zondag 30 september 2012

How does it sound?

Dé Carl Anderson? Ik zag zijn naam pas in de aftiteling van Jesus Christ Superstar, voor de toch niet kinderachtige rol van Judas. Even surfen volstond om de identificatie tot stand te brengen. Ja, de acteur in de film van Norman Jewison uit 1973 is de zanger van ‘Can It be done’, het openingsnummer op Domino Theory door Weather Report uit 1984.
Zoals ik ten tijde van die elpee deze groep nauwlettend volgde om te snappen wat er gebeurde na het vertrek van ‘mijn’ Jaco Pastorius, zo zal de generatie voor mij de film buitengewoon gevonden hebben. Ik herinner me er weinig van, wat menselijk zal wezen.
Toch had de film residuen achtergelaten. Goede muziek kan penetreren in de gewelven van het gemoed, dus allicht had ik Andrew Lloyd Webbers melodieën weerloos opgeslagen. Als niet direct de grootste aanbidder van het genre musical (bracht ooit een videocassette terug naar de verhuurder, toen Madonna in Evita louter bleek te zingen) merkte ik Jesus Christ Superstar zelfs nogal knap te vinden.
In elk geval begrijp ik beter waarom dit project veel versies heeft beleefd, waarbij initieel Deep Purple-voorman Ian Gillan Jezus was. Het succes drong door tot in de poriën van de wereld en van sommige acteurs, die er een Swiebertje-effect van hebben ondervonden en hun oude rol maar oppikken. Jesus Christ Superstar blijkt werkgelegenheid te hebben geboden aan onder meer Alice Cooper, Agneta van ABBA, Irene Cara, Syreeta, Gary Glitter…
En aan Carl Anderson. Dat ‘zijn’ Judas zo’n groot aandeel in het verhaal heeft, rijmt met de tijdgeest, eind jaren zestig, waarin Tim Rice het script voor zijn kompaan Webber op poten zette. In het evangelie geldt het personage als een verrader en ik vermoed dat Vestdijk geen meerderheidsstandpunt huldigt door in zijn befaamde essay Judas te omgeven met heroïek en altruïsme.
Bij Webber & Rice is hij een klokkenluider. De discipel bepleit bij zijn meester een behoud van zuiverheid. Judas acht Jezus een improviserende superstar, een charlatan die genotzuchtig aanmoddert met het succes dat hem ooit terecht ten deel is gevallen maar hem nu overkomt. De meester baadt in decadentie, zodat Maria Magdalena nog een tikkeltje moedert, en al op weg is naar haar status van echtgenote, misschien. Zo’n principestrijd degradeert de andere notoire verrader, Petrus. In Jesus Christ Superstar vervult hij, anders dan in de Bijbel, een bijrolletje van een opportunist, of een reflexmatig lichaam – grondstof om een kerk op te bouwen.
Intrigerend is dat Jesus Christ Superstar ook een mediale context schept. Judas waarschuwt Jezus, een Bekende Wereldburger in de dop, dat zijn woorden verdraaid gaan worden. Aldus stelt hij dat aan status niet zozeer kracht valt te ontlenen, als wel onzekerheid die zich uit in een schijnbaar non-stop proces om te rechtvaardigen wat men doet en bedoelt met dit of dat gezegd zijnde amen. Slechts weinigen blijken die klus zelf te kunnen klaren, de meerderheid zoekt steun bij een spindokter. Maar van beeldvorming had Judas minder kaas gegeten.
Even glimpt de werkelijkheid als Jezus door de fameuze scène in de tempel ontdekt dat alles handel is geworden. Maar zijn reiniging, gelet op de tijdgeest een onmisbaar onderdeel van het script, behelst niet meer dan damage control. Wel komt hem door zijn dood de eeuwige roem toe, terwijl zijn scherpzinnige criticus zichzelf vernietigt in, zo laat Jewisons film haast wellustig zien, volstrekte eenzaamheid. Jezus hing tenminste nog aan het kruis in gezelschap van twee anderen.
Het cruciale onderdeel van het Bijbelverhaal, de wederopstanding, vertelt Jesus Christ Superstar niet. Webber & Rice stoppen bij de dood, alsof ze, conform de destijds gepropageerde gelijkheid voor iedereen, willen onderstrepen dat niemand aan een werdegang ontkomt.
Carl Anderson stierf in 2004. Twintig jaar eerder zong hij op ongeëvenaarde wijze ‘Can It Be Done’ voor Weather Report. Ik suggereer nu dat hij voor een band stond, terwijl hij slechts werd begeleid door Joe Zawinuls keyboards (misschien is het aardig te vermelden dat een van die apparaten de naam Prophet droeg). Wat daaronder de hi-hat van Omar Hakim lijkt, komt uit een drumcomputer. Bij herbeluistering vat ik eens te meer waarom Jaco in zijn vele post-Weather Report-formaties nooit meer een pianist gebruikte: die plaats, van de vader zogezegd, was al bezet. En na de opening komt de band er wel degelijk in, furieus, in ‘D-flat Waltz’.
‘Can It Be Done’ is nota bene een cover. Getuige een beschikbaar fragment van het origineel heeft Zawinul verbeteringen doorgevoerd met een reverence. Geënthousiasmeerd ben ik gaan zoeken naar meer werk van de componist, Willie Tee. Ik vond een heerlijke elpee, Wasted, die hij in 1970 had opgenomen met The Gaturs. New Orleans Funk zoals die sinds de overstroming niet meer wordt gemaakt?
Willie Tee, pseudoniem van Wilson Turbington, is op dezelfde dag gestorven als Joe Zawinul
Mooi aan de titel Domino Theory vind ik trouwens het schampen aan het openingsnummer. ‘Can It Be Done’ stelt de kwestie of er iets volledig nieuws gemaakt kan, in de non-gecorrumpeerde zin die Jesus Christ Superstar eraan verleent. Velen beweren dat zoiets niemand kan bereiken omdat ‘onze’ referentiepunten dan ontbreken. Imre Kertész signaleerde over de schrijver: ‘Hij wil een revolutie ontketenen met wat hij schrijft, maar tegelijkertijd hoopt hij dat zijn boek zijn omgeving zal bevallen. Een revolutie gaat niet zonder bijval.’ Anderzijds sprak T.S. Eliot in ‘The Social Function of Poetry’ het vermoeden uit dat wanneer een dichter erg snel een groot publiek bereikt hij het alleen maar iets geeft waar het al aan gewend was. Tussen die uitersten pendelt een paradox, die Judas in Jesus Christ Superstar op scherp zet.
Met een dominosteen valt aan te sluiten bij een getal, waarna iets onbepaalds, zoals de blanco plek, verten opent. Tegelijk verwijst Domino Theory naar de werkelijkheid van Amerika’s politieke doctrine. Nadat daaraan talloze mensenlevens waren opgeofferd, kwam het besef dat die in elk geval not done was?

woensdag 19 september 2012

Touché

Had Jacques Derrida het maar makkelijk, zoals van filosofen beweerd wordt, afgaand op de kleur hunner handpalmen? Hij verklaarde altijd te hebben ‘geloofd in de noodzaak om allereerst de aandacht te richten op dit fenomeen van de taal, van het benoemen en dateren’. Dat zei hij bij de term 9/11, vrij kort na de aanleiding, die alweer een week geleden herdacht is en die ik nu dus, temeer daar er intussen nog het een en ander is gebeurd, ongegeneerd kan vergeten om met Derrida op te kijken van ‘deze (tegelijkertijd retorische, magische en poëtische) dwang tot herhaling’ die van dergelijke uitdrukkingen uitgaat.
‘Het telegram van deze metonymie – een naam, een getal – wijst op het onkwalificeerbare’, zei hij in 2001, ‘door te erkennen dat er hier geen sprake is van een herkennen of ook maar een kennen, dat we nog niet weten hoe te kwalificeren.’
Voila. Wel vrees ik dat onder mijn dak een minimale variant van zo’n 9/11 werkzaam is. Wie nu ‘hieperdepiep’ tegen de gourmande roept, krijgt volautomatisch als antwoord ‘toeja’. Indien je dat antwoord herhaalt, schreeuwt ze ‘nee’. Indien je dan vraagt ‘hoera’, zegt ze ‘ja’.
Kortsluiting of zogeheten koortsachtige activiteit? Derrida wilde zielsgraag ‘proberen te begrijpen wat er nu precies aan gene zijde van de taal gaande is en wat ons drijft tot dat eindeloos herhalen zonder dat we weten waarover we het hebben, precies daar waar de taal en het begrip op hun grenzen stuiten’. Maar mijn eigen brein heeft daar geen tijd meer voor, sinds het taalkundig genie het van nature toch niet heel erg onsympathieke woord ‘training’ bezigt. Da’s volgens mij al iets meer dan een week geleden.
Een paar keer heb ik gemeend dat ik de clou in mijn vingers had, maar telkens smeerde ze hem. Sinds vandaag weet ik eindelijk dat ik de klinkercombinatie die het taalkundig genie in de eerste lettergreep aan de dag legt, slechts eenmaal eerder heb horen uitspreken. Het was in een reclame uit de jaren zeventig, meer in het bijzonder door Rijk de Gooyer, om precies te zijn in het laatste mespuntje van de kaas ‘Paturain’.

zondag 16 september 2012

De enige partij die niet aan uw Koninklijke hoofd zeurt

Robert Musil tekende in De ervaringen van de jonge Törless deze ervaring op: ‘Maar altijd is het zo dat datgene wat wij op het ene ogenblik als een ondeelbaar geheel kritiekloos ervaren, onbegrijpelijk en verward wordt zodra wij proberen het met de ketenen van onze gedachten te binden om het tot ons onvervreemdbaar eigendom te maken.’ Als in het buitenland wonende stemmer, die Nederland in een mal van herinneringen zijn vorm laat verliezen, had ik me nooit gerealiseerd een voordeel te genieten. Normaliter wordt in een stemlokaal een biljet overhandigd om snel in te vullen. Wat je kleurt en waar, weet je vaak al. Desgewenst heb je op internet in digitale partjes alle namen kunnen bekijken, die in de Staatscourant worden gepubliceerd.
De gelegenheid om het stembiljet thuis te ontvangen, greep ik aan om eens ongestoord kennis te nemen van een prachtig uitgespeld overzicht van twintig partijen.
Het biljet uitvouwend, besefte ik een bijzonder moment te beleven, zeker in het licht van wat in mijn branche van het boek usance is. Lezers kunnen zich op basis van een bezoek aan de boekhandel, laat staan van het lezen van een letterenbijlage, nog niet het begin van een beeld vormen van het geheel. (Bij die kapitaalafbraak kwam afgelopen week de jobstijding dat, vanwege het faillissement van boekendistributeur en -groothandel Libridis, de kans groot is dat meer dan een miljoen boeken uit het magazijn op verzoek van hun eigenaars vernietigd gaan worden: ‘Formeel kan iedere uitgever beslissen over zijn eigen boeken. Maar het is een heel uitzoekwerk om die eruit te vissen. Alles ligt door elkaar. Er is ook helemaal geen personeel meer in Sittard. Dat gaat heel veel kosten. Daarbij heeft een uitgever vaak zelf nog voorraden van die titel of kan hij die tegen een schappelijke prijs laten herdrukken. Het is een puur bedrijfseconomische keuze.’) Terwijl lezers permanent kampen met selectie, hebben kiezers door zo’n biljet het totaalplaatje. Voor de duur van het uitvouwen en bekijken natuurlijk – en in de voorafgaande debatten heeft selectie evenzeer een rol gespeeld: louter lijsttrekkers, en dan niet eens van alle partijen.
Ik heb bijvoorbeeld kunnen vaststellen:

- dat GroenLinks een Amsterdams overwicht had;
- dat er bij de SGP geen Amsterdammer te vinden was;
- dat elitecultuursnijder Zijlstra in Wassenaar woonde;
- en grachtengordelbasher Martin Bosma in Amsterdam;
- dat de lijsttrekker van de Anti-Europa Partij in Moskou woonde (Friesland?);
- dat bij de lijstduwers van de PvdA maar liefst tweemaal een Den Uyl stond;
- dat slechts één van de twintig partijen, die van H. Brinkman, van kandidaten niet de voornaam gaf (zou het restant ook zijn verkocht op Marktplaats?);
- dat twee partijen het geslacht van de kandidaten niet vermeldden (die voornaam zal volstaan);
- dat er in de Noordelijke Nederlanden iemand bestaat die door zijn ouders Pallieter is genoemd.


Voor mij zijn dit onderscheidende kenmerken, maar ik snap dat mijn gevoeligheden hier een rol spelen. Ik heb anders ook weinig grip. Op basis van wat ik voor de verkiezingen zoal las en hoorde van diverse politici, onderscheidden hun registers zich niet van elkaar. Hun taal wemelde van de superlatieven en lijkt, bewust, gericht op problemsolving. Zelfs de soms gebezigde term ‘ideaal’ moest zich aan als realistisch gepresenteerde regels houden.
Op een zonovergoten autoloze zondag als vandaag, in het gezelschap van duizenden fietsers en skaters over de avenues van Brussel, kreeg ik meer dan ooit de behoefte door politici een visionair perspectief geschetst te krijgen.
Natuurlijk is het mij niet ontgaan dat er inmiddels volkomen andere parameters dienst doen, in verband met samen met media mee veranderende presentaties. Maar ook aan zichtbaarheid blijken grenzen. Figuurlijk doordat de tot slogan gereduceerde taal veeleer versluierend uitpakt. En letterlijk omdat de hier onlangs gememoreerde verkiezingsposter van de PSP in de jaren zeventig, op een bizarre manier een mythe geworden, geen vervolg mocht krijgen.
Ik houd me beter bij mijn leest. Op de oranje retourenvelop voor het stembiljet stond het apostrofje in de bestemmeling Burgemeester van ‘s-Gravenhage andersom in vergelijking tot die van de bestemmelingsplaats ’s-Gravenhage. Dat ik dit opmerk is beroepsdeformatie en heeft ongetwijfeld te maken met een eigenschap, die door Louis van Gaal gelukkig al geduid is. Mogelijk hintten de haaks op elkaar staande apostroffen echter – in de beste traditie van Cassandra en haar vakgenoten – op de verkiezingsuitslag. De twee winnaars zijn immers tot elkaar veroordeelde tegenstanders. Afgaand op de dissensustheorieën van Chantal Mouffe kan dit iets opleveren!
Volgens de spellingscontrole is het woord theorie ‘Belgisch Nederlands’, dus misschien zou Mouffes agonistische model ook iets kunnen zijn voor Antwerpen (waar de verkiezingen zijn gereduceerd tot een strijd tussen zittend burgemeester Patrick Janssens en de landelijke afgod Bart De Wever, en waar de krant meewerkt aan een televisieserie die toevallig Deadline 14/10 heet)? Mij zou het wel een voorbeeldfunctioneel en bovenal constructief idee lijken, een duoburgemeesterschap van parttimers die elkaar scherp houden. Maar helaas, mijn invloed is ditmaal zelfs officieel nihil. Met mijn status van inwijkeling ben ik vergeten, denkelijk te nijver hakkend aan Jantje Beton, bij de Dienst Bevolking een stemaanvraag te doen voor de lokale en provinciale verkiezingen – en toch, belastingaanslagen vallen wel automatisch in de bus.

vrijdag 7 september 2012

Kans schroeit lonkende vlinders

Wacht gespje met het iets om het gaas
met de roes broes broes wacht vloer
laat de blaren wacht rooi op de blaren
wacht gilletje gil met de zijg en wacht
gilletje gil met de step step en zijg van
het gilletje gil koele wacht wacht nu gil
wacht zie de gil wacht fijn gilledijn zijn

maandag 3 september 2012

Wadde?

John Berger houdt me recht. ‘Eén moment van zelfbeschouwing toont aan dat een groot deel van onze ervaring niet goed onder woorden te brengen is: het verblijft in afwachting van een beter begrip van het mens-zijn in zijn totaliteit. In bepaalde opzichten zijn we waarschijnlijk begrijpelijker voor hen die na ons komen dan voor onszelf. Daar staat tegenover dat hun betere begrip zal worden uitgedrukt in termen die ons nu niets zeggen.’
De afgelopen dagen heb ik de indruk gekregen dat ik in zo'n toekomst leefde, geconfronteerd met het geheel vanzelfsprekend ingezette begrip standaardtaal. Misschien doordat ik in Nederland zowel boven als onder de grote rivieren gewoond heb en me inmiddels meer dan een decennium in België bevind, is die taal in mij een ratjetoe. De digitale spellingscontroleur heeft het maar makkelijk met ‘Nederlands (standaard)’ of ‘Nederlands (België)’. In mij tiktakken geheugen en dagelijksheid, waardoor ik op kritische momenten eerst navlooi en dan uitstoot. Mede door mijn hoop niet als Hollander het plaatselijke Vlaams te imiteren? Landgenoten die dat doen zijn zelden genietbaar.
Dat neemt niet weg dat ik wanneer iemand in de weg staat roep: ‘uit mijn garla’. Maar wie of wat garla mag wezen, een staatssecretaris, een schroevendraaier? Ook is me verzekerd dat degene die allerminst mijn bartype is, een ‘kloefkapper’ mag heten (in de zin van houwer, geen barbier). Wie kloef echter is, blijft een raadsel. In mij als redacteur rinkelt nog een belletje bij de ‘typische Vlaamse’ volgorde in constructies met twee hulpwerkwoorden. Maar als auteur moest ik er bij de eindredactie van mijn nieuwe boek (ja, ik durf er eentje toe te voegen) op worden gewezen, dat het hulpwerkwoord liever niet achter het voltooid deelwoord komt, da’s zo germanistisch.
We spreken dus over realiteiten, meervoud. Op mijn tongval worden al pastiches uitgesproken door het taalkundig genie: ‘Hei jai daar, ga jai auk mei?!’ Haar dictie is in de vakantie, terwijl ze redelijk gevrijwaard leek van dialect, Vlaamser geworden. Ze zegt aan het eind van een zin ineens ‘zunne’, normaliter een Hollands cliché in de imitatiedrang.
Standaardtaal van boven de rivieren, waarmee ik ben opgegroeid, is veranderd. Op vroege opnames leest de zogeheten arbeidersjongen Lucebert gedichten op een toon die in mijn jeugd al bekakt heette. Jarenlang sprak voor de radio Jan Starink ook zo’n geciseleerd Nederlands. In België, waar de discussie over standaardtaal oplaaide, wijzen beschuldigende vingers naar de commerciële omroep, maar indien in Nederland één zondebok aangewezen zou moeten worden, dan is dat de VARA. Deze toen socialistische publieke omroepvereniging verbreidde hoger Goois. Haar programma Kinderen voor kinderen heeft een ander patois aangericht, nog te horen bij iemand als Paul de Leeuw en bij provincialen die hogerop willen in de Randstad.
Spraakuitzondering door tijdelijkheid is regel. Ik snap de zorgen over de gevolgen. Moge er dan in de spiegel gekeken. Vooralsnog zijn essentialismen over ‘beschaving’, ‘cultuur’, ‘ideologie’ en ‘academici’ die met de publicatie van een studie de aanstichters van zijn geweest, griezelig vertrouwd in het debat. Taalkundige Marc van Oostendorp was bovendien verontwaardigd dat kritieken door literatoren er blijk van gaven het gewraakte boek niet te hebben gelezen. Maar daar gaat het niet om bij uitgeversinclusief opinisme. Hooguit frappeert dat Pol Hoste niet werd gevraagd. Zijn teksten hebben standaard- versus tussentaal gethematiseerd.
Zelf ken ik de studie des aanstoots evenmin (deed lang geleden slechts een acquitstootje). Beroepshalve ben ik meer geïnteresseerd in de praktijk. Vier prominente pleidooien vóór standaardtaal wil ik daarom bekijken op hun monolingualie.
Geert van Istendael maakt die poging bij voorbaat onmogelijk, omdat hij zich schijnbaar integraal van tussentaal bedient. Ik beperk me tot één zinnetje, dat op de opiniepagina in een kader werd herhaald: ‘Seg, gijle daar aan dunief, waar zijde gijle med u gedachte?’ Er lijken hier twee spellingen te wrikken: over ‘seg’ valt te twisten, maar ‘med’ is tussentaliger gemaakt dan nodig. Het persoonlijk voornaamwoord ‘gijle’ (dat voor de consequentie ‘geile’ had kunnen worden) is even overdreven. En waar ‘u’ fout is, betoont ‘gedachte’ zich weer correct standaardtalig, terwijl mijn geringe ervaring met het Vlaams suggereert dat het ‘gedacht’ zou zijn. Ik ontwaar kortom vooral interferentie.
Met, keurig gearceerde, tussentalige zinsneden begint ook Stefan Hertmans zijn verdedigingsrede. Vervolgens gebruikt hij bij ironische uitdrukkingen hoofdletters zoals Humo dat doet, zet de kwalificaties ‘fier’ en ‘tof’ in zoals dat in Olland nooit zou gebeuren, de frase ‘om maar iets te zeggen’ (die boven de rivieren zou afsluiten met ‘noemen’), ‘van thuis uit’ in plaats van ‘van huis uit’, ‘geplogenheden’…
Bij Dimitri Verhulst is het Zuid-Nederlands amper te turven (‘vijgen na Pasen’, ‘per malheur’, ‘humaniora’, ‘jota noch tittel’, ‘malgré’, ‘ik wou alleen hebben geïllustreerd’, ‘staat mij voor geen vijf cent aan’, ‘ha ja?’, ‘tiens’, ‘zotter, ‘de zogeheten volksmens’, ‘compromissoire’). Dat rijmt met zijn literatuuropvatting, die hem belet dat een grachtengordelredacteur uit een tas koffie een kopje koffie brouwt. Indien ik het goed begrijp, moet een jat koffie nu wel verbeterd.
Erwin Mortier ten slotte beheerst dialect én een geschreven taal, die hij geconstrueerd acht. Zij is inderdaad een opgeblonken Nederlands, tussen Bomans en Lampo. Mij boeit dat omdat een facet bloot komt dat geen van de literatoren benoemde: taal als koopwaar en lifestyle.
Zoals Mortier beantwoordt aan een verheven voorstelling van literariteit en per zin te marketen is, zo wekt Emile Roemer bij verkiezingen sympathie (en huiver) door zijn Brabants, waarin goedmoedigheid (en naïviteit) te beluisteren is. En zo ziet de Brusselse dependance van het datingbureau Berkeley International (lidgeld 4000 euro, jaarlijkse bijdrage 2000 euro) onder de wensen van haar niche ‘dezelfde status en financiële onafhankelijkheid, die ook na de uren uitdaagt’. Het standaardtaalwoord ‘uitdaging’ heeft nogal een context gekregen, die er tussentaal van maakt.
Goed blijven opletten dus, zoals het ultieme onderwijsboek Woutertje Pieterse wist: `Overal zal de oplettende waarnemer blijken dat het begrijpen van eenvoudige waarheden tot de zeldzaamheden behoort, en zelfs dat het niet berusten van sommigen hun door vakmensen wordt aangerekend als onpraktische buitensporigheid.’

Naschrift

Nu het aantal bezoekjes aan deze blog plots toeneemt en reacties gewoontegetrouw per mail komen, stel ik vast dat ironie niet het meest praktische voertuig is, en al helemaal niet bij een onderwerp dat zo gevoelig ligt. Misschien is het daarom goed nog even expliciet te zeggen dat ik wegens niet-aflatende veranderingen – en eigen ervaringen – onmogelijk kan geloven in ‘het’ Nederlands, ‘het Vlaams’ of ‘de tussentaal’. Ik trachtte in pleidooien voor zo’n standaard, gehouden door mensen wier toegeschreven stijl het argument is voor hun aanwezigheid op de opiniepagina, te laten zien dat ze ondergraven werden door hun eigen praktijk. Daarmee wou ik voor een keertje dus niet de imperialistische Hollander uithangen (en blunderen bij mijn perceptie van ‘gedachte’ versus ‘gedacht’). Naar mijn overtuiging is de homo sapiens, aangedreven door heterogene prikkels uit amper nog te ontlopen media tot en met de gsm, meer dan ooit een wandelende hybride.
Verder hebben teksten bij het begin van het nieuwe schooljaar mij de indruk gegeven dat zeg maar neoliberaal gedachtegoed zijn tentakels steviger om het spraakgebruik heeft geslagen: mensen die hun carrière een nieuwe wending hebben gegeven, die er hopelijk klaar voor zijn en er vervolgens voor gaan. Het is eenvoudig amerikanismen te onderscheppen, maar het zou spannender zijn te bedenken op welk moment ze niet meer als zodanig / dusdanig herkend worden. Uitdrukkingen als ‘je hebt aangegeven dat’ in plaats van ‘je hebt gezegd dat’ lijken ingeburgerd. Dan behoren ze niet meer tot de vorige toevloed uit een specifiek jargon, van het welzijnswerk.
In de muziek hebben op hun beurt acts als Flip Kowlier of Normaal dialect tot product weten te maken. Tegelijk dunkt me de ene tussentaal, met daaraan gekoppeld een geboortegrond, de andere niet. Limburgs in Nederland en West-Vlaams in België lijken toch wel een aparte status te hebben. Volgens mij hadden Wilders en Leterme nooit zo veel minachting in de media ondervonden, wanneer ze uit randstedelijke en Antwerpse contreien afkomstig waren geweest. En vergis ik me nu of exploiteert de sportjournalistiek regionale clichés? Ik heb het gevoel dat een ‘Kempense/Achterhoekse boerenzoon’ eerder een karakter is dan een mens.
Enfin, afijn.

dinsdag 28 augustus 2012

Dennenvla

Albert Camus wist het: ‘Wie begint te denken wordt meteen ook verteerd.’ Wie ben ik om het daarmee oneens te zijn? Lastige vraag, waar ik even over moet denken. Intussen ketst mijn standby-stand het wereldnieuws in de Lage Landen wel terug. Het wordt al enige tijd beheerst door intimidatie. Voor haar documentaire Femme de la rue had de jonge Sofie Peeters op straat in Brussel een camera meegenomen die registreerde wat haar zoal werd toegewenst door de mannelijke medemens, veelal werkeloos en allochtoon.
Het debat waaide over naar Nederland en een nieuwe impuls aan dit gebed zonder eind gaf onbedoeld het alom populaire weekblad Humo, dat op zijn website fotoseries publiceerde van het sinds vorig jaar eveneens in Nederland bekende Pukkelpop. In plaats van regenachtig en winderig was het er nu bloedheet, wat sommige bezoeksters had gebracht tot aangepaste kledij. Zij stonden vervolgens op de site als bikinibabes, en daar was alweer een opiniestuk dat zich afvroeg of autochtoon België zoveel correcter was. Het stuk vermeldde ook een blogbericht dat veel besurft werd, wat tot een nieuwe poging leidde. En de hoofdredacteur van Humo voelde zich genoopt tot een verantwoording, waaruit bleek dat het woord bikinibabe een alliteratie bevat. De site wiste de foto’s.
O dennenvla o Gore-Tex. In 1971 bracht de toenmalige pacifistische partij onder het motto ‘ontwapenend’ een fameuze verkiezingsposter – die niet op Facebook schijnt te mogen – waarop een blote dame en een koe afgebeeld staan. Dolle Mina maakte daarop, onder het motto ‘onthullend’, een plaatje van een koe en een blote man. Daar zit een verhaal achter dat is verteld na het overlijden van de dienstdoende pin-up. En hoewel het moralisme me niet ontgaat, bespeur ik, in tegenstelling tot de aangrenzende tijdsdiagnose van een gebrek aan humor, ook enige vrolijkheid.
Wat gebeurde er in de tussenliggende decennia? Ik begin me zo langzamerhand geïntimideerd te voelen door wat Stine Jensen in Dag vriend! – onder dankzegging aan de Franse socioloog wiens werk ook in het Engels verkrijgbaar is – muntte met de term ‘intiem kapitaal’. Dan gaat het me amper om de jingle bells van een strippokerende prins, maar het strekt zich evengoed uit over, hoe nobel het doel ook, foto’s van kankerlongen op sigarettenpakjes.
Misschien voel ik me geïntimideerd door het vele van hetzelfde. Canetti kon in 1960 klagen dat hij zich vanuit huis deelnemer wist aan openbare executies, maar dat was nog slechts vanwege de krant. Hoe vaak er na het overlijden van Neil Armstrong niet diens menigvuldig onderzochte woorden bij het betreden van de maan zijn rondgetoeterd! Hoe vaak de foto van het nog lachende gezicht van de van mishandeling beschuldigde kickbokser, zijn tanden nu als edele delen! Ik word er extra landseigen van. Onzin, de paradox zal evengoed elders postvatten, bijvoorbeeld bij het kennisnemen van WikiLeaks, laat staan van het lot van Bradley Manning: tegengesteld aan de suggestie van nabijheid raakt de gemeenschap immers op grotere afstand.
Die sensatie sluit aan bij ander nieuws in de Lage Landen. Het betrof een nieuw boek van psychoanalyticus Paul Verhaeghe. Niet voor het eerst koppelt hij groter wordende verschillen in inkomsten aan extremere gevoelens. Dit ondermijnt volgens hem de gemeenschapszin, die moet worden heruitgevonden. Nu zou neoliberale competitiedrift leiden tot depressies.
Dat er maatschappelijk wat veranderd is, staat als een paal boven water. Tegen de wens van de reclamesticker op onze brievenbus ontvingen wij een folder over de broodshop van de toekomst, te bezoeken ‘wanneer het u past’, omdat het zelfbediening is. Zou daar een happy few te vinden zijn die geen tijd heeft om brood te halen, of juist mensen die meerdere banen moeten vervullen om rond te komen? Tegenover die automaten staat bij ons in de wijk nog een bakker, waar je weliswaar niet met de pinpas kan betalen maar die wel verbonden is aan de school en die lekkers brengt op straatfeesten. Er hangen soms rouwadvertenties van klanten.
Bij Verhaeghes detectie van verticale afstanden ontbreekt volgens mij een belendend facet: de aanwas van horizontale verbanden in netwerken, nu ook zichtbaar. Er zijn vele gemeenschappen ontstaan, die op sites als Facebook in LinkedIn gekwantificeerd zijn in friends en connections. Daar ontmoet het Verhaegheboek wellicht de intimiteitskwestie, want wie of wat laat de beheerder van zo’n account toe om de kring te versterken? Mogelijk hangt zoiets af van een van de tips die Jensen gaf voor sociale netwerken: ‘Voordat u iemand een vriendschapsvoorstel doet, vraagt u zich eerst af: kan ik hem of haar gebruiken? Is hij of zij nuttig voor mijn leven?’ Deze instrumentele visie verklaart en passant waarom ideologie of principe zo impopulair of passé is. Het zijn feitelijk gelegenheidsgemeenschappen, met neoliberale items als ‘nieuwe uitdaging’ en ‘deskundigheidsverzoeken’.
Het zal bovenarcadisch zijn, maar mij dunkt het van een verademende consequentheid dat Verhaeghe niet op die sites valt aan te treffen. Dichter Alexander Skidan suggereerde al dat dit ideale tijden zijn om bruggen te leggen voor poëzie door de eerbiedwaardige traditie van desubjectivering te politiseren. En bijvoorbeeld de Occupy-beweging bewijst dat netwerken ook ingezet worden voor bovenpersoonlijke doelen.
Wel zijn Verhaeghes bezwaren tegen het neoliberalisme onherroepelijk verbreid dankzij het neoliberalisme. De psychoanalyticus heeft door inspanningen van zijn uitgever zijn boek kunnen samenvatten in een opiniestuk, waarna op hetzelfde podium de ene reactie na de andere kwam. Daarnaast was er een interview onder en boven de grote rivieren. Het boek van Verhaeghe wordt zelfs meteen op fondsniveau voor vertaling gepromoot in China. Zijn ruimte is veroverd, op basis van competitie met andere pas verschenen titels. Kennelijk lagen zijn ideeën deze week het best in de markt.
Ook knipoogde afgelopen weekend de cultuurbijlage van De Standaard onder het motto ‘Het najaar uitgekleed’ naar de Humo-Peeters-affaire. Het had 4 bladzijden veil voor acteur Dirk Roofthooft die zijn visie op de vrouw vertolkte. De tekst had op 1 pagina gekund, maar er moesten uiteraard wel wat foto’s bij. De man was half ontkleed. Dolle Mina heeft bewezen dat dit beter kan, denk ik.

dinsdag 21 augustus 2012

Gutbürgerlich (4)

Heinrich Böll bundelde in de jaren zeventig opiniestukken in Einmischung erwünscht. Klinkt die titel nu bespottelijk? Böll vestigde onder meer aandacht op bizarrerieën en consequenties van de voedselmarkt. Met name dat er voor de productie van vlees veel graan nodig is, omdat dieren eerst moeten groeien. De ratio herkennend van een toespraak uit 1974 door Schmidts voorganger Willy Brandt, beroept Böll zich op een tijdschriftartikel met dit voorbeeld: 8 pond graan is nodig voor 1 pond vlees. Dat lijkt een conservatieve schatting. Of ga ik te veel uit van het heden, waar de verhoudingen tot het niet echt rijkelijk beschikbaar blijvende water zijn: een kilo rundvlees op 15.000 liter water? Door omstandigheden ken ik ook cijfers van een ander product: voor 1 kopje koffie (20 centiliter) moet 140 liter water vloeien. Maar ik vrees dat zulke getallen weinig indruk maken, helemaal op een CEO: ‘In het bedrijfsleven kennen we leugens, grote leugens en statistieken.’ En het middenkader?
Vooral schetst Böll een ongebroken historische lijn van ongerijmde in- en export. Tijdens de Ierse hongersnood, midden in de negentiende eeuw, voerde het geplaagde land zoals bekend boter, vlees, graan en gerst uit, niet het minst naar Engeland, eigenaar. Vervolgens zaten de meeste vleeseters in de jaren zeventig nog exclusief in het rijke Westen. Voor de aanbouw van hun genot werden veevoer en kunstmest binnengehaald uit arme landen, liefst tegen afbraakprijzen. Bij wijze van ontwikkelingshulp gaat, smaalt Böll, een miniem deel van de winst retour – ware caritas.
Tegenwoordig is, tussen aanhoudende gevechten om het pre- of postkapitalistische been, de tegenstrijdigheid in de verhoudingen nog overzichtelijker. Er leven bijna 1 miljard mensen in extreme armoede, van wie meer dan twee derde boeren en boerinnen zijn.
Zulke feiten sterken mijn hereditair moralisme, waarmee ik regels van Koen Peeters over een fietstocht langs de Ruhr melancholiek kan vinden, maar jeukend:

Forellen die zwommen om gegeten die worden. Hoe ze die
doden: scheppen, een doek erom en zacht met een houten
knuppel slaan. Zacht maar hard.
Het is niet goed om alles te zien en te weten, te eten.


Allicht stuurt mijn moralisme mijn waarnemingen en relazen. Kwestie van Zuordnungsvoraussetzungen. Dit super-Duits jat ik uit Staande receptie. Daarin constateert Jos Joosten verrassend dat het mythische succes van Nederlandse literatuur in Duitsland ‘consumptievertalingen’ geldt – werk uit de canon is er goeddeels afwezig. Een bij de oosterburen succesvol auteur als Nooteboom had zich ook op het land gestort, terwijl Nederlandse auteurs zich van oudsher meer op de eigen cultuur zouden richten.
Joosten stelt de vraag of die houding provinciaal is. Zo geredeneerd zou, hoewel onderzoek naar de Celan-vertering in de Lage Landen een balans laat zien, België aantrekkelijker zijn wegens kosmopolitisme (uit zelfhaat). Daarnaast mag Staande receptie naar aanleiding van kritieken op Günter Grass’ Im Krebsgang introspectie en debat in de Nederlandse pers missen, het signaleert er wel een Europese gerichtheid. Volgens mij wil kaaskopkunde zelfs de toestand in de hele wereld bestrijken.
Onlangs zag ik in een koelkast een schaaltje afgedekt door een kliekjesbadmuts, een rond stuk plastic waarvan door de omtrek een elastiek loopt. In mijn ouderlijk huis kon zo, als restant van de maaltijd, een gekookte aardappel dagenlang bewaard blijven. Soms aten we die op, nevenschikkend (nooit conform de huidige recycling verwerkt in een ander gerecht), maar vaker vond de kliek, zeker in een volgestouwde koelkast, alsnog de weg naar de vuilnisbak.
De actie-in-tweede-instantie bevestigde het sexy instinct dat bewaren idioot was. Toch cirkelde ergens een besef dat, al was het omdat, hoe basaal routineus ook, geen van de gezinsleden had omgekeken naar de materie onder de kliekjesbadmuts, weggooien niet betaamde. Verder staat mij in deze categorie het gorgelen van de gootsteen bij, wanneer melk werd weggegoten omdat hij over de datum was. Dit gegeven – een van de meer of minder kwestieuze verschillen – is in pasteuriserend én steriliserend België onalledaags. Nu weet ik binnen een straal van dertig kilometer twee automaten aan boerderijen waar die verse waar kan worden getapt. De analoog aan het populaire ‘hoeveijs’ verwachte naam ‘hoevemelk’ zwicht onder ‘rauwe melk’.
Is dit de zoveelste aflevering van Opa vertelt? Je hoeft geen Feuerbach-pagina open te slaan om te beseffen dat eten de sleutel is bij vragen van micro- tot macroniveau. Onlangs was er een documentaire over jonge vrouwen ‘in een zoektocht naar wat hen gelukkig maakt’. Ik vond de ene nog innemender dan de andere maar kon geen toegang krijgen tot wat ze beweerden, zodat ik een relaps kreeg naar mijn tienjarigheid bij het aanschouwen van het nummer ‘Girls’ door Moments and Whatnauts. Twee beelden uit de documentaire deden mij echter opveren. Eerst was er de vrouw die dineerde achter de schermen van haar laptop en smartphone. Daarna was er de vrouw die boven haar bord een hardplastic verpakking opentrok en daaruit een salade kieperde, een potje met kruiden en een flesje met dressing.
Beide activiteiten hebben een rendement dat de kliekjesbadmuts ambieerde. Maar zij zijn existentieel, terwijl ik verkleefd geraakt ben met het potentiële. Een briljante variant daarop leek me te worden gepresenteerd door een ecologisch zelfbedieningsrestaurant, dat klanten liet betalen naar rato van het gewicht dat ze op hun bord schepten. Wel was het brute pech dat bijna niets mij smaakte. Dan wordt de prijs ook voor mij een bezwaar, benevens de vreugdeloze aanblik van voedsel met de aantrekkelijkheid van gegratineerd krantenpapier.
Dan mag men mij Mac noemen. Hopelijk wordt de drie keren per week dat de momenteel geplaagde clarissen vlees op hun brood schijnen te mogen eten, opperkeurslagerkwaliteit geserveerd. Als ons eerste gerecht na de Belgische grens gepasseerd te zijn: tongrolletjes in mousselinesaus, waar wat garnalen doorheen zwommen.
‘Maar daar zit toch helemaal geen vlees in?’
‘Snap je nu hoe fantastisch het was?’

maandag 13 augustus 2012

Gutbürgerlich (3)

Geloof boeken niet. Na Jeroen Kuipers’ Het andere Duitsland. De voormalige DDR, 20 jaar na de val van de Muur had ik me op het ergste voorbereid. Hij vermeldt iemand die een held en pionier was met een fietstocht door het voormalige Oostblokland (toen ontwikkelingshulp nog niet zo ter discussie stond). Paden bleken echter aardig bewegwijzerd, er was redelijk wat accommodatie en, natuurlijk, het eten viel best mee. Zijn dat nuances, te vinden in de bundel van Niemöller, die brede assortimenten verse westerse waar citeert én de klacht Oost-Duitse mosterd niet meer te kunnen vinden en het te moeten stellen met chemische smaak? Ligt de waarheid in het midden? Het wemelde van de koffiezaken, waar tot aan de tuitjes opgepoetste machines je in de verchroming van je portemonnee aanstaarden en een bestelling in het ‘to go’-genre werd beantwoord met een schenking uit een warmhoudkan.
Ook de rondgetoeterde, door statistieken nochtans tegengesproken waarschuwing voor het gevaarlijke alledaagse leven op straat viel in Duitsland lastig te bevestigen. Maar mogelijk zullen medeburgers op hun beurt roepen: geloof statistieken niet. In zijn studie Wat een hufter! die hier al eens ter sprake kwam, legt Bas van Stokkom uit dat bij hoger opgeleiden ‘vervaging van normen’ en bij lager opgeleiden ‘criminaliteit’ een item is. Hij schreef dit voor de inburgering van Twitter dat, zoals reacties op Zomergasten onderstrepen, het verschil tussen die groepen onklaar heeft gemaakt.
Feiten ruimen bij de trending topics van het gemoed snel het veld voor beleving. Zo schijnen ouderen en vrouwen zich het onveiligst te voelen, terwijl jongeren en mannen het vaakst slachtoffer zijn van criminaliteit, en dan niet in slaapsteden waar de grootste angst zou heersen. (Volgens Brinkgreve en Van Stolk hadden wat in de jaren negentig ‘kansarmen’ heette, angst en wantrouwen voor wat zich buitenshuis afspeelde. Men plooide zich terug op het gezin.)
‘Criminaliteit’ blijkt bovenal een metafoor voor ellende en geklungel, zeker in tijden van verkiezingen gretig gebruikt in partijprogramma’s. Buitentekstueel wel toegenomen is nochtans agressie, vooral in de vorm van bedreigingen. Zou tegen dat geweld wegkijken nog immer de remedie zijn? Een bezoek aan Duitsland kan heilzaam wezen. Vriendelijk dat men daar is! Vaker is gesignaleerd dat je nog geen twee seconden op je kaart kunt turen, of je wordt al aangesproken met een waarachtig hulpaanbod.
De werkelijkheid is wellicht ook een kwestie van geluk: in hartje Berlijn vergat ik mijn fiets op slot te zetten, merkte ik na twee uur. Maar geluk is met de domme, weet het spreekwoord. Of dwing je geluk af, volgens meritocratische wetten? (Van huis uit signaleert, dus nog geen twintig jaar geleden, ontwikkelingen in Amerika waar huiver voor sociale daling heerste. Ook al had men betamelijk gestudeerd, deze investering hoefde geen vruchten af te werpen. De dwang tot presteren groeide, maar Brinkgreve en Van Stolk verzekeren dat er in de Lage Landen wel een vangnet is bij werkloosheid en ziekte.)
Terug thuis bood een glimp op de toekomst een jochie dat in de slagerij zijn gratis plakje vlees naar zijn moeder bracht die er uit haar tas een sandwich mee belegde. Is dat milieubewust, slim en hoort zo’n moeder tot hen die Van Stokkom tot hoger opgeleiden rekende? Of wordt juist van de nood een deugd gemaakt? Er zijn steeds meer statistieken te geloven of te verwerpen, in een keten van te financieren fenomenen. De glimp kan refereren aan het gewicht van ‘kinderen van werkende ouders’, aan kosten van de gezondheidszorg en het type verzekering
Hegeliaan Feuerbach schijnt aan de basis te hebben gestaan van de niet te ontlopen these dat man ist was mann isst. En wat men er zoal omheen bedenkt? Zelden zo’n voorbeeld van een postideologische naam getroffen als in de Nederlandse website frietopia. Ik stuitte erop bij een winkel in Vlaamse Friet, verkocht in de gewichtsklassen Schanulleke, Urbanus en Obelix. De laatste figuur stamt inderdaad uit een gebied ten zuiden van de grote rivieren, maar ik denk dat Vlamingen vreemd opkijken wanneer ze voor een grote portie meer dan 4 euro moeten neertellen.
Ik snap dat het product Vlaamse Friet de laatste decennia nogal wat betekent te Nederland, en het een markt- en smaakcorrectie wil zijn op de ‘patat’ die onder een rode lamp vandaan gehaald werd. Die past niet meer bij de huidige lifestyle. ‘Patat’ valt onder hetzelfde gamma als het ‘broodje kroket’ (persoonlijk eet ik bij wijze van homeopathie liever satékroketten uit de muur). Of als de ‘appeltaart’ uit de diepvries, op gezicht gebracht door een spuitfles slagroom.
Wat willen we zien? Door Niemöllers boek loopt bij de geïnterviewden een dubbele constante: een aversie van het naziverleden die zich uit in de benaming van de Muur als Antifaschistische Schutzwall, plus de bewering dat ze al het gruwelijks dat in DDR gebeurde ‘niet hadden geweten’. Zeker in het kluwen van de hereniging moeten gevoelens complex zijn geweest. Tegenover het communisme signaleert Niemöller een soortement ondanks-alles-principe: amper uit te bannen geloof in de idee, waarbij een structureel bedrijfsongeval heeft plaatsgevonden tijdens het ‘overplanten in de werkelijkheid’. De constatering dat theorie en praktijk niet echt parallel liepen gaat een paar fases voorbij de dialectiek. Maar zelfs door de dag waren er gunstige voorwaarden: vakantiekampen vanuit het bedrijf, vast werk voor iedereen en, opmerkelijk, een ecologisch aandoende recycling tot en met vuilverwerking van andere landen.
Vergelijk dat laatste eens met een – voor Twitter te lange en genuanceerde – uitspraak van de West-Duitse bondskanselier Helmut Schmidt uit 1976: ‘Niemand zou zich moeten laten beïnvloeden door de geleerden van de Club van Rome die ons verteld hebben dat we allemaal weer terug moeten naar het eenvoudige bestaan. Daar zijn we niet voor gekomen, en daar werken we ook niet voor. Diogenes kon in zijn ton leven en was daarmee tevreden. Maar hij was een filosoof, en dat zijn wij allen meestal niet.’
Geloof rapporten niet, zei Schmidt feitelijk. Geen wonder dat hij tegenkanting kreeg.

dinsdag 7 augustus 2012

Gutbürgerlich (2)

Helga Aufschrey arriveert na een omweg in haar geboortestad Dülmen. Als gezegd schrijven we 1962, de Muur stond er net, en vaderlief haalt haar van het station. Volgens hem worden de aanhoudende rellen tussen jeugd en politie in Helga’s schier immense studiestad München veroorzaakt door ‘tuig’ en ‘nozems’. Helga weet dat Hermann Simon er iets mee te schaften heeft, een muzikant op wie ze half en half verliefd is.
Ze zwemt met twee jeugdvriendinnen, gaat met hen naar de film, eet in hetzelfde koesterende gezelschap een broodje brat- of bockwurst en loopt, in dit gat te Westfalen, Hermann tegen het lijf. Al liftende naar Sylt is hij gestrand in Dülmen, waar hij een slaapplaats zoekt. Hij is reeds de deur gewezen door Helga’s inwonende grootmoeder.
Boven een banketbakkerij waar een van de vriendinnen werkt, mag ‘het verfijnde heerschap uit München’ verblijven. De drie vrouwen voeren hem slagroomtaart en wijn, terwijl hij piano speelt en, om de bewijzen van de politionele interventies te balsemen, van zijn bovenkleding wordt ontdaan. (Door te eten stijgt de stemming werkelijk, net als in Schultze Gets the Blues , waar de uitheemse muziek des hoofdpersoons Oost-Duitse vrienden pas overtuigt na het eten van jambalaya ‘uit Louisiana’). Voordat het tafereeltje trekken krijgt van een orgie, valt Helga flauw.
Daags erna wordt ze 23, wat in familiekring wordt gevierd. Bij een etentje is het voedsel zo traditioneel dat de à l’improviste de politesse uitgenodigde Hermann diep moet nadenken wanneer hij het voor het laatst, tot genoegen, gegeten heeft. In een domesticatiepoging wordt hij geacht ook hier piano te spelen. Van een van Helga’s vriendinnen krijgt Hermann een seksueel aanzoek.
Het sfeertje komt DDR-achtig over. Dan baseer ik me op de oral history die Joost Niemöller vlak na de hereniging bedreef in Over de Muur. Oostduitse levensverhalen. Een deel van ‘het systeem’ wordt er onder meer aldus uitgeduid, dat eten existeert bij de gratie van een beperkte kring, ofwel het werk ofwel de familie. Memorabel aan het interviewboek, en te verbinden met zeker deze Heimat-aflevering, is eveneens de schaamte van de partijen voor elkaar, drüben.
De feestmaaltijd wordt gedomineerd door een demonstratief alcoholzuchtige grootmoeder. Doordat Helga even vulgair haar familie voor bekrompen uitmaakt, komt het gezelschap niet toe aan de koffie, die geen overlap vertoond zou hebben met het brouwsel uit de vakliteratuur op basis van stro, drop en geblakerde bonen. Ze vlucht naar de bovenverdieping, vastbesloten zich te laten ontmaagden door Hermann. De kamer van Helga, enig kind, is intact gebleven, en de fauna aan knuffels contrasteert met het lingeriesetje dat ze, tot verbazing van Hermann, aangetrokken heeft. De prominente aanwezigheid van de grootmoeder frustreert een intiem samenzijn.
Buiten lijkt een zondvloed gaande. Desalniettemin vlucht Hermann, die met het vrouwenaanbod kop of munt heeft gespeeld, en gaat in op de avances van Helga’s vriendin. Zij was verpleegster, ontmoette een gynaecoloog en maakte met hem een tweeling. Behalve ervaren is ze elf jaar ouder dan Hermann. Na de daad bakt ze varkenslapjes en wordt melancholiek.
De aflevering heet Das Spiel mit der Freiheit. Ze is in mijn herinnering gegrift als twist tussen eigenmachtigheid en noodlot. Voor mij lokaliseert Dülmen claustrobisch falen en willekeur.
Voor de vakantie werd ik eraan herinnerd – lezen is composteren – door Christine Brinkgreve en Bram van Stolks Van huis uit. Een onderzoek naar sociale erfenissen. De groepsverhalen zullen schematisch zijn, maar details dochten me geloofwaardig. Bijvoorbeeld het blinde arbeidsethos bij gereformeerden, met de hypothese dat er significant veel inwoners van het zwartbekousde Putten in het concentratiekamp stierven omdat ze niet wisten wat rusten was. Of het beheersingsideaal bij communisten, waarbij emotie als een luxe gold – een vrouw die ook anti-zielig, anti-angst, anti-zwak, anti-gezellig, anti-onmacht was…
En nu staat, nog voordat de burgemeester van Londen had beweerd dat er op de Olympische Spelen meer gouden, zilveren en bronzen medailles gewonnen gingen worden dan de bailout van Griekenland en Spanje samen, Dülmen op onze palmares! Door dezelfde Romeinse poort waar zowel Helga als Hermann de stad binnenkwam, fietsten wij in de nota bene stromende regen, op zoek naar een bakker. Die was niet snel gevonden, in tegenstelling tot boekhandels. Uiteindelijk vonden we twee bakkerijen naast elkaar.
De ene was een broodjeszaak van het type waar sommige jongeren ontbijten op chocopasta met cola. Gelet op het helse weer kozen we voor de biowinkel ernaast, die einfach genießen propageerde. Bij die leuze schoot me een lucide bewering van Helmut Lotti te binnen: dat zakenlunches onbegrijpelijk zijn, omdat eten iets is waarnaar slechts volle concentratie kan uitgaan.
Het einfach genießen kostte vanzelfsprekend wat, het dubbele ongeveer van wat de buurman aanrekende. Mij lijkt deze realiteit op termijn problematisch. Hoe kan het gezondste voedsel het duurste zijn? Economisch en productietechnisch is dat evident, maar bestaat er niet zoiets als een overheid om zaken recht te trekken? Ik ben geen principiële pragmatist en gehoorzaam evenmin beeldvorming, maar zoals het lastig uit te leggen valt dat op containerparken allerlei afval gratis mag gebracht en voor de aangifte van asbest betaling noodzakelijk is, zo hoort gezond voedsel goedkoop te zijn.
De ironie is nogal apart dat sinds Kim Jong-un aan de macht is, verbreding van het gamma in Noord-Korea bestaat uit friet en hamburgers. Als het nu nog ging om spek en bonen… À propos, gaat die goedbedoelende uitdrukking vervangen worden, nu de wereld zich aan het opwarmen blijft?
Voltooi de verhalen. Ik dacht de biowinkel te slim af te zijn door voor dat grove geld een enorm glinsterend baksel aan te schaffen, maar het bleek een (als ‘politiek correct’ aan te duiden?) fruitpourri die een nacht had geweekt in een bepaald graan met bier en yoghurt. De naam heb ik verdrongen, maar anders dan het taalkundig genie en de gourmande vond ik het heerlijk. En mijn papillen kunnen het weten, na door tabak en allergiebedwingende medicijnen jarenlang sprakeloos te zijn gemaakt.
Bijna transcendent interessant. Wat was het eerste gerecht terug in België?

maandag 30 juli 2012

Gutbürgerlich (1)

Welja, schuif het op Goethes bordje. Hij schijnt de bedenker geweest van de ‘tedere empirie’, die zich zo innig met het onderwerp vereenzelvigt dat ze de eigenlijke theorie wordt. Want hoe stond de Nederlandse keuken er ook alweer voor? Over dit item met onkinderachtige consequenties rezen vragen, terwijl ik fietste door een fameus mooi Duits landschap. Misschien is het een broodje aap (met een gevoelige prijs-kwaliteitsverhouding) dat in de negentiende eeuw in de voornoemde keuken de saus afgeschaft werd omdat de bereiding te veel tijd kostte. Zou er een verband bestaan met de mare dat ramen in panden van de Amsterdamse School miniem zijn opdat huisvrouwen niet eventjes naar buiten konden leunen voor een buurbabbeltje?
Tamelijk zeker dunkt me dat het tussen Nederland en sauzen niet botert. Ik schrik nog wakker wanneer ik terugdenk aan medebewoners uit het ‘vrije huis’ die in recordtempo een maaltijd bereidden waar steevast een poedertje in verdween dat aangelengd moest met water, melk of een combinatie daarvan en een specifieke mix beloofde. Inmiddels schijnt het aan de absolute top goed te zijn in culinair Nederland, bestrooid met sterren van Michelin en andere guides, maar de basis heeft mij zo argwanend gemaakt dat ik er het liefst een Chinees aandoe.
Door de opkomst van de ampersandeconomie hebben naar mijn indruk boven-Moerdijkse koks spatjes gekregen. Indien er echt niet aan te ontkomen valt, weet ik in hun opvallend schaars verlichte gastronomische centra één ding zeker: nooit salades, vleesbereidingen of desserts ‘van de chef’ bestellen.
Wij kennen elkaar door wat wij doen, want daaruit wordt tevens duidelijk wat wij niet doen, door onze keuze in gedragsmogelijkheden, want daaruit wordt tevens duidelijk welke mogelijkheden we niet kiezen, door wat wij zeggen, want daaruit wordt duidelijk wat wij niet zeggen (wat iets anders is dan verzwijgen).
Misschien staat eten in Nederland in het teken van iets anders, ooit functionaliteit en nu blingblingkwaliteit? Mij schoot die hypothese te binnen na een schitterende uitspraak in het boek Verlangen naar vernieuwing van Maarten van den Bos, als anno 1964, tijdens debatten in de Nederlandse katholieke kerk vanwege het Tweede Vaticaans Concilie, een pater het verschijnsel transsubstantiatie toelicht:

Wanneer wij ergens op bezoek gaan, zal de vrouw des huizes haar welkom uitdrukken in het aanbieden van thee met een koekje, dus in het algemeen menselijke symbool van spijs en drank. Tot dusver hadden dit koekje en deze thee slechts betekenis als middel tot onderhoud van de lichamelijke functies. Op het ogenblik echter dat het koekje en de thee worden aangewend als gaven, veranderen zij: zij zijn tekenen van vriendschap geworden.

Nee, dan Duitsland. Een ongrijpbare pretentieloosheid heeft de keuken daar in bezit. Het idee dat men in Nederland gutbürgerlich een aanprijzing zou achten! Maar het klopt en, gewend geraakt zijnde aan ietwat uitbundige spekjestoevoegingen en paneerdrift, het smaakt. De porties laten tenminste geen ruimte voor trek en ze zijn vers bereid, met een overijverige kwantiteit groentes. Mooi vond ik het respect voor de ui, in autonomie. Regelrecht ontroeren deed me zelfs de rehabilitatie van het blaadje kropsla. Sinds de introductie in Nederland van de ijsbergsla – feitelijk een soort geelgroene waterbom – en een industrie aan voorgewassen rucola’s en lollo rosso’s lijkt het fini met die sympathieke delicatesse.
(Wat is dat toch dat ik me met gulzige essentialismen steeds weer wil verhouden tot een land waar ik niet meer woon? Heimwee kan zo dikwijls en zo stormachtig zijn opgestoken en weer gedoofd dat hij door herhaling betekenisloos wordt, een routineheimwee. Er kan, als je niet goed uitkijkt, iets van heimwee naar het heimwee zelf ontstaan. Wil je ergens zijn omdat je er juist niet bent of wil je ergens zijn omdat je er graag bent?)
Bovenal is het eten in Duitsland betaalbaar. Voor de prijs van een gemiddelde dagschotel valt in Nederland nog geen kindermenu te krijgen. Van laatstgenoemd fenomeen ben ik sinds deze vakantie eveneens beter op de hoogte, alsook van enige gevoeligheden ter zake.
Nu ze bijna twee is, stelt de gourmande er een eer in om, het liefst in recordtempo, de spaghetti bolognese eigenhandig op te eten: het meeste raakt zelfs amper haar slab voor het onder tafel verdwijnt. En hoewel het taalkundig genie zegt dat ‘het onbeleefd is je tong uit te steken maar bij ijs niet’, houdt ze haar mond plots veelal dicht indien er gegeten moet.
Er verstilden nogal wat kindermenu’s. Aldus geschiedde het dat vader bord na bord in zijn kanis leegschepte en tussendoor zalvend sprak over ‘kindjes in Afrika en China’ en zijn eigen ouders terughoorde. Elk gezin zijn geplogenheden, maar vermoedelijk was mijn geboortehuis niet het enige waar er nooit ofte nimmer eten mocht worden weggegooid. Vanzelfsprekend kwam deze overtuiging voort uit de oorlog. Er was dan ook een keldervoorraad waarop kon worden geteerd. Blikken met erwtjes, sperzieboontjes, bruine bonen, leverpastei, corned beef en smac (visionaire Amerikaanse betiteling: spam) kregen hooguit elk halfjaar controle op de houdbaarheidsdatum.
Van dat standpunt, dat desastreus aan actualiteit heeft gewonnen, moet ik een tic hebben meegekregen. Nu ja, na de middelbare school dan, toen boterhammen vooral in en rond nog druk door het insectenwezen in plaats van The Muffinman bezochte vuilnisbakken lagen. Een begrip als ‘ramadan’, in welke variant ook, was nagenoeg onbekend, terwijl ‘vasten’ al uit de mode was geraakt. En het andere ethische eetargument, dat er dieren moeten lijden om de mens aan zijn gerief te helpen, daarom bekreunden mijn ouders zich niet.
Is het standpunt dus niet generatiegebonden? Het meest fascinerende personage van Edgar Reitz’ epos Heimat is Helga, die als twintiger anno 1962 prevelt:

Hartes Brot ist nicht hart.
Nur kein Brot ist hart.


Is dit een tedere empirie – van welk begrip ik niet het origineel heb maar wel de vindplaats: Werke. Weimarer Ausgabe. Abt. 2, Deel II, 128-129? Hoewel Helga ambities heeft in de dichtkunst (en terroriste zal worden), poneert ze waarschijnlijk een mantra van haar ouders, die bijna zeker ook door de oorlog wordt gelegitimeerd. Maar da’s een ander verhaal.

maandag 2 juli 2012

Vijf pils voor de houthakkers

Joseph Brodsky beweerde ooit: ‘De samenleving is een organische eenheid, ze schept haar eigen organisatievormen zoals bomen hun afstand tot elkaar scheppen, en een voorbijganger noemt dat een “woud”. De idee macht, ofwel staatsbeheersing van het sociale weefsel, is een contradictio in terminis en komt alleen op bij een houthakker.’ Saillant natuurlijk voor iemand die onder een communistisch bewind is opgegroeid en die allicht wat te behappen kreeg van de Kritische Theorie.
De uitspraak ademt een type opluchting dat heden nog te voelen valt. Men weet zich voorbij het stadium dat alles nog politiek was, of ideologisch – en in een soort selffulfilling prophecy doorgevlooid door humorloze geleerden op symptomen van die macht, uiteraard versluierd. Maar valt aan dat pandemonium van systemen en aanklachten daartegen wel te ontkomen? Ik weet het niet. Men wenst in ieder geval geen slachtofferschap meer, roept eindelijk een volle verantwoordelijkheid uit voor elkeens levenspad en acht zich aldus veeleer praktisch. Toch is de overtuiging niet-politiek te zijn ideologisch. Dat lijkt een beginnersles van de notoire houthakker Antonio Gramsci, in wiens werk ik voor het eerst van mijn leven zit te lezen. Hij stelt dat iedereen een filosoof is, en iedereen een intellectueel en dat er hooguit van afhangt wat je daamee doet.
In Brodsky’s vormende jaren was er vanzelfsprekend propaganda en alles wat daar zoal aan vast hing, maar het lijkt me onwaarschijnlijk dat hij had kunnen bevroeden hoe bepalend media zijn geworden. Of dat nog valt onder de term macht weet ik ook al niet. Wel dat er misschien nu pas werkelijk een getal aan kleeft. Van het populisme bijvoorbeeld dat, om de beeldspraak te bewaren van Brodsky die van migratiestromen onkundig moet zijn gebleven, achter elke boom het establishment ziet.
Macht in boskwantiteit ontplooit zich op het internet, vaak vergeleken met een schandpaal. Hoe moet de geprivatiseerde variant beschouwd worden die Facebook heet? Dat dit sociaal netwerk een ongebreidelde macht bezit, bleek weer eens uit het verhaal over het gepeste meisje wier moeder het bijbehorende filmpje had gepost, zodat in een mum van tijd de pesters moesten worden beschermd tegen grosbedreiging. Eerlijk gezegd vrees ik in termen van macht een beetje voor alle betrokkenen, afroependerwijs, gelet op namen als Kayleigh en Kacey.
Een vertrouwde factor bij macht biedt de meidoorn die de ambtenarij is en waartegenover iedereen passant is. Aan de vervroegde verkiezingen in het vaderland wil ik meedoen, al was het omdat voor mij het argument niet opgaat van ‘de belastingbetaler’ (dat doe ik al jaren in België) zodat mijn eventuele stem, zonder dat ik reeds heb beslist waarop, redelijkerwijs wat minder belangenverstrengeld zou zijn. Een aanvraag om aan de verkiezingen mee te doen werd echter geweigerd, omdat mijn paspoort op eenduizendste dag verlopen bleek te zijn.
Toch eens naar het consulaat getogen, waar binnen beperkte openingsuren een nummertje valt te trekken voor de bevestiging van een bestaan. Plaats van handeling: een verdieping in een kantoorgebouw aan een rondweg. Ik was al er eens om dezelfde reden geweest, een lustrum geleden, ook met het taalkundig genie dat toen nog geen ‘I follow you tipsy baby’ zong maar lag te slapen in de kinderwagen terwijl ik hoopte dat ze geen kaka zou gaan doen. Nu hoefde ze slechts pipi, wat kon op de begane grond waar meerdere collega-ouders zich beklaagden over de verstopte wc.
Geen van allen verstond ik, en dat was het grootste verschil met weleer. Was er iets grondig veranderd of zat ik destijds nog te zeer in een prille vadertrots die het onmogelijk maakt ook maar iets te zien behalve roze? Grandioos toonde zich het multiculturalisme: er was bijna geen kaaskop te bekennen. Een kleurige bedoening, veeltalig tot en met een Chinese krant (een slimme tijd is op haar toekomst voorbereid). En ik wist snel zeker dat er ook Hollanders tussen zaten uit de tijd dat geluk nog heel gewoon was (en humor om te lachen: ‘Zie je dat bos daar?’ ‘Nee, want er staan bomen voor’). Keurig uitgedoste enkelingen, ongetwijfeld niet in Brasschaat wonend, trachtten met praatjes aan het loket voor te kruipen. Hun aanblik gaf me meteen een tip voor de nog onwennige omgang met een leesbril: permanent aan een halskoord laten hangen en steeds opzetten wanneer je bijna gaat spreken en afzetten op het moment dat je een woord zegt.
Bottleneck zat toen in de foto, die onder een bepaalde hoek moet zijn genomen en waarop je niet mag lachen – bij niet-seculiere overtuigingen mag een hoofd bedekt zijn. Aandacht gaat heden vooral naar vingerafdrukken. Vergelijkbaar met de onvergetelijke uitspraak door een West-Vlaming op de radio van het woord hangar? Ik vond het allemaal fantastisch.
Het was bijna afkicken toen er nog wel degelijk voorbereidend ambtelijk handwerk bleek te bestaan. Hier in de stad kun je een aanvraag doen voor een speelstraat. Dan gaan er hekken omheen, zodat er geen auto’s rijden en kinderen voor de deur hun arcadia kunnen opbouwen. Dit is natuurlijk van een gierende ironie tegenover de globalisering van de kleinste eenheid. In wijkvergaderingen die ik althans heb meegemaakt, was er één topic: meer parkeerplaatsen. Was het nu Hippocrates of Hepie & Hepie die zei: ‘Democratie of dictatuur, standaardwerk of blog, het zal mij een Frankfurter Worst wezen, zolang ik maar kan kwijten’?
Ter beoordeling van de aanvraag mogen alle straatbewoners op een formulier aanduiden of ze voor of tegen zijn. Ik stond het in een trappenhuis allemaal uit te leggen aan een vriendelijk lachende allochtoon, zo te zien een Aziaat, die het een tamelijk geweldig plan vond. Tot zijn autochtone buurman aangestiefeld kwam en siste: ‘Nooit iets ondertekenen’. En de allochtoon vloog de trappen op.

woensdag 20 juni 2012

Nou hoor je het eens van een ander


‘Afscheidsdiner’, het openingsgedicht van Ilja Leonard Pfeijffers debuut van de vierkante man uit 1998, heeft een merkwaardige status verworven. Als drager van ressentimenten jegens ‘hermetische’ poëzie die destijds gemeengoed waren, werd het enigszins beroemd. Tegelijk is wel vastgesteld dat Pfeijffers hekelende toespeling op het chrysantengedicht van de toen al gestorven Hans Faverey niet helemaal klopte en dat de onaantastbare Gerrit Kouwenaar het eigenlijke doelwit zou zijn.
De kritieken beperkten zich hoe dan ook tot de literaire biotoop, dus kon iedereen rustig blijven slapen. Tot het jongste zomernummer van EVA-Magazine, het blad voor Vlaamse vegetariërs. Het besprak zeer kort Pfeijffers recentste boek, om terug te kunnen keren naar diens eerste gedicht. In deze context worden bepaalde strofes ineens vreemd reëel:

laat met de lardeerpriem doorregen goed gevulde
wildbraad aanrukken en op een rondborstig banket
van dansend vlees zappen naar glimmend wellustig vlees
als een clip in grootbeeld kleur

serveer mij in roomboter gebakken beelden
en verzen met boulemie


Aldus mag het logisch zijn dat de dichter een afkeur uitsprak voor ‘vegetarische stilleventjes’, in EVA-Magazine klinkt hierin niet de historische kritiek op vermeend hermetisme en/of academisme door uit de inleiding van de bloemlezing Maximaal uit 1988 (‘het figuurzagen van fletse stillevens, die geen enkele aantrekkingskracht bezitten’). Heden evoceert Pfeijffer onbedoeld een dagelijkse werkelijkheid, waarbij de recensent besluit dat de auteur laat zien niets ‘van eten te weten’.
Des te grappiger wordt het, voor mij althans, dat in hetzelfde nummer de Londense hoogleraar voedselbeleid Tim Lang beweert dat vleeseters in met name Nederland, Engeland en Amerika de planeet in gevaar brengen. Ze bedrijven hogere carnivoristiek. Om hun consumptiedrift te bevredigen, moeten dieren ‘eten als prinsen’, en graan, soja en land opsouperen dat de wereldbevolking van pas zou komen. Nu lijden bijna 1 miljard mensen honger en zijn 1,3 miljard lui zwaarlijvig. Laat vooral aanrukken, dat rondborstig banket, voedingsmultinationals horen de kassa al rinkelen!
Tim Lang steekt overigens de hand in eigen boezem. Terwijl sinds de eerste kredietcrisis van 2008 de voedselprijzen alleen maar stijgen, zouden maatregelen voor beter voedsel hem niet deren, omdat hij zich als goedbetaalde prof niet druk hoeft te maken over hoeveel iets kost. Juist mensen die het nu al moeilijk hebben en ongezond eten, zouden met doordacht beleid gestraft kunnen worden. Want, beweert Lang, wat mensen eten heeft weinig te maken met een vrije keuze. Het wordt bepaald door sociale klasse en inkomen, en bespeeld door reclamecampagnes die hooguit laten selecteren uit gecoiffeerde rommel.
Een keuze kan ook negatief zijn. Wil een voedingssysteem bijdragen aan het behoud van de planeet, dan zou een minder eenzijdig menu helpen. Ik weet niet of Lang bekend is met het oeuvre van Ria Valk, maar in de jaren zeventig, toen de Club van Rome uit het industrieel beleid in De grenzen aan de groei apocalyptisch aandoende consequenties voor het klimaat had geschetst, gaf zij reeds enige suggesties:

Ik heb worstjes op mijn borstjes
Preitjes op mijn dijtjes
Karbonade en salades op mijn bil
Ja, worstjes op mijn borstjes
Bietjes op mijn knietjes
En op mijn hoofd een haantje uit de grill


Wel speelde Valk de chef om de liefde van de man via zijn maag te winnen, een serviele manoeuvre die zeker in die tijd niet onproblematisch was – de wellicht belangrijkste feministe heette Kool. En heden begint de overtuiging post te vatten dat de achterliggende politiek-economische ideologie van de groei, Operatie Obesitas in termen van Willem Schinkel, geen zoden aan de dijk zet.
Dat vergt een grote aanpassing in denken en doen, omdat we van jongs af aan met allerlei geplogenheden van groei raken doordrenkt. Zo zei het taalkundig genie in een speeltuin onlangs tegen een door testosteron aangevallen jongetje dat ze vijf jaar is, waarop hij beweerde: ‘Ik ben al meer dan een jaar zes.’ Maar omdat in de evolutie de fittest overleven zal, dringt de noodzakelijke aanpassing aan een postgroeipraxis vroeg of laat heus door. Nog minder of helemaal geen vlees meer eten getuigt dan pas waarlijk van verantwoordelijkheidsgevoel en visie. Het zou het veelgebruikte begrip ‘duurzaamheid’ ook een buitentekstuele betekenis geven.
Is Ilja Leonard Pfeijffers gedicht nu ineens een aanfluiting omdat het een puberaal pleidooi is voor een grotere ecologische voetafdruk? Natuurlijk niet, en het zal toeval zijn dat ‘hermetici’ zich veeleer willen wegschrijven. Pfeijffer verkoos slechts een metafoor en zijn onderwerp was literatuur. Daarmee diende hij een oertype van de gedichtenlezer: de jager op poëticale diepvriesmaaltijden.
Dat die reductie, en de laaglandse commotie eromheen, ten slotte iets onnozels heeft, bewijst een derde, Wikipedia-achtig stukje in het betreffende EVA-Magazine. Het gaat over Rainer Maria Rilke. Dit twintigste-eeuwse icoon van poëzie die Pfeijffer zal aanspreken, werd vegetariër en beschouwde dat als een levenswijze – waarvan de kosten lager lagen.

maandag 11 juni 2012

Master Blaster


Charles Bernstein schreef dit:

Don't Be So Sure
(Don't Be Saussure)


My cup is my cap
& my cap is my cup
When the coffee is hot
It ruins my hat
We clap and we slap
Have sup with our pap
But won't someone please
Get me a drink.


Niet te doen, zoals ze in Vlaanderen zeggen.

Da’s niet niets zunne
(Da’s niet Nietzsche)


Mijn mok is mijn mik
& mijn mik is mijn mok
Als de koffie warm is
Kraakt hij m’n darmnis
We plakken en plukken
Temmen kak tot drukken
Maar kan iemand niet
Wat te leuten halen.

dinsdag 15 mei 2012

Het onvoltooide: een uitnodiging


Beste bezoeker van deze blog,

Dikke miserie, ik zeg het maar eerlijk. Bij Poetry International ontstond een klein jaar geleden het plan een festival te wijden aan het onvoltooide. Het leek mij handig ideeën daarover eerst een beetje te inventariseren.
Het was een heerlijke onderneming, waarnaar ik steeds kon terugkeren. Denken en lezen werd een gelegitimeerd hobbyisme, en door er aantekeningen over te maken rolde er een soort rode draad uit die wel steeds moest worden verlegd en uitgetrokken. Op een gegeven moment gaat de lol daar een beetje van af, zeker wanneer de indruk rijst dat die draad zich om mij aan het winden is.
Hoewel ik van nature, al zeg ik het zelf, ijskonijnerig ben tegenover deadlines, miste ik de ene na de andere. Buiten mijn schuld, leek het, omdat het bestuderen van de ene tekst een andere in het vooruitzicht stelde. Complicaties vlogen me om de oren. Ik kon me identificeren met de gourmande die bijna dag en nacht haar fietshelm wil ophouden. Maar aldus uitgedost rent ze nu zelfs achter zeepsopbellen aan.
Het is welletjes, ik kap d’r mee, van mijn erf, enz. Mijn voorlopige bevindingen zijn hier op mijn digitale archief te vinden. U bent bij dezen welkom mijn voorlopige overzicht van het onvoltooide door correcties en suggesties in de comments bij dit bericht naar een goed einde te voeren. Ik zal de namen van eventuele medewerkers, tenzij ze niet met mij willen worden geassocieerd, onder aan de verbeterde versie vermelden.
Momenteel, in een eerste openbare versie dus, telt de tekst ruim 20.000 woorden. Zelfs voor mijn doen is hij namedroppend, dus nuances zouden op prijs worden gesteld.
Kan ik mijn uitnodiging ook aanbevelen uit eigen ervaring? De materie dunkt me enerzijds een fijn gekwadrateerde naturel dat van onvoltooide kunstwerken waarlijk hoogstandjes kan maken. Anderzijds heersten er banale noties van, die vervaarlijk neigen naar snobisme. Het meest interessant vond ik het om het onvoltooide door te denken naar een maatschappelijke toepassing, wat historisch gezien weinig monter stemt, maar het einde geeft hoop.
Alvast heel bedankt voor de medewerking.

marc

woensdag 9 mei 2012

Oude ambachten

Ooit vroeg Francis Ponge – op wat voor moment is misschien juist de kwestie: ‘En wat is denken anders dan je gedachten zoeken?’ De persoon die ik ben begrijpt dat niet en bewaart zo’n citaat dan, met de vage intentie er een ingang toe te vinden.
Afgelopen maandag zag ik die, in de kop van het bericht ‘Belg presenteert Zomergasten’. En daar begon mijn brein nog meer te zoeken. Dat gebeurde in een sessiesfeer en dit was het resultaat:

Pinpas berooft twee voorbijgangers
Tapir bereidt lasagne
Van der Borgt alsnog in EK-selectie
Barbertje had helemaal geen lusje
Satan heeft nieuwe hobby
Zon dreigt met vertrek naar Bahama’s
Olifant valt in eigen neusgat
IQ onbeheerd achtergelaten op A12

Ik doel met deze voorbeelden natuurlijk op de legendarische andere blik, die in mijn vak als vanzelfsprekend aan goede poëzie verbonden wordt. Maar wat betekent zoiets? Ik meen dat niet zozeer de verwoording als wel de opgeroepen wereld voor een doorbraak zorgt. Ponge’s ‘gedachten zoeken’ kan neerkomen op het verscheuren van een vlies dat vertrouwde data bijeen bleek te houden.
Als je het tenminste goed doet (met middelen als ‘durven loslaten’, die in verband worden gebracht met het zogenaamd tegenovergestelde, voelen).
Door echt te denken zou men telkens onderhevig raken aan wat heet een paradigmawisseling. Het persoonlijke frame, nog zo’n term, moet lichtelijk rigoureus worden bijgewerkt. Telkens het slot van The Truman Show. Een wereld die bij echt denken steeds werkelijker wordt of juist onwerkelijker?
Mijn tekstje tot nu toe overgelezen. Een stapel vergelijkingen! En dat terwijl er alledaags kan worden ervaren, niet eens geïllustreerd, wat ik beoog. Het taalkundig genie heeft sinds een paar weken de indruk dat er niet op de hele aarde Nederlands wordt gesproken. Bij nogal wat woorden vraagt ze nu hoe ze in het Engels luiden en, een examenopgave voor een Hollander, in het Frans.
Ook kon ze al heel aardig tellen, zonder dat mij precies duidelijk was tot hoeveel. Tot ergens midden in de dertig, bleek. Wat er is gebeurd dat ze vermoedde dat er meer is, weet ik niet. Maar op schoot heeft ze doorgeteld. Ik moest alleen telkens de naam van het nieuwe tiental noemen, en dan ging ze verder. En zo bereikten we honderd. Ze was stomverbaasd, denk ik.

vrijdag 4 mei 2012

Tot slot nog dit

Het parcours dat Helmut Lotti door de instituties heeft afgelegd, bewijst dat zowel Heijne als ik uiteindelijk ridders van de droevige figuur zijn bij het vaststellen van de status van Ben Crabbé, van oorsprong drummer. Bij Lotti pikte ik in na een geestig verhaal over koffie, toen hij verkering kreeg met een literair journaliste. Maar haar krant verdrong mijn lach bij een artikel met de scoop dat Lotti een heel slimme man was. Niet alleen bleek dat uniek nieuws voor een charmezanger, het waren derden die hun visie op Lotti etaleerden zonder dat deze een woord hoefde uit te brengen.
Even ambivalent verging het Lotti daarna. Hij mocht op de opiniepagina afscheid nemen van de roddeljournalistiek én kon zijn nieuwe geliefde prime time in een televisieprogramma voor bon ton en aanverwanten op een oude naaktfoto bewonderen. Vergeleken bij voorlopers als recensent en essayist is ook haar functie delicaat, terwijl ze in de praktijk het rijk voor zich alleen heeft gekregen. In de teneur dat iets generalistisch moet zijn voor een breed publiek, ontmoet ze haar geliefde. Lotti uit inmiddels, naar verluidt met verve, tot in verantwoorde kringen zijn passie voor poëzie.
Het lollige is natuurlijk dat die in- en uitsluitingen tegelijk tijdgebonden zijn, net als de kritiek erop. En zo fluctueert de opvatting over wat respectabel of barbaars is als een aandelenbeurs. Tot de negentiende eeuw, laat Richard Sennett in The Fall of Public Man zien, was het de gewoonste zaak van de wereld dat theaterpubliek uit volle borst meedeed bij een voorstelling, zoals bij Lotti gebeurt (en in de dan symbolisch ogende arena van het Antwerpse Sportpaleis waar Night of The Proms gehouden wordt). Of het zetje van de geliefde nu oorzaak of gevolg is geweest voor al zijn zogenaamd verborgen kwaliteiten, de charmezanger gaat een tweede leven in met een vooralsnog duistere domesticatiefactor.
Wordt het heden dus telkens aangepast? Terugblikken op tien jaar na Fortuyn of een jaar na Bin Laden doen vermoeden dat vanuit de actualiteit – vanzelfsprekend politieke – voorwaarden geschapen worden die juist het verleden veranderen. Dat geschiedt nu wel wat sneller terwijl de hete hangijzers al jaren dezelfde zijn. Zoals de reductio ad Hitlerum, sinds Fortuyn aan ‘het populisme’ gelinkt. De variant hierop van het racisme, dat Ben Crabbé toebedeeld werd, is dezer dagen wat lauw, vermoedelijk doordat het lang is uitgesproken door mensen die nu in de touwen hangen. Het andere hangijzer van dienst blonk namelijk bij de commotie over een studie naar de literaire kritiek (die in de tweede druk mooi een appendix kan bijvoegen over haar eigen receptie). Inzake een plagiaat dat Elsbeth Etty gepleegd zou hebben, werd in de berichtgeving vermeld dat ze ooit bij De Waarheid zat. Vanuit het heden een krachtig detail: communisten deugen niet, dus Etty zal fout geweest zijn!
Voor Lotti lijkt hoe dan ook de artistieke elite veroverd. Heel de elite? Nee, een kleine factie bleef hardnekkig weerstand bieden en stelde Lotti’s deelname aan het notoire bluesfestival in Peer ter discussie. Toen was het de chef cultuur persoonlijk die, op de dag dat Joost Vandecasteele een trap na gaf aan Crabbé, zulk purisme per opiniestuk in de ban deed. Lotti had lang genoeg het ‘boetekleed aangetrokken’, heette het, en had het besef gekregen dat hij ‘iets eigens’ zou moeten doen ‘om een groter gevoel van eigenwaarde te krijgen’. Als klap op de vuurpijl was hét teken voor de gewonnen deugdzaamheid ‘dat Lotti niet komt als zichzelf’, maar als zanger bij een band van een gerenommeerde bluesgitarist die heus wel wist wat hij deed.
Een schrijnender voorbeeld zou ik niet gauw weten van Alain Badious ‘motto van de geciviliseerde veroveraar: “Word zoals ik, dan zal ik je verschil respecteren”.’ Brutaal dunkt me bovendien dat voor het binnentrekken in de eigen gelederen de autoriteit wordt uitbesteed. Hoe ook, indien een definitief oordeel over het rechtdoen aan Ben Crabbé zou moeten worden uitgesproken, dan bewijst de casus-Lotti dat zowel Heijne als ik in de rondte moeten blijven praten.
Gaat dit exclusief op voor Belgie, zoals antropologieën uit dat excentrieke Nederland graag willen? In zijn mooie boek Het aanzien van de politiek. Geschiedenis van een functionele fictie constateert Remieg Aerts dat de oude elites dan wel hebben afgedaan, en nog wel wat meer volgens mij, maar dat er, ook door internet (‘een zeer drukke publieke ruimte die vooral expressief gebruikt wordt’), nog steeds allerhande machtscircuits bestaan. Hiërarchieën zijn onuitroeibaar en komen tegemoet aan een behoefte. De samenleving erkent openlijk nieuwe statuselites, zegt Aerts, op basis van welstand, bekendheid, succes en macht.
Ondanks al het democratiserende, is de acceptatie van iets dat ‘kwaliteit’ zal blijven heten nog immer afhankelijk van afspraken, van efemere conventies. En van beroepsdeformatie, besefte ik bij een keten van lichaamsverzorgingsproducten, waar spul voor de gourmande moest worden ingekocht en het taalkundig genie mee op verkenning ging voor zoetige gezondheden voor tong en verhemelte.
Als rechtgeaard vader wachtend voor de ingang viel mijn oog op een affiche, waarvan het woordbeeld onmiddellijk de poëziemaniak in mij wakker riep. Gewend als ik ben dat er ook weer niet bijster veel tegemoetkomt aan mijn smaak, snapte ik pas bij de tweede regel in het derde couplet dat er iets niet klopte. Er zijn vervolgens altijd objectieve criteria, zoals een viervoudige alliteratie in de regel daarna, om een soort vonnis te vellen dat Ben Crabbé moet hebben gevoeld:

Kijk, dit gaat over jou
Jij. Je prachtige zelf.

Jij. Op je vrije dag, je geluksdag
of in de waan van alledag
Met een roze bril, rode koontjes
of zomaar een blauwe maandag.

Welke dag het ook is. Wij doen er alles aan
om jou het maximale uit jezelf te laten halen
Uit je lokken, je lippen, je lijf en je looks.
We begrijpen je en helpen je waar we kunnen.
Want bij ons draait het om jou.
Elke dag weer.