heeft altijd elementen en middelen opgepikt die elders zijn uitgeprobeerd. Het houdt de beweging erin. De literaire instituties zijn bereid voor deze bevruchtende functie te betalen, zowel aan personen als aan gemeenschappen zoals tijdschriften – of die nu online of offline functioneren. 
De gevestigde vertegenwoordigers van de mainstream literatuur voeren geen debatten. Ze houden zich al helemaal niet op internet op, anders dan als bijkomende marketingstrategie. Of voor individueel gemopper als ze zich miskend voelen (gevoelens van miskenning komen ook daar voor). Wie zich wel op internet ophouden zijn de Komkommer&kwellisten. Voor hen is internet niet een medium dat om nieuwe technieken vraagt, het is niet een ruimte voor debat, het is een pikordehok met daarin een springplank naar papier. Op dit niveau speelt de vraag naar kwaliteit. Is werk goed genoeg om bij een gevestigde uitgever uitgegeven te worden? Het fonds van De Contrabas levert geregeld dichters af bij gevestigde uitgeverijen.
De discussie over subsidies voor literaire tijdschriften lijkt me dan ook een valse discussie. Het weinige geld dat eraan wordt besteedt is een afkoopsom. Tijdschriften zijn voor de grootverdieners wat het Natlab (het Natuurkundig laboratorium) is voor Philips. Soms komt er iets uit waar iedereen van profiteert – maar daarvoor moeten de laboranten wel de vrije hand krijgen. Hier speelt allereerst de vraag naar kwaliteiten, en daarbinnen wordt de vraag naar kwaliteit weer actueel, net zoals tussen de springplankers en zij die zich al in het warme bad van papier bevinden. 
Vanuit De Contrabas zou de vergelijking op tafel moeten worden gelegd met andere uitgeverijen. Hoe financiert De Contrabas zijn poëzie-uitgaven en hoe doet Querido dat? Hoe financiert De Contrabas zijn weblog en hoe financiert Querido zijn promotieactiviteiten? Als Querido daar wel subsidie voor krijgt en De Contrabas niet, dan zou de vraag naar het waarom moeten worden beantwoord. Flagrant onrecht zou bestreden moeten worden.

zondag 11 april 2010

Coreferenties (3)

Vandaag: schrijver, vertaler en redacteur Piet Joostens (1972). Hij debuteerde met de roman Aladdin in Brussel (Manteau, 1998). Tot 2008 was hij redacteur van het literaire tijdschrift yang en momenteel is hij redacteur van de internetpoot van nY. Hij is bovendien een van de stichters van het platform voor literaire kritiek De Reactor en deeltijds medewerker van de literaire organisatie Het beschrijf. Als vertaler boog hij zich over essays, proza en gedichten van onder anderen Alain Badiou, Philippe Beck, Gilles Deleuze, Stéphane Mallarmé, Aldo Palazzeschi, Lisa Robertson en Gwenaëlle Stubbe.

Misschien is het geen slecht idee om op deze plaats in te gaan op het interview dat Tom Van Imschoot onlangs voor Rekto:Verso had met Jos Geysels, de pasbenoemde bestuursvoorzitter van het Vlaams Fonds voor de Letteren. Het artikel lokte nog geen noemenswaardige reacties uit van de literaire tijdschriften in Vlaanderen, wat nogal merkwaardig is: Geysels stelde hier met name wat hen betreft een voor hem dringende zaak aan de orde. ‘Wat is de toekomst van de literaire tijdschriften?’ is nota bene een van de drie prioritaire vragen waarop hij nog tegen het einde van dit jaar een antwoord wil.
Het gaat voor alle duidelijkheid niét om een inhoudelijke kwestie. Auteurs en redacteuren zullen zelf wel bepalen wat er in de tijdschriften van de toekomst gepubliceerd wordt. En voor de inhoudelijke beoordeling waar de subsidies van afhangen is er de (door het Fondsbestuur benoemde) adviescommissie tijdschriften, die geregeld van samenstelling verandert. Terecht merkt Geysels op dat hij zich moet houden aan de strikte scheiding tussen bestuur en adviescommissies en dat hij zich niet kan inlaten met ‘de literatuur zelf’. Dat maakt hem natuurlijk nog niet tot een pure econoom, hetgeen blijkt uit de Twee Grote Doelstellingen die hij bij zijn aantreden formuleert: 1. ‘de democratisering van literaire kwaliteit, zowel op het niveau van de productie als op het niveau van de verspreiding*’, en 2. ‘het VFL niet alleen een payer te laten zijn, maar ook een centrale player’, namelijk ‘een orgaan dat het publieke debat over de letteren aanwakkert en dat de adviezen of eisen die daaruit voortvloeien assertiever communiceert richting overheid’. Doelstellingen die veelbelovend klinken. Het literatuurbeleid dat Geysels gevoerd wil zien komt misschien ooit in de buurt van het Powerplay waar we volgens sommigen al lang aan toe zijn. 
Wat is nu de tijdschriftentoekomst waar Geysels dringende vraagtekens bij plaatst? Aan het bestaansrecht van de literaire tijdschriften twijfelt hij geenszins: ‘Hun waarde staat met andere woorden voor mij buiten kijf.’ Dat literaire tijdschriften subsidies verdienen, stelt hij niet ter discussie, want hij is niet van plan om mee te huilen met het ‘koor van wolven voor wie literatuur een privé-zaak is en dus niet gesubsidieerd moet worden’. De tijdschriften mogen ook iets blijven kosten, want hij wil het beschikbare budget niet meer laten dalen (dat de voorbije jaren overigens al ferm gedaald ís, en dat per tijdschrift vaak kleiner uitvalt dan dat van een gemiddeld niet-literair cultureel tijdschrift dat via het Kunstendecreet wordt betoelaagd). Anders dan een ex-tijdschriftenmaker en would-be landschapsarchitect lijdt Geysels niet aan versmeltingsdrang: ‘Wat ik in mijn contacten in elk geval heb ontdekt, is dat eenmaking in een soort super-DW&B geen optie is, omdat iedereen graag zijn eigen ei legt.’ Juist in tijden van globalisering! voegt hij eraan toe. 
Geysels betwijfelt alleen ‘of alles van waarde nog werkelijk gedrukt moet worden’. Het is een vraag die blijkbaar weinig met zijn groene gedachtegoed te maken heeft, want verderop lezen we dat ‘een tijdschrift dat verspreid wordt op 20.000 exemplaren natuurlijk fantastisch [klinkt]’. Er mogen dus nog wel wat boompjes sneuvelen ter meerdere eer en glorie van het Vlaamse tijdschriftenlandschap. Geysels beseft hopelijk dat een Vlaams literair tijdschrift met zo’n oplage pure utopie is, maar het is duidelijk dat hij het op de allerkleinsten gemunt heeft: ‘als je een oplage hebt van 200 à 300 nummers, moet je dan werkelijk nog gedrukt worden? Misschien wel, maar daarover moeten we discussiëren, vanuit een kader dat niemand demotiveert.’ Geysels hoopt met andere woorden enigszins dat nieuwkomers en kleinen voortaan met de webmaster in plaats van met de drukker willen bellen. 
Welnu, dat klinkt misschien vriendelijk en voor sommige bladen nog het overwegen waard, maar er zijn wel een aantal serieuze problemen. Ten eerste zal Geysels niet veel gesubsidieerde literaire tijdschriften vinden die zo weinig exemplaren drukken (een betaalde afname van minimaal 250 exemplaren is ook een formele voorwaarde in het subsidiereglement). Ten tweede zou je vanuit dezelfde visie kunnen besluiten dat veel waardevolle en commercieel minder succesvolle gesubsidieerde poëzie en essayistiek dan ook maar niet meer in boekvorm hoeft te verschijnen. (Ik geloof niet dat hier bij auteurs, uitgevers, lezers én commissieleden poëzie en essay veel animo voor bestaat.) 
Ten derde en last but not least: betekent het drukken van kleinere oplages echt zo’n aderlating voor het budget, aka de Vlaamse belastingbetaler? Ter vergelijking: de opmaak- en drukkosten voor het tijdschrift nY (650 ex.) bedroegen in 2009 nog geen derde van de totale subsidie (53.000 van het VFL en 4.450 van de Provincie Oost-Vlaanderen). De verzendings- en distributiekosten werden volledig gedekt door het abonneegeld. De grootste hap van de nY-subsidies, zo’n 44 procent, ging naar de honoraria van (belastingplichtige) auteurs en literair vertalers. Het redacteurschap zelf wordt op geen enkele wijze gehonoreerd. Zou het geld dat de tijdschriften kunnen besparen door zich volledig over te geven aan het internet zoveel beter kunnen worden besteed voor de literaire zaak? Wie al eens een naar hedendaagse vormgeving en gebruiksvriendelijkheid geslaagde website heeft gemaakt en bestierd, weet dat het internet allesbehalve gratis is, en met een volledige digitalisering verlies je ongetwijfeld abonneegeld. 
Maar alles kan beter, dus ook de besteding van het tijdschriftenbudget van het VFL. Een budget dat overigens een stuk bescheidener uitvalt dan Geysels het in zijn interview laat uitschijnen. Hij spreekt van een ‘bijzonder groot bedrag’ en goochelt steeds met 600.000 euro, het tijdschriftenbudget van Vlaanderen en Nederland samen, waarmee je ‘veel kunt doen’. Ongetwijfeld, maar dat kan Geysels níét: tot nader order is hij bestuursvoorzitter van deel één. In werkelijkheid bedroeg het totale bedrag dat het VFL aan de realisaties van de tijdschriften besteedde 285.000 euro in 2008 (tien tijdschriften) en 222.500 euro in 2010 (zeven tijdschriften) – ik reken de bedragen die worden toegekend aan CeLT nu even niet mee (dat is de vzw die onder meer de distributie beheert en voor gezamenlijke promotie zorgt en waarvan de kunsttijdschriften mee profiteren: jaarlijks gemiddeld 30.000 euro). De vetpot waarmee Geysels literair kwalitatief en democratisch wil playen is met andere woorden behoorlijk virtueel — tot iemand decreteert dat er een Verenigde Groot-Dietsche Tijdschriftenpolitiek moet komen, wat nefast zal zijn voor de noodzakelijke heterogeniteit van het aanbod. 

*Als het gaat om ‘de democratisering van literaire kwaliteit’ zie ik voor literaire tijdschriften nog geen problemen. Een nummer van nY kost €7, een abonnement voor vier nummers €20. (In Nederland zijn ze iets duurder – Parmentier €9 per los nummer, De Gids €9,50, De Revisor €11, Tirade €12,50 – maar een legale cd kost nog altijd meer.) De tijdschriften en hun redacties zijn beschikbaar en bereikbaar voor wie maar wil, fysiek, telefonisch en mailgewijs. Je hoeft ook geen lidkaart of diploma te hebben om een tijdschrift te verkrijgen en je erin te verdiepen. Als het VFL er onder Geysels’ impuls in slaagt de literaire tijdschriften ook in de supermarkt aan te bieden, in navolging van het (gefaalde) Nieuw Wereldtijdschrift, des te beter. Beschikbaarheid is het enige criterium dat het VFL qua democratische literatuur legitiem kan hanteren. Democratische literatuur is bijvoorbeeld iets anders dan literatuur die van tevoren van zichzelf meent te weten dat ze door iedereen vlot begrepen en geliefd zal worden. Democratische literatuur is in eerste instantie literatuur die ervan uitgaat dat ze door iedereen gelezen kán worden. Dat is haar openheid. Ze heeft geen lage dunk van de lezer en voelt niet de noodzaak hem bij het handje te nemen. Geen nivellering, geen infantilisering in naam van een gedroomd ‘groot publiek’. In dat verband verwijs ik naar de opvattingen van Jacques Rancière over democratie en emancipatie (zie Le maître ignorant (1983) of zijn recente bijdrage in de reader L’idée du communisme (éd. Lignes, 2010)). Rancière verzet zich tegen een inegalitaire logica van de emancipatie die vertrekt van een ondergeschikte positie van wie die emancipatie kan gebruiken. Zo wordt de ongelijkheid immers alleen bestendigd in naam van een toekomstige gelijkheid die nooit komt. Rancière gaat uit van twee axioma’s: de gelijkheid als vooronderstelling die vervolgens geverifieerd kan worden (dus niet de gelijkheid als horizon), en de zekerheid dat ‘l’intelligence est une’ (dat het intellect op zich niet toebehoort aan bepaalde specialismen (schrijver-lezer, leraar-leerling, ingenieur-arbeider, politicus-kiezer…) maar van om het even wie kan zijn). Simpelweg: ‘L’hypothèse de l’émancipation est une hypothèse de confiance.’ Kom daar in onze door angst geregeerde tijden maar eens om.

donderdag 8 april 2010

Bij coreferenties (2)

Weer raakt ten minste één kwestie me dermate, dat ik haar wil expliciteren: het rotsvaste geloof in de ondergang van elk papieren literair blad. Mijn ideaal aan gruzelementen! Ton van ’t Hof verbrijzelt het nuchter, De Contrabas pontificaal. Omdat die site dat geloof de laatste week heeft uitgevent in een serie postings en door stichting van ‘HET LITERAIRE TIJDSCHRIFT’ op Facebook, met een als volstrekt ‘gedateerd’ op te vatten typemachine als beeldmerk, tracht ik te begrijpen wat deze zekerheden over de toekomst behelzen.
Eerst de motivatie voor die postings: een symposium van en over die papieren standbeelden. Wil de ironie dat die aandacht de te overbruggen kloof tussen een boven- en een onderwereld verwijdt? Omdat het hier een doorverwijssite betreft die terzijde meningen over afzonderlijke literaire bladen ventileert maar er volgens mij (bij ontstentenis van te hyperlinken teksten?) nog nooit eentje heeft besproken, was er zonder het symposium geen posting over het medium als fenomeen geweest. En omdat men het betreurde niet voor het symposium gevraagd te zijn, werd het ontologisch failliet dan maar vanaf het thuishonk opgetekend.
Welke onderzoeksresultaten brengen het paradepaardje van de bovenwereld in klaarblijkelijk eeuwig diskrediet? Euh, met een insidersdoorzicht in het nu en de nabije geschiedenis regeren vooral apodictische uitspraken. Daarbij vallen twee dingen op. Om te beginnen lijken de ferventste critici zelden in klassieke literaire tijdschriften te hebben gepubliceerd, laat staan dat hun boeken in de fondsen van eraan verbonden huizen te ontdekken zijn. Dat zal een principiële keuze wezen die op zich geen beletsel is voor genuanceerde oordelen, integendeel, ware het niet dat, ten tweede, de kennis van het gelaakte bijna nihil lijkt. Wie DWB en nY op één hoop veegt, kan van die tijdschriften hooguit hun inhoudsopgaven geconsumeerd hebben.
Aldus is het verstrekte alternatief van ‘polariseren’ een inkoppertje: door het gemis van een reële tegenstander en van een andere empirie dan privé-hebbelijkheden waar slechts nota van kan worden genomen, raken argumenten misplaatst. Dat verklaart wellicht waarom er helaas maar sporadisch afleveringen zijn in een geweldige rubriek over eerste gedichten van een bundel: op een goed moment zou de aandacht naar concrete teksten uitgaan.
Indien ik beweer dat het wel de moeite waard is de proef op de som nemen, door in het kader van de tijdschriftenproblematiek bijvoorbeeld te kijken hoe bijdragen op een speciaal weblog al dan niet kunnen wedijveren met poëzie in een literair blad, betoon ik me reactionair, omdat ik dan vis naar ‘kwaliteit’ – een verzinsel van mensen die zich verheven voelen en complotten beramen om, bijvoorbeeld met gesubsidieerde bladen, de massa buiten hun gesloten circuit te houden. Maar indien ‘kwaliteit’ niet bestaat, waarop zijn internetmeningen dan gebaseerd? Telkens blijkt A beter dan B, deugt C niet omdat D enz.
Mijn inzet zal ‘politiek’ zijn want mijn ‘belangen’ verdedigen: al die gebreken treft De Contrabas uitsluitend bij de ander aan. Dat boeit me, Fidel Castro vond al dat Che G. de belangeloosheid zelve was. De stelligheid waarmee de site papieren literaire tijdschriften ziet sneuvelen, doet vermoeden dat de wens de vader van die gedachte is: achter de dystopie gloort zelfbevrijding.
Toch kan iedereen vrij naar papieren literaire tijdschriften inzenden en zijn ze raadpleegbaar in bibliotheken. Die openbaarheid is logisch, omdat ze, en hun subsidies bekrachtigen dat louter, behoren tot de publieke ruimte. Daarentegen moet men zich voor ‘HET LITERAIRE TIJDSCHRIFT’ op Facebook inschrijven bij de groep – niet zozeer het explorerende netwerk waar Van ’t Hof naar streeft als wel een defensieve parochie.
Mogelijk getuigt dat van een jaloersmakend zelfbesef. Over het symposium, pertinent door één krant gemonopoliseerd trouwens, werd vooraf verslag gedaan: standpunten waren gefixeerd. Daarna werd niet de realiteit geverifieerd maar de berichten erover. Is dat de content waarop het wachten is geweest?

vrijdag 2 april 2010

Coreferenties (2)

Vandaag: internetpionier, dichter en uitgever Ton van ’t Hof (1959). Hij publiceerde drie dichtbundels in eigen beheer (Uitgeverij Stanza): Je komt er wel bovenop (2007), Chatten met Jabberwacky. Gedichten 2005-2008 (2008) en Aan een ster/ she argued (2009). Ook was hij de samensteller van Flarf, een bloemlezing (Uitgeverij De Contrabas, 2009). In 2005 stichtte hij samen met Chrétien Breukers het veelbezochte poëzieweblog De Contrabas, waaraan hij als redacteur ruim vier jaar verbonden zou blijven en waarop hij bijvoorbeeld schreef over printing on demand. In diverse literaire bladen en op sites verschenen gedichten, artikelen, essays en vertalingen van zijn hand. Zijn persoonlijke weblog is 1hundred1.

Twee businessmodellen: Jacket Magazine en de Poetry Foundation 

Ik geloof dat drukwerk het binnen een à twee generaties moet afleggen tegen de elektronica. Mijn kleinkinderen zullen met een iPad of iets dergelijks in hun tas naar de middelbare school gaan. Internet 3.0 maakt tegen die tijd plaats voor 4.0 en de huidige businessmodellen die high-quality culturele content produceren zijn dan allang door efficiëntere modellen vervangen. 
In zijn boeiende reeks ‘Wat nu?’ vraagt Marc Kregting in feite naar hoe zo’n nieuw businessmodel voor hoogwaardige culturele content er in de nabije toekomst uit zou kunnen zien. Voor de beantwoording van deze vraag is onder meer, zo leert de moderne veranderstrategie, een beeld nodig van de toekomstige omgeving waarin men denkt te opereren. Even verderop in het verandertraject zal een brainstormsessie dan moeten leiden tot de eerste, lumineuze ideeën voor een nieuw businessmodel. Allemaal theorie. En garantie voor succes? Tot de voordeur. Maar wie niet waagt, die niet wint. Talloze pogingen brengen altijd wel enkele succesvolle modellen voort, die daarna door anderen geheel of gedeeltelijk kunnen worden gekopieerd. Maar stil blijven staan, hangen aan het verleden, zal killing blijken te zijn. 
In de Engelstalige poëziewereld zijn de afgelopen jaren twee verschillende nieuwe businessmodellen voor poëziecontent geïntroduceerd, die ik om uiteenlopende redenen als succesvol bestempel. Het eerste, al wat oudere model, is dat van het Australische Jacket Magazine, online sinds 1997. De Poetry Foundation uit de VS, opgericht in 2003, is het tweede model dat een aandachtige blik waard is.

Jacket Magazine is een ‘free internet literary magazine’ dat in het leven werd geroepen door de Australische dichter John Tranter. Zeven jaar lang was hij de enige redacteur. In 2004 schoot de Australische dichteres Pam Brown hem te hulp en sindsdien vormen ze samen de redactie. Het is net als bij traditionele bladen liefdewerk oud papier. Jacket Magazine wordt niet gesubsidieerd en genereert geen inkomsten. Auteurs vangen bijgevolg geen vergoeding voor hun bijdragen. Toch weten Tranter en Brown elk nummer te vullen met internationale auteurs van naam en heel veel inhoud van kwaliteit. Zo is het onlangs voltooide nummer 38 ruim 700 A-4tjes dik! De nummers worden langzaam gevuld, waardoor er online altijd wel wat nieuws te lezen valt. De vormgeving is eenvoudig, strak, prettig leesbaar.
Jacket heeft geleidelijk zijn goede reputatie opgebouwd. Het richt zich op de contemporaine poëzie en biedt, zonder daarbij stelling te nemen, ruimte aan allerlei stromingen: van het modernisme en postmodernisme tot de nieuwe avant-garde, zoals flarf, ecopoëzie, slow poetry, conceptuele poëzie en e-poëzie. Uit het feit dat Tranter vanaf het allereerste begin poëziekanonnen als John Ashbery, Marjorie Perloff, Ron Silliman, Juliana Spahr, Bob Perelman, Michael Heller, Lisa Jarnot, John Kinsella, August Kleinzahler, Charles Bernstein, Hans Magnus Enzensberger en Eileen Myles wist over te halen om in Jacket te publiceren, trek ik de conclusie dat hij over een groot netwerk beschikt, dat zich tot ver over de Australische grenzen uitstrekt. 
Ik zou het businessmodel van Jacket Magazine als volgt willen typeren: open-minded, onafhankelijk, gericht op kwaliteit, low budget, louter digitaal en werkend binnen een netwerkcultuur. Gecombineerd met de mogelijkheden van internet is zo een groot, vrij toegankelijk high-quality digitaal archief opgebouwd dat zijn weerga in de Engelstalige poëziewereld niet of nauwelijks heeft. 
Maar veranderingen zijn op til: vanaf 2011 geeft Tranter, bijna 70, Jacket uit handen. Het hele archief verhuist dan naar de servers van de University of Pennsylvania en een vijfkoppige redactie, onder leiding van de Amerikaanse dichter en hoogleraar Al Filreis (samen met Charles Bernstein oprichter van PennSound), zal Jacket voortzetten onder de naam Jacket 2. 

Het zal je maar gebeuren: een literair tijdschrift dat een gift van $200 miljoen ontvangt. Het overkwam Poetry uit Chicago aan het begin van deze eeuw en de gulle gever was filantroop Ruth Lilly. Het leidde tot de oprichting van een stichting, de Poetry Foundation, ‘to promote poetry in the wider culture’. Een explosie aan activiteiten volgde, waarvan het opzetten van een website, de Poetry Out Loud: National Recitation Contest (‘to encourage the nation’s youth to learn about great poetry through memorization and performance’) en de Harriet Monroe Poetry Institute (‘an independent forum created to provide a space in which fresh thinking about poetry can flourish’) de meest in het oog springende zijn. Alles groots en met veel bombarie ingezet. Ook geeft de stichting nog altijd het tijdschrift Poetry uit, dat momenteel circa 30.000 abonnees heeft. 
Opmerkelijk waren de aanstellingen in 2003: Poetry’s hoofdredacteur Joseph Parisi, die twintig jaar aan het roer had gestaan, werd vervangen door de jonge dichter en criticus Christian Wiman, en John Barr, dichter en succesvol zakenman, werd CEO van de stichting. Er is onder hun leiding een nieuwe koers ingeslagen, waarbij langzaam maar zeker afscheid wordt genomen van het brave en academische karakter van Poetry en meer ruimte komt voor debat en andere niet-academische poëziestromingen. Wiman en Bahr willen méér flair, méér variatie, méér entertainment. Er moet over Poetry en de Poetry Foundation publiekelijk gesproken worden. En dat is ze gelukt. 
Opvallend is dat elk nummer van Poetry ook direct en volledig online komt. Het heeft de oplage niet geschaad: die is sinds 2003 bijna verdrievoudigd. Ook ik bestel af en toe een gedrukt exemplaar, voor de heb, bijvoorbeeld het zomernummer van vorig jaar met het nu al historische dossier ‘Flarf and Conceptual Writing’. Daarnaast volg ik graag Harriet, het weblog van de Poetry Foundation, waar dichters van zeer divers pluimage als gastbloggers de gelegenheid krijgen om hun visie op poëzie kenbaar te maken. Het wordt, gezien de reacties, goed en kritisch gelezen. 

Het businessmodel van de Poetry Foundation verschilt duidelijk van dat van Jacket Magazine. Poetry Foundation beschikt over een professionele staf en betaalt auteurs voor hun bijdragen. Door de luxe van het geld hoeft de stichting minder te leunen op een netwerkcultuur. De overeenkomsten met Jacket zijn de open-mindedness en de exploratie van de mogelijkheden van internet. En met name deze twee overeenkomsten dienen volgens mij de kern te vormen van elk nieuw businessmodel dat succesvol poëziecontent wil genereren. 
Ik raad tot slot redacteuren van Nederlandstalige literaire tijdschriften aan om eens het onlangs door de Poetry Foundation gepubliceerde rapport Poetry and New Media: A Users’ Guide te lezen. Het eindigt onder andere met de volgende conclusies: ‘That access to poetry, being crucial to the development of and maintenance of cultural literacy and our cultural heritage, should therefore be considered a cultural imperative. That, over the long term, efforts to limit access to poetry and other important artistic and cultural works tend to have negative consequences that outweigh imagined positive consequences.’ Waarvan akte.

woensdag 31 maart 2010

Bij coreferenties (1)

Sorry dat ik toch even interfereer, maar de acquisitie via een literair agent als alternatief voor het literaire tijdschrift riep bij mij een vraag op die in de comments kennelijk niet viel uit te klaren: kan het feit dat deze twee bronnen langs elkaar heen werken met kwaliteitsmaatstaven te maken hebben?
Ik bedenk nu dat daar testmateriaal voor bestaat, namelijk de eerste alinea van een boek dat door bemiddeling van een agent verschenen is. Het nalezen zal niet erg representatief en rechtvaardig zijn maar, omdat zelfs redacteuren van niet-confessionele literaire bladen pro deo werken, redelijk waarheidsgetrouw – veel meer zal met een ongevraagde bijdrage in eerste instantie niet worden gedaan.
Daarom uit een acquisitie die in de hyperlinks van ‘Wat nu (5)?’ is opgedolven:

De voetstappen van mijn vader op de trap zijn de bezorgers van een dag die ik niet heb besteld. Het leven is een doorlopend abonnement op allerlei dingen die moeten. Je krijgt het, als een verjaardagscadeau dat niet op je verlanglijst stond, geschonken door mensen die zo nodig origineel willen zijn. En nu zit je eraan vast.

Hier wordt een heel wereldbeeld neergezet. Technisch staat de alinea in het teken van vergelijkingen, die eenmaal als zodanig worden onthuld (‘als een verjaardagscadeau’) en tweemaal met behulp van een koppelwerkwoord opdoemen. Hoewel ze in beginsel uitbreidend en ontdekkend zijn, perken ze hier nogal in: ze geven zekerheden die bovendien een fatalisme inhouden.
Wanneer ik inzoom op de vertolking van deze gedachten, dan valt in de openingszin de gelijkstelling van ‘voetstappen’ met ‘bezorgers’ op. Deze personificatie wordt verbonden met de daad van het ‘bestellen’, hetgeen het woordveld van posterijen o.i.d. aankondigt. Die verwachting wordt ingelost door ‘abonnement’. Wel is het de vraag waarom dat ‘doorlopend’ is; het hoeft dan niet te worden afgeleverd. Of wordt het vernieuwd? Ook lijkt ‘doorlopend’ een nagalm van ‘voetstappen’, wat misschien mede de schijnbaar wat overbodige toevoeging ‘allerlei’ verklaart.
Dat reeds de tweede zin van een boek een algemeengeldigheid verstrekt met een wandtegelformule die ‘Het leven is…’ mag heten, vind ik gedurfd. Het kan een indicatie zijn voor het – uitbundig stellingnemende, overstatement praktiserende et cet – vertellerspersonage, van wie de lezer deze wijsheid krijgt meegedeeld. Zat dit personage in de openingszin opgesloten in ‘mijn’, in de derde zin toont hij zich in ‘je’. Dat is wel een verhuld ik genoemd en doet het ook goed bij voetballers en hun coaches in de nababbel.
De vergelijking die de derde zin op touw zet, is wat minder verrassend: iets krijgen ‘als een verjaardagscadeau’ lijkt veeleer dubbelop. Zo verhevigt zich de tegenstelling die in ‘doorlopend abonnement’ leek te huizen. Wel geeft de als-vorm de gelegenheid er nog een werkwoord in hetzelfde sfeer tegenaan te gooien: ‘geschonken’ (dat bijna zeker een verleden deelwoord is en geen onhandig geplaatst voltooid deelwoord). Bij elkaar ontstaat er aldus een tweespalt in activiteit (‘besteld’) en passiviteit (‘krijgt’, ‘verjaardagscadeau’, ‘geschonken’).
Maar wat ik als activiteit presenteer wordt terzelfder plekke ontkend (‘niet besteld’). Dat er dingen zijn die ‘moeten’ wijst evenzeer op onwelgevallig handelen. Ook de principieel actieve daad van het schenken wordt door ‘zo nodig’ in combinatie met ‘origineel’ in die negativiteit betrokken.
Bij al die ongetwijfeld bewuste redundantie kan hooguit het oude instrument van de satire opluchting brengen. Maar ook dan is de wederom in de je-vorm gevatte slotzin van deze alinea, waarin het fatalisme definitief zijn beslag krijgt, meer een cliché in de richting van een binnenwereld dan een frase die een wereld of desnoods een ander patois en denken opent.

vrijdag 26 maart 2010

Coreferenties (1)

Vandaag: redacteur, neerlandicus en publicist Bertram Mourits (1969). Hij werkt als redacteur bij uitgeverij Contact, die geen literair tijdschrift in het fonds heeft. De handelseditie van zijn proefschrift verscheen in 2001 onder de titel Zestig. Een nieuwe datum in de poëzie (uitgeverij Podium). Hij schrijft over poëzie voor Poëziekrant en voor De Revisor. In laatstgenoemd literair tijdschrift boog hij zich onder meer over het fenomeen ‘non-fictie’ en over ‘de canon’. Verwante onderwerpen sneed hij aan in NRC Handelsblad, met artikelen over ‘literaire thrillers’ en over ‘leesbevordering’, en op De Contrabas met een posting over het publieksbereik van poëzie. 

Ik heb wel eens een dichter ontdekt in een literair tijdschrift. Een tijdschrift van papier, dat zes keer per jaar verscheen, met standaard een enigszins arrogant gesteld redactioneel. Ik wil maar zeggen: het literaire tijdschrift heeft zich voor mijn redacteurschap als kweekvijver wel eens bewezen. Tenminste een keer, en als die andere auteur het geplande werk ooit nog voltooit, misschien wel twee keer. 
Ik ben een nogal ouderwetse redacteur. 
‘Ik heb ooit nog wel eens een dichter ontdekt…’ schreef ik in eerste instantie, alsof het een lang vervlogen gewoonte is om dichters in literaire tijdschriften te ontdekken. En ik moet toegeven, vaak gebeurt het me niet – maar voor elke schrijver of dichter die door een tijdschrift is ‘voorontdekt’ kun je dankbaar zijn. 
Is het genoeg? Ja, waarom niet? Hadden het er tien moeten zijn?
Is het de rechtvaardiging van het bestaan van tijdschriften? Dat is een andere vraag. 

Er is vorig jaar veel te doen geweest over deze vermeende ‘kweekvijverfunctie’ (google het maar, ik heb geen zin te recapituleren, er werd gegoocheld met statistieken en percentages) – maar er is al decennialang geen literair tijdschrift geweest dat niet meer dan slechts kweekvijver wilde zijn. Soms blijven de aanvullende pretenties beperkt (voorpublicatieorgaan van de uitgeverij die het tijdschrift praktisch ondersteunt), soms willen ze wat meer (cultureel-maatschappelijk-politiek debatcentrum zijn, bijvoorbeeld). 
Heb je daar een tijdschrift voor nodig?
Nee, lijkt het voor de hand liggende antwoord. Want een debat op internet, wat is er levendiger dan dat? Is internet daar niet bij uitstek voor gemaakt? Toch ben ik ook wat dat betreft ouderwets: ongefilterde debatten die breed uitwaaieren onder korte bijdragen aan weblogs leveren zelden iets op dat ik met genoegen lees, laat staan vaker dan eens. Om nog maar te zwijgen over de mogelijkheid aan dergelijke discussies mee te doen. 
Ik zei het al, ik ben waarschijnlijk ouderwets – als redacteur, als lezer. 

Bovendien is het literaire tijdschrift verreweg het aangenaamste podium om iets te beweren. Niemand vraagt je een boodschap mínder genuanceerd op te schrijven. Het grootste nadeel – vrijwel niemand ziet wat je schrijft – is misschien juist wel een voordeel. Hoe aangenaam is het niet om voor vrijwel niemand te schrijven, is dat niet de beste plek om te essayeren? Waar kun je iets proberen dat mag mislukken, waar kan de conclusie van een fors essay een daverend ‘Ik Weet Het Niet’ zijn, zonder dat het essay als mislukt beschouwd moet worden? 
Natuurlijk is juist dat een reden dat veel van die tijdschriften aan het omvallen zijn – ze zijn er niet om een plek te bieden aan wie ongemerkt wil schrijven. Ze moeten er zijn voor lezers, zeggen de uitgevers, de subsidiegevers, de mensen die nooit een literair tijdschrift lezen. 
Waar zijn die lezers gebleven? Het is in elk geval een misverstand ze op internet te zoeken. Daar zitten nu juist diezelfde mensen die het medium zo waarderen omdat ze er zelf voor kunnen schrijven. De vruchten daarvan zijn te vinden in voornoemde discussies op weblogs, waarvan de commentaren niet zelden veel langer zijn dan de oorspronkelijke stukjes. Met als nogal wezenlijk verschil dat die bijdragen niet eerst zijn gelezen door een strenge, elitaire redactie die alleen oog heeft voor zaken waar ze geen oog voor hebben. Dol ben ik, op dergelijke redacties. 

Enige tijd geleden opperde ik – kort en ongenuanceerd in NRC Handelsblad, uitgebreider en genuanceerder in De Revisor – dat lezers van literatuur er goed aan zouden doen om zich eens te willen laten verrassen. (Eigenlijk ging het stuk over de steeds grotere invloed van marketing op het literaire bedrijf, en wat dat zegt over de betekenis van de term ‘literatuur’, maar het mondde uit in iets dat als een pleidooi voor onvoorspelbaarheid gelezen kon worden). Dat pleidooi was naïef maar (geloof me) moedwillig naïef. Hoe naïef, realiseerde ik me echter pas toen ik, tegelijk met de vraag of ik het stukje wilde schrijven dat u nu leest, de vraag voorgelegd kreeg of een dergelijke verrassing ‘ook mogelijk zou zijn met literaire tijdschriften’. 
Het antwoord op die vraag is bevestigend, volmondig zelfs, want ik realiseerde me onmiddellijk: dat is de beschrijving van een literair tijdschrift op zijn best. Een bekende auteur, een beetje debat, en dan iets raars, iets onbekends, iets dat mislukt, iets wat je hoofdschuddend bekijkt. Dat waren en zijn de meeste literaire tijdschriften ook. Hoe minder lezers, hoe hoger de kwaliteit, des te glorieuzer de mislukkingen.
Maar als redacteur die zich bekommert om acquisitie zit ik niet op die mislukkingen te wachten – hoe verder, is inderdaad de vraag. Dus wat nu? 
Ik weet het niet. 
De uitgeverij waarvoor ik werk organiseert soms een schrijfwedstrijd; ik geef zelf een schrijfcursus. En als de schijn niet enorm bedriegt: ook dat is een methode om echte schrijvers te vinden. Voor non-fictie zijn krant en opinieblad als bron steeds belangrijker geworden – en dan zijn er in Nederland ook enkele literair agenten actief, niet zoveel (nog), die nu en dan, niet zo vaak (nog) nieuw talent aanboren. In elk geval nauwelijks talent dat literaire tijdschriften bereikt, constateert een verbaasde Paul Sebes: ‘Al jaren proberen wij als literair agenten om nieuwe schrijvers in de literaire tijdschriften te krijgen. Je zou zeggen dat dat voor ons niet moeilijk zou moeten zijn aangezien die redacties worden bevolkt door redacteuren en schrijvers die wij goed kennen. Na vele pogingen om goede korte verhalen geplaatst te krijgen, zijn we maar gestopt omdat we zelden of nooit een reactie krijgen.’ Tijdschriften en agent(en) werken blijkbaar (nog?) langs elkaar heen. 

De Revisor is inmiddels bezig haar activiteiten naar internet te verplaatsen. De vorige redactie plaatste wel eens een stuk van mij, als de nieuwe redactie dat wil, zal ik ook graag voor de elektronische Revisor schrijven. 
Ik weet het niet. 
Ik schrijf ook wel eens voor De Reactor – zullen die stukjes een grotere of juist kleinere impact hebben? Ellenlange discussies hebben zich tot nog toe onder mijn bijdragen (zoveel heb ik nog niet geschreven) niet ontsponnen – dat is me alleen gebeurd toen ik een keer in de krant over literaire thrillers schreef.
Gaat er wat verloren als alle literaire tijdschriften verdwijnen of websites worden? Is het erg dat Raster, Maatstaf, De Revisor, Bunker Hill, enzovoorts verdwenen zijn? 
Retorisch gezien zou ik ook nu ‘Ik weet het niet’ moeten antwoorden, maar dat gaat me te ver: ja, natuurlijk is er wat verloren gegaan met het verdwijnen van al deze tijdschriften. 
Het is nog even afwachten wat ervoor in de plaats komt. Komen er op internet plekken waar bijdragen van het soort dat in literaire tijdschriften staat, niet alleen een plek kunnen vinden maar ook gelezen worden? Komt er discussie van niveau? Zullen De Revisor, De Reactor, en wie weet welk Literair Tijdschrift Punt NL ooit debatcentra van niveau kunnen worden? Zullen redacties alle bijdragen gaan modereren? Zal dat elke discussie niet juist in de kiem smoren? Valt er eigenlijk wel op normale toon te debatteren op internet? Moeten we dat misschien eerst maar eens leren?

woensdag 17 maart 2010

Naschrift

Ook politieke partijen die subsidie willen ‘afschaffen’ krijgen subsidie. Is kunst het enige veld waar de term een pejoratief is? Herman Brood kan zowaar een meerderheidsstandpunt hebben vertolkt: ‘Ik ben niet het soort kunstenaar dat een stoel maakt waarop niemand wil zitten. Zo iemand geven ze een vette subsidiekluif; weer een mongool behoed voor de sociale werkplaats’. Door nog een citaat uit dezelfde bron besefte ik dat dit inzicht familie heeft. Brood beweerde er namelijk ook: ‘Ik ga nog liever ouwe wijven neuken voor geld dan aankloppen bij de sociale dienst.’
De overlapping zit in ‘sociale’, dat ‘asociaal’ uitlokt wegens ‘profiteren’. Maar de tijdgeest bepaalt hoe erg dat is. Zo heette een bijstandsuitkering een ‘vangnet’ en bleek ze na kritiek een ‘hangmat’ die na beleidsvoornemens veranderde in een ‘trampoline’. Soms weten auteurs, na jaren werkbeurs, die sprong inderdaad te maken. Bij het literaire tijdschrift lijkt dat veel minder waarschijnlijk. Er is dan ook gepoogd het te herpositioneren door het letterkundige te koppelen aan iets attractievers (voetbal, wielrennen, schaatsen, true crime, culinaria, popmuziek en ‘literaire journalistiek’). Los van de vraag of dat geslaagde pogingen zijn vermijden ze een ontologische kwestie, die het medium in zijn onaangelengde vorm oproept en twee schijnbaar onverenigbare kampen aanricht: afwijzers tussen toorn en desinteresse versus omhelzers tussen dweepzucht en aanhankelijkheid.
Beide kampen weigeren de concrete context van het literaire tijdschrift te bekijken. Ook is voor beide het instrument subsidie onomstreden: ze zijn sec tegen of voor. Zo raken de antagonisten eigenlijk verwant, omdat ze putten uit hetzelfde discours, wat dan weer parallellen geeft met het politieke klimaat. Dat valt te illustreren met twee Vlaamse opiniestukken over Geert Wilders. In het ene lag de nadruk op onwelkome waarheden die ‘politiek correcte’ media negeren (op welk punt de Nederlands-Russisch-Ests-tataarse Sana Valiulina ook tegen een cordon literaire ageert). Het andere zag makkelijke onwaarheden aan Wilders en weet dat ‘er nauwelijks nog een gesprek mogelijk is. Ook hardwerkende en goedbedoelende politici zullen dit niet meteen veranderen. In debat gaan met Wilders of zijn kiezers heeft geen enkele zin.’
Mij lijken dit rituele manoeuvres, omdat hun fundament wordt miskend. In de ‘Wat nu’-reeks zal onder al de hyperlinks ten minste eentje in deel 10 bedolven zijn geraakt: Jan Blommaert trachtte in een terugblik op links gedachtegoed te tonen dat de val van de Muur dan wel cruciaal geweest is, maar om andere redenen dan opgeld doen. In plaats van zich te vernieuwen door analyse van de samenleving, paste links zich aan. Het gooide ideologie zogenaamd overboord, zodat in een neoliberaal paradigma structurele verandering kon vervangen door correcties in de esthetiek (waarbij de opiniepeiling de marges aangaf). Urgente systeemkritiek was, net als ‘het humanisme’, zo achterhaald dat ze meteen verzonk.
Blommaerts artikel stond op een site die aanvullend wil zijn op concernmedia, waar het drie à vier pagina’s zou beslaan. Ik constateer dat het door hem gehuldigde standpunt alvast niet totaal onterecht kan zijn: het wordt zelden gehoord. Er is dus wel een ander circuit, maar dat ligt buiten de reproductieschema’s voor principiële flexibiliteit. Tegelijk heeft de absorptie in de mainstream ertoe geleid dat opgeschoven links het contact verloor met de werkelijkheid (die het immers niet wil onderzoeken).
Twee trends demonstreren dat. Niet langer zou het economische belang de keuze voor een partij bepalen. Maar daarbij kende men louter een linkse variant met het milieu en gelijke rechten, terwijl de rechtse met angst voor desintegratie door criminaliteit obscuur bleef. Even hooghartig was de inzet van het epitheton ‘fascistisch’, dat alleen voor rechts leek – maar dat smijt die taart inmiddels terug.
Die wegmoffelingen kwamen boven door onontkoombaar populisme. Toen werd ‘de kloof tussen burger en politiek’ waargenomen. De strategie bleek overname van het populistische discours – meer bewijs voor de mainstream die slechts schijnbare antagonismen serveert. Ook over het wereldwijd toegankelijke web verlangt men mensen te bereiken.
Met name Femke Halsema van Groen Links ziet heil in het internet en vierde dat, mogelijk ingefluisterd door spindoctors, pontificaal. Haar feest wou de misvatting aangeven dat virtuele communicatie leeg is. Toch lijkt het me vreemd dat een groene politica dit medium zo uitbundig gebruikt: dit vergt extra stroom!
Uiteraard is Halsema niet de enige in haar branche die al twitterend de kloof met de burger tracht te dichten in maximaal 140 tekens. De kwalificatie ‘digitale kaasstolp’ lijkt vanuit de werkelijkheid gegeven. Het vertrek van een collega schept geen beraad over de eigen positie maar een mening over dat specifieke geval – alsof Twitter een boekenbijlage is.
Ik haal de literaire biotoop er nu expliciet bij, omdat burgers natuurlijk mede lezers zijn, maar vooral omdat ik van hen in de reeks ‘Wat nu?’ enige verwachtingen en projecties geschetst heb die faliekant verkeerd uitpakken. De vraag is dan simpel: hoe te handelen? In de politieke turbulentie van de afgelopen week kreeg Halsema ook te maken met een overlijden van een collega die, afkomstig uit een kring van intellectuelen die bezorgd waren ‘over de verwarring en de ondoorzichtigheid, de tanende invloed van de kiezers, over de ontoereikendheid van de oude politieke spelregels, over de onbeweeglijkheid en de verstarring van het partijenstelsel’, het politieke systeem wilde hervormen zodat het het gezag minder krampachtig zou reageren op vernieuwingsdrang.
‘Wat erg. Zulke goede herinneringen aan taartjes bij hem thuis, gesprekken her en der. Wat erg voor Connie’. Mij lijkt dat juist bij de burgers hier iets kan knakken – Grachtengordel onder elkaar! Zelf heb ik heb altijd ontzag voor Femke Halsema gehad en Twitter verlegt hooguit mijn verwonderingsdrempel, maar hier had ze misschien toch beter gezwegen.
Laat ik het goede voorbeeld geven. Om al de facetten aan het literaire tijdschrift die ik aan de orde heb proberen te stellen te nuanceren, corrigeren en aan te vullen, krijgen binnenkort gastbloggers het woord. Zij bekleden diverse posities in het veld en brengen, in een serie die gewichtig ‘coreferenties’ moet heten, ongetwijfeld nog wat licht.

maandag 8 maart 2010

Wat nu? (12)

Het is niet onopgemerkt gebleven dat Poëziekrant af wil ‘van het etiket “literaire tijdschrift” dat bij te veel potentiële lezers en vooral bij jongeren te veel weerstand oproept’. Het omslag meldt dan ook ‘nieuwe vormgeving’ (de tweede in korte tijd) en het redactioneel weet met een joekel van een zeugma: ‘Ook aan de inhoud is en zal nog gesleuteld worden’. Elders kreeg die nieuwe koers uitleg. Lezers hadden te verstaan gegeven dat ze het blad ‘slechts gedeeltelijk lazen, omwille van te veel tekst’. Aardig is dat het betreffende nummer die kritiek ondermijnt. Een knappe bespreking van een boek over poëzie ziet: ‘De crisis manifesteerde zich toen amateurs niet langer naar poëzie grepen om de actualiteit te becommentariëren maar gedichten als een zaak van nerds gingen beschouwen’. Ook herbergt Poëziekrant een foto van koningin Fabiola, omringd door dichters die zich uit de voeten maken. Zelfs Christine D’haen lijkt te berusten. Heeft de koningin goedbedoelde vragen over de stiel gesteld? Stak ze een monoloog af? Voor ivoren torens mis ik ruimtelijk inzicht en wat ‘diepzinnig’ en ‘oppervlakkig’ behelzen weet ik evenmin, maar op een gegeven moment worden simplificatie en eeuwig stommetje spelen bij projecties op ‘de lezer’ pedant en pilaarbijtend. Ik heb aangedrongen op een scheiding der geesten. Niemand moet ‘hoge’ kunst consumeren, maar het zou fijn zijn als dit niet bij voorbaat met pretentieus onbegrip verhinderd wordt voor mensen die dat wel wensen. En mochten auteurs niet voor een literair blad willen schrijven omdat de gage te laag is of omdat ze aan hun theewater voelen dat het niet deugt, laat hen! Andere podia zullen aantrekkelijker zijn. Uiteindelijk kan het medium pas tot wasdom komen indien er wat mee bereikt wil worden. Hoewel ik niet dol ben op Bijbelse statements over samenzweringen voor het hogere doel, lijkt me dat een literair tijdschrift de ambitie mag hebben de wereld te veranderen. In een artikel uit 1964 over muziek zegt Theodor Adorno met zijn apocalyptische stijl (in de vertaling van Offermans): ‘De legitieme betekenis van het experiment is niets anders dan de zelfbewuste kracht van de kunst om zich te verzetten tegen datgene wat haar conventioneel van buitenaf door de aanpassing wordt opgedrongen. Het gevolg daarvan zou zijn dat men niet een soort van natuurreservaat voor het experimentele in de muziek zou moeten aanleggen en de rest als altijd aan de traditionele muziek zou moeten overlaten, maar men zou beide dezelfde organisatorische voorwaarden moeten toekennen opdat de moderne radicale muziek niet in feite wordt verengd tot de specialiteit die haar vijanden later belasteren.’ Omdat de term meer dan eens voorbij is gekomen, merk ik ‘niche’ nu expliciet aan als enige manier waarop een literair blad kan overleven. Mede uit commercieel oogpunt: men kan niet concurreren tegen oneigenlijke collega’s. Wel kan het ‘rendement’ grillige curven vertonen. Niet voor niets luidt de mooiste tijdschriftnaam van de Lage Landen Het Trage Vuur. Daarbij valt te overleggen welk genre het beste bij welk medium past. Voor ultrakort proza en dus poëzie lijkt internet aangewezen. Daarvan zijn de mogelijkheden groot, ik kan dat niet genoeg benadrukken, zolang ze niet worden overschat. Technologie is geen autonome kracht, en vergt gogme dat voortkomt uit ervaring – die niet voorbehouden is aan aandeelhouders. Wel zal een digitaal archief alles permanent moeten ontsluiten, want we praten over een human knowledge project. Met die term uit de lingua franca van de globalisering komt hopelijk een bron terug in zicht: het spectatoriale tijdschrift. Voorbij de circuits die laaglandse literatuur, vooral in België, zo bedompt maken vergt dat samenwerking in een koffiehuis waaruit voor de ventilatie deuren en ramen zijn verwijderd. Papier is vanwege de omvang nog nodig voor verhaal en novelle, maar bovenal voor niche vier: het essay. Dit begrip is hier al meermaals gevallen, met de suggestie dat ik weet waar ik het precies over heb. Quod non, om bijna met Asterix te spreken. Wel valt in een lustrum juryrapporten van een specialistenprijs te zien dat dit genre nogal vlottend is. Daarom een onnozel synoniem: denkbeweging. Deze vertrekt niet van een ‘aanleiding in de actualiteit’, en laat zich evenmin de wet voorschrijven door een eenheidsstijl en een omvang. Het essay is principieel grillig. Daarmee druist het in tegen neoliberale wetenschap, die te ‘valoriseren’ vraagstellingen eist, omdat kennis wel degelijk zijn doel is (zelfs vooruitgang). Het is het meest politieke annex ideologische aller genres. Voor mij hebben literaire tijdschriften met het format van het themanummer, ook handig voor recensenten, mede hierom hun langste tijd gehad: het essay ridiculiseert dit met de oervraag ‘Waar gaat dit over?’ Tegelijk is het zo subjectief en onbestuurbaar, dat een blad er het democratisch minimum van de ‘pluriformiteit’ mee kan benaderen. Niet onbelangrijk, omdat Revolver daar als enige aanspraak op kon maken. Doe ik nu een oproep aan een elite? Wil ik naar een contemplatief lezen of zie ik heil in multitasking? Of verblindt mij het algemeen belang? Het zal verstandiger zijn om, als in de eerste de beste subsidieaanvraag, de relevantie van het literaire tijdschrift aan te geven. Een uitstervende taal heeft het niet, wel een gedurfd denken. Het literaire bedrijf steunt op de analogie. Catalogi puilen uit van kwalificaties als ‘het beste sinds…’, ‘het antwoord op…’, ‘de Vlaamse versie van…’, ‘voor de liefhebbers van…’, die recensenten in staat stelt een onbekende schrijver te situeren en die boekhandelaren kunnen benutten als klanten hun om een titel vragen die het vorige leesgenot moet evenaren. Het hele literaire bedrijf? Nee, een klein medium bleef moedig weerstand bieden. De analogie is het literaire tijdschrift vreemd. Niet voor niets afficheerde De Revisor het eerste verhaal van Patrizio Canaponi als ‘prozadebuut van formaat’ – elke vergelijking was misplaatst, wegens een autoriteitsargument van de redactie. Entrepreneurs der Lage Landen, talmt niet! Gedenkt Elvis ook buiten uw gebeden! Verlies is gegarandeerd. Al het andere blijft meegenomen. Nagekomen Een poging tot metavisie op de klimaatperikelen, waarin het buitengewoon complex geworden gatekeeperschap ook veeleer moet afrekenen met meningsecreties dan met argumenten, en waarin innerlijke schisma’s aan de oppervlakte komen. Is het toevallig dat in dit artikel baarden voorbijvliegen?

vrijdag 5 maart 2010

Wat nu? (11)

Eind december 2006 maakte dagblad Trouw de internetbalans op. Van de 54.000 comments dat jaar hadden 25 mensen 20 procent voor hun rekening genomen. Vier van hen lichtten dat toe. Ze beschouwden de bezigheid als ‘afreageren’, soms unfair, waarvoor ze zich achteraf schaamden. Het leek op een hobby, die door een maximum aantal toegestane woorden handigheid vergde en waaraan vervolgens niet veel tijd hoefde besteed. Als zelfkwalificaties vielen ‘spel’ en ‘routine’ te noteren. Voor mij is een boek de finish van een onderzoek dat in literaire tijdschriften of op dit weblog een eerste openbare versie kent. Maar door overproductie en hoge omloopsnelheid lijkt het alsof er in boeken probleemloos kan getest, terwijl op het provisoir ogende internet woorden verstarren. Zoekmachines schijnen zo zelfs toestanden te geven voor het fenomeen cv dat geen centrale verwarming aanduidt. Getuige de ogenschijnlijk prominentere rol van huisregels en moderatoren zoekt het medium nog naar gedragsregels. Dat het mij ongemakkelijk maakt dat private en publieke ruimte in elkaar overvloeien, zal ouderwetsigheid indiceren. Ik heb althans gelezen dat ‘voor jongeren privacy geen issue is’, en voor de zoekmachinemeneren evenmin. Tegelijk is een literair blad bij uitstek gespitst op namen. Internet, constateer ik op internet, is genadeloos door het tempo waarmee behalve informaties ook onwaarheden kunnen verveelvoudigd. Ik geloof best dat mensen die ‘hun lemma’ op Wikipedia mabelen aan ‘censuur’ of andere cosmetische operaties doen, maar evengoed dat die veranderingen een stap vooruit zijn; bedrijven passen als ‘gepersonaliseerde service’ een lemma aan. Ook de homo twitterans weet van wanten. De drive waarmee de wereld zich met een kleine correctie terug wil, verraadt de onmacht die een getroffene deelachtig is. De Gulden Regel zal een remedie wezen (maar ook een hardleers type als ik weet: Wie zonder zonde is, werpe de eerste steen). Waarom dit verhaal, het gaat toch om literaire tijdschriften? Mijn derde niche is de rentree van de gatekeeper via internet. Nu heeft zich zoiets als crowd sourcing op het denken vastgezet: burgers krijgen van alle kanten gegevens en passen daar de klassiek journalistieke filters op toe, zodat de chaos gedempt wordt en men weet wat waar is en goed. Ook verklaart het rumoerige deel van de literaire mensheid amper aan kwaliteit te hechten: als die al niet toegekend wordt op basis van corruptie, dan op basis van consensus, enz. Slot van dat liedje is dat kwaliteit niet bestaat. Dat ik het daarmee oneens ben, doet er niet toe. De onderwereld biechtte namelijk zelf op dat ze, bij het luidruchtig beleden ongeloof, naar kwaliteit snakt. Verwekte technische kritiek op een Dichter des Vaderlands al serieuze reuring, de torenhoge hoeveelheid visies op de Turing poëziewedstrijd deed het bestaan van objectieve criteria vermoeden. De uitslag van deze wedstrijd waarbij naamloze inzendingen getaxeerd werden, leverde voor de eerste twintig een variatie van amateurs en profs op. Uit de boezem van de jury bleek overigens dat er was voorgeselecteerd en ze niet alle 15.000 inzendingen gelezen had – én, door zich nadrukkelijk tot lezers te wenden in plaats van vakgenoten, haar deskundigheid relativeerde. Niet alleen prijzengeld zet zoveel mensen ertoe aan hun dichterlijke creaties naar buiten te brengen. Er moet iets als een begeerte zijn beoordeeld te worden – en te hopen dat het genie niet postuum wordt ontdekt na sappeling in het spreekwoordelijke zolderkamertje. Hier zouden tijdschriftredacties iets kunnen terugdoen voor hun subsidies door poëzie-inzendingen openbaar te wegen, met mogelijkheid tot bezwaar. Dit is een hoop werk, maar gatekeepers hebben natuurlijk evengoed een eigenbelang: netwerk en redactionele oefening (springplankfunctie). Een buitenpersoonlijk argument is dat die aan bladen gelinkte meldpunten een schat aan materiaal zouden opleveren over problematieken en poëtica’s die, opnieuw, de DBNL zou mogen verzamelen en catalogiseren. En tot slot kan er uiteraard fabuleus talent opstaan, en worden begeleid. Het laatste refereert aan de kweekvijverfunctie, die voor literaire tijdschriften controversieel is geworden. Ik lepelde reeds het refrein op over debutanten via literaire agenten (de bekendste lanceerde onlangs een online tijdschrift), maar minstens zo evident is dat literatuurbladen scouting al jaren mijden. Sommige hebben met enige frequentie wel een debuutprijs, maar dat is een tussenweg omdat de aandacht niet structureel is. De belangrijkste afleidingsmanoeuvre is het themanummer. Daardoor ligt de samenstelling van een aflevering vast, met ‘veilige’ namen, conform de succesvolste uitgeverij van de Lage Landen die niet opleiding maar overname tot haar specialiteit heeft gepromoveerd. De beate houding van de onderwereld jegens Komrij is aldus correct, hij doet tenminste wat. Ettelijke ongevraagde inzendingen keuren zijn collega’s niet meer. Eerder geschiedt het omgekeerde, wat ik eens ‘napublicatie’ noemde: een beginnend auteur van boeken die literaire tijdschriften binnen geduwd wordt, om een traditie voor hem te scheppen (cynische content). Eigenlijk is dit gedrag curieus, omdat de eer hoog schijnt iemand te hebben ‘ontdekt’. Minder leuk is het zich te vergissen. Mij lijkt dat men gewoon moet durven, zonder de doorsneegang naar derden te maken op wier autoriteit blind wordt vertrouwd. Daarnaast neemt de kans op missers af door de investering van tijd en aandacht – schaarse artikelen. Precies daar zouden literaire bladen luxe kunnen brengen. Het lijkt me kolossaal om op het web gedichten zich te zien ontwikkelen. Zoiets gebeurt al, maar bij mijn weten niet via versies waarbij glossen van een redacteur zijn te raadplegen en overwegingen bij correcties. Als de dichter daarvoor toestemming geeft, zou men zelfs in dit artistiek voyeurisme kunnen participeren. Klinkt ranzig, maar uiteindelijk draagt het internet, wellicht juist met comments, een zelfcorrigerend vermogen in zich – en sowieso ontgaat me waarom internet geen rectificatieknop heeft. De sterke punten van het medium (publieksbereik, deelname) ondervinden zo geen last van de zwakke (molest, geen gatekeepers); het laatste wordt zelfs gethematiseerd. Natuurlijk werkt het genre poëzie hier ideaal en wat mij betreft beperkt het zich, inzake het literaire tijdschrift, tot het internet. Wat kan de papieren versie dan redelijkerwijs bijdragen?

woensdag 3 maart 2010

Wat nu? (10)

Deze reeks voorbereidend las ik onder meer polemieken van Gerrit Komrij. Ik had daar ooit iets over geschreven dat, weer, weinig super was. Niet alleen omdat Komrijs retorische strategieën gecompliceerd zijn – ik ontdek nu pas dat de polemieken geen polemiek voeren. De traditie wil dat alle tweederangs geattaqueerden door virtuoos gescheld op hen verzekerd zijn van een plek in de literatuurgeschiedenis. Herlezing van enige Komrijstukken leert echter dat veel namen van slachtoffers aan het vervagen zijn, en nu doodsdrift opdoemt: het lot van de polemist die teert op zijn sloopwaar. Die indruk steunt mede op een documentaire, die een onbedoeld bijeffect sorteerde. De auteur verwijlde in permanente respons, van ‘Wat zouden we vanavond te eten krijgen’ tot ‘Ha, de nieuwe Poëziekrant’. Dan wordt het logisch dat de kritiek niet verder komt dan afzeiken. Het procedé van citaat gevolgd door commentaar op de stijl, met beletseltekens, mag aldus niet als een truc worden afgedaan, want is… existentieel – bij het gedurig documenteren bekruipt mij al het gevoel dat ik leeggezogen word en er van mij, indien niet bij het taalkundig genie (‘jouw naam heet papa’), voor de duur van dit project niet meer overblijft dan een obsessie met vier ledematen. Vice versa zullen de schimpobjecten minstens zo moe worden van deze aanpak, die de omslag van Raster kan hebben beïnvloed. Door aan de (voor postmodernisten kwestieuze) buitenkant te sleutelen wilden de redacteuren van de al jaren bashende komrij-achtigen af. Er zit immers iets intimiderends aan hun ‘polemiek’: zinnen en redeneringen worden per definitie uit de context gelicht. Wie daar niet tegen kan, wordt de corrector van desinteresse in zichzelf. Vanuit dat perspectief is het opvallend dat De Reactor niet alleen minder, maar vooral ook andere stamgasten verwelkomt dan de onderwereld. Weerspiegelen zij het micro-universum van literaire tijdschriften, misschien durven zij comments te geven omdat ze niet meteen afgeschrikt worden. Want het geheel van parallellen moet voltooid: de onderwereld vindt in ‘polemiek’ zijn bestaan, met Komrij als lichtend voorbeeld. Hier zie ik een tweede niche voor het literaire tijdschrift: het entameren van ‘het debat’. Zelf begint het me bij die term steevast dun door de broek te lopen. Het wil ook maar niet wennen om in de week dat het kabinet-Balkenende valt te worden uitgenodigd mijn virtuele standpunt te bepalen tegenover de vraag ‘Moet Gerard Kemkers opstappen?’ Zachtjes kraaide ik dan ook victorie toen in een vlammende discussie over literaire tijdschriften die ‘het debat’ moesten outilleren , tot tweemaal toe de vraag rees ‘Welk debat?’ en er tweemaal geen antwoord kwam. Toch kan een waar debat fascinerend zijn, zeker nadat in de postideologie posities aan het schuiven zijn geslagen. Waar de Verlichting geen bewijzen voor en tegen levert! Of de islam! Hoe het neoliberalisme in het aanvuren van dynamiek de gemeenplaats heeft verlokt dat de drijfveer achter links stemmen lijkt: behoud! Daarbij is het internet natuurlijk een geweldig medium voor het debat. Misschien juist doordat er eerst meningen worden geplempt en bij tegensputtering pas informatie wordt ingewonnen, zijn ze behalve irritant en overbodig soms adembenemend, en verplichte stof om deze tijd te begrijpen. Want natuurlijk is bijvoorbeeld de subsidiecasus niet louter in literatuurland heikel. Saillant vind ik ook dat ‘belangenverstrengeling’ inmiddels evengoed vanuit de bovenwereld gedetecteerd wordt. Ik opperde al dat Van Bastelaere en de onderwereld geen vrolijke vrienden zijn en dezelfde methoden gebruiken om dat te tonen, maar ook inhoudelijk blijkt er verwantschap. Waar het rode waas bij subsidies recent weer blonk, had er evengoed bij de klassedichter kunnen worden aangeklopt: het betrof het culturele middenveld. Ook Erwin Mortier, die normaliter nog een ander stoepje veegt, heeft zich hier krachtig tegen verzet. Zijn zij politiek dan ook bondgenoten? En terwijl in diverse toonhoogtes van verongelijktheid de onderwereld zich uitgesloten vindt, worden poëziecolumns van Henny Vrienten bij, breed opgemerkte, verschijning verstoten. Vrienten als jurylid is helemaal een brug te ver – een popmuzikant over edele poëzij, waar gaat het naartoe? Abstracter bezien laat de onderwereld onbesmuikt uitschijnen dat vroeger alles beter was: de bibliotheek, boekhandels, het (literatuur)onderwijs… In het geklaag over gebrek aan ‘niveau’, de teloorgang en de nivellering is er gelijkenis met de visie van een chronisch geschoffeerde auteur uit de bovenwereld. Of met die van Cyrille Offermans, ooit een roerganger van Raster. Internet bracht tot nu toe op literair vlak een contrarevolutie – zoals de Tea Party Movement het liefst alles zou terugdraaien. Maar de oude situatie deugde toch ook niet? Fijne conflictstof voor debatten die literatuur en maatschappij bijeen kunnen brengen. Prettige voorbeelden ook die op metaniveau zijn te belichten: wat een literair tijdschrift vermag. En de proef levert het bewijs: voor deze niche kan lastig de papieren verschijningsvorm gebruikt. Op weg naar het wereldwijde web zijn opiniepagina’s evenwel instructief. Daar wordt in formats gebekvecht over oppervlakteverschijnselen, niet over hun ideologische origine. De vooraf geproclameerde diversiteit noopt tot het spreken van dezelfde taal. Alain Badiou ziet in De ethiek, een boekje met reikwijdte, dat bij al dat respect voor verschil de Ander wel de parlementaire democratie moet aanhangen, de vrijheid van meningsuiting, de markteconomie, feminisme, ecologie… Vervolgens snapt hij dat de opinie de grondstof heet van alle communicatie, die op haar beurt wortels der democratie krijgt aangehecht. Maar de opinie vertolkt wat de spreker altijd al geweten heeft, zegt Badiou: voor waarheden moet een ontmoeting plaatshebben, in concrete omstandigheden. In plaats daarvan wist de oud-premier van België, waar het altijd verkiezingstijd is, onder de naam ‘essay’ een partijboodschap ter grootte van vier opiniestukken gepubliceerd te krijgen, wat een van zijn challengers daar niet onbeantwoord kon laten. Het medium van dienst rangschikte alle wijsheden, grote buur Frankrijk navolgend, maar onder de noemer ‘identiteitsdebat’. Want natuurlijk kan een debat deprimeren en schept internet nieuwe valkuilen. Langs welke moet een literair tijdschrift laveren? Nagekomen Een interpretatie van de recente Vlaamse politieke geschiedenis waarbij de ‘contrarevolutie’ een broertje krijgt in het theologisch klinkende ‘contrareformatie’, en even paradoxaal blijkt.

maandag 1 maart 2010

Wat nu? (9)

Getuige de cascadische tendensen in recensieland moeten literaire tijdschriften meehelpen de lekken te dichten. Het kan echter niet zo zijn dat dit hun voornaamste besogne wordt. Waar beroepspessimisten meermaals in de cultuurgeschiedenis hebben uitgeroepen dat de ondergang aanstaande was, wordt de huidige impasse georganiseerd (met schaalvergrotingen bij medialogica). Nooit eerder heeft bij mijn weten commercie zo’n stempel op het kunstbedrijf gedrukt; het controversiële symbolisch kapitaal is afgelost door economisch kapitaal, dat bij zijn vermeend ontbreken van ‘politiek’ en ‘ideologie’ rechtvaardiger lijkt. De literairetijdschriftencriticus was wellicht bij voorbaat ontgoocheld in het virtuele De Reactor, omdat de bemanning het zinkende schip van de printmedia verlaten zou hebben. Maar oorzaak en gevolg mogen niet verward. 
In het begin van deze reeks kwam een proefneming naar literatuurrecensies in Vlaamse media langs. Als de onderzoeker teksten over één boek had vergeleken, dan had hij zeker ontdekt dat ze kwalitatief fel verschillen. Die teksten voldoen namelijk aan specifieke eisen die in boekenbijlagen rabiater worden – en waaraan men blijft gehoorzamen. Het belang van het zwakste type recensie is nu zo hoog vergeleken met het sterkste type, dat het hele bedrijf wankelt. 
Om dit te doorbreken lijkt een scheiding der geesten noodzakelijk. De culturele illusie mag verlaten worden dat het ene podium iets te maken heeft met het andere. 
Door gedurige aanpassingen, officieel vanwege de lezer maar concreet voor de advertentie-inkomsten, is een type onttakeld. Zoek onderdak bij lui die, zonder het cliché van de lijdende kunstenaar te etaleren, weten dat je van een artikel per week kunt leven, behalve als het serieus is. Laat organen in de 500-woordenklasse sterren blijven uitdelen, maar reken dit niet langer tot de kritiek. Het is wat het is, een domein waarop uitgevers en media poeha maken over 5% van het aanbod. 
Van oudsher is dit domein mondjesmaat verlaten; slechts weinig recensenten publiceerden ook in literaire tijdschriften. Wel steeg, niet toevallig samen met de publieksparticipatie, hun aantal zitjes in jury’s van (sponsor)prijzen. Met alle respect voor hun passie, door die trend neigen de winnaars en genomineerden meer naar de mainstream – wat, met de sterrenstatus die ze krijgen aangemeten, een gemiste kans is om met ‘onverwachte namen’ deze markt te corrigeren.
Mijn voorstel is rigoureus, besef ik, maar het dunkt me het meest effectieve. Ik heb in de academische wereld soortgelijke (‘rendements’)ontwikkelingen gezien, waaraan men zich ook aanpaste, een helaas schijnbaar natuurlijke reflex die uit overlevingsdrift zal voortkomen. Nog afgezien van de contraproductieve haast ontplooide zich concurrentie, geen collegialiteit. Excellence bleek te ontaarden in middleclass ambitie (en ergernis). 
Het idee is dus om te zwaaien naar het competitie-element uit de opgelegde structuur en er in een hippe verzameling van krachten wat naast te beginnen. Dan kan de consumentenvoorlichting over het immense aanbod eindelijk van start gaan. En daar lijkt me een taak weggelegd voor literaire tijdschriften. Niet in de directe receptie, die verricht kan door initiatieven als De Reactor en Poëzierapport en met uitbouw van mooie internetideeën. Daarom hamerde ik op een blik buiten de mainstream: opdat er digitale aanvullingen komen op goed geoutilleerde papieren tijdschriften als Ons Erfdeel en De Leeswolf. Dan zou iets als pluriformiteit kunnen worden bereikt. 
Op basis van dit pionierswerk, dat wil zeggen vanuit een breed informatiefront en met eerste oordelen tot 2000 woorden, exploreren literaire tijdschriften hun niche. Ook zonder conform de jongste pedagogische inzichten plustaal te hanteren hoeven ze niet te knipmessen: ze kunnen zelf best wat. Met andere accenten beargumenteren ze selecties en afvallers, wat beschouwd werd als aanzet tot canonvorming. Over smaak valt immers wel degelijk te twisten en het kan niet anders dan dat tijdens dat proces, waarbij ‘kwaliteit’ vele gezichten toont, ideeën ontstaan voor andere stukken. 
Vanwege de lengte die dergelijke betogen uitlokken is de neerslag op papier vooralsnog niet te vermijden – wellicht zijn in de toekomst via e-readers abonnementen te nemen. Voor studie en onderzoek zou dit medium echter tegelijk op het internet kunnen in een lopend archief. Omdat er reeds netwerken bestaan in België en Nederland spreekt het in een gesubsidieerde coöperatie vanzelf ze te verbinden met de DBNL, als copyrights uitgeklaard zijn. 
Zo’n getrapte receptie van een groter aantal teksten dan ooit verschaft meteen helderheid aan lezers, die met hun specifieke wensen en verlangens weten waar ze moeten zijn in plaats van, zoals dat in Vlaanderen heet, op hun honger te blijven zitten. Zelfs het uitgeversbelang kan bij zo’n structurele verandering zijn gediend. Bij de acquisitie van boeken en het verdelen van de promotiebudgetten weegt het argument ‘Daar is geen belangstelling voor’ in de regel zwaar door. Maar in het andere model – waarvoor de schaamte moet overwonnen dat het evengoed investeringen vraagt: om de eenvoudige reden dat het op termijn misschien wat opbrengt – heeft het geen werkelijkheidswaarde. 
Bovendien dempt dit idee het mattheuseffect dat het literaire klimaat zo averechts domineert: in plaats van aandacht voor 5% commerciële toppers zou de meer verspreide 20% van weleer kunnen worden bereikt. En meer? Alles wat groeit, stagneert of inhaalt, zal altijd iets kosten. Voordat dit idyllisch gaat klinken, moet ik vermelden dat het idee staat of valt met talent en altruïsme – men zal voor de breedte allicht teksten moeten evalueren waar zeer weinig honden brood van lusten. Maar kwantiteit kan geen eerste maatstaf zijn, wel volharding. 
Mijn Raster-kritiek bestond er onder meer uit dat het blad in de jaren tachtig een rare bocht nam en zich nog net niet expliciet afzette tegen zijn logische voortzetting, het postmodernisme. ‘Als’ telt niet in de topsport, maar in literatuur misschien wel: wat was er gebeurd indien men voort was gegaan op de ingeslagen weg? Een generatie dichters in Nederland zou niet verweesd zijn geraakt, een gedachtegoed zou in de kritiek niet zijn weggewuifd zodat in plaats van scoringsdrift… 
Ik breek deze dagdromerij over het exponentieel stijgende gewicht van een literair tijdschrift af voor de nuchtere vraag: waarom zou het de steven hebben gewend?