Mitleid of misplaatste identificatiedrang? Terroristen houden niet van katten, weet dichteres Hanneke van Eijken, maar mij staan via YouTube onhandig knusse televisiebeelden bij, waarop een Meinhof spreekt die, gescheiden maar nog met kinderen, van Hamburg was verhuisd naar Berlijn. Redenaties en gestiek steken af tegen de omgeving. De vermaledijde amateurspsycholoog in mij vindt Meinhof nerveus en grimmig. Of machinaal en hyperslim? Blikken vermijdend om haar logica in tact te laten?
Na gedane terroristische zaken zou ze meer bedaard klinken, zoals in de tijd dat ze haar overtuigingen niet tot consequenties had doorgevoerd. Van Bastelaere:
Onoverzienbaar
het realiteitsverlies, maar wat heet
verlies als het leven
niet het hoogste goed van de revolutionair is.
Aangrijpend is ook een door Röhl integraal geciteerde open brief van stiefmoeder Renate Riemeck, die haar Ulrike tracht terug te krijgen uit de illegaliteit waarin de RAF de hakken in het zand zet en, vermoedelijk ongewild, onschuldige slachtoffers maakt. Riemeck zaait tweedracht op zoetsappige wijze: ‘Ik weet niet hoe ver je invloed binnen de groep reikt, in hoeverre je vrienden vatbaar zijn voor rationele overwegingen. Maar je zou moeten proberen de kansen van een stadsguerrilla in de Bondsrepubliek eens te meten aan de sociale realiteit van dit land’.
Meinhofs idee dat de strijd tegen het kapitalisme is gediend bij ‘directe tegenstand’, is volgens Riemeck irrationeel. ‘Dat kan men alleen geloven als men in de jaren vijftig en zestig jonger was dan jij.’ Hier wordt in een en dezelfde redenatie de generatiekloof uitgespeeld binnen de RAF, waar Meinhof, geboren in 1934, verreweg de oudste was. Röhl herinnert zich op zijn beurt dat reeds zijn jaargang 28/29, onder wie Grass, Martin Walser, Rühmkorf en Kempowski, het wel degelijk gewußt had.
Maar de RAF appelleerde sterker aan haar eigen generatie: babyboomers. Beatrice de Graaf verklaarde de ruime appreciatie bij hen uit het feit dat geweld geromantiseerd zou zijn, en dat ouderen leedvermaak hadden over de toestand dat ‘de Duitsers’ het zwaar te verduren hadden. Beide motieven klinken puberaal, maar in 1980 was er van de Limburgse punkband Mort Subite het chanson ‘Ich liebe Ulrike’. En dat jaar viel in het door De Graaf gekozen fragment uit het geweldige VPRO-programma Neon inderdaad nog ‘Freiheit fur die RAF’ te lezen op de Muur, en kladderde Jules Deelder er ‘Beter maf dan mof’ op. In het dappere kikkerland bleef het oorlog – zelf heb ik een voornaam die absoluut op een c moest eindigen, niet op een k.
Röhl had een RAF-vader kunnen zijn. Vijf vingers maken nog geen vuist is een merkwaardige apologie, omdat hij naast zijn stukgelopen relatie met Meinhof (die op het moment van publicatie nog leefde) zijn hoofdredactioneel beleid voor konkret legitimeert. Het boek is overvol en gekleurd, wat na al die tijd een voordeel lijkt om de lens scherp te krijgen op een door mythes omgeven decennium. Röhl blijkt overigens Ik Jan Cremer in het Duits te hebben vertaald, volgens hem van een ‘half geniale en half intellectuele auteur’. Deze heeft sowieso een meer dan gemiddelde belangstelling voor zichzelf met hem gemeen.
Natuurlijk heeft de ex-man van Meinhof brutaal het parcours van links naar rechts afgelegd. Hij heeft een soortgelijk gebrek aan ontzag. Evenzeer voor literaire reputaties, waarbij hij in een soort lyriek ‘schelpengesmoes’ en ‘koraalgerinkel’ kan ontwaren. Onbedoeld neemt hij ermee een voorschot op het heden. En de Meinhof-reflex werd eind jaren zeventig reeds geopenbaard door Marianne Faithfull. Haar ‘Broken English’ is een tamelijk vernietigend nummer van vrouw tot vrouw, diametraal op de Ensslin-kritiek:
Cold lonely, puritan
What are you fighting for?
It's not my security.
It's just an old war
Lost passiviteit enige zinloosheid op? Als actrice zou Faithfull later een innemende rol spelen, van Maggie in de film Irina Palm , die het tegendeel doet vermoeden. Maggie opereert solo, als levende tegenstelling van de wonderbaarlijke LinkedIn-contactoptie ‘Weer te geven wie u en *** beiden kennen’.
En wat is helemaal passiviteit in een antinetwerknetwerk? Ik denk aan al die sterfgevallen in de Stammheimgevangenis, waarover het stof van de verdachtmaking nooit is gedaald. Indien Meinhofs dood zelfmoord was, dan is die daad, in een biotoop waar woorden overbleven, te interpreteren als correctie op wat de groep met idealen had gedaan. En indien vervolgens de anderen (Baader, Ensslin en Raspe) een collectieve zelfmoord verkocht kregen als moord, dan zou dat een absurde daad van marketing inhouden, door het groepsgevoel van activisten buiten de muren en de urgentie van harde actie te prikkelen.
Dan zou Meinhof het zich steeds sterker opdringende historisch voorbeeld aan gruzelementen hebben geslagen: Robespierre, ‘de niet-corrumpeerbare’, die in de Franse Revolutie de oude koning meteen wilde laten ombrengen en niet laten berechten omdat de overwinning van de gelijkheid meteen de veroordeling van de ongelijkheid zou betekenen. Dat die koning, volgens het principe van de Revolutie, als mens mogelijk anders dacht dan als burger, was geen kwestie – de beklaagde van l’état c’est moi werd met zijn eigen maatstaven behandeld.
Robespierre vertolkte de deugd, de ander de ondeugd. Dat hij die deugd voor het algemeen belang, onder welke druk die ook stond, desnoods met terreur tegen individuen zuiver hield en dat hij met die staalharde opstelling zijn idealen en principes inwisselde voor verschrikkingen, daarvoor zijn volgens Marcel Becker in Vurige pleidooien twee verklaringen in voorraad: de man was slachtoffer van de omstandigheden of hij was, tja, hypocriet.
Een laatste reuzenstap. Als belichamer van de algemene wil entte Robespierre zich op Rousseau. Deze standaardconnectie, even hardnekkig als die tussen Nietzsche en de nazi’s, wordt indrukwekkend uitgewerkt door Philipp Blom in Het verdorven genootschap. De vergeten radicalen van de Verlichting. Blijkt in dat boek overigens ook Voltaire een linkmiegel, over de tirannieke achterdocht en grootheidswaan van Rousseau weet Blom beeldend, bijna verontwaardigd te vertellen. Hij brengt de filosoof, die zwenkte van Verlichting naar Romantiek, in een verrassend verband met het calvinisme: de verlossing, waarnaar op het ondermaanse naar gesnakt wordt, is een zaak van distinctie en lichamelijke verlangens moeten uit den boze zijn. En pijn?
dinsdag 27 augustus 2013
donderdag 22 augustus 2013
Ulrike (5)
Meest onwrikbaar leek Gudrun Ensslin. Terwijl Meinhof de dochter was van een jonggestorven nazi-ideoloog, kwam zij uit een domineesgezin – volgens de mare met een pertinent onpersoonlijke drive voor het kapitalisme! Ensslins ouderschap is bij mijn weten nooit een item geweest (Beatrice de Graaf sprak er evenmin over). Meinhof leek aldus helemaal een gedoemde moeder. Heersen over revolutionaire vaders andere verwachtingen? Van de Haar vertelt dat Meinhof in Stammheim haar tweeling om nieuwe tekeningen kon vragen, omdat ze de oude uit haar hoofd kende.
Gaande de detentiejaren verloor Meinhof voor Ensslin de uitverkorenheid en werd evengoed een zwijn. In die beoordeling wist ze de groep achter zich te krijgen. Nog meer uitsluiting! Boeiend detail is dat Van de Haar de ongekende omvang van Meinhofs isolement tracht te verhelderen met een literair boek (Joris Ockeloen en het wachten). Met de officiële verbeelding dus, waartegen de RAF de daad had gesteld.
Wanneer het gaat om details, beschikt ex-man Klaus Rainer Röhl er natuurlijk over meer. In Vijf vingers maken nog geen vuist, waarvan de oorspronkelijke druk in 1974 verscheen, vertelt hij welke pijnen Meinhof doorstond voor, tijdens en na haar fameuze hersenoperatie in de jaren zestig. Het hogere doel van de revolutie moet erg hoog zijn geweest. Net als het offer ervoor, een panische angst voor knallen bijvoorbeeld, zelfs uit een klappertjespistool.
Het zal amateurpsychologie zijn, maar fysiek ongemak kan Meinhof hebben bezworen met woorden, veel woorden, grote woorden. In een mooie analyse van Van Bastelaeres RAF-reeks beweert Odile Heynders dat er werd ‘gekoketteerd met een pseudo-marxistisch discours’, maar omdat ik het originele niet ken rest me haar voorbeeld over te nemen: ‘Erklärung. Der bewaffnete Kampf hat begonnen Kein Ausbeuter wird ungestraft bleiben! Wir werden den Kampf gegen Imperialismus und Kapitalismus bis zur entgültigen Befreiung des Proletariats unterstützen!’ Dit is uit 1972.
Pas ingewikkeld wordt het zich te bedenken dat het decennia zou duren voordat het zogeheten ware gezicht van ‘het kapitalisme’ bloot kwam. De taal heeft daartoe van ‘casino’ een voorvoegsel gemaakt. Het woord ‘uitwas’ zet ze dan uitsluitend in het meervoud in. Niet iedereen heeft zich daar voetstoots bij neergelegd. In vergelijking met de RAF was het protest van Occupy geweldloos en waren activisten zichtbaar.
Ingewikkelder vind ik dat het bekritiseren van een ‘systeem’ gedateerd heet, terwijl het zich met Prism, voortgaand op de innovatie van de rasteropsporing, zowel letterlijk als figuurlijk in alle hevigheid opdringt. Destijds stelde de Stadtguerilla:
‘Legalität ist die Ideologie des Parlamentarismus, der Sozialpartnerschaft, der pluralistischen Gesellschaft. Sie wird zum Fetisch, wenn die, die darauf pochen, ignorieren, daß Telefone legal abgehört werden, Post legal kontrolliert, Nachbarn legal befragt, Denunzianten legal bezahlt, daß legal observiert wird – daß die Organisierung von politischer Arbeit, wenn sie dem Zugriff der politischen Polizei nicht permanent ausgesetzt sein will, gleichzeitig legal und illegal zu sein hat.’
Dat nu klokkenluider Snowden vooralsnog asiel krijgt in Rusland en commentaar van Poetin door zijn Amerikaanse confrater wordt aangemerkt als koudeoorlogsretoriek steunt het idee dat oude tijden herleven.
Reacties op het optreden bij Zomergasten van Beatrice de Graaf lieten zelfs uitschijnen dat de revolutionairen van weleer een agendapunt gerealiseerd hebben. Als paradepaardje van hiërarchische verhoudingen moest religie immers op de schroothoop. Dat De Graaf anno 2013 haar avond afsloot met een psalm, viel volstrekt verkeerd. Of komt het door eenentwintigste-eeuwse acties van ‘de islam’ dat secularisme de enige niche kan zijn? Getuige in gal gedrenkte comments tegen De Graaf, die niet leken te beseffen begrip van de eigen cultuur te ridiculiseren, inclusief taal en popmuziek, kan het christendom het in elk geval schudden.
Er blijft verschil. Voor de letteren strekt dat verder dan het oog van toen versus dat van nu. Dit leerde ik uit twee interviews met specialisten van ongeveer dezelfde politieke oriëntatie en een vergelijkbare belezenheid. Heden onderkent Geert Buelens bij zijn indrukken over de staat van poëzie het trechtermodel maar relativeert het en hij verdedigt een sanering van een dichtersfonds om economische redenen. Al te begripvol, volgens mij, terwijl ooit Jacq Firmin Vogelaar al te onbegripvol jegens uitgevers van leer trok en sowieso alles verabsoluteerde.
Zijn opvattingen, die woord of bewustzijn boven de daad verkiezen, kwamen vlak voordat de RAF ten strijde trok. Röhl doet voelen wat het betekende dat Meinhof toen afstand moest bewaren tot haar kinderen, die voortdurend bij anderen werden onderbracht. Op Sicilië, vertelt hij, werden ze eens wekenlang verzorgd door twee hippies op een fond van rijst, tonijn en tomatensaus. Voor de vitamientjes moesten citroenen dienen. Dat kan niet zonder repercussies blijven. Op hun beurt speelden de meisjes Baader-Meinhofje, met achtervolgingen en zo.
Maar toen was moederlief dus al ondergronds gegaan, doordat er bij de bevrijding van Baader en Ensslin, die zij had geënsceneerd als participerend journalist, per ongeluk een schot viel. De nieuwe status was niet haar plan, hebben velen benadrukt. Zo ook Beatrice de Graaf die poneerde dat, zeker in die tijd toen media niet overal bovenop zaten, Meinhof terug te halen was geweest, en zo ‘nog te redden’, indien de Duitse politie niet daags daarna alom met opsporingsposters had uitgepakt, inclusief hoge beloningen voor wie de zogenaamd moordlustige journaliste aangaf.
Dat beleid onderstreept de faam die Meinhof had opgebouwd. Waar geleerde heren voor de Verlichting beweerden dat vrouwen door intellectuele overprikkeling hitsig konden raken en soms steriel, getuigt Röhl hoe Meinhof bij konkret, hét Duitse linkse blad van de jaren zestig, door ziedende kritieken een societyfiguur werd, een knuffeldier van scherpzinnig extremisme. Het gehate ‘establishment’ naderde slechts, als belichaamde het een predestinatie.
Haar radicalisering lijkt organisch gegroeid, in reactie op tegenstanders en geprikkeld door bentgenoten die het nut van het schrift betwijfelden. Van Bastelaere vult een complete dichtregel met loodzwaar Duits: ‘Primat der Praxis Bullenherrschaft Haftstatut’. Zo belandde Meinhof in een religieuze context: een geplaagd geweten of een mentale ascese, hoe dan ook de antipode van zelfreiniging. Daarbij bleef ze behalve consequent bovenal trouw. Of leverde ze zich door ondergronds te gaan uit aan een noodlot dat ontproletariseerd moest?
Gaande de detentiejaren verloor Meinhof voor Ensslin de uitverkorenheid en werd evengoed een zwijn. In die beoordeling wist ze de groep achter zich te krijgen. Nog meer uitsluiting! Boeiend detail is dat Van de Haar de ongekende omvang van Meinhofs isolement tracht te verhelderen met een literair boek (Joris Ockeloen en het wachten). Met de officiële verbeelding dus, waartegen de RAF de daad had gesteld.
Wanneer het gaat om details, beschikt ex-man Klaus Rainer Röhl er natuurlijk over meer. In Vijf vingers maken nog geen vuist, waarvan de oorspronkelijke druk in 1974 verscheen, vertelt hij welke pijnen Meinhof doorstond voor, tijdens en na haar fameuze hersenoperatie in de jaren zestig. Het hogere doel van de revolutie moet erg hoog zijn geweest. Net als het offer ervoor, een panische angst voor knallen bijvoorbeeld, zelfs uit een klappertjespistool.
Het zal amateurpsychologie zijn, maar fysiek ongemak kan Meinhof hebben bezworen met woorden, veel woorden, grote woorden. In een mooie analyse van Van Bastelaeres RAF-reeks beweert Odile Heynders dat er werd ‘gekoketteerd met een pseudo-marxistisch discours’, maar omdat ik het originele niet ken rest me haar voorbeeld over te nemen: ‘Erklärung. Der bewaffnete Kampf hat begonnen Kein Ausbeuter wird ungestraft bleiben! Wir werden den Kampf gegen Imperialismus und Kapitalismus bis zur entgültigen Befreiung des Proletariats unterstützen!’ Dit is uit 1972.
Pas ingewikkeld wordt het zich te bedenken dat het decennia zou duren voordat het zogeheten ware gezicht van ‘het kapitalisme’ bloot kwam. De taal heeft daartoe van ‘casino’ een voorvoegsel gemaakt. Het woord ‘uitwas’ zet ze dan uitsluitend in het meervoud in. Niet iedereen heeft zich daar voetstoots bij neergelegd. In vergelijking met de RAF was het protest van Occupy geweldloos en waren activisten zichtbaar.
Ingewikkelder vind ik dat het bekritiseren van een ‘systeem’ gedateerd heet, terwijl het zich met Prism, voortgaand op de innovatie van de rasteropsporing, zowel letterlijk als figuurlijk in alle hevigheid opdringt. Destijds stelde de Stadtguerilla:
‘Legalität ist die Ideologie des Parlamentarismus, der Sozialpartnerschaft, der pluralistischen Gesellschaft. Sie wird zum Fetisch, wenn die, die darauf pochen, ignorieren, daß Telefone legal abgehört werden, Post legal kontrolliert, Nachbarn legal befragt, Denunzianten legal bezahlt, daß legal observiert wird – daß die Organisierung von politischer Arbeit, wenn sie dem Zugriff der politischen Polizei nicht permanent ausgesetzt sein will, gleichzeitig legal und illegal zu sein hat.’
Dat nu klokkenluider Snowden vooralsnog asiel krijgt in Rusland en commentaar van Poetin door zijn Amerikaanse confrater wordt aangemerkt als koudeoorlogsretoriek steunt het idee dat oude tijden herleven.
Reacties op het optreden bij Zomergasten van Beatrice de Graaf lieten zelfs uitschijnen dat de revolutionairen van weleer een agendapunt gerealiseerd hebben. Als paradepaardje van hiërarchische verhoudingen moest religie immers op de schroothoop. Dat De Graaf anno 2013 haar avond afsloot met een psalm, viel volstrekt verkeerd. Of komt het door eenentwintigste-eeuwse acties van ‘de islam’ dat secularisme de enige niche kan zijn? Getuige in gal gedrenkte comments tegen De Graaf, die niet leken te beseffen begrip van de eigen cultuur te ridiculiseren, inclusief taal en popmuziek, kan het christendom het in elk geval schudden.
Er blijft verschil. Voor de letteren strekt dat verder dan het oog van toen versus dat van nu. Dit leerde ik uit twee interviews met specialisten van ongeveer dezelfde politieke oriëntatie en een vergelijkbare belezenheid. Heden onderkent Geert Buelens bij zijn indrukken over de staat van poëzie het trechtermodel maar relativeert het en hij verdedigt een sanering van een dichtersfonds om economische redenen. Al te begripvol, volgens mij, terwijl ooit Jacq Firmin Vogelaar al te onbegripvol jegens uitgevers van leer trok en sowieso alles verabsoluteerde.
Zijn opvattingen, die woord of bewustzijn boven de daad verkiezen, kwamen vlak voordat de RAF ten strijde trok. Röhl doet voelen wat het betekende dat Meinhof toen afstand moest bewaren tot haar kinderen, die voortdurend bij anderen werden onderbracht. Op Sicilië, vertelt hij, werden ze eens wekenlang verzorgd door twee hippies op een fond van rijst, tonijn en tomatensaus. Voor de vitamientjes moesten citroenen dienen. Dat kan niet zonder repercussies blijven. Op hun beurt speelden de meisjes Baader-Meinhofje, met achtervolgingen en zo.
Maar toen was moederlief dus al ondergronds gegaan, doordat er bij de bevrijding van Baader en Ensslin, die zij had geënsceneerd als participerend journalist, per ongeluk een schot viel. De nieuwe status was niet haar plan, hebben velen benadrukt. Zo ook Beatrice de Graaf die poneerde dat, zeker in die tijd toen media niet overal bovenop zaten, Meinhof terug te halen was geweest, en zo ‘nog te redden’, indien de Duitse politie niet daags daarna alom met opsporingsposters had uitgepakt, inclusief hoge beloningen voor wie de zogenaamd moordlustige journaliste aangaf.
Dat beleid onderstreept de faam die Meinhof had opgebouwd. Waar geleerde heren voor de Verlichting beweerden dat vrouwen door intellectuele overprikkeling hitsig konden raken en soms steriel, getuigt Röhl hoe Meinhof bij konkret, hét Duitse linkse blad van de jaren zestig, door ziedende kritieken een societyfiguur werd, een knuffeldier van scherpzinnig extremisme. Het gehate ‘establishment’ naderde slechts, als belichaamde het een predestinatie.
Haar radicalisering lijkt organisch gegroeid, in reactie op tegenstanders en geprikkeld door bentgenoten die het nut van het schrift betwijfelden. Van Bastelaere vult een complete dichtregel met loodzwaar Duits: ‘Primat der Praxis Bullenherrschaft Haftstatut’. Zo belandde Meinhof in een religieuze context: een geplaagd geweten of een mentale ascese, hoe dan ook de antipode van zelfreiniging. Daarbij bleef ze behalve consequent bovenal trouw. Of leverde ze zich door ondergronds te gaan uit aan een noodlot dat ontproletariseerd moest?
vrijdag 16 augustus 2013
Ulrike (4)
Commercieel lijkt het een kamikaze, de biografie door Otto van de Haar zo kort na die van Jutta Ditfurth. De geportretteerde heet Ulrike Meinhof. Ooit was zij heet nieuws, getuige Komrij in Horen, Zien en Zwijgen: ‘Het journaal. In Duitsland zijn zes bananenschillen gevonden op de openbare straatweg. De politie zegt in de stellige overtuiging te verkeren dat er direct verband bestaat tussen deze vondst en de zelfmoord van Ulrike Meinhof, een maand geleden. Ook de ontvreemding van een herenpolshorloge en de hartaanval van een honderddriejarige Köllnerin worden door de politie in verband gebracht.’
Van de Haar laat zien dat zelfreinigende satire geen constante is geweest. Dat bleek al uit Theater van de angst. De strijd tegen terrorisme in Nederland, Duitsland, Italië en Amerika, de studie waarmee Beatrice de Graaf de Rote Armee Fraktion, annex de Baader-Meinhof-Groep, helder terugbracht in het collectief geheugen. Vervolgens was Meinhof een van de door haar geportretteerde Gevaarlijke vrouwen. Dat boek ken ik nog niet, maar door De Graafs verfrissende bijdrage aan Zomergasten kwamen er al wat schichten over voorbij.
Elke toelichting komt van pas, omdat geweld van alle tijden is. Helaas demonstreert de toestand in Egypte ook dat het van elke partij kan komen. Wanneer wordt het ‘terroristisch’? Dat stempel heeft busladingen theorie met zich meegebracht. Tegelijk wordt van alles en nog wat ‘terroristisch’ genoemd. Omdat de homo sapiens van vlees en bloed is? Ik vond het mooi dat De Graaf opbiechtte aan Gevaarlijke vrouwen te hebben geschreven in zwangerschapsverlof, wat haar oordeel over Meinhof op een voorspelbaar punt had beïnvloed. Dan nog zal het minder resoluut zijn dan wat de ronde doet.
Van de Haar gaf aan zijn biografie de titel Terroriste voor een betere wereld, refererend aan de oerfrictie tussen doel en middelen, tussen geloof en praktijk. Inmiddels lijkt dat geen kwestie meer, omdat die praktijk middelen geopenbaard heeft die geen enkel doel zou heiligen. Ik verdraag het niet goed dat er, gorgelend met het badwater van haar tijdvak waarvan je mag geloven dat op klaarlichte dag je achterhoofd leeggeroofd kon worden, vanzelfsprekende minachting regeert over Meinhof. Temeer daar die reflexen ook iets zeggen over het huidige bestel.
Destijds was ‘intens’ meer dan een woord. Er was een debat. Bovendien werd het, niet tot algemeen genoegen, op grondslagen gevoerd. Zoiets komt in het hedendaagse intellectuele klimaat niet van pas. Het is er te competitief voor. Efficiency is geboden, evengoed in literatuur. Lawrence Sterne mocht zich erover hebben verbaasd dat in de salon van Baron d’Holbach philosophes met elkaar konden omgaan zonder te bijten en te krabben, tegenwoordig ondergaat elkeen de gevolgen van een trechtermodel. Er zijn onnoemelijk meer auteurs dan plaatsen die boekhandels en media te vergeven hebben. Binnen die competitie worden de twee meest beoefende sporten meelopen en wegkijken.
Het grootste verschil is misschien dat de RAF evengoed netwerkte, maar dan in het negatieve en met een collectief doel. Potentiële medestanders werden gewogen en dikwijls te licht bevonden. Wel golden ze nog als niet-zwijnen. Het blijft schrikken dat de RAF symboolslachtoffers à la Hanns Martin Schleyer ten gronde minachtte. Verweet de pot de ketel zo niet dat hij zwart zag? De revolutionairen trachten een doorbraak forceren in hiërarchische verhoudingen en onrecht, en mikten daarbij op de elite. Daarbij wilden ze voorkomen in dezelfde val te tuinen als hun ouders (meer dan eens is opgemerkt dat Meinhof hetzelfde kapsel had als de iconische verzetstrijder Sophie Scholl). De invloedrijke Schleyer mocht dan van de NSDAP en de SS zijn geweest, legitimeerde dat een nazibehandeling? Er zit iets irritants aan de treffendheid waarmee ten tijde van diens ontvoering bondskanselier Schmidt de RAF aanduidde als ‘elite’ die meende dat de te verheffen massa aan haar kant stond.
Hoe viel Schleyer als ‘minderwaardig’ te beschouwen? Gerard Reve schreef ooit in het verhaal Haringgraten over een man die niet te stuiten weerzin opriep door een manier van eten, maar de haat die hier regeerde was, afhankelijk van het standpunt, veel gratuiter of beginselvaster. Behalve griezelig komt deze werkelijkheidsbenadering duizelingwekkend consequent over, wat volgens mij iets anders is dan een veelgenoemde eigenschap als rechtlijnig (en van daaruit: humorloos, onsexy). Wat voor een onwrikbare wil moet aan consequent handelen ten grondslag liggen?
De gruwel van de detentie in de Stammheimgevangenis, zo’n vier decennia voor Bradley Manning kennismaakte met een verwante zede, is vaak uitgemeten, en door Gerhard Richter, op basis van krantenfoto’s, geschilderd in een reeks die op zijn beurt is bedicht door Dirk van Bastelaere. Toch blijft het indrukwekkend te lezen dat RAF-leden bij hun hongerstaking werden gevoed op een wijze die doet denken aan ganzenleverbereiding: vastgesnoerd kregen ze door hun keel een slang die tot in hun maag liep. Meinhof wist zelfs die behandeling voor binnengepompte voedingsstoffen meteen te neutraliseren, met een vinger in haar keel. Hoewel zelf behept met oudtestamentische aandriften, meen ik dat het een understatement is hier te spreken van een zogeheten pittige tante.
Co-naamgever van de groep, Andreas Baader, verloor in de gevangenis echter amper gewicht. Hij zou dermate pragmatisch in de omgang met (via advocaten gesmokkeld) voedsel geweest zijn dat de vergelijking met het historische prototype van Rousseau opdoemt: zelf zogenaamd immer principieel, perfide anderen nooit. Het populaire oordeel hypocriet lonkt al. Toch was er, voor de volledigheid, nog een realiteit, die Van Bastelaere opgetekend heeft:
Andreas Baader, Wat vermag
een mens tegen de staat
die met een latex vinger zijn lichaamsholten inspecteert?
Een bizarre, seksistische optie is dat vrouwen beter tegen vernedering bestand zouden zijn? Zacht gezegd koppig betoonde zich nog een vrouw, uit het Volksfront voor de Bevrijding van Palestina, bij de kaping van het Lufthansatoestel die vrijlating van de RAF-leden wilde afdwingen. In Mogadishu gewond weggedragen op de brancard hield ze, enige overlevende van vier terroristen, voortdurend een arm omhoog, met de vingers in een Victory-teken.
En dichter bij huis ontpopte zich een baas boven een baas, zelfs voor Meinhof.
Van de Haar laat zien dat zelfreinigende satire geen constante is geweest. Dat bleek al uit Theater van de angst. De strijd tegen terrorisme in Nederland, Duitsland, Italië en Amerika, de studie waarmee Beatrice de Graaf de Rote Armee Fraktion, annex de Baader-Meinhof-Groep, helder terugbracht in het collectief geheugen. Vervolgens was Meinhof een van de door haar geportretteerde Gevaarlijke vrouwen. Dat boek ken ik nog niet, maar door De Graafs verfrissende bijdrage aan Zomergasten kwamen er al wat schichten over voorbij.
Elke toelichting komt van pas, omdat geweld van alle tijden is. Helaas demonstreert de toestand in Egypte ook dat het van elke partij kan komen. Wanneer wordt het ‘terroristisch’? Dat stempel heeft busladingen theorie met zich meegebracht. Tegelijk wordt van alles en nog wat ‘terroristisch’ genoemd. Omdat de homo sapiens van vlees en bloed is? Ik vond het mooi dat De Graaf opbiechtte aan Gevaarlijke vrouwen te hebben geschreven in zwangerschapsverlof, wat haar oordeel over Meinhof op een voorspelbaar punt had beïnvloed. Dan nog zal het minder resoluut zijn dan wat de ronde doet.
Van de Haar gaf aan zijn biografie de titel Terroriste voor een betere wereld, refererend aan de oerfrictie tussen doel en middelen, tussen geloof en praktijk. Inmiddels lijkt dat geen kwestie meer, omdat die praktijk middelen geopenbaard heeft die geen enkel doel zou heiligen. Ik verdraag het niet goed dat er, gorgelend met het badwater van haar tijdvak waarvan je mag geloven dat op klaarlichte dag je achterhoofd leeggeroofd kon worden, vanzelfsprekende minachting regeert over Meinhof. Temeer daar die reflexen ook iets zeggen over het huidige bestel.
Destijds was ‘intens’ meer dan een woord. Er was een debat. Bovendien werd het, niet tot algemeen genoegen, op grondslagen gevoerd. Zoiets komt in het hedendaagse intellectuele klimaat niet van pas. Het is er te competitief voor. Efficiency is geboden, evengoed in literatuur. Lawrence Sterne mocht zich erover hebben verbaasd dat in de salon van Baron d’Holbach philosophes met elkaar konden omgaan zonder te bijten en te krabben, tegenwoordig ondergaat elkeen de gevolgen van een trechtermodel. Er zijn onnoemelijk meer auteurs dan plaatsen die boekhandels en media te vergeven hebben. Binnen die competitie worden de twee meest beoefende sporten meelopen en wegkijken.
Het grootste verschil is misschien dat de RAF evengoed netwerkte, maar dan in het negatieve en met een collectief doel. Potentiële medestanders werden gewogen en dikwijls te licht bevonden. Wel golden ze nog als niet-zwijnen. Het blijft schrikken dat de RAF symboolslachtoffers à la Hanns Martin Schleyer ten gronde minachtte. Verweet de pot de ketel zo niet dat hij zwart zag? De revolutionairen trachten een doorbraak forceren in hiërarchische verhoudingen en onrecht, en mikten daarbij op de elite. Daarbij wilden ze voorkomen in dezelfde val te tuinen als hun ouders (meer dan eens is opgemerkt dat Meinhof hetzelfde kapsel had als de iconische verzetstrijder Sophie Scholl). De invloedrijke Schleyer mocht dan van de NSDAP en de SS zijn geweest, legitimeerde dat een nazibehandeling? Er zit iets irritants aan de treffendheid waarmee ten tijde van diens ontvoering bondskanselier Schmidt de RAF aanduidde als ‘elite’ die meende dat de te verheffen massa aan haar kant stond.
Hoe viel Schleyer als ‘minderwaardig’ te beschouwen? Gerard Reve schreef ooit in het verhaal Haringgraten over een man die niet te stuiten weerzin opriep door een manier van eten, maar de haat die hier regeerde was, afhankelijk van het standpunt, veel gratuiter of beginselvaster. Behalve griezelig komt deze werkelijkheidsbenadering duizelingwekkend consequent over, wat volgens mij iets anders is dan een veelgenoemde eigenschap als rechtlijnig (en van daaruit: humorloos, onsexy). Wat voor een onwrikbare wil moet aan consequent handelen ten grondslag liggen?
De gruwel van de detentie in de Stammheimgevangenis, zo’n vier decennia voor Bradley Manning kennismaakte met een verwante zede, is vaak uitgemeten, en door Gerhard Richter, op basis van krantenfoto’s, geschilderd in een reeks die op zijn beurt is bedicht door Dirk van Bastelaere. Toch blijft het indrukwekkend te lezen dat RAF-leden bij hun hongerstaking werden gevoed op een wijze die doet denken aan ganzenleverbereiding: vastgesnoerd kregen ze door hun keel een slang die tot in hun maag liep. Meinhof wist zelfs die behandeling voor binnengepompte voedingsstoffen meteen te neutraliseren, met een vinger in haar keel. Hoewel zelf behept met oudtestamentische aandriften, meen ik dat het een understatement is hier te spreken van een zogeheten pittige tante.
Co-naamgever van de groep, Andreas Baader, verloor in de gevangenis echter amper gewicht. Hij zou dermate pragmatisch in de omgang met (via advocaten gesmokkeld) voedsel geweest zijn dat de vergelijking met het historische prototype van Rousseau opdoemt: zelf zogenaamd immer principieel, perfide anderen nooit. Het populaire oordeel hypocriet lonkt al. Toch was er, voor de volledigheid, nog een realiteit, die Van Bastelaere opgetekend heeft:
Andreas Baader, Wat vermag
een mens tegen de staat
die met een latex vinger zijn lichaamsholten inspecteert?
Een bizarre, seksistische optie is dat vrouwen beter tegen vernedering bestand zouden zijn? Zacht gezegd koppig betoonde zich nog een vrouw, uit het Volksfront voor de Bevrijding van Palestina, bij de kaping van het Lufthansatoestel die vrijlating van de RAF-leden wilde afdwingen. In Mogadishu gewond weggedragen op de brancard hield ze, enige overlevende van vier terroristen, voortdurend een arm omhoog, met de vingers in een Victory-teken.
En dichter bij huis ontpopte zich een baas boven een baas, zelfs voor Meinhof.
maandag 12 augustus 2013
Dirk Lauwaert
Legendarisch werd een interviewreeksje tijdens het Nederlands Film Festival 2006 in Utrecht. Daar kwam Alex van Warmerdam aan het woord. Sprak hij? Een trek met zijn wenkbrauwen volstond om het toestromende publiek in extase te brengen. Het kwam, zoals dat heet, helemaal niet meer bij toen Van Warmerdam begon af te geven op Paul Verhoeven, bij die gelegenheid medegenomineerd voor iets. Dit werd het type rel dat wordt vergeleken met een storm in een glas water.
Mij staat het reeksje bij omdat vlak voor Van Warmerdam een interview werd afgenomen aan Dirk Lauwaert. De interviewer was aan de rand van het podium een systeemkaartje in de handen geduwd en daar begon het gesprek. De vragen waren nogal vrijpostig, zeker in de wetenschap dat de geïnterviewde een Vlaming was – maar die bleek net even ietsje meer ad rem dan zijn met het spreekwoordelijke flux de bouche toebedeelde Noord-Nederlandse partner, die Matthijs van Nieuwkerk heette.
Voor mij bewees Lauwaert op dat moment definitief de onhoudbaarheid van de these dat intellectuelen ‘het niet doen in de media’, ‘te moeilijk zijn’ enz. Hij, auteur van essays over de meest uiteenlopende onderwerpen, in een stijl die zo precieus is dat men hem voor een estheet zou verslijten, schreef juist in de postideologische jaren negentig artikelen over het proces en over het project waar de politieke kritiek van afdroop, en wist in zijn officiële debuut Artikels: ‘De utopisten van gisteren zijn steeds de geborneerde Realmoralisten van morgen.’ Later zou Lauwaert zijn licht laten schijnen over het kunstonderwijs, waar hij zoveel jaren van zijn leven in had geïnvesteerd: ‘Vandaag stappen studenten de kunstschool in om zichzelf uit te drukken, zichzelf te vinden. Wat men hen ook aanreikt lokt geen confrontatie uit; zij herleiden het tot hun spiegelbeeld. In de verongelijkte, therapeutische geest van vandaag is ieder zelf herleid tot een zichzelf.’
Dirk Lauwaert is 69 jaar geworden. Hij heeft ontelbare studenten en belangstellenden de wereld leren lezen.
Mij staat het reeksje bij omdat vlak voor Van Warmerdam een interview werd afgenomen aan Dirk Lauwaert. De interviewer was aan de rand van het podium een systeemkaartje in de handen geduwd en daar begon het gesprek. De vragen waren nogal vrijpostig, zeker in de wetenschap dat de geïnterviewde een Vlaming was – maar die bleek net even ietsje meer ad rem dan zijn met het spreekwoordelijke flux de bouche toebedeelde Noord-Nederlandse partner, die Matthijs van Nieuwkerk heette.
Voor mij bewees Lauwaert op dat moment definitief de onhoudbaarheid van de these dat intellectuelen ‘het niet doen in de media’, ‘te moeilijk zijn’ enz. Hij, auteur van essays over de meest uiteenlopende onderwerpen, in een stijl die zo precieus is dat men hem voor een estheet zou verslijten, schreef juist in de postideologische jaren negentig artikelen over het proces en over het project waar de politieke kritiek van afdroop, en wist in zijn officiële debuut Artikels: ‘De utopisten van gisteren zijn steeds de geborneerde Realmoralisten van morgen.’ Later zou Lauwaert zijn licht laten schijnen over het kunstonderwijs, waar hij zoveel jaren van zijn leven in had geïnvesteerd: ‘Vandaag stappen studenten de kunstschool in om zichzelf uit te drukken, zichzelf te vinden. Wat men hen ook aanreikt lokt geen confrontatie uit; zij herleiden het tot hun spiegelbeeld. In de verongelijkte, therapeutische geest van vandaag is ieder zelf herleid tot een zichzelf.’
Dirk Lauwaert is 69 jaar geworden. Hij heeft ontelbare studenten en belangstellenden de wereld leren lezen.
dinsdag 6 augustus 2013
George (stop de dood)!
Petrus heeft het de laatste tijd wel erg druk. Of vergis me? Met het wegvallen van George Duke wordt het eventjes vergaren. Zo tussen je twaalfde en achttiende schijnen invloeden het sterkst – in dat geval heeft de man mij finaal getroffen.
Twee opeenvolgende soloalbums met name, die zijn vergeleken met Earth, Wind & Fire dat destijds ook op zijn top was, maar daar weinig mee te maken hebben. Reach For It, met het legendarische titelnummer, en Don’t Let Go, met ‘Dukey Stick’. Het zijn verwante nummers, die tegen de jam aanhangen. Een verschil met de improvisatie in jazz, wellicht, doordat het nog veel meer een samenwerking is, waarbij niets of niemand kan ontbreken – vlak voor zijn dood vergeleek Duke zich met een goulash. Minder afspraken ook, en meer ruimte voor ongenode gasten.
De jam als multicultureel ideaal? Of gewoon een artistieke goudmijn, waarbij het geheel meer is dan de som der delen? Deze organisatievorm kan bijvoorbeeld mijn manie voor literaire tijdschriften verklaren, plus de afkeer van ondernemingen die onder dat etiket zelfpromotie en bastiondrift voorstaan.
Van Dukes samenwerkingen is mij, eerlijk gezegd na een gouden tip achteraf, vooral die met Frank Zappa bijgebleven. Ook al jaren zeventig, besef ik, even cabaretesk annex gesammtkunstwerkerig. De schijnbare losheid verheelt niet dat iedere noot lijkt te zijn uitgeprobeerd. En Zappa nam alles op, om de beste fragmenten aaneen te kunnen lijmen. (Het heeft me altijd verbaasd dat mensen verbaasd zijn wanneer ze horen dat Toon Hermans een tiran was bij repetities – achteloosheid vergt oefening.)
George Duke had er zeker een aandeel in, maar hoe groot was het bij het waanzinnige begin van ‘Open Your Eyes, You Can Fly’ (Flora Purim) en van ‘Sweet Lucy’ (Raul de Souza)? Ik besef dat zijn latere werk mij amper bekend is. Behalve dat met Rachelle Ferrell, waarvoor mijn ontzag groter is dan de vervoering.
Dukes elpee "Live" On Tour In Europe, in een topbezetting als resultaat van een kortstondig probeersel met de toen veel explicieter virtuoze Billy Cobham, kan ik zo’n beetje van voor naar achter en van achter naar voren nahummen (niet naspelen). Uit het hilarische ‘Space Lady’, waar de invloed van Zappa aanzienlijk is, putte ik voor mijn werk al wat, en het motto van een verhoopt boek stamt er ook uit.
Welja, laat ik het vooral over mezelf hebben. Duke loste de eeuwige rivaliteit tussen piano en gitaar op door de toetsen te bespelen als gitarist. Niemand kon met de pitch wheel zo de blues spelen als hij.
Ontroerend dat reeds op Dukes vroege The Inner Source fragmenten van latere liedjes zijn te horen, en dat hij door zijn oeuvre heen nummers in wisselende uitvoeringen bleef proberen.
Petrus gaat George Duke natuurlijk herenigen met diens vorig jaar treurig overleden vrouw, maar mocht hij daartoe een fiat krijgen, dan kan hij hem ook voor bepaalde tijd terugsturen naar planet earth, voor een ode aan het vlees met een goeien bak funk.
Naschriftje wegens snelposting
Kan improviseren in jazz, toonbeeld van democratie, slagen zonder dat alle deelnemers in vorm zijn? Aan een jam liggen minder afspraken ten grondslag (akkoordenschema, evt melodielijn, solovolgorde…) en volstaat deelname, zij het dat elke vrijwilliger volledige inzet moet (blijven) vertonen, anders blijft de muziek hangen. Is de jam dan een toonbeeld van anarchie, wegens de grote verantwoordelijkheid die zo bij de deelnemers komt te liggen? Er mág misschien ook niet te veel worden afgesproken, want dat zou duiden op een gebrek aan vertrouwen in de goede afloop. Dit blijkt uit een andere jam van Duke, van vlak na ‘Reach for it’ en ‘Dukey stick’, waarin te vaak opgelegde wijzigingen voorkomen. Terwijl het initiële ritme, gespeeld door Ricky Lawson, ronduit geweldig is, net als de titel trouwens: ‘The Alien Challenges The Stick (pt 1) / The Alien Succumbs To The Mucho Intergalactic Funkativity Of The Funkblasters (pt 2)’
Leidend beginsel improvisatie = vooruitgang, leidend beginsel jam = herhaling?
zondag 4 augustus 2013
Alles was stil behalve het stemklateren
Die Thales had het toch maar in de peiling: als er nu één element verbindt is het wel water. Het lijkt een parmantige gedachte, een proeve van ‘essentialisme’, te verklaren uit dé – bijvoorbeeld in Kritiek van de cynische rede – doorgebriefde psychologisering van Thales: dat hij zulke interessanterigheden aan het uitspansel zou hebben ontwaard dat hij in een kuil stapte.
Water plompverloren centraal stellen strijdt, zelfs voor Hollanders, eveneens met wijsheden als dat een vraag belangrijker is dan een antwoord. Rob Wijnberg komt er in In dubio op uit dat mensen met twijfels beter bestand zijn tegen kritiek, meer tolerantie voor het tegenstrijdige vertonen en daarom autonomer zouden zijn. De zwakheid van ‘fundamentalisten’ (deze kwalificatie valt onvermijdelijk) blijkt uit hun ophef bij tegengeluiden, die Wijnberg dan niet als principieel maar als kwetsbaar opvat. Zonder overtuigingen zou een fundamentalist evenmin tot handelen in staat zijn.
Toch kan de trending topic van de hitte steun geven aan Thales’ stelling dat water de oerstof is. Of word ik te anekdotisch? Aangevuurd door live achtergrondmuziek, fietsend langs voornamelijk de Rijn, richtte het gesnak naar verkoeling zich vooral op de bidon. Gaande de dag werd het eindpunt niet zozeer dak en bed, als wel de douche daarbij. Vervolgens moest het lichaam terug in vorm raken door het uitdrinken van eindeloos veel glazen water. Niemand wordt zomaar eventjes een vogel ontstegen aan de dorst der sterren. Werkelijkheid is voorts dat het tegendeel van droogte, stortregen, doet schuilen, en dat dit de Rijn zelf het afgelopen jaar niet is gelukt. Daardoor moesten de fietspaden pal aan de oever ijlings worden bestrooid met nog ongewalste kiezels – oponthoud, knerping, slipsels, lekke banden en muggen in exponentiële hoeveelheden.
Naast de presocraat, de verlegenheidsblogger en de binnenhuidse geografie van het mensenlichaam is er nog een bron voor de almacht van water: het politiek weinig correcte liedje ‘Pompen’. Het bevat een ritmische opsomming van zaken in verband met de titelactiviteit (een werkwoord, geen zelfstandig naamwoord meervoud) en die in meerderheid te maken hebben met water. Inclusief het klimaat, wat zo logisch is dat het alweer minder evident wordt.
De uitvoerende artiesten opereren onder de naam Trafassi en kregen faam met het nummer ‘Wasmasjien’. Need I say more (vermoedelijk werd er niet mee geknipoogd naar Van Ostaijen)? Er is geen ander element dat onder druk van de omstandigheden zo authentiek van gedaante kan veranderen als water. Misschien valt water adequater te omschrijven als een toestand, tussen ijs en stoom. Nee, zelfs dat niet, als ik het aggregaat van mijn ideetjes zelf mag verstoren, getuige het fenomeen wak dat dan twee toestanden tegelijkertijd laat zien. Geen wonder dat het mogelijk is dat water vuur dooft.
Volgens een Turkse traditie gooit men water naar iemand die voor lange tijd op reis gaat. Hij blijft dan net zo lang weg tot het verdampt is. Dat wordt althans beweerd in de heerlijke film Almanya – Willkommen in Deutschland die, na de onthulling over de toekomstvisie op Turkse ‘gastarbeiders’ van Helmut Kohl toen hij pas aangetreden was als bondskanselier, alleen maar meer actueel is geworden.
Door de vakantie realiseerde ik me tevens dat er zoiets als water boven water bestaat. Daar spoel je je inwendige boodschap van de urine mee weg. Nu ja, het kwam eigenlijk door vervaarlijke iconen boven menige toiletpot. Ooit dacht ik nog dat het een grap was wanneer Le Penseur van Rodin erop werd afgebeeld, maar ik heb hem nu, nota bene bij de historische aartsvijand, op diverse plaatsen in die positie waargenomen. Hij neemt dan een houding aan die tegenwoordig bij ambachtelijk plassen van mannen gewenst blijkt.
Aldus schoten me opschriften te binnen uit de tijd dat de fiets nog exclusief voor mensen en hun werktassen onder de snelbinders diende. Die teksten vielen te lezen op de wc bij mijn tantes, in een oubollig soort humor waarvan ik me afvraag of die katholiek is. Door de huidige trend kan ik alsnog hun historische volgorde bepalen. Eerst heette het: ‘Heren, mag ik u bidden / niet op de rand maar in het midden’. Realiteitszin noopte tot de volgende slogan: ‘Heren, doe de bril omhoog / de dames zitten ook graag droog’.
Da’s dus allemaal verleden tijd, gedekt door de jongste postsocratische inzichten.
Het vermogen van water was mij reeds bekend uit een vroegere herinnering. Ik kon als peuter mijn ogen niet geloven dat mensen dreven, of zich in water ten minste voortbewogen zonder onder te gaan. Vakanties aan de kust, nog vrij van ideologische keuzes en helemaal van een precariaat en privatisering tot op de laatste druppel, wezen nochtans op het tegendeel. Wel was, inclusief luchtbed, iemand eens in zee toen, in een mum van tijd, de groene vlag werd verwisseld voor een gele en voor een rode. Een onvoorwaardelijk dappere jongeman nam vanaf de golfbrekers het luchtbed van haar over, ze hoefde louter het minieme laatste stukje te zwemmen. Naar mijn idee vergde dit uren – haar hoofd dat zo nabij en in de verte boven het water uitstak.
Maar ze kwam terug.
Water plompverloren centraal stellen strijdt, zelfs voor Hollanders, eveneens met wijsheden als dat een vraag belangrijker is dan een antwoord. Rob Wijnberg komt er in In dubio op uit dat mensen met twijfels beter bestand zijn tegen kritiek, meer tolerantie voor het tegenstrijdige vertonen en daarom autonomer zouden zijn. De zwakheid van ‘fundamentalisten’ (deze kwalificatie valt onvermijdelijk) blijkt uit hun ophef bij tegengeluiden, die Wijnberg dan niet als principieel maar als kwetsbaar opvat. Zonder overtuigingen zou een fundamentalist evenmin tot handelen in staat zijn.
Toch kan de trending topic van de hitte steun geven aan Thales’ stelling dat water de oerstof is. Of word ik te anekdotisch? Aangevuurd door live achtergrondmuziek, fietsend langs voornamelijk de Rijn, richtte het gesnak naar verkoeling zich vooral op de bidon. Gaande de dag werd het eindpunt niet zozeer dak en bed, als wel de douche daarbij. Vervolgens moest het lichaam terug in vorm raken door het uitdrinken van eindeloos veel glazen water. Niemand wordt zomaar eventjes een vogel ontstegen aan de dorst der sterren. Werkelijkheid is voorts dat het tegendeel van droogte, stortregen, doet schuilen, en dat dit de Rijn zelf het afgelopen jaar niet is gelukt. Daardoor moesten de fietspaden pal aan de oever ijlings worden bestrooid met nog ongewalste kiezels – oponthoud, knerping, slipsels, lekke banden en muggen in exponentiële hoeveelheden.
Naast de presocraat, de verlegenheidsblogger en de binnenhuidse geografie van het mensenlichaam is er nog een bron voor de almacht van water: het politiek weinig correcte liedje ‘Pompen’. Het bevat een ritmische opsomming van zaken in verband met de titelactiviteit (een werkwoord, geen zelfstandig naamwoord meervoud) en die in meerderheid te maken hebben met water. Inclusief het klimaat, wat zo logisch is dat het alweer minder evident wordt.
De uitvoerende artiesten opereren onder de naam Trafassi en kregen faam met het nummer ‘Wasmasjien’. Need I say more (vermoedelijk werd er niet mee geknipoogd naar Van Ostaijen)? Er is geen ander element dat onder druk van de omstandigheden zo authentiek van gedaante kan veranderen als water. Misschien valt water adequater te omschrijven als een toestand, tussen ijs en stoom. Nee, zelfs dat niet, als ik het aggregaat van mijn ideetjes zelf mag verstoren, getuige het fenomeen wak dat dan twee toestanden tegelijkertijd laat zien. Geen wonder dat het mogelijk is dat water vuur dooft.
Volgens een Turkse traditie gooit men water naar iemand die voor lange tijd op reis gaat. Hij blijft dan net zo lang weg tot het verdampt is. Dat wordt althans beweerd in de heerlijke film Almanya – Willkommen in Deutschland die, na de onthulling over de toekomstvisie op Turkse ‘gastarbeiders’ van Helmut Kohl toen hij pas aangetreden was als bondskanselier, alleen maar meer actueel is geworden.
Door de vakantie realiseerde ik me tevens dat er zoiets als water boven water bestaat. Daar spoel je je inwendige boodschap van de urine mee weg. Nu ja, het kwam eigenlijk door vervaarlijke iconen boven menige toiletpot. Ooit dacht ik nog dat het een grap was wanneer Le Penseur van Rodin erop werd afgebeeld, maar ik heb hem nu, nota bene bij de historische aartsvijand, op diverse plaatsen in die positie waargenomen. Hij neemt dan een houding aan die tegenwoordig bij ambachtelijk plassen van mannen gewenst blijkt.
Aldus schoten me opschriften te binnen uit de tijd dat de fiets nog exclusief voor mensen en hun werktassen onder de snelbinders diende. Die teksten vielen te lezen op de wc bij mijn tantes, in een oubollig soort humor waarvan ik me afvraag of die katholiek is. Door de huidige trend kan ik alsnog hun historische volgorde bepalen. Eerst heette het: ‘Heren, mag ik u bidden / niet op de rand maar in het midden’. Realiteitszin noopte tot de volgende slogan: ‘Heren, doe de bril omhoog / de dames zitten ook graag droog’.
Da’s dus allemaal verleden tijd, gedekt door de jongste postsocratische inzichten.
Het vermogen van water was mij reeds bekend uit een vroegere herinnering. Ik kon als peuter mijn ogen niet geloven dat mensen dreven, of zich in water ten minste voortbewogen zonder onder te gaan. Vakanties aan de kust, nog vrij van ideologische keuzes en helemaal van een precariaat en privatisering tot op de laatste druppel, wezen nochtans op het tegendeel. Wel was, inclusief luchtbed, iemand eens in zee toen, in een mum van tijd, de groene vlag werd verwisseld voor een gele en voor een rode. Een onvoorwaardelijk dappere jongeman nam vanaf de golfbrekers het luchtbed van haar over, ze hoefde louter het minieme laatste stukje te zwemmen. Naar mijn idee vergde dit uren – haar hoofd dat zo nabij en in de verte boven het water uitstak.
Maar ze kwam terug.
vrijdag 12 juli 2013
Lalah
Soms duurt het even voordat een liedje aankomt. Lang geleden, maar het Gilgamesj-epos was volgens mij al van de kleitabletten gerold, had mijn zus de elpee Now We May Begin van Randy Crawford. Ik wist niet wat ervan te vinden, hoewel de titel me aansprak. Ik nam hem over op een (chroomdioxide?) cassettebandje, waarbij de slotsong ‘When Your Life Was Low’ er net niet integraal op kwam.
Het was een wonderlijk liedje, met een mooie melodielijn en de puberverleidende beginregel ‘Always remember my friend / The world will change again’. De verleiding zat uiteraard in de troostende garantie dat elke onhoudbaarheid eindig was, maar ze voelde wee aan. Iets wat in de toen geldende verhoudingen opgeborgen kon worden onder de noemer EO of NCRV (voor eventuele Vlaamse honingpotters: dit waren televisieomroepen die zich inspireerden op het evangelie). Ik had de tekst moeten beluisteren, maar we spreken hier over de uitzonderlijke gevangenis die muziek heet.
Vermoedelijk was de millenniumwisseling al geweest toen ik pas lucht kreeg van het bestaan van Lalah Hathaway. De dochter van, werkzaam in dezelfde branche – wat een druk van verwachtingen! Over dat complexe onderwerp gewerd mij een fantastische documentaire, waarin tot overmaat van geluk ook de ouderlijk evenmin onbetuigd gebleven Indira Khan optrad.
Hoe stelde het teleur dat Lalah ‘When Your Life Was Low’ bleek te hebben opgenomen in een cocktailbarversie, met de componist Joe Sample. Man, doe iets! Hij had destijds nota bene concurrentie ondervonden van Randy Crawford, die door onverwacht snel succes dezelfde niche vulde als zijn band The Crusaders, waarvoor ze net gastzangeres was geweest op de enige langverwachte hit. Wel meende ik, als een heuse voetbaltrainer, dat het liedje potentie had (no pun intended).
Uitkomst bood een liveversie die Lalah Hathaway maakte met Marcus Miller. Als Pastorius-adept kan ik diens baschismo (pun intended) amper aanhoren, maar in mijn armzalig principisme gaf ik hem het voordeel van de twijfel. En jawel, op YouTube beschaamde hij het niet. Sterker, Lalah kwam er volgens mijn ongeschokte overtuiging tot haar recht.
In dezelfde beweging wist ik de tekst tot me te laten komen. Een speciaaltje! Een ik-figuur blikt terug op een liefdesgeschiedenis met iemand die nu bekend en succesvol is, maar die destijds werd uitgekotst: ‘People turned their backs on you, / And everybody said that you were through’. Deze verbintenis blijkt heilzaam geweest, ‘You left me shining’. Vanuit het perspectief van de liefde lijkt het me toch curieus dat de ik-persoon dan gediend heeft als Lenie ’t Hart in de zeehondencrèche: als oplapper, zelfs van de meest hopeloze gevallen.
Inmiddels is de begunstigde immers helemaal terug het heertje en heeft niet echt dankbaarheid getoond. Maar de ik-figuur staat daar schijnbaar boven:
Now you're doing well
From stories I hear tell.
You own the world again.
Everyone's your friend.
Wat een opportunist, de verstotene van weleer?! En wat een heilige, zijn redder?! De ik-figuur laat zich niet kennen na verlaten te zijn, en benadrukt slechts het positieve. Een prototype van de al dan niet prefeministische, zichzelf wegcijferende moeder (de redactie stelt zich tijdelijk niet aansprakelijk voor associaties)? Was ik er met de NCRV- annex EO-etikettenplakkerij dan niet ver van afgeweest?
En had die klojo echt niet eventjes terug kunnen kijken, bij wijze van erkenning, naar wie zijn founding father geweest was? Het grappige is dat Lalah Hathaway dat natuurrecht als het ware tegen de song in opeist, door aan het einde van de liveversie al improviserend met het contextgevoelige woord ‘remember’ uit te roepen: ‘Ya don’t hear me’ [5.40]. Exact met de intonatie van haar vader!
Die wat grimmiger benadering (een uiting van thymos waarin filosoof Peter Venmans terughoudendheid aanbeval) veronderstelt een dubbelzinniger ‘When Your Life Was Low’. Ik weet niet of onderhuidsheden rijmen met de vele andere songs van tekstschrijver Will Jennings. Maar dit liedje zou er vileiner van raken.
Although I never hear from you,
Still it's nice to know
You used to love me so,
When your life was low.
Of ben ik degene die vilein is? Ik geef toe dat ik, redelijkerwijs de puberteit voorbij, niet meer in de these ‘The world will change again’ kan geloven door de bewezen bangigheid van de homo sapiens (vernikkelde ironie?). Veranderingen blijken bijstellingen, ook nog in het voordeel van hen die aan de goede kant van de streep verkeren, enz. Bovendien onthulde Martha Nussbaum het bestaan van mensen, anderen uiteraard, die zo onstuimig interpreteren dat het ontbreken van een teken als een verborgen teken wordt gezien.
Toch dringt zich aan mij een heel andere interpretatie van ‘When Your Life Was Low’ op, waar amateurspsychologie niet langer tot de aanbeveling strekt. Misschien geldt liefde zelfs als zwakte en blijft de ik-figuur klinisch in onbuigzaamheid. De laatste wordt immers bemind, en de mogelijkheid opent zich hier dat dit louter eenrichtingsverkeer was. Want verwijst ‘shining’ in ‘You left me shining’ naar ‘you’ of ‘me’? Er ontstaat misschien iets als een thymos van de dienstbaarheid en van het afwachten, van het waardig zwijgen zelfs, die het ogenschijnlijk zo ruimhartige liedje laat veranderen in een eng sprookje ofwel nachtmerrie. Zo’n clausule zit evengoed in de cultuur waarmee het Westen is opgegroeid en zou de slotregels ronduit wraakzuchtig maken:
But always remember my friend,
The world will change again.
And you may have to come back
Through everywhere you've been.
Met de altijd wat pragmatische termen van de Lage Landen heet dit liedje in vertaling volgens mij dan ‘Wie het laatst lacht, lacht het best’.
Het was een wonderlijk liedje, met een mooie melodielijn en de puberverleidende beginregel ‘Always remember my friend / The world will change again’. De verleiding zat uiteraard in de troostende garantie dat elke onhoudbaarheid eindig was, maar ze voelde wee aan. Iets wat in de toen geldende verhoudingen opgeborgen kon worden onder de noemer EO of NCRV (voor eventuele Vlaamse honingpotters: dit waren televisieomroepen die zich inspireerden op het evangelie). Ik had de tekst moeten beluisteren, maar we spreken hier over de uitzonderlijke gevangenis die muziek heet.
Vermoedelijk was de millenniumwisseling al geweest toen ik pas lucht kreeg van het bestaan van Lalah Hathaway. De dochter van, werkzaam in dezelfde branche – wat een druk van verwachtingen! Over dat complexe onderwerp gewerd mij een fantastische documentaire, waarin tot overmaat van geluk ook de ouderlijk evenmin onbetuigd gebleven Indira Khan optrad.
Hoe stelde het teleur dat Lalah ‘When Your Life Was Low’ bleek te hebben opgenomen in een cocktailbarversie, met de componist Joe Sample. Man, doe iets! Hij had destijds nota bene concurrentie ondervonden van Randy Crawford, die door onverwacht snel succes dezelfde niche vulde als zijn band The Crusaders, waarvoor ze net gastzangeres was geweest op de enige langverwachte hit. Wel meende ik, als een heuse voetbaltrainer, dat het liedje potentie had (no pun intended).
Uitkomst bood een liveversie die Lalah Hathaway maakte met Marcus Miller. Als Pastorius-adept kan ik diens baschismo (pun intended) amper aanhoren, maar in mijn armzalig principisme gaf ik hem het voordeel van de twijfel. En jawel, op YouTube beschaamde hij het niet. Sterker, Lalah kwam er volgens mijn ongeschokte overtuiging tot haar recht.
In dezelfde beweging wist ik de tekst tot me te laten komen. Een speciaaltje! Een ik-figuur blikt terug op een liefdesgeschiedenis met iemand die nu bekend en succesvol is, maar die destijds werd uitgekotst: ‘People turned their backs on you, / And everybody said that you were through’. Deze verbintenis blijkt heilzaam geweest, ‘You left me shining’. Vanuit het perspectief van de liefde lijkt het me toch curieus dat de ik-persoon dan gediend heeft als Lenie ’t Hart in de zeehondencrèche: als oplapper, zelfs van de meest hopeloze gevallen.
Inmiddels is de begunstigde immers helemaal terug het heertje en heeft niet echt dankbaarheid getoond. Maar de ik-figuur staat daar schijnbaar boven:
Now you're doing well
From stories I hear tell.
You own the world again.
Everyone's your friend.
Wat een opportunist, de verstotene van weleer?! En wat een heilige, zijn redder?! De ik-figuur laat zich niet kennen na verlaten te zijn, en benadrukt slechts het positieve. Een prototype van de al dan niet prefeministische, zichzelf wegcijferende moeder (de redactie stelt zich tijdelijk niet aansprakelijk voor associaties)? Was ik er met de NCRV- annex EO-etikettenplakkerij dan niet ver van afgeweest?
En had die klojo echt niet eventjes terug kunnen kijken, bij wijze van erkenning, naar wie zijn founding father geweest was? Het grappige is dat Lalah Hathaway dat natuurrecht als het ware tegen de song in opeist, door aan het einde van de liveversie al improviserend met het contextgevoelige woord ‘remember’ uit te roepen: ‘Ya don’t hear me’ [5.40]. Exact met de intonatie van haar vader!
Die wat grimmiger benadering (een uiting van thymos waarin filosoof Peter Venmans terughoudendheid aanbeval) veronderstelt een dubbelzinniger ‘When Your Life Was Low’. Ik weet niet of onderhuidsheden rijmen met de vele andere songs van tekstschrijver Will Jennings. Maar dit liedje zou er vileiner van raken.
Although I never hear from you,
Still it's nice to know
You used to love me so,
When your life was low.
Of ben ik degene die vilein is? Ik geef toe dat ik, redelijkerwijs de puberteit voorbij, niet meer in de these ‘The world will change again’ kan geloven door de bewezen bangigheid van de homo sapiens (vernikkelde ironie?). Veranderingen blijken bijstellingen, ook nog in het voordeel van hen die aan de goede kant van de streep verkeren, enz. Bovendien onthulde Martha Nussbaum het bestaan van mensen, anderen uiteraard, die zo onstuimig interpreteren dat het ontbreken van een teken als een verborgen teken wordt gezien.
Toch dringt zich aan mij een heel andere interpretatie van ‘When Your Life Was Low’ op, waar amateurspsychologie niet langer tot de aanbeveling strekt. Misschien geldt liefde zelfs als zwakte en blijft de ik-figuur klinisch in onbuigzaamheid. De laatste wordt immers bemind, en de mogelijkheid opent zich hier dat dit louter eenrichtingsverkeer was. Want verwijst ‘shining’ in ‘You left me shining’ naar ‘you’ of ‘me’? Er ontstaat misschien iets als een thymos van de dienstbaarheid en van het afwachten, van het waardig zwijgen zelfs, die het ogenschijnlijk zo ruimhartige liedje laat veranderen in een eng sprookje ofwel nachtmerrie. Zo’n clausule zit evengoed in de cultuur waarmee het Westen is opgegroeid en zou de slotregels ronduit wraakzuchtig maken:
But always remember my friend,
The world will change again.
And you may have to come back
Through everywhere you've been.
Met de altijd wat pragmatische termen van de Lage Landen heet dit liedje in vertaling volgens mij dan ‘Wie het laatst lacht, lacht het best’.
maandag 1 juli 2013
Hans Groenewegen (4)
De een-na-laatste prangende kwestie uit de tijd tussen Groenewegens overlijden en uitvaart betrof de Buddingh’-prijs voor dichtdebuten, eveneens een Poetry International-productie. Ofschoon de kampioen van de volgende editie een zekerheidje schijnt, waren er dit jaar om de apathie tegenover het genre te doorbreken nog genomineerden. Het was Ilja Leonard Pfeijffer die conform de geplogenheden van buitenaf liet weten wie er moest winnen.
Na toetsing aan de uitslag bleek dat ‘de gedoodverfde winnaar’ naast de enige medaille had gegrepen. Even later heette de werkelijke geluksvogel, Henk Ester, zelfs ‘Buddingh’-prijs onwaardig’. Over de beoogde winnaar, Kira Wuck, kwam weer later het bericht dat ze nóg een debuutprijs was misgelopen, ‘maar gelukkig heeft ze de Lucy B. en C.W. van der Hoogt-prijs wel op zak’.
Poetry International had Groenewegen wel een keer, de allereerste zelfs, de ‘drie 3 beste gedichten van het afgelopen jaar’ laten kiezen. Deze klus is zo bizar, dat hij hem met satanisch genoegen moet hebben aanvaard. Inmiddels is dit onderdeel van wat Gedichtendag heette afgeschaft.
Inzake de Buddingh’-prijs kan hilariteit hebben verwekt dat er door uitgevers een ‘shortlist’ aan wordt ontwaard. De ‘longlist’ zal bestaan uit de inzendingen, waarvan het aantal overigens verbijsterend hoog is voor wie zich voor het aanbod informeert bij boekhandels en reguliere media. Misschien had Groenewegen zelfs de slappe lach gekregen van ander recent nieuws dat er cursussen starten in ‘shortlistlezen’.
De naam van Pfeijffer zal hem minder vreugde hebben gebaard. Dit heeft te maken met de wegdeemsterende poëziekritiek. Pfeijffer kon daarin rabiate uitspraken over derden doen en zichzelf tot nieuwe Lucebert bombarderen. Dat verband mocht conform de postideologische zede schier unisono bijval krijgen, maar het ontging de erudiete, politiek gepokte lezer die Groenewegen was volkomen. Hij heeft daar uitgebreid verslag van gedaan. Als industrieel polemist reageerde Pfeijffer daar niet op.
Ten slotte was er in de week tussen Groenewegens dood en uitvaart het Felix Poëzie Festival in België. Ook dat programmeerde postideologiebewust, met een pleidooi voor poëzie, gehouden door dichter-biograaf Peter Theunynck. Een uittreksel verscheen in de boekenbijlage, de integrale tekst kwam op de dag van Groenewegens uitvaart op de betreffende schrijversblog.
Theunynck trekt een leuke vergelijking tussen poëzie en Formule 1-racen, om aanbevelingen te kunnen doen. Hij roept onder meer op om gedichten uit het hoofd te leren. Dat experiment was al meer dan tien keer uitgevoerd op recente poëzie in Met schrijven zin verzamelen, de laatste keer, als toekomstopdracht, op Mettes. (Wel noemt Theunynck als inspiratiebron een hoogleraar die voor Groenewegen zo’n beetje de Pfeijffer van de literatuurwetenschap leek en die in het kader van het cultuurdebat evenmin op Groenewegens meer dan eens op schrift gestelde bezwaren reageerde.)
Theunynck is optimistisch en roept collega’s op tot meer ‘passie’. Zo komt hij met adviezen: ‘Blijf ons verrassen met sprankelende beelden, tintelende taalbouwsels, swingende taalmuziek.’ Voor mij zijn dit helaas placebo’s, gelet op de ziekte die Theunyck genezen wil: ‘Poëzierecensenten praten te vaak voor de eigen kerk, gepassioneerde leraren die hun leerlingen in gloed kunnen brengen voor de poëzie zijn er minder dan vroeger.’
Als er nu iemand de kerk verlaten heeft… Groenewegen heeft diverse doelgroepen willen bereiken: van bibliotheken over specialisten naar potentieel belangstellenden. De meerderheid van zijn teksten is weliswaar langer dan 500 woorden, ze hebben altijd een brug geslagen naar een ontvanger. Ze legden bloot wat de overwegingen waren geweest – bij Pfeijffer was dit volgens hem principieel onmogelijk – en gaven ze cadeau voor betere. Alleen al de hoge frequentie van de u-vorm is een indicatie dat Groenewegen een dialoog wilde aangaan. Hebben lezers dat aanbod in overweging genomen?
De vergissing dat Groenewegen De 100 beste gedichten-boekjes had geproduceerd, moet zijn gerezen doordat hij voor Historische Uitgeverij artikelenbundels over één canonieke dichter (Faverey, Lucebert, Ouwens) samenstelde. In latere berichten werd de suggestie uitgewerkt, tot NRC aan toe, dat Groenewegen ze in zijn uppie had volgeschreven (en dat een soortgelijk project, over Hadewijch voor Revolver, een boek is).
De protestgeneratie heeft het nooit zo bedoeld, maar internetgebruikers hebben puur formeel een omverwerping van autoriteiten bewerkstelligd. Ze nemen wel zeer gemakkelijk iets voor waar aan, en als dat dan ook veel wordt doorgekopieerd is het bewijs achteraf geleverd. Op Groenewegens eigen website zijn, niet heel erg verrassend, boekgegevens simpel te vinden. Het verblufte dat hét literaire nieuwsmedium van de afgelopen tijd voor de bibliografie echter doorverwees naar de DBNL, die per definitie incompleet is en die in dit geval behalve jaren ook boeken en genres achterlag. Ook NRC leek erdoor op een dwaalspoor gezet.
Als gezegd (en gekopieerd!): vergissen is menselijk. Maar dat men niet eens de moeite wil nemen titelbeschrijvingen te lezen, leidt tot de gevolgtrekking dat de boeken zelf helemaal uit zicht blijven. Dit is een goed recht, dat zelfs in te voelen valt in deze tijden van overvloed. Ik snap alleen niet hoe die weigering valt te rijmen met pertinente oordelen over de betreffende teksten.
Vandaag is het drie weken geleden dat Hans Groenewegen overleed. Het taalkundig genie gelooft niet dat het al zomer is, de gourmande wil dat het gaat sneeuwen. De wereld wacht op een definitief bericht over Mandela. En in de literatuurbranche verstrekken persoonlijkheden lijstjes welke boeken absoluut op vakantie gelezen moeten worden. Van de literaire headlines op Groenewegens sterfdag zijn Hermans’ typemachines nog een item, in termen van erfgoed. Maar volgens mij kun je dat alleen levend houden door ermee om te gaan.
Groenewegen was niet de enige die daartoe een brug heeft geslagen naar geïnteresseerden. Onlangs verschenen bijvoorbeeld Wonderlijke wapens van Joris Note en De figuur in het tapijt van Daniel Rovers. Er zijn evenveel redenen om hun boeken niet academisch te noemen als wel. Ik noem ze, omdat – o, exemplificatie van de roddel – een literair journalist van een vooraanstaande krant het recensie-exemplaar van deze titels, samen met dat van Met schrijven zin verzamelen, aan een antiquariaat verkocht. In onberispelijke staat. Over welke kerk hebben we het dan eigenlijk?
maar wij rennen
op het zachte vel
met weke voeten
achter god weet
welke woorden aan
bij de stem vandaan
(nachtelijke rede)
Na toetsing aan de uitslag bleek dat ‘de gedoodverfde winnaar’ naast de enige medaille had gegrepen. Even later heette de werkelijke geluksvogel, Henk Ester, zelfs ‘Buddingh’-prijs onwaardig’. Over de beoogde winnaar, Kira Wuck, kwam weer later het bericht dat ze nóg een debuutprijs was misgelopen, ‘maar gelukkig heeft ze de Lucy B. en C.W. van der Hoogt-prijs wel op zak’.
Poetry International had Groenewegen wel een keer, de allereerste zelfs, de ‘drie 3 beste gedichten van het afgelopen jaar’ laten kiezen. Deze klus is zo bizar, dat hij hem met satanisch genoegen moet hebben aanvaard. Inmiddels is dit onderdeel van wat Gedichtendag heette afgeschaft.
Inzake de Buddingh’-prijs kan hilariteit hebben verwekt dat er door uitgevers een ‘shortlist’ aan wordt ontwaard. De ‘longlist’ zal bestaan uit de inzendingen, waarvan het aantal overigens verbijsterend hoog is voor wie zich voor het aanbod informeert bij boekhandels en reguliere media. Misschien had Groenewegen zelfs de slappe lach gekregen van ander recent nieuws dat er cursussen starten in ‘shortlistlezen’.
De naam van Pfeijffer zal hem minder vreugde hebben gebaard. Dit heeft te maken met de wegdeemsterende poëziekritiek. Pfeijffer kon daarin rabiate uitspraken over derden doen en zichzelf tot nieuwe Lucebert bombarderen. Dat verband mocht conform de postideologische zede schier unisono bijval krijgen, maar het ontging de erudiete, politiek gepokte lezer die Groenewegen was volkomen. Hij heeft daar uitgebreid verslag van gedaan. Als industrieel polemist reageerde Pfeijffer daar niet op.
Ten slotte was er in de week tussen Groenewegens dood en uitvaart het Felix Poëzie Festival in België. Ook dat programmeerde postideologiebewust, met een pleidooi voor poëzie, gehouden door dichter-biograaf Peter Theunynck. Een uittreksel verscheen in de boekenbijlage, de integrale tekst kwam op de dag van Groenewegens uitvaart op de betreffende schrijversblog.
Theunynck trekt een leuke vergelijking tussen poëzie en Formule 1-racen, om aanbevelingen te kunnen doen. Hij roept onder meer op om gedichten uit het hoofd te leren. Dat experiment was al meer dan tien keer uitgevoerd op recente poëzie in Met schrijven zin verzamelen, de laatste keer, als toekomstopdracht, op Mettes. (Wel noemt Theunynck als inspiratiebron een hoogleraar die voor Groenewegen zo’n beetje de Pfeijffer van de literatuurwetenschap leek en die in het kader van het cultuurdebat evenmin op Groenewegens meer dan eens op schrift gestelde bezwaren reageerde.)
Theunynck is optimistisch en roept collega’s op tot meer ‘passie’. Zo komt hij met adviezen: ‘Blijf ons verrassen met sprankelende beelden, tintelende taalbouwsels, swingende taalmuziek.’ Voor mij zijn dit helaas placebo’s, gelet op de ziekte die Theunyck genezen wil: ‘Poëzierecensenten praten te vaak voor de eigen kerk, gepassioneerde leraren die hun leerlingen in gloed kunnen brengen voor de poëzie zijn er minder dan vroeger.’
Als er nu iemand de kerk verlaten heeft… Groenewegen heeft diverse doelgroepen willen bereiken: van bibliotheken over specialisten naar potentieel belangstellenden. De meerderheid van zijn teksten is weliswaar langer dan 500 woorden, ze hebben altijd een brug geslagen naar een ontvanger. Ze legden bloot wat de overwegingen waren geweest – bij Pfeijffer was dit volgens hem principieel onmogelijk – en gaven ze cadeau voor betere. Alleen al de hoge frequentie van de u-vorm is een indicatie dat Groenewegen een dialoog wilde aangaan. Hebben lezers dat aanbod in overweging genomen?
De vergissing dat Groenewegen De 100 beste gedichten-boekjes had geproduceerd, moet zijn gerezen doordat hij voor Historische Uitgeverij artikelenbundels over één canonieke dichter (Faverey, Lucebert, Ouwens) samenstelde. In latere berichten werd de suggestie uitgewerkt, tot NRC aan toe, dat Groenewegen ze in zijn uppie had volgeschreven (en dat een soortgelijk project, over Hadewijch voor Revolver, een boek is).
De protestgeneratie heeft het nooit zo bedoeld, maar internetgebruikers hebben puur formeel een omverwerping van autoriteiten bewerkstelligd. Ze nemen wel zeer gemakkelijk iets voor waar aan, en als dat dan ook veel wordt doorgekopieerd is het bewijs achteraf geleverd. Op Groenewegens eigen website zijn, niet heel erg verrassend, boekgegevens simpel te vinden. Het verblufte dat hét literaire nieuwsmedium van de afgelopen tijd voor de bibliografie echter doorverwees naar de DBNL, die per definitie incompleet is en die in dit geval behalve jaren ook boeken en genres achterlag. Ook NRC leek erdoor op een dwaalspoor gezet.
Als gezegd (en gekopieerd!): vergissen is menselijk. Maar dat men niet eens de moeite wil nemen titelbeschrijvingen te lezen, leidt tot de gevolgtrekking dat de boeken zelf helemaal uit zicht blijven. Dit is een goed recht, dat zelfs in te voelen valt in deze tijden van overvloed. Ik snap alleen niet hoe die weigering valt te rijmen met pertinente oordelen over de betreffende teksten.
Vandaag is het drie weken geleden dat Hans Groenewegen overleed. Het taalkundig genie gelooft niet dat het al zomer is, de gourmande wil dat het gaat sneeuwen. De wereld wacht op een definitief bericht over Mandela. En in de literatuurbranche verstrekken persoonlijkheden lijstjes welke boeken absoluut op vakantie gelezen moeten worden. Van de literaire headlines op Groenewegens sterfdag zijn Hermans’ typemachines nog een item, in termen van erfgoed. Maar volgens mij kun je dat alleen levend houden door ermee om te gaan.
Groenewegen was niet de enige die daartoe een brug heeft geslagen naar geïnteresseerden. Onlangs verschenen bijvoorbeeld Wonderlijke wapens van Joris Note en De figuur in het tapijt van Daniel Rovers. Er zijn evenveel redenen om hun boeken niet academisch te noemen als wel. Ik noem ze, omdat – o, exemplificatie van de roddel – een literair journalist van een vooraanstaande krant het recensie-exemplaar van deze titels, samen met dat van Met schrijven zin verzamelen, aan een antiquariaat verkocht. In onberispelijke staat. Over welke kerk hebben we het dan eigenlijk?
maar wij rennen
op het zachte vel
met weke voeten
achter god weet
welke woorden aan
bij de stem vandaan
(nachtelijke rede)
donderdag 27 juni 2013
Hans Groenewegen (3)
Dat Poetry International de namen bekendmaakte van de juryleden voor de nieuwe editie van de VSB Poëzieprijs tussen Groenewegens dood en uitvaart had wel iets. Het festival schiep ooit een biotoop waar vooral onbekommerd experimenterende dichters op de grens van fictie hun ideeën over ongelijkheid uitwisselden. In die tijd en vanuit die gedachte, waarin het geschreven woord centraal stond, heeft Groenewegen, na een valse start op wat in Wageningen de Landbouwhogeschool heette, literatuurwetenschap en Nederlands gestudeerd en hij werd journalist voor De Waarheid en Forum (het weekblad). Inmiddels komt, in de vorm van een door een bedrijf gesponsorde prijs, de wereld expertise van Poetry kopen: het organiseren van evenementen, hier rond ‘genomineerden’. De ‘winnaar’ mag vervolgens optreden op het festival, dat opbiechtte bij de keuze van dichters mede te letten op de voordrachtskunde.
De VSB Poëzieprijs afficheert zich als de belangrijkste. Die zekerheid moet wortelen in de geldelijke beloning maar ook in rituele reacties op de competitie tussen de genomineerden: wie er ontbreekt en wie moet winnen. Dat zelfs jurynamen als nieuws gelden, komt snobby over maar is normaal in de bedrijfswereld. De voorpret volgt een postideologische logica. Wel lijkt de voorzitter ‘uit het maatschappelijk culturele veld’ de blikvanger. Behalve zijn bekendheid en passie, te onderstrepen in de jaarlijkse bloemlezing De 100 beste gedichten van, brengt hij resultaatgerichtheid en probleemoplossend vermogen mee. Hij fungeert als consultant die klussen kan stroomlijnen.
Groenewegen zat bij de Jan Campert Stichting die prijzen in meer genres uitreikt. Daarvoor liggen niet zozeer debat, naamsbekendheid en geld te wachten, als wel een essay en symbolisch kapitaal. Door telkens slechts ‘de winnaar’ te noemen ontbreekt het strijdbeginsel dat aandacht moet genereren. Het budget komt uit gemeenschapsgeld. Ook is de jurybezetting groter en vertrekt ze vanuit continuïteit. Er geldt geen zittingstermijn. Dat wekt een stabiele indruk, wat een consultant evengoed kan opvatten als zwakte tegenover de innovatie. Ze moeten tijd en aandacht fixeren en hun object, zoals Groenewegen tot ergernis van Mettes deed, in zekere zin objectiveren.
Tegenover de VSB die gestalte geeft aan piekmomenten, bouwt de Campertjury ambachtelijk een repertoire op van kanshebbers. Lancering versus context. Ik weet niet wat heilzamer is. Groenewegens aangehaalde historisering van Flarf geeft bijvoorbeeld een eyeopener die de geschiedenis dichterbij brengt, maar het verschijnsel evengoed kan stukrelativeren. En uit een vergelijking tussen de resultaten van Groenewegens juryschappen en de VSB-winnaars kan ik geen chocola maken. Van de laatstgenoemden kreeg alleen Lieske nooit een Campert-prijs; van de eerstgenoemden raakten louter Verhelsts Nieuwe sterrenbeelden en Gelèns’ Zet af en zweef niet genomineerd.
Groenewegen heeft voor een periode van zeven vette jaren aan de Campert-jury meegewerkt. Dat blijkt relatief kort. Daaraan liggen meer oorzaken ten grondslag. Het schuurde tegen zijn aard rangschikkingen te maken (blijven & verreizen bewijst dat hij ibbel werd van zowel Komrijs permanente als De Groene Amsterdammers eenmalige hiërarchie). Maar Groenewegens keuze dit juryschap te beperken was ook om de democratische waarde van het plaatsmaken na te komen.
Simultaan raakte symbolisch kapitaal inflatoir. Zelfs de P.C. Hooft-prijs ontkwam daar niet aan; de laureaat die zeven jaren geleden mede op advies van Groenewegen die eer mocht hebben, geeft inmiddels uit in eigen beheer. En conform de verschuiving van tekst naar presentatie is de Campert Stichting voor de uitreiking evengoed soelaas gaan zoeken bij een festival.
Sowieso miste Groenewegen de recentste Campert-bekroning voor poëzie, die evenmin tot de VSB-genomineerden doordrong: Hoe H.H. de wereld redde van Wouter Godijn. De titel lijkt te verwijzen naar het decennium waarin Groenewegen studeerde, maar slaat op een pianist die boeddhist werd. Wel werpt Godijn op het Gedichtenweekthema een aardig licht, van de werkelijkheid. Hij opent met ‘Een soort brief aan de lezer’, waarin hij bekent te zijn gaan schrijven vanuit dat concept van de verwondering ‘en toen opeens – boem! – ziek’. Toen werd de verwondering, staat er poëticaal beladen, ‘ontoegankelijk’:
Met de ziekte kon de verwondering niets beginnen, hoe ze ook haar best deed,
ze kreeg er geen vat op, er viel niets aan te verwonderen.
Ziekte maakt alles strak, overzichtelijk, ja,
kale-tafelachtig.
Die tafel brengt me bij een dichter-essayist over wiens dichotomische denken Groenewegen uitgebreid heeft gereflecteerd: Herman de Coninck. Een tafel is ongeveer een meter hoog, en dat noemde deze de psychische ooghoogte. De Conincks idee was dat volwassenen noodgedwongen op dingen neerkijken, terwijl de verwonderingsdichter als een kind omhoog moet blikken om de normaalste zaken te kunnen ontwaren. Dat de psychische ooghoogte behalve een ander perspectief volgens de bedenker ook een aanbevelenswaardige perceptie geeft, hoeft geen betoog.
Door de opgefriste blik op een object richt de aandacht zich onvermijdelijk mede op degene die dit mogelijk heeft gemaakt: wat knap als volwassene de ballast van kennis te dumpen! Lezers die daar gevoelig voor zijn, bejegenen de wereld verwant. Het is dat apparaat van zelfstrelende vooronderstellingen dat Godijn bekritiseert en dat voor Groenewegen, allergisch voor de troost van de verwondering, kennis belemmert. Hij ploos daar paradoxaal eigen interpretaties voor uit.
Nieuwe pogingen blijven nodig. Tragikomisch verspreidde zich vanuit het initiële digitale doodsnieuws de schitterende mare dat Groenewegen ‘voor de Arbeiderspers een aantal maal de bloemlezing “De 100 beste gedichten” samen[stelde] waarin de poëzie-oogst van het voorbije jaar werd in kaart gebracht’. Wel was hij met zijn brede blik goed uitgerust geweest voor die taak, bijvoorbeeld als vervanger van De Coninck die vlak voor die klus stierf. Toch leek Groenewegens kritiek op hem een diepe angst te openbaren, voor zeg maar het splinter-balksyndroom. Hij vermeldt De Conincks eigenaardigheden die veel van diens leeftijdsgenoten parten speelden: na kerk en autoriteit te hebben weggebonjourd een soortgelijk gezag vestigen. De in 1956 geboren Groenewegen was officieel één jaar te jong voor deze protestgeneratie, maar heeft haar praktijken helemaal ervaren. Om ze te vermijden had Groenewegens bloemlezing kunnen uitpakken in een duizelingwekkend project.
Mehr chocola!
De VSB Poëzieprijs afficheert zich als de belangrijkste. Die zekerheid moet wortelen in de geldelijke beloning maar ook in rituele reacties op de competitie tussen de genomineerden: wie er ontbreekt en wie moet winnen. Dat zelfs jurynamen als nieuws gelden, komt snobby over maar is normaal in de bedrijfswereld. De voorpret volgt een postideologische logica. Wel lijkt de voorzitter ‘uit het maatschappelijk culturele veld’ de blikvanger. Behalve zijn bekendheid en passie, te onderstrepen in de jaarlijkse bloemlezing De 100 beste gedichten van, brengt hij resultaatgerichtheid en probleemoplossend vermogen mee. Hij fungeert als consultant die klussen kan stroomlijnen.
Groenewegen zat bij de Jan Campert Stichting die prijzen in meer genres uitreikt. Daarvoor liggen niet zozeer debat, naamsbekendheid en geld te wachten, als wel een essay en symbolisch kapitaal. Door telkens slechts ‘de winnaar’ te noemen ontbreekt het strijdbeginsel dat aandacht moet genereren. Het budget komt uit gemeenschapsgeld. Ook is de jurybezetting groter en vertrekt ze vanuit continuïteit. Er geldt geen zittingstermijn. Dat wekt een stabiele indruk, wat een consultant evengoed kan opvatten als zwakte tegenover de innovatie. Ze moeten tijd en aandacht fixeren en hun object, zoals Groenewegen tot ergernis van Mettes deed, in zekere zin objectiveren.
Tegenover de VSB die gestalte geeft aan piekmomenten, bouwt de Campertjury ambachtelijk een repertoire op van kanshebbers. Lancering versus context. Ik weet niet wat heilzamer is. Groenewegens aangehaalde historisering van Flarf geeft bijvoorbeeld een eyeopener die de geschiedenis dichterbij brengt, maar het verschijnsel evengoed kan stukrelativeren. En uit een vergelijking tussen de resultaten van Groenewegens juryschappen en de VSB-winnaars kan ik geen chocola maken. Van de laatstgenoemden kreeg alleen Lieske nooit een Campert-prijs; van de eerstgenoemden raakten louter Verhelsts Nieuwe sterrenbeelden en Gelèns’ Zet af en zweef niet genomineerd.
Groenewegen heeft voor een periode van zeven vette jaren aan de Campert-jury meegewerkt. Dat blijkt relatief kort. Daaraan liggen meer oorzaken ten grondslag. Het schuurde tegen zijn aard rangschikkingen te maken (blijven & verreizen bewijst dat hij ibbel werd van zowel Komrijs permanente als De Groene Amsterdammers eenmalige hiërarchie). Maar Groenewegens keuze dit juryschap te beperken was ook om de democratische waarde van het plaatsmaken na te komen.
Simultaan raakte symbolisch kapitaal inflatoir. Zelfs de P.C. Hooft-prijs ontkwam daar niet aan; de laureaat die zeven jaren geleden mede op advies van Groenewegen die eer mocht hebben, geeft inmiddels uit in eigen beheer. En conform de verschuiving van tekst naar presentatie is de Campert Stichting voor de uitreiking evengoed soelaas gaan zoeken bij een festival.
Sowieso miste Groenewegen de recentste Campert-bekroning voor poëzie, die evenmin tot de VSB-genomineerden doordrong: Hoe H.H. de wereld redde van Wouter Godijn. De titel lijkt te verwijzen naar het decennium waarin Groenewegen studeerde, maar slaat op een pianist die boeddhist werd. Wel werpt Godijn op het Gedichtenweekthema een aardig licht, van de werkelijkheid. Hij opent met ‘Een soort brief aan de lezer’, waarin hij bekent te zijn gaan schrijven vanuit dat concept van de verwondering ‘en toen opeens – boem! – ziek’. Toen werd de verwondering, staat er poëticaal beladen, ‘ontoegankelijk’:
Met de ziekte kon de verwondering niets beginnen, hoe ze ook haar best deed,
ze kreeg er geen vat op, er viel niets aan te verwonderen.
Ziekte maakt alles strak, overzichtelijk, ja,
kale-tafelachtig.
Die tafel brengt me bij een dichter-essayist over wiens dichotomische denken Groenewegen uitgebreid heeft gereflecteerd: Herman de Coninck. Een tafel is ongeveer een meter hoog, en dat noemde deze de psychische ooghoogte. De Conincks idee was dat volwassenen noodgedwongen op dingen neerkijken, terwijl de verwonderingsdichter als een kind omhoog moet blikken om de normaalste zaken te kunnen ontwaren. Dat de psychische ooghoogte behalve een ander perspectief volgens de bedenker ook een aanbevelenswaardige perceptie geeft, hoeft geen betoog.
Door de opgefriste blik op een object richt de aandacht zich onvermijdelijk mede op degene die dit mogelijk heeft gemaakt: wat knap als volwassene de ballast van kennis te dumpen! Lezers die daar gevoelig voor zijn, bejegenen de wereld verwant. Het is dat apparaat van zelfstrelende vooronderstellingen dat Godijn bekritiseert en dat voor Groenewegen, allergisch voor de troost van de verwondering, kennis belemmert. Hij ploos daar paradoxaal eigen interpretaties voor uit.
Nieuwe pogingen blijven nodig. Tragikomisch verspreidde zich vanuit het initiële digitale doodsnieuws de schitterende mare dat Groenewegen ‘voor de Arbeiderspers een aantal maal de bloemlezing “De 100 beste gedichten” samen[stelde] waarin de poëzie-oogst van het voorbije jaar werd in kaart gebracht’. Wel was hij met zijn brede blik goed uitgerust geweest voor die taak, bijvoorbeeld als vervanger van De Coninck die vlak voor die klus stierf. Toch leek Groenewegens kritiek op hem een diepe angst te openbaren, voor zeg maar het splinter-balksyndroom. Hij vermeldt De Conincks eigenaardigheden die veel van diens leeftijdsgenoten parten speelden: na kerk en autoriteit te hebben weggebonjourd een soortgelijk gezag vestigen. De in 1956 geboren Groenewegen was officieel één jaar te jong voor deze protestgeneratie, maar heeft haar praktijken helemaal ervaren. Om ze te vermijden had Groenewegens bloemlezing kunnen uitpakken in een duizelingwekkend project.
Mehr chocola!
maandag 24 juni 2013
Hans Groenewegen (2)
Om Blind Willie McTell te citeren: ‘Lordy Lord, Lordy, Lordy Lord, Lordy Lord Lordy, Lordy Lord’. Het goede nieuws is dat NRC alsnog een artikeltje aan Groenewegen heeft gewijd. En dat zijn laatste bij leven gereed gemaakte bundel blijven & verreizen er nu is. Het slechte nieuws is dat op de achterflap Groenewegens toch al ruw afgebroken leven met een jaar extra is bekort. Dit zal op een of andere manier in harmonie dienen te geraken met de wijsheid van ervaringsdeskundigen dat vergissen menselijk is.
Dat ik blij verrast ben met het artikel, komt door een andere realiteit. Ze heeft literatuur in haar greep. Op Groenewegens sterfdag had de genoemde krant deze genreheadlines: ‘Schotse schrijver Iain Banks overleden’, ‘Gaan W.F. Hermans' schrijfmachines naar Vlaanderen of toch Groningen?’, ‘Oud-directeur Hofnarretje schrijft boek’, ‘Scarlett Johansson sleept uitgeverij voor de rechter vanwege literaire dubbelganger’ en ‘NRC-columnist Wilfried de Jong schreef beste sportboek van het jaar’. Prettig dat inmiddels de nuance is aangebracht dat onder dat geweld Groenewegen ook weer niet bij voorbaat geen plaatsje onder de zon verdient. Wie mij in die overtuiging niet gelooft of me verblind acht, hoeft slechts Hete herfst aan het begin van een ijstijd te lezen. Simultaan maakt dat boek duidelijk dat de auteur geen Mulisch was.
Volgens mij ligt de waarde van Groenewegens werk op tweeërlei vlak. Er is de component van kennis, die onder druk staat van snelle oordelen, wegdenken en door de mogelijkheid die copy and paste van het web biedt – het afblokken. Daarnaast dringt aldus door Groenewegens teksten een verpletterende, soms ironisch geformuleerde ethische fascinatie op. Ze uit zich in de lakmoesproeven die vooral zijn essays zijn, door bevragingen van pluralisme, intuïtie, gemeenplaatsen, vooruitgang, consequentheid, enz.
Hopelijk scherpt het inzicht om van daaruit een aantal literaire nieuwsfeiten te belichten uit de periode tussen Groenewegens overlijden en uitvaart. Ze hadden niets met hem te maken, maar op een bepaalde manier ook weer wel. Bovendien komen ze van gelegenheden die momenteel de beste overlevingskans lijken te bieden aan Groenewegens liefde poëzie: het evenement.
Zo werd er wereldkundig gemaakt dat onder het thema van de verwondering het geschenk van wat inmiddels Poëzieweek heet, zou worden geschreven door K. Schippers. Ten bate van een nieuw publiek moest poëzie voor de zoveelste keer gepromoot worden door een schrijver op respectabele leeftijd. Bij het bericht stond een twintig jaar oude foto van de vijftig jaar oude Barbarber-redactie – louter Schippers leeft nog.
Dat de verwondering aan hem wordt verbonden, kan wel eens te maken hebben met welgeteld één latere klassieker. Veel aangehaald is althans deze oneliner: ‘Als je goed / om je heen kijkt / zie je dat alles / gekleurd is’. Daarmee gebeurde iets wat Groenewegen een oeuvre lang heeft proberen te nuanceren: de uitvergroting die een geïsoleerd detail representatief voor het geheel wil maken. Citeren is al een reductie. Zo verklaarde Groenewegen meteen de praktijk van een poëziekritiek die interpreteert en oordeelt met beperkte lengte voor een kansloze missie.
Over Schippers zijn me geen stukken van Groenewegen bekend. Hij liet hem wel figureren als voorloper van Flarf, met Mustafa Stitou, wiens ontwikkeling hij bewonderde, als recente loot. Mij dunkt overigens dat de Schippers-oneliner evengoed een onmogelijke neutraliteit en een principiële bemiddeling van de blik blootlegt, dat er altijd iets van ergens opgeslagen media-uiting of kennis of politieke overtuiging meekijkt. Afhankelijk van dat standpunt valt die bemiddeling, waardoor elke blik multidimensionaal is, eventueel bezoedeling te noemen.
Door verwonderingsadepten, vermoedelijk. Ze hebben in de laaglandse literatuurgeschiedenis jarenlang uitstekende papieren gehad. Omdat het idee van verwondering over de dingen, hoe pastoraal ook, iets aannemelijks heeft. Het lijkt bescheiden, lebensbejahend, het ‘dankjewel’ waar ik de vorige keer aan refereerde. Wel raakte door die geografisch beperkte brede steun verwondering een makkelijk cadeau, een luxeproduct.
Bij J. Bernlef, de Barbarber-collega van Schippers, is zelfs een ‘verwonderingsindustrie’ waargenomen. Jeroen Mettes vond dit poëticale concept ‘burgerlijk’. Dat klinkt hooghartig, maar hij had er aardse motieven bij op het vlak van solidariteit, tegen de neoliberale ideologie. Dikwijls aangehaald is dat volgens Mettes het verwonderingsgedicht ‘een maatschappij [bevestigt] waarin vrijheid wordt geïllustreerd door het op de knieën vallen voor een showmodel’.
Omdat Mettes polemisch opereerde, met onvertaalde theorie erbij, was hij niet algemeen populair, laat staan dat er werd gereageerd door mensen die hij met bravoure, kracht van argumenten en stijl over de hekel haalde. Hij legde de lat hoog, en wilde geen compromissen. Over Groenewegen was Mettes gematigd positief. Hij vond hem een bekwame maar te aardige schoolmeester, die wel van ongekend nut zou zijn om mensen te enthousiasmeren en in te wijden in poëzie. De onuitgesproken boodschap was echter dat het echte werk voor genieën was.
Waarschijnlijk ‘typeert’ het Groenewegen dat hij deze kritiek grinnikend onderging. En dat hij voor Mettes’ onverhuld politieke doelstellingen via integrale analyse iets had dat pendelde tussen onvoorwaardelijke sympathie en ontzag. Hun beider beoogde doelen, steeds op het randje van de utopie, waren gericht op de gemeenschap. De keuze voor de verwondering als Gedichtenweekthema zou in hun ogen regressie betekenen, omdat kennis en kritiek er een stap terug voor moeten doen.
Eerlijk gezegd deel ik die indruk. Het verwonderingsgedicht geeft een late reactie op de vraag van de Verlichting, hoe Vrijheid, Gelijkheid en Broederschap kunnen worden verwezenlijkt. Deze poëtica antwoordt: door gelijkgestemden. Auteur en lezer zijn entre nous. Da’s echter precies de clichématige kritiek op ‘het poëziewereldje’. Het idee van de linkse hobby, het verdelen en heersen. Groenewegen viel alvast niet te betichten van gelijkgestemdheid, wel van de wens tot kennisvergroting. Zoals hij het andere in zichzelf achtervolgde, zo wilde hij met zijn artikelen onbekenden bereiken.
Groenewegen koesterde Mettes overigens eveneens als dichter. Niet voor niets eindigt Met schrijven zin verzamelen met een stuk over diens poëzie, dat meteen valt op te vatten als antwoord op Mettes’ zuinige appreciatie: heer, vergeef mij mijn temperament! Maar ja, als echte wetenschapper wist Mettes Groenewegens invloed te berekenen op 1/1000ste van die van bibliothecarissen.
Maar nu moet ik van alles gaan uitleggen, dat deze posting te ongeconcentreerd zou maken. Volgende keer beter.
Dat ik blij verrast ben met het artikel, komt door een andere realiteit. Ze heeft literatuur in haar greep. Op Groenewegens sterfdag had de genoemde krant deze genreheadlines: ‘Schotse schrijver Iain Banks overleden’, ‘Gaan W.F. Hermans' schrijfmachines naar Vlaanderen of toch Groningen?’, ‘Oud-directeur Hofnarretje schrijft boek’, ‘Scarlett Johansson sleept uitgeverij voor de rechter vanwege literaire dubbelganger’ en ‘NRC-columnist Wilfried de Jong schreef beste sportboek van het jaar’. Prettig dat inmiddels de nuance is aangebracht dat onder dat geweld Groenewegen ook weer niet bij voorbaat geen plaatsje onder de zon verdient. Wie mij in die overtuiging niet gelooft of me verblind acht, hoeft slechts Hete herfst aan het begin van een ijstijd te lezen. Simultaan maakt dat boek duidelijk dat de auteur geen Mulisch was.
Volgens mij ligt de waarde van Groenewegens werk op tweeërlei vlak. Er is de component van kennis, die onder druk staat van snelle oordelen, wegdenken en door de mogelijkheid die copy and paste van het web biedt – het afblokken. Daarnaast dringt aldus door Groenewegens teksten een verpletterende, soms ironisch geformuleerde ethische fascinatie op. Ze uit zich in de lakmoesproeven die vooral zijn essays zijn, door bevragingen van pluralisme, intuïtie, gemeenplaatsen, vooruitgang, consequentheid, enz.
Hopelijk scherpt het inzicht om van daaruit een aantal literaire nieuwsfeiten te belichten uit de periode tussen Groenewegens overlijden en uitvaart. Ze hadden niets met hem te maken, maar op een bepaalde manier ook weer wel. Bovendien komen ze van gelegenheden die momenteel de beste overlevingskans lijken te bieden aan Groenewegens liefde poëzie: het evenement.
Zo werd er wereldkundig gemaakt dat onder het thema van de verwondering het geschenk van wat inmiddels Poëzieweek heet, zou worden geschreven door K. Schippers. Ten bate van een nieuw publiek moest poëzie voor de zoveelste keer gepromoot worden door een schrijver op respectabele leeftijd. Bij het bericht stond een twintig jaar oude foto van de vijftig jaar oude Barbarber-redactie – louter Schippers leeft nog.
Dat de verwondering aan hem wordt verbonden, kan wel eens te maken hebben met welgeteld één latere klassieker. Veel aangehaald is althans deze oneliner: ‘Als je goed / om je heen kijkt / zie je dat alles / gekleurd is’. Daarmee gebeurde iets wat Groenewegen een oeuvre lang heeft proberen te nuanceren: de uitvergroting die een geïsoleerd detail representatief voor het geheel wil maken. Citeren is al een reductie. Zo verklaarde Groenewegen meteen de praktijk van een poëziekritiek die interpreteert en oordeelt met beperkte lengte voor een kansloze missie.
Over Schippers zijn me geen stukken van Groenewegen bekend. Hij liet hem wel figureren als voorloper van Flarf, met Mustafa Stitou, wiens ontwikkeling hij bewonderde, als recente loot. Mij dunkt overigens dat de Schippers-oneliner evengoed een onmogelijke neutraliteit en een principiële bemiddeling van de blik blootlegt, dat er altijd iets van ergens opgeslagen media-uiting of kennis of politieke overtuiging meekijkt. Afhankelijk van dat standpunt valt die bemiddeling, waardoor elke blik multidimensionaal is, eventueel bezoedeling te noemen.
Door verwonderingsadepten, vermoedelijk. Ze hebben in de laaglandse literatuurgeschiedenis jarenlang uitstekende papieren gehad. Omdat het idee van verwondering over de dingen, hoe pastoraal ook, iets aannemelijks heeft. Het lijkt bescheiden, lebensbejahend, het ‘dankjewel’ waar ik de vorige keer aan refereerde. Wel raakte door die geografisch beperkte brede steun verwondering een makkelijk cadeau, een luxeproduct.
Bij J. Bernlef, de Barbarber-collega van Schippers, is zelfs een ‘verwonderingsindustrie’ waargenomen. Jeroen Mettes vond dit poëticale concept ‘burgerlijk’. Dat klinkt hooghartig, maar hij had er aardse motieven bij op het vlak van solidariteit, tegen de neoliberale ideologie. Dikwijls aangehaald is dat volgens Mettes het verwonderingsgedicht ‘een maatschappij [bevestigt] waarin vrijheid wordt geïllustreerd door het op de knieën vallen voor een showmodel’.
Omdat Mettes polemisch opereerde, met onvertaalde theorie erbij, was hij niet algemeen populair, laat staan dat er werd gereageerd door mensen die hij met bravoure, kracht van argumenten en stijl over de hekel haalde. Hij legde de lat hoog, en wilde geen compromissen. Over Groenewegen was Mettes gematigd positief. Hij vond hem een bekwame maar te aardige schoolmeester, die wel van ongekend nut zou zijn om mensen te enthousiasmeren en in te wijden in poëzie. De onuitgesproken boodschap was echter dat het echte werk voor genieën was.
Waarschijnlijk ‘typeert’ het Groenewegen dat hij deze kritiek grinnikend onderging. En dat hij voor Mettes’ onverhuld politieke doelstellingen via integrale analyse iets had dat pendelde tussen onvoorwaardelijke sympathie en ontzag. Hun beider beoogde doelen, steeds op het randje van de utopie, waren gericht op de gemeenschap. De keuze voor de verwondering als Gedichtenweekthema zou in hun ogen regressie betekenen, omdat kennis en kritiek er een stap terug voor moeten doen.
Eerlijk gezegd deel ik die indruk. Het verwonderingsgedicht geeft een late reactie op de vraag van de Verlichting, hoe Vrijheid, Gelijkheid en Broederschap kunnen worden verwezenlijkt. Deze poëtica antwoordt: door gelijkgestemden. Auteur en lezer zijn entre nous. Da’s echter precies de clichématige kritiek op ‘het poëziewereldje’. Het idee van de linkse hobby, het verdelen en heersen. Groenewegen viel alvast niet te betichten van gelijkgestemdheid, wel van de wens tot kennisvergroting. Zoals hij het andere in zichzelf achtervolgde, zo wilde hij met zijn artikelen onbekenden bereiken.
Groenewegen koesterde Mettes overigens eveneens als dichter. Niet voor niets eindigt Met schrijven zin verzamelen met een stuk over diens poëzie, dat meteen valt op te vatten als antwoord op Mettes’ zuinige appreciatie: heer, vergeef mij mijn temperament! Maar ja, als echte wetenschapper wist Mettes Groenewegens invloed te berekenen op 1/1000ste van die van bibliothecarissen.
Maar nu moet ik van alles gaan uitleggen, dat deze posting te ongeconcentreerd zou maken. Volgende keer beter.
vrijdag 21 juni 2013
Hans Groenewegen (1)
Dat hij een man van taal was, kwam uit na zijn dood. Hij bleek zijn laatste tijd te hebben doorgebracht in een contaminatie: een ‘ziektebed’. Het had iets geestigs dat dit op het internet gepubliceerde nieuws meteen werd doorgekopieerd, zodat hij alvast voor de duur van een digitale eeuwigheid in het woord verkeert.
Hans Groenewegen (1956-2013) was naar mijn overtuiging een van de grote essayisten over poëzie uit de laatste decennia. Tegelijk kan ik niet ontkennen nog een mening toegedaan te zijn: dat deze stiel futiel werd. Dat is de realiteit. Je hoeft niet te hebben doorgeleerd om te begrijpen dat bij groeiende snelheid en kwantiteit de ‘dynamische’ beunhaas in het voordeel is boven de ‘statische’ vakman. Toch gloeit er zoiets als een stille hoop op rechtvaardigheid – zeker na een vroeg overlijden. Maar ja. Vlak voor de uitvaart twitterde een vakgenoot wel dat vijf jaar geleden Kees Fens was overleden – een bij leven al museaal gemaakte voorganger van Groenewegen.
Dat de herdenking beperkt bleef tot het internet, was ook geestig: Groenewegens relatie met dit medium was aan de gespannen kant. (Zelf ben ik er nog altijd niet uit hoe de opgestoken duimpjes te moeten opvatten onder het uitgeversbericht op Facebook van zijn overlijden.) Feitelijk bepaalde het eerste bericht, uit België, bijna alle andere digitale publicaties door hyperlinking. Ook dit was geestig omdat Groenewegen zich sterk heeft gemaakt voor eigen ontdekkingen. Dat hij zich daarbij dienstbaar opstelde tegenover de betreffende tekst en zich wegcijferde, stond helemaal in contrast met de berichtgeving.
Zo verwees de Nederlandse Poëzie Encyclopedie door naar een eigen lemma en sorteerde Ons Erfdeel de publicaties van en over Groenewegen in haar eigen blad.
Op een bepaalde manier opmerkelijk waren de bijdragen van de twee concurrenten op de digitale markt. Ooteoote gaf hyperlinks, met twee onmachtig goed bedoelende zinnen erbij. Dit copy-and-pastegedrag is er helaas schering en inslag. Ditmaal pakte het helemaal confronterend uit, gezien de warme banden tussen Groenewegen en Perdu, de achterliggende organisatie van Ooteoote. Zowel in de redactie als tussen de medewerkers gaan nota bene vele dichters en essayisten schuil.
Tussen De Contrabas en Groenewegen waren de betrekkingen van oudsher dan weer ijzig, en ik vrees dat ik zelf niet heb bijgedragen aan enige ontdooiing. Toch vatte ook hier de stille hoop in mij post. Maar behalve naar het initiële bericht refereerde De Contrabas aan een meer dan zeven jaar oude posting uit eigen huis, waarin Groenewegens kritische kanttekeningen bij de virtualiteit door Ton van ’t Hof gepareerd werden. Onvermeld bleef dat in een artikel over Van ’t Hofs poëzie en poëtica Groenewegen daarop nauwgezet geantwoord heeft, in zijn laatste bij leven verschenen essaybundel Met schrijven zin verzamelen.
Anders was de waardering van Edwin Fagel. Hij schreef ooit een lovende recensie over Groenewegens bundel van alle angst ontdaan voor het tijdschrift Awater en meldde dat een site dit stuk herplaatste ‘als eerbetoon aan Groenewegen’. In de voorafgaande weken had Fagel meer reclame gemaakt, voor het genoemde Awater waarvan hij hoofdredacteur is: het recentste nummer zou een ‘indrukwekkend interview’ met Groenewegen bevatten. De gerenommeerde boekhandel Athenaeum berichtte dan weer dat Groenewegen de Pierre Bayle-prijs had gehad voor Met schrijven zin verzamelen. Maar die fijne bekroning betrof een heel kritisch oeuvre waarvan Groenewegen veel meer titels op zijn naam had – mogelijk niet meer leverbaar?
Ik zit nu op slakken zout te leggen. Maar het onderwerp is iemand die zich behalve dienstbaar ook scrupuleus toonde. Zijn werk heeft me geleerd hoe complex goede manieren, empathie en belangeloosheid zijn; ‘dankjewel’ blijkt een delicate bewering. Ook heb ik op het web na het overlijden van Groenewegen welgeteld één hartverwarmende reactie ontdekt – van buiten de literaire wereld.
Bij mijn weten als enige heeft Erik Lindner zich de moeite getroost een in memoriam te schrijven. Hij deed dit in zijn functie van Revisor-redacteur, en begon dat de gedachten van de redactie waren bij Groenewegens met de voornaam aangeduide echtgenote, plus ‘kinderen en kleinkinderen’. Meteen was duidelijk wie er sprak: een insider.
Zo meldde Lindner dat er nog een Groenewegen-bundel op komst was, ‘bezorgd’ door mij. Ik heb dat verder nergens gelezen en kan het me niet echt voorstellen maar het klonk eervol. Ook de overledene mocht zich bevoorrecht weten: ‘De Revisor publiceerde vijf gedichten van Hans Groenewegen en stelde een groot deel van zijn laatste bundel bij verschijnen online beschikbaar voor de abonnees.’ Vervolgens linkte Lindner naar een interpretatie van Groenewegens poëzie op de blog van een ander tijdschrift waarvan hij redacteur is. De poëtica van dat orgaan, maar het voert te ver dat hier uit te leggen, legitimeerde hij ogenschijnlijk via een van de depreciaties die Groenewegen na beraad en studie aan het papier had toevertrouwd en zelfs gebundeld.
Tot slot schetste Lindner onomwonden zijn eigen relatie tot Groenewegen. Te verwachten viel dat hij diens op vele plaatsen geuite fascinatie voor Walter Benjamin zou verbinden met zijn eigen, verdienstelijke debuut Tramontane, dat onder meer het leven van deze filosoof tot onderwerp heeft. Ook laat Lindner via Ooteoote keer op keer weten een themanummer over Berlijn te hebben gemaakt, waar hij desgewenst ruim voor had kunnen putten uit Groenewegens teksten. Niets van dat al:
Persoonlijk betreur ik het verlies van een gewaardeerd en kritisch gespreksgenoot. Hans Groenewegen heeft me talloze malen aangemoedigd en gestimuleerd om te schrijven over poëzie en bij Ons Erfdeel aangedragen als essayist. Zo gestreng als hij kon zijn, zo integer en vriendelijk was hij evengoed. Voor De Groene Amsterdammer besprak ik twee keer zijn werk. Hans was een collega aan wie je je kon scherpen. Een wereld zonder Hans is stukken leger.
De laatste zin is misschien een woordgrap; de zin daarvoor lijkt, afgaand op deze tekst (een bron voor Wikipedia), bezijden de waarheid.
Eindigt hiermee mijn spreekbeurt over Hans Groenewegen? Graag wil ik vertellen op zijn zolderkamer ooit met hem planken en schroeven tot boekenkast te hebben gemonteerd, waarna er een hoek van 45 graden met de vloer ontstond. Niet om op te scheppen, maar het was design avant la lettre.
Hans Groenewegen (1956-2013) was naar mijn overtuiging een van de grote essayisten over poëzie uit de laatste decennia. Tegelijk kan ik niet ontkennen nog een mening toegedaan te zijn: dat deze stiel futiel werd. Dat is de realiteit. Je hoeft niet te hebben doorgeleerd om te begrijpen dat bij groeiende snelheid en kwantiteit de ‘dynamische’ beunhaas in het voordeel is boven de ‘statische’ vakman. Toch gloeit er zoiets als een stille hoop op rechtvaardigheid – zeker na een vroeg overlijden. Maar ja. Vlak voor de uitvaart twitterde een vakgenoot wel dat vijf jaar geleden Kees Fens was overleden – een bij leven al museaal gemaakte voorganger van Groenewegen.
Dat de herdenking beperkt bleef tot het internet, was ook geestig: Groenewegens relatie met dit medium was aan de gespannen kant. (Zelf ben ik er nog altijd niet uit hoe de opgestoken duimpjes te moeten opvatten onder het uitgeversbericht op Facebook van zijn overlijden.) Feitelijk bepaalde het eerste bericht, uit België, bijna alle andere digitale publicaties door hyperlinking. Ook dit was geestig omdat Groenewegen zich sterk heeft gemaakt voor eigen ontdekkingen. Dat hij zich daarbij dienstbaar opstelde tegenover de betreffende tekst en zich wegcijferde, stond helemaal in contrast met de berichtgeving.
Zo verwees de Nederlandse Poëzie Encyclopedie door naar een eigen lemma en sorteerde Ons Erfdeel de publicaties van en over Groenewegen in haar eigen blad.
Op een bepaalde manier opmerkelijk waren de bijdragen van de twee concurrenten op de digitale markt. Ooteoote gaf hyperlinks, met twee onmachtig goed bedoelende zinnen erbij. Dit copy-and-pastegedrag is er helaas schering en inslag. Ditmaal pakte het helemaal confronterend uit, gezien de warme banden tussen Groenewegen en Perdu, de achterliggende organisatie van Ooteoote. Zowel in de redactie als tussen de medewerkers gaan nota bene vele dichters en essayisten schuil.
Tussen De Contrabas en Groenewegen waren de betrekkingen van oudsher dan weer ijzig, en ik vrees dat ik zelf niet heb bijgedragen aan enige ontdooiing. Toch vatte ook hier de stille hoop in mij post. Maar behalve naar het initiële bericht refereerde De Contrabas aan een meer dan zeven jaar oude posting uit eigen huis, waarin Groenewegens kritische kanttekeningen bij de virtualiteit door Ton van ’t Hof gepareerd werden. Onvermeld bleef dat in een artikel over Van ’t Hofs poëzie en poëtica Groenewegen daarop nauwgezet geantwoord heeft, in zijn laatste bij leven verschenen essaybundel Met schrijven zin verzamelen.
Anders was de waardering van Edwin Fagel. Hij schreef ooit een lovende recensie over Groenewegens bundel van alle angst ontdaan voor het tijdschrift Awater en meldde dat een site dit stuk herplaatste ‘als eerbetoon aan Groenewegen’. In de voorafgaande weken had Fagel meer reclame gemaakt, voor het genoemde Awater waarvan hij hoofdredacteur is: het recentste nummer zou een ‘indrukwekkend interview’ met Groenewegen bevatten. De gerenommeerde boekhandel Athenaeum berichtte dan weer dat Groenewegen de Pierre Bayle-prijs had gehad voor Met schrijven zin verzamelen. Maar die fijne bekroning betrof een heel kritisch oeuvre waarvan Groenewegen veel meer titels op zijn naam had – mogelijk niet meer leverbaar?
Ik zit nu op slakken zout te leggen. Maar het onderwerp is iemand die zich behalve dienstbaar ook scrupuleus toonde. Zijn werk heeft me geleerd hoe complex goede manieren, empathie en belangeloosheid zijn; ‘dankjewel’ blijkt een delicate bewering. Ook heb ik op het web na het overlijden van Groenewegen welgeteld één hartverwarmende reactie ontdekt – van buiten de literaire wereld.
Bij mijn weten als enige heeft Erik Lindner zich de moeite getroost een in memoriam te schrijven. Hij deed dit in zijn functie van Revisor-redacteur, en begon dat de gedachten van de redactie waren bij Groenewegens met de voornaam aangeduide echtgenote, plus ‘kinderen en kleinkinderen’. Meteen was duidelijk wie er sprak: een insider.
Zo meldde Lindner dat er nog een Groenewegen-bundel op komst was, ‘bezorgd’ door mij. Ik heb dat verder nergens gelezen en kan het me niet echt voorstellen maar het klonk eervol. Ook de overledene mocht zich bevoorrecht weten: ‘De Revisor publiceerde vijf gedichten van Hans Groenewegen en stelde een groot deel van zijn laatste bundel bij verschijnen online beschikbaar voor de abonnees.’ Vervolgens linkte Lindner naar een interpretatie van Groenewegens poëzie op de blog van een ander tijdschrift waarvan hij redacteur is. De poëtica van dat orgaan, maar het voert te ver dat hier uit te leggen, legitimeerde hij ogenschijnlijk via een van de depreciaties die Groenewegen na beraad en studie aan het papier had toevertrouwd en zelfs gebundeld.
Tot slot schetste Lindner onomwonden zijn eigen relatie tot Groenewegen. Te verwachten viel dat hij diens op vele plaatsen geuite fascinatie voor Walter Benjamin zou verbinden met zijn eigen, verdienstelijke debuut Tramontane, dat onder meer het leven van deze filosoof tot onderwerp heeft. Ook laat Lindner via Ooteoote keer op keer weten een themanummer over Berlijn te hebben gemaakt, waar hij desgewenst ruim voor had kunnen putten uit Groenewegens teksten. Niets van dat al:
Persoonlijk betreur ik het verlies van een gewaardeerd en kritisch gespreksgenoot. Hans Groenewegen heeft me talloze malen aangemoedigd en gestimuleerd om te schrijven over poëzie en bij Ons Erfdeel aangedragen als essayist. Zo gestreng als hij kon zijn, zo integer en vriendelijk was hij evengoed. Voor De Groene Amsterdammer besprak ik twee keer zijn werk. Hans was een collega aan wie je je kon scherpen. Een wereld zonder Hans is stukken leger.
De laatste zin is misschien een woordgrap; de zin daarvoor lijkt, afgaand op deze tekst (een bron voor Wikipedia), bezijden de waarheid.
Eindigt hiermee mijn spreekbeurt over Hans Groenewegen? Graag wil ik vertellen op zijn zolderkamer ooit met hem planken en schroeven tot boekenkast te hebben gemonteerd, waarna er een hoek van 45 graden met de vloer ontstond. Niet om op te scheppen, maar het was design avant la lettre.
maandag 17 juni 2013
Ontspamming

Eigenlijk is een woord dat je eigenlijk niet mag gebruiken van Frans Kellendonk – eigenlijk bestaat een dag uit ontspamming. Het gaat dan niet over dimensies die voor mij way beyond zijn, maar over zich aandienende prikkels die in de ter beschikking staande werelden moeten worden omgezet. Daar lijkt het verschil tussen gevraagd of ongevraagd betrekkelijk, omdat in de communicatie zoiets als ‘maatwerk’, zeker bij pretenties het aan te leveren, amper mogelijk is, en waarbij Hollanders en Vlamingen bij het spreken en luisteren onderling een paar pedaalslagen extra moeten geven.
De omzetting van prikkels leidt in gunstige gevallen tot helderheid of tot verbreding van de context, geregeld tot onbegrip, en het vaakst zullen ze worden genegeerd.
Ik dacht hier laatst aan toen een artikel liet zien dat de inhoud van spam meeverandert met de noden van de tijd. Waar die noden precies zitten, durf ik niet te zeggen. Dat zou een vertaling zijn van de tijdgeest, waarvan ik deel uitmaak. Zelfs nadat ik aan de prinsessen na het hoofdgerecht had gevraagd of ze nog wat wilden en het taalkundig genie riep: ‘Hegelschleck’. Waarna de gourmande: ‘Koffie met plasseks’. Amper dialectische navraag leerde dat het laatste ‘yoghurt met cassis’ betrof.
Omdat het noden soms even onbillijk vergaat als voedsel, leek het me een idee om voor elk humeur onbetwistbare spam ook eens te lezen:
Lieve *** banking gebruikers
Wij maken gebruik van een systeem reactivering van alle *** PC banking te wijten aan enkele technische problemen in ons systeem.
Om je account te controleren en opnieuw te activeren, volg dan de link:
Veiligheid Let op: kan niet in beschouwing nemen lead uitschakelen om blijvende beperkingen.
Dank je wel,
Klantenservice.
Wat is hier voor Google Translate (een aannemersbedrijf dat de toren van Babel restaureert) de bron geweest? Toch Engels? Da’s de taal die de Vietnamese dichter Linh Dinh zich eigen moest maken toen hij in het beloofde land kwam wonen. Misschien heeft zijn volgende gedicht daar iets mee te maken, waarvan in een bijrol het repeteergeweer van de witregel knap werk verricht – hopelijk ook voor mijn ontspamming:
Alter alter-egostudies
(lange versie, goed opgespannen, zoals bij paarden en dieven)
Dadelijk vertaal ik je in je.
Ben je onlangs nog vertaald?
Hoe lang geleden werd je vertaald?
Wanneer werd je voor het laatst vertaald?
Hoeveel geleden, tijdsspanne, vanaf dat je voor het laatst vertaald werd door iemand, een persoon, een menselijk wezen, tweevoetig, je andere je?
Haal diep adem. Ben je vertaalbaar?
Studenten zijn het erover eens dat deze vertaling eerlijker, exacter, waarachtiger is dan het origineel.
Bij het vertalen zoekt hij ieder woord na, ook ‘een’ en ‘de’.
Da’s geen spiegel, vriend, da’s een vertaling.
Twee unieke vertalingen, naast elkaar, allebei zonder nut.
Ik vertaal heel veel, ik besef niet eens dat ik aan het vertalen ben. Ben ik aan het vertalen?
Sorry dat ik weer vertaal. Nu jij, nee, ik sta erop.
Ik vertaal alles, Grieks, dolfijnen, presse-papiers, de gemeente Philadelphia.
Het enige dat ik niet weet te vertalen is eekhoorn. Van zinsgeknaag en slang gaat mijn harde schijf kapot.
Poëzie is de clandestiene buit, die wordt binnengehaald door de krachtig flemende kunst van het vertalen. Nu heb ik hem, eindelijk. (Ik vertaalde het gewoon van eekhoorn).
Vertaling is eigenlijk de motor van heel wat poëzie in de wereld.
Zonder vertaling zou poëzie beperkt blijven tot een paar schlagers die je bovenbuurman zingt, op zijn balkon, om drie uur ’s nachts.
We hebben de coördinaten van onze poëzieproductie nodig, om onze zelfvernietigende verslaving aan vertaling te beperken.
Vertaling is, net als jazz, een vorm van wraak.
Vertaling is, net als jazz, een imperialistisch instrument.
Vertaling is, net als jazz, een gelegenheidsgranaatplan.
Ik kan niet verkeerd vertalen, ik zou niet weten hoe dat werkt.
Hij denkt dat het betaamt om het origineel buiten bereik te vertalen.
Puh, mijn vertaling is veel langer en groter dan de jouwe.
Hoewel geen van beide op zichzelf hilariteit verwekken, doen twee identieke gezichten ons schateren, vanwege hun gelijkenis – Pascal
maandag 10 juni 2013
Anton Webern zegt
‘In mijn schetsboek heb ik de chromatische toonladder opgeschreven en enkele van haar tonen doorgestreept. – Waarom? Omdat ik ervan overtuigd was dat de toon er al was. – Het klinkt grotesk, onbegrijpelijk en het was ontzettend moeilijk. – Het gehoor heeft absoluut juist beslist dat de mens die de chromatische toonladder heeft opgeschreven en enkele van haar tonen doorstreepte, geen nar was… – Met andere woorden: er kwam de volgende wetmatigheid tevoorschijn: geen van de twaalf tonen mag terugkomen voordat niet alle een beurt hebben gekregen.’
zondag 2 juni 2013
No welfare state

Hangt bij ontstentenis van zomer afscheid in de lucht? Na Clive Dunn, annex korporaal-slager Jones, viel weer een ster uit Dad’s Army: Warden Hodges, hoofd van de burgerlijke luchtafweer. Pas nu dringt tot me door dat Bart De Wever met ‘Zet die plaat af!’ een tribuut gaf aan hem, die de in oorlog verkerende medemens toebeet ‘Put that light out!’
Dansen op een graf? Acteur Bill Pertwee, die de rol van Hodges speelde, stelde over Britannia een diagnose: ‘Things began to disintegrate in the later 1950s. It was when we stopped communicating with each other. The wealth rollercoaster of the 1980s made it worse. It's a great country, but we've lost our way a bit.’
Het doet me denken aan het liedje ‘Those were the days’, vooral de zinsnede ‘didn’t need no welfare state’. Natuurlijk is dat de begintune van All In The Family, waaraan deze week de ijselijk vals zingende steractrice Jean Stapleton ontviel.
Eh, het referentiekader? De jaren zeventig? Beide series werden gedomineerd door kleine kalende heren met hilarisch grote, conservatieve opvattingen. Kapitein Mainwairing had de vader kunnen zijn van Archie Bunker. En die van Bart De Wever?
Afgelopen week stond voor mij ook in het teken van rouw om de opiniepagina. Ditmaal was het Karel De Gucht die, onder verwijzing naar Burke, bij het oren wassen van De Wever termen gebruikte als ‘zijn soort nationalisme’ (2x), ‘dit soort bekrompen nationalisme’, ‘het rauwe nationalisme’. Zoiets staat dan in de ene kwaliteitskrant en wordt prompt vermeld op de website van de andere kwaliteitskrant, die even later de repliek van de getroffene publiceert, wat dan weer vermeld wordt op de website van de ene kwaliteitskrant, zonder interpretatiecorrecties in Burke, tegenwoordig nochtans een merknaam.
Zou het heel erg onbegrijpelijk zijn dat er weinig vertrouwen heerst in de politiek, zowel op lokaal als op internationaal niveau?
Aan de andere kant van de grote rivieren deed, vanuit de andere kant van het spectrum, Jan Pronk van zich spreken. Hij zei vaarwel tegen zijn partij waarin hij zich na een half eeuwtje niet meer herkennen kon. Een kenner ontwaarde bij hem een ongeneeslijke ziekte die ‘beginselvaste wereld van gisteren’ heette. Dit reproduceerde zich toch maar mooi door naar de jaren zeventig, waarover later ooit hopelijk meer.
zondag 26 mei 2013
Eerst je handen wassen (4)

Een buitengewoon ingewikkeld vraagstuk: wat wil de doorsnee sterveling, ditmaal in zijn hoedanigheid van lezer? Waarschijnlijk weet een groot paard het antwoord, maar mij verbaast dat men in het belang van de beschaving zeker is over wat de lezer nog niet interesseert, onder het terechte motto dat er meer is dan P.C. Hooft. Zo valt laagdrempeligheid tot en met collega Van der Meijde te rechtvaardigen. Maar de vraag is wel wanneer P.C. Hooft aan bod komt. Er is wegens het evenementisme een overaanbod van expertise in verleuking, maar in literaire kritiek?
Hans Goedkoop mocht in de jaren negentig beginnen met ‘stukjes’ van 1000 tot 1500 woorden, ‘min of meer de standaard voor een hedendaagse boekbespreking’. Hij ontdekte snel dat dit te krap was. Voor op een hele pagina mocht het dubbele. In diezelfde krant is heden een volle pagina goed voor een derde van die tekst; de rest is voor illustraties. Het aantal sterren dat een boek krijgt, indiceert de omvang van des recensents onmacht – een samenvattingscultuur.
Ik denk niet dat deze ontwikkeling exclusief opgaat voor culturele thema’s. Een van de redenen waarom de standsverpulverende roman Alleen maar nette mensen van Robert Vuijsje zo’n effect sorteert, is dat er voorpagina’s in rondslingeren:
‘TERREURDREIGING NEDERLANDSE MAROKKANEN
Daaronder stond in honderd woorden: een geschiedenis van de Marokkaanse migratie naar Nederland, de problematiek die daarop volgde, een verklaring voor de Marokkaanse lust tot terreur, een overzicht van de Marokkaanse terroristengroepen in Nederland en een analyse van de bestrijdingsplannen die de dag ervoor in Den Haag waren aangekondigd.’
Anno 2004 ziet Goedkoop om zich heen reeds ‘corveedraaiers’. Ze beoefenen ‘onbetrokken professionalisme, gemaskeerd met retoriek die anders wil doen voorkomen (…) Literatuurkritiek als pervertering van goed lezen, ik ben bang dat het vaak echt zo ligt.’ Toch praat Goedkoop als een blogger avant la lettre veel over zichzelf, zij het in relatie tot kwesties die een boek opwerpt en die tot heroverwegingen leiden – hij toont zich tegenover proza verwant met wat Hans Groenewegen met poëzie heeft gedaan. Oordelen, die inherent zijn aan een samenvatting, hebben daar nauwelijks raakvlak mee. Er moet aandacht zijn voor een oeuvre, waaruit een tekst is voortgekomen.
In de huidige gang van zaken zijn er echter relicten. De amnesie van het actualisme dringt zich op, om nog één keer met Ton Lemaire te spreken, waardoor een schrijver ofwel meervoudig debutant (buiten de circulatie) ofwel merknaam (binnen de circulatie) wordt. In het verlengde daarvan heerst zelfs bij de meest welwillende critici angst om saai gevonden te worden. Maar Goedkoop doet bij bezoeken aan leesclubs in Drenthe ervaringen op, die rijmen met de mijne: de interesse is technisch, literatuur geldt als autonoom fenomeen alsof Merlyn, hij zegt Drop, nog levend is! Nu kan die unzeitgemäße blik op zijn beurt gekleurd zijn, omdat psychologie & autobiografie onverwoestbare breekijzers blijven, maar het gaat hier wel om de legendarische boekendoelgroep van vrouwen vanaf de middelbare leeftijd.
Over hen valt meer te zeggen. Herman Franke deed dit in het artikel ‘De culturele omnivoor is van zeer eenzijdige komaf’ (2000): dat oudere deelnemers aan hogere cultuur zich geregeld buigen naar lage cultuur, maar dat een omgekeerde beweging zich zelden voordoet. Ook herinnert hij aan een jammerlijke stagnatie. Babyboomers zochten het in hun jeugd in hogere kunstuitingen dan hun ouders. Dat had met opleiding te maken, met protest, en met de fijne glans die er over bijvoorbeeld literatuur lag.
Frankes artikel is opgenomen in de postume bundel De ziel van Nederland. Elders schampert hij daar over ‘de postmoderne Middeleeuwen’, wat voor mij wel iets verhelderde. Zoals ooit God de weg aangaf aan stervelingen zonder dat die op een kaart iets wilden verifiëren, zo zijn nu disciplines aan het wegdeemsteren die niet sexy heten. Maar de alzheimer zit dan toch werkelijk bij hen die zichtbaarheid als maatstaf hebben genomen. Of het oordeel daarover nu positief of negatief is, beaatheid is de leidraad.
Dat moet de reden zijn geweest dat Thomése zijn nogal furediaanse lezing Het raadsel der verstaanbaarheid heeft omringd met J. Kessels-verhalen, waarin hij een soort l’amusement pour l’amusement uitprobeert, dat in elk geval mijn slappe lach bijna tot aan het gaatje krijgt en dat zijn directe rendement bij de lezers verhoogt: ‘Als ik in de toekomst jullie je huidige onbegrip betaald zal hebben gezet, dan graag wel in de correcte valuta.’ (Het bamischandaal)
Thomése was degene die uitgerekend voor zijn debuut al de AKO-prijs won. Goedkoop heeft de reacties beschreven op de introductie van dergelijke commerciële prijzen in termen van allergie. Zelf was ik het alweer vergeten, maar de term ‘akoïsering’ sloeg op alles wat vies en voos was, ‘een vloekwoord parallel aan de vertrossing, en zo had de prijs al voor de eerste uitreiking een etiket’. Goedkoop brengt in herinnering dat vooral jongeren uit het veld de vlucht vooruit namen en nieuwe literaire mores omarmden.
Never Judge A Cover By Its Book, uiteraard, maar tegenwoordig gelden die prijzen probleemloos als ‘de belangrijkste’. Onzin natuurlijk, maar het went, net als de gewoonte van boekhandelaars om na ‘de nominaties’ te verkondigen of ze er gelukkig mee zijn. Ook een verschijningsvorm van een oordeel. Kan het anders? Nu zou ‘akoïsering’ camp wezen. Een decennium geleden meldde Goedkoop dat juist in deze constellaties de logische fixatie op de persoon van de auteur omgekeerd evenredig is met de argumenten van de tekst. De praktijk van de criticus wordt zo uitgehold, juist in pogingen het publiek terug te winnen, zei hij. En: je eigen recensies veranderen ‘in een pastiche’.
Toen al werd hij door dergelijke toch weinig hemelschokkende observaties als elitair en verwend weggezet. Met gekwetste minachting? Het resultaat zal er niet minder onpluralistisch op worden geworden zijn. En nu? Is het niet hilarisch dat P.C. Hooft een BN’er werd, als naamgever van de duurste winkelstraat op Neerlands aarde voor de rijkste mensen, die volgens anderen, onmetelijk rijk van geest, trappelen van de holheid? Bestaat daar een sententie over, groot paard? Ben je er klaar voor? Kun je dat ooit echt zijn?
zaterdag 25 mei 2013
Eerst je handen wassen (3)

De nieuwe elites: het klinkt bijna ouderwets, gerimpeld dallerig, en ook wat vernietigend. Behoort Joop van den Ende ertoe? Het Koningslied was in zijn musicalstijl geschapen. Minder dan de ernst regeert in dat genre de pathetiek, in de trant van Marco Borsato die, in de Soundmixshow ontdekt, een Van den Ende-product mag heten (net als André van Duin).
Bij de meningsvorming rond het Koningslied werd Van den Ende als cultuurpaus bezien, zelfs met het in de jaren zestig niet malse etiket ‘regent’. Saillant, omdat dat type volgens James Kennedy insluitend op protesten reageerde, in de trant van if you can’t beat them join them. Inmiddels ondersteunt Van den Ende leerstoelen en dies meer. Hij schijnt met Connie Palmen, die met haar kritiek op populisme een prototype van de Grachtengordel mag heten, begin van deze eeuw al naar New York gegaan om een nieuwe versie van Cyrano de Bergerac te zien.
Hoe veel ingetogener betoonde Van den Ende zich dan de DWDD-stamgast en de columniste. Zij deden me denken aan Youp van ’t Hek met zijn publieke sneren jegens de provider van zijn zoon en gaven het idee dat er voor grillen en invallen geen eindes zijn. Heette dat triomfalisme niet hybris? Of was er een interne strijd ontbrand tussen wat dan soorten BN’ers moeten wezen? Ewbanks, Deckers zijn minstens zo succesrijk en kregen al de naam Ibiza-artiesten. Die afkeuring van platheid dunkt me ronduit plat en er zijn tijden geweest dat Ibiza een place to be was voor de high brow.
Voor zover het nodig is krasse dichotomieën te maken, zijn er mensen met veel en weinig poen, of met veel en weinig invloed, en die handig ‘communiceren’ en niet. Of tussen die eigenschappen een causaal verband bestaat, is ongewis. En of die mensen ook bijdragen aan de conversation of mankind? Wat de genoemde (moeiteloos uitbreidbare: even later deden twee gerenommeerde voetbaltheoretici prime time ook mee) critici onderscheidt van het gelegenheidsdichtervolk is de vlotte babbel, het altijd parate geintje. Onbegrensd zelfvertrouwen?
Mogelijk maken ze deel uit van wat dichteres en theologe Renée van Riessen noemde de opvoeringscultuur. Ze bedacht die term naar aanleiding van kringgesprekken op de kleuterschool. Op de vraag ‘Wat heb je dit weekend gedaan?’ vergruist het antwoord ‘niets’. Naar buiten treden wordt het parool, wat koren op de molen is van ‘welbespraakte kinderen uit actieve gezinnen’. Ze vinden het gaandeweg ook vanzelfsprekend dat om hun verslag wordt gevraagd. Bij Furedi trof ik meer kritiek op deze ogenschijnlijk stimulerende methode om de communicatie te verbeteren: ze oefent dwang uit op niet helemaal autonome mensen die liever forfait geven: de sociale druk van de docent is nog te hoog, zodat er, op straffe van onwettigheid, emoties moeten worden getoond – en dan waarschijnlijk echte! Een verregaande gedragsengineering: wil niet telt niet.
Kannonen op muggen? Of is dit soort kritiek inherent aan de middenklasse, zoals Ton Lemaire suggereert, door een sluimerend onbehagen met de moderniteit om te zetten in premoderne verlangens (‘onbedorvenheid’) langs hi tech middelen (weblog)? De reeds gesignaleerde tweede auto voor boodschappen bij de ecospecialist heeft immers een iets grootschaliger evenknie in Boeings voor geheel verzorgde vakanties naar de laatste aardse paradijzen aan de andere kant van de globe. Ben ik zelf aan het musealiseren?
Ik zoek mijn leest. Naar aanleiding van Arjan Peters ging het hier onlangs over het internaliseren van normen. Dat betekent eveneens dat het verschil tussen idealisme en pragmatisme zo gradueel wordt. Voorbeeldje. In Mena-Muria. Wassenaar ’70: Zuid-Molukkers slaan terug vertelt Tete Siahaya zijn wedervaren als medebezetter van de Indonesische Ambassade. Net als bij Peters is dit relaas een legitimatie van de praktijk. Siahaya legt het politieke doel van zijn volk uit, waarvoor zijn actie was opgezet. Dat zijn groep in de gevangenis vervolgens geen toestemming krijgt om één jaar na dato de Wassenaarse bezetting te herdenken, kan voor hem het zoveelste teken van disrespect zijn – er is wel een politiebewaker bij gedood.
Talen en ideologieën schampen, wat andermaal blijkt uit de koffietopos. Siahaya rept van ‘een bakje koffie’ en ‘een bakje bruin’, en drukt zich daarmee net iets anders uit dan de voormalige kolonialisten. Zelfs zijn klacht over de kwaliteit van het slechts met additieven te neutraliseren gevangenisbocht is afwijkend geformuleerd: ‘Zonder suiker lijkt de koffie wel afkomstig uit een sloot waarin een dier in staat van ontbinding verkeert’.
Iets anders is de waardering die derden daarvoor opbrengen, of de motieven die ze zien. Zoals Peters aan de hand van ineengeflanste necrologieën vooral het dagelijks beroepsleven relativeert, zo bekent Siahaya niet te hebben geweten wat voor een belangrijke persoon ze hadden gegijzeld: ‘Soeharto’s eigen zwager!’ Hij vindt ook dat Nederland, door in de Tweede Wereldoorlog slachtoffer van de nazi’s te zijn geweest, logischerwijs de kant van de Zuid-Molukkers behoort te kiezen die door de Indonesiërs verraden zijn. Dat de laatsten zelf werden gekolonialiseerd door Nederland vergroot zijns inziens die morele verplichting. Evenzo heeft Peters allerlei anekdotes tegen cultuurkritiek die hij als azijnpisserig pessimisme opvat en sneert naar collega’s die beunhazen zouden zijn, maar hij kijkt weg van het feit dat allen acteren in een concerneconomie – en hun boekobjecten in een lifestylecontext. Om die reden vind ik zijn apologie belangrijk, als document.
Het andere uiterste is een metabewustheid van dit industrialisme als zijnde onvermijdelijk. Zo lijkt P.F. Thomése het uit te spelen in het satirische deel van zijn oeuvre. Bijvoorbeeld in J. Kessels. The Novel, waar hij een tournee aan koppelde met de DWDD-stamgast als gitaarspelende partner in crime. The Novel wist met een satanische redundantie onder meer dit: ‘Je hoefde een lezer echt niet iets aan te bieden wat hij zich totaal niet afvroeg. Het was zaak bij de lezer een bepaalde vraag te creëren die in feite reeds aanwezig was. (…) Publiek dat al achteroverleunt, buig je niet meer recht. Publiek dat ergens over nadenkt, dat is net zo zeldzaam als een rechte banaan. Ze bestaan wel, maar je ziet ze nooit.’ Moeten schrijvers dus schipperen door lange neuzen te trekken?
Abonneren op:
Posts (Atom)


