maandag 8 augustus 2016

Schutplaats op de planeet



Lang geleden dat ik me nog zo ongemakkelijk gevoeld heb bij een boek als tijdens lezing van Astrid Roemers Liefde in tijden van gebrek: memoires van een thuisloze. Die recentste titel, verschenen tussen toekenning en uitreiking van de P.C. Hooft-prijs 2016, blijkt nogal apart ontvangen. Ik stuitte op een paar interviews en oeuvre-overzichten, terwijl ik recensies en analyses via de hoofdingang had verwacht. Stil bleef de recensente die op de binnenflap haar nieuwsgierigheid naar Liefde in tijden van gebrek uitspreekt. De ontvangst in zijvertrekken lijkt een verlegenheidsoplossing, omdat het boek als onversneden autobiografisch is gepresenteerd en een heikel thema aanroert: betrekkingswaan.
Liefde in tijden van gebrek druist in tegen het exotische en maatschappijkritische beeld van Roemers schrijverschap dat rond de P.C. Hooft-prijs gereproduceerd werd. Beeldspraak blijft vaak achterwege, de stijl is veeleer sober dan exuberant. In dit boek registreert Roemer. In combinatie met het thema en de keuze voor één centrale hoofdfiguur die nevenpersonages, ‘kwaad-aardigen’ genoemd, door haar gedachtewereld filtert, levert dat een oer-Hollands, bijna naturalistisch boek op. Schitterend is een toevoeging bij het eerste voorzetsel in deze vraag: ‘Wat is er toch met betrekking tot mij aan de hand?’
De drukst optredende ambachtsmannen uit Liefde in tijden van gebrek zijn slotenmakers. Toch worden de – permanent tijdelijke – woonruimtes van de hoofdfiguur tijdens haar afwezigheid binnengedrongen, gaan haar elektrische apparaten stuk, verdwijnt er voedsel van haar geliefde katten, worden haar vuilniszakken onderzocht, wordt haar e-mailbox geopend, haar laptop gehackt, haar bankrekening geplunderd en een begrafenisverzekering voor haar afgesloten, zijn er seksboekjes geschoven tussen haar naslagwerken, medische gegevens van een onbekende in haar dossier bijgeschreven, verschijnt er een politiebericht op het scherm van haar gsm. ‘De gemeenschap’ formeert een status quo tegen het individu.
Wel dunken mij dit symptomen die zich evengoed aftekenen op de huid van de westerse samenleving. Cybercrime en NSA-gewemel behoren daar even vanzelfsprekend toe als zogeheten verdacht poeder. De term ‘dreigingsniveau’ is ingeburgerd. Achterdocht lijkt uiteenlopende fenomenen te verzamelen voor wat een onderbuikgevoel heet. Dat er aanslagen komen, dat een geloof de macht overneemt, dat er een systeem zit achter de terreur, dat ‘de media’ de kluit belazeren, enz.
Zo’n gevoel heerst overigens evenzeer in hogere kringen, wanneer Donald Trump insinueert dat Putin toegang heeft tot alle Amerikaanse instituties, inclusief ik weet niet wat, of wanneer Hillary Clinton insinueert dat Trump samenspant met Putin.
Roemers hoofdfiguur valt niet te betrappen op het belangrijkste bijverschijnsel: angst. Ook schiet de term ‘hoofdfiguur’ tekort. Het boek spreekt veelvuldig van ‘mijn organisme’, en hanteert het bijvoeglijk naamwoord ‘mentaal’ tevens als substantief (‘het mentaal leert, repeteert, integreert, adapteert’). Doordat Liefde in tijden van gebrek op meerdere plaatsen aanhankelijkheidsverklaringen uitspreekt tegenover Darwin en zijn survival of the fittest komt het ‘ik’ neer op een beweeglijke kern die door weloverwogen aanpassing (‘ik dans naar hun pijpen en speelt de naïeve negerin’) tracht te overleven.
Typisch is namelijk dat die beweeglijkheid beperkt blijft tot de gedachten, die motieven aan de nevenpersonages toeschrijven én die eigen gedrag legitimeren dat veeleer geduldig meebuigt dan ageert: ‘Ik ben niet iemand die anderen overvalt, de privacy van anderen ongevraagd binnendringt: ik heb geen kankermentaliteit. Ik ben liever een reeks vitaminen die vrijwillig wordt ingenomen en het organisme opwekt, versterkt, in stand houdt’. Wanneer het ‘ik’ haar autonomie heeft herwonnen is het juist onbeweeglijk. Dagen worden dan stukgeslagen in meditaties en geconcentreerde voorbereidingen op het maken van teksten.
Een andere sidderende tegenspraak binnen Liefde in tijden van gebrek is dat de argwaan grossiert in voorbeelden van hoe de privacy van het ‘ik’ geschonden wordt, en dat de beschrijvingen die dat willen bewijzen diezelfde privacy nog grover onthullen. Elke verklaring over de binnendringing van een ander boort een dieper gat in het zelf. De aanvallende mensen en instanties worden bedreigender doordat ze initialen krijgen of slechts vage aanduidingen: ‘de persoon aan wie ik liever niet denk’, de Haagse Mevrouw, de Amsterdamse Geliefde, de R-bank, Bekende Landgenoten,… Bij hen stelt de ik-figuur zich netwerken voor, die per dag in grootte toenemen.
Nog een middel waarmee Liefde in tijden van gebrek paranoia verzwaart is de alinea-indeling. Het lijvige boek kent, tegengesteld aan het opengewerkte proza van Roemers vroegere titels, amper wit of inspringing. Zo wordt het beschreven universum geslotener, meer verschanst. De drie delen waarin Liefde in tijden van gebrek uiteenvalt en die verbonden zijn met plaatsen, bevestigen die indruk, doordat er geen verschil tussen is: ‘Net als een vaderland en een nationaliteit, geslachtssolidariteit en rasidentiteit, familiekringen en liefdesrelaties, kan een stad die je ooit geborgen heeft de meest gevaarlijke schutplaats worden op de planeet’.
Niet voor niets valt het woord ‘hermetisch’ nogal eens voor de toestand waarin het ik verkeert. Zelfs ontbreekt ‘ik’ als persoonlijk voornaamwoord en onderwerp van een zin geregeld – het is in de omgeving vervloeid.
Sporadisch verheft dit personage zich dan uit alle macht. Bijvoorbeeld door eraan te herinneren dat ze ‘door een gezaghebbend feministisch maandblad in Nederland was uitgeroepen tot een van de zes belangrijkste vrouwen van de afgelopen eeuw: IK!’

maandag 1 augustus 2016

Joris Gerits (1943-2016)


Hij was ‘liefste prof van de UFSIA’. Die titel, die vandaag bij zijn drukbezochte afscheidsbijeenkomst onthuld werd, lijkt me niet weg te lachen. Volgens vele sprekers beschikte hij verder over de moed van de hoop. Dat bleek mede uit de herinnering van een zogeheten pluskind, die de eerste ontmoeting beschreef met hem, gestoken in witte sokken in sandalen, een plastic zak in de hand van Thomas Cook.
Ook de vakterm ‘ontmijnen’ werd toegelicht. Wanneer de spanning in een gezelschap steeg, maakte Gerits steevast een grap. Mij staat dat inderdaad bij (inclusief het sikkeneurige gevoel dat agonismen toch ook niet zo kwaad waren), al was de tijd dat ik met hem vergaderde bij Streven peanuts vergeleken met de periode dat hij redacteur van dat tijdschrift is geweest: 45 jaar.
Geweldig dat deze functie als tweede wapenfeit op Gerits’ rouwbrief vermeld stond. Toch nog een postume polemiek, met de minister die het blad zijn subsidie afhandig maakte? (En is ‘hottentottententententoonstelling’ wel het langste woord uit het Nederlands? Zou dat niet zoiets kunnen worden als ‘‘hottentottententententoonstellingssubsidieaanvraagbodemprocedure’?)
Elk overlijden van iemand die je ook maar een beetje kent en voor wie je al genegenheid hebt opgevat, biedt de verleiding herinneringen op te dissen. Ook dient spijt zich aan, bepaalde vragen niet gesteld te hebben.
Zo had ik graag Gerits’ mening geweten over een tekst waarop ik een tijd geleden stuitte bij het afgrazen van een oneindige zaak die Turing Gedichtenwedstrijd heet. Lang niet alle deelnemers bleken me onbekend. Maar de naam die mij het meest opviel was Rikkert Zuiderveld (‘Naam van de moeder?Maria. Gehuwd? Nee juffrouw. Maar het kind had Jezus moeten heten’).
Hij blijkt al heel wat boeken te hebben geschreven, en wekelijks een sonnet voor Met het oog op morgen. Zijn winnende gedicht, dat althans de top 100 haalde, heette ‘De maaltijd’:

Ze komen op een avond bij ons eten,
de moeder en haar kinderen. Ze lacht,
ja, uit Aleppo, zegt ze dan. Zo zacht
alsof ze het al bijna was vergeten.

De bonen smaken goed, de kip is mals,
we praten, drinken, proosten op het leven.
Ik vraag: waar is je man? Dan maakt ze even
een snelle snijbeweging langs haar hals.

Ze ziet hem lopen langs de rozenhagen,
zijn sterke rug, zijn innerlijke rust
en om hem heen de geur van zomerdagen.

Misschien heeft ze hem nooit vaarwel gekust.
Ik durf het haar gewoonweg niet te vragen.
Dan vraag ik maar of ze een toetje lust.

Wat zou Gerits hiervan gevonden hebben? Hij was een generatiegenoot van Zuiderveld, die de omgekeerde ontwikkeling had doorgemaakt. Gerits kwam volgens mij uit een gelovig gezin, volgde een gedegen jezuïetenopleiding – en brak de wereld in.
Bij al het geweld van ongetwijfeld veel belangrijker kwesties in de actualiteit die het overlijden van Joris Gerits overschaduwen, wil ik ten slotte wijzen op een unieke eigenschap van hem. Niet alleen de utopische wil om objectief en pluralistisch te zijn, maar ook – in poëzierecensies – het bewijs te leveren dat zeer veel verschillends hem lief was, desnoods tegensprekelijk.

zaterdag 9 juli 2016

Kamasi for President



Staan de Angelsaksische landen in brand? De berichtgeving, die hier van oudsher een Angelsaksisch smaakje heeft, doet vermoeden van wel. Tegelijk lijken culture wars naar de Lage Landen overgewaaid. Er woeden allerlei debatten over details die futiel hebben geleken en over tradities die onmogelijk een haar in de boter dachten te kunnen serveren.
Bij die geschillen is er beduidend meer kritiek dan zelfkritiek; er worden vooral diagnoses gesteld zonder geneesmiddelen. Toch kan ik lastig aannemen dat westerlingen te verdelen zijn in hen die een ivoren toren bewonen en hen die betogen vanuit de onderbuik. De crux zou dan liggen in de omgang met angst.
Een recensie bood deze charmante fehlleistung: ‘Het racisme in Nederland rijkt verder dan directe, openlijke beledigingen en zit ingebakken in zowel culturele als politieke structuren.’ In de spelwijze ‘rijkt’ zit een sociaaleconomische positie die, grosso modo, de aanzet vormt voor huidige tegenstellingen. Tegelijk bijt haar hoge generalisatiegehalte de bewering in de staart.
Er lopen meer breuklijnen door Angelsaksië, die de debatten blootleggen. Dat is op zichzelf verhelderend en vruchtbaar, maar het is dikwijls moeilijk te geloven dat die geschillen het fameuze wij-zij-denken beweren te overwinnen. Eerlijk gezegd ontgaat me het volkomen hoe men van weerszijden zo’n alwetendheid demonstreert. Ik snap althans niet hoe een pleidooi voor inclusiviteit gepaard kan gaan met stelligheden over wat anderen waarom over derden denken, vinden en wel of niet bedoelen.
Zelfs vraag ik me af of het dienstdoende standpunt ruimte laat aan de mogelijkheid de ander te overtuigen. In Twitterland blijkt bijvoorbeeld, met referte aan het begrip ‘solidariteit’ dat mij na het hart gaat, een foto van ‘blanke vla met een negerzoen’ het te hebben opgenomen tegen een pannenkoek in de vorm van een hakenkruis en cupcakes die eruitzagen als KuKluxKlanners. Over de aanstichtster van deze culinaire rel berichtte het artikel in stijl: ‘Nu toonde zij eerder al niet het licht der beschaving te zijn, het is dus maar de vraag of ze de kritieken begrijpt.
Misschien blijft de onmin ook sidderen omdat het ontbreekt aan een ‘positief voorbeeld’. Dat ik op mijn oude dag zo’n stichtelijke term durf te gebruiken (had ik in mijn jonge jaren niet gedacht)! Zo’n positief voorbeeld mag geen prooi worden voor rolmodellering of voorbeeldfuncties. En het belangrijkste: het hoeft niet zozeer te gaan om een persoon, als wel om wat deze aan ervaringen teweegbrengt.
Welnu, volgens mij is de redding nabij.
Vanuit de theorie, meer in het bijzonder door een wandtegeltje van Stevie Wonder, wist ik al dat muziek is: een language we all understand. En de plaat had ik al uitgevoerd gezien op het internet. Maar nu ben ik er als levend lijf getuige van geweest, en is mijn campagneadvies af te geven op basis van ondervinding: Kamasi for President!
Er is al veel over The Epic van Kamasi Washington geschreven, maar het project dunkt me op dit moment relevanter dan ooit. In tijden waarin het woord ‘cultuur’ al afschuw opwekt en in Vlaanderen na de toekenning van subsidies de poorten van de rituele verontwaardiging weer opensloegen, verheugt het dat The Epic bij uitstek cultuur is – en toegankelijk blijkt zonder drempels.
Ja, dit is jazz, maar met alle denkbare andere stijlen erdoorheen, in wisselende verhoudingen. Ja, er staat een contrabas bij, maar deze is letterlijk getatoeëerd. Kortom: alle windstreken, weertypes en zonnestanden komen binnen. Eenmaal in deze cultuur geraakt neemt de kennis spectaculair toe.
Evenmin valt te ontkennen dat religies terug een rol spelen in het alledaagse leven die ook voetbal niet weet in te vullen. En dat een concert van Washington de indruk biedt aanwezig te zijn bij een mis, zij het voor alle gezindten. Maf is dat er geen richting wordt gewezen, maar sensaties de kop opsteken van zoiets als gemeenschappelijkheid. De ongewone grootte van Washingtons band werkt dat gevoel in de hand.
Deelnemen (niet: ‘participeren’) lijkt bij hem het parool. Solisten krijgen alle ruimte, zonder dat ze in het narcisme van technische exploitatie kunnen vervallen. Mij deed bijvoorbeeld een drumsolo herademen. In de geschiedenis begon die op kant drie van een dubbelelpee, terwijl Washington twee drummers in dienst heeft die wel op elkaar moeten reageren. Etaleren zou misplaatst zijn.
Als bandleider benadrukt Washington de kleine verbanden, van familie en vrienden die niet alleen bij hem op het podium staan, maar die hem ook hebben geïnspireerd. Vanuit de traditie van de vadermoord is dat toch een ander geluid, om nog te zwijgen van het etiket ‘burgerlijk’ dat in protestjaren vanzelfsprekend werd geplakt op alles wat die vader te vertegenwoordigen leek.
Mijn gedachten gingen even naar een uitspraak van Catherine Ongenae. In Seksisme. Nee, wij overdrijven niet! vertelde ze dat ze er moeite mee heeft aangesproken te worden als ‘mama’ – alsof een vrouw geen andere ‘kwaliteit’ heeft dan het moederschap. Bij Kamasi Washington is dat dus niet eens meer een kwestie. (Ik snap nu waarom er trots in me opwelt wanneer in professioneel pedagogische kringen iemand ‘papa’ tegen me zegt.) 
The Epic wordt intenser naarmate het verhaal langer duurt. Dat is niet bij elk optreden binnen de programmering mogelijk, maar ik vind het geweldig dat het woord ‘uitrollen’ ook eens in deze betekenis mag bestaan. Via de onderbuik verspreidt de muziek zich over het lichaam, tot in de ivoren toren die wel brein genoemd wordt. Kamasi Washington vertoont een inclusief project.

vrijdag 24 juni 2016

Saggerijn



Opgepast: een mening! Van de EU heb ik niet meer verstand dan andere rechtopstaande apen, maar de afstand die Groot-Brittannië ervan genomen heeft dunkt me het zoveelste staaltje van slecht humeur.
Zou het werkelijk aan de zogenaamde vluchtelingenstroom te wijten zijn, dat de stemming er niet echt in zit? Achteraf lijkt het me logisch dat er voor een Brexit is gestemd; burgers willen alleen maar slechtigheid zien.
Deze week had de merkwaardige site Doorbraak een cultuurpessimistisch artikel dat de deprimerende staat van de Vlaamse media wilde aantonen door een radioscoop aan te kaak te stellen over EK-supporters met ‘60 bakken bier voor 40 mannen’. Bezorgde burgers vielen de klokkenluider bij met comments over panem et circenses en

‘tijdens het E.K. word er over niets anders gesproken dan voetballers, ploegen en hoeveel men gezopen heeft tijdens de match. Dit is voor mij het teken dat onze maatschappij zijn prioriteiten verloren heeft en het eigenlijk verdient ten onder te gaan aan zijn eigen hedonisme en domheid. De politiek, het bedrijfsleven, media en onderwijs zijn hier allemaal schuldig aan, maar de grootste schuldige is het volk zelf, dat zich wentelt in zijn/haar domheid en naieviteit en weigert zelfs maar een beetje gezond verstand te vertonen.’

Het is dat mijn Latijn niet meer zo goed is als het nooit is geweest, anders had ik achter één werkwoordvervoeging sic ingevoegd. Zelf vond ik de indicatie van het bierverbruik niet eens geheel onleerzaam. Het vormde zelfs extra anekdotisch bewijs bij een recent onderzoek met onthutsende resultaten over alcoholgebruik bij Belgische chauffeurs.
De merkwaardige site The Post Online had op zijn beurt een bizarre blog van een Hollandse academicus die een jaar in Brussel verblijft. Hij had vlak bij de gebouwen van de Europese Unie een broodjeszaak ontdekt en klaagde over: het logo, de prijs, de vermelding van alle ingrediënten, de papieren tasjes, het dienblad, de afvalscheiding, de ter beschikking liggende internationale kranten en de namen van de gerechten.
Uiteraard vond deze vrolijke Frans de winkel – uit de keten Exki die je overal in België vindt als gezonder bedoelde variant van de Panos – symptomatisch voor EU-ambtenaren en het systeem dat zij incorporeren.
In verband met genoemde unie is deze culinaire kritiek weer eens wat anders dan het verhaal over de wettelijk vastgelegde kromming van komkommers. Toch raakte ik net iets meer onder de indruk van de man die dezelfde dag in dezelfde plaats een halve wijk plat wist te leggen met een bomgordel waarin koekjes en zout zaten.
Maar ik erken mijn poëticale vooronderstellingen onder de pet te houden. Als Hollander van geboorte word ik in den lande geregeld gepest met lunches van ‘karnemelk en krentenbollen die met kaas zijn belegd’.
België heeft de Nexit dus al voltooid, zonder dat de elite onder leiding van Wilders daar haar stem over kon uitbrengen. Knettergek! Afschuwelijk! Verschrikkelijk! Om niet te zeggen: barbaars! Waar gaat het naartoe met het heden?

vrijdag 17 juni 2016

Bovenarms




Hebben de Rode Duivels het moeilijk? Over de openingswedstrijd tegen Italië was de gourmande, voor wie we binnenkort op ‘kleuterproclamatie’ moeten, terdege ingelicht – volgens haar hadden de Rode Duivels tegen Vlaanderen gespeeld.
Daar had ze ergens wel gelijk in. Als bewijs zou ik nu de juiste opstelling moeten geven, maar ik heb de sportschool niet afgemaakt.
Als culturo ligt voetbal me natuurlijk na aan het hart. De kwalificatie ‘natuurlijk’ belooft misschien een legitimatiepolitiek, desnoods met campy intellectualisme. Ik bedoel haar als bestanddeel van dagelijks leven.
Zoals uit zijn dagboeken uit de jaren zestig en zeventig blijkt, was dat bij Jan Wolkers evenzeer het geval. Een kruising tussen ontspanning en inspanning, net zoals lezen, televisiekijken en ruziemaken over politiek met bezoekers dat voor hem konden zijn.
Even vanzelfsprekend als zijn steun voor de CPN, het Angola Comité en de Anjerrevolutie was toen Wolkers’ afkeer van West-Duitsers. Nadat ze op de WK 1974 van de DDR hadden verloren: ‘Die moffen zijn volkomen van de kaart. Een tweede Stalingrad’.
Dit lijkt toch een wat ander universum dan dat waardoor Komrij zich bewoog. In zijn bevindingen over het televisiejaar 1976, neergelegd in het boek Horen, Zien en Zwijgen, zou deze met afgrijzen melden dat er in één weekend drie voetbalwedstrijden integraal werden uitgezonden.
Weer iets later – ze waren alweer volledig hersteld van de uitschakeling in de Europacup 2 door FC Magdeburg – begon ik thuiswedstrijden van NAC te bezoeken. Daar klonk een slogan die in de recentste spelling waarschijnlijk aldus moet: hiha hondenlul. Misschien is die tekst inmiddels voorgedragen voor de UNESO-lijst voor immaterieel erfgoed.
Het waren, kortom, de topjaren van het Nederlandse voetbal die zo pijnlijk contrasteren met de huidige woestijntijden. Gelukkig dus maar dat er Rode Duivels zijn, hoe schutterig hun banbliksems momenteel nog over het veld gaan.
Van mijn rare afstandje vind ik het toch nog ongelooflijk hoe de verveling boven de rivieren wordt verdreven. Er kwam bijvoorbeeld een woordenlijst met Voetbalvlaams. Daarvan waren mij na vijftien jaar grensoverschrijding de meeste termen nog niet bekend. Maar wat of wie ik ben is mij al langer een raadsel.
Een enkel woord ken ik wel, zij het in een andere betekenis (‘recuperatie, titularis’). Voorts zou het leuk zijn te boekstaven dat in België de bal niet stuitert maar, adequater, ‘botst’. Ook miste ik ‘tornooi’ – dat schoot me te binnen omdat ik van de tekstverwerker een rode streep had gekregen onder mijn tiepsel ‘tournooi ‘.
Een toevoeging aan de woordenlijst kan verder een hele uitdrukking zijn, die dan letterlijk mag worden genomen: ‘Het gaat er bovenarms op’. Voetballers ogen als grootverbruikers van de tatoeage.
Allemaal flauwekul, uiteraard, maar ik pas me aan aan het geboden amusement. Het is mij althans nooit gelukt om hooliganisme te lachen (wie gaat dat betalen na een Brexit?). Als ik het goed begrijp, heeft het toernooi verder slechts een Hosen-gate opgeleverd, ook wel snuffelgate.
Omdat ik snob genoeg ben de wedstrijden te bekijken op de VRT, was mijn hoop gevestigd op eindelijk een vrouwelijke kenner, vooraf en in de rust en na afloop. Helaas spreekt ze hetzelfde analistenjargon, terwijl er zoveel zinvols mogelijk is.
Wat dat aangaat was de sensatie groter toen ik onlangs als oefening spelertjes op de keepende trainer zag aflopen, waarbij telkens het bevel ‘Dribbel me!’ afging. Bij een onovergankelijk werkwoord een lijdend voorwerp, da’s klasse. En dan ook nog scoren.

donderdag 9 juni 2016

Kippenkooi

Er zal veel lelijks over YouTube te zeggen zijn, op rechtenvlak bijvoorbeeld, maar ik ben er fan van. Af en toen schakel ik er een liedje aan en klik het beeld weg, om op de computer te kunnen werken. En dan associeert de site erop los met volgende nummers. Ongetwijfeld met zoektermgebonden algoritmes, mochten die bestaan, maar de optimist in mij ziet het liefst een dominospelletje ontstaan.
En hoopt op resultaten voorbij zouteloze virtuele genreradio’s, op willekeur en ongekende verbanden, die de arbeid dusdanig prettig onderbreken dat ik gewoonweg moet zien wie en wat.
Zo ontdekte ik een paar jaar terug Any Trouble, meer in het bijzonder de elpee Where Are The Girls uit 1980. Elders heb ik daar al wat over geschreven; mij stemde deze muziek helemaal ‘vrolijk’, om het meteen al onmachtig te stellen (tenzij met een vergelijking: zoals in Nederland The Mo mij wist te raken).
Het was uiteraard ook een ontdekking met terugwerkende kracht, die mijn beoordelingskracht veroordeelde. Waarom had ik Any Trouble destijds gemist? De muziek doet me denken aan de grote Elvis Costello uit dezelfde jaren, misschien is YouTube zelfs via hem op deze band gekomen, maar op een of andere manier vind ik Any Trouble beter – en zou dat dan snobisme zijn, exclusiviteit van mijn ontdekking?
Zeker snobistisch dunkt me mijn afkeer van de te grote bijval voor Tom Browns ‘Funking for Jamaica’, met die ietwat waanzinnige zangeres Toni Smith – ik ken iemand die bij het horen van haar stem in een zwembad sprong. Ook daar bood YouTube uitkomst. Nagenoeg dezelfde bezetting verzorgt de ‘Nursery Rhyme Song’ van Weldon Irvine (toenmalig arrangeur bij Browne).
Beide liedjes zijn eigenlijk een jam, quasi-spontaan, en scheppen een sfeertje zoals destijds in de fijne draakfilm Fame, gebaseerd op het reilen en zeilen van de Juilliard School. Bij deze Irvine is Smith eveneens te horen, en Tom Browne zelf, Omar Hakim... Beroemdst van dit losvaste team werd Marcus Miller, wiens bas hier nog niet Bor de Wolf tracht te imiteren.
Wel raar komt mij de sensatie voor dat ik in dit genre – open baspatroon, rechte drums – veel betere liedjes ken: ‘Reach for it’ en ‘Dukey Stick’ van George Duke. Maar die zitten dusdanig diep in mijn systeem, dat de wanorde van YouTube me welgevalliger is.
Duidelijk tot nu toe wordt me dat deze site iets uitricht met de verhouding tussen originaliteit en navolging. Zo bracht de Yellow Magic Orchestra ooit een versie van ‘Tighten Up’, waarop het overwegend zwarte publiek van het legendarische programma Soul Train toegeeflijk, om niet te zeggen gul danste alsof het funk was.
Zou dat nou camp wezen?

maandag 30 mei 2016

En ik zei niets van alles wat ik bedacht had




Hier in België zijn peters en meters belangrijke mensen. Ik ken ongelovigen die als het ware een moord doen om die status te bereiken – en daar de boreling levenslang voor betalen in de vorm van cadeaus.
In Nederland heet dat peetoom en peettante. Klinkt toch wat minder. Maar de mijne waren meer. Mijn peettante was bijvoorbeeld een wonder. Ze was erbij toen mijn ouders elkaar ontmoetten.
Als ze op bezoek kwam, dronk mijn moeder bessenjenever met haar. Op zijn beurt had mijn peetoom, volgens het parochieblad, uiteindelijk ‘de kelk van het lijden tot op de bodem uitgedronken’.
Daarna draaide mijn peettante het liedje Laat me alleen’ van Rita Hovink, tot grijswordens toe (van de elpee). Het was een beroemd liedje, een hit, waarvan mij slechts één frase bijbleef. Over een glimlach die pure parodie is.
Ik heb mijn peettante destijds het gedicht ‘Iep aan de kade’ van T. van Deel gegeven. Dat had ze voor de gelegenheid drastisch herschreven, door voor het bezittelijk voornaamwoord een hoofdletter te gebruiken: ‘De boom laat ons het uitzicht na / op Zijn afwezigheid’.
Een legitieme herschrijving, ze had bewust de oorlog meegemaakt.
Een jaar na haar grote hit slaagde Rita Hovink er volgens Wikipedia in de laatste plaats te halen bij het Nationale Songfestival. Dat was met het liedje ‘Toen kwam jij’.
Ik heb daar zojuist kennis mee gemaakt, en vind het niet slecht. De tekst is er een beetje over, maar op een songfestival was dat niet opgevallen – we schrijven 1977, lang voor Google Translate, het apparaat zonder omtrek waarmee ook getuigenissen van vluchtelingen worden ontcijferd.
In Hovinks refrein staat zelfs een best mooie regel: ‘En ik zei niets van alles wat ik bedacht had’.
Vanochtend is het taalkundig genie vertrokken op zogeheten boerderijklassen. Ze scheen de enige met een rugzak; een beetje lagerescholier reist voor twee overnachtingen met een koffer op wieltjes. En het zal aan de zondvloed te wijten zijn dat ik de enige ouder bleek die voor het wegbrengen de fiets had genomen.
Een auto kan ik alleen in nachtmerries besturen. Mijn peettante beschikte, nogal uitzonderlijk voor haar generatie, wel over rijvaardigheid. Wel gebeurde dat in een wagen met de duistere krachten van het ‘automatisch schakelen’.
Het was de tijd waarin Hannes Meinkema in haar cultroman En dan is er koffie het woord ‘mevrouwig’ lanceerde. Dat leek geen compliment, want verwijzend naar rolpatronen. Hovink moest toen nog met de parodie van de glimlach afkomen.
Tegen het taalkundig genie zeg ik alles wat ik bedenk. Ik durfde haar alleen nog niet om de oplossing te vragen. Volgens de folder staan boerderijklassen namelijk in het teken van de verwondering. Toch hoeft dit geen slechte poëzie op te leveren, aangezien de kinderen in verbondenheid beloven te raken met het Mysterie.
In de dagelijkse praktijk bedenk ik weinig dat de moeite van het zeggen waard is. Dat maakt mij een slechte aan de telefoon. Behalve met mijn peettante.
Een paar maanden geleden heb ik haar gebeld, en er is toen een persoonlijk record gevestigd van meer dan twee uur. We spraken over van alles en nog wat, behalve over koetjes en kalfjes (die een privilege zijn van boerderijklassen).
Wat mijn peettante altijd feilloos heeft kunnen benoemen is wat bij Kinderen voor Kinderen een droeverig gevoel’ heet. Over dat licht afwijkende woord, dat in een heel ander register dan het ‘mevrouwige’ ligt, blijkt op een forum van gedachten te zijn gewisseld. De meeste deelnemers vinden het iets herkenbaars oproepen.
Ook daarom beschouw ik mijn peettante als een echte intellectueel. Ze had een fabelachtig vermogen tot inleving, schreef, las in alle talen, speelde partijtjes simultaanscrabble op de iPad en bezocht permanent de universiteit van het leven.
Mij heeft ze blind leren typen met tien vingers, iemand uit haar wijk heeft ze op hoge leeftijd – plusvijfentachtig – nog Franse les gegeven.
Nom de dieu. In het songfestivalliedje dat haar Waterloo werd, zong Rita Hovink: ‘Liefde. Wat is er dwazer dan liefde? Wachten.’ Zou dat hetzelfde zijn als de bodem van de kelk bereiken?


P.S. Over songfestivals gesproken: de eerste Nederlandse winnaar van de inmiddels nogal geëxpandeerde Eurovisie, Corry Brokken, is gestorven. Dat liedje ‘Net als toen’, uit 1957, duurt maar liefst vierenhalve minuut, met van 3.25 tot 3.55 een vioolsolo! Een sprookjesland dat nu aanvoelt als pure parodie. En Brokken zelf werd rechter.

donderdag 26 mei 2016

Geef het aan de bedelende poes




In het interviewboek Kaaskoppen van Robert Vuijsje biecht Mr. Polska op dat hij ‘half soep, half mens’ is. Hij wijt dat aan zijn geboorteland Polen. Als voorbeeld noemt hij rosul, een soep met grote stukken kip en groente. Ik vermoed dat zoiets in Nederland ‘maaltijdsoep’ heet, maar redelijkerwijs klinkt dat een beetje verwend, zo niet pleonastisch.
Misschien ligt de bron van rosul in een trans-Atlantisch recept. Van het feit dat de liefde door de maag gaat, heeft Maceo Parker de ingrediënten benoemd:

I need a magic stick
to get you in my trick
I need a rabbit's foot
just to get you hooked
I need a bowl of soup
just to make a stew
I need a turtle's egg
I wanna make you beg

Diende de Poolse variant zich aan door een geringere beschikbaarheid van (verse) producten? En smaakte less vervolgens werkelijk naar more?
Soep is een zelfstandig naamwoord, zowel mannelijk als vrouwelijk. Voor zover ik weet zijn zij en hij nooit voor een moderne identiteit ingezet, zoals lasagne. Raar, gezien de opties die een bouillabaisse biedt versus een bouillon, en het feit dat er, gazpacho indachtig, ook ijskoud iets bijzonders aan kan zijn.
Fijn aan soep is natuurlijk dat je ervan kunt slurpen als hij heet is. Toch is er iets aan waar ik me geen raad mee weet. Mij staat althans geen soep voor de geest die zelfstandig mijn buik- en maagbewegingen heeft weten te remmen. Altijd kwam er op zo’n dag een moment nadien, waarop meer warm voedsel nodig bleek.
Vermoedelijk heeft die sensatie al vroeg een stoeltje in mijn systeem bezet gehouden. Tot de eerste stukjes uit de Bijbel die ik las, behoorde zeker het verhaal over Esau die aan Jacob zijn eerstgeboorterecht verpatste voor een bord linzensoep. ‘Dat rode daar’ . Ik weet nog dat mij dat meteen een stomme zet leek. Zou het ongeloof daar begonnen zijn?

donderdag 19 mei 2016

Neeltje van Beveren (1977-2013)


De recente studie Allez, ge gaat het ook eens proberen’. Over uitgeverij Meulenhoff|Manteau (2003-2010) meldt dat Stijn Gooskens meer dan drie jaar geleden is gestorven. Zijn naam was me eerlijk gezegd ontschoten, zijn pseudoniem niet. Laat staan zijn begaafdheid, die zich helaas heeft beperkt tot één bundel Alles voor de vorm uit 2003.
Ik vind het nogal wat: het feit dat Neeltje van Beveren dood is. De onzichtbare dichter zwijgt voorgoed.
Te vertellen heb ik ongeveer niets over hem. Een intelligente student filosofie, vrolijke jongen met baard en zonder interessanterigheid, met wie ik als fondsredacteur in Amsterdam één keer gesproken heb. Boven een lijvige computeruitdraai die van mijn aantekeningen was voorzien.
Mijn geheugen laat me in de steek, terwijl ik zeer onlangs uit Dit kan niet waar zijn van Joris Luyendijk het begrip arse covering heb geleerd. Het betekent dat je, in ieder geval in de banksector, al je mails moet bewaren omdat je altijd beschuldigd kan worden, evengoed van dingen die je niet hebt gedaan, geschreven of gezegd.
Toch ben ik vrij zeker van die computeruitdraai, met in handschrift daarop louter een e-mailadres. Dat was voor mij toen een voorrecht – bij een inzending eens geen aanbeveling te lezen van een autoriteit die met mes en vork kon eten.
Mocht de indruk ontstaan dat ik een of andere heldendaad voor de literatuur heb verricht: mijn aandeel bestond uit het forwarden van Van Beverens e-mailadres naar een collega, die Alles voor de vorm heeft uitgegeven.
Dat poëziedebuut heb ik na het verlate nieuws van de dood herlezen, en ik viel onmiddellijk weer voor een openingsstrofe als

op bladzijde tachtig van zijn laffe roman
schrijft jean-paul sartre: ‘men moet geen
angst hebben’. ik zweer je had die schele
in mijn tijd geleefd, dan was ik hem met
zwarte maskers langs het pad gaan liggen.

Natuurlijk wordt de titel van de laffe roman niet vermeld, en is de ik zelf zo scheel dat zij ‘liggen’ voor ‘leggen’ aanziet. Dit is poëzie die risico neemt, door met meligheid een deel van het toch al kleine leespubliek uit te sluiten: de snobs.
Tegelijk speelt Van Beveren va-banque tegen insiders. Accepteren zij zoveel jaren na de experimentele golf dat er weer tegen lezersverwachtingen wordt aangetrapt? Dat het laatste werkwoord een fysieke component in zich draagt, komt misschien door een gruwelverhaal over Stijn Gooskens na zijn debuut: over een brand waarbij hij uit het raam moest springen en waaraan hij een dwarslaesie overhield.
Teruglezend met die latere, voor de bundel nog irrelevante kennis wordt Alles voor de vorm grimmiger. En heeft het getrap tegen lezers ook iets tragisch:

Kun je luisteren in koor of heet dat anders dan?

heilig is wie maalt en maalt en maalt, zo verkondigt
de profeet van de herkauwers. en je erover
verwonderen, waarom zou je?

het sterke van diens buiten boerenkringen schaars
gelezen boek, is dat het de liefde vermeldt
maar nergens loeit van een maker.

in het veld telt slechts de malsheid van het gras:
er is zover hij weet nog nooit een koe geweest
die graasde in naam van de wetenschap.

om te besluiten dat de werkelijk obscene beesten,
de koffietantes, die nu knauwend op kunstgras
in collegehokken zitten samengepakt

zo vlug als hun lamgeslagen poten het verdragen
in tastbare weiden moesten worden losgelaten
in verband met kans op oude,

overvolle melk die al bedorven wordt gemolken
als zij nog langer in hun stallen staan
te mekkeren in het donker.

kun je luisteren in
koor of heet dat
anders dan?

Het is net alsof alle bewegingen dan maar ten uitvoer moeten worden gebracht door de hersenen. En die willen op hun beurt zo veel mogelijk toelaten, en zoeken nog even naar eventuele redenen daarvoor. Wat is dit ondertussen nog steeds een geweldig gedicht!
Dat de slotstrofe de titel herhaalt en in stukken breekt op louter formele gronden, maakt het nog grimmiger. Alles voor de vorm heeft zelfs een apart gedicht in de gedaante van de inhoudsopgave die per stuk aanzwelt (hiervoor heeft hij vals moeten spelen met pagina 38).
Na zijn dwarslaesie blijkt Gooskens de stichting Scouters te hebben opgericht, die informatie, advies en hulpmiddelen geeft aan gehandicapten én, indachtig de geest van Van Beveren, hun zelfstandigheid vergroot.
Maar dan spreken we over een tijd waarin Neeltje, minder dan een decennium na haar debuut en een lustrum voor haar bij mijn weten laatste tijdschriftpublicatie ‘de geschiedenis van het denken 286-316’, werd aangezocht voor een avond over wat cultuurindustrieel Vergeten dichters heette. Uit de mailcorrespondentie rond dat evenement uit 2012 citeert de studie over uitgeverij Meulenhoff|Manteau dat Van Beveren een stand-in prefereert: ‘[d]emystificatie bewaar ik liever voor de filosofie, kunst is er in mijn ogen juist om hier en daar een rookgordijn op te trekken’.
Een voorbeeld van die procedure is het driedelige gedicht ‘Bezit zo leerde ik verblindde’. Het verhaalt van een ik-figuur die droomt een varkentje met pacemaker te zijn ‘dat voor / de kost verdronk’. De figuur heeft een grote liefde opgevat voor gaia, zijn goudvis, die ook een pacemaker heeft. Verderop in de droom verandert hij in een ander varkentje dat ‘iets had’ met mormonen. Na het ontwaken is zijn bed bevuild en is zijn wekker van moes geworden.
Hoe dat komt, belooft hij te vertellen ‘wanneer het beter uitkomt./ je zegt het maar. / ik wacht’. Ongevraagd uitstel! Even verderop in de bundel is er dan iets dat lijkt op een ’donker, eeuwige plasje drab‘ dat het gevoel blijkt te zijn, met een ‘schijnbare spontaniteit / en zomarisme’.
Zou het feit dat Van Beverens gedichten overwegend lang zijn behoren tot de strategische pesterigheid een nader te bepalen moment te verkiezen? Soms kon onder datzelfde gesternte bijna epigrammatisch werk ontstaan:

Mijn hart klopt zachter in het bos

vanavond pluk ik bramen voor een dode vriend
met zwaluwen, het vuur, de drie seizoenen
draag ik geen wanten maar een kruis
tegen de kou bevroren heuvels op

mijn hart klopt zachter in het bos
omdat het stilstaat bij de bomen
ik heb het leren donkerrood
te bloeden bij gevaar

Of plukt deze figuur voor zichzelf omdat hij, bijvoorbeeld bij ontstentenis van een pacemaker, al dood is? Door de nakennis van gebeurtenissen uit het leven van de maker wordt het gedicht minder melig, meer mellon collie zeg maar.
Uiteraard suggereert een titel als Alles voor de vorm ook dat de buitenkant wel moet regeren. Dat zou aan de wens onzichtbaar te blijven een politieke lading geven, zeker in tijden van visibiliteit’. Dat zijn zelfmoord de eerste in een rij tragische gevallen was, moest door de gewelddadige ineenstorting van de literaire kritiek haast wel onopgemerkt blijven.
Anderzijds had de maker wel belangrijker dingen aan zijn hoofd, omdat hij domweg met pijn moest leven. Ter nagedachtenis van die toestand richtte hij zelfs een webdomein op.

zondag 8 mei 2016

Nina’s


Als eerste wereldstad heeft Londen een moslimburgemeester. Nieuws dat klinkt als een heuse paradigmawisseling. Valt het te vertalen naar mijn branche?

Een lofzang op het essay sprak op zodanige wijze over een laaglands romandebuut, dat ik het, mijns ondanks, wilde lezen. De bibliotheek bood uitkomst. Na enige tientallen pagina’s snapte ik werkelijk niet wat het essay trachtte te beweren, en sloeg het erop na. Aha. De romanauteur heette dan wel Nina, maar dit bleek een andere.

En zo kwam ik alsnog bij De consequenties van Nina Weijers. Wat een knap boek! De macho in de lezer die ik ben, vond de toon wel wat ouwelijk tegenover de jeugdige leeftijd die deze auteur volgens de achterflap had. Weijers zette ook nadrukkelijk een verteller in, die veel wereldwijsheid debiteerde (mede over zoiets complex als kunstkritiek).

Een rijpe of gerijpte tekst? Anders dan of juist in het verlengde van overwegend introspectief Nederlandse proza? Onderzoekers van een databank weten beter wat de gemiddelden zijn bij man-vrouwverhoudingen en beroepsempathie; daarbij mag misschien verdisconteerd dat experimentele teksten niet mikken op identificatie.

De consequenties deed me denken aan de paar boeken die me van Milan Kundera bekend zijn. Daar moeten lezers verdragen dat de verteller het beter weet en de plot in soms curieuze richtingen stuurt. Destijds had ik er geen problemen mee, en stond versteld van de negatieve kritiek die Vogelaar erop formuleerde.

Dat ik inmiddels meer begrip heb voor Vogelaars standpunt, komt misschien door het andere Nina-debuut. Na De consequenties heb ik de lectuur hervat van We zullen niet te pletter slaan, door Nina Polak. Dit vond ik een groots boek. Polak vertelt vanuit elk personage afzonderlijk, en kan niet uit de voeten met systematiek.

We zullen niet te pletter slaan brengt de taal tot leven. Met metaforen, neologismen (‘thuisheid’), maar ook met muzikale middelen als tempo en ritme. Het boek valt per alinea te genieten, zij het niet snobistisch, maar als uit zichzelf brekende kunst. Op een of andere manier zit er een generatieroman in, temeer daar Polak niet mikt op representatieve objecten.

Weijers kan een smalle uitsparing in een wegdek én in een lichaam binnen een halve pagina een ‘geul’ noemen. Bij Polaks gulzige beschrijvingen lijkt me dat ondenkbaar, wegens de veelkantigheid van ervaringen. De consequenties onderwerpt die dan weer aan analyse, zodat ‘geul’ daar zeker volstaat.

In We zullen niet te pletter slaan wordt het apollinische gedomineerd door het dionysische. Ik besef door de ongeplande vergelijkende lezing dat van dat laatste Nederlandstalige literatuur wel wat kan gebruiken.

Ik moest denken aan nog een essay, ‘Onze cultuur wurgt ons’. Daarin wijst Gerrit Komrij op de schaduwzijden van al dan niet zelffeliciterend kunstgenot. Bijvoorbeeld dat Goebbels die voor het Derde Rijk op cultuur wilde schieten, een westerse traditie hooghield. Uitdagend (in de voorbije betekenis) stelt Komrij dat wiegeliedje en antisemitisch pamflet uit dezelfde bron komen.

Helaas kan Komrij het aan het eind niet laten vrij baan te geven aan zijn schimpscheuten, door officiële beoordelingsorganen van kunst  een ‘bezoldigend bedisselapparaat’ te noemen. Toch is zijn conclusie de moeite van het overdenken waard. Er is smaak, zegt hij, en er is geluk bij afwezigheid daarvan.

Zo voedt We zullen niet te pletter slaan volgens mij De consequenties. Het is goed dat er Nina’s zijn. En je hoeft er de deur niet voor uit. Honkvast als Kant! Over hem is opgemerkt dat hij een dermate verwoed lezer van reisverslagen was, dat Britse gasten na zijn verhalen niet konden geloven dat hij nooit in Londen was geweest.

maandag 2 mei 2016

Tell the world (deel 2, peripetie)


De inkt van mijn vorige posting is als het ware amper droog, of het proces-Hermans wordt in herinnering geroepen! In de NRC stond een ‘onthulling’ dat achter de obscure anti-EU-roman Oneigentijds (2010) van een zekere Vossius niemand minder dan Pepijn van Houwelingen schuilging, medeorganisator van het anti-EU-referendum.

Voor zover ik het vanuit het verre België overzie, sprongen er verontwaardigerds en likkebaarders bovenop. Tot de eerste groep behoorde de complete, nochtans in de ik-vorm schrijvende, ‘redactie’ van de website OpinieZ die in literatuur als vorm van onderzoek ziet, en als voorbeeld dan met Willem Frederik Hermans komt. De redactie citeert uit diens verdediging voor de rechtbank:


‘Aangezien ik in de eerste plaats literator ben, meen ik de literatuur, die mijn levenswijze en levensmogelijkheid is, met alle middelen te moeten beschermen tegen iedere aanslag op haar ontplooiingsmogelijkheden, hoe ook de wetgeving van Nederland moge wezen en hoe ook deze wetten à la rigueur kunnen worden toegepast en uitgelegd. Dat zij door u dusdanig zullen worden toegepast dat er voor de vrijheid van meningsuiting geen voetbreed gronds meer overblijft, ik hoop niet zulks te moeten ondervinden.’


Is het toevallig dat dit het enige fragment uit die rede is dat op internet staat? Hier schakelt Hermans van een technische identificatiekwestie over naar een abstracter, maatschappelijker niveau: de vrijheid van meningsuiting. Gelukkig liet het Sociaal Cultureel Planbureau, de dagelijkse werkgever van Van Houwelingen, in een reactie op de scoop weten dat de onderzoeker kon voortgaan met zijn activisme – geen ebru-emarrerij.

De vraag blijft natuurlijk of het meningsuitingsargument ook plausibel is. Ofwel: kan een auteur in literatuur alles beweren?

Mensen die hier ‘ja’ op antwoorden, is door Van Houwelingen inmiddels een heel rijtje namen met illustere voorgangers gegeven. Daar staan behalve Hermans ook Reve, Céline en De Sade bij, van wie bij mijn weten De Sade martelaarsaura geniet wegens langdurig verblijf in de gevangenis.

Mensen die op de vraag of alles in literatuur gezegd mag worden ‘nee’ antwoorden, kunnen dat ironischerwijs doen op basis van het onderzoeksmotief. In een goed laboratorium heersen immers ethische standaarden.

Geëngageerde literatuur die eruit tevoorschijn komt, hoeft zelfs niet de meest toegankelijke te zijn. In de anthologie Vuur! van A.H.J. Dautzenberg, die een mooi overzicht geeft van twee eeuwen ‘bezieling en betrokkenheid in de Nederlandstalige letteren’, ontbreekt elke wereldverbeterende experimenteel van Vogelaar tot en met Van Bastelaere.

Verontwaardigerds over de scoop zien een gebrek aan manieren bij de NRC. De term ‘karaktermoord’ valt. Of zoals Van Houwelingen het uitdrukt: ‘Van Powned had ik dit misschien verwacht – niet van een “kwaliteitskrant”.’

Ik ben teleurgesteld in dat ‘misschien’ en eveneens in die aanhalingstekens. Maar ze zijn klein bier vergeleken bij OpinieZ die NRC zag terugslaan wegens bedreigingen van een D66-achtig ‘kosmopolitisme’ en bij ThePostOnline die twijfelde aan de verstandelijke vermogens van de hoofdredacteur onder wiens verantwoordelijkheid het artikel verscheen.

Van Houwelingen lijkt vooral ontluisterd door de fysieke handelwijze. Als ik het goed begrijp, stonden de journalisten voor zijn deur. Dat is inderdaad onnozel, en wordt mogelijk gestimuleerd door een andere recente auteurskwestie, die zelfs Teletekst haalde: ‘Wie is Hendrik Groen?’

Bij de Vossius-affaire zijn de belangen groter, gedacht vanuit gemeenschappen die tegenwoordig vanuit het concept natiestaat ter discussie staan. Maar die belangen interfereren hier tragisch met human interest.

Tegelijk dunkt me Van Houwelingens verdediging moeilijk te volgen door zijn grillige niveau van pretentie. Hij noemt Oneigentijds een ‘boekje’ dat hij ‘in een aantal vakantieweken’ maakte. Toch karakteriseert hij de betreffende 220 pagina’s in de zin erna als ‘een filosofisch-literaire dialoog-roman, in de traditie van De Maistre, Maurice Joly, Nietzsche, Gabriele d’Annunzio, Dante, Adorno en Foucault – met een vleugje Malaparte en Norbert Elias’.

Wat is Vossius nu? Een frietenbakker of een driesterrenkok?

Wel vind ik het prachtig dat van Houwelingen in zijn dialoogidee fictie beschouwt als een strijdtoneel van opvattingen, conform de agonistische overtuiging van Chantal Mouffe die politiek hoogstwaarschijnlijk aan de overzijde van het spectrum zal staan.

Ook mooi dat NRC voor een eerste ontrafeling van de romantekst een paginagroot podium biedt, naar aanleiding van een boek bij een weinig verbreide uitgever, in plaats van de reguliere, door de geringe omvang al samenvattende esthetische recensies van voorspelbare titels.

Des te spijtiger lijkt me dat Van Houwelingen een relaps beleeft door louter het technische argument in de strijd te gooien. Net als Hermans stelt hij het veiligheidsslot in werking dat opvattingen van personages niet samenvallen met die van de auteur.

Dat veiligheidsslot respecteert de complexiteit van literatuur. In de stelligheid waarmee elk verband tussen auteur en personage wordt opgezegd, raakt deze opvatting echter alsnog eendimensionaal – en tekent, als gezegd, het morele failliet van kunst.

Wat vervolgens mijn wantrouwen aanwakkert, is dat Van Houwelingen verder gaat. Om het verschil tussen auteur en personages te accentueren, blijkt hij altijd onder pseudoniem te publiceren. Waarna zijn conclusie: ‘Mijn schrijverschap staat volledig los van mijn eigen (al dan niet politieke) opvattingen.’

De toevoeging tussen haakjes maakt de auteur voor mij waarlijk een Comical Ali. Had ik al onthuld dat deze Irakees een typetje van André van Duin is? Het is gafferpielekes altijd hetzelfde liedje.