vrijdag 25 februari 2011

Betrapt


Grace Jones zong ooit: ‘I’ll never write my memoirs / There’s nothing in my book’. Zo is het maar net. Wel verkeer ik de laatste tijd in een Duo Penotti van sensaties waar ik niks van moet hebben.
Ofschoon af en toe iemand wat over mijn boekjes zegt, slimmer soms dan ze zijn, bespelen ze een miniem publiek en blijven ze voor alles gehuld in anonimiteit. Dat gaat al dik vijftien jaar zo. Vervelend, maar ondoenlijk? Eigenlijk vind ik het wel leuk dat mijn naam vaak verkeerd wordt gespeld, dat een vertegenwoordiger die meerdere titels van mij in de boekhandel moest hebben aangeprezen nooit van mij had gehoord, dat ik op een prestigieuze beurs mee mocht doen aan een debutantenprogramma toen mijn vijfde boek verschenen was, bij het livebesef waarvan de gepokte presentator, die weinig later een pamflet tegen culturele vervlakking het licht liet zien, zei dat hij heel benieuwd was.
Ik vind het idee zelfs charmant dat ik alle kopers van mijn boekjes ooit zal hebben ontmoet.
Toegegeven, het dunkt me geen verdienste zoet te zijn , of als kunstenaar overal een mening over te hebben zonder over de eigen branche opvattingen van ‘kleinburgers’ te dulden. Het zal allemaal wel. Vroeger ging er iets door mij heen wanneer een artiest ter gelegenheid van een overzichtstentoonstelling alom exclusieve interviews gaf met als onderwerpen: ik, mijn werk, mijn perfectionisme, mijn lijden en cultuurfunctionarissen die ‘provinciale boeren’ zijn, ‘boeren van het platteland’. Of wanneer een kwaliteitskrant anderhalve opiniepagina inruimde over beschaving en burgerschap en sociaaldemocratie door een A-merk, nadat zijn trein 9 minuten vertraging had en hij de aansluiting naar Frankfurt had gemist.
Waar het mijn eigen onderneming aangaat is er tot nu toe altijd een uitgever zo stoutmoedig geweest zich aan mijn tekstjes te committeren. Indien dat niet meer het geval is, zal ik nog pogingen tot omkoping wagen maar als die mislukken is het ook best.
Misschien is het niet mooi dat ik weinig verwachtingen heb. Ik zal tot de laatsten behoren die bij de uitdrukking ‘dat staat goed op je cv’ aan een mooi porseleinen schoteltje denken, met water erop, zodat de luchtvochtigheid oké is. Cynisch zijn mijn verwachtingen hopelijk niet, wel realistisch. Omdat ik van dichtbij heb meegemaakt ‘hoe het wereldje werkt’ en uit een recent persbericht bij een dichtbundel snapte dat ‘meer informatie’ over dat genre te krijgen is bij een e-mailadres beginnend met ‘promotie.stage’? Zeker zijn er twee momenten geweest dat mijn verwachtingen torenhoog waren. Na mijn debuut heb ik ongeveer een jaar verwacht dat ‘volgende week’ er een ‘groot stuk’ in ‘de krant’ zou staan waarin haarfijn zou worden uitgeduid hoe vernieuwend mijn poëzie was. En een decennium geleden trok ik mede naar België, omdat zich er kiene mensen hadden verzameld die het ‘allemaal anders’ wilden gaan doen.
Mijn ongeloof geldt de superlatievenemissie die het boek monddood heeft gemaakt. Voor de bewijsvoering zij verwezen naar de laatste WK. Wesley Sneijder heette zo’n beetje ‘de beste van het toernooi’, maar behoudens enige gelukstreffers kreeg hij weinig voor elkaar (assistgewijs, zijn specialiteit, leek hij zich eerder aan het spel te onttrekken, om rivaal Van Persie niet in beeld te laten komen?). Wel kadert zulke gewelddadige performativiteit, die het etiket ‘beste’ waar maakt zodra het wordt opgeplakt, in een ideologische ontwikkeling. Acteerden er in de beginjaren van de pr four-minute men, die tijdspanne duurt nu een eeuwigheid. De soundbite wordt gerekend in seconden en aantal twittertekens.
Voor mijn branche van de literatuur word ik dus niet warm of koud van ‘de beste’. Bij al die vermeende hiërarchieën borrelt in mij de slappe lach op. Voor de groten der betreffende aarde lijkt de toekomst van het vak evenmin een prangend vraagstuk.
Mijn Duo Penotti bestaat er vervolgens uit dat ik er niet in slaag correct pathetisch te roepen ‘wat heb ik misdaan’, maar er domweg lol in heb voor het eerst van mijn schrijversleven te zijn opgenomen in zo’n bundel van de VSB Poëzieprijs, onder de titel De beste gedichten. Simultaan weet ik me een kruidenier, die het zus vindt dat in die bloemlezing A meer heeft dan hij en zo dat B minder.
Niet dat het verschiet vanaf nu is gedraaid richting wereldheerschappij, maar ik ducht het wel een beetje. Er is een passage van Chris Keulemans: ‘Ik beschouwde mezelf altijd als iemand die men niet onthoudt. Een naam die zilverachtig als een gezicht achter de bomen staat en dan weer verdwenen is. Ik stelde me zonder bijgedachte voor de vierde keer aan iemand voor. Na stampvolle dagen kon ik thuiskomen in de rustige wetenschap alweer vergeten te zijn.’ De receptie van mijn werk gaf een fijne prikkel. Druk van binnenuit zette een eigenschap als luiheid soms opzij – tussen zogeheten negatieve emoties blijkt het godswonder ‘instrumenteel woedend’ te bestaan. Bovenal ambieert mijn literatuur iets, nou ja, illegaals, een ingetogen maar gis knagen.
Gelukkig valt er te rationaliseren: mijn werk zal zijn uitgekozen omdat ik voor mijn dagelijks brood teruggekeerd ben naar de poëzie-instituties. Alleen weet ik niet of de samenstelster van de bloemlezing dat weet. Ook lijkt ze me geen type voor zulke dienstverlening. Veeleer snap ik dat in haar selectie ‘grote namen’ ontbreken. Dat gaf alsnog een motief. Mijn gedichten mogen meedoen met de kneusjes of, zoals dat in Hotel New Flandres heet, humus zijn voor bloeiende flora! Eerlijk gezegd lijkt die weg naar een staat van ontbinding mij wel wat. Dan kan ik meteen voortpiekeren over het discours rond de nominaties, die als cerebraal of zelfs gevoelloos golden, hetgeen verklaard werd uit het feit dat de meerderheid van de juryleden academisch is opgeleid. Geert Wilders had zoiets eens moeten zeggen!
Overigens zouden andere juryleden andere bundels genomineerd hebben, was daar minstens zoveel kritiek op losgekomen en had een andere bloemlezing evenmin recht kunnen doen aan de kwantiteit. (Slave to the rhythm.) Toch goed dat er muziek is.

woensdag 16 februari 2011

Overal waar de meisjes zijn

Kapitein Winokio behoor ik beter te vinden, maar beluistering van enige van diens educatief verantwoorde cd’s gaf de nasmaak dat de meeste artiesten – Fay Lovski, Eva De Roovere en Henny Vrienten niet te na gesproken – zichzelf erg tof vinden als ze iets mogen doen voor kinderen. Bovenal ís er voor de ware ervaringsdeskundige maar één groep: K3. 
Dit leerde andermaal een sessie ter gelegenheid van Valentijnsdag, waartoe we voor de juf een lijstje invulden met dingen waarvan ze houdt. Uiteraard kan onze ervaringsdeskundige nog niet lezen en schrijven, maar de K herkent ze moeiteloos. Op verpakkingen wijst ze hem sneller aan dan de S waarop ik haar een beetje heb getraind. 
Wel gebruikte ze als groepsnaam lang de titel van een liedje dat hier in huis, bracht Valentijn me ook te binnen, minstens een jaar minstens driemaal per dag heeft geklonken: ‘Mamasé’. Ons dametje lijkt er gelukkig mee, zingt en danst net als iedereen in haar klas. De overige tijd trekken, omgeven door goede bedoelingen, de witte kindjes naar elkaar toe en de zwarte ook – het besef amper allochtonen in de kennissenkring te hebben. 
‘Mamasé’ verenigt. Behoor ik het als een product van de kindernicheindustrie Studio 100 te verwerpen (‘geef Norah Jones onmiddellijk terug en voor de rest van de week is het Ornette Coleman’)? Nog immer bewonder ik dit liedje, vooral om de catchphrase ‘Mamasé! Mamasá! Mama saka mumba’. Het lijkt wel de instapversie van de these-antithese-synthese-gedachte. In België is ‘mama’ een volwaardig zelfstandig naamwoord, net als ‘de papa’. Wanneer ik me in een verstrooide bui Hollands voorstel als ‘de vader van’, vult de ruimte zich met dwaze almachtsfantasie. 
Mama is zo eigen dat het nooit dada lijkt. 
De lopende tekst gaat over een voorstel aan meisjes om te gaan dansen en springen in ‘een muziekregenboog / Die de wereld doet zingen’. Zo zou in gemeenschap ‘een keileuke zomer’ ontstaan, waarop de dames verliefd kunnen zijn. Het refrein is dan zo: 

Mamasé! Mamasá! Mama saka mumba 
Mamasé! Mamasá! Mama saka mumba 
Doe je mee allemaal 
In een keileuk verhaal 
Mamasé! Mamasá! Mama saka mu saka mu ma 

De zangeressen van dit gezelschap, elk met een eigen haarkleur, hebben al een zekere leeftijd bereikt, hebben zelf kinderen als ik het goed begreep. Toch weten ze, de camera een beetje uit close-up, een ‘jeugdige uitstraling’ te behouden. Soms blijken de omstandigheden echter te vragen om vers bloed. Indien ik beweer dat het liedje daar ook over gaat, suggereer ik een metalaag die voor de ervaringsdeskundige misschien niet bestaat. Maar ik heb me in deze materie moeten inwerken.
Eerst drong tot me door dat er met ‘Wie doet er mee / Is zo oya lélé’ werd verwezen naar een oud nummer, waarvan me de klankmantra net ietsje minder lijkt. Toen achterhaalde ik dat de hit ‘Mamasé’ de bekronende hit was van de televisieactie K2 zoekt K3, waar de Nederlandse Josje als de nieuwe blonde van het triumviraat uit de bus kwam. Dat gaf een extra draai aan ‘Duizenden mensen, sturen hun wensen / Van wie hou jij ’t allermeest’.
Op het spoor van zulke autoreferentialiteit en misschien te zeer geprogrammeerd door de quiz Wie van de drie hoor ik in ‘Mamasé’ ook Mama C, die als het ware naast Mama A en Mama B moest aangeworven. 
Het refrein kent een variant: 

Mamasé! Mamasá! Mama saka mumba 
Mamasé! Mamasá! Mama saka mumba 
Zing je mee allemaal
In een keigekke taal 
Mamasé! Mamasá! Mama saka mumba 

‘Keigekke taal’, fascinerend is dat toch. Onze ervaringsdeskundige verbond de tekst altijd met de melodie, paste nog geen fragment in het dagelijks spreken in – dat deed ik wel, exclusief in haar nabijheid, om een hopelijk wederzijdse liefde te bekrachtigen. Bestaat keigekke taal? Ik denk aan een scène uit Modern Times (1936), waarin Charlie Chaplin na twaalf ambachten en dertien ongelukken komt te werken als ober-chanteur in een restaurant. Hij dient een lied te zingen, en omdat hij de tekst niet kan onthouden en niet wil worden aangevlogen door wat de ultieme nachtmerrie zal wezen, schrijft zijn vriendin de tekst op zijn manchetten. Natuurlijk schieten die dingen bijna meteen van zijn polsen.
Begeleid door een aandringend orkest en voor een morrend publiek zit de zanger zonder tekst. Dan begint hij op de melodie naar Italiaans zwemende onzin zoals ‘Le jonta tu la zita’ uit te kramen. Is dat het nu? Ik bedoel niet zozeer keigekke taal als wel non-significatieve poëzie? Hoe ook, het succes blijkt onbedaarlijk. Heel eventjes dan, want rechtvaardigheid kent evengoed haar grenzen. Waarschijnlijk is het flauwekul, maar ligt het beginpunt van dit soort taal in de paradijsscène met slang? De woorden en dingen zijn al uiteengevallen, en dan doemt de intentieopgave. De slang zegt A (lekkere appel) en wil B (ambitie inplanten). Vervolgens zijn het religies geweest die enkelvoudige betekenissen aangebracht hebben, door hun fans oplossingen te bieden langs deductieve weg. 
Ook expliciet ideologische systemen konden dat. Zo ontspringen er narratieve patronen. In de roman Het Commissariaat voor Verlichting van Ken Kalfus wordt, ietwat voorspelbaar maar amusant, het communisme behandeld tegen een decor van nieuws- en overtuigingswaarde. Een filmkundige snapt al snel dat het onmogelijk is feiten tot een verhaal te smeden, als je geen betekenis aanbrengt. 
Onder een andere naam komt hij vervolgens als agitpropper te werken onder Stalin, die hem waardeert omdat hij de cinematografie beschouwt vanuit haar politieke bruikbaarheid. Feiten kunnen tot een nuttige samenhang worden geordend, doceert de dictator droog: ‘Beeldfeiten. Woordfeiten. Halve feiten. Toekomstige feiten. Non-feiten. Uit de lucht geplukte feiten. Feiten in wording. Feiten die puur toevallig tot stand komen. Feiten die geen feiten zijn, die in feite leugens zijn, tot ze dienstbaar worden gemaakt aan de revolutie’. 
Als de agitpropper echter moet omgaan met een experimenteel theatermaker treedt er paniek in en verwarring: ‘Je hebt de controle over het verhaal prijsgegeven! Dit is het tegendeel van een verhaal. Wat jullie hier zeggen kan álles betekenen.’ Geknipt voor Studio 100 of toch voor Kapitein Winokio?

zondag 6 februari 2011

Dienstijver

Van Walter Benjamin citeer ik met plezier dit, hoe bekend ook: ‘Citaten in mijn werk zijn als struikrovers langs de weg, die gewapend te voorschijn springen en de leegloper zijn overtuiging afnemen.’ Toch kan het snugger wezen kapingen eventjes te dimmen. Een blog dat mij fascineert heet De Amsterdamse Lezing en is opgezet door de vakgroep moderne letterkunde van de universiteit aldaar. Ooit moet in de rondvraag van een uitgelopen ochtendvergadering iemand, palaverend over ‘de vaart der volkeren’ en ‘studentenparticipatie’ en ‘eigen identiteit’, het idee ertoe hebben gelanceerd en van iedereen, bekropen door lunchvisioenen, het antwoord gekregen DOEN WE. De druk op het onderwijs is exponentieel toegenomen, terwijl het personeelsbestand krimpt en gatendichtende aanstellingen naar neoliberale traditie tijdelijk en wettelijk onbeschermd zijn. Chronische vermoeidheid schijnt de habitat. Zo doemen er op genoemd blog postings op die heel erg willen enthousiasmeren zonder daar tijd voor te hebben. Dit is des te treuriger omdat de auteurs zonder uitzondering knappe koppen zijn en hetgeen ze aan de orde willen stellen bijna altijd belangwekkend is. Maar ze leveren tekstjes die interessant hadden kunnen zijn. Vermoedelijk tracht men daarom een extraatje te bieden met elders te vinden overzichten van culturele happenings in de stad. Alles bij elkaar heerst een lauwheid zonder weerga, die mij bezighoudt. Misschien wel het mooiste woord dat ik ken is ‘dienstijver’. Natuurlijk speelt mee dat ik zelf Nederlands gestudeerd heb. Ik besef dat ik door dit openlijk te zeggen een x-rated homevideo verbreid met zwaar gymnastisch geschut. Gestudeerd heb ik namelijk amper, na de middelbare school wist ik gewoon niet wat voor een vak te kiezen en ben toen voortgegaan met wat ik graag deed: boeken lezen. De elementaire vraag was ook duizelingwekkend: waarom staat iets er zoals het er staat? Zonder ‘de diplomademocratie’ geweld aan te willen doen of ‘academici’ mee te demoniseren, had de dekmantel ‘Nederlandse taal- en letterkunde’ bovendien het voordeel dat ik mijn luiheid kon handhaven door op te letten in de les en de avond tevoren de aantekeningen na te kijken. En zo werd ik in een paar jaar, met eeuwige dank aan mijn vader die het zaakje bekostigde, doctorandus. Wel ging ik later serieus vakliteratuur lezen, in vertaling, toen mij verzekerd werd dat mijn boeken en ideeën aansloten bij het poststructuralisme, zoals dat met name uit Frankrijk kwam en waarover ik als rechtgeaarde Hollander wel een mening had (onzin). Ik poogde zelfs een proefschrift te maken, maar dat was, om met prinses Máxima te spreken, een beetje dom van mij. Gelukkig had het fiasco zin omdat door uitwisseling was gebleken dat in België – mede door een fantastisch maar eng onderwijsstelsel – een aantrekkelijk intellectueel klimaat heerste. Vermoedelijk ligt het aan de afstand in tijd, dat het vak neerlandistiek me vreemd geworden is. Nochtans tuk op dynamiek wordt door de vaste boodschap ‘de andere kant op’ of ‘terug’ het genot dat ik kan ontlenen aan fabuleuze analyses van teksten geblust door verbazing. Natuurlijk is geen wetenschap belangenvrij, maar door bij de duinkonijnen af naar een academisch cachet te zoeken oogt het vak als een protestants geloofsgeheel. Het is uiteengevallen in facties, en collega’s blijken concurrenten. Men is zeer vervuld om in metabeschouwingen andermans ‘vooronderstellingen’ aan te wijzen en meer van zulke beperkte poëticale stadsgezichten. Zou dat neerslaan op het dagelijks omgangs- en vermijdniveau? De laatste jaren hebben briljante jonge geesten er de brui aan gegeven, zodat het gevoel de overhand neemt dat de toekomst is aan hen die het meest plooibaar zijn. Of hoe zeg je dat, bamboeachtig. Op de dag dat ons bijna 4-jarig genie zowel het woord ‘keileuk’ als ‘afbeelding’ uitsprak, wist De Amsterdamse Lezing te melden dat er een nieuw peer reviewed tijdschrift is, in print en digitaal. Een blik op de lijst met redacteuren en redactieraadsleden leerde dat de richtingenstrijd nog gaande is: het geheel lijkt meer op een netwerk. Omdat heel wat grote neerlandici ontbreken, zal het zo wezen dat die in andere netwerken broedende zijn. Waar die peer review dient om werkgevers en overheden tevreden te stellen, volgens wie wetenschap anders niet serieus genomen kan worden, heeft het andere kenmerk van het blad, dat het in het Engels is, eveneens een politiek motief: internationalisering. Punt is alleen dat ook de basisteksten principieel vertaald zijn. Dat over dit ontegenzeglijke verlies met geen woord wordt gerept heeft iets koddigs en triests. Ik heb nu geleerd dat Droogstoppel in dit veld Drystubble heet, en dat een niet geheel onbetwiste, maar relatief zuivere en met gemeenschapsgeld gemaakte officiële editie van Max Havelaar voor deze academisering kan worden verzwegen ten faveure van een vroegere Engelse vertaling. Nederlands in de voetnoten: voor mij is dit veeleer provincialisering. Ik vrees dat wat hier tot nu toe is beweerd meesmuilend of vilein overkomt. Verrukt dat in Tunesië en in Egypte tegen schijnbaar onwrikbare structuren ‘het volk’ zijn wensen poogt te realiseren, lijkt me echter dat culminaties als dit Journal bestaan bij gratie van schaapachtig gedrag, desnoods met verwijzing naar een stripverhaal (‘Heel Gallië?'). Het zou me niet verbazen dat men elk voor zich het ideologische kader verwerpt. Nu zou ik het eerste nummer moeten bespreken, maar slechts van één onderwerp wist ik iets. Het trok me ook omdat het verzorgd werd door iemand die als eerste Multatuli vanuit het poststructuralisme zou hebben benaderd. Ditmaal ging het exclusief over Max Havelaar; zowel de abstract als, tweemaal, de conclusie meldde dat er nieuwe inzichten werden vertolkt. Geïmponeerd door de hoeveelheid secundaire literatuur én in mijn verlangen naar analyse, heb ik het artikel waarschijnlijk niet goed gelezen. Walter Benjamin poneerde ook: ‘Commentaar en vertaling verhouden zich tot de tekst als stijl en mimesis tot de natuur: hetzelfde fenomeen op verschillende wijze beschouwd. Aan de boom van de heilige tekst zijn beide slechts de eeuwig ruisende bladeren, aan de boom van de profane tekst de bijtijds vallende vruchten.’

vrijdag 28 januari 2011

Geruchten


Louis van Gaal en Leo Beenhakker, zegt een stielman, zijn onimiteerbaar (‘niet te schminken’). Zijn zij originals? In het geweld van de vrije markt hoeven ze ontslag dan nooit te duchten, omdat er altijd nog te verdienen valt in de reclamebranche, bijvoorbeeld in een enscenering van idylles waarin tijd geen geld is. Wellicht dat de stielmannen ondertussen hun vak vaarwel zeggen. Maar ja, welke pijp en wie is Maarten eigenlijk.
Moet de schoorsteen van de wandtegeltekstindustrie ook roken?
Obstinaat is de mare dat medelijden de belangrijkste brandstof is voor het liefdesleven. Ik meen dat nogal eens terug te horen bij Vlaamse dames die hun kind troosten: ‘Mazouteke’. Voorts schijnen zowel slechte als goede bakkers in Arnhem krooszands en krantenbollen verkopen.
Bart De Wever stelt voor de impasse te doorbreken te Bokrijk. Daar hebben ook zijn collega’s asiel aangevraagd, wat het volk via Facebook dankbaar heeft verleend. Wel is de bindende voorwaarde afgedwongen dat voor allen hetzelfde grafschrift komt: ‘Ik bedoelde het goed, maar de wereld begreep het niet (mais non)’. Het restantje België zal door de BRIC-landen met een iBrace worden bestuurd en Brussel krijgt een Amerikaanse, een Russische, een Franse en een Engelse sector; de koning gaat Franse conversatie geven aan Hollanders.
Naar nu blijkt heeft de bestelwagen met installatiespullen voor digicorders en live-televisie-kijken-op-je-slimme-telefoon moeten stoppen voor duiven die kruimels van de straat pikten.
Lee Harvey Oswald kan Kennedy niet hebben vermoord, want hij had koude kip gegeten en daar krijg je vette vingers van, hinderlijk bij het mikken van de zoveelste verdieping op een poppetje in een rijdende auto.
Hebben mensen die overal boven staan voor alles de beschikking over bovenmodale materiële middelen? ‘De machtige zwijgt, de onmachtige praat,’ zei Vogelaar in 1969.
Dr. Zamenhof zou niet in zijn onderneming zijn geslaagd omdat er al muziek was.
Funkbeest Bootsy Collins vertelde eens over zijn eerste ontmoeting met George Clinton. Deze zat immuun te wezen in lotuszit op een kamertje. ‘Er was niemand aanwezig in zijn hoofd, begrijp je. Bij mij trouwens ook niet, geloof ik. Ik voelde me direct bij hem thuis.’ Ik moest lachen om dit relaas, maar niet zo hard als Bootsy zelf. En kan het ontbreken van contact een band scheppen?
Heb ik wat gemist of bestaat er werkelijk alleen nog maar een linkse elite, en geen rechtse meer? Toch hoeft niemand zich te schamen een liberaal te zijn, dat komt in de beste families voor.
Een column repte van een ‘beroemde dialoog’ tussen Winston Churchill en een zekere Lady Astor: ‘Winston, als ik je man was, zou ik je thee vergiftigen.’ ‘Mevrouw, als ik uw man was, zou ik hem leegdrinken.’ Omdat ik de geslachtsthese in de eerste zin niet begreep, begon ik het internet af te zoeken. Om na drie seconden te vinden: ‘If I were married to you, I’d put poison in your coffee.’ ‘If I were married to you, I’d drink it.’ Is het web dus onbetrouwbaar of drinkt de columnist cocktails?
Alles gaat goed komen! Net toen ik van de literaire kritiek niets meer verwachtte, werd ik opgeschrikt door een zinnetje in een interview met een auteur op leeftijd die nog zeer kras bleek: ‘Hij stopt zijn pijp als nooit tevoren’.

vrijdag 21 januari 2011

Anders


Lucide gaf Jeroen Mettes ooit duiding aan het fenomeen van ‘de melancholie van de mode: het allernieuwste verschijnt in het licht van zijn toekomstige achterhaaldheid’. Dat verklaart gelijk de sommen geld voor reclame: het prille moet wel inslaan als een bom, voordat de consument in zijn vertrouwde shellshock steken blijft. Ik zie dat ook aan iets volstrekt onschuldigs als, zeg, koffie: de pr voor allerlei blitse machines, met pads of cups, heeft vruchten afgeworpen, maar een nagekomen bericht over hippe producten voor 2011 wist dan toch dat filterkoffie zijn comeback gaat maken: ‘We druppelen onze zelfgemaakte koffie door de papieren filter met een ouderwetse percolator’.
Op de kwalificatie ‘ouderwets’ kom ik nog terug, geinig is dat de dienstdoende trendwatcher niet lijkt te weten wat een percolator behelst – Mettes zou hier wellicht extra melancholie in aangetroffen hebben. Zijn observatie wordt trouwens onderstreept door Beroemde Doden. Denkend aan Bobby Farrell, bijvoorbeeld, zie ik pirouettes door mijn brein schoepen. De eerste keer dat mij dat in herinnering werd gebracht was toen ik een iets oudere vriend zag dansen, die evident door Boney M. was gegaan. Daardoor besefte ik meteen een paar jaar later in dat vak te zijn gekneed door Saturday Night Fever (door beelden van de hits uit die grootse film die destijds ordinair was, mede omdat de Bee Gees ‘commercieel’ geworden waren).
Modes komen en gaan, heet het. Vermoedelijk beweegt men vooral zijn dada’s, aangeleerd of onbewust gekopieerd. En omdat men eerder zal dansen dan creatief met technologie omgaan, kan ik vervolgens nog een voor mij bepalend beeldverhaal opdissen: The Singing Detective. Daar waren de jongste gadgets een walkman en een tekstverwerker, met een zwart scherm dat geelwitte letters weergaf, te bewaren op vijf-en-een-kwart inch floppies.
Pure prehistorie! Maar met de cruciale technologische vernieuwing, de computer, ben ik niet opgegroeid. Mij dunkt dat dit ervaringsfeit de perceptie stuurt. De televisie is mij wel van jongs af vertrouwd geweest, en Neil Postman, geboren in 1931, allerminst. Hij is ook bijna een generatie ouder dan de babyboomers, die dit medium zo aan het eind van hun puberteit gemeengoed zagen worden en wier kwantitatief prominente cultuurkritiek überhaupt weinig met ‘de treurbuis’ aan kon. Postmans legendarische Amusing Ourselves to Death. Public Discourse in the Age of Show Business, dichtkittend vertaald als Wij amuseren ons kapot. De geestdodende kant van de beeldbuis, loog er zo mogelijk nog minder om.
Postman ageert niet zozeer tegen televisiepulp, als wel tegen wat het medium zelf van waarde vindt. Bovenal acht hij de televisiecultuur geen mode, maar een ideologisch verschijnsel, een levenswijze. Hij benadrukt dat het nooit onderwerp was van discussie, laat staan dat erover gestemd is. De (westerse) wereldbevolking heeft domweg om te gaan met de structurele gevolgen. Zo’n contrast tussen de enorme invloed van een technologie en haar ‘verzwegen’ ideologische premissen detecteert ongeveer tezelfdertijd, maar wat introverter, Ulrich Beck voor het milieubeleid, kernenergie, et cet.
Zulk pessimisme, dat in modetermen ook ‘retro’ is omdat het bij alle veroordelingen van het heden simultaan vaak een historische periode idealiseert, verwekt zelden populariteit. Tenzij commercieel, bij een plotseling massale groep lezers die de auteur niet in eerste instantie wil bereiken. De beoogden proeven in het openbaar hooguit enige ridiculiteit, die een auteur, indien hij zijn nostalgie koppelt aan realisme, incalculeert. Da’s deprimerend, temeer daar er altijd een meer of minder expliciete oproep tot actie in de kritiek is vervat. Achteraf valt wel te zien in hoeverre deze voorliep op of deelde in een tijdgeest.
Het frappeert hoezeer Postmans afkeer, inclusief retoriek en dichotomie, raakt aan wat nu over het internet wordt gezegd. Maar wellicht denk ik dat mede vanwege mijn ambivalente omgang met ‘de computer’. Het ding is mij, inderdaad, zeer genegen als hulpmiddel bij het schrijven, meer dan als internetleverancier. Zo’n basis bevordert de wonderlijkste mentale stramheden. Amper ontsnapt bijvoorbeeld het naar eigen overtuiging hypercunning bedachte password aan het allerergste simplisme. Zelf vind ik het wel troostvol beperkt te zijn als elk ander. Het maakt de zo veelvuldig geworden toeschrijvingen van actualiteit radicaal relatief. Met speciale gevolgen voor de categorie En dan nog dit. Zo hoeft magische gebedsgenezing niet echt meer va banque de eigen doelmond te bewaken voor een brilstand tegen haar lifestylevariant.
Normaliter wordt deze gedragslijn verbonden met ‘openstaan voor’, maar mij lijkt ‘rekening houden met’ adequater. Zoals Bill Clinton, toen hij zei dat Sarah Palin als presidentskandidaat serieus genomen mag omdat we een politiek tijdperk betreden waarin regeringservaring een minpunt kan zijn. Dat is inderdaad niet onmogelijk, maar iets om niet graag te accepteren, al was het omdat men dan een vanzelfsprekendheid plots als mode moet erkennen. Het ambacht wordt ontdaan van zijn bestaansvoorwaarde, zelfs geen kwestie van economie maar van strategie.
Ik ervaar mezelf dan niet eens als een niche maar gewoon als een product dat shuffles met de tijdelijkheid serveert die niet te verklaren zijn vanuit de ballast van een referentiekader. Waar zijn we nou gebleven? Terloops zegt Postman dat grotschilderingen à la Altamira met jachttaferelen helemaal niet de praktijk lieten zien, maar een diepe wens tot uitdrukking brachten.
De laatste stap op dit gedachtepad dat zich verwijdert van de mimesis, doet mij suizelen. Wat te doen met de alledaagse omgang? Niet alles is verifieerbaar en gaat evenmin per definitie om uiterlijkheden met performatieve status? Wij denken met onze Verlichtingsachtergrond en -kritiek een zeker cultureel begrip opgebouwd te hebben, in de wetenschap van de dunheid van dat ‘laagje vernis’. Juist die overbewustheid demonstreert de afstand tot het barbaarse, een winst van de evolutie. Toch? ‘Aardigheid en vriendelijkheid zijn niet alleen aangeboren eigenschappen, zij moeten ook worden ontwikkeld en dat gebeurt alleen als zij in de mode zijn’, wist Nadjezjda Mandelstam.

vrijdag 14 januari 2011

Spelletje


Mocht Herman Melville gelijk hebben dat het verstandelijke tot het zuiver onstoffelijke slechts in een soort lichamelijke verhouding staat, dan kan ik reacties op De allerslimste mens ter wereld beter plaatsen: ik krijg er jeuk van. Dat zal, voor zover mijn praktijkje het etiket ‘dichter’ toelaat, niet uit de fameuze verwondering zijn, maar domweg uit verbijstering.
Wat begon met paginalange interviews en voorschouwingen op deze quiz, die door de week het Vlaamse televisienet opluistert, is neergeslagen in dagelijkse reportages en tussenstanden, inclusief citaten en fragmenten. Vaste prik. Toch lijkt het dit jaar een graadje erger. Er blijkt gelekt over nog uit te zenden rondes, waarvan de uitslagen via YouTube te vernemen zijn. Spionage, breaking news? En natuurlijk is er het Europese duurrecords brekende decor van de regeringsformatie, dat werkgelegenheid biedt aan commentaarbouwers (is mijn mening). Wie derhalve gist naar motieven van de journalistiek snapt dat enige deelnemers om oplossingen gevraagd werd op de opiniepagina.
Of was het toch een beetje raar dat zij zichzelf zo serieus namen dat ze op die heilige plaats een antwoord gaven? Misschien gingen ze mee in the flow, want omdat Bart De Wever ook aan De allerslimste mens meedeed kon de combinatie spel-politiek expliciet gemaakt worden: de reden en gepastheid van zijn deelname, van zijn uitschakeling… De duidingsindustrie reikte tot in Amerika. O tempora o donuts. Naar verluidt werd De Wever zelfs vergeleken met Nero die voor zijn ogen Rome met genoegen zag afbranden. Maar als ik me Asterix goed herinner, was dit een canard (en at Nero geen frieten).
Aardig en vermakelijk spelletje, daar niet van. De paar keer dat ik De allerslimste mens zag vond ik het programma althans professioneel en innemend gepresenteerd, met soms snedige kanttekeningen van de jury, en leuke en niet altijd te volgen wetenswaardigheden enz. Niets aan de hand dus, behalve dan dat er na een haatcampagne vorig jaar op een Facebook tegen een deelneemster, weer zo’n pagina blijkt opgericht vanwege een deelneemster wier ‘stomme en belachelijke lach’ het programma zou ‘verkloten’. Bij dat protest hebben zich meer dan 10.000 mensen aangesloten. De normaalste zaak van de wereld kennelijk, ook dat een vrouw het object is geloof ik, en ieder zijn eigen hobby’s en meningen, maar: waar gaat dit eigenlijk over?
Juist deze week lijkt dat een onmogelijke vraag. Verbluffend snel na de aanslag in Tucson begonnen de verklaringen en profielen van de schutter over elkaar heen te buitelen. De start eigenlijk van ook een erg populair spel: het uitvergroten, psychologiseren en generaliseren. Ik weet niet, wanneer ik met dergelijke zekerheden om de oren geslagen wordt – het lezen doet in melvilliaanse zin pijn – wordt alles te veel. Welk onderwerp ook, de wereld raakt muurvast.
Plus: ik weet me een leek. Hetgeen mij in de aanslag als onderneming het meest ontzet, is de proclamatie vooraf op het internet. Deze publieke biecht die bovendien vaak neerkomt op een vrijpleiten van zichzelf en een inbeschuldigingstelling van het universum, blijkt geen noviteit bij zulke moorden. Zodat mijn aandacht verschuift: wat is dit voor een medium (vraag ik op dat medium)? En dan los van toegangsperikelen en observaties dat het web vooralsnog heel anders is geworden dan bedoeld, wat middeleeuwser ook.
In hun pamflet Aanslag op de vrijheid schetsen Trojanow & Zeh een naargeestig, bedreigend beeld van internet. Het betreft dan het medium als controlemiddel, maar om te laten zien van wat stippen de auteurs enige breed toegepaste gewoontes aan: het plaatsen van privé-films en -foto’s op sociale netwerken, ontboezemingen op fora… Dit wijd verbreide type gebruiker, stellen Trojanow & Zeh, vindt zichzelf bijzonder interessant en wil de wereld niets daarvan onthouden. Zij noemen hem een ‘onderdaan’.
Dit zal een verwijzing wezen naar Heinrich Manns roman uit 1914, waar één eigenschap, die surfers bekend voor zal komen, boven alles uittorent: schier permanente woede. Natuurlijk is er meer, maar dan moet ik eerst even het schuim van mijn lippen vegen. In een toespraak voor de rechtbank geeft de advocaat van de tegenpartij een adequate en, vrees ik, actuele beschrijving van de bedoelde onderdaan, dr. Diederich Hessling: afhankelijk van zijn omgeving en mogelijkheden, dus ofwel moedeloos of zelfbewust, praalziek en belust op effect, vijandscheppend, hoewel zacht en vreedzaam van nature hard en onderdrukkend, schreeuwerig, insolide, verlangend naar offers buiten zichzelf.
Blijf de spiegel buiten handbereik houden en noem nu nog vijf kenmerken.
Bij De allerslimste mens heb ik De Wever eenmaal bezig gezien. Het schoot hem even niet te binnen wie in Paul van Ostaijens gedicht ’s morgens de dingen groet. Uiteindelijk kwam hij op de proppen met ‘Jan’. Zelf zag ik na een stief weekje piekeren het licht: De Wever is een Hollander! Hij hing bij een (zeldzaam) gebrek aan parate kennis namelijk niet tegen de juiste naam aan door assonantie, maar putte uit een collectief geheugen. En dat serveerde ‘Jantje zag eens pruimen hangen’, van Hieronymus van Alphen. Door de spelwijze van het juiste antwoord vertolkte de redactie van het spelletjesprogramma overigens een even ideologisch standpunt: ‘Mark’.

vrijdag 7 januari 2011

Alles

‘Op ’t plein, over taxi’s, / waar niemand meer op wacht’, hoorde ik door de coupé. De relatief lange intro, in stuntelige plechtstatigheid, was me ook bekend voorgekomen. Op het moment dat het refrein inzette wist ik het: 

Triest bier, triest bier, triest bier 
Alles in triest bier 
Triest bier, triest bier, alles 

Mijn favoriete nummer van The Boots! Niet dat ik het repertoire van achteren naar voren ken, misschien juist omdat ik er meteen aan was blijven haken. Vooral dat ‘alles’ pakte mij in. En nu weer! Ik speurde de coupé rond naar wie behalve reisgenoot lotgenoot was. De kandidaten waren legio. Door de intercom had de conducteur verzocht ‘de bagage op de daartoe bestemde plekken te stallen’ en zelfs de talentrijkste acteurs in het humanitate qua nimmer versagende onderdeel breeduit slapen hadden iemand naast zich op de bank moeten dulden. De vorige trein bleek namelijk ‘gesupprimeerd’: niet door afkoppeling van enige wagons verlost, zoals ik (gedrogeerd door mijn woonland?) dacht, maar uit de dienstregeling geschrapt. 
Toen viel me op dat bijna iedereen oorschelpknopjes droeg – of zouden die van een bijzonder type alibiachtig gsm wezen, waarbij de mp3-functie de verleider was? Van de kunsten slaagt, en ik vrees in die ervaring niet alleen te staan, slechts muziek overvallen te plegen als die ik nu beleefde. Jaren die waren verstreken nadat ik Triest bier voor het laatst had gehoord, deden me uiteraard beseffen niet zeer onlangs uit het ei gekropen te zijn, maar zonder sentimenteel moralisme. Wel snapte ik aan het eind van mijn epifanie dat ik, denkelijk met een elleboog tegen mijn jaszak, van mijn iPod de altijd parate shufflefunctie, instigator van narcisme en uiteenvloeiing, had geactiveerd.
Vanzelfsprekend is bier vragen om problemen. Het dunkt me vruchtbaarder om het bij koffie te houden. Sterker, daar vallen pientere en onnozele argumenten voor te bedenken, verzameld in om eens wat te noemen een boek, bijvoorbeeld eentje waaraan stomtoevallig ikzelf alweer iets meer dan een lustrumpje aan het schrijven ben. Het staat wel voor bij benadering 99,99% vast dat het dit jaar afkomt. 
Ik krijg bovendien de indruk een materie aan te boren die in velerlei gedaantes hele stukken van de wereldbevolking in de Lage Landen bespeelt. Het gaat hier om niet minder dan De Trends Voor 2011. Eerst begreep ik dat een alomtegenwoordige televisiepersoonlijkheid ‘uit’ raakt door zijn stem: ‘zo praat je ook niet als je thuis koffie zet’. Vervolgens werd openbaar dat Facebook, het enige poolijs dat aangroeit, het ultieme fanpagepodium zou zijn van een ‘koffieshop’. De wereld op zijn kop! Of zoals Shakespeare in een van zijn astrale composities doorgaf: een hippe vogel of een gehypete vogel, that’s the question. 
Een koffieshop is naar mijn bescheiden mening toch iets anders, unieker onder het huidige gesternte, dan het globale imitatiekoffiehuis dat bedoeld werd. En dat soms, voor de vierde keer in veertig jaar, moet poetsen aan zijn logo, ‘a mirror image of the strategy’. Het bedrijf stamt uit de Verenigde Staten, waar koffie een vloeistof heet te zijn waar een boon overheen gevlogen is, en dat bovenal een land is waarvan andere kakelverse voorspellingen weten dat zijn invloed zal tanen zonder op langere termijn helemaal weg te ebben. De voormalige aartsvijand Rusland kan zich door de klimaatveranderingen dan weer opwerken als voedselproducent vanuit nota bene Siberië niet te verwarren met de gelijknamige, democratischer uitspanning voor warme dranken en wat erbij).
Daarnaast wordt bijvoorbeeld een revolutie verwacht in advertenties en persoonsgebonden marketing. Bij het consumeren van curiosa als boeken legt dat hopelijk gewicht in de schaal. Zegt het voort! Of fluister het door, analoog aan het spelletje waarin ‘Wladiwostok’ na enige niet door mp3-spelers gevulde oren te passeren moeiteloos verandert in ‘knakworstmosterd’. Bij wijze van reclame zou ik een huisgemaakte vertaling uit het Engels willen presenteren, van een gedicht waarvan het origineel in het Deens mij niet onder ogen is gekomen: 

Samenzweringen 

De papegaai trapt. Dat kan men 
zeggen. De papegaai antwoordt zichzelf 
met een zware stem. Dat 
kan men zeggen. Op zijn manier
is de papegaai een genie. Maar niemand is
op zijn manier en hij al helemaal
niet. Maar hoe kan men hem dat meedelen. 

Mijn koffie houdt zich schuil 
in het kopje. Dat kan men zeggen. 
Maar voor wie? Duister spiraalt er wat stoom
als ik in de diepten zie, een soort draad
die zichzelf pal voor mijn ogen
wegtovert, het zuiverste niets 
dat eigenlijk water is. Maar 
hoe kan men dat meedelen. 

Plus dat vele bedenkelijke dromen 
alleen maar dwars door het donker rollen. 
Plus dat de sterren erin bloeien, 
daarboven. Plus dat alle gevolgen hiervan 
zichzelf geniaal beginnen te citeren 
wanneer je ze de rug hebt toegekeerd. 

Met de stilste taal, bijvoorbeeld 
deze, gebeuren zulke enormiteiten 
voortdurend. De papegaaien beginnen te krijsen. 
De koffie speelt stommetje. Te mijner ere herhaal ik 
zijn zwijgen, een levensstijl waarmee ik al bluffend
rondtrek. Op die manier zullen de bezweringen 
 elkaar niet herkennen, maar zich doorlopend 
verenigen. Ja. Dat kan men zeggen. 
Ze verenigen zich tot een machtige theorie.
Sorry dat ik het de hele tijd aantoon. 

vrijdag 31 december 2010

Jan

Vooruit, indien er toch teruggekeken moet, dan op een gestorvene met een bovenpersoonlijke reikwijdte: Jan E. Bouman. Omdat ik hem maar een paar keer terloops heb ontmoet (waarbij hij iets onvergetelijks zei), leek het raadzaam eerst op zijn naam te surfen. Virtueel heeft hij in elk geval rust gevonden: amper treffers op Google, geen Facebookhoofd. Zijn bijdrage aan de Noord-Nederlandse literatuur is ook amper te traceren. No big deal. De lijstjesmanie dezer dagen exposeert toch een anticanonistische canoncultuur. Bij Jan is er bovendien poëzie in het geding, een marge van een marginaal deel van de boekenmarkt. En daarbinnen betreft het lezen, geen schrijven. Mocht het vervolgens nog redelijk zijn te reppen van ‘faam’, dan verwierf Jan die met Hugin & Munin. Dit was de eerste, en waarschijnlijk meteen de laatste, private press die een VSB-nominatie in de wacht sleepte, met de oerversie van Van de verliezer & de lichtbron van Kees Ouwens. Jan is door deze in 2004 overleden auteur vereeuwigd met een opdracht in ‘voorbereidselen tot de reis naar de zeearmen’, de openingsreeks van Afdankingen waarmee Ouwens’ oeuvre een nieuwe fase inging. Volgens de catalogus van de KB bestaan er zeventien uitgaven van Hugin & Munin. In mijn trotse bezit is Zworte Schimmen van Omer K. de Laey, een minibundeltje waarvan de eerste linkerpagina werkelijk grandioos is. Of Jan het nu verzonnen heeft of niet, er staat daar een vignet dat volgens de toelichting oorspronkelijk ‘met de cornet’ door banketbakkers gespoten werd. Onder het vignet is er een rijmpje, ‘een voorbeeld van de zo genoemde koek-poëzie, die in de negentiende eeuw in garneerglazuur op kermiskoeken werd aangebracht’. Hoe schril het contrast met ander literair nieuws van 2010 dat mij, wellicht omdat ik er even zijdelings bij betrokken ben geweest, bijna net zo pijnlijk trof: dat Uitgeverij Meulenhoff-Manteau is opgekocht en met ingang van het nieuwe jaar De Bezige Bij Antwerpen heet. Een blik op de buitenzijde leert dat het hier het enige Vlaamse huis aangaat dat in korte tijd een serieuze positie op zowel de markt verworven had als in ‘de kritiek’. Natuurlijk, literatuur vormt slechts het upmarket segment van het totale aanbod en Vlaanderen is daarin een kolonie van Nederland. Ook besteedt een gemiddelde uitgeverij een aanzienlijk deel van de tijd en geld aan beeldvorming en massage, en toont deze nichewereld mentaal en praktisch vooral een reflex tot rangensluiterij. Toch verblufte de schamelheid van de reacties en de mondelinge debatcentra keken eveneens de andere kant op. Aldus riep het droeve nieuws vooral vragen op over het (zelf)kritisch gehalte van de pers in den lande. Maar er is wel even iets griezeligs gebeurd. Niet ver weg wisten soortgelijke kwesties, bij Organon en bij Vitesse, terecht openbaar zorgen te verwekken. Geen cultuurpessimisme! En al helemaal vandaag niet! Toen de ernst van Jans ziekte onloochenbaar werd, hebben collega’s en vrienden inderhaast gezocht naar ongepubliceerde poëzie van Ouwens, om hem die nog in een gepast drukwerk te kunnen aanbieden. Hopelijk heeft deze queeste vruchten afgeworpen. Achteraf kwam mij een ongebundeld, aangrijpend Ouwens-gedicht onder ogen; het valt eveneens direct te beluisteren. Het is een voordracht uit 2003 en kant zich tegen de oorlog in Irak. Ten overvloede demonstreert het welke beperkingen het dikwijls op Ouwens losgelaten begrip ‘hermetisch’ oplegt. Positief benaderd verheldert het gedicht de werkwijze en metaforiek van deze dichter. Maar wie zich echt in Ouwens’ oeuvre zou willen verdiepen staat En gene schitterde op de rede ter beschikking. Dit verzamelboek bevat naast essays over de dichter tevens een aantal van zijn brieven. Vier stuks zijn gericht aan Jan. Bij herlezing werd mij pas duidelijk dat de datering ‘twintigste eeuw’ ook mentaal te ruw is, er doemt een wereld en een waardesysteem uit op die weg lijken. Ze spreken mij erg aan, in het besef dat anderen er iets belachelijks in kunnen proeven. Ten overstaan van alle zintuigen van de lezer ontspringen volzinnen, vol traag herkauwende logica, solidair-hartelijke kritiek en gereserveerde openhartigheid (moge mijn indruk losstaan van sociologische stigmatisering door vanwege hun diverse clientèle fors betaalde studiebureaus, die regeringsbeleid moeten legitimeren). De brieven van Ouwens maken Jan ook zichtbaar. In hem heeft de dichter behalve een vriend een gedegen lezer gevonden die, zoals solidariteit in een ideale setting kan bewerkstelligen, poëtische proeven door commentaar verklaart aan de maker. Zo durft deze een dichtbundel op clausewitzeaanse wijze ‘een voortzetting van de roman met andere middelen’ te noemen. En dan gebeurt het: voorbij opinie-emissies die evengoed inherent zijn aan anticanonistisch canonisme geeft Jan aan Ouwens zoveel kritisch vertrouwen dat deze de wens van zijn openbare uitgeverij om zijn vroegere gedichten te verzamelen niet honoreert (zijn misschien wel allerfijnste poëzieboek Intieme handelingen acht hij een ‘braakmiddel’), maar nieuwe gedichten blijft toevoegen en gaat bundelen. Zo brengt Jan op het laatste rechte stuk het oeuvre van een van de waarlijk grote naoorlogse Noord-Nederlandse dichters die, zoals En gene schitterde op de rede laat zien, het project van Faverey moduleert. Thans de dagsluiting. Het ligt voor de hand om Hugin & Munin ten voorbeeld te stellen aan Meulenhoff-Manteau. Maar da’s in de omstandigheden irreëel en sowieso is het pedant. Een alternatief zou wezen dat naast sterauteurs eindelijk de resterende 95% bewust durft te raken, zonder in de klauwen van empowerment te vallen. Is dat iets voor de korte termijn? Korter dan dat De Bezige Bij wordt aangekocht door John de Mol of zo? Of door Gazprom: een kek vlammetje – zo eentje als Jan heeft gegeven om op te kunnen teren. En o ja, het banketbakkersvignet ging zo: ‘Mijn liefje hebt Gij in mij zin, / Zet er dan het mes maar in!’

vrijdag 24 december 2010

De lijstjes


Wallace Stevens wist: ‘These are not things transformed. / Yet we are shaken by them as if they were. / We reason about them with a later reason.’ Wie ben ik om daar wat aan toe te voegen? En waarom ook eigenlijk?
In deze tijd van het jaar maakt menigeen balansen op en bevoorrechten doen daar kond van in meer of minder prestigieus geachte organen, tevens zeggend waar het naar toe moet met het universum, in de nakende eeuwen. Aan die Chrome Plated Megaphone of Destiny zou ik, nu me een weblog ter beschikking staat, dat overigens, zoals wel meer quasi-gaapverwekkends in de virtualiteit, achterhaald is, mee kunnen doen. Bijvoorbeeld met het opstellen van lijsten waaruit zou moeten blijken wat er absoluut geen consumptie behoeft of, met een puberaal-strikte en dienovereenkomstig bijna even legitieme inversie, juist wel, maar waardoorheen ook kennerschap zou schemeren. Alleen waan ik me niet competent, laat staan belangrijk. Mij ontbreekt, ondanks een zwak voor de grote greep en een nog niet met de zwaarste penicilline der deconstructie te doden pastoraliteitsbacil, het gen voor waarlijk gewijde stemmingslyriek.
Hoewel ik niks moet hebben van twitterismen die weten ‘wat de mensen werkelijk denken’ en daarbij haast per definitie zo elitair zijn als de neten, prefereer ik de net iets tastbaarder wereld – zelfs indien dat leidt tot kitsch waar de goede bedoelingen van af druipen. Ze herbergen in hun openhartigheid immers ook een wens tot verandering:

It was Christmas time,
the balloons needed blowing,
and so in the evening
we sat together to blow
balloons and tell jokes -
the cool air off the hills
made me think of coffee,
so I said “Yes, coffee
would be nice,” and smiled
as his thin fingers pulled
the balloons from the plastic bags;
so I went for coffee
and it takes a few minutes
to make the coffee
though I did not know
if he wanted cows milk
or condensed milk,
and when I came out
to ask him, he was gone,
just like that, in the time
it took me to think,
cows milk or condensed;
the balloons sat lightly
in his still lap.

Wat bij deze koffie te serveren? In de toeschrijvingen van het meest memorabele, ongelooflijk urgent, wil ik één dingetje toch vermeld. Wel blijkt het na enig surfen allerminst te stammen uit 2010, maar in dat jaar des Heren heb ik het pas ontdekt. Hoe ook, na een lijn erover te hebben uitgezet in een boek, plus politieke mythes gevist vanuit één tekst, moet ik toegeven: heel soms kan de kunst van het weglaten verbluffen (en vreemd genoeg associeer ik het wonderlijke object minder met koffie dan met thee, want met griep).
Welnu, zowel op de Belgische als de Nederlandse markt zijn beschuiten met inkeping, zodat je ze niet langer, dieper in een rol gekomen, langs de kruimelaura huldigen moet dan wel voor ongeschondenheid de verpakking te ver open te ritsen zodat ze oudbakken raken – maar ze met de punt van de wijsvinger op je bord kunt wippen.
Soms tolt de wereld. Soms ook kantelt er een indruk. Maar uitvinders, octrooihouders, patentzoekers, verongelijkten, dierbaren, geinponems, leptosomen, ulanen, stuurmannen aan wal, asfaltisten, mucofagen, bruin- en zwartwerkers, douaneklerken, marechaussees, gelijkvloerders, evenwichtigen en schuinsmarcheerders, rayonrechters, tal van advocaten van publicitaire zwaargewichten, geelzuchtigen, diksappers, wonderdokters en yomandae, spatadellijken, kredietbeoordelaars, pepermunters, tramps and hobo’s, virtuozen op instrumenten naar keuze, schoolmeesters en restanten medegebruikers die ik onverhoopt vergeten ben: blijf niet op uw honger zitten. Kom eruit en deel sans gêne in deze faciliteit.

vrijdag 17 december 2010

Wawawawa wawawawa


Hugues C. Pernath dichtte: ‘Ik kende wat ik kende/ En meer geloofde ik niet.’ Met de jaren als migrant te België klinkt daar voor mij meer realiteit in door. Het is even verleidelijk te demonstreren geassimileerd te zijn als beschamend het omgekeerde te betuigen. Zelfs ultieme pogingen lijken nooit verder te raken dan een parodie, en parodieën zijn wellicht nog treuriger want hoorbaar: pogingen.
Hollanders die Vlaams praten, Vlamingen die Hollands praten – het blijven hybriden die niet om aan te horen zijn. Zijn ook compromissen vruchteloos? Een bewijs voor dat idee levert ons drieënhalfjarige taalkundig genie S.: tegen een voetbal trappen noemt haar moeder ‘shotten’ en ik ‘schoppen’ en zij ‘shoppen’.
Taal valt niet functioneel te verwerken. Alsof er een bijzonder insect op je tafeltje kruipt. Soms heb je er enige aandacht voor, soms blaas of wuif je haar verstrooid van het oppervlak, en sporadisch is er vermorzeling. Slechts in het eerste geval wordt er kennisgenomen en wat geduid. Vaak lukt dat laatste niet zo goed en deemstert het vreemde weg, de tweede optie in. Zo komen mij regelmatig schijnbaar nieuwe uitdrukkingen ter ore die ik snel vergeet – tot een onduidelijke aanleiding suggereert iets te hebben gemist.
Dit gebeurde mij met de kwalificatie ‘intellectueel oneerlijk’. Na een ongewis aantal keren begon ik te snappen dat ze in Vlaanderen gangbaar is. In Holland niet, vanwege de traditie dat ‘intellectueel’ er een pejoratief lijkt? Symptomatisch dunkt me de verbastering rond 1980 bij De Tegenpartij, wier barse, paskwillig bedoelde gedachtegoed nu tegen de realiteit schuurt en wier voorman Tedje van Es sprak over ‘interrectuelen’ – hun vruchten konden de plee in. De kwalificatie ‘intellectueel oneerlijk’ zal in Holland een pleonasme zijn.
Circuleert ze in België al lang? Pas laat schoot me te binnen dat dit, even los van essentiële technisch-ideologische scherpslijperij, betrekkelijk simpel te testen is via Google. Een tijd geleden ben ik begonnen het aantal hits te registreren van ‘intellectueel oneerlijk’:

15-04-2010: ongeveer 9.780
26-04-2010: ongeveer 9.120
22-05-2010: ongeveer 9.530
09-07-2010: ongeveer 6.620
16-08-2010: ongeveer 4.890
26-10-2010: ongeveer 5.380
04-12-2010: ongeveer 5.390
14-12-2010: ongeveer 6.150
15-12-2010: ongeveer 6.680
16-12-2010: ongeveer 6.810

Wat mogen deze smorzando’s en sforzando’s ons godverdegodver wijsmaken? Mij staat bij dat de affaire-Barnard het decor was van de begininzet. Later diagnosticeerde Bart De Wever als clarificateur een ‘gebrek aan intellectuele eerlijkheid’ bij zijn kandidaat-partners voor een nieuwe regering, maar de recente stijging hangt samen met zijn interview in Der Spiegel, waarin hij financiële overhevelingen naar Wallonië vergeleek met shots in een junk, wat de Waalse viceminister-president André Antoine het epitheton in de mond gaf.
Wat betekent de uitdrukking? Scherp krijg ik haar niet, hoewel ik de contouren aangeleverd weet door derden. Een lijvig antimetafysisch pamflet bracht me een motto van Sigmund Freud: ‘Met betrekking tot religie is de mens schuldig aan iedere denkbare vorm van oneerlijkheid en intellectueel wangedrag’. Daarnaast trof mij in Het schoonste land ter wereld van Renaat Braem: ‘Men moet niet a priori knielen als men rechtop kan staan.’
Thans in dit theater zgn. betekenisgevende dieren tegenover zgn. kuddedieren.
Momenteel denk ik dat ‘intellectueel oneerlijk’ slaat op bewust opgeven van autarkie, om ofwel comfortabele illusies te verwekken binnen zichzelf ofwel sociaal gewenst gedrag te onderstrepen voor anderen.
Openbaart zich zo een gamma aan strategieën tussen doodzwijgen en favoriseren, mij lijkt het boeiender de kwalificatie te toetsen aan een fenomeen waaraan iedereen (intellectueel = vrij toegankelijk) blootgesteld wordt: de hype. Hij of zij die boeken koopt omdat daar onevenredig veel aandacht voor is geschapen, loopt het risico ‘intellectueel oneerlijk’ te zijn. Zeker indien die boeken op de koffietafel blijven liggen. En wat als er wel gelezen wordt, maar dan om alle oordelen te toetsen? Maakt het uit of die toetsing voor zichzelf plaatsgrijpt of, in het kader van het sociaal wenselijke, tegenover derden? Waar vervloeit meepraten in napraten? En is degene die hypes metabeschouwt even ‘intellectueel oneerlijk’? En degene die de hype moedwillig negeert?
Vanuit deze blik kan wie instemt met de communis opinio uiteindelijk afgerekend worden op dezelfde gedragslijn als degene die hem verwerpt of zich ‘daar niet mee bezighoudt’. Dan zou het correcter zijn om steevast positie te kiezen. Dat impliceert echter een beweeglijkheid die evengoed een vlucht kan behelzen. Geinig is dat er altijd onderzoeken van verre universiteiten bijvoorbeeld weten wat links en rechts is, en hoe het veranderen van mening wijst op durf of draaikonterij. Zoals bestendige interesse in de ander onzelfzuchtig én zelfverloochenend kan wezen.
Bij ‘intellectueel oneerlijk’ weegt intentionaliteit door. En die state of being is, ook voor niet-postmodernisten, weinig eenvoudig om vast te stellen. Beter verifieerbaar is klakkeloosheid – waarmee opinies gereproduceerd, geruchten doorgetoeterd. Maar op basis waarvan oordelen we dag na dag? Onderzoek is onmisbaar maar hebben we er steeds tijd voor? Valt het voor te stellen dat iemand permanent intellectuele eerlijkheid ontplooit?
(Eén ding zal nooit veranderen. In zijn studie Imaazje heeft Niek Pas erop gewezen dat de hele ‘filosofie’ van Provo door Roel van Duijn voortkwam uit een zo coherent mogelijk gepresenteerd allegaartje van bronnen – op aanvraag, omdat de buitenwereld ervan gehoord had en wilde weten wat Provo was. Vanuit het perspectief van De Tegenpartij intrigeert me Pas’ these dat de vroegtijdige opheffing van Provo heeft verhinderd dat het gedachtegoed aan het ‘klootjesvolk’ en sektarische afsplitsingen ten prooi viel. Of zoals dat in België heet: werd gerecupereerd.)

woensdag 8 december 2010

Hiaatempirie


Lucebert wist het al: ‘eten is spuwen in het gezicht van de dood’. Doordat hij een Hollander was, wordt deze wijsheid misschien saillanter. Het protestants geweten maakt het in tijden van goedheilig en kerstmannen extra ingewikkeld het leven te vieren; het wordt koud en donker en nat, en heel wat mensen, soms vlakbij maar meestal veraf, kennen niet eens de luxe van een dak boven het hoofd. Cliché (dat die naam kreeg vanwege een aanzienlijk percentage waarheid)!
Voor het Sinterklaasmenu besloten wij tot een fusion uit de Lage Landen. Als het verhaal tenminste klopt dat er al vroeg in Pieterburen iemand was die, het geweten bij een even spreekwoordelijke handelsgeest voegend, seitan aan reformwinkels verkocht, konden we ons in een spreidstand dompelen voor seitanstoverij. Het was, geloof ik, vooral een aparte schotel die waarschijnlijk gezond was. Maar wat dat is wordt mij, nochtans het zeventiende-eeuwse idee van Tommaso Campanella huldigend dat je het beste cyclisch groente, vlees en vis eet ‘om de natuur niet te belasten’, per stadswandeling raadselachtiger.
Op weg naar het centrum van mijn woonplaats kom ik altijd langs een voedingswinkel, waar een heel aardige man achter de kassa staat. Sporadisch koop ik er wel eens wat, vooral, vrees ik, om op een hooghartige manier een bepaald soort middenstand te steunen. Maar één type artikelen, waar de man nota bene relatief veel van in voorraad heeft en dat ik heerlijk vind, schaf ik nooit bij hem aan. Heel mijn lichaam protesteert daar namelijk tegen, omdat het eerst voorbij een reclamebord moet: ‘Dag Verse Vis’.
Het zijn sowieso bevreemdende dagen. Aangekondigde megageldstromen naar een bijzaak die voor velen belangrijk is, schijnen nog meer aardbewoners aan de bezopen kant toe in relatie tot structurele, door geen cheque gedekte problemen, die naast honger het klimaat betreffen, ziekten, en door aardbevingen en overstromingen in puin gelegde streken. Het lijkt wel of er een hiaatvirus werkzaam is.
De voedingswinkelier zou er gelukkig mee verontschuldigd worden. Temeer daar door de recentste spellingswijziging veel woorden aaneengeschreven zijn geraakt, zonder het gevoel te verwekken dat dit klopt: ‘halfuur’, ‘parttimebaan’, ‘semicollectief’. Dit leest ook niet echt makkelijk, zeker in sms-tijden waarin de spatie wonderen zal uitrichten om het geweld van afkortingen in te dammen. En volgens mij hanteert een op mondelinge interactie ingestelde taalgebruiker haar tijdens schriftelijke verplichtingen significant meer. Maar dan ga ik af op internetcomments, die op een of andere wijze interessanter kunnen ogen dan de opinie waarop ze reageren. Da’s wel een quasi-sociologische benadering, die onlangs door Noam Chomsky werd ingezet en die op het randje van superieur is:

‘The Tea Party movement itself is, maybe 15% or 20% of the electorate. It’s relatively affluent, white, nativist, you know, it has rather traditional nativist streaks to it. But what is much more important, I think, is the outrage. Over half the population says they more or less supported it, or support its message. What people are thinking is extremely interesting. I mean, overwhelmingly polls reveal that people are extremely bitter, angry, hostile, opposed to everything.’

De hiaat zou dan een overzichtelijkheid openbaren die de wereld ontbeert. Maar dan herbergt de politiek haar ook? Er zijn inderdaad vele klachten dat pas in de barre wintermaanden de opvang voor asielzoekers wordt geprioriteerd. Alleen klinken die relevante klachten jaarlijks ook rond deze tijd op, en presenteren media door hun verontwaardiging dus dezelfde hiaat. Ik zag in de jongste weekendeditie dat De Standaard de hiaat probeert te vermenselijken door asielzoekers te portretteren met een foto en bio’tje. Maar wat dan in de zomer? En zou het niet veeleer in de rede liggen reportages te maken over die gevaarlijke landen waar asielzoekers vandaan komen?
Wel waren er drie bladzijdes vol gesprekken die Rik Torfs in twee Belgische cafés met enige stamgasten voerde, nadat hij dit middel in dezelfde krant had geopperd om de crisis in zijn partij te bezweren. Aan een andere vaste columnist, Bart De Wever, gaf De Standaard een extra podium voor zijn oplossingen van het opvangprobleem. Hij wou dat met het parlement doen. Behalve dat hij de cruciale internationale samenhang ongenoemd liet, wilde hij vanwege de prangendheid de ministerraad buitenspel zetten. Zelf onderhandelt hij sinds juni over zijn deelname aan een nieuwe regering, en mediatechnisch ontgaat me het verschil met het veelbesproken, als old school communistisch benoemde optreden van de demissionaire premier die zijn interviewer negeerde.
Hiaatpolitiek omhelst hiaatjournalistiek. Met dezelfde claustrofobie ogen hun doelen identiek: zieltjes winnen. Er is veel te doen geweest over de kloof tussen politiek en burger, een hiaat in de identificatie die in Nederland van te bereiken voornamen is voorzien: ‘Henk en Ingrid’, voordien ‘Henk en Anja’ namens de PVV, en bij de PvdA sinds kort ‘Pietje en Marietje’.
Als mijn parallel zou kloppen, dan bestaat er eveneens een kloof tussen medium en lezer. Een manier om die te dichten zag de hoofdredacteur van De Standaard in columns voor politici. Nu werkt hij bij de NRC, en zorgt dit beleid voor commotie. Mij boeit deze strategie, maar is ze wel over het hele politieke spectrum doorgevoerd? Mijn indruk is dat een maatschappelijk nuttige re-ideologisering sneeft ten faveure van lifestylishment. Dan frapperen helaas andermaal de hiaten.
Waar blijft de gehele werkelijkheid toch? Vooralsnog ontwaar ik de bekende bewegingen, waardoor de ene persoon (terug) in de picture komt die bij de ander al aan het verbleken is. Bij dit niet-aflatende proces heeft willekeur meer zeteltjes dan logica. Maar is na WikiLeaks aura ook aan marktwerking onderhevig? Wow, voor spraakmakendheid moet de idolatrie, zoals die uit de metafysica van de pr is opgerezen, concurreren met informatie an sich zolang die ‘geclassificeerd’ is. En ondertussen vereist bestaande onrechtvaardigheid, dichtbij en veraf, al dan niet voor de nabije toekomst, volgens mij universalistische pretenties. Nu zijn goedheilige confrater is vertrokken is er werk aan de winkel voor de Kerstman. Met stukjes gebakken spek en zo.

Naschrift, 11-12-2010
Na een imposante rede van Joris Luyendijk besef ik, de krant vandaag openslaand, ook te lijden aan cognitive capture. De foto van een asielzoeker blijkt een dagelijkse affaire: ‘De Standaard wil de overheid voor haar verantwoordelijkheid plaatsen en de asielcrisis een gezicht geven.’ Naar wie verwijst ‘haar’? De cafégesprekken van Rik Torfs spiralen in elk geval verder, als onderwerp van nog een vaste columnist.

maandag 22 november 2010

Even Reet bellen

Vóór plan B werden Vlamingen en Walen ook geboren met de spreekwoordelijke baksteen in hun maag, en dat wist ik eigenlijk al als jochie. Jaar na jaar gingen we op vakantie in De Panne, en telkens was er weer een stuk van de duinen ingenomen door kakelverse villa’s. De ligging was vaak wel heel veel mooier dan de behuizing zelf en nog altijd, wanneer ik fiets langs de eindeloze steenwegen of vanuit de trein lintbebouwingen aanschouw, is het me een raadsel wie er voor zijn lol die rustieke gedrochten betrekt. En ik zal in dat gevoelen niet de enige in zijn; alleen heb ik als Hollander mijn heil gezocht in bestaande stedelijke prachtpanden in plaats van op den buiten nog wat nieuws bij te planten (gesteld dat ik dat kan betalen).
Logisch dus dat bij de zwaarste regenval sinds decennia veel meer onderloopt dan spaarzaam land. Ik heb daar ook niets over te melden. Houd ik dan beter mijn waffel, omdat er al zoveel over gezegd is? Mij best, indien het Belgische nieuws sowieso eerst eens buiten de eigen grenzen gaat kijken – en dat rubrieken waarin de pers terugblikt op prestaties van de pers onmiddellijk gestaakt worden.
Misschien toch dit bij de watertoestanden. Dat mij een cultureel verschil is geworden inzake betweterij: waar Hollanders, voor ‘de beschaving’, de buitenwereld en politiek geminachte autochtonen laken vóór kwestieuze zaken hun beslag krijgen, spuien Belgen hun gif dwars door de als hoger ingeschatte inlanden en wel nadat de ramp zich voltrokken heeft.
Kunnen onderwijl al die aqualogen die minstens drie dagen de opiniepagina’s hebben bevolkt niet een systeem bedenken waarmee een wateroverschot wordt getransporteerd naar extreem droge gebieden? De ontelbare broeken in België als doucheputjes voor de Sahel? Of verwekt dat monopolistische kittigheid?
Robert Hass schreef:

The World Bank arranges the credit and the dam
Floods three hundred villages, and the villagers find their way
To the city where their daughters melt into the teeming streets,
And the dam’s great turbines, beautifully tooled
In Lund or Dresden of Detroit, financed
By Lazard Frères in Paris or the Morgan Bank in New York,
Enabled by judicious gifts from Bechtel of San Francisco
Or Halliburton of Houston to the local political elite,
Spun by the force of rushing water,
Have become hives of shimmering silver

Nu ja, onze kelder was dus ook ondergelopen. Liet de charme van mooie jarendertigtegels in een niet te benepen ruimte haar vileinste kant zien door 8 centimeter water te dragen over een oppervlak van 35 vierkante meter? Uiteindelijk niet, meenden we. Nu kon het water zich wat verspreiden terwijl het door een kelderomvang als van mijn ouderlijk huis in de woonkamer gevloeid zou zijn. En een vloed van Bangladeshieuze proporties betrof het niet, noch waren kunstschatten in gevaar.
Veeleer deze film: de slang van de dompelpomp die halverwege losschoot en de onstelpbare inhoud in mijn gezicht spoot.
Onlangs, in een weekend, gingen we uit die kelder kikkererwten halen en bleken drie lange planken met onze complete verzameling literaire tijdschriften van de muur gebroken en op de waterleiding gevallen. Dat gaf precies naast de meter de aanblik van een fontein die wellicht alleraardigst zou zijn mocht dit niet ons huis zijn geweest. Aan de hoofdkraan kon gedraaid zonder dat de stroom ophield.
Na drie kwartier kwam van het provinciaal waterleidingbedrijf een man die kalm constateerde dat ook de hoofdkraan uit de jaren dertig was. Met een zware inspanning wist hij het ding te vervangen en stopte de straal. Opdat we weer water konden krijgen, moest alleen nog het lek gedicht. Hij wees aan waar het zat, vijf centimeter naast de watermeter, niet aan de straat- maar aan de huiskant: wettelijk het privédomein, voor een loodgieter. Terwijl de eigenwalg opkwam toen ik mezelf werktuiglijk mijn portemonnee zag trekken, herinnerde de man, nog altijd doodkalm, er ons aan dat het zaterdagavond was en dat het de eerstkomende maandag toevallig een officiële vrije dag was.
Toen lachte hij, ontwaarde ik dat hij een spleetje tussen zijn voortanden had en zei hij dat hij het lek ging arrangeren.
Nadien wilde hij na enig aandringen louter een glas cola. En nee, hij kwam niet binnen, want zijn laarzen waren vuil. Ik heb hem nog beschaamd gevraagd of hij hopelijk niet van heel ver had moeten komen, maar hij bleek te wonen in Reet.
Nu zou er een moraal van het verhaal moeten komen of ten minste de suggestie van een ander perspectief. Maar voor mij is slechts het cliché bevestigd dat, contra het andere cliché van de homo homini lupus, tegenslag mensen weet te verenigen. De wateroverlast schiep althans een basale vorm van gemeenschap en wij, op ons allerbelabberdste microniveau, werden behalve door de verlosser uit Reet bijgestaan door buren en familie.
Zelfs de voegen zijn alweer bijna droog.
En o ja, wie meent dat dit gedoe eens te meer onderstreept dat papieren literaire tijdschriften passé zijn vanwege het web, kan ik toch niet helemaal gelijk geven. Tussen onze muren wordt nogal gelezen en, hoewel we steeds meer van de bibliotheek lenen en dus kunnen terugbrengen, slibt het dicht. Indien we geen literaire tijdschriften hadden vergaard, dan waren de planken wel onder ander letterwerk bezweken. Bovendien hadden zelfs de meest intimiderende internetbladen het water niet tegengehouden. Want dat is natuurlijk een enorm voordeel van papier, het zuigt water op.
Dus misschien nog voor de statistieken, rechtstreeks uit de werkelijkheid: Raster stoot af, Ons Erfdeel absorbeert het meest.

vrijdag 12 november 2010

Nico


Van oudsher ben ik gefascineerd door optimisten. Geregeld bevolken ze mijn gedachten. Een Nico Haak bijvoorbeeld. Morgen is het twintig jaar geleden dat hij overleed. Om dat droevige feit werd destijds gegnuifd. De zanger maakte namelijk tot op zijn huid reclame voor de bioregulator, een soort gepolijst polshoefijzer waarvan de bolvormige uiteinden gezonde magnetische energie zouden geven.
Het einde van Nico Haak betekende derhalve ook het einde van dit product. Doordat er iets meer op het spel stond lijkt me dit een grotere prestatie dan recent geleverd door de Bekende Nederlander die in een actualiteitenprogramma kwam vertellen dat het bespottelijk was alleen serieus genomen te worden vanwege die bekendheid (om consumentenoperettes van de markt te krijgen).
Nico Haak was een gangmaker. ‘Quick quick slow, want Foxy grijpt zijn kansen’. In mijn herinnering plantte de montere aard van zijn liedjes zich vooral over op mijn moeder. Als ze over de radio of televisie schalden, begon ze werktuiglijk haar polsen heen en weer te draaien, handen loodrecht op haar lichaam. Op een of andere manier heb ik dat geassocieerd met ‘de bevrijding door de Canadezen’, een naar haar getuigenis lollige boel, terwijl er in mijn brein evengoed een stroompje had gekund naar de jaarlijkse delging in mijn geboortestad met een festival, dat met veel huigbombarie als jazz werd geafficheerd maar dit genre voortreffelijk wist te verbergen.
Anderzijds was de tonale onderbouw van beide opties ongeveer identiek en denkelijk wist Nico Haak, al dan niet begeleid door De Paniekzaaiers, niet alleen mijn moeder te betoveren. Voorbij de beeldvorming zou ik hem beter eens bewonderen om zijn vermogen een schier oneindig opgetogen sfeertje te scheppen.
Bewondering heb ik sowieso altijd gehad voor zijn teksten. Hoewel niet uitblinkend in het vak onthouden, laat staan zeker dat er in alle nummers van Nico Haak een banjo voorkomt, kan ik de apostrof O Foxy foxtrot op elk uur van de dag gegarandeerd aanvullen tot:

… met je elastieken benen
Die wil elke avond naar de dancing toe
Zeg jongeman mag ik je meissie effe lenen
’k Wil met haar swingen want ik ben nog lang niet moe.


Het verwijswoord ‘die’, hier stootbeitel tussen de tweede en derde persoon waarna ingebed of via een monologue intérieur zelfs de eerste persoon zijn intrede doet, weet me nog steeds te imponeren. Een klassieke Nico Haaksong als Is je moeder niet thuis doet dat ook, helemaal sinds mij de Duitse versie onder ogen gekomen is:

Schick die Mama ins Bett.
Schick die Mama ins Bett.
Schick die Mama ins Bett
Marie
denn ich warte schon hier
an der Ecke bei dir
in der Kneipe gleich vis-a-vis.

Ist alles allright
dann sag mir Bescheid
ich werde wie der Blitz bei dir sein
jedoch solange Mama noch die Wohnung bewacht
komm ich leider unbemerkt nicht hinein.


Het Duits is in populaire muziek en andere kunstuitingen mild uitgedrukt een verhaal apart en vergt ook hier enige betekenisingrepen, maar zelfs door de geciteerde afgrondelijkheid schemert Haaks heupwiegende optimisme. Foxy Foxtrot kon vanzelfsprekend Schmidtchen Schleicher heten, met al het verdiende succes dat daar aan kleeft.
Het enige mysterie rond Nico Haak ligt voor mij in Honkie Tonkie Pianissie. Het gaat over een zekere Toetsen Jantje die in café De Dolle Olifant speelt tot het ochtend wordt. Zo blijkt ook uit het refrein:

Honkie tonkie pianissie, op je sinaasappelkissie
Speel maar verder, speel maar verder
Honkie tonkie pianissie, op je sinaasappelkissie
Want we gaan nog niet naar huis


De trigger blijft dat sinaasappelkistje. Uit ervaring ken ik dat woord van soundchecks, zodat de microfoon behoed kan worden voor sisklanken. Mij dunkt dat deze betekenis hier irrelevant is, net zoals de meest voor de hand liggende: dat de piano en Jantje rijp voor instorting zijn omdat ze op een sinaasappelkistje staan.
Inmiddels moet ik vanuit dat object wel denken aan een nieuw soort politiek dat zich aan het ontwikkelen is, analoog aan de beroemde provisorische spreekpodiumpjes in het Hyde Park. Men denkt tegen een overlevering van bestaande instituties in te gaan door die ‘zakkenvullers’ en ‘carrièremakers’ en andere bij voorbaat perfide machthebbers verbaal te verdelgen vanuit een eigen, als autonoom aangevoelde basis, met de illusie daarmee niet politiek te zijn.
Van daaruit naar een recensie door Cyrille Offermans over Dagboek ’68-’69. De feitelijkheid die dat geschrift, van Daniël Robberechts, per definitie bevat wordt ontkend. Zijn argumenten vindt Offermans buiten de tekst, in een levenshouding die volgens hem gedateerd is om redenen waarvan mijn vorige posting bij Hans Achterhuis al repte. Radicaliteit blijkt behalve passé ook dwingelanderig, en Robberrechts’ aversie van compromissen zou dat aantonen. Daarnaast ontwaart Offermans diens incompetentie via guilt by association in een gebrek aan publiek en weerklank, dat hij overigens niet onderzoekt.
Dat Offermans een andere documentatie en meer expliciet politieke beleving van een periode, waarvoor hij een eigen tekst als bron opvoert, niet authentiek acht is één ding. Hij deinst er niet voor terug voor het bewijs van die stelling, wel volledig buiten hem zelf, de bekritiseerde ander een geestesziekte toe te schrijven. Daarmee diskwalificeert hij tevens uitgever, lezers, winkels en media die het boek wel zinvol achten. Ik wil geloven dat deze infrastructuur een minderheidspositie heeft, maar waarom die minachting? Wat voorspelbaar – bentgenoten van weleer. Maar de observatie dat potten ketels aan het verwijten zijn, smoort specifieke doelen van het gezegde. Dus speel maar verder, speel maar verder.
Het decennium na zijn gememoreerde successen stuikte de loopbaan van Nico Haak, die nog wat genres probeerde. Was hij een tijdgebonden zanger? Ik acht hem vooral erg op zijn plaats in ‘de jaren zeventig’, vrolijke era, die onbekommerd maar niet onverantwoord zijn weg zocht (in het tekstueel verwante Mooi man van Mannenkoor Karrenspoor, dat vlak na Haaks dood de hitparade beklom, hoor ik iets afgedwongens, schijnbaar postideologisch).
Zuurpruimen die we geworden zijn.

vrijdag 29 oktober 2010

Bestaande ficties (6)

Ooit schreef Bart Meuleman: ‘geen bevindingen, mijzelf daarvan te midden’. Die regel is op mijn huid geraakt. De Gemeinschaft van Wilders’ stemmers op wie hij zich beroept als hij weer hele groepen tergt? Viel er een dag eens niet te vernemen dat hij zijn vrije meningsuiting bedreigd weet! Ze is te kwestieus om er egocentrisch mee te schermen, laat staan dat politici immuniteit mag verleend nopens ‘het maatschappelijk debat’. Hans Achterhuis gaf een memorabel voorbeeld op basis waarvan die meningsuiting beter niet zo onbeperkt wordt als Wilders het wil: het beroep dat het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken erop deed toen het gevraagd werd uitzendingen te hinderen van het tot het vermoorden van Tutsi’s oproepende Hutu-radiostation Mille Colines. Het voorbeeld staat in Met alle geweld, de imposante studie waarmee Achterhuis solidariteit en moralisme herijkt. Met relativering van de intentionaliteit door verwijzing naar een notoire vlinder trekt hij van leer tegen denkers als Foucault en Sartre, die overal uitingen van ‘macht’ ontwaarden. Gestaag veranderen zij in stereotypen: star en zonder zelfkennis en met monocausale blik op de ander, idealisten die overtuigd zijn van hun gelijk en onberispelijkheid en die immer tekens van ‘het systeem’ duiden. Maar deze opvatting heeft Achterhuis ooit gedeeld, zoals hij er nu afstand van neemt: tweemaal in een intellectuele meerderheid. Zou dat ‘het systeem’ niet onderstrepen?! Activeert elke poging tot trouw louter de lachspieren? Achterhuis blijkt zich te schamen voor zijn idealisme van weleer dat hij realiteitsverblind acht. Wel zegt hij dat de boeken waarin hij die vervoering uit de doeken deed allerwege positief werden besproken en veel verkocht. Daarnaast acht hij het een heldendaad ‘op een centraal punt van je denken te erkennen dat je je vergist hebt’ – achterlangs komt bij dat voortschrijdend inzicht superioriteit binnen die hij Fou & co aanwreef. Ben ik dan buitenmatig integer? En zou ik wel kunnen ontsnappen aan de gemene delers van mijn era? Neu. Het is een best amusant en angstaanjagend idee zelf menen te denken terwijl die gedachten zo sterk lijken op die van je tijdgenoten dat ze geïmpregneerd blijken. Daarom vind ik het des te pijnlijker dat bij veel meningen over toekomstig cultuurbeleid Arnold Schönberg als een modernistische, cerebrale karikatuur fungeert die niet overeenkomt met mijn beleving als amateur (= Latijn voor liefhebber of linkse hobbyist?). Maar op subsidiejacht schijnt iedereen te ‘ontregelen’ en met wat clichés over ‘de politici’ wordt alles dan erg inzichtelijk. Kennelijk weegt de ander loodzwaar. Nederland telt zo’n 6% moslims, maar door pertinente meningen over hen lijkt dat percentage oneindig veel groter, met de groeten aan ‘de politiek’. Wordt aan de staat van ‘de moslim’ eigen geluk afgemeten? Toen onze driejarige dochter met twee staartjes in op het schoolplein haar hartsvriendin trof, barstte die in tranen uit omdat ze ook twee staartjes wilde. Haar moeder had een elastiekje bij zich waarmee ze alvast één staartje kon maken – waarna ons dametje begon te pruilen dat ze één staartje wilde. Buiten deze mimetische spiralen is ze altijd te lijmen met snoep en beduidend minder met beloftes (dan nog eerder met dreigementen), wat de korte termijn belangrijk maakt. Dit rijmt met een algemene ontwikkeling die onder invloed van de technologie de laatste twintig jaar beslag heeft gekregen – en die louter extremer zal uitpakken: snellere bevrediging van een wens. Toen Encarta bestond grepen scholieren niet meer naar papieren encyclopedieën. Voeg daarbij de massa’s antwoorden die Google terstond biedt op vragen, de gsm waar afspraken tot op het laatst mee kunnen gewijzigd, de aandrang om via Facebook en Twitter een wereld te berichten van de recentste wederwaardigheden, en de lange termijn bestaat amper. Anderzijds heeft Coolen over Dorp aan de rivier vijf weken gedaan. Staan we op een keerpunt? Rondom ons zijn er al diverse tradities. Ook op overeenkomsten met historische personen is gewezen en ik wil daar tot slot eens op voortbouwen, omdat de kwestie bekend lijkt: lullen of poetsen. Wat geldt nog als geloofwaardig? Academicus Ter Braak was geen kei in sport. Door zijn veeleer mentale verplaatsingen was hij een goeie voor de Gesellschaft. Daartegenover beloofde A. den Doolaard, een reiziger tot in het pseudoniem, Ter Braaks kompaan Du Perron vanwege diens Uren met Dirk Coster ‘een gratis pak slaag’ in een artikel dat niet alleen actueel oogt, maar de Gemeinschaft ook compliceert. Den Doolaard construeert namelijk een onderscheid tussen de studeerkamergeleerde Du Perron (net als hij een autodidact) en zichzelf, die even terug was in Nederland. De onbehouwenheid stamt dus van een globetrotter, ook veel meer een publieke figuur. Hij gaat niet in op de gewraakte tekst, die hij belachelijk vindt – en de maker spoort voor hem domweg niet. Even leerzaam is de reactie van de betrokkene, in zijn briefwisseling met Ter Braak die zich ook over de kwestie uitspreekt. Maar eigenlijk willen de heren erover zwijgen. Du Perron als het haantje, Ter Braak rationaliserend. Er lijkt door de werkelijkheid een bres geslagen in hun briljante cordon; de toch al aanmatigende toon over mensen buiten hun dorp verlokt ons heden tot de aansporing: get a life! De highbrow bleek niet anders te kunnen dan bij elkaar billijkheid te accentueren, en zich aan te sluiten bij het geminachte dat dezelfde cultuur van ontkenning omhelst. Het martelaarschap revisited. In meer opzichten was Ter Braak criticus op eenzame hoogte, maar natuurlijk niet belangenvrij. Dat laatste is nooit veranderd, dat eerste helaas wel en bovenal zijn de draagwijdtes verschoven naar het betreffende medium. Dus wat rest er? In Het weerzinwekkende lot van de oude filosoof Socrates schreef Connie Palmen: ‘Het eigene wordt nooit het eigene als het een geheim is en verborgen blijft. Het eigene moet vals worden, publiek worden, het moet herhaald, besproken, bepraat, doorverteld, misverstaan, herkend en erkend worden, om betekenis te kunnen krijgen en zich waar te maken. Alleen door het meest eigenlijke ook aan de anderen over te laten, kan er zoiets als het eigenlijke bestaan en kan een eigennaam betekenis verwerven.’