woensdag 8 februari 2012

Jeroen Mettes (6)

In Mag ik Orpheus zijn? stelt Esther Jansma zichzelf en haar generatie als onafhankelijk voor. Los van groepen of stromingen hebben ze hooguit een internationale blik gemeen. Tegelijk weet Jansma: ‘Ik heb grote moeite met charmant gedoe, inclusief het “kijk mij nou” van precieuze, zwaar opgemaakte, volstrekt talige gedichten. Wiebelhakjesgedoe, elegante handen, een sigaretje in een houder. Gemaakt gebalanceer op postmoderne touwen. Ik mis in zulke gedichten de vuile voeten eronder. De gaten in het ondergoed. De noodzaak, de passie.’
Kennelijk is de duivel der polemiek zo immens dat die door karikaturen van het lijf gehouden moet. Maar het is waar dat ‘het debat’ deze generatie, die ideologisch aan Mettes voorafgaat en grofweg debuteerde rond de Maximalen, gestolen kan worden. Oosterhoff heeft vaker zijn afkeer van – als ‘Hollands’ gevoelde – discussie geuit, en bij de toestanden met de Chinese boekenbeurs schoot Februari om soortgelijke redenen met scherp. Wijnberg leest bij voorkeur zelfs geen collega’s.
Met hun leeftijdsgenoten in België ligt het anders, maar voor de kritische anklang had Mettes de omstandigheden niet echt mee. Door de afstand die het Nagelaten werk met behoud van chronologie schept, wordt het beter zichtbaar dat hij vooral mikte op twee Noord-Nederlandse dichters die nooit reageren. Met zijn Language-achtergrond raakte Mettes desalniettemin een poëticale kern in de Lage Landen. Dit is in den beginne het bezwaar: ‘Onder de mooie regels heeft die poëzie iets truttigs, iets burgerlijks. Of misschien zit die truttigheid wel in die mooie regels. En het dogma van de “verwondering” over het alledaagse, gepresenteerd in “speelse” gedichten…’
De ene dichter waar Mettes het over heeft, is K. Michel. Dat valt te begrijpen vanuit de marge van Mettes en de centrale positie van Michel. Door het recente bericht over de verdwijning van uitgeverij Augustus, besefte ik weer dat geen fonds zo’n hoog grachtengordelgehalte kende – en dat er bij de initiële auteursgroep in 2001 slechts twee dichters zaten, onder wie Michel. Als voormalig Maximaal was hij vanaf de ontideologiserende jaren negentig Raster-redacteur voor poëzie. Door daar andersoortige dichters te acquireren was hij, maar ik vrees door deze hypothese voor frisse pek en olie, op zijn manier polemisch.
Mettes’ andere doelwit is Arjen Duinker. Over hem mondden blogmatig uitgeteste ideeën uit in een essay dat niet alleen kritisch is over de dichter maar eveneens over het literaire klimaat. Ook die beschouwing bleef bij mijn weten onbeantwoord. Slechts Vriezen ging er in een verzoenend essay op in. Dat was in het Parmentier-nummer over Duinker, waarbij het object zelf eerst zegt: ‘Opvattingen? Heb ik die? Over poëzie? Volgens mij doe ik weinig meer dan zeggen dat ik het ene gedicht niks vind en het andere mooi. Anders gezegd, dat het ene gedicht me bevalt en het andere niet. Ongetwijfeld zitten er dingen in mijn hoofd die maken dat ik dit of dat zeg en dit of dat doe, maar opvattingen... Rekenkunde is uitdagender.’ Verderop komt Mettes’ essay ter sprake, waarvan de kritiek wordt samengevat als ‘vlucht uit het leven’. Getuige zijn reactie hierop blijkt Duinker veranderd in een preses: ‘Het is me verboden hier grappen over te maken.’
Misschien voelde Duinker zich teruggepropt. Precies aan het kikkerland heeft Mettes, in de nagelaten documentatie ‘Politieke poëzie’ over zijn eigen N30, de verwondering immers verklonken: ‘een codewoord, een sjiboleth [sic] voor een kleinburgerlijke verbeelding (ik herken mezelf in de meest vreemde dingen, een pratende hond, een grachtengordel, een rechtopstaande vijver – hé – goh). Nee. De wereld is een sociale wereld, niet JOUW wereld, dichter. Op één staat macht. Wat macht ontkent noem ik “Nederlands”, of “Lullig”.’ De hond zal naar een gedicht van Oosterhoff verwijzen, de vijver naar Michel, maar hoe ook, zulke bezwaren slikken, in historisch beladen termen als ‘burgerlijk’, is geen voorrecht.
Het Duinker-essay zet de verwonderingskritiek in het teken van de ervaring. Mettes corrigeert het idee dat in het dagelijks leven chaos heerst:

‘Er heeft zelden zo’n geadministreerde, gereguleerde en gecontroleerde samenleving bestaan als de huidige, en nergens is dat duidelijker dan in de alledaagse sleur. Het dagelijks leven is niet iets “natuurlijks”, een soort ongevormde, chaotische materie; het ontleent zijn alledaagsheid, zijn triviale ritme, aan maatschappelijke structuren en krachten, nu meer dan ooit. Dat zou je niet raden als je door de ogen kijkt van het abstract, wereldloos subject van de verwonderingspoëzie; dat subject ziet scherp, maar wat het ziet zijn schimmen van een sociale wereld. De dingen die een werktuigelijke functie hebben worden van die functie ontdaan, geabstraheerd, zodat ze nutteloos, waardeloos en “mooi” zijn. Ascese en estheticisme grijpen ineen en het effect doet denken aan de doelstelling van een reclamespotje: de idealisering van het alledaagse.’

Eens of oneens, zulke beweringen verklaren de oorlog aan een recensiecultuur zoals die in de postideologie is geworden. Ik snap dat de termen waarin Mettes bevindingen giet weerstand oproepen, maar zijn onverzettelijkheid, een vorm van optimisme, doet recht aan wat poëzie kan zijn:

‘Een verwonderingsgedicht is een ideologische fetisj bij de zogenaamde noodzakelijkheid van de marktmaatschappij, een poëtisch “bewijs” hiervan, of liever gezegd: een quasi-spiritueel supplement bij de noodzakelijkheid, een soort happy pill om haar draaglijk te maken. Deze noodzakelijkheid is echter volkomen contingent; zij is op arbitraire en gewelddadige wijze afgekondigd. Als men zegt dat de samenleving niet maakbaar is, dan bedoelt men in feite: “De samenleving is niet maakbaar door jullie. Laat ons het werk maar doen: bureaucraten, kapitalisten, specialisten (…)”. En als een gedicht zegt: “Hoe verwonderlijk dat er dingen zijn en niet eerder niets”, dan zwijgt het over hoe onverdraaglijk de dingen wel niet zijn, en mystificeert bovendien zijn eigen verlangen naar het Niets zoals dat concreet gestalte krijgt in de uitgestalde waar van de epifanie. Met andere woorden: het gedicht bevestigt een maatschappij waarin vrijheid wordt geïllustreerd door het op de knieën vallen voor een showmodel.’

Dit zal zelf allemaal ‘heel Hollands’ zijn, maar de Elfstedenkoorts heeft nu toch postgevat. Is het niet zo dat ijs veilig is wanneer het kraakt? Iedere poëzieliefhebber zou Mettes’ Nagelaten werk mogen lezen. Buitengewoon, zei ik al, maar vooral treurig stemmend. Ook omdat zulke teksten surfers en lezers doen beseffen wat er sindsdien ontbreekt (omdat ze confronterend zijn).

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen