donderdag 28 juli 2011

Tiens


Terwijl de wereld, na een aarzelende start, ontzettend zijn best doet om de slachting in Noorwegen van sociaaldemocratische jongeren door een meneer die in een legitimerend manifest tekeergaat tegen cultuurrelativisme, multiculturaliteit en marxisme niet politiek te duiden, en al helemaal niet in termen van links en rechts, zodat individuen en ideologieën met verwante ideeën het debat kunnen framen, deed The Lost JFK Tapes: The Assassination, gisteren op de Belgische televisie, mij beseffen dat er een halve eeuw geleden andere liedjes gezongen werden. Deze documentaire, die de hele moord op Kennedy chronologisch met regelmatig onbekende (amateur)beelden navertelt, laat bijvoorbeeld een televisie-interview met een officier van justitie zien. Een dag na het voorval weet deze niet alleen zeker dat Lee Harvey Oswald de dader is die sowieso in zijn uppie handelde. Hij maakt ook zijn eis alvast publiek: de doodstraf – tot nu toe, zegt hij voldaan, heeft de rechter 23 van de 24 keer die suggestie van hem overgenomen.
Van begin af wordt Oswald door alles en iedereen ‘de communist’ genoemd.

maandag 25 juli 2011

Moody

Had Amy Winehouse een aanleiding voor haar finale levenscocktail? Bijvoorbeeld de ijselijke moordpartij te Noorwegen? Eén individu dat zichzelf kennelijk zo weet te overtuigen dat niemand er meer toe doet, anders dan als object van een gelijk – je zou voor minder aan de zuip gaan. Wel appelleerde die daad aan twee driften waar je niet chic over hoeft te doen: peilloze bewondering voor het stellen van een daad en dito angst om knettergek te worden.
Gestaag had de man de autonomie van zijn geluk zien tanen, dat pars pro toto scheen voor de gemeenschap. In Twee opvattingen van vrijheid suggereert Isaiah Berlin dat onaangelengd liberalisme, in de geest van John Stuart Mill en Benjamin Constant, aan wereldverzaking raakt, een anarchistische mentaliteit, aan een elitair snobisme ook misschien. Wel is dat type liberalisme, met de eis van een maximum aan niet-ingrijpen en minimale maatschappelijke eisen, weggelegd voor zeer weinigen. Ze wensen hun intellectuele en ambachtelijke potentie volledig te ontplooien. In de praktijk, zegt Berlin, is men bereid water bij de wijn te doen voor artikelen als veiligheid, status, welvaart, macht, deugd, eeuwig leven. Daarbij doet individuele vrijheid er minder toe. Volgens Berlin is men voor dat doel zelfs bereid zich aan strenge wetten te onderwerpen, zolang men het gevoel heeft betrokken te zijn bij een collectief dat alleen niet verstoord mag worden.
In hoeverre dat gevoel overeenkomt met de werkelijkheid of met een waan, zal wel de vraag zijn. Voor de beantwoording daarvan lijkt psychologisch doorzicht vereist. Mij zou het boeien om de tot nu toe bekende berichten over en teksten van de Noor te toetsen aan de topos van de studeerkamergeleerde. Deze werkt immers ook vanuit een isolement en ontwikkelt daarbij ideeën. Maar waar dan het besef groeit steeds meer te weten over steeds minder en er ruimte komt voor bescheidenheid, lijkt bij de Noor expansie opgetreden via de meest diverse bronnen. Schijnbaar bevestigden die steevast wat hij zocht, zodat hij waarlijk overal verstand van blijkt te hebben gehad.
Vooralsnog ziet het ernaar uit dat de Noor, die in de puberteit moet hebben kennisgemaakt met het zo ongrijpbare internet, zijn zekerheden allerhande van het web heeft geplukt. Indachtig de studeerkamergeleerde roept dat een recent onderscheid op, gemaakt door Allesandro Baricco. In zijn veelbesproken De barbaren zet hij de filoloog, die onder het juk van concentratie graaft naar betekenis en inzicht, af tegen een user, die surft tijdens een verstrooiende reis ervaringen. Met zo’n overzichtelijke voorstelling van de wereld weten zelfs werkwoorden wat zogenaamd diepzinnig, respectievelijk oppervlakkig is.
Meer treft mij een toon, mogelijk mediumgebonden, die ik in vele postings en comments ben gaan herkennen. Dat is de bravoure waarmee fenomenen en gebeurtenissen opgeladen worden met een bijna immer negatieve mening, niet zozeer beargumenteerd als wel in een logica van politiek incorrecte humeurigheid gekoesterd. Niet het delen van die mening maar het meedoen met die logica, inclusief waarden over het vele dat niet zou deugen, laat vervolgens gemeenschappen ontkiemen.
Op het meer dan 1500 pagina’s tellende manifest van de Noor, vlak voor zijn daad gepost, heb ik een test gedaan. Na berichten dat hij een tyfushekel had aan de Frankfurter Schule doorzocht ik het document op dat trefwoord. Het frappeerde terstond dat er niets minder dan walging werkzaam was, wat toch opmerkelijk is voor iets zo ouds dat ook nog eens stamt uit de filosofie. Verder ging die walging voortdurend een alliantie aan met politieke correctheid. De vanzelfsprekendheid zit dan in een complotteuze werking van die twee tegen alles wat ooit goed zou zijn geweest:

‘Political Correctness is not at all about “being nice,” unless one thinks gulags are nice places. Political Correctness is Marxism, with all that implies: loss of freedom of expression, thought control, inversion of the traditional social order, and, ultimately, a totalitarian state. If anything, the cultural Marxism created by the Frankfurt School is more horrifying than the old, economic Marxism that ruined Russia. At least the economic Marxists did not exalt sexual perversion and attempt to create a matriarchy, as the Frankfurt School and its descendants have done.’

Op de gok toetste ik vervolgens ‘Derrida’ in en, warempel, ook die bleek de lul, met hetzelfde brandmerk:

The contemporary Western European and American literary field is awash in “isms:” Marxism, Freudianism, feminism, and so on. Most of these are the academic cousins of what is called in the common culture “Political Correctness.” Literary theorists take their particular brand of criticism and apply it to literature in an effort to find self-affirmation in a “discovered” meaning of the text. (…) These “cultural critics,” so named because they critique literature based on the point of view of a particular culture, arose in the 1960s, but their schools of criticism only truly began to pick up steam with the arrival of the school of deconstruction in the 1970s. The works of the father of deconstruction, Jacques Derrida, began to be translated from the French by American professor Gayatri Spivak in the mid-1970s, a time when the U.S. literary scene was ripe for its influence. The economic Marxists were alive and well on Western European and American campuses, and the cultural critics were still being fed by the radicalism of the times. Feminists had gained a foothold in the earlier decade, but they had in their meagre arsenals only a vague feeling of repression. What they lacked was philosophical backing – the courage prompted by having their own logos. The arrival of deconstruction from France provided that philosophy. (…) Once they realised the power of this school of thought, the cultural critics embraced it readily, for here they discovered a method of attack on the traditional interpretations of literary works. They used deconstruction to remove traditional meaning and replaced it with new meaning. That meaning was the Political Correctness that infests [sic] our society today. (…) The intelligentsia had forgotten its literature in its haste to promote its politics. Unfortunately, that has not stopped the cultural critics from indoctrinating this new generation in feminist interpretation, Marxist philosophy and so-called “queer theory.” (…) The reliable saviour of the intelligentsia is the common man and his common sense. Common sense dictates that words do mean things, and as deconstruction posits otherwise it will be relegated to the margins of society. Sadly, its effects will linger on – it has given a sense of validity to cultural criticism and established a marketplace for its ideas.

Ik begon met me voor te stellen dat Amy Winehouse zulke systemen tot zich liet doordringen. Dat zal belachelijk zijn. Onlangs, in de door hun kwantiteit soms wat industrieel aandoende terugblikken, tien jaar nadien, werd een beetje meesmuilend gedaan over het feit dat Herman Brood vlak voor zijn zelfmoord een krant wilde lezen. ‘De economische pagina zal hij er niet op hebben nageslagen.’
Nou ja goed, stel dat Winehouse geen oog heeft gehad voor het Noorse drama, dan voel ik me ontslagen van de nergens voorgeschreven plicht de toch wel weer curieuze ontvangst ervan na te lopen. En me zelfs even tot de betreurde te bepalen. Wat een geweldige zangeres! Fijnzinnig spleetje tussen haar voortanden! Uitputtend is gezegd dat ze nu behoort tot de 27 Club met wellicht nog niet geheel ontbolsterde popmusici die op die leeftijd, door een te gretige belangstelling voor drank en drugs en dergelijke, overleden zijn. Maar louter bij haar en bij Jimi Hendrix en Janis Joplin ben ik werkelijk benieuwd en hoopvol over wat ze nog hadden kunnen maken, vanwege dezelfde toenadering tot jazz.
Des te leuker dunkt het me dat Winehouse op haar debuut Frank een versie gaf van ‘Moody’s Mood For Love’. Dat is een instrumentaaltje, niet van de firma die de kredietwaardigheid van landen in harde letters weet te taxeren maar van saxofonist James, waarbij achteraf tekst is geschreven. De waarschijnlijk bekendste vertolking is van George Benson, op zijn zalige sensilube-elpee Give Me The Night, die Winehouse moet hebben gekend. Destijds was van synthesizers vooral de pitchbender in zwang, een wieltje waarmee tijdens solo’s tonen werden bijgebogen als waren toetsenmannen bluesgitaristen. Precies dat wieltje lijkt mij Amy Winehouse’s grootste inspiratie – ik ken geen zangeres die zo virtuoos traploos weet te schakelen in een melodie. Evengoed in ‘Moody’s Mood For Love’, maar dan begeleid door een reggaeritme. De dialoogvorm van het nummer, waarvoor traditioneel de hulp van een derde ingeroepen wordt, neemt ze geheel voor haar rekening. Wat een gedecideerde vrolijkheid.

vrijdag 22 juli 2011

Signalement

Meer dan gemiddeld, zoals dat heet, was mijn belangstelling voor de verzamelbundel Beste buren. Daarin berichten ervaringsdeskundigen uit België over Nederland, en dito Nederlanders over België. De korte inleiding gaat zo van acquit: ‘We spreken dezelfde taal en we kopen kleding, boeken en shampoo in dezelfde winkelketens.’ Het eerste deel van de nevenschikking lijkt me onjuist. Inzake het tweede ervaar ik dat INNO en Bijenkorf, FNAC en Selexyz niet in beide landen zijn te bezoeken. Wel trachtte de Colruyt vergeefs de Bioplanet in Nederland te introduceren en opende Albert Heijn een filiaal in Brasschaat, met een aanbod voor de daar samengetroepte Hollanders en niet voor autochtonen. Het type lezer dat ik ben slaat dan in dezelfde inleiding het enige genoemde paginanummer erop na – dat niet blijkt te kloppen. Welk idee draagt de inleiding eigenlijk uit? Er worden ‘evoluties’ waargenomen: eerst zou Nederland gidsland zijn geweest, daarna zou België zijn geëmancipeerd. Dit is een notoir verhaal. De premisse is het failliet van de multiculturele samenleving. Alleen is dat geen feit, maar het door onze kennisvergaring sijpelen van een consensus vanaf het begin van de eenentwintigste eeuw. Inmiddels werd die consensus door Sarkozy, Cameron en Merkel geratificeerd en krijgt ze nu niet erg rechtvaardige alternatieven. Immigratie raakt halfslachtig, terwijl ze voor het behoud van de West-Europese levensstandaard onmisbaar is. Beneden de rivieren worden irreële taalvoorschriften bedacht die ondanks hun nationalistische intenties meer draagvlak krijgen. ‘Nederland en Vlaanderen zijn weer naar elkaar toe aan het groeien’, concludeert de bundel vooraf. Ook dit is veeleer een geloof, wellicht te verklaren uit de missie van de opdrachtgever van de bundel, en uit de context waarin deze opereert. Onlangs was er tussen de landen bonje over het inunderen van de Hedwigepolder, in verband met het uitdiepen van de Westerschelde dat gevolgen heeft voor de Antwerpse haven. Deze belangenstrijd geeft een meer waarheidsgetrouwe indruk van de verhoudingen, waarbij gedogen (een term die verankerd is aan het Nederlandse drugsbeleid?) het hoogst haalbare lijkt. Daarvoor geeft de bundel zelf overigens bewijs, doordat meermaals de rare onmogelijkheid wordt aangestipt om als laaglandse immigrant te stemmen waar je woont en belasting betaalt indien je de nationaliteit niet hebt. Overigens zit hier ook de Europese Unie ingewikkeld te wezen: het met lappen tekst gepaard gaande statuut van de ‘grensarbeider’ laat onverlet dat men zich in de buurlanden apart moet verzekeren (over pensioenen durf ik niet eens te spreken). Ook door ogenschijnlijk genuanceerder een kloof tussen de twee landen te signaleren, doemen er kansen voor griezelige gemene delers, die in de recente literatuurgeschiedenis enormiteiten opgeleverd hebben als ‘de Belgen zijn beter’. Ik heb me bij het doornemen van Beste buren menigmaal in de ogen gewreven dat een keur uit de artistieke wereld doodleuk voorbijgaat aan het basale onderscheid van taal. Omdat het vooraf werd uitgeschakeld? Op dat negeren is een spreekwoordelijke uitzondering, Joke van Leeuwen in misschien wel de meest adequate bijdrage aan het geheel – die twee jaar geleden reeds werd gepubliceerd. Het eveneens bestaande stuk van Charlotte Mutsaers maakte terzijde duidelijk dat een eigen stijl in deze verzameling vervreemdend werkt. In meer opzichten domineren de essenties. Ja, Willem van Zadelhoff rakelt het taalfacet op, maar schijnbaar om nominaties die hij wel en niet misliep op te voeren. Dit is extra treurig door de presentatie van de auteurs, niet op grond van wat ze hebben gedaan maar volgens het ingeburgerde hyperventilatieschema van welke prijzen ze gewonnen hebben. In dit geval dus een herhaling, die wellicht de grondslag van dit boek is. Ondanks het veelbelovende item van de ‘stedenbouwkundige principes’ op de achterflap van Beste buren schrijft op Benno Barnard na niemand over de verschillende ruimtelijke indelingen. Daaraan valt toch zoiets als de hoogte van de plafonds te relateren. Minstens een halve meter verschil zal geen weerslag hebben op karakters?! Absoluut in verband met de publieke ruimte staat het fietsbeleid, dat opnieuw alleen Joke van Leeuwen aanraakt. Het dreigt nochtans een hoogtepunt te krijgen doordat in België nieuwe wetten en verkeersborden gaan komen waarna het gepermitteerd is om voor een rood stoplicht rechtsaf te slaan. Wel lezen we tig keer het cliché van de Nederlandse pindakaas in de kofferbak, van de auto dus, naar Frankrijk Vakantieland, maar over specifieke etensbereidingen geen woord. Noch over de wijze waarop de bakker zijn brood verpakt. Sinds ik in België woon choqueert het me pas echt dat er aan gene zijde plastic zakken aan te pas komen die worden afgesloten met een plakkertje uit een soort niettang, dat slechts valt open te krijgen door verruïnering van de zak en dus de versheid principieel aantast. Dit is naar ik vrees het ‘narcisme van de kleine verschillen’ waar de bundel zich tegen afzet. Mis ik dus de gave van het kosmopolitisme? Ooit vermeldde dit blog mijn ontdekking, aan de andere kant van de wereld, ‘een Europeaan’ te zijn. Later zat ik heel wat dichterbij, op een terras in Zundert, toen een club van bejaarden binnen pedaleerde voor de classic koffie met warme appeltaart. Na het eerste woord door hen stelde ik vast: uit deze streek ben ik afkomstig. Wat Marc Reugebrink in de bundel ‘geboortelijkheid’ noemt. In Breda zelf waan ik me na al die jaren een toerist, tot er dialect opklinkt (dat ik helaas niet kan spreken). Doordat ze niet in mijn paspoort staan, zijn mijn kinderen nog even exclusief Belgisch. Het zal mij benieuwen welke van de twee nationaliteiten ze op hun achttiende zullen kiezen. Nu ja, mochten ze Hollander willen worden, dan zou me dat verbazen. Of niet: het zou een statement zijn. Tot slot nog even erkennen dat Beste buren me onbedaarlijk aan het lachen heeft gebracht met de afbreking ‘Fah-rrad’. En het is niet de maniakale landsmoralist maar de schoolmeester in mij die er voorts op wijst dat dit boek typografisch een cappuccino met cacao is. Kennelijk is het verschil tussen insprong en tab irrelevant, en kun je in een betoog net zo makkelijk witregels invoegen als verwijderen. Naschrift Dvd's van Nijntje laten de taalkeuze uit 'Nederlands' of 'Vlaams'.

zondag 17 juli 2011

Uit de nachtwakersstaat (test)


Dit is een onsamenhangend gezicht 
Dit is een samenhangend gezicht 
Dit is geen gezicht

maandag 4 juli 2011

Middelmatigheidsmilities

Het neologisme van Jeroen Mettes had ik verdrongen, maar in een recente recensie werd het, zonder tussen-s, opgeduikeld en ‘treffend’ genoemd, waarna prompt de getroffene terugmepte. Ineens dacht ik te begrijpen waarom de protesten tegen de bezuinigingen op cultuur een sof waren. ‘Middelmatigheidsmilities’ voelt hetzelfde aan als steun zoeken voor ‘de beschaving’: de al dan niet geschapen ander is onder de al dan niet ironische zelfverheffing geschoffeld. Een affiche bij die manifestatie dat hint naar een beruchte oneliner, staat hierboven. En de vele reacties op de toespraak van Ramsey Nasr leken niet zozeer door de behandeling van het object losgemaakt, als wel door de etalering van het subject. Wie het vanzelfsprekend vindt respect te krijgen voor zijn artistieke praktijk noemt degene door wie hij zich bedreigd weet geen ‘onderknuppel’. Het is wellicht gek dat ik dat suggereer. Volgens de wetten van het literaire bedrijf en de organisatiepsychologie hangt aan mij het merk ‘meedogenloze polemist’. Maar polemiek vereist een vlijmscherp mes voor één moment, geen laveloos geslinger met een goedendag. Mijn idee ontspruit dus niet uit een of ander fatsoen. Simpel moet afgewend dat artiesten vooroordelen over zichzelf bevestigen, die neerkomen op grootheidswaan. Het zou niet voor het eerst zijn dat een corrigerend bedoeld standpunt over kunst en politiek ontaardt in potten die ketels verwijten. Der kunstenaars superioriteit is bovendien op geen empirie gestoeld, en zou beter kunnen worden vervangen door het, naar ik vrees oprechte, besef dat ‘het volk’ hem niet nodig heeft, laat staan interessant vindt. Waaruit bestaan die vooroordelen verder? De kunstwereld zou er eentje zijn waar ons ons kent. In mijn branche is dat niet waar, maar ook niet helemaal niet waar. De lijnen kunnen soms wel erg kort zijn en om buitentekstuele redenen krijgen boeken geen gelijke kansen. En aangezien hun makers ongevraagd bloot staan aan interessanterige ‘feiten’ van derden, is het misschien beter te stellen dat ons ergens ons kent. Economisch regeert de redelijkheid evenmin. Menig onrendabele auteur weigert een bijbaantje en een substantieel aantal boeken blijft buiten de verkoop omdat juist genoemde derden er gratis aanspraak op maken. Men zou de gelaakte ander ook kunnen gebruiken om de hand in eigen boezem te steken en wat realiteit toe te laten. De dreigende decimering van literaire tijdschriften, die mij zeer aan hart zou gaan, ook omdat juist democratisch het getal geen absoluut criterium kan zijn, hoeft dan niet te worden omgeven door mythomane reflexen. Net als in de grotemensenwereld wordt de expertise er vooral geoutsourced aan een netwerk, en de core business van de tekstredactie is niet uitputtend. Het klopt dat er dingen in verschijnen die niet meer in boekvorm worden uitgebracht, maar wiens verdienste is dat? Wel valt het te snappen dat de overheidstoorn zich precies op deze institutie richt; ze is de laatste waar nog enigszins een gemeenschapsgevoel heerst, een gatekeeperschap optreedt en dus niet iedereen (‘elke halve zool’, tikte ik bijna) schrijver is. Comfortabel is belangeloosheid, het geloof dat je je ‘zuiver’ om de tekst kunt bekreunen en deze daarmee recht doet want ‘met dat gedoe eromheen houd ik mij niet bezig’ et cetera. Dit is de realiteit niet meer! Ik herinner me, in 1998, Literatuur en moderniteit door Ruiter en Smulders besproken te hebben, en daarbij vinnig te zijn: waar bleef die literatuur nou en waarom al de schetsen van het mettertijd cynischer wordende gedoe daaromheen? Zover was ik toen dus niet, te erkennen dat het zover was. Maar het in het licht van de actualiteit meest symptomatische dat Ruiter en Smulders beschreven was toen al oud. Het betreft de bondige reactie van Henk Spaan op een vernietigende esthetische kritiek van Jeroen Brouwers: ‘Gesubsidieerde fluim.’ Is er veel veranderd? Ik denk het niet. Hooguit is het tenentrekkend getuige te moeten zijn van de afwikkeling van het verhaal. Geldt dat trouwens evengoed voor het door advocaten gesloopte DSK-kamermeisje in New York, inzake het subsidiewezen leek het een dieptepunt dat de voorzitster van de Raad van Cultuur aftrad. Natuurlijk bedankt de staatssecretaris haar dan uit de grond van zijn hart voor bewezen diensten en respecteert hij haar keuze – heette dat ooit niet repressieve tolerantie? De stap terug past in zijn ideale scenario. Het was getorpedeerd indien dat terugtreden op een principiëler moment was gekomen. Nu heeft het iets van een verongelijkt kind dat haar zin niet krijgt. Was de wens de vader van de gedachte, of is er reële hoop gekoesterd, door old boys van VVD of CDA, iets aan de plannen van het kabinet te kunnen veranderen? Waarschijnlijk ligt het aan de verstrengeling van cultuur en media dat de protesten tegen het voorgenomen beleid onevenredig veel aandacht hebben gekregen. Minder vertekend kun je zeggen dat de politiek uitvoert waarvoor is gekozen. Voor de sloop in de cultuursector, die met meerderheid van stemmen is aangenomen, had geen enkele partij naast een obligaat protest enig alternatief. Door de angst voor ‘ideologisch’ te worden versleten ontbreekt het aan een verschiet. In Mettes’ neologisme pretendeerde het achtervoegsel ‘militie’ het tegenovergestelde, door letterlijk een avant-garde te willen zijn. En voor zover de hand niet in eigen boezem gaat, zou boven oncreatieve zelfingenomenheid beheersing te prefereren zijn. Door tegenstrijdigheden aan te wijzen in de nieuwe subsidiepolitiek, originelen te schetsen van ‘populistische’ voorkeuren (liefst zonder de ander onwetend te noemen), oorzaken van de weerzin op te sporen… Jezus, ik kan een praktijk beginnen als pater! Of dat een trend kan worden is mij duister, maar zeker is dat de protesten tegen het kunstbeleid averechts uitpakten. Wel kwam Jezus het graf uit, terwijl men het nu voor zichzelf gegraven heeft. Overigens snap en ervaar ik wel degelijk dat er kwaliteitsverschillen zijn. Innemend aan Mettes vond ik dat hij, ook wanneer hij niet getergd werd door mensen die hij met zijn neologisme stigmatiseerde, bij al zijn inzichten ook de plank mis kon slaan, maar daar gaande de commentaren verantwoordelijkheid voor opnam, eveneens bij de middelmatigheidsmilitiesposting.

donderdag 30 juni 2011

Salut


Was het vorig jaar Dante, dit jaar moest ons taalkundig genie afscheid nemen van Zidane. Hij gaat met zijn ouders terug naar China. Een zoen van de juf en hupsakee, de werkelijk hechte gemeenschap ontbindt. Het bleef een aandoenlijke chaos die, niet alleen door het aftellen van 10 naar 1, iets plechtigs had. Tot aan een gedicht in het schoolkrantje, waarvan de slotstrofe in opgroeiend België business as usual schijnt maar de notoire tolerantie van de Hollander in mij beproefde:

Vakantie is in een zetel in slaap vallen
en dromen dat je in de zevende hemel bent
en even aan God denken,
die ons dit alles zomaar gegeven heeft.

Misschien had de chaos ook iets paniekerigs, bij ouders die gewoonlijk met pruttelende motor op het vroegst mogelijk tijdstip hun kinderen nog net niet letterlijk de school binnengooien. Tot 1 september onmogelijk! Een eeuwigheid van twee maanden! Wat te doen? En hoe moet dat vroeger zijn gegaan?
Wanneer ik nu een grootouder was, zou ik meteen een zaak beginnen in kinderopvang. Of doen babyboomers dat al? Het is ook een raar idee dat de bevolking plots aan het toenemen is geslagen. Extra werk voor die opa’s en oma’s, al blijken nogal wat van die aanwassende gezinnen werkloos. Sowieso gaat deze demografische trendbreuk wat geven voor het milieu (onlangs voor het eerst beleefd dat een ongevraagde telefonische enquête rond etenstijd abrupt door de aanstichter beëindigd werd, toen het betreffende bedrijf, van pampers, vernam dat we wasbare luiers gebruiken).
Redelijkerwijs pakken zulke maatschappelijke ontwikkelingen voordelig uit voor de branche waarin ik mijn brood verdien. Maar ja, poëzie mag het ideale genre zijn voor mensen die hun spaarzame tijd graag efficiënt besteden, tot nader order regeert onredelijkheid. En dus dikke romans, van niet minder gezwollen handelsfirma’s, met vervlochten plots waarvoor de stamboomkennis enorm moet wezen.
Wel dacht ik afgelopen week een zeldzame proeve van tijdsempathie te hebben beleefd. Ik bleek echter niet de enige die een mail ontving van de ‘Directeur Consumentenmarkt’ der spoorwegen, die helemaal vanuit het Hoge Noorden waarschuwde voor ‘onstuimig weer’. Aangezien er expliciet bij vermeld werd dat reageren op de mail niet mogelijk was, bedank ik de meneer dan maar langs deze weg. Niet omdat het inderdaad zo’n weer werd dat een code oranje vigeerde, maar omdat het contrast weer schril was met Belgische spoorprestaties dienaangaande. Langzamerhand valt de zuurgraad van reacties op het zoveelste fiasco na de privatisering niet meer te harden en lijkt het beter te versterven. Maar wie ben ik?
In elk geval iemand die met het spreekwoordelijke geluk van de domme aan de voorspelde ramp ontkwam. Niet dat dit nu zo interessant is, integendeel, maar de bewuste dag ben ik het weer vooral dankbaar geweest. Nieuwe dimensies van voorbij de vierde wand hebben zich getoond. In de broeierigheid klonk er in de huiskamer namelijk een griezelig en mateloos irritant alarm dat we uiteindelijk wisten te detecteren. Het kwam uit de boekenkast waarin het taalkundig genie haar voorraadje heeft staan. Door de extreme temperatuur moet ‘het geluidsknopje’ in haar exemplaar van Rudy de Raket, gedrukt en geproduceerd in China, dermate zijn uitgezet dat het boek afging.
Wie durft dan nog te stellen dat de linkse kerk (een moskee?) ongevaarlijke hobby’s heeft waar ze beter zelf voor opdraait?

maandag 27 juni 2011

Als uw machtige arm het wil

Gaat de zaak-Barbara van Dyck mij nog loslaten? Beweging is er voortdurend. Inmiddels heeft de rector van de KULeuven ook een interview gegeven. Kan hij anders, moet zijn pr-afdeling hebben verzucht. De publieke opinie was drastisch gekeerd, en nabij kwam een aperte demonstratie van zijn personeel, met een mars door de stad die dan wel geen rekenschap als ‘de beschaving’ uitventte, maar zich hulde in de onsmakelijke titel Geen Berufsverbot voor Barbara. Het zal wel zijn redenen hebben. Zelfs wie het oneens is met de argumenten van de activiste, kan geen akkoord hechten aan haar ontslag. Barbara Van Dyck is geen Osama bin Laden of Nicolae Ceauşescu, die zonder vorm van proces omgelegd konden worden.
Juist op dat punt vergrootte de rector de wanorde door te stellen dat hij niet anders kon, buiten directbetrokkenen als Van Dycks eigen baas – ‘de arbeidswetgeving. Als het gaat om ontslag om dringende reden dan moet je dat binnen de drie dagen doen’. De demonstratie was immers op zondag 29 mei, en het ontslag op vrijdag 3 juni. In een variant op de excuuscultuur bleek ook een eventuele U-bocht bij hem en Van Dyck de normaalste zaak van de wereld: ‘Kijk, wij zijn tot nader order een katholieke universiteit. Deugden als berouw en vergevingsgezindheid betekenen iets voor ons. Dus ja, als zij zich alsnog zou distantiëren van de actie, dan kan daarover gepraat worden.’
Mogelijk waren dit eerste schermutselingen om op elegante wijze wat gezichten te redden. Openingen in een hoger diplomatiek verkeer dus. Zo is het alvast door de organisatoren van Geen Berufsverbot voor Barbara opgevat, die gisterenavond, een dag na het interview, besloten hebben de protestmars uit te stellen.
Dat de rector Barbara Van Dyck ondertussen niet op haar woord geloofde geen plantjes op het proefveld in Wetteren uit de grond te hebben getrokken en in het vuur van zijn gedragslegitimerende redenaties op zijn beurt een parallel trok met boekverbrandingen, versterkt naar mijn gevoel zijn imago niet. Maar hij is en blijft natuurlijk de baas, en nog even los van de mars is de vraag dan: valt er iets te doen tegen grove onrechtvaardigheid?
Eerst citeer ik het gedicht ‘Vogel’ van de Japanner Hiroshi Kawasaki:

Zeg, vogel!
Raak je soms in de war
omdat je veren hebt?
Nee toch zeker.
Ik denk dat je juist daarom
veren hebt. [vert. Noriko de Vroomen]

Slechts een witregel hoeft in ons gedachteleven te worden ingevoegd voor een op maat gesneden dramatische wending.
Er bestaat van tekenaar Albert Hahn een prent met de tekst: ‘Gansch het raderwerk staat stil, als uw machtige arm het wil…’ Dan schrijven we echter 1903, in de krant Het Volk, terwijl inmiddels het socialisme is afgeschreven en, in tijden van globalisering, ‘macht vanuit de basis’ natuurlijk helemaal. Toch heeft het er, voor een simpele ziel als ik, de schijn van dat juist in de zaak-Van Dyck collega’s de wending kunnen geven. De mars door Leuven, waarmee ze vermoedelijk netjes hebben gewacht tot na de examens, was maar een indicatie voor het feit dat ze de touwtjes in handen hebben en nu, met berouw als pasmunt, een traject van geven-en-nemen lijken in te slaan. Want wat kan een rector nog uitrichten als zeer vele academische personeelsleden zouden beslissen geen les meer te geven, geen studenten te begeleiden et cet? Dat zou chantage zijn, ja, waartegen het enige represaillemiddel van hogerhand, collectief ontslag, de organisatie naar de afgrond zou drijven.
Dit besef geeft zowaar enige sjeu aan het wel erg regulier geworden fenomeen internetpetitie, waarbij men zich met een simpele muisklik solidair kan tonen zonder effect in de wereld der grotebozemenschen. En daarmee verwekt dit fenomeen, nogmaals: voor een simpele ziel als ik en zonder iets af te willen doen aan de potentie van het medium, iets vrijblijvends bij de bedenkers en iets ijdels bij degenen die, per definitie zichtbaar, hun naam aan de zoveelste nobele actie verbinden. In dit specifieke geval dreigt de appreciatie echter omgekeerd uit te pakken: eens eventjes kijken wie er allemaal niet meedoen – fijne conculega’s zijn dat!
Is de zaak-Van Dyck uitzonderlijk doordat aan actie gekoppelde reacties verandering kunnen bewerkstelligen in plaats van rituele bewegingen (à la inspraak)? Speurend naar iets wat een even grote absurditeit in zich draagt en tot dito verontwaardiging leidt, kwam ik, na een korte weifeling, weer uit bij de afschaffing van de internationale trein Amsterdam-Brussel, waarvoor ik de internetpetitie trouwens getekend heb. Stel nu dat reizigers op dat traject gewoon de vervangende Fyra niet zouden nemen, dan bestendigt dat slechts de huidige situatie die al niet rationeel meer is: deze trein zit van stonde af heel erg leeg te wezen. Maar omdat de overheid in haar neoliberale wijsheid de faciliteiten betaald heeft en het beheer uit handen gegeven, kan men er slechts daaddodende pasta proeven.
Weigeren op z’n Albert Hahns is dan zinloos – tenzij de Nederlandse en Belgische regering de krachten zouden bundelen. Maar de tweede bestaat al een jaar niet meer en de eerste, euh.
De wereld kleurt nooit sepia. En in hoeverre het doel de middelen heiligt, daarover hebben zeer schrandere geesten al eeuwen geleden hun inzichten gedeeld. Ook wil ik niet de indruk wekken vóór elke verandering te zijn, al was het om het amper nog impliciete moralisme. Het meest geduchte van de laatste weken staat bij mijn weten op naam van de spellingscontroleur van Microsoft Word die in een Engels tekstbestand ‘clean’ aangericht had waar werkelijk iets anders stond (‘celan’).

dinsdag 21 juni 2011

Plantrekking (tentatief)

Volgens poëzie
Les Murray: ‘Under the overcoming / undiminishing sky you are scarcely supervised:/ you can let out language / to exercise, to romp in the grass beyond Greek.’
Eugène Savitzkaya: ‘Eerst waren wij roodhuidig en roodharig, maar doordat de nachten zich aan elkaar bleven rijgen, doordat we telkens bang werden en draaierig, verbleekten we ietwat.’ (vert. Rokus Hofstede)

Na verwerping
Moet ik geen verband onderzoeken met het clinamen?
Ik keer beter terug naar mijn vorige twee postings over het ontslag van Barbara van Dyck. En dan niet alleen omdat de KULeuven haar beginletter niet kent, of beter gezegd: niet meer, maar ook omdat het personeel van deze universiteit de praxis van die letter blijkt te moeten aangeven – zolang dat zonder resultaat blijft, is het beschamend dat men voor zo’n instelling werkt onder de noemer ‘zelfstandig academisch personeel’.

In herinnering
De zoveelste mop over Sam en Moos. Ze krijgen in een restaurant een schaal met een groot en een klein stuk vlees, waaruit Sam onmiddellijk het grootste pikt. Moos zegt dat dit onbeleefd is, waarna Sam vraagt welk stuk Moos dan zou hebben gekozen. ‘De kleinste’. ‘Nou, dan klopt het toch?’
Bij touwtrekken was er altijd iemand die opzichtig zijn best deed te doen alsof hij meetrok.

Door uitspraken
‘Een plastic zak kun je ook declareren.’
‘Ik vind het jammer dat ik niet mee kan helpen opruimen.’

Bij een donkerbruin vermoeden
Wat zijn jazzimprovisaties anders?
Nee hoor, zegt de caissière van de immense supermarkt een dag later tegen haar teamleidster, ik herinner me heel goed dat meneer vroeg om een beltegoed van Telfort, en zeker niet van T-Mobile, en trouwens, ik heb hem nog gevraagd van tien of van twintig euro en toen zei hij twintig. Yeah right.

Sub specie aeternitate
Wanneer je onder een boom schuilt voor de stortregen en getroffen wordt door de bliksem, is dat dan de schuld van de boom?

Met terugwerkende kracht
Vijftien jaar geleden schreef Saskia Sassen al dat we voor de internationalisering van de arbeid de taal van de immigratie gebruiken, zodat het een ondergewaardeerd proces wordt. ‘Wat beschreven wordt, is de inreis van mensen die uit doorgaans armere, onderontwikkelde landen, op zoek naar een beter leven dat het gastland te bieden heeft. Dit is een impliciete overwaardering van het ontvangende land.’

Via sofismen
Dat men iemand die je slaat de andere wang zou moeten toekeren, wordt louter beweerd door degene die de klap heeft uitgedeeld, zegt het vrouwelijke hoofdpersonage in La sconosciuta.
‘De heersende klassen hebben altijd geprobeerde lageren ervan te overtuigen dat uitbuiting en materiële armoede hun eigen schuld waren, terwijl ze zichzelf wijsmaakten dat hun eigen materiële belangen samenvielen met die van de gehele mensheid.’ (Christopher Lasch)

(Worden we een soort private bankers die met zelfverklaarde hogere doelen Griekenland gaan ondersteunen? Waar zijn we?)

Naschrift
Inmiddels blijkt een deel van de ZAP’ers op de KULeuven hun eerste letter alsnog serieus te nemen – en worden voor Barbara van Dyck woorden vervangen door daden! Mainstream media zouden hierbij kunnen likkebaarden, dus nu nog snappen waarom ook deze doorbraak weer louter op DeWereldMorgen te vinden is. Belieft een gespecialiseerd blog daar geen opening van zaken over te geven?

Naschrift 2
De academische betoging tegen het ontslag van een collega is alsnog aangekondigd met een Belgabericht in enige kranten. Moet het meer zijn? Beter ten halve gekeerd dan ten hele gedwaald.

zondag 12 juni 2011

De kinderen van het korenland

Door de zaak-Barbara Van Dyck is het begrip ‘solidariteit’ met werkelijkheid geïnjecteerd. De naschriften bij mijn vorige posting lieten zien dat de reacties op haar ontslag door de KULeuven traag en op een bepaalde manier unisono waren. Spaarzaam protest oogde ritueel. Daardoor had de universiteit de wind in de rug, temeer daar ze de publieke opinie mee had. De verontwaardiging over de vernielingen op het proefveld in Wetteren was groot. Pas met de dagen raakte de kwestie omgeven door nuances en ontstonden er twee werelden.
Met name de site DeWereldMorgen publiceerde de ene posting na de andere die de politieke dimensie van het ontslag reveleerde en het belang onderstreepte dat Van Dyck had verdedigd in mondiaal perspectief. Mediaal trad er schizofrenie in, omdat officiële kranten zich hulden in stilte. Normaliter had dat het beeld bekrachtigd van DeWereldMorgen als stamtafel voor oudlinkse clichés of dito diagnoses, maar het zwijgen kreeg iets vreemds en inconsequents.
Hoe ze ook met haar eerste letter worstelt inzake de corporate identity, we hebben het hier over een katholieke universiteit, waartegen onmiskenbaar een antiklerikale traditie bestaat. Juist omdat mainstream media in de fakezaken rond de toenmalige kardinaal Danneels bij het overlijden van Claus (vermeende kritiek op diens euthanasie, het zogenaamd censureren van Erwin Mortier die tegen Danneels in het geweer was getreden) bakken artikelen en meningen hadden gedebiteerd, was te verwachten dat bij de zaak-Barbara Van Dyck het bulderende kanon van de seculiere deconfiture op het katholicisme, ditmaal in de gedaante van een universiteit, zou worden gericht. Dit gebeurde niet. Er waren ook twee verschillen: de zaak-Van Dyck ging ergens over en het beschadigde object was niet te horen op radio en televisie.
De toestanden rond Claus en Mortier serveerden neoliberale items: sensatie, grote naam, selectieve verontwaardiging. Morality sells, zeker indien er met begrippen als ‘censuur’ kan gezwaaid. Maar bij Van Dyck, die door de universiteit beticht was van het schenden van de vrije meningsuiting, stond de strijd in het teken van antineoliberalisme, tegen ggo’s. Haar boodschap is in die zin marginaal dat ze niet past in de huidige media, want hen ondermijnt. Biodiversiteit echoot pluriformiteit, Monsanto als equivalent van News Corporation.
Zo viel het, volgens mij althans, te begrijpen waarom de kwaliteitskranten de schitterendste stukken elders zagen verschijnen. Ook Lieven De Cauter, wiens scherpzinnigheden bij elk zichzelf respecterend medium thuishoren, publiceerde vrolijk door op DeWereldMorgen. De mainstream moest terug naar een internationaal of kosmopolitisch helicopterperspectief. Maar het tij was niet langer te keren. De onhoudbare argumenten bij van Van Dycks ontslag, dat steeds meer trekken kreeg van een executie zonder proces, verlokte alsnog solidariteit. Met activisten!
Meer dan een week na dato namen de kwaliteitskranten de draad op, met het resultaat van een petitie en griezelige consequenties van het ontslag. Een centrale nieuwssite relativeerde de primaire ophef en Barbara van Dyck gaf eindelijk een interview.
Tussen de sympatisanten heb ik niet degenen ontwaard die onder de vlag van solidariteit uitgerekend dezelfde dag de publieke opinie wisten te annexeren: de G1000 voor een verenigd België. Ze gaven aan de activisten eigenlijk les in effectieve marketing: interviewtje met foto (zonder rastahaar of piercing) en aankondiging van website, herkenbare naam van het project en in de twee meest belangrijk geachte kranten een samenvattend opiniestuk.
Waar de activisten hun punt trachtten te maken met een waaier aan feiten en details en daarbij de oprechte verontwaardiging niet steeds voor zich wisten te houden, was het statement van de G1000 tot in de puntsgewijze vorm overzichtelijk. Mij frappeerde daarnaast het pastoraal-consulentesk taalgebruik (‘de crisis is een kans’) en aandoenlijk gretige beelden die je beter niet van te dichtbij bekijkt (‘Politici doen denken aan een zogenaamde rattenkoning, een nest jonge ratten waarvan de staarten zodanig met elkaar verstrengeld raakten dat elke poging om zich los te rukken de knoop verder aanspant. De rattenkoning is geen lang leven beschoren: de diertjes, die hun handelen niet kunnen coördineren (elk sleurt in zijn eigen richting), sterven van honger en ontbering. De representatieve democratie, dat frisse stelsel van weleer, is een zuurstofarme omgeving geworden. Geen wonder dat het land in ademnood verkeert’).
Maar mensen die iets constructiefs willen doen, verdienen het voordeel van de twijfel.
Zelf heb ik deze week weer eens ondervonden hoe bescheiden literatoren mogen zijn. Door de posting over Barbara van Dyck en de naschriften ontving dit weblog veel meer bezoekers dan meestal, als het over mijn stiel van literatuur gaat. Terecht en grappig, van de maatschappij weet ik niet meer dan elk ander. Ieder dan zijn eigen hobby’s?
De laatste tijd heb ik me kunnen bezighouden met de poëzie van Gertrude Starink. Aan het begin van deze eeuw had ik er, om een artikel te kunnen maken, twee maanden in gelezen en jaren later, bij de herschrijving voor een boek, nog eens een maand. Ik had exclusief in de tekst vertoefd, terwijl nu biografische informatie opdoemde waarvan de editorische zijde het meest boeide. Tevens bleek dat Starink, onder haar eigen naam Ruth Smulders, eind jaren zestig met een paar gedichten gepubliceerd had in Dietsche Warande & Belfort. Redacteur Jos de Haes was onder de indruk gekomen van haar inzending voor een tienerpoëziewedstrijd, waar ze de derde prijs had gehaald. Ik snap dat wel. Mij fascineerde met name deze:

DE SLOOT

Ze stonden aan de overkant
De kinderen van het korenland
Hun haren steil hun oksels nat
En zwegen in hun trotse stand
Tegen die riepen hand in hand
De kinderen uit de stad

Nog een enigszins Hollands tafereel, maar toen al die klankvervlechting en acht lettergrepen! En bovenal: toen al het motief van het koren (dat het begingedicht van De weg naar Egypte domineert) voor een overzijde, een arcadia, betere wereld, de volledige representatie, et cet. Toen al datgene waardoor het gescheiden wordt: het water dat je kan weerhouden de realiteit in te duiken, maar waartegen ideeën mogen aangebracht die door bestaande polarisaties zelf polariserend zijn.

vrijdag 3 juni 2011

Et alors?


Omdat ze geen afstand wou nemen van haar aanwezigheid bij de vernieling van de veldproef met ggo-aardappelen in Wetteren, is Barbara Van Dyck door de KULeuven op staande voet ontslagen. Nou ja, op staande voet. De universiteit kwam pas in het geweer tegen haar onderzoeker van het Departement Architectuur, Stedenbouw en Ruimtelijke Ordening, nadat ze op de televisie herkend was als woordvoerder van het Field Liberation Movement. Twee andere universiteitsmedewerkers die, na aldus te zijn gedetecteerd, in een gesprek de beweging lieten vallen, mochten wel in dienst blijven.
Vijf dagen heeft dit hele toneel geduurd, en voor Hemelvaart zag het ernaar uit dat alles met een sisser zou aflopen. Vandaag gebruikt de universiteit grote woorden als ‘deontologie’. Het lijkt dan raadzaam elke letter te wegen. En bij haar principiële veroordeling niet te reppen van ‘geweld’, dat in de echte wereld buiten de juridische betekenis mensen als object heeft, maar van ‘vandalisme’.
Wel betoont de KULeuven zich in die schijnbare onzorgvuldigheid consequent. Gaande deze week had de rector zich al met vier collegae van andere Belgische universiteiten verenigd in een open brief, die de actie van de hand wees als ‘een aanval op de wetenschap’. Door het blok van vijf universiteiten had het ook iets intimiderends. Poshy eigenlijk.
En opnieuw was het woordgebruik inexact. Men sprak niet van ‘vernieling’ maar van – het in historische zin beladen –‘vernietiging’ en diagnosticeerde bij de Field Liberation Movement dogmatisme. Wel raakten er reeds contouren zichtbaar van de stok waarmee Barbara Van Dyck zou worden geslagen: ze zou niet alleen ‘het recht op vrij onderzoek’ maar tevens ‘de vrijheid van meningsuiting’ hebben aangetast.
Als het niet zo diep triest was, zou ik het bijna interessant moeten noemen dat dit begrip deze week ook boven de rivieren misbruikt werd, tijdens het proces-Wilders. Ik heb er reeds op gewezen hoe complex het is deze man ondubbelzinnig een gebrek aan beschaving aan te wrijven. Temeer daar hij blijft vissen uit de traditie van degenen die hem aanklagen. Ditmaal beriep Wilders zich in zijn slotpleidooi zich op de autoriteit van Johan de Witt, Johan van den Oldenbarnevelt, Franz Kafka, Maarten Luther en Dwight Eisenhower.
Ik ben geneigd vele korrels zout aan te slepen wanneer de KULeuven beweert dat ‘het recht op vrije meningsuiting wordt geschaad’ door acties als die Barbara van Dyck steunde. Niet eens omdat men haar zelf de mond snoert, als wel omdat geen enkel motief van de activisten opdoemt, die juist de neoliberale hegemonie problematiseerden.
Misschien heeft de KULeuven het daar doelbewust niet over. Ik vertel helemaal niets nieuws als ik vaststel dat universiteiten er enerzijds niet voor terugdeinzen om, over ‘het recht op vrij onderzoek’ gesproken, zich laten sponsoren door bedrijven. Anderzijds zijn ze legbatterijen geworden van peer reviewing – die hun parallel universum slechts bevestigt en waarin concurrentie het eerste en het laatste is. Tevens valt te proeven dat de KULeuven zich, al is het langs een U-bocht van fantasmatische introjectie, aangetast weet in het meest neoliberale denkbaar: haar reputatie, kompas voor de positie op de markt. De open brief van de vijf mocht dan ook een onbetaalde reclame heten.
Natuurlijk, door bij tijd en wijle op te draven op opiniepagina’s lijkt het er warempel op dat universitaire medewerkers meedoen aan ‘het maatschappelijk debat’. Maar is nu niet juist de opiniepagina hét podium voor mainstream meningen die dat debat hooguit pamperen? Moeten alternatieve inzichten, zeker in België, niet buiten de grote kranten en bladen worden gezocht, op websites die zich hebben afgekeerd van de eenheidsworst die van ‘vrijheid van mening’ een marketingterm hebben gemaakt? En die nooit de context belichten, louter het schandaal bij de ander, omdat ze anders in hun eigen functioneren worden betrapt?
Bovenal: waar blijft bij al die woorden de daad?
Als ik me even op mijn niche mag storten, koffie dus, dan zou je zulke opiniemakers kunnen vergelijken met eigenaars van Senseo- en Nespressomachines. De handeling beperkt zich tot het plaatsen van een pad, in een smaak die dat ogenblik het best uitkomt. Met de ervaring van koffiezetten heeft het niets te maken. En met relevantie?
Nu ja, even wachten wat Rik Torfs, de ongekroonde mediakoning van de KULeuven, op deze onverkwikkelijke zaak langs diverse kanalen te zeggen heeft. Tot dan zou deze universiteit, en haar voltallige personeelsbestand, trots mogen zijn op Barbara Van Dyck.

Naschrift
Inmiddels is er een petitie en heeft Eric Corijn zich publiekelijk tegen dit ontslag uitgesproken. Hij koos daartoe wel een enigszins makkelijke weg, door beschimping van het katholicisme van de aanklager.
Mij is nog iets opgevallen: waar de Leuvense universiteit ‘geweld’ van begin af in juridische zin inzette, slikte ze haar aanvankelijke beschuldiging in dat Van Dyck in haar vrije tijd een ander systeem steunde dan in werktijd – zo’n leidraad zou hilarische consequenties hebben voor alle KUL-medewerkers. Met het latere opvoeren van een ‘vertrouwensbreuk’ werd er juist ineens een persoonlijk discours tussengeschoven.

Naschrift 2
Er is nu ook vanuit Leuvense kringen een open brief tegen het ontslag de wereld in geslingerd, waarin gerept wordt van een ‘Berufsverbot’. Mooie intentie, maar waarom met zo’n term de zaak even historisch beladen maken als het rectoraat dat doet? Volgens Van Dale zijn de hoofdletter en de cursief overbodig.
Verder heeft een van de Leuvense medewerkers die van het rectoraat wel mocht blijven zijn visie op de problematiek gegeven. En zoals dat dan gaat, doet de universiteitskrant aan damage control namens de rector.

Naschrift 3
Niet alleen de Universiteit Leuven, ook de burger zou Barbara van Dyck inmiddels dankbaar mogen zijn dat de maatschappelijke discussie over ggo’s, die jarenlang maar niet echt van de grond kwam, nu eindelijk ontbrandt. Helaas beperkt de reguliere pers zich tot een poll (een neoliberaal instrument?), maar op websites valt verbreding en nuance waar te nemen, in en onder artikelen en columns als deze, deze, deze, deze, en deze.

donderdag 2 juni 2011

Fijne prikkels


Peter Sloterdijk voorspelde: ‘Ik ben er zeker van dat democratie, als ze overleeft, dat zal doen bij de gratie van hen die niet bereid zijn haar te idealiseren.’ Tja, onmisbaar lijkt de nuchtere ‘sturende overheid’. Maar ze oogt niet als een gesjochten meisje. Geldt ze per reflex als links, en vervolgens als betuttelend? Fundamentalisme wordt dan wat telt, in de beeldvorming. De essentie is voor fanate doetjes. En over de langere termijn moeten de Jeremia’s zich maar buigen.
Nu schijnt men zich beter niet met evengoed gepostuleerde vooroordelen van anderen bezig te houden. Dat schijnt klagerig. Dan slechts registreren dat op één punt de overheid zelfs van haar fervente tegenstanders pal moet staan: tegen criminaliteit en allochtonen in het bijzonder. Plots blijkt gelijkheid voorbehouden aan eigen kring, die vanzelfsprekend onpolitiek is, laat staan fundamenteel neoliberaal.
Het laatste is een beetje cynisch van mij, terwijl ik het eigenlijk knap vind: die permanent te verbreiden indruk belangeloos te wezen. Dat zit ook bij de Tea Party, waar het offensief tegen de overheid à la Obama het detail overstemt dat onder deregulator Bush jr. de overheid aanzwol. Maar dat geschiedde natuurlijk om over de veiligheid van Amerika te waken, tegen die allochtonen van islamitische kunne.
Anderzijds heeft John Gray nuchter gewezen op een bezorgde meerderheid die bekneld zit tussen een onderlaag zonder hoop en een bovenlaag die elke burgerplicht negeert. Hoe klein of groot het oppervlak mag zijn dat de Tea Party bestrijkt, de boodschap is duidelijk: ze is TEGEN. Er doemen complotten van antichristenen en communisten en meer van dat vies en voos menselijk spul. Men kan dan twee dingen doen. Pingpongfilosoferen door te stellen dat juist ismen allerlei samenhangen zien die hun ideologie dwingend en reddend maken. Of men kan wegspurten. Beide reflexen kunnen beter ingetoomd voor een bespiegeling die niet eens reflectie hoeft te heten: gelet op de mogelijke omvang van al die Amerikaanse theedrinkers maken ze een interessant deel van het kiezerspotentieel uit.
Het alleropportuunst zou het wezen iets te doen met de boosheid op en het onpeilbaar diepe wantrouwen jegens de overheid. De whities uit de middenklasse vormen de meerderheid, helemaal tussen degenen die ook daadwerkelijk gebruik willen maken van hun stemrecht. Zij weten op lokale schaal hoe ze moeten organiseren voor een goed doel – het recept voor koffie met brownies kenden ze al voordat Starbucks daar muziek onder zette. Wie met I want to be left alone slechts één ‘Garbo-like thing’ te verkondigen heeft, zou mogen worden beproefd in die paradoxale collectiviteit van de afkeer voor bijstand door het hooggeleerde establishment.
Ach, er bestaat zo’n charmant gedicht van Joachim Sartorius, dat ‘Alexandria’ heet:

Daar achterin zat hij, aan die marmeren tafel,
zei de oude ober, onder de ouderwetse ventilators,
die toen al zo langzaam gingen,
onder dit plafond, art nouveau stucwerk,
la vie était confortable: Stanley Beach,
Glymenopoulo, en het liefelijke, kleine
Zizinia, nu een bioscoop,
waar in het seizoen Tosca gespeeld werd,
La Bohème en Lohengrin (het strengste
van Wagner, dat in die dagen ten Zuiden van Napels
acceptabel was). Daar zat hij, een Griek
uit een paar duizend Grieken,
die een half miljoen Egyptenaren gewoon niet zag.
Hij was stil blijven staan bij Strabo,
en leefde in een Europa van de verbeelding:
‘het geweldigste Emporium in de bewoonde wereld’,
dat nu bestaat uit stenen, uit de zee,
en een gevoel van oneindige vermoeidheid.
[vertaling Cees Nooteboom]

Het valt dan ook niet mee, noch in de VS noch in het luxe West-Europa. Overheidssturing verlokt in het geval van belastingwetten vooral listigheden van virtuozen met pietsjes te veel geld. Valt daar tegen in te brengen dat niemand het kan verbieden mensen welvaart te brengen, maatregelen worden pas echt heikel wanneer ze indruisen tegen gepropageerd gedrag.
Pleitend voor ‘het milieu’ klinkt het dat burgers de trein op moeten. Het helpt dan niet om te suggereren spitstarieven te verhogen. Het lijkt zelfs onslim populaire en handige spoortrajecten af te schaffen ten faveure van dure lijnen met weinig uitstapplaatsen. Niet alleen jaagt men mensen de auto in, men laat hen de status van proefdier bij Skinner niet eens bereiken.
Karel van Miert schijnt als EG-commissaris ooit lijnen op een kaart van Europa te hebben gezet, dwars door landen heen. Ze moesten zijn ideale transportnetwerk voorstellen, dat zijns inziens nooit te realiseren was vanwege nationale belangen en bevoegdheden. Zijn superieur Delors maande hem daar niks van aan te trekken en aan de slag te gaan. De anekdote plukte ik uit De passage naar Europa van Luuk van Middelaar, die meermaals laat uitschijnen hoe de pertinente afkeer tegen ‘Den Haag’ lauwtjes is vergeleken met wanneer het over ‘Brussel’ gaat en alle stoppen doorslaan.
De kwestie kan dus wel eens zijn tot waar we ons een gemeenschap wanen. Als die indruk top is, zou het nog kunnen dat we, een andere noviteit, betalen voor gesorteerd afval, ook voor het inleveren van asbest. Vooralsnog lijkt me dit dé stimulus voor sluikstort, met alle gevolgen voor aanpalende gezondheden van dien.
Overigens wil ik niet gezegd hebben principieel voor sturing te zijn en tegen eigen initiatieven met zelfoplossend vermogen. Mij is zelfs een voorbeeld bekend van wat in de beeldspraak wel een verkeersinfarct heet en dat gezond uitpakt. Vlak bij ons huis ligt een brug die, onder vertrouwenwekkend toezicht van een frituur, wordt geflankeerd door een dermate complexe viersprong, dat elke weggebruiker, fietser én automobilist, geïntimideerd raakt en zelfstandig vaart mindert. Van nog maar het geringste ongeluk daar is mij niets ter ore gekomen.
Wie weet binnenkort, nu er na jarenlange mobiliteitsstudies waar elk consultancybureau voor serieus is genomen maar getuige een borstroffelende informatiefolder ook de ‘inspraakronde’ niet onopgemerkt schijnt gebleven, over een periode van een halfjaar verkeerslichten gaan komen en ‘duidelijke signalisatie’.
Tegen de toch democratisch te noemen zin van de omringende mensheid heeft de frituur al moeten verhuizen. Er komt een kunstwerk dat Vreugdekreet heet.

vrijdag 20 mei 2011

Family affairs


De oma van Ayaan Hirsi Ali kon door de geur van pasgevallen regen in de woestijn een route vinden. En zelf leerde de auteur noodgedwongen haar tanden te poetsen met een acaciatakje. Dit staat in Mijn vrijheid.

In een van de interviews na het winnen van de Librisprijs zei Yves Petry dat hij schrijft om zich voort te planten in de hersenen van anderen. Die ambitie relativeert zijn vaderschap: ‘Het is niet de zin van mijn leven, in elk geval. Dat is alleen het schrijverschap. Het vaderschap heeft me vooral een levenslange kwetsbaarheid gegeven. Ik ben kwetsbaar in een lichaam dat niet het mijne is. Maar ik vind het ouderschap niet nodig om een volwaardig mens te zijn. Al denk ik nu wel beter te begrijpen waar het in zoveel mensenlevens om draait. De kinderen als ultieme zingever. Alles wordt eraan opgeofferd.’

Naar verluidt was een moeder wegens de misselijkheid van haar kind een halte eerder uit de bus gestapt. Lopend in de frisse lucht, passeerde ze een café waar een schietpartij aan de gang was. Een afgedwaalde kogel verwondde haar.

Vergeet niet bij autopech goed zichtbaar op de vluchtstrook uw oedipale driehoek te zetten. W.g. uw vaderlijke vriend de wegenwacht.

In 1919 meldde de hyperintelligente Franz Kafka aan zijn vader: ‘Men kan (...) zeggen dat ik weinig heb gewerkt en niets heb verworven; dat er iets in de vele jaren met een middelmatig geheugen, met een niet buitengewoon slecht verstand is blijven hangen, is toch niet zo vreemd, maar in ieder geval is het totale resultaat aan kennis en vooral aan de fundering van de kennis uiterst droevig vergeleken met de totale som van tijd en geld in de loop van een uiterlijk zorgeloos, rustig leven, in het bijzonder ook vergeleken met bijna alle mensen die ik ken.’

Eén voorop, één achterop zie ik wachtend voor het stoplicht een man in keurig pak diagonaal door het drukke verkeer heen rennen, een huilend kind in zijn armen.

Aan het treurige bericht dat zanger-dominee Solomon Burke op Schiphol was gestorven, zat een olijk kantje: ‘Hij laat twintig kinderen en 91 kleinkinderen achter’. Nee, dan Fela Kuti, die trouwde in één plechtigheid met 27 vrouwen.

Zoveel jaren nadien frappeert me in de film Christiane F.: Wir Kinder vom Bahnhof Zoo de afwezigheid van ouders. Natuurlijk, het waren tijden dat iedereen leek te gaan scheiden, maar hier wordt de verhuisde vader van het in de drugs verzeilende meisje niet eens getoond. Ook de buitenwereld is afwezig, misschien conform de blikvernauwing bij junks; de film speelt in de roerigste jaren van de naoorlogse Duitse geschiedenis en refereert daar louter aan met boven een bed een kopietje van het opsporingsbevel voor Ulrike Meinhof. Wel is er zoiets als een leidend beginsel: David Bowies grandioos depressieve muziek uit zijn Berlijnse tijd. Groot is Christianes verontwaardiging wanneer een dealer haar weinig biedt voor een van haar exemplaren van Changesonebowie, terwijl dat nog verzegeld is (cadeau van de nieuwe vriend van haar moeder)!

Met toestemming van de artiest gaf Starbucks een speciale cd uit met covers van Sly & The Family Stone, voordat Sony deze, aangevuld, op de markt bracht als Different Strokes.

Weet Žižek: ‘Het christelijke motto “alle mensen zijn broeders” betekent ook “zij die niet mijn broeders zijn, zijn geen mensen”.’ Von Beethoven die aan deze materie zijn negende symfonie, waarop de maximale duur van een cd werd afgestemd, met een dusdanig pregnante doofheid wijdde dat de Europese Unie de centrale tekst ‘An die Freude’ tot volkslied koos, gaf bezoekers toch maar zestig koffiebonen per kop.

Lieve hart, nu is het zo’n beetje af en moet ik het loslaten? Niet dat ik het legenestsyndroom vrees, maar ik heb toch nog één studie besteld, voor de zekerheid.

Onderschat koffie niet als doopmiddel. Met name boterhammen met chocopasta worden zo extra begerenswaardig. Wie denkt dat dit een variant is op koekjes bij de thee, willen wij wijzen op de usance in de koffie ook boterhammen te dopen die om beboterde speculaas heen zijn gevouwen. Els Scheppers uit Hingene vond deze combinatie van het de delen overstijgende geheel zo lekker, dat ze voor het oog van de Vlaamse televisiekijker in het programma De bedenkers aan het uitvinden sloeg. Kennelijk wilde ze iets simpelers en inclusievers, en waarvan geen koffievlekken kunnen komen. Dit werd de speculoospasta die inmiddels door het notoire koekjesmerk Lotus wordt geproduceerd en die een verschuiving teweeg heeft gebracht in het segment van de chocopasta. In Scheppers’ basisrecept zat koffie, maar geen speculaaskruiden als kaneel, kruidnagel, kardemom en nootmuskaat. Taalpuristen komen er dus er eveneens mee aan hun trekken. En onze jongste? Met haar ene tand oefent ze voor gourmande door te sabbelen op korstloos brood, bij voorkeur tussen het eten van de borst door. Bismillah?

maandag 16 mei 2011

Schromeloos (2)

On-Hollands is Rob Riemens essaybundel Adel van de geest. Een vergeten ideaal alvast in de presentatie. De rechtenpagina vermeldt te verschijnen vertalingen, en op de achterflap wordt luid de lof van de auteur gezongen door zes internationale grootheden, in het Nederlands. Dus niks ‘doe maar gewoon dan doe je al gek genoeg’, hier is iemand bezig ‘zijn kop boven het maaiveld uit te steken’. Ongewoon is verder dat er van het boek in anderhalf jaar tijd twintigduizend exemplaren zijn verkocht. Dat dit bijzonder is voor het genre van het essay, vertelde Riemen zelf in de special van De Groene over ‘De aanval op de elite’. Hij weet het onder meer hieraan dat zijn werk, en zijn Nexus Instituut, tot nog toe overwegend zure reacties blijkt te hebben gekregen van laaglandse beroepslezers. Slik! Daarnaast proeft Riemen, die een reis naar Schiphol met genoegen aanvaardt, de laatste decennia een trivialisering bij intellectuelen. Zij gingen volgens hem door het postmodernisme alles even (on)belangrijk vinden. Niets zou ook meer te moeilijk mogen zijn. Intellectuelen hebben zichzelf opgeheven en Riemen denkt dat ze voelen dat zijn werk ook een aanklacht tegen hen is, bijgedragen als ze, onwillekeurig, hebben aan deplorabele politieke dwaalwegen in den lande. Wow! Ik zou juist denken dat door ‘het’ postmodernisme terug hiërarchieën gekomen zijn en dat vele intellectuelen onophoudelijk hebben deelgenomen aan het publieke debat. Dat dit niet echt zoden aan de dijk zette, is wat anders. De context en het belang van massamedia waarin intellectuelen binnen formats acteren zijn, zeker sinds internet, sterk gewijzigd. Wel blijft die constellatie in Nederland provinciaal want randstedelijk bepaald, zodat de kosmopolitische drive van het Nexus Instituut – door Wilders explicieter geformuleerde – bevreemding kan wekken omdat het in Tilburg zit. Mij dunkt Riemens werk in elk geval niet moeilijk. Ik heb ontzag voor zijn toegankelijkheid, die vanwege een gethematiseerde voetnotenafwijzing simultaan retorisch oogt. En wellicht ben ik te vatbaar voor the real deal , maar Riemens pleidooi voor een heraansluiting bij de honorabele humanistische traditie vind ik niet zozeer eurocentrisch als wel escapistisch. In het genoemde Groene-nummer staat ook een fijne analyse van het populisme door Merijn Oudenampsen. Bij hem ligt nu eens niet de nadruk op de morele receptie van het fenomeen. Het populisme wordt bekeken op wat het produceert. En dan zegt het te spreken namens een hele grote, tot zwijgen gebrachte groep, waarvan het echter zelf deelnemers moet uitsluiten in een ‘frontendynamiek’. Oudenampsen stelt dan ook dat ‘de kloof tussen burger en politiek’ aldus, omgekeerd causaal, geschapen wordt. Populisme wordt zelfs een ontkenning van de volkswil wanneer het allerlei volstrekt verschillende protesten in één immense onvrede van negatieve identificaties samenbrengt. Dat is uiteindelijk een creatieve daad. Mag daar subsidie voor komen?! De activiteiten van Riemen in zijn twee boeken berusten op deze narratieve manoeuvre. Het is alleen opportuun zich in een ideaal van beschaafdheid te schuiven, als denkbeeldige barbaren daartegen dreigen te revolteren. Een statement als ‘Cultuur vernietigen betekent de waarheid vernietigen’ is te kras voor mij, die nochtans van dezelfde generatie is als Riemen (en, holy shit, Wilders en Bin Laden!). Ik raak al in verwarring van een anekdote over Gerard van het Reve, vader van. Als 18-jarige ‘arbeider’ wachtte deze buiten een hotel, het deftigste van Enschede, op de 46-jarige, overtuigde socialist Herman Gorter, tevens ‘intellectueel’, terwijl die een kopje koffie dronk. Verwart mij dit omdat Van het Reve geen arbeider was, maar een intellectueel? Nee, omdat hij het, na Gorters aanbod in de we-vorm, zelf had voorgesteld. Of wellicht was het fijngevoeligheid dat Gorter niet aandrong; de pauze duurde tien minuten. Mij interesseert dat Riemen de reacties op 9/11, na er wederom met een overigens zelden traceerbare grens tussen citaat en parafrase meer klassieke dan actuele auteurs bij te hebben aangehaald, toen reeds opvatte als een ‘verraad der intellectuelen’. Hij bespeurt bij hen louter een ‘vijandbeeld’. Dit gaat mutatis mutandis natuurlijk ook op voor Geert Wilders, die in de argumentatie zijn medestander wordt als deze intellectuelen vijandelijk raken omdat ze ‘het onderscheid tussen goed en kwaad ondergeschikt maken aan de dogma’s van hun politieke ideologie’. Deze karikatuur is schier overal te vinden, en kan niet genoeg bijgelicht worden door de werkelijkheid. Evenals Wilders is Riemen er kennelijk van overtuigd dat alleen anderen een ideologie hebben, en hij zelf niet. Wel wordt het zo begrijpelijker waarom Riemen vindt dat cultuur belangeloos en tijdloos is. En waarom hij intellectuelen die ervoor uitkomen dat ze gepolitiseerd zijn conformistisch acht, en kameleontisch, en machts- en invloedsgeil et cet. Toch zou het voor hem misschien een eyeopener kunnen zijn eens op het internet te kijken naar meningen over hen. Mij lijkt het in elk geval heel wat pek en veren te besparen om te beweren voorbij de ideologieën te zijn. Ik zou Riemens visie wel eens willen vernemen op hartverwarmend activisme van jongeren die ideologie permanent vertalen in concrete protesten zoals het laten leeglopen van banden van Hummers in stadscentra. Mijn nieuwsgierigheid naar zijn oordeel komt ook voort uit onbegrip: in tegenstelling tot Riemen lijkt het me niet echt pleiten voor Thomas Mann dat hij gewoon doorwerkte bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog en de zelfmoord van zoon Klaus. Och, misschien had het ook wel iets dappers, maar adel van de geest ontdek ik er toch niet in. Zelfs bij verzaking zouden er varianten denkbaar geweest zijn. Grappig is dat juist Wildersbiograaf Fennema, met Eelke Heemskerk, in Nieuwe netwerken. De elite en de ondergang van NV Nederland de term ‘nieuwe geldadel’ hanteert, voor de niet-aangeboren en dus meritocratische elite die vaak in de massamedia opduikt. Deze categorie slaagde er maar niet in door te dringen tot politieke partijen, tot Fortuyn de poort openzette. Riemen had hen toch niet in het vizier toen hij op intellectuelen afgaf?

maandag 9 mei 2011

Schromeloos (1)


Voor Rob Riemens pamflet De eeuwige terugkeer van het fascisme rest me één woord: onbegrijpelijk. De auteur is erudiet en durft verder te kijken dan de dag van vandaag, dicht zich hooggestemde idealen toe die in elk geval bol staan van de nobele intenties, wil voor dat alles bewijs geven – en levert een tekst die ik niet snap. Nochtans deel ik zijn zorgen en is het voor Riemen helder wat er niet deugt aan de maatschappij: oppervlakkigheid, hedonisme, materialisme, uiterlijke schijn… Daarmee hult hij zich in een kleed van de pastor, gesteund door een stijl waarin de eerste persoon meervoud domineert. Voordat echter de indruk ontstaat dat Riemen niet van deze tijd is, mag vastgesteld dat hij een goed onderhouden website heeft en dat zijn tekst opgemaakt is met extreem veel wit. Bij dat laatste is het wel de vraag of de lezer aldus eigen gedachten mag ontwikkelen of dat de opmaker er de tekst alsnog enig volume mee gaf: 62 pagina’s telt dit boek.
Het had groter kunnen uitvallen indien Riemen zijn gestelde parallellen tussen het fascisme van het interbellum en Wilders’ gedachtegoed had willen schragen. Maar ik ontwaar louter nevenschikkende suggestie. De PVV belandt in een serie diskwalificaties waarvan ‘diepe afkeer van de kunsten en van oefening in geestelijke waarden’ onbedoeld de pastoraliteit bekrachtigt. Slechts aan een in het PVV-verkiezingsprogram tussen haakjes geplaatst woord, ‘nationaal’ voor ‘socialisme’, wijdt Riemen een alinea met de conclusie: ‘de waarheid tussen haakjes plaatsen, schaamteloos feiten verdraaien, bij voortduring liegen’. Grote woorden voor een bedenkelijke grap, hoe dik er nog over gedaan mag worden.
De ene keer dat Riemen Wilders vermeldt, op pagina 59, is die een ‘prototype van hedendaags fascisme’. Omgekeerd zou Wilders zo mogelijk nog sneller klaar zijn. Voor Riemens’ Nexus Instituut kan hij het gejammer in mono over subsidie brengen, dat op het internet wordt meegebrald.
Als zulke bewijsvoering volstaat, dan zou ze een schoolvoorbeeld van ‘intellectueel oneerlijk’ zijn. Het valt me op dat tussen illustere filosofen die Riemen de revue laat passeren niet Tzvetan Todorov te begroeten valt. Diens Angst voor de barbaren had het betoog nuances kunnen bezorgen, bijvoorbeeld door culturele en antropologische kenmerken niet op één hoop te gooien met politieke keuzes.
De eeuwige terugkeer van het fascisme doet helaas wat het hekelt: zondebokken aanwijzen. Wederom vertroebelt de specifieke analogie meer dan dat ze verheldert. Flink sprekend en geen taboe uit de weg gaand toont het boek zich blind voor een soortgelijke aanpak en bejegening van het verafschuwde. Natuurlijk ziet Riemen het goed dat het populisme bestaande angsten en begeerten van ‘de massamaatschappij’ vertolkt, maar doet hij op zijn manier niet hetzelfde? Namelijk bij ‘de elite’ stemming kweken voor een paroxisme bij de ander waartegen pamfletten als deze moeten harnassen? Hoe legitiem is een moreel gelijk in een principieel niet-singulier wij-zij-schema?
In de absoluutheid en het superlativisme van het taalgebruik toont Riemen zich eveneens verwant. ‘Beschaafd’ en haar onvermijdelijke partner ‘barbaars’ dunken me krachteloze epitheta die ook bij specialisten van het woord blijken te zijn doorgedrongen. Los van de stigmatiserende werking hebben ze een even beperkte houdbaarheidsdatum als veelbesproken Wilders-uitdrukkingen. Ook kan Riemen wel in honderd varianten ‘niet waar’ en ‘blijf van mijn traditie af’ roepen, wanneer de PVV-leider zich voor zijn beschaving op joods-christelijkheid beroept fungeren als getuigen a decharge: Bach, Michelangelo, Shakespeare, Socrates, Voltaire, Galileo…
De naam van Voltaire valt vaker als het om de vrije meningsuiting gaat, maar Todorov zei al dat het Verlichtingsicoon leefde zonder internet en andere massacommunicatiemiddelen, waarmee daden en uitingen verstrekkender gevolgen kunnen krijgen dan voorzien. De kans mag groot zijn dat de genoemde mannen (!) zich zouden omdraaien als ze wisten voor welk gedachtegoed ze worden ingezet, Riemen had dat beter mogen uitduiden dan met gehamer op het aambeeld van hoffelijkheid en dialoog.
Het rijtje erflaters haalde ik uit de Wilders-biografie van Meindert Fennema. Ik las dat boek mede uit nieuwsgierigheid of concretisering van benarde levensomstandigheden milder zou stemmen jegens mijns inziens dubieuze opvattingen. Maar hoewel medelijden zich aan me opdrong, overheerste een benauwdheid voor de werklust en ambitie die Wilders aan de dag blijkt te leggen. Dat maakt het veiligheidskordon dat hem omgeeft niet minder tragisch (Bin Laden blijkt jaren op twee kamers te hebben geleefd). Des te bevreemdender de bedreigingen die Riemen van de PVV kreeg bij een lezing.
Het zal beroepsdeformatie zijn dat Wilders’ taalgebruik mij wel blijft fascineren. In zijn eerste officiële opiniestuk, als VVD’er in 1994, voert hij een arbeidsvoorzieningsorganisatie op die haar hand ‘schromeloos’ overspeelt. Fennema merkt dat aan als een fout, maar mij grijpt het aan. Net als de naam van de campagne die de pas als eenmansfractie opererende Wilders per bus voert tegen de Europese grondwet: ‘tourNEE’. Opmerkelijk is Fennema’s visie op de verwerping van die grondwet bij het referendum in 2005, als opstand van het platteland tegen de stad, ‘van de verliezers tegen de winnaars van de globalisering’.
Zo’n verheldering is simultaan schematisch, waardoor ze zelf in argumentatiepatronen onder te brengen valt. Bij dreigend gedebiteerde parallellen met de Tweede Wereldoorlog is dat het meest zichtbaar. In God op zijn plaats heeft Ian Buruma opgemerkt dat dan ofwel gelijkaardige trekken van antisemitisme in de actualiteit worden gezien wanneer immigranten iets overkomt (gaskamers nabij) ofwel dat slappe regeringshoudingen doen herinneren aan München 1938 (oorlog nabij).
Curieus is dat Riemen én Wilders bij de laatste topos lijken te behoren. De een wil de ogen openen voor de reële dreiging en acceptatie van rechtsextremisme, de ander wil waarschuwen voor nakend islamgeweld. Maar even bien étonnés de se trouver ensemble, met even complementaire redenen, ben ik zelf in mijn negatieve eindoordeel over De eeuwige terugkeer van het fascisme.
Houdt het nooit op met die parallellen? Hoe schijnheilig kan een blogstukje als dit worden, met zijn wat-je-zegt-ben-je-zelf-redeneringen volgens een goedkope, quasi-kritische expeditie naar vooronderstellingen, terwijl er diametrale verschillen in uitgangpunt zijn? Bestaat er een perspectief waarmee ik Riemen meer recht kan doen?

zondag 1 mei 2011

Brecht zegt (3)


‘Wij hebben een vrijblijvende literatuur, die niet alleen alles in het werk stelt om zelf geen konsekwenties te hebben, maar ook alle moeite doet om haar lezers te neutraliseren, namelijk alle dingen en situaties uit te beelden zonder hun konsekwenties.’ Een waarheid als een koe, zij het vermoedelijk rijp voor spot, alleen al vanwege de spelling. Ik kwam haar tegen in Teatereksperiment en politiek waarvoor Wim Notenboom en Jacq Firmin Vogelaar Brecht-teksten hadden verzameld en vertaald. We schrijven 1971, uitgeverij is de SUN en het is mij duister wat voor buitenkantelijkheidjes meer ik kan vermelden om lachers op mijn hand te krijgen. De brede bladspiegel, waardoor de tekst bijna van de pagina valt en de inhoud van de band ondersteunt, als zijnde overvol?
Mij heeft Teatereksperiment en politiek nogal aangegrepen.
Het is eenvoudig meer uiterlijkheden op te sommen die het juist tot een prettig boek maken: noten, editieverantwoording, ampele bibliografische verwijzingen… Waar beleef je nog zo’n verbeten geheel dat zich verontschuldigt voor herhaling door zijn fragmentarisme? Ik bedoel, niet als zelfgenoegzaam excuus voor luiheid en tijdgebrek? Teatereksperiment en politiek openbaarde me eveneens hoeveel kennis we ongeveer hebben door de hyperironische firma Van Horen Zeggen.
Deze Brecht-band heeft ‘het karakter van een reader, waarin “vergelijkend terugbladeren” mogelijk is.’ Mij stemmen zulke uitgaven van ver voor mijn lezend bestaan nostalgisch. Ze wekken de indruk een utopie te kunnen aanraken, initieel vanwege de kans lezers teksten te laten verteren in plaats van ze te slikken.
Dat zou geheel in de geest van Brecht wezen. Zijn episch theater (tegenover het aristotelisch theater zoals we dat nog kennen) stoelt op kritische betrokkenheid van de toeschouwer. Het dwingt tot beslissingen, werkt in de nadruk op het veranderlijke confronterend, al was het omdat evolutionaire ontwikkelingen niet als onherroepelijk gelden. Bij Brecht is er gelegenheid voor ingrijpen, de toeschouwer wordt deelnemer.
Misschien is dat ook wat me heeft bedroefd aan Utopisch alfabet. Honderd toekomstvisies, waarmee onlangs een nieuwe uitgeverij zich presenteerde: de toeschouwer werd kennelijk geacht het op een koffietafeltje te leggen. Je hoeft geen cultuursomberaar te zijn om te zien dat de enige consequentie in brechtiaanse zin de rel of de hype is geworden. De heus gebonden verzamelbundel toonde op het omslag inktspikkels, met de titel in een quasi-monnikachtig handschrift. Er moest gereageerd op de classic van Thomas More (die heeft ervaren wat consequenties behelzen). Maar precies aan de buitenkant stremden verdere gelijkenissen.
Op eenzame hoogte staat de bijdrage van de Antwerpse burgemeester Patrick Janssens die via Pieter Gillis naar More toe wil. Eerder had zijn collega Aboutaleb die weg bewandeld om het postideologisch socialisme te expliciteren maar met grotere souplesse. Janssens gebruikt nota bene de briefvorm om te bekennen dat hij van boeken houdt, belang hecht aan onderwijs, tolerantie en meer trefwoorden waar je je geen buil aan kunt vallen. Wel frappeerde het volgende: ‘De toekomst is wat we er zélf van maken, en dat moeten we blijvend voor ogen houden. Maar steeds in het besef dat wat we realiseren altijd minder is dan wat we ons er in de ideale wereld bij hadden voorgesteld.’
In de epische context daarentegen is zelfs muziek geen psychologiserende begeleiding of lyrische illustratie. Net zo goed door banale popteksten die sociaalhistorische betekenissen van gedrag blootleggen, met de optie in die processen te interfereren. Op diverse plaatsen heeft Brecht het over gestiek, die niet toelicht maar houdingen in hun maatschappelijke context laat zien. In Me-ti. Boek der Wendingen situeert hij de dan gebruikte taal op de grens van natuurlijk en gestileerd, als werktuig dat het gesprek met anderen immer via zichzelf laat lopen. Zo wordt het enerzijds lastiger zich in te leven, anderzijds maakt het de handeling afhankelijk van de omstandigheden, wat een begin is van kritiek. Of zoals het genoemde, onvoltooide boek andersom geredeneerd stelde: ‘De meeste verklaringen zijn eigenlijk rechtvaardigingen.’
Walter Benjamin zag als doel van het gestische theater de handeling te onderbreken in plaats van haar te ondersteunen. Zoiets geeft een vertragend effect dat het bewustzijn prikkelt om elementen van de werkelijkheid als proefmodel te behandelen. Zijns inziens stond dit haaks op het naturalisme, waarin ‘het milieu’ louter afbeeldend is en het toneel als geheel volkomen illusionistisch (wat een fatalisme uitlokt, net als de catharsis: na het meevoelen van onmacht kan men weer aan het werk).
Door de term catharsis moet ook zijn tegenhanger worden opgevoerd: het evengoed dus door muziek aangerichte verfremdungseffekt. Doordat een verteller nevengebeurtenissen oprakelt, spelaanwijzingen geeft en doordat de acteur afstand bewaart tot zijn personage, moet de toeschouwer partijkiezen. Naar hedendaags gevoel, geplaagd door een ambivalentie van ‘weg met de bemoeizuchtige overheid’ en ‘mij deren technologische inbreuken op de privacy niet’, ligt de boodschap er dik op. Een vooroordeel? Zelfs bij Brechts tot aan de RAF omstreden leerstuk Die Maßnahme is er een virtuoos analyticus als Roman Jakobson aan te pas moeten komen om, bijvoorbeeld door een schijnbaar esthetische spiegelbeeldsymmetrie, filters in het wij (‘das Thema des Kollisionen und ihrer Überwindung’) te detecteren.
Brecht ducht hoe dan ook identificatie, zoals in het aristotelisme – en empathie die nu tot het summum behoort? Catharsis berust op inleving, met handelingen die vrees en medelijden oproepen. Maar Me-ti wist: ‘Belangrijker dan te benadrukken hoe verkeerd is het is onrecht te doen, is het te benadrukken hoe verkeerd het is onrecht te dulden. Om onrecht te doen hebben slechts weinigen de gelegenheid, om onrecht te dulden velen. Medelijden met anderen dat geen medelijden met zichzelf is, moet men als minder betrouwbaar beschouwen dan het medelijden met zichzelf dat tegelijk ook medelijden met de anderen is.’
Mij intrigeert Brechts opvatting dat gevoelens een klassebasis hebben. Ze zouden allerminst algemeen menselijk en tijdloos wezen. Er was de afgelopen week heisa om het argumentum ad nazium , maar toen Brecht omina zag moest het ergste nog gebeuren. Door een verband met het theatrale appel van de nazi’s op Duitsers, toont hij aan dat inleving ronduit gevaarlijk kan zijn. Maar dan ziet men belangen en wetmatigheid, te ontdekken indien men niet blindelings volgt en, ach god zo gaat het nu eenmaal, alle kritiek laat varen, ook jegens zichzelf. Proost!
Zegt Brecht: ‘van alle alkoholiese eksessen is niets zo gevaarlijk als de stille dronk’.