zondag 1 oktober 2017

Gendertender




1.
Dit weekend leerde ik het woord mancave. Het blijkt een ruimte waarin een man zich terugtrekt om de dingen te doen die hij graag doet. Volgens de vakliteratuur gaat het vaak om een garage of zolder, of letterlijk een kelder annex hol, maar een stadsgenoot biedt nu een mobiele versie te huur aan.
Daarvoor had hij een caravan omgebouwd.
De ondernemer was begonnen met typische cadeautjes ‘in houten kratten die je met een koevoet moet openbreken’, maar de mancave op wielen brengt ‘de ultieme mannendroom’ pas echt tot vervulling. Er staat een bar in, een televisie met Netflix, een muziekinstallatie met dj-mengpaneel en verder nog wat authentiek belevingsmateriaal dat mij onbekend is (‘een beerpongtafel’).
Volgens mij is het de bedoeling dat de huurder van dat ding bezoek krijgt van geslachtsgenoten.
Ontroerend vind ik dat de aanleiding autobiografisch was. De stadsgenoot had de edele kunst van het wonen aangeleerd als vrijgezel. Toen was hij getrouwd geraakt en vader geworden –en drong tot hem door ‘dat de frisse pintjes in de koelkast hadden plaatsgemaakt voor verse groenten’.
Mij blijft onduidelijk hoe het verzamelde manvolk aan eten gaat komen. Pizza’s bestellen? Op de foto waren achter de mancave bomen te zien. Echte mannen gaan natuurlijk jagen!
In deze tijd van het jaar ligt het voor de hand kastanjes te rapen. Eventjes wassen, aansnijden, laten koken, pellen, weer koken, opromen – binnen een uur of vier een godenmaal dat de oermens in de cultuurmens wakker kan roepen.


2.
Ook dit weekend hoorde ik een ouder woord dat mij pas in derde à vijfde instantie daagde.
Van een afstandje praatte een vrouw over een feest rond ‘wedlook’. Ze bedoelde volgens mij een wedloop – heel populair hier, mede voor het goede doel – maar dat leek bij nader toehoren minder waarschijnlijk.
Ook kwam er cava aan te pas. Iets culinairs dus, temeer daar knoflook in België kortweg met look wordt aangeduid?
Helemaal een scherp beeld kreeg ik uiteindelijk niet van het evenement, tot ik besefte dat in België Engelse woorden uitgesproken worden zoals je ze schrijft. (Om niet definitief voor snob te worden versleten, zeg je dus beter niet dat je met de trem gaat of op een tendum rijdt).
Toen snapte ik wat voor een feest het moest zijn. Zo vrouwelijk als de menkeef mannelijk heet? Had ik iets verdrongen, naughty you? Uitgerekend in de week dat Hugh Hefner overleed, wat een kleine zondvloed aan obituary’s, herinneringen en cultuurduiding had aangericht.
De d moest een t zijn: wet look.
Goed dat er internet is voor de laatste controle. Het feestje van de vrouw betrof een recent soort kapsels.
De met de minuut ongeslachtelijker wordende kern in mij kent nu wel nog altijd niet het jargon voor de ietwat marginale feestjes waartoe mijn semantische scan had geleid. Voor zover ik het begreep kwamen daar niet noodzakelijk pintjes bij te pas, wel lauw water.


3.
Over de exacte beheerder van een fantasie, laat staan de verdeling ervan over de geslachten m/v/x, bestaat in de literatuurwetenschap geen consensus. Ooit hoorde ik tijdens een promotieplechtigheid annex doctoraatsverdediging beweren dat Olga, de vrouwelijke hoofdfiguur in Wolkers’ Turks fruit, in haar relatie de baas was omdat ze tegen haar minnaar had gezegd: ‘Nou moet je me keihard en heel regelmatig neuken.’
Aangezien zowel die minnaar als de auteur mannen waren leek mij dat deze observatie over de machtsverhoudingen nogal tendentieus was.
De observant op de plechtigheid was trouwens ook mannelijk.
En het vervolg van dat beroemde citaat blijkt: ‘(Zo gezegd, zo gedaan.)’ Dat mag übermannelijk heten. Die haakjes!


4. 
Scharlaken is de wonde van de huurling

Het zijn andere woorden die ik, niet hoorbaar
Na de nederlaag, bij de koude slaap van iemand leg.

Ik denk barbaars, zoals jarige koningen in de haat
Aan je bloed dat nader kwam met romeinse leugen
En draag bitter om je mond het slib vandaag,
Het vreselijk zonlicht van je hoofdletters.

De gipsaarde herinner ik me, de breuksporen
Van een gewonde rat, en voel kaak mijn woord
De zware veerschakel van een wantrouwig gebed.
Ben ik het niet gevaarlijk jachttuig, met aders
Onkruid in mijn buikvol hopen, onbeweeglijk
Of geworden, verkocht in bleke ogen.

Zal heel ver met het kransschuim van de kreeft
De soms zachte tong der werkelijkheid dwalen,
Op wat aanwezig na het beeld, de vorm neemt
Van nieuwe geslachten waarvan verdienste werd
Wat steden in elke eed tot buigzame bloemen maakte.
Met winters en donkere zomers, de schaamte het wachten
Nadien, de onbewaakte terreur die ouderdom schiep
En reeds met de witmens waarachtig in ijzig alfabet leeft.

Hughues C. Pernath 

zondag 24 september 2017

Enz. enz.




Mijn maag keert om. Kan de AfD, naar valt te vrezen de derde partij van Duitsland, een gemeenschap gezond krijgen als ze nu al voorspelt Angela Merkel te gaan ‘opjagen’? Hashtag dinges?
Laten die lui eventjes wegkijken van de rats, kuch en bonen (bij geestverwante organisaties blijkt couscous al reuze controversieel) en de blik richten op België. Daar zette, twintig jaar na de vorige, de nieuwe voedingsdriehoek het land op zijn kop. En de oude driehoek letterlijk trouwens ook, maar dat is kinderspel voor mensen die voetbalanalyses volgen.


Veel, zo niet alles, draait eindelijk om groenten. De reacties waren dan ook aan de gekruide kant. Een of andere bond van vleesverwerkers lanceerde het schitterende sofisme: ‘Alsof een boterham met hesp hetzelfde is als een zak snoep’. Die logica laat een verschiet voor een stronk broccoli, dat net niet geopend wordt.
Toch snap ik als bijna-vegetariër (vakterm: flexitariër) de onrust wel een beetje. Vlees moet een voorsprong hebben gekend die nu nogal griezelig wordt gefixeerd in ‘een rijke Vlaamse eetcultuur’.
Vrij in het begin van de roman Pallieter staat een feestmenu beschreven waarvan, na de soep, alleen het eerste onderdeel vis bevat: tarbot met aardappelen, hesp met laboonen, kalfsgebraad met aspergiën, kempisch kieken met salaad, een heel speenvarken, honderd meters worst met witte kool. Even later zijn er jonge duiven met kriekenspijs, looze vinken met bloemkool, ‘enz. enz.’.
Zwaai dan maar eens vrolijk met je bos radijsjes.
Feit dunkt me immers ook dat in dezelfde, toch alweer wat langere tijd dat pleidooien voor minder vleesconsumptie mainstream werden, fenomenen opgeld deden als de sparerib, de Argentijnse biefstuk van een halve kilo p.p., de verantwoorde hamburger,… (en de tattoo, maar die correlatie is puur persoonlijk).
Wil men niet weten wat men best weet? Ook precies deze afgelopen week begreep Nederland onmatig te snoepen van de alcohol. Plus dat het meest compromisvolle fruit denkbaar, de banaan, op de aftocht blijkt.
Of had het een andere reden dat, nog altijd in dezelfde week, een Michelin-chef plots al zijn drie sterren inleverde? Zijn eten en drinken ten prooi gevallen aan een identiteitscrisis?
In waarschijnlijk het meest geborneerde gedicht uit de Nederlandse poëzie, over de verzenbakker Piet Pluimers, tracht deze aan te sluiten bij experimentele mode met deze strofe:

ik drijf spelden van wanhoop
in de huid van je
grutten wezenloos
woezie woezie 17 en
klaan uit klukhaar versuikeren
bleke bliezen in schedels met spuigaten
vol blauw gehakt

Dit is, voor de goede orde, spot. Ook met bijvoorbeeld essayist Paul Rodenko die experimentele poëzie bewonderenswaardig kon uitleggen.
Nu gaat het me even om dat slotbeeld van het blauw gehakt. De oer-Hollandse stem in dit gedicht zegt: overdreven, die poëzie, het vlees heeft nu een kleur uit onze nationale vlag en zit daarom in spuigaten, het gaat te ver. Van gehakt moet dichters afblijven, als ze het niet willen bakken (op woensdag?).
Ook dat versuikeren lijkt op een verdacht alchemistisch proces, dat iets raakt waarvan het af moet blijven opdat grutten niet echt wezenloos worden.
Ten minste heb ik de indruk dat ongezondheid diep in onze cultuur door is gedrongen. Wanneer de roman De literaire kring van Marjolijn Februari begint met de zin ‘De suikerpot viel van tafel’, dan verwacht ik althans een tragedie. Buiten die mogelijk te persoonlijke overtuiging, weet ik (uit films) dat geliefdes sugar of sweetie of honey genoemd kunnen worden. En in België, schijnbaar galanter: zoetje.
Ik zou het beter anders formuleren: is groente sexy? Er schijnen verkiezingen te zijn voor best beroemde vegetariërs die dat moeten beamen. Dan nog blijft het de vraag of dit is doorgesijpeld in het bewustzijn.
Oer-Hollands vind ik bijvoorbeeld de volgende pastiche op Gorter, waarmee Ingmar Heytze niet eens de enige was:

Hoor eens ik haat je,
ik schreef dat je lief was en licht –
en nog wat onzin over je gezicht
maar nu haat ik je, god wat haat ik je.

Die neus, dat hoofd, die paardenbek,
die ogen en die gierennek
dat kraagje en dat bloemkooloor
met al je slierten er voor.

Hoor eens ik wou graag zijn
jou, maar het kon niet zijn,
het licht is uit, ik zie je alsnog
zoals je werkelijk bent.

O ja, ik haat je,
ik haat je zo vreselijk,
ik wou het helemaal niet zeggen –
maar ik moest het even kwijt.

Het bontst maakt Heytze het natuurlijk in het woord ‘bloemkooloor’. Een belediging voor deze sympathieke groente, die hooguit deernis en solidariteit wil uitdrukken met in de strijd gehavende boksers en judoka’s.


Maar het in het gedicht gehanteerde procedé van debunking, het alsnog zien ‘zoals je werkelijk bent’, heeft voor concreet gedrag slechts defaitisme in petto. Toevallig las ik afgelopen week eveneens een Nederlands artikel over peperdure en futiele afvalscheiding. Gelukkig was de boodschap van geraadpleegde deskundigen monter.
Mochten ze hun opwachting kunnen maken in België! De resultaten van De Week Tegen Het Sluikstorten hebben weinig optimistisch gestemd.
Daarom vond ik het des te interessanter dat de lancering van de voedingsdriehoek gepaard ging met een algemeen advies: beweeg! Dat legt het accent immers op de context of, zoals sommigen zeggen,  het brede plaatje.
Zo’n advies zou mogen worden ‘geflankeerd’ (beleidsterm) door boetes voor wel erg diep ingesleten nodeloze gewoontes. Voor pakweg autogebruik naar een bakker die binnen een straal van 1 km zit. Of voor het vragen naar een plastic zakje.
Met dat laatste ben ik terug bij het afval. Terwijl ik eigenlijk wilde afsluiten met iets over de politieke actualiteit en toekomst in Duitsland. Maar ik kan het toch niet zeggen.


zondag 17 september 2017

Opkuisen / schoonvegen




Ik geloof niet dat ‘in het oog van de storm staan’ de laatste weken een erg gelukkige vergelijking is, maar Theo Francken, staatssecretaris voor Asiel en Migratie, flikte het ‘m weer. In een Facebookpost bleek hij de aanhouding van vermeende illegalen te hebben samengevat als #opkuisen.
Vanzelfsprekend kwam daar protest tegen, eveneens op sociale media. In dat soort termen praat je niet over mensen, was de teneur. Vervolgens facebookte Francken dat hij slechts problemen had opgekuist, wegens immense puinhopen van links.
Toch schrapte hij in een repetitio op Twitter van zijn oorspronkelijke verklaring de hashtag – en pleitte dus schuldig.
Naar mijn gevoel, maar ik ben geen Vlaming, kun je problemen niet eens opkuisen. Wel oplossen, zij het niet in bleekwater. Volgens Van Dale heeft opkuisen als tweede betekenis opeten. Kannibaliseert Francken dus zijn problematiek?!
De kwalificatie ‘puinhopen’ voor het beleid van andersdenkenden lijkt me alvast niet willekeurig. Pim Fortuyn had een uitgesproken mening over migratie en publiceerde in 2002, vlak voor zijn dood, het boek De puinhopen van acht jaar Paars.
Vanuit tegenovergesteld perspectief heeft opkuisen een weinig aanbevelenswaard semantisch veld. Ik doe een greep: oorlog als enige hygiëne (Marinetti), gaskamers die als douches ingericht waren, De Gucht die Vlaams Belangers vergeleek met mestkevers
Toch vind ik het bizar dat er in het Noord-Nederlands een sterk gelijkende variant bestaat in de zin die Francken wel degelijk op het oog leek te hebben: schoonvegen. Hierbij geeft mijn geheugen als historisch feit dat in de protestjaren langharig werkschuw tuig, hippies enz. op genoemde wijze van De Dam werden verwijderd door mariniers.
Waterkanonnen kwamen daar niet aan te pas.
Ik nam de proef op de som, door op Google een standaardzegswijze uit mijn Hollandse jaren in te geven: "veegde het plein schoon".
Dat leverde ongeveer 120 resultaten op, met als subject van het zinnetje bijna uitsluitend ‘De politie’ of ‘De ME’ en als object mensen. En inderdaad was werkterrein en gebruik van die taal exclusief Noord-Nederlands.
Ik moet dan twee bijzondere vermeldingen doen:

-        -   NRC gebruikte in 1997 aanhalingstekens bij een artikel over drugsoverlast in Groningen: ‘De politie “veegde” het plein schoon en hield enkele dealers aan.’ Ofwel de auteur ofwel de eindredacteur had kennelijk moeite met de gesuggereerde normaliteit van het idee, waar mogelijk wel waterkannonnen aan te pas waren gekomen.
-        -   Alleen De Standaard heeft de uitdrukking éénmaal toegepast, in een artikel over de macht van president Loekatsjenko in Wit-Rusland, wiens verdachte verkiezingsoverwinning in 2006 tot protest op de straten had geleid: De politie veegde het plein schoon en arresteerde de oppositieleden. Auteur was Floris Akkerman, een Nederlandse correspondent.

Volgens Van Dale heeft ook schoonvegen een tweede betekenis: zich van blaam trachten te zuiveren. Misschien een tip voor Francken, als hij zijn Facebookposts en tweet nogmaals zou willen herzien?
Hoe dan ook is het mij een raadsel waarom politici zo gretig optreden op sociale media, indien het hun doel is een grotere aanhang te krijgen. Ze worden er wel menselijker van, met hun vreugdeloos gekissebis. Maar dat is mijn mening, vanaf een weblog.


Naschrift
Bart De Wever, tot nader order Franckens baas bij de N-VA, nam in september 2018 het woord ‘opkuisen’ in de mond na de ophefmakende documentaire over de rechtsextremistische Schild & Vrienden, van wie sommige leden ook tot jong N-VA behoorden. Vanuit de Vlaams-nationalistische website Doorbraak kwam vervolgens het voorstel de hashtag #opkuisen voor ‘uitwassen’ bij elke politieke gezindte te gebruiken.

woensdag 13 september 2017

De dunne scheidslijn




Onlangs werd een advertentie bekroond waarop Charles Michel, premier van België, was gefotografeerd in zwembroek. Wel verzekerde het begeleidende artikel dat het lichaam onder het hoofd uit Photoshopland kwam.
Zou Michels Nederlandse collega ook al eens die eer te beurt zijn gevallen? Voor mij verifieerbaar is dat Mark Rutte tot op heden in minstens twee gedichten figureert.
Het eerste, uit 2014, was van de hand van K. Michel (geen familie) en stond in De Gids. Het gaat uit van de marathonachtige vrolijkheid van de premier, die volgens insiders binnenskamers niet volgehouden wordt:

De lach van Rutte

En dan op een dag
– een doodgewone doordeweekse dag
tijdens een normale niets aan de hand persconferentie
zo rond een uur of vier –
na al dat jarenlange glimlachen
grinniken, giechelen, grijnzen
gniffelen, ginnegappen, grapjurken
lachebekken, proesten, schateren, dijenkletsen
dubbelklappend naar adem happen
schatert de premier het zó luid uit, zó breed en
gul en gretig, extatisch en spastisch
zó open en vol overgave
dat zijn lach letterlijk van zijn gezicht spat
en op de grond smakt

om daar enkele seconden verdwaasd
beduusd tot zichzelf te komen
'wah... wah... wie...'
om dan versuft maar vrij overeind te krabbelen
en het op een lopen te zetten
ja in blinde paniek alsof zijn leven ervan afhangt
de benen te nemen
weg, weg van hier de vrijheid tegemoet

weg van hem die verbaasd verbijsterd
half over het katheder hangt zijn gezicht
verfomfaaid zijn mond een slappe cheeseburger

terwijl alle journalisten zich als één man afwenden
'wat?' 'wat?' 'waar?'
en naar buiten stormen zwaaiend met hun microfoons
'volg die lach'
camera's flitsen, deuren klapperen....

de geluidsinstallatie bromt
de airconditioning ruist
stofjes stofjes in het spotlicht
en het rumoerige hoeftrappelende geluid
dat traag in de verte wegsterft

Destijds raakte ik er weinig enthousiast van. Heden verandert niets aan mijn dufheid. Die één-na-laatste strofe! Ik kan alleen niet uitmaken of dit het dichtst staat bij scholierencabaret of bij een tekenfilm. Deze besluiteloosheid zal aan een sikkeneurig gevoel voor humor liggen.
Van een andere inzet is het tweede Rutte-gedicht, in Het Liegend Konijn 2016, en het is van Lucas Hirsch:

Ik dacht er bruine hemden bij

Voor Mark Rutte

Er is een bruine boosheid over ons neergedaald
Te veel meningen over te weinig feiten
maakten ons bang voor vurige pikken,
geloof dat oorlog brengt en gammele gebitten
Tongen werden gescherpt, messen geslepen,
fakkels ontbrand. Een hooivork
in het hart van Nederland geplant
Het toonde onze christelijke waarden
Liberaal zijn kent zijn grenzen,
voorspelde het weer
Ook vreemdelingen hebben recht
om te weten dat het koud is in dit kikkerland
Dat gunstige wind alleen maar waait voor hen
die onder Oranje Blanje Bleu geboren zijn
De politiek de dunne scheidslijn tussen
opportunisme en populisme bewandelt
Dat het land tolerant is tot de achtertuin
Vreemdeling voor vreemden is

In eerste instantie deinsde ik terug. Al in de titel een verwijzing naar het historische fascisme! Mij vermoeit dat. Maar aangezien ik las dat er naast een Godwin nu ook een Pim-win bestaat, heb ik de tekst niet meteen in de hoek geworpen. Ook niet toen de openingsregel wel erg prominent op Lucebert hintte. Zich meten met de keizer van het geëngageerde gedicht?
Belangrijk en lovenswaardig vind ik de poging om de politieke actualiteit te importeren naar een gedicht. Zonder als soortement antropoloog te willen spreken, mis ik namelijk een beetje die functie in poëzie. Literatuur schijnt altijd een omweg te moeten nemen, van de suggestie, de parabel of allegorie. De poëtica van de figuurlijkheid.
Mij bevalt Hirsch’ lef om door een gedicht termen als ‘christelijke waarden’ en ‘liberaal’ en ‘tolerant’ te strooien, en aan het slot het NIMBY-fenomeen letterlijk te benoemen. Ook de hooguit als cliché fungerende hooivork die in het hart van Nederland geplant wordt, vind ik aardig. En ja, als immigrant hoor ik hierin nog dat het SBS6-programma meeklinkt.
Toch zijn er twee versregels die mijn bedenkingen oproepen: ‘De politiek de dunne scheidslijn tussen / opportunisme en populisme bewandelt’. Vóór deze zin moet de lezer dat invullen, hier als middenpaneel van een poging tot retorische opwarming door een drieslag.
Mij plaagt een beeldspraakconflict. Steeds vaker wordt over een ontwikkeling of proces gezegd dat iemand ‘een weg bewandelt’. Daarnaast heet de scheidslijn – als het spreekwoordelijke ‘laagje vernis’ over de beschaving – dan wel immer dun, maar ze valt onmogelijk te bewandelen.
Officieel zouden de twee rap versteende uitdrukkingen dus moeten leiden tot: ‘De politiek op de dunne scheidslijn tussen / opportunisme en populisme wandelt’. Even grote bullshit, waarbij formeel de voorzetsels hinderen.
Zou Hirsch bewust deze botsing hebben veroorzaakt? Ik weet dat uiteraard niet. Wel vrees ik het ergste door het verwijt van populisme, dat altijd iemand anders lijkt te betreffen. En door de in het gedicht heersende wet voor hoofdletters aan het begin van een regel, had de slotzin helemaal in onderkast horen te staan. Het woord Vreemdeling is dus bewust afwijkend. En dat is vanuit de ideologie van het gedicht conventioneel (De Ander was nog erger geweest).
Ik werd aan dergelijke gemakzucht herinnerd door Chimamanda Ngozi Adichies Lieve Ijeawele of Een feministisch manifest in vijftien voorstellen. In dat mooie en nuchtere boekje, dat ik als witte man beter niet kordaat noem, haalt Adichie een heleboel overhoop.
Ze adviseert feministen bijvoorbeeld tegen een kind niet, of zelden, over ‘misogynie’ en ‘patriarchaat’ te spreken. Dat is jargon en voelt abstract aan, zegt ze. Van het eerste woord wist ik eerlijk gezegd niet dat tot het feministische instrumentarium bij de diagnosestelling hoorde, wel dat ik het altijd moeilijk vind om te spellen (net als ‘dyslexie’).
In laatste instantie wens ik Hirsch’ gedicht meer Lucebert toe. Daarmee bedoel ik ook de unieke beat en klankvirtuositeit die van diens ‘hermetische’ gedichten gelukspoppetjes maken die je met je mee kunt dragen als Michels lach van Rutte.
Poëzie als broedplaats van semantische klank? Of klank als broedplaats van semantiek? Waarom niet? Het onweerstaanbare motiefje van ‘Sex and Drugs and Rock and Roll’ haalde Ian Dury uit een bassolo van Charlie Haden.

woensdag 6 september 2017

Hoe slim ze wel waren




Recent verschenen er twee artikelen over de literatuurbranche die de somberaar uit mij opdelfden. Eerst was er een met interviewcitaten doorspekt betoog over de ondergang van fictie, daarna een duogesprek over het failliet van de traditionele uitgeverij.
In plaats van fictie zou non-fictie de harten van lezers hebben gestolen. Margot Vanderstraeten poneerde dat consumenten bij het overaanbod, waaronder fake news, in elk geval enig nut uit hun leesinvestering willen halen. Dat klinkt geloofwaardig; de observatie stond ook in het pamflet Eerlijk waar? van Anne Provoost. Wel vraag ik me af of ontspanning, wegzeilen naar andere werelden, evenzeer een factor is (of denk ik dat door mijn huidige lectuur van Harry Potter)?
Ook Jeroen Olyslaegers sprak. Zijn succesroman Wil ontleende hij aan bronnen over de collaboratie. Dit ‘waargebeurde’ verweefde Olyslaegers in een conventioneel verhaal, waarmee hij zichzelf bleek te hebben heruitgevonden. Hij nam zich voor die aanpak te handhaven.
De wending die Wil heeft gemaakt, wordt in een groter verband verklaard door uitgever Harold Polis. Volgens hem is het publiek dusdanig veranderd dat inbedding in de cultuurgeschiedenis zinloos wordt. Toespelingen blijven onopgemerkt. Zou een hele laag uit Het verdriet van België dan verpulveren? Soortgelijke simplificaties ziet Polis in het vertellen. De houdbaarheidsdatum van onbetrouwbaarheid – die Polis op jaloersmakend orakelachtige wijze aanduidt met ‘Je est un autre, weet u nog wel’ – als artistieke en kennistheoretische strategie zou verlopen zijn. Autobiografisch vertellen beantwoordt de wensen en capaciteiten van de huidige consument beter.
Wow, wat een eensluidendheid! In een reflex dacht ik al dat ze berustte op provinciale myopie (alle deskundigen kwamen uit Antwerpen). Maar het klopt dat sociale media de vorm van getuigenissen-zonder-context hebben gelegitimeerd. Toch lijkt me die survival op basis van wat dan ideologische non-fictie mag heten geen lang leven beschoren. Wanneer dit de enige literatuur is die zichtbaar blijft, wint het scherm.

Het tweede artikel was een gesprek tussen Saskia De Coster en Marnix Peeters. Om cruciale redenen hadden beide schrijvers de deur van dezelfde uitgeverij dichtgeslagen. De eerste vertrekt naar Das Mag, de tweede heeft een geavanceerd eigen beheer geregeld.
Hoewel Peeters iets van een inhoudelijk conflict zag met zijn Noord-Nederlandse redacteur, lag zijn motivatie in de publiciteitsvoering, vooral via sociale media. Traditionele uitgeverijen hadden een wereld te veroveren. Hij verweet eerdergenoemde Polis niet direct een persbericht te hebben uitgestuurd toen iTunes een van zijn romantitels censureerde.
Bij De Coster telde publieksbereik. Maar ze suggereerde vooral dat bij Das Mag de redactionele begeleiding beter is en ze vergeleek het community-gevoel dat die uitgeverij wekt met de Bloomsbury Groep rond Virginia Woolf of The Factory rond Andy Warhol.
Ik bewonder de achteloosheid waarmee iemand zich afmeet aan groten uit de geschiedenis, hoewel de interviewer, al spraken hier twee vaste medewerkers aan het medium, misschien proporties had kunnen aanbrengen. Maar dat hier serieus een poëticaal programma verondersteld wordt wil er bij mij niet in.
Ooit bestudeerde ik een literair tijdschrift van Das Mag, las een opiniestuk van de uitgever en daarna letterkundige beginselverklaringen in een anthologie – waarna me geen andere conclusie restte dan dat originaliteit, vakmanschap of visie op de wereld juist ontbreken. Ideaal om het fraaiste en het lelijkste op te projecteren.
Misschien steek ik mijn licht beter op bij een bekwame lezer: Christophe Van Gerrewey. Hij las het Dag Mag-tijdschrift ook, meticuleuzer, bovenal annoteerde hij het bekendste boek uit het fonds, met ontluisterende gevolgen voor de hardnekkigheid van de overtuiging van wat professionele uitgevers vermogen. Etaleren.
Tegelijk nam Van Gerrewey het collega-critici kwalijk hun werk niet goed te doen. Nu ligt een aantal van hen aan de ketting doordat ze bij papieren media in luttele zinnetjes merkloyaliteit moeten opbrengen, terwijl Van Gerrewey ruim 2000 woorden kreeg (van het literaire tijdschrift De Gids). Toch zijn er ook recensenten buiten loondienst. Waarom geven ze niet thuis?

zondag 3 september 2017

Het poëtisch probleem van Oranje




Waarom speelt Oranje zo ongeïnspireerd? Postinternationaal klinkende namen als Kenny Tete en Quincy Promes zijn nota bene ideaal om verwarring te zaaien in het kamp van de tegenstander. Net als John Rep zouden zij uit elk land afkomstig kunnen zijn.
Ik vrees dat de huidige compositie niet klopt.
Eerst de standaard:

Jan
Wim Arie Wim Ruud
Wim Johan Wim
John Johan Rob

Hoewel de vakliteratuur, bijvoorbeeld bij Anna Enquist, niet eensluidend is op dit punt, bewijzen hier eenlettergrepige namen wel degelijk hun nut. De verdediging krijgt er iets onverzettelijks door.
In het standaard-Oranje gaf juist de spreekwoordelijke uitzondering Arie meer cachet aan dat gevoel. Zijn bijnaam Bombarie liet doorschemeren dat niet-overtuigde tegenstanders desnoods met geweld of met het woord tegen de grond zouden gaan.
(Voor noodgevallen was er Pleun Strik.)
In de overige linies waren Johan en Johan de kloppende speerpunten, klanktechnisch per linie omringd door assonerende begaafdheden.
Vandaag de dag ligt het volkomen anders:

Jasper
Kenny Stefan Wesley Daley
Giorginio Davy Tonny
Arjen Vincent Quincy

De saaiheid op het gebied van klank, met al die wufte i’s, wordt slechts overtroffen door het metrum. Dat trocheïsme – met Giorginio als enige uitzondering op wiens schouders verantwoordelijkheid komt.
(Op de reservebank: Memphis, Marco, nog een Wesley, Bruno…. Geschorst: Kevin. Geblesseerd: Robin.)
Ik kan natuurlijk de cultuurpessimist uithangen door de huidige compositie dramatisch te noemen. Maar tegenwoordig heet een inspanning van meer dan een paar minuten episch en uiteindelijk is winst prozaïsch.
Wie constructief wil zijn, moet met oplossingen komen. Dan moet ik denken aan de band Level 42, die na een paar hits in de begintijd alweer zo’n vier decennia op tournee is. Het geweld komt er nog altijd van de bas, niet direct van de songteksten. Daarom vond ik het vorig jaar verfrissend een optreden te zien waarbij op het podium een doventolk meedeed.
Verwarring zaaien in het kamp van de tegenstander, het is mager maar het is wat.

vrijdag 1 september 2017

Hevige koortsen




Op weg naar school kwam een schroeigeur ons tegemoet. Er steeg ook wat rook op. Inderdaad was een honorabele gemeentewerker op het vroege uur onkruid in bermen aan het uitbranden. Dit gaf een weinig fijn geluid. Binnen de schoolpoort was het evenmin stil. Opgewonden stemmetjes lagen op een fond van housemuziek, waartoe een grote box naar buiten was gesleept.
Wat gaat het onderwijsjaar brengen? Opiniestukken buitelen over elkaar, al dan niet naar aanleiding van onderzoek dat kennelijk vandaag moest uitlekken. Als hoogopgeleide, taalmaniakale witte ouder begrijp ik dat mijn kinderen best goede kansen hebben.
Hoe gezond dat lezen toch is voor de spieren onzer geest. Zelfs in de vakantie werd flink geoefend. De gourmande krijgt, nu ze eenmaal lezen kan, de verhalen wel het liefst uit de mond van derden tegen wie ze zich aan vlijt – en die ze dan ook vleit.
Het taalkundig genie verslindt boeken. In twee weken las ze de complete Harry Potter (7 dln). Op ijdele momenten verbeeld ik me dat ik haar heb aangestoken, toen ze als baby op mijn buik sliep terwijl ik als jurylid prozaboeken doornam.
We lezen wel anders. Ondanks haar tempo kan ze vele details oplepelen en onderhoudt met elk personage een aparte emotionele band. Immersie, heet dat amper anglicistisch misschien wel in vaktermen. Geloof ik, die met de jaren cognitiever woorden verorber, scannend en technisch bijna.
Op die manier ontbreekt me elk legitiem weerwoord op de sponsoropzegging van een poëzieprijs:

De komende jaren richt VSBfonds zich op actief burgerschap. De huidige maatschappelijke ontwikkelingen leiden ertoe dat de verschillen tussen mensen steeds groter worden. (…) Actieve burgers kunnen een relevante bijdrage leveren aan het versterken van de maatschappelijke samenhang en sociale mobiliteit in ons land. De VSB Poëzieprijs, een prijs voor een bundel van een individu, past niet meer in deze koers.

Ontluisterend want tegensprekelijk voor het dichtgenre, en voor de traditioneel humanistische benadering van literatuur. Of zou de wens de vader van de gedachte zijn geweest? En, om bij mezelf te blijven, hoop ik alleen maar dat mijn fascinatie voor taal voortkomt uit een verlangen naar iets als een collectief waarin spreken en schrijven geen ruis verschaffen?
Ik moest ineens denken aan Pim Fortuyn, wiens Engels niet bepaald een slick willy deed vermoeden en wiens Nederlands aan de elementaire kant was: ‘Mijn gebrek aan taalgevoel duidt op een beperkt inlevingsvermogen in anderen, maar het maakt me ook compromisloos en origineel.’
Tegelijk realiseerde ik me dat ik in het verleden lachstuipen kreeg als in- en outsiders die VSB-prijs aanmerkten als ‘belangrijkste’ van de Lage Landen, maar dat ik die kwalificatie voor aapjeskijkerij en hitparadedenken nu, bij monde van de sponsor, ronduit ergerlijk vind.
Dat bij de doorstart, zoals men dat ook ter zake zo fijnzinnig benoemt, een blad annex kanaal voor het hele spectrum worde opgericht, buiten het copy- and pastewezen om.

vrijdag 25 augustus 2017

Recente literatuur?




In het bibliotheekwezen is een term opgedoken met atletische dimensies die Ajax goed had kunnen gebruiken: Sprinters. Het gaat geloof ik om nieuwe titels waarvoor veel belangstelling is en die daarom slechts eenmalig, mogelijk zelfs in ruil voor steek- en zitpenningen, kunnen worden geleend.
Ik ontwaar terzijde van, of misschien wel parallel aan, deze ontwikkeling een spectaculaire toename van zelf aangebrachte stickertjes op  het recent uitgebrachte boek. Ze vermelden het jaar van verschijnen.
In een afgelegen bibliotheekje zag ik het gevolg op termijn. Het grootste deel van de beschikbare titels had op de rug zo’n etiket, vanaf 2010.
Ten eerste legde dat de nadruk op het zogenaamd actuele (‘moet je hebben gelezen om mee te praten over’, de consumententipbijlagetaal) waar bibliotheken, als cultureel geheugen en correctie op de markt, niet direct voor bedoeld zijn. Ten tweede werd voelbaar dat er steeds meer vernietigd moet worden om het aanbod constant te houden.
Doordraaien heet dat, in plaats van doorlopen.
Tegelijk blijkt de bibliotheek op zichzelf een afzetmarkt te zijn geworden voor boekwinkels in nood, die niet exclusief op coffee corners kunnen teren.

Enfin, nog een hele intro voor de aankondiging dat simultaan met dit bericht een essaytje op mijn archiefblog is verschenen over een traag boek dat ik vorig jaar uit de bibliotheek haalde als zijnde splinternieuw. Ik refereerde er onlangs al aan, in een triumviraat van linksbespottende titels door bekeerlingen.
Over dat boek, Kind van de verzorgingsstaat van Rob van Essen, valt wel wat meer te zeggen. Dat heb ik vorig jaar meteen proberen te doen. En nu ik het nalees weet ik er bar weinig aan toe te voegen, dus hupsakee maar.
Wel eindigt mijn essaytje met een vraag. Wie er stomtoevallig een antwoord op weet, mag het altijd onder deze posting geven.
Dankuwel, amen, vogels, bloemen

donderdag 17 augustus 2017

Streepjes hier en daar




Exact een jaar geleden voltooide Wessel te Gussinklo De Weergekeerde Bloem. Zo leert althans de ondertekening van deze roman: Noord-Beveland, 17 augustus 2016. Wanneer begon hij eraan te werken? Een rare vraag misschien, maar het boek zou gaan over zijn verbroken vriendschap in de jaren zestig met Kees Ouwens (1944-2004). En na diens uitvaart publiceerde Te Gussinklo een afscheidsrede waarin hij memoreerde dat ze elkaar eindeloos thuisbrachten terwijl de roman tot tweemaal toe beweert dat ze elkaar louter zagen in de studentenkamer van Ouwens – die in De Weergekeerde Bloem Marcel van Beek heet, mogelijk naar de bundel Als een beek (1975).
Grofweg stelt de roman een dubbel verraad aan de kaak. Marcel hecht geloof aan de bewering van zijn vriendin Lisette dat Hajé Gerritsen, zoals Te Gussinklo’s alter ego heet, avances heeft gemaakt naar haar. In de roman is de toenaderingsrichting echter omgekeerd, maar Hajé verklapt dat niet aan zijn vriend. En in eerste instantie had Marcel hem zijn vriendin doodleuk aangeboden.
Ook stelt De Weergekeerde Bloem Hajé voor als mentor in het schrijversvak wiens oeverloze monologen razendsnel in een roman worden geplagieerd door de sponsachtige debutant Marcel. Bovendien krijgt dit Gewaand bezit terstond een ‘homoseksuele uitgever’, die Hajés voorspelling waarmaakt: de man, met het voorkomen van een kameel, valt hooguit voor Van Beeks engelachtige uiterlijk. Deze had wel volhardende pogingen gewaagd bij literaire tijdschriften die hij, als alles, nauwlettend volgt, terwijl Hajé al een hoofdstuk voorpubliceerde van een roman.
Hier geeft de literatuurgeschiedenis van Ouwens De strategie (1968) en van Te Gussinklo het onvoltooide De expeditie. Een halve eeuw later wordt het decor van Ouwens’ debuut nogmaals zichtbaar (Helenaheuvel, het landhuis). En wanneer in De Weergekeerde Bloem Hajé zich ten slotte wil wraken door in een bordeel Lisette te bestellen, verschijnt ‘een plomp uitgevoerd boerenmeisje’. Zij zou de fameuze ‘naakte meid’ uit De strategie kunnen zijn.

Is De Weergekeerde Bloem een tragedie of komedie?
Marcel heet dan wel ‘de beginneling, de nieuwkomer’, maar ook ‘de begenadigde’. Evenzo beseft Hajé dat hij een afwijkende stijl heeft (‘Zinnen die elastisch rekten, vertragend, over bijzinnen en tussenzinnen, streepjes hier en daar, haakjes soms, en dan weer kort en snel zoals de beelden, de voorvallen het ingaven’) die principieel verschilt van het ‘onderwijzersproza’ van zijn vriend. Maar Gewaand bezit beschouwt Hajé technisch als voorbeeld. Marcel wordt nota bene opgevoerd als fanate lezer die wil leren, zijn vriend denkt juist autonoom te laveren.
De Weergekeerde Bloem pendelt dan ook tussen nederigheid en arrogantie: ‘En je schreef dezelfde woorden, dezelfde zinnen, je schreef zelfs betere als [sic] die andere bewonderde en succesvolle schrijvers, maar bij hen gloeiden de zinnen op door die kleine wending in de tekst, het ritme in de zinnen, dat was hun adem, dat waren zijzelf’.
Marcels souplesse steekt. In amper drie maanden voltooit hij op 23-jarige leeftijd zijn debuutroman, ‘alsof het al klaarligt, ik hoef het alleen maar op te schrijven’. Volgens Te Gussinklo’s versie zou er een fragment uit voorgepubliceerd zijn. Daarvan is mij niets bekend, wel dat Ouwens’ tempo nog hoger lag, getuige zijn historische ondertekening die wél begin en eind indiceert: oktober - december 1967. Ik kan de bron niet meer vinden, maar het schrijven van De strategie zou zes weken hebben gevergd. Zelf had Te Gussinklo drie maanden nodig, toen hij als 22-jarige De expeditie voltooide. Dat moet in 1963 gebeurd zijn.
In De Weergekeerde Bloem zijn beide personages zo geobsedeerd door literatuur dat ze permeabel worden.
Ouwens’ titel valt tijdens Hajés oraties over het vak driemaal. Deze neemt zich voor krachten te beschrijven die op een individu inwerken en waarop het reageert: ‘De strategieën daarin, het pareren, het judoën; al die pogingen tot overweldigen, alles heeft een reden, betekent iets.’ Over beelden en voorstellingen bij honger, dorst, macht en seks beweert hij een verhaal te kunnen maken: ‘Daar zit een intrige in, een strategie.’ En over onechte mensen die, juist bij hun meeloperij tegen ‘führertjes en duces en andere dictatortypjes’, niet eens in de smiezen hebben hoe machtsbelust ze zelf zijn, adviseert Hajé: ‘die strategie met rollen en beelden, de handigheid, het talent daarvoor, daarover zou je moeten schrijven’.
Tussendoor doemt een andere Ouwens-roman op, uit 1994. Dat gebeurt wanneer Hajé smaalt over zelfverklaarde vernieuwers die van de zin ‘hij ging de trap af’ een grafisch kunstwerk maken. Ze laten van links naar rechts telkens een regel verspringen ‘een, twee, drie, vier…’ Onderdrukt triomfaal maakt De Weergekeerde Bloem melding van Marcels writer’s block. Na zijn debuut raakt deze plotgewijs niet verder dan een man die gaat wandelen, plus inderdaad iemand die een trap afkomt. Ouwens kende het probleem – naast al de euforie die hij bij tijd en wijle in fenomenale taal wist te vangen. 

dinsdag 8 augustus 2017

‘Niet zonder humor’




Joris Luyendijk zegt ook in zijn recentste boekje Kunnen we praten dat men voor media snel de boodschap moet brengen. In 28 seconden, telt hij. Nog een hele spanne tijds, maar het haantje in mij vermoedt dat punt in 5 seconden te kunnen vertolken. Met een legendarisch citaat van Herman Gorter namelijk: ‘O God! ik sta aan de verkeerde kant’.
Kunnen we praten verweeft twee argumentatielijnen. Aan de ene kant is er Luyendijks opmerkelijk late besef van verwante ontwikkelingen in vele sectoren. Hij benoemt ze als Sluipende Verbouwing. Daaronder vallen flexibilisering, privatisering, fusies en ‘harmonisering’ die ontslagen paren aan een overdaad aan managers, uitbesteding en rapportageplicht. De kiem voor deze wending ontwaart Luyendijk rond 1980 bij Reagan/Thatcher, met hun instapcitaten inzake overheid en samenleving (anderen leggen de oorsprong vroeger).
Daartegenover weegt de bestsellerauteur zijn eigen positie van witte, hoogopgeleide man. Bijvoorbeeld dat hij op de televisie goed lag bij de doelgroep ‘vrouwen boven de vijftig’. Ook bekent Luyendijk het vertrouwen in de politiek verloren te hebben. Zoals velen, andersdenkenden vooral, die vóór Brexit, Trump en/of Wilders zijn en in wie hij zich tracht te verplaatsen. Met wie hij raakvlakken ziet, soms.
Ik moest denken aan Luyendijks vorige boek Dit kan niet waar zijn waar een getuige gewoontes van beurstraders op de werkvloer schilderde. ‘De toiletten zien er vreselijk uit, geen idee waarom.’ En de vrouw van een manisch toegewijde jonge bankier wist over de keuken van het appartement dat hij met een vriend in de City deelde: ‘te erg voor woorden’. Nu schijnen er in de omgang met afval al overeenkomsten te bestaan tussen hoogste en laagste klassen, maar het gaat me erom dat het doek van inzicht alleen weggetrokken kan worden als acteurs en toeschouwers tegelijk zichtbaar raken.
Zo tracht Kunnen we praten een begin te maken met een consequenter anti-essentialisme, door geen intentieprocessen te voeren. Dan is er geen plaats meer voor de academisch witte zekerheid dat Zwarte Piet racistisch is, wel voor de nuance dat deze figuur als racistisch wordt ervaren (een trend bij witte theatermakers is gesignaleerd dat ze zelf verhalen van zwarte gemarginaliseerden vertellen).
Toch heeft het iets koddigs dat Luyendijk zich tegenover een grote groep mensen en hun boodschappers als cultureel antropoloog opstelt. Misschien blijven zijn 96 pagina’s vooral bij door de wens zichzelf niet te sparen – en daarbij de klip van het narcisme te omzeilen. Treffend is de schets van zijn bubbel. En de bekentenis op de slotpagina ‘Ik weet het ook niet meer.’ Wederom doneert de auteur echter uitsluitend eigen redenaties. Zijn boek sluit af waar het zou kunnen beginnen met andere werelden. Die waren daarna drie weken lang kennelijk exclusief voor de website kunnenwepraten.nl.
Achter die titel staat geen vraagteken. Gorter moet misschien toch nog even wachten.
Hoe geloofwaardig kan Luyendijk zijn voor andersdenkenden? Bij de Brexit merkt hij op: ‘Een aantal Nederlanders die al tientallen jaren in Groot-Brittannië wonen zijn al door de overheid gedreigd met deportatie.’ Aandacht vraagt niet zozeer dat rare passieve ‘gedreigd’, als wel ‘deportatie’. Dit woord verbindt men toch vooral met de Tweede Wereldoorlog? Of verdring ik als Nederlander van geboorte daarmee koloniale misstappen? Ik kan me indenken dat Luyendijks gebruik van het woord verwend overkomt.
Toevallig las ik een ander boek met ‘deportatie’ in een schijnbaar oneigenlijke context. Alfred Birney laat in De tolk van Java de tirannieke vader in een krappe woning plots een cyperse poes aan het gezin onttrekken: ‘We komen er niet achter wie verantwoordelijk is voor de deportatie van onze knuffel.’ Hier zal het woord minder storen.

woensdag 2 augustus 2017

Nederland o Nederland





Amper waren we de grens over, of daar was het bordje al: ‘fietspad. dus niet brommen.’ Swiebertje ahoy! Maar Spakenburg bracht de variant ‘dus niet snorren’. Van Dale geeft bij dit werkwoord ‘onder het maken van een ruisend of gonzend geluid snel voortbewegen, m.n. door de lucht’ en ‘met een rijtuig rondrijden om te zien of men een vrachtje kan vinden’ en ‘in een snorder ergens heen brengen’. Wat gebeurt daar allemaal aan de voormalige Zuiderzee?

In een Leerdamse supermarkt zeurt een puber bij zijn moeder om vissticks. Als hij eindelijk zijn zin heeft gekregen, eist hij sla. De moeder, beslist: ‘Die kopen we niet’. ‘Waarom?’ antwoordt de jongen uiteraard. ‘We hebben sla in onze tuin.’ Ik geloof dat de verontwaardiging van de jongen gemeend was: ‘Maar moeder, je gaat toch geen sla uit de tuin halen wanneer je die gesneden en gewassen kunt krijgen?’

Doorn, zondagmorgen. We peddelen door een ongeveer twintig meter lang straatje. Het is verlaten, op één man na. Hij beent op ons af en zwaait met zijn wijsvinger naar ons vieren, één voor één. ‘Het is verboden hier te fietsen.’

Elke avond herlees ik op de E-reader een hoofdstuk uit De eindeloze jaren zestig van Hans Righart. Daar construeert hij een waterscheiding met voorafgaande decennia, waarin men zich zou hebben beziggehouden met vervelen. Op de campings die we bezoeken heerst die sfeer continu. Ook zijn de mensen er restloos wit. Überhaupt hebben we in Nederlandse provincies geen allochtoon opgemerkt.

Een paar jaar geleden ontwaarde ik in Nederland een ampersandeconomie, waarbij de middenstand dit grafische teken gebruikte om ongedwongenheid te suggereren & zo. Die trend lijkt nog gaande. Tegelijk prefereren steeds meer winkels de uitgang -uys boven -uis. Een Kookhuys en Eethuys bieden kennelijk homogene, ouderwetse kwaliteit. Wel geven hun specificaties als Bits & Bites en Drinks & Dinners dan tegenstrijdige signalen af.

De wegkapitein zegt over aangename zaken en ervaringen ineens vaak: ‘Hoe xxx is dat.’ Ergens komt die uitdrukking bekend voor, maar waarvan? How Sweet It Is To Be Loved By You?

woensdag 12 juli 2017

Op Linkeroever





Lang geleden nog eens door de voetgangerstunnel met zijn houten roltrappen te zijn gegaan.
Toen ik in de zomer van 2001 in het centrum van Antwerpen kwam wonen, was er aan de overkant van de Schelde de aankomst van een Touretappe. In de tunnel ernaartoe was het al druk, maar ter plekke leek alles domweg dichtgeslibd. Even later voegde zich daar lawaai van de reclamekaravaan bij en vooral van helikopters.
En toen won Mark Wauters. Volgens het grote scherm althans. Ik heb zelfs bij benadering nooit geweten hoe ver van de finish ik had staan wachten in de zon.
Wel begreep ik ‘op Linkeroever’ te zijn geweest, en niet ‘aan de Linkeroever’ die Nederlanders, een uitzondering niet te na gesproken, ervan plachten te maken. Vanaf toen ging ik ook niet meer ‘naar het café’ maar ‘op café’.
Hooguit een of twee weken later, beweert mijn herinnering, was het echt raak op Linkeroever. Toen speelde Compagnie Marius één van haar Pagnol-bewerkingen. In een hangar die uitkeek op de Schelde. Weer was het warm, dus trof het extra dat de Compagnie haar voorstelling had vergezeld van pastis (en brood en olijven?).
Later werd me duidelijk dat eten en drinken integraal tot Compagnie-voorstellingen behoren. Ze duren uren, zodat de verzorging van keel en maag van zo’n gebeurtenis ook werkelijk een soort uitstap maakt in een andere wereld.
Ik weet niet. Voor pijnbestrijding blijkt er zoiets te bestaan als een katholieke en een protestantse dosis. De hoeveelheid morfine in de protestantse variant is de helft van de gangbare dosering, om lijdensverlichting niet te overdrijven. De katholieke hoeveelheid is juist dubbel zo sterk, dus viermaal de protestantse.
Ter indicatie van hoe ik voor de bijl ging: Marius hanteert het katholieke principe. En zelf vond ik me door de jaren heen – ik woonde al lang elders –verzaligd terug in een broeierige polder bij Hoboken, in de stortregen van het Middelheim, in de avondfrisheid van een park bij het Atomium.
Was me van die eerste voorstelling vooral het komische talent van Günther Lesage bijgebleven, spoedig snapte ik dat de drijvende krachten Waas Gramser en Kris Van Trier waren. Hoeveel rollen ze ook binnen één voorstelling opnemen, blind zou ik ze aan hun stemmen kunnen herkennen. De schrille van Gramser, de hese van Van Trier.
En zo verstaanbaar, zelfs voor een domme Hollander!
Inmiddels meen ik de eigen Compagnie-tribune te herkennen en begint het ervaringsconcept zo mogelijk nog consequenter te worden. En ecologischer. Alles is verplaatsbaar geworden. Containers, terrasconstructies uit drijfhout, toiletten met zaagsel,…
De Compagnie lijkt alle kaarten te zetten op nostalgie. Maar tegelijk maken de humor en de zich schijnbaar bij toeval aandienende ogenblikken van improvisatie op en defictionalisering van het betreffende klassieke toneelscript elke identificatie onmogelijk.
Vergelijk het met wat Jeroen Olyslaegers doet in zijn roman Wij, gesitueerd in de legendarische zomer van 1976. Hij laat personages dansen op Le Freak van Chic uit 1978. Wel met de kanttekening: ‘Speelt er een demon met het collectieve geheugen?’ Bij de legendarische Disco Duck van Rick Dees and His Cast of Idiots ontbreekt die kanttekening, terwijl dat in september 1976 werd uitgebracht. Maar in de roman zijn ‘de kinderen [er] al de hele zomer gek op’. En verderop zingt Abba ‘voor de duizendste keer’ Chiquitita, waarmee vanuit een zwembad iedereen meebrult – knap voor een nummer uit januari 1979.
Uiteindelijk schreef Olyslaegers dus geen historische roman maar sciencefiction. En brengt de Compagnie in haar integraal andere werkelijkheid feitelijk een aaneenschakeling van momenten. Bestaat er zoiets als ecologisch toneel? Een bricolage vol hergebruik, zoals hun decor en culinaire randbouwsels?

maandag 3 juli 2017

De eerste keer




Op het eerste gezicht is Vroege werken van Jan Postma een boek om mild van te worden. Pontificaal tegen elke marktlogica wordt het als essaybundel gepresenteerd, mede door een fransoos formaat, zoals de uitgeverijen De Gelaarsde Kat en Het Balanseer dat deden bij oer-essayist Dirk Lauwaert.
Prettig is ook dat Postma, net de dertig voorbij, op de achterflap zijn ironische titel Vroege werken begrenst. Hij stelt dat geforceerde grappigheid niet lang vol te houden valt. Dat doet hij in een vraag- en antwoordspel, dat schwung geeft aan de informatieve reclameconventie op de bepalendste plek van een boek.
Misschien nog meer dan de titel geeft zo’n ingreep een indicatie van behagende metabewustheid. Postma gaat bijvoorbeeld niet in op de toch wat bizarre vraag of het boek ‘zware kost’ is, en somt tussen de behandelde onderwerpen wel op: ‘Kim Holland in de schaduw van een kerncentrale’. Wie hier nieuwsgierig van wordt zal teleurgesteld raken, al was het omdat in de passage de reporter vanuit de auto door zijn partner op de pornokoningin moet worden geattendeerd. Over de kerncentrale, waar ze toevallig langskomen, evenmin nieuws.
In Vroege werken presenteert Postma zichzelf als een verstrooide intellectueel, met het hart op de goede plaats. Een psychologiserende opmerking, zeker voor het essaygenre. Maar ze wordt gesteund door een massa anekdotes die boek deelt, alsof Vroege werken bekentenisliteratuur is.
Wacht even, zat die paradox al niet bij Montaigne, verklaard uitvinder van het essay? Ook deze zestiende-eeuwer sprong van de hak op de tak. Zijn stapelteksten wemelden van ‘weetjes, citaten en bekentenissen’ zoals Alexander Roose dat in zijn studie De vrolijke wijsheid zei met een drieslag.
Hoe komt het dan dat Postma niet aan Montaigne doet denken? Ik vermoed dat hun doel verschilt. Het zestiende-eeuwse prototype analyseerde, zocht naar een antwoord. Daarom zijn diens ‘Over’-titels passend, terwijl ze in de ondertitel staan bij zijn eenentwintigste-eeuwse nazaat. Deze rekent op afdwalingen, memoreert een tocht die geen resultaat hoeft te hebben en waarbij de staties zich bij toeval aandienden.
Doel is bij Postma louter de geografische plaats, bij de kerncentrale. Evenmin toevallig lijkt dat de inhoudsopgave van Vroege werken, nog een teleologisch of ambtelijk boekfacet, niet helemaal klopt.
Hoewel Montaigne meester van de openhartige zelfkritiek is, steekt Postma hem naar de kroon. Hij kampt met een metabewustzijn. Zo kan hij op een vrije dag naar een terras gaan, alwaar koffie en sigaret en boek, en melden: ‘Het had iets van een slechte imitatie en terwijl ik daar zat vroeg ik me af waar de grens tussen een gewoonte en een parodie op vroeger geluk lag’.
Doordat Postma’s brein de wereld op afstand houdt, is het makkelijker te verdragen zo schaamteloos met zijn ik te worden geconfronteerd. Ook omdat die schaamteloosheid niet concreet wordt. Zelfs bij Postma’s ‘eerste keer’ krijg je iets anders dan de achterflap belooft en dan Montaigne waarmaken zou.
Misschien is het boek Vroege werken als geheel braaf, ten koste van vele prachtige passages. De inval om de vanity-search ‘Jan Postma’ om te zetten in het uitpluizen van een beroemde naamgenoot – die in de oorlog verzetsstrijder was, ook op blijkbaar duister aandoend ideologisch gebied – leidt tot beschrijvingen van archiefwerk, en van reisjes naar plaatsen van handeling.
Doet Postma nu mee of niet?