woensdag 30 juni 2010

Het juiste woord

In De woorden van Wilders & hoe ze werken meldt Jan Kuitenbrouwer dat dit boek completer had uitgepakt, indien het kabinet niet was gevallen. De ‘beperkte tijd’ die hij zich met zijn uitgever vanwege de vervroegde verkiezingen had gesteld, maakt het geheel inderdaad wat teleurstellend. Herhalingen en slordigheden drijven de lezer die ik ben geregeld naar het voorportaal van de ademnood, maar de materie is te interessant (en de stijl te innemend) om al die aanzetjes weg te wuiven.
Ik val vooral voor Kuitenbrouwers opsommingen van hoe Geert Wilders koffie en thee als argumenterend beeld inzet. De taaldeskundige concludeert dat de PVV ‘een echte koffiepartij’ is, ‘[t]hee is níet PVV’. Ik tracht te specificeren wat er in het pakket zit. Wie dat idioot vindt, verwijs ik naar ons taalkundig genie S. die, hoewel ze een verbijsterend vrolijk kind is, soms zware uren doormaakt indien het juiste woord niet strookt. Zo heeft ze winkelend Brussel eens platgelegd toen we haar een paar nieuwe laarzen (botjes) wilden geven, tot we ons realiseerden wat we, geheel volgens de pedagogische theorie, beloofd hadden te gaan doen: schoenen kopen.
De kiem van Wilders’ theeaversie moet liggen bij Job Cohen, die als ‘multiculti-knuffelaar’ een theedrinker blijkt. Kuitenbrouwer wijdt aan thee dan ook een apart lemma, waarbij deze drank verbonden wordt met ‘linkse hobby’s’. Een bepalend voorbeeld is in dit discours het uitdelen van subsidies. Omdat het door en voor vriendjes geschiedt, representeert thee geregel door smoezen. Kuitenbrouwer: ‘thee is eromheen draaien, thee is pappen en nathouden, thee is woenstijncultuur [sic]’. Hij hint met dat laatste naar Arabische gewoontes op een tapijtje, mogelijk met veel suiker.
Thee staat haaks op zero tolerance. Dat laatste zou op soortgelijk metonymische wijze op te wekken zijn met koffie. Bij dat lemma connoteren vervolgens meer voorbeeldzinnen deze drank positief. Kuitenbrouwer verbindt als gezegd koffie zelfs expliciet aan Wilders’ partij, waarbij aangetekend moet dat de bakermat voor dit genotvocht Afrika is, een werelddeel dat met zijn onbedaarlijke emigratieneigingen uit sociaaleconomische achterstand niet de hoogste PVV-vreugde losmaakt. Laat de mythe onbeslist of Ethiopië dan wel Jemen het koffie-oerland is, in Mekka, standplaats van de islam, stond het eerste typevoorbeeld van het koffiehuis, de Kaveh kane(s); in 1530 was er eentje te Damascus en in 1532 te Aleppo. En de variant die wij kennen verbreidde zich vanuit Constantinopel, 1554. Dat koffiehuizen als waarlijk Europese uitvindingen bezien worden, getuigt dus van Europese bijziendheid.
Bovenal associëren we koffiehuizen met debatten tussen onthechte intellectuelen, bohemiens en anarchisten. Koppel ik dat niet direct met Wilders’ alleenheerschappij over de PVV, de topos knipoogt wel naar een revolutie in de dop die dan een contrarevolutie behelst, back to the national basics. Niet voor niets bouwt Kuitenbrouwer vanuit Wilders’ fameuze kreet ‘Het moet niet gekker worden’ een identificatie met de archetypische (tot Riek Schagens reclame voor Sorbo volgehouden) huishoudster juffrouw Saartje in Swiebertje. Er is al gezegd dat die vergelijking dodelijk is, maar ze heeft ook, misschien is dat onvermijdelijk, iets zelfvoldaans. In elk geval mengt het bedoelde wereldbeeld monterheid met mopperzucht. Ten slotte legde Saartje zich bij de status quo neer. Er zou toch niet naar haar geluisterd worden. Ik betwijfel dat, met mijn geheugen als feilbare bron. Van alle personages staat me de juffrouw bij als de moreel meest superieure en onbetwistbare.
Kuitenbrouwer signaleert dat Wilders in 1963 geboren is, en dus in Swiebertje dé prent van zijn jeugd moet hebben gehad (de serie liep van 1960 tot 1975). Ten minste zij vastgesteld dat Saartje weinig streetwise is en dat Wilders tragischerwijze permanent door bewakers wordt afgeschermd. Anderzijds is de samenleving dermate complex geworden dat uitspraken over wereldvreemdheid ijdel zijn; doordat iedereen handelt naar zijn eigen overwegingen lijken er evenveel universa te ontstaan, wat empirisch toch een wankele observatie is. Vaker is opgemerkt, eveneens door Kuitenbrouwer, dat Wilders zich als buitenstaander presenteert terwijl hij, om te beginnen als speechschrijver voor Bolkestein, grote politieke ervaring heeft – en de lieve Saartje hoort er evengoed bij, ze krijgt ook geen kwaad woord van Swiebertje, Bromsnor of de burgemeester. Maar zijn PVV-kiezers en hun voorman uiteindelijk zo inschikkelijk als zij, wier biotoop slechts huiselijke interferenties kende? Of wil Kuitenbrouwer zeggen dat de koffie als het ware niet zo heet gedronken wordt?
Ik heb me afgevraagd of Saartje nooit thee schonk, zoals De woorden van Wilders & hoe ze werken pertinent weet. Is die drank niet minstens zo oubollig als het boekje over zijn object wil laten uitschijnen? Een fansite hangt de serie deze steekwoorden om: ‘De sfeer van 1900, van kattekwaad. Van koffie met koekjes. Gezelligheid’. Die koekjes intrigeren, omdat Wilders ze volgens Kuitenbrouwers opsommingen op de agenda heeft gezet, als uitstervend ras bij klaarblijkelijk van buitenaf geïnjecteerde gewoonten. Dan doemen er twee archetypen: mevrouw Drees die in 1947 Amerikaanse diplomaten voor het Marshallplan trakteerde op een mariakaakje en de identiteiten die prinses Máxima in haar nieuwe vaderland proefde, waaronder ‘één koekje bij de thee’. Maar da’s dus geen koffie, al werd het dat in de loop van de verontwaardiging stilzwijgend wel – over landskarakteristieken gesproken.
Tevens blijkt dat Swiebertje in de aflevering ‘Koffiepraatjes!’ te midden van drie nieuwe vriendinnen ‘de meeste koppen koffie had gedronken’. Een andere episode begint zo: ‘Het is een tijdlang erg rustig geweest in het dorp van de Burgemeester, Saartje en Luie Loodje. Ook Bromsnor had een gemakkelijk leven, want Swiebertje was in geen velden of wegen te bekennen. Maar nu is hij weer teruggekomen. Waarschijnlijk vindt hij de koffie nergens zo lekker als bij Saartje.’ Ten slotte wordt de in het revolutiejaar 1968 ontworpen figuur Malle Pietje gekarakteriseerd ‘met zijn eigen taaltje’ in het voorbeeld: ‘Nou gane we effe een koppie koffie drinken’.
Natuurlijk zijn het allemaal flat characters, en Kuitenbrouwer demonstreert ook dat Wilders bewust in essentialia spreekt en dus overdrijft. Zelden zijn meningen zo hardnekkig als feiten gepresenteerd. Dat maakt Wilders’ multiculti theedrinker ook zo onwerkelijk. Sterker, Cohen heeft heel literair een reïficatie ondergaan. Dat is niet zo bijzonder. Ik wil geen boekje maken over het patois van het taalkundig genie, maar mij staat bij me dat ze, nog geen drie, tijdens ijskoude winterdagen eerst iemand verbijsterd aankeek die liep op bontlaarzen en dat er even later een man naast ons in de trein ging zitten van wiens gezicht amper iets te zien was vanwege een gigantische baard – en een bontmuts. En door de coupé klonk de vraag: ‘Wa’s dat hier nu?’

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen