maandag 2 maart 2009

Ulrike (3)

Van Hitler naar Mao: lijken de kinderen op hun naar de mestvaalt verwezen ouders? Mei ’68-bashingreflex! Het is dat hij ouder is dan babyboomers, of er was actuele bewijslast: de brandstichtingslegitimatieadvocaat zwoer de RAF af, ging voor neonazi’s werken en ontkent nu de Holocaust.
Dit is niet eens het begin van een beschrijving van de leden, hooguit guilt by uitvergroting. Oké, had alle koffie bij het opstellen hun theorieën, waarbij populisme uitgesloten was zodat ook ‘functioneel tijdrovende en wezenlijk luxueuze vulwoorden’ verdwenen tot er niet zozeer uitgebeend als wel stukgedacht proza ontstond, in de praktijk niet hun hersenen gespoeld? Voor hen waren door napalm besmeurde Vietnamese kindjes restloos te vergelijken met Joodse kindjes in het getto. Dit via omstandige redenaties; met Hitler had Baader gemeen dat hij oeverloze monologen kon houden. Zou daar een zeker dichotomisme in zijn opgedoken?
Wederom sluimert ironie en retoriek in mijn taal. En vergelijkingen zijn gevaarlijk want nooit sluitend en dus altijd tendentieus. Oorsprong van het tu quoque-argument? De vraag dan wat er tegen dichotomie is, behalve dat ze nu impopulair lijkt (op dit punt van de geschiedenis, waar Aust zijn oorspronkelijke, meer dan duizend pagina’s tellende RAF-boek uit 1986 heeft bekort tot nog geen zeshonderd, ‘speciaal voor een internationaal leespubliek’). Vervolgens het antwoord toetsen aan nuance, daadkracht en wellicht aan een fatsoenlijk stilzwijgen dat daar vaak bij hoort.
Waar sprak Baader UM aan met ‘liberale hoer’? Mijn hypothese: in een laboratorium voor een sensationeel experiment om de wereld te verbeteren, met deze kanttekening dat de wereld tegelijk het laboratorium was dat er ten behoeve van de voortgang van het experiment onmogelijk even toe kon doen.
In Brechts revolutiedrama De maatregel – de andere RAF-favoriet naast Moby Dick – walgde UM van het citaat ‘Welke laagheid beging je niet, om de laagheid te verdelgen’. Ze maakte in de gevangenis notities, die de leiding, vals maar logisch vanuit de kadaverdiscipline, in kopie verspreidde: ‘zelf allang een smeris zijn in het psychische mechanisme van macht en onderwerping, van angst en je vastklampen aan de instructie. Een schijnheilige trut uit de heersende klasse, zo zie ik me gewoon’.
Thans lieve kijkbuiskinderen toch een vergelijking.
Rijmt de UM-gehoorzaamheid aan het bevel ‘Kut, zet eens koffie’ met een getuigenis van Anja Meulenbelt over haar leerjaren? In een trotskistisch studiegroepje ter gezamenlijke lezing van Het Kapitaal: ‘Het werd altijd laat. De discussies hadden de neiging te verzanden in debatten over de relatieve ruilwaarde van een emmer water in een woestijn. Theo neuzelde maar door, zijn vrouw zette koffie.’
In Margarethe von Trotta’s film Die bleierne Zeit (1981), gebaseerd op het leven van Ensslin, valt de onwankelbare terroriste Marianne midden in de nacht het appartement van zus Juliane binnen met twee collega-revolutionairen die al rokend koffie bestellen. Ogenblikkelijk gaat Marianne koffiezetten, mede tot genoegen van Juliane’s vriend. En in de aflevering ‘Kunst oder Leben (1970)’ uit Heimat 2 is de explosief emotionele Helga RAF-lid geworden en schuilt met drie collega’s in het appartement van haar vroegere bijna-vriend Stefan. Ook die mannen houden zich bezig met roken en worden eet- en drinkgewijs in de watten gelegd door de revolutionaire.
Stoffeert koffie sociaal uit routine? Dan zou het vanzelfsprekend zijn dat de drank door de moeder wordt bereid (species UM)? Workaholic, sterkekoffieverslaafde en communist Egon Erwin Kisch liet zich de complimenten welgevallen voor zijn gastvrijheid in de roaring twenties te Berlijn, waar hij onderdak bood aan ballingen aller landen, in welk kader Nico Rost voor een lyrische schets vaststelde dat Fräulein Gisl steeds maar weer nieuwe koffie moest zetten. Met zijn vaste medewerkster en minnares Gisela Lyner zou Kisch op zijn oude dag trouwen.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen