vrijdag 14 januari 2011

Spelletje


Mocht Herman Melville gelijk hebben dat het verstandelijke tot het zuiver onstoffelijke slechts in een soort lichamelijke verhouding staat, dan kan ik reacties op De allerslimste mens ter wereld beter plaatsen: ik krijg er jeuk van. Dat zal, voor zover mijn praktijkje het etiket ‘dichter’ toelaat, niet uit de fameuze verwondering zijn, maar domweg uit verbijstering.
Wat begon met paginalange interviews en voorschouwingen op deze quiz, die door de week het Vlaamse televisienet opluistert, is neergeslagen in dagelijkse reportages en tussenstanden, inclusief citaten en fragmenten. Vaste prik. Toch lijkt het dit jaar een graadje erger. Er blijkt gelekt over nog uit te zenden rondes, waarvan de uitslagen via YouTube te vernemen zijn. Spionage, breaking news? En natuurlijk is er het Europese duurrecords brekende decor van de regeringsformatie, dat werkgelegenheid biedt aan commentaarbouwers (is mijn mening). Wie derhalve gist naar motieven van de journalistiek snapt dat enige deelnemers om oplossingen gevraagd werd op de opiniepagina.
Of was het toch een beetje raar dat zij zichzelf zo serieus namen dat ze op die heilige plaats een antwoord gaven? Misschien gingen ze mee in the flow, want omdat Bart De Wever ook aan De allerslimste mens meedeed kon de combinatie spel-politiek expliciet gemaakt worden: de reden en gepastheid van zijn deelname, van zijn uitschakeling… De duidingsindustrie reikte tot in Amerika. O tempora o donuts. Naar verluidt werd De Wever zelfs vergeleken met Nero die voor zijn ogen Rome met genoegen zag afbranden. Maar als ik me Asterix goed herinner, was dit een canard (en at Nero geen frieten).
Aardig en vermakelijk spelletje, daar niet van. De paar keer dat ik De allerslimste mens zag vond ik het programma althans professioneel en innemend gepresenteerd, met soms snedige kanttekeningen van de jury, en leuke en niet altijd te volgen wetenswaardigheden enz. Niets aan de hand dus, behalve dan dat er na een haatcampagne vorig jaar op een Facebook tegen een deelneemster, weer zo’n pagina blijkt opgericht vanwege een deelneemster wier ‘stomme en belachelijke lach’ het programma zou ‘verkloten’. Bij dat protest hebben zich meer dan 10.000 mensen aangesloten. De normaalste zaak van de wereld kennelijk, ook dat een vrouw het object is geloof ik, en ieder zijn eigen hobby’s en meningen, maar: waar gaat dit eigenlijk over?
Juist deze week lijkt dat een onmogelijke vraag. Verbluffend snel na de aanslag in Tucson begonnen de verklaringen en profielen van de schutter over elkaar heen te buitelen. De start eigenlijk van ook een erg populair spel: het uitvergroten, psychologiseren en generaliseren. Ik weet niet, wanneer ik met dergelijke zekerheden om de oren geslagen wordt – het lezen doet in melvilliaanse zin pijn – wordt alles te veel. Welk onderwerp ook, de wereld raakt muurvast.
Plus: ik weet me een leek. Hetgeen mij in de aanslag als onderneming het meest ontzet, is de proclamatie vooraf op het internet. Deze publieke biecht die bovendien vaak neerkomt op een vrijpleiten van zichzelf en een inbeschuldigingstelling van het universum, blijkt geen noviteit bij zulke moorden. Zodat mijn aandacht verschuift: wat is dit voor een medium (vraag ik op dat medium)? En dan los van toegangsperikelen en observaties dat het web vooralsnog heel anders is geworden dan bedoeld, wat middeleeuwser ook.
In hun pamflet Aanslag op de vrijheid schetsen Trojanow & Zeh een naargeestig, bedreigend beeld van internet. Het betreft dan het medium als controlemiddel, maar om te laten zien van wat stippen de auteurs enige breed toegepaste gewoontes aan: het plaatsen van privé-films en -foto’s op sociale netwerken, ontboezemingen op fora… Dit wijd verbreide type gebruiker, stellen Trojanow & Zeh, vindt zichzelf bijzonder interessant en wil de wereld niets daarvan onthouden. Zij noemen hem een ‘onderdaan’.
Dit zal een verwijzing wezen naar Heinrich Manns roman uit 1914, waar één eigenschap, die surfers bekend voor zal komen, boven alles uittorent: schier permanente woede. Natuurlijk is er meer, maar dan moet ik eerst even het schuim van mijn lippen vegen. In een toespraak voor de rechtbank geeft de advocaat van de tegenpartij een adequate en, vrees ik, actuele beschrijving van de bedoelde onderdaan, dr. Diederich Hessling: afhankelijk van zijn omgeving en mogelijkheden, dus ofwel moedeloos of zelfbewust, praalziek en belust op effect, vijandscheppend, hoewel zacht en vreedzaam van nature hard en onderdrukkend, schreeuwerig, insolide, verlangend naar offers buiten zichzelf.
Blijf de spiegel buiten handbereik houden en noem nu nog vijf kenmerken.
Bij De allerslimste mens heb ik De Wever eenmaal bezig gezien. Het schoot hem even niet te binnen wie in Paul van Ostaijens gedicht ’s morgens de dingen groet. Uiteindelijk kwam hij op de proppen met ‘Jan’. Zelf zag ik na een stief weekje piekeren het licht: De Wever is een Hollander! Hij hing bij een (zeldzaam) gebrek aan parate kennis namelijk niet tegen de juiste naam aan door assonantie, maar putte uit een collectief geheugen. En dat serveerde ‘Jantje zag eens pruimen hangen’, van Hieronymus van Alphen. Door de spelwijze van het juiste antwoord vertolkte de redactie van het spelletjesprogramma overigens een even ideologisch standpunt: ‘Mark’.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen