dinsdag 31 augustus 2010

Nummertje trekken

In Een wonderkind of een total loss schreef Willem Frederik Hermans: ‘Avonturen wilden niets van me weten. Als ik het toeval een handje wilde helpen, kreeg ik een tik op mijn vingers.’ Bij interpretatie gedragen deze zinnen zich als silly putty. Ik vind het verleidelijk ze te projecteren op het schooljaar dat in België, na een eeuwige vakantie van twee maanden, morgen weer begint. En op de communautaire onderhandelingen voor een landsbestuur die nog immer spiralen beschrijven? Of boven de Moerdijk, ook in coalitiestrijd, op interne twisten die het CDA en bij uitbreiding het parlementaire bestel plagen? Er zijn geen arendsogen nodig om te zien dat de welvaart ongelijk verdeeld is op de wereld en dat we ons hier gelukkig mogen prijzen aan de goede kant van de streep te zitten. Het zou dan ook niet mogen verbazen dat mensen die dat geluk niet beschoren is, het hier komen zoeken. Noch dat – niemand is heilig – anderen die daar minder reden voor hebben in hun slipstream mee willen. Van groter gewicht is een direct gevolg dat evenzeer realiteit is: dat het geheel van die heterogene populatie kinderen heeft en krijgt die, voor zichzelf en hun omgeving, een opleiding behoeven. Ik besef dat sterker, sinds ons taalkundig genie na het bereiken van de tweeënhalfjarige leeftijd naar de peuterschool mocht. Omdat we het belangrijk vinden te hechten in de buurt en moeite hebben met op tijd komen, zochten we het dichtst bijzijnde gebouw dat we nog kunnen binnenhollen als ‘de eerste bel’ is gegaan. Het bleek een katholieke school, en op mijn vraag of het een probleem was dat wij ongelovig zijn kwam het antwoord dat de leerlingen van alles waren wat je maar kon bedenken. Na enige maanden hadden we een gesprek met de juf. Het kwam spoedig op de klasgenootjes. De juf beweerde dat ze al kon zien wie het later moeilijk zouden krijgen; ze verstonden geen Nederlands en mogelijk ook geen Frans, waren agressief en met hun ouders viel nauwelijks te overleggen. Die kindjes waren hooguit drie! Treurnis hechtte zich aan opstandigheid: sinds de Verlichting nemen we toch het heft in eigen handen? Waar een wil is is toch een weg? Een Lula bewijst toch dat ijver loont en men van niets zelfs president kan worden? Ik weet best dat ik het te simpel voorstel en dat menige allochtoon meer barrières moet nemen dan sociaalmaatschappelijke alleen. Vooral voel ik me niet gerechtigd om grote uitspraken te doen over zaken die me 99% onbekend zijn en waarvan de achtergronden in mij evenmin veel contouren aanbrengen. Sowieso ken ik de luxe een paar boeken te kunnen bewaren, wat al een boost aan de intellectuele opvoeding schijnt te geven. Des te meer onthutst mij het schijnbare gemak waarmee, plots beschikkend over ‘principes’ en het historisch voor werkelijk allerlei doelen in de strijd gegooide begrip ‘fatsoen’ als geurvlag dragend, de ene gelouterde politicus na de andere momenteel verklaart dat één partij niet deugt. Ik ducht niet de strategische effecten van dat zogenaamde demoniseren, maar het feit dat er zo soeverein iets wordt uitgesloten op ethische gronden. Hoe vehement die standpunten ook zijn, mij lijkt juist dat het erkennen van verschil – agonistisch, om met Chantal Mouffe te spreken – kan leiden tot vruchtbare politiek; regeren op basis van gedoogsteun komt op mij niet over als een hernomen polarisatie uit ‘de jaren zeventig’ maar als een paarsgetinte variant van het poldermodel. Zelf is die partij uit protest geboren en vangt ze haar uitsluiting op door te beweren dat daarmee meer dan een miljoen kiezers worden genegeerd, maar da’s wat makkelijk. Wat hebben die kiezers namelijk anders willen zeggen dan NEE? Misschien toch te mager voor een praktijk van oplossingen. Onlangs stapte ik ’s avonds heel laat in de trein. In het tussencompartiment manoeuvreerde een allochtone vrouw haar kinderwagen zo, dat ik het minste hinder had om door te lopen. Bij elk station herhaalde ze die vriendelijke maar onnodige beweging. Haar man zat in de coupé en toonde zich op zijn beurt overgedienstig bij binnenkomst van de conducteur. Hij haalde een hele papierwinkel tevoorschijn waaruit hij niet alleen zijn treinkaartjes liet zien – alsof hij zijn gezin wilde vrijwaren van elke mogelijke verdenking. Daags daarna wachtte ik tussen velen in een ziekenfondsgebouw, toen een allochtone vrouw binnenkwam met twee kinderen. Nadat ze haar nummertje getrokken had, ging ze zitten en begon het oudste kind haar te imiteren met het nummertje trekken en het jongste kind, op de toppen van zijn tenen, vervolgens ook. Door de hal klonk een voortdurend gedingdong en het apparaat spuwde het ene nummertje na het andere. Onderwijl hing de moeder languissant in de stoel. Toen riep ze – in een voor mij nieuwe taal – haar kinderen bij zich, waarna de oudste naast haar plaatsnam en de jongste, twee jaar hooguit, richting uitgang waggelde en verdween door de schuifdeuren, waarachter een binnenplein annex parkeerplaats ligt. Na een minuut gebood de moeder haar oudste zoon, hooguit vier, op verkenning te gaan. Ook hij verdween door de schuifdeuren. Mijn reacties op deze twee voorvalletjes hadden weinig gemeen. In de trein vroeg ik me af wat voor een juridische configuratie Europa heeft bedacht. Mij greep een plaatsvervangende schaamte. Zonder de James Brown te willen uithangen had ik de vader en moeder wel willen toeroepen dat ze zichzelf niet zo nederig hoefden op te stellen. Bij het ziekenfonds ervoer ik bij de nummertjestrekscène ook plaatsvervangende schaamte: over de allochtone medeaanwezigen die elkaar louter verontwaardigd aankeken – uit een puberale sympathie voor sabotage vond ik het wel grappig wat die kinderen uitvraten. Maar toen zij de parkeerplaats opliepen, zweeg ik evengoed geborneerd. Mocht mij zijn gevraagd waarom ik niet eens, desnoods in plaats van de moeder, buiten was gaan kijken, dan had ik wellicht gezegd dat ik me ‘nergens mee wil bemoeien’. Is er een knappe kop die weet welke van de twee gezinnen het gaat redden? Of allebei? Of geen van tweeën? In Dode zielen schreef Nicolaj Gogol: ‘Je hoeft van tien eigenschappen er maar één domme te hebben om, in weerwil van die negen goede, voor een idioot te worden gehouden.’

maandag 23 augustus 2010

Ieder zijn beurt


Is komkommertijd zoiets als ‘de belastingbetaler’: een vlag waaronder van alles kan worden beweerd? Afgelopen week stuiterde treinreizend België na de mededeling dat, vanaf vandaag, een internationaal kaartje op het station zeven euro extra gaat kosten. Aan die ‘persoonlijke assistentietoeslag’ valt te ontsnappen door online bestellen.
Minstens zo interessant als de petitie die oud nieuws gelukkig nog blijkt te kunnen verwekken, vind ik de verhalen die simultaan door en rond zo’n bericht oprijzen. Van dezelfde NMBS werd bekend dat het bij vacatures voor met name de techniek en informatica een aardige welkomstpremie in het vooruitzicht stelt. Ook in de berichtencirculatie raakte het salaris van drie toplui, dat flink was gestegen.
‘Wij werden bloedserieus de risee van onszelf’, schreef Leonard Nolens ooit. De komkommer rust alsnog in handen van de belastingbetaler die mag schokken – de term ‘subsidie’ volstaat gemeenlijk om de laatste band met uitgerekend het gezond verstand te slaken. Internationaal treinverkeer flitst namelijk door een vrijgemaakte markt, een vorm van bevlekking die wil dat dit verkeer ‘zelfbedruipend’ is. Enig protest kant zich daarom beter tegen het neoliberalisme in het algemeen, en de Europese Unie in het bijzonder. Overigens wist een nagekomen bericht vermoedelijk te milderen: op stations zullen, voor medewerkers en pendelaars, crèches worden geopend.
Wel konden comments op internet iets extra’s brengen. Zo wees een frequente reiziger erop dat het aan de balie wel maar online niet mogelijk is om een ticket te krijgen dat de korting verrekent waarop méér dan één reductiekaart recht geeft. ‘Ik heb NMBS hierover al twee keer gecontacteerd en ondanks de belofte om dit in orde te maken, is er nog steeds niets gebeurd.’ Wordt daarom personeel geworven? (Zelf weet ik over een alternatief, de kaartautomaat op het station, dat die in België louter binnenlandse biljetten uitspuwt, terwijl in Nederland, waar dat ding wel over grenzen slaagt te kijken, niet betaald kan met buitenlandse pasjes van nochtans afgebeelde kredietmaatschappijen.)
Een hele, bepaald ongemakkelijke wereld werd terzelfder plekke geopend door een lezer die, typisch voor het genre, wees op ‘mijn moeder die 80 is, maar nog zeer reisvaardig, en die anderzijds (begrijpelijk) nog nooit met een computer heeft gewerkt’. De idee is dan dat niet iedereen die een korting zou willen hebben deze redelijkerwijs ook kan verkrijgen – een bijna ouderwets socialistische kwestie van toegang tot. Het internet fungeert dan als scherprechter voor wie mee kan komen met zijn tijd en zou ‘de maatschappelijke tweedeling’ demonstreren.
Mochten reizigers zich geen computer kunnen veroorloven, dan betekent de ‘persoonlijke assistentietoeslag’ dus een dubbele klap. Het bizarre woord zou daarentegen relevant worden indien reizigers niet snappen hoe surfen werkt. Ondertussen blijkt in de Verenigde Staten het motievenspectrum om geen internet te gebruiken complex. Het betreft (het mijns inziens verrassend grote aantal van) 21% van de volwassenen, van wie de meerderheid geen belangstelling voor het medium heeft of de computer, inderdaad, te duur vindt. Meer in de marge vallen artikelen als angst en onwetendheid, die ooit rijp waren voor volksverheffing.
Ik bewandel deze zijweg ook, omdat ‘ouderen’ in een ander recent debat hier te lande de tegenovergestelde rol hadden. Toen een bank besloot om zestigplussers een lagere wekelijkse ‘opvraaglimiet’ te geven bij het pinnen, omdat ze significant vaker de pineut zijn van fraude en misbruik bij pinpasjes, was de wereld te klein: discriminatie van nog best kranige lieden! Nu zal macht noch financiële amplitude van babyboomers vergeleken kunnen worden met die van tachtigjarigen, maar onder die publieke opinie werd dat besluit wél als zijnde ‘onzalig’ fluks teruggedraaid.
In mijn leven beperkt het fenomeen internationaal treinverkeer zich grotendeels tot het traject Brussel-Amsterdam, waarin de term ‘afgeschaft’ een nieuwe dimensie heeft gekregen. Tevens voor de faciliterende instanties zelve, lijkt het; in die trein hangen affiches waarop staat dat wanneer een aansluiting door zo’n fijne stagnatie wordt gemist men kosteloos overstappen kan op de duurdere hogesnelheidstrein. Die blijkt op zijn beurt het begrip ‘stiptheid’ nogal eigenzinnig op te vatten.
Voeg eraan toe dat op die treinen het teken voor fietsvervoer is overgeverfd, en ik waan me het centrum van de wereld in mijn idee dat de ‘persoonlijke assistentietoeslag’ een respectabel spreekwoord over brutaliteit steunt. Dit verwekt bij mij onthechting, zelfs aan het loket. Ik kan me niet meer voorstellen iets te hebben gevoeld in de rij voor de over vijf minuten vertrekkende internationale trein en dan de huidige klant te horen vragen: ‘Over drie maanden willen wij op wintersport. Kunt u wat treinen en prijzen laten zien voor een vergelijking, Frankrijk, Oostenrijk, Zwitserland, maakt niet uit.’
De eerste keer dat ik dat beleefde had ik mijn Hollandse genen nog niet onder controle. Toen kreeg ik gratis het advies dan maar op tijd naar het station te hebben moeten gaan. Zo doemt balie-ervaring, uniek gelijkend, tevens bij politiebureaus en postkantoren, bijvoorbeeld dat je eindelijk aan de beurt bent en medewerkers dan de blik zijwaarts richten en, al dan niet onder het genot van een mok koffie, met elkaar een gesprek beginnen. Mij lijkt dat in Nederland bijna onmogelijk, omdat ze dan commentaar zouden krijgen dat het stadium van moralisme niet eens wenst te bereiken omdat ‘de ambtenarij’ sowieso moet hangen.
Ik moest hier ook weer aan denken toen onlangs las ik dat het Arnhemse postkantoor aan het Jansplein niet meer in gebruik is. Het verwierf enige bekendheid door als zijwand te fungeren voor het consternatie verwekkende kunstwerk The Pisser van Marc Quinn. Maar binnenin was het altijd gedoe – mensen lieten in authentiek Ernums weten dat ze te lang moesten wachten, dat anderen voorkropen, en toen er dan bij een renovatie in ‘open balies’ voor kleine handelingen zelfs een aparte ‘servicecounter’ kwam, met elektronische nummerafroep, was het nog niet goed. Zelfs als enige in de ruimte werd men niet geholpen als men dat nummertje niet kon overleggen. En daarna werd het er verboden te roken!
Als ik het goed begrijp, zou daar nu, nadat internet de post grotendeels overbodig gemaakt heeft, een ‘boeken-grandcafé’ zijn, maar de vraag lijkt vooral of dat serieel gezeik, dat de evidente associatie met dissensus schoffeert en de inzet van Fortuyn en Wilders vooraf schijnt te spiegelen, zich vertaalt in de formatie. Dan valt er nog een zware pijp te roken! Bewijst de internationaletreintoeslagcommotie in België dat het er daar gedweeër aan toegaat maar dat, doordat het ventiel schier permanent gesloten is, spaarzame uitbarstingen er ietwat drastischer zijn? Dieptepsychologie, die in de pre- en postformatie veel perimeters belooft:

‘ligt de mist, waarin we vastlopen
en teruggaan
en dan weer verder tasten,
onze waarnemingen in de weg?’
(Martin Reints)

maandag 16 augustus 2010

Verbirkenstockenisering

Zijn ze werkelijk terug? Tot de mythe van ‘de jaren zeventig’ behoren, behalve parafernalia als ‘de zitkuil’ voor meer gesettelden, attributen die een veranderingsopdracht suggereren. Onmisbaar zijn dan ‘jezussandalen’. Die toeschrijving ontwaart een heilig streven bij de dragers om de wereld te verbeteren. Zij waren overwegend mannelijk, wat met de sandaal de bijzonderheid opleverde dat er blote voeten in staken: mannen die er uit gewoonte sokken onder aanhadden golden, tenzij die sokken van ‘geitenwol’ waren, op zijn minst als ‘burgerlijk’.
Met die blote voeten begon een zichtbaarheid die zelfbevrijding aanwees. Schaamte was een gepasseerd station en het hele lichaam mocht getoond. Het verbaast dus niet dat de beroemdste sandaal afkomstig was uit het land van de Freikörperkultur. Behalve naturel had het merk Birkenstock, waar ik op doel, orthopedisch comfort in het pakket. Vandaar dat zijn sandaal behalve door ‘macrobioten’ evengoed gedragen werd door verpleegsters. Het ‘anatomisch gevormde voetbed’ in de kurken zool zou niets minder behelzen dan een voetafdruk in woestijnzand. In zo’n praktische ecologie blijft Duitsland overigens op kop, met velden vol zonnepanelen en windmolens (in Amsterdam wordt afval nog altijd niet gescheiden).
De afgelopen zonnige maanden trokken ontelbare mensen, hele gezinnen vaak, aan mijn oog voorbij die sandalen van het roemruchte merk aanhadden. Beperkt de verbirkenstockenisering zich tot de Lage Landen? In het klassieke schoenenland Italië blijkt de hoofdredacteur van Il Foglio, die het vertrouwde tijdpad aflegde van extreemlinks naar neoconservatief, niet alleen een Vespa te hebben maar ook sandalen van een zeker merk.
Nu nog even de verschillen met ‘de jaren zeventig’ zoeken. De schoenen zijn bijna overal permanent in de aanbieding geweest – een schappelijke prijs lokt meer klantheid dan een nobel principe. Daarnaast waren ze niet louter in speciaalzaken annex reformwinkels te koop, maar hadden ook notoire grootgrutters ze voor ‘bodemprijzen’ in het assortiment. Niet langer regeert hier een non-descript bruin maar een vrolijk kleurspectrum, met een metallic glans als van een doorsnee racewagen. Ook lijkt het degelijke model met twee wreefgespen en een hielbandje in populariteit weggevaagd door dat van een veredelde teenslipper.
Teenslippers appelleren aan de hele bevolking, waarbij globaliseringshalve het onderscheid tussen werk en privé, tussen plicht en vakantie opgeheven is. Dat werd duidelijk uit een incident bij president Bush junior, toen snel uitgesproken schande verstomde nadat bleek dat hem bezoekende highbrow meisjes teenslippers droegen voor prijzen waar menige schoenenpatissier nog een puntje aan kan zuigen. Geestig is dat de ambachtelijke term voor die dingen, ‘flipflop’, tevens een politieke betekenis heeft.
Ook het gezondheidsaspect is teruggedrongen. Het staat me uit mijn jeugd dan niet bij dat alle Birkenstockdragers macrobioten waren, evenmin zag ik hen in zulke grote getalen friet en andere vettigheden naar binnen werken als nu. Maar misschien heb ik te veel in de nabijheid van strandtenten vertoefd, een plek waar de oerBirkenstockdrager minder te vinden was dan in duin en hei.
Tot slot bieden de benen die heden uitrijzen boven Birkenstocks een gewijzigde aanblik. Van voet naar enkel tot hoger worden ze steeds vaker gesierd door tatoeages die ver voorbij het zeemans- en roversstigma in alle kringen schijnen geaccepteerd. Dat deze als lianen voortslingerende huidschilderijen te zien zijn, brengt, al ben ik geen deskundige, nog een verschil met het birkenstockbeen van ooit: het stond vol haar.
Destijds gaf het conform de postschaamte van top tot teen geen pas boven sandalen ook maar iets in te perken. Aldus kon de lichaamsbeharing ongebreideld zijn. Meldde ik over het deel dat aan de kin hing hier al eens wat, Rudy Kousbroek behandelde in Het avondrood der magiërs voor zijn kritiek op subculturen op iedere denkbare plaats welig tierend haar. Hij besloot dat een hippie ‘een soort wandelende pubis’ was. Vergelijk dat eens met de huidige trend van the Brazilian wax, wat als onderdeel van het gladscheren verwijst naar de, om met Daphne Deckers te spreken, ‘totale ontbossing’ van de schaamstreek.
Die integrale kaalslag heeft een voorgeschiedenis tot aan de gelofte van kuisheid. Kousbroek refereerde daar ook aan (via tonsuren van monniken) en zag een teken van gehoorzaamheid. Da’s een intrigerend spoor. In haar studie Female Chauvinist Pigs zegt Ariel Levy namelijk dat bimbo’s van nu wel vergeleken worden met ‘de feministen die in de jaren zeventig hun beha’s in de fik staken’, maar dat het gedrag van ontbloting van elke denkbare intimiteit de oorspronkelijke voorvechtsters weinig monter zal stemmen.
Levy: ‘Nog steeds worden we door de modewereld, de media en elkaar aangemoedigd om “sterke vrouwen” te zijn. “Bevrijding” en “emancipatie” zijn nog steeds populaire kreten, maar vroeger verwezen ze naar het op z’n kop zetten van het systeem, naar in staking gaan tegen onderwerping. Sindsdien zijn deze woorden alle inhoud kwijtgeraakt (…) de dansende borsten van weleer worden omhooggehouden door push-upbeha’s of “gecorrigeerd” tot strakke, harde bollen die altijd pront vooruit steken.’ Toch schijnt een enkele routinier hier verlossing en progressiviteit in te zien, en geen bevestiging van rolpatronen die commercieel interessant zijn (voor gekleed blijvende producenten van programma’s als Girls Gone Wild Doggy Style).
Zelfs wordt gesuggereerd dat wie zich niet mee onthult problemen heeft met haar seksualiteit en niet echt vrij is. Denken in termen van lustobject zou tonen dat je nog niet one of the guys bent – het aantal tatoeages is inmiddels wellicht groter bij vrouwen dan bij mannen. Nu hoeft men ‘de jeugd’ niet even triomfaal allerlei, haast met wellust aangewezen vleessport toe te dichten die ressorteren onder urban legends. Men zoekt beter naar een desnoods moreel te noemen procedé. Knipogend naar Harriet Stowes fameuze negentiende-eeuwse boek noemt Levy het ‘tommen’: het met opzet bevestigen van het stereotiepe beeld van de gemarginaliseerde groep, teneinde vooruit te komen binnen de dominante groep. Wel concretiseer je daarmee het vooroordeel dat je gevangen houdt. Steunt gladgeschorenheid dan een conformistisch schoonheidsideaal?
Minstens zo tegenstrijdig is de informatiestroom naar de bimbocultuur aan althans trans-Atlantische zijde: enerzijds krijgen tieners de boodschap in een seksueel Luilekkerland te leven, anderzijds pompte de overheid miljarden in voorlichtingscampagnes die onthouding adviseerden en christelijke maagdelijkheid tot aan het huwelijk. Bimbo’s hebben zich volgens Ariel Levy tegen geen enkele feministische golf hoeven afzetten en dus nooit meegemaakt, zegt ze nuchter, dat ‘slet’ geen compliment inhoudt of paaldanser geen eerbaar beroep is.
Je zou voor minder haar op je tanden krijgen (dat passend schoeisel verdient).

woensdag 4 augustus 2010

Daarom


In K. Michels Bij eb is je eiland groter bleef ik om onnaspeurlijke redenen steken bij het zinnetje ‘Waar jij gezoem hoort hoort een bij een honingroute’.
Eerst piekerde ik over kennis en kader. De bij is een expert wegens genen en de zelfstudie van de ervaring, terwijl observatoren codes mogen ontrafelen of tekens trachten te duiden. Zou Michel zo de op basis van de totale empirie moedeloos stemmende hiaten in onze informatie en wijsheid aanwijzen, die eventueel tot een eerbiedig of horribel zwijgen leiden, bekrachtigd door het binnenrijm jij-bij?
De dichter serveert tevens de minstens zo lullige herhaling hoort-hoort. Met het fenomeen duiding drong zich inderdaad nog een item in het zinnetje op: interpretatie van de omringende patronen. Een dagtaak, nu politici in de Lage Landen zich het schompes preformeren. De concepten die het meest recent hebben getriomfeerd, blijken dan ook vatbaar voor discussie. En wat moet men ermee dat een partij eerst niets van een andere moet hebben en er daarna gedoogsteun uit peurt? Of dat nog een andere partij niet wil spreken over een nationale coalitie totdat hij uit de boot valt? Schitterend dunkt me dat degene die hier allemaal richting aan moet geven, in zijn verslag geen verschil maakt tussen ‘hun’ en ‘hen’: meewerkend en lijdend voorwerp zijn identiek.
Terwijl de ene waarnemer de uitleg daarvan aanlokkelijk vindt, vervalt de andere in afgrijzen. Vermoedelijk is de laatste in de meerderheid, omdat wat ik ‘patronen’ noemde ten aanzien van ‘de politiek’ worden ervaren als foefjes om het laken naar zich toe te trekken. Met dat zoeklicht komen in Michels sententie machtsmanoeuvres tevoorschijn.
Interessant is dan David van Reybroucks visie op de geschiedenis, zoals hij die onlangs in een interview expliciteerde. ‘Het is geen strijd tussen de goeden en de slechten. Er is ook geen sprake van reusachtige, zorgvuldige uitgewerkte samenzweringen die uiteindelijk hun beslag krijgen. Het is het verhaal van individuen die in een bepaalde context op een gegeven moment beslissingen nemen die volgens hun eigen logica coherent zijn, maar die toch tot confrontaties leiden. Men reageert meestal ad hoc.’
Dit is een verfrissend idee van ‘hoe het werkt’, ook omdat de korte termijn erin domineert – de indruk rijst dat het milieu, demografische ontwikkelingen et cet zaken zijn van een later belang, hooguit goed voor gezoem. Tegelijk heeft het iets lichtvaardigs, temeer daar juist de praktijk waar vanuit Van Reybrouck suggereert te denken, door anderen gepercipieerd kan worden als iets veel doelgerichters. Toegespitst op een verzameling moleculen in het literaire universum stelde Martijn Benders bijvoorbeeld:

‘De smaak in de Nederlandse poëziewereld wordt vooral achter de schermen bepaald, niet zozeer door uitgevers maar door zogenoemde “sleutelfiguren” die elkaar korte, kernachtige boodschappen toesturen waaruit de rest kan opmaken wat het beleid is aangaande een bepaalde “verschijning”. Wie deze sleutelfiguren zijn weet officieel niemand. Het zijn meestal niet de mensen die ook publiek opereren. […] Achter de schermen gaat het er vooral erg autonoom aan toe, elitair, koud, afstandelijk. De sleutelfiguren communiceren ook nauwelijks met elkaar, zij beperken zich tot korte boodschappen aan het middenveld. Vriendjespolitiek zit vooral in de laag daaronder.’

Hier heeft het gezoem plaatsgemaakt voor de koersvaste bij. Zeker is dat door de smalte van dit universum het Matteüseffect dat in de grote boze wereld vigeert, pregnanter tot uitdrukking komt. Ik doe daar op dit eigenste moment aan mee door het noemen van Michel en Van Reybrouck: hun werk heeft bij verschijning op een of andere manier een voorsprong op dat van collega’s, wier bekwaamheid niet per definitie minder is. Eens te meer werd me dat helder na een verhaal over een uitgever die probeert zijn dichter Jacobus Bos onder de aandacht te brengen.
Of dit nu een kwestie is van race, milieu of moment, mij gaat het om de ervaring die deze ongelijkheid schept. Mensen die helaas aan de verkeerde kant van de lijn staan, zijn volgens mij veel sterker geneigd, zeg ‘van onderaf’, allerlei machtsstructuren te zien, als een evidentie op te vatten zelfs, terwijl die door de bofkonten aan de andere kant van de lijn, ‘van bovenaf’, worden gerelativeerd of ontkend. Beide standpunten lijken onverenigbaar, behalve dan dat ze elkaar een zekere mate van ziekte toeschrijven (lieden die zeggen zich daar ‘niet mee bezig te houden’ zijn dikwijls in fysiotherapie voor hun ellebogen).
Deze schijnbare wetmatigheid intrigeert sterker doordat Van Reybrouck zijn visie benoemt als een volgende fase van ‘het old skool links engagement’ dat ‘een zeker zwart-wit denken’ met zich meebracht. Elders heeft hij de uitwerking van zijn standpunt al als nuancerende correcties op een ‘klassiek, progressief wereldbeeld’ opgevat. Hij waagt het naast ‘complotten, cynisme en berekening’ ook ‘oprecht idealisme’ aan bod te laten komen en dan met name ‘hoe nobele idealen in de praktijk vaak vreselijk verkeerd kunnen uitpakken’.
Aldus lijkt complotdenken een linkse hobby. Van Reybrouck zegt de ‘klassieke, marxistische geschiedschrijving’ overwonnen te hebben, inclusief haar ‘er is een volk, een onderdrukker en een bevrijder’. Die diagnose hecht te veel aan effect, dat zijns inziens onderscheiden moet worden van intentie waarmee wel inzicht ontstaat in de ‘complexiteit van het moment’. Van Reybroucks ratio van beslissingen krijgt zo eveneens diepte tegenover ‘een uitkomst die achteraf wordt aangebracht’.
Zou die intentie hetzelfde zijn als goede bedoelingen waarmee de honing binnengehaald wil worden? In elk geval klinken vanuit meerdere wetenschappelijke zijden geluiden op met de boodschap dat we beslissen op overwegend irrationele gronden. Daarbij weten, hoewel hun dicta nimmer ten detrimente van zichzelf zijn, zelfs de allerhoogste pieten zich tekortgedaan: anderen zijn nog veel erger want doen zus en zo et cet. In hoeverre zij zichzelf dan bewust bedotten, is minder relevant dan te erkennen dat het griezelige gevolgen heeft elke verantwoordelijkheid principieel van zich af te redeneren én dat het niet simpel is out of the box te raken om zichzelf objectief te beoordelen inzake motieven, handelingen en het al te menselijke verschil daartussen.
Op Jan Vanriets schilderij Besluitvorming (2006) sjokken allerlei mannen een trap op, ietwat wazig, en vooral de richting volgend van degene die voor hen loopt – vooruitgang in de meest letterlijke zin. Het is de vraag of de kunstenaar helemaal redelijk was toen hij dit krachtige beeld exclusief ophing aan partijgangers in het Sovjetsysteem. Ook met een minder zichtbare ideologie worden we kennelijk grotendeels besloten.
Eigenlijk verdient de bij alle sterkte.

dinsdag 27 juli 2010

Ontneutraliseren

Vanuit België krijg ik ontwikkelingen in de Noord-Nederlandse taal meer of minder bewust mee door nationale sites en door televisieprogramma’s. Een stoomcursus biedt echter een niet aan enkelingen voorbehouden verblijf ter plekke, al was het omdat dan soms blijkt dat kwesties een sluimerend bestaan hebben geleid. Zo had ik al een tijd de indruk dat woord ‘het’ in het nauw raakt wegens masculiene overdruk. Demonstratief geschiedt dit in de zegswijze ‘Hoe gaat het met je?’. Nadat, vermoedelijk als gevolg van de globalisering (How are you?), ‘met je’ is weggevallen, klinkt steeds vaker de variant ‘Hoe gaat-ie?’ op, die al als voorkeursversie wordt beschouwd. Nu betreft dit natuurlijk een vraag die niet helemaal als zodanig bedoeld is en waarop men beter zuinigjes antwoordt, maar mijn bejaarde opties ‘goed’ en ‘gaat wel’ beginnen het vanuit de bron zelf te laten afweten. Niet zozeer omdat helder is geworden dat ze beter ‘helemaal goed’ of ‘top(pie)’ kunnen luiden, als wel doordat bevreemding mij bekruipt. Wie is die ‘ie’ toch? Veel opbrengst heb ik nog niet. Mij dunkt dat de uitdrukking ‘Hoe gaat-ie?’, en dan vooral haar helaas onovertroffen trap ‘Hoe is-ie?’, indien ze althans enigszins suggestief onder meneren galmt, varieert op de belegen initiatie-uitroep ‘Alles kits achter de rits?’. Dan zou ‘ie’ een dekmantel zijn voor Johannes of Willy of zo. Maar verder? Er wordt wel beweerd dat men voor de meest actuele wijsheden van een land taxichauffeurs moet raadplegen, maar onlangs waagde ik een aantal pogingen bij verschillende bakkers. Nu ja, eerlijk gezegd was mijn honger na het eten van een broodje niet gestild en bestelde ik er nog eentje. Toen vernam ik: ‘Ja, was-ie lekker?’ Aan mijn mond zou automatisch ‘het’ zijn ontsnapt, wat – bij wijze van gelukkig toeval – overeen zou stemmen met het geslacht van ‘broodje’. Wilde de verkoper door naar zijn eten met ‘ie’ te verwijzen een vertrouwdheid scheppen die mij als consument van dezelfde sekse naar meer doet snakken, zoals Bush junior na 9/11 schijnt te hebben gezegd dat het beste wat je voor je land en medemens kunt doen is: kopen tot je erbij neervalt? Of wilde hij domweg een portie gezelligheid domesticeren? Ik raakte er niet uit en at en vergat alweer bijna. Een paar dagen daarna, vijftig kilometer verderop, vroeg een bakker me na mijn bestelling van diverse broodzaken luid: ‘Dat was ’m?’ Halsoverkop voelde ik me een onderzoeker en voor de zekerheid herhaalde ik even later wat plots een test was bij een concurrent en kreeg hetzelfde resultaat. Vreemd. ‘Bestelling’ is vrouwelijk, dus ‘Dat was ’r?’ had in de rede gelegen voor sprekers die ‘Dat was het?’ niet meer over de lippen kunnen krijgen. Wat is er gebeurd? Na de mysterieuze ‘ie’ een dito ‘’m’: wie zijn dat? Modelburgers? Mascottes van de natie? Toen daagde het besef dat ik het alternatief voor de winkelvraag ‘Dat was het?’ lang niet meer gehoord had. Het gaat om de fameuze ellips ‘Anders nog?’ die, ruim een eeuw na ‘Doctor Livingstone, I presume?’, zeker bij afhaalchinezen dan wel deed wanen een Scandinavische ontdekkingsreiziger te zijn maar aan mij nooit de weerlegging ‘Nee, Marc Kregting’ wist te ontlokken. In de survival of the fittest die taalevolutie natuurlijk evengoed is, heeft ‘Dat was het?’ dus eerst van ‘Anders nog?’ gewonnen en accommodeerde vervolgens nog vruchtbaarder tot ‘Dat was ’m?’. Dit zou kunnen aansluiten bij een tendens die volgens mij door André van Duin is ingezet, toen hij over (als ik het me goed herinner) een mop zei: ‘Hij is leuk’. Dit lijkt een staande uitdrukking te zijn geworden, multi-inzetbaar. Met ‘hij’ werd de referent iets van ons allen, zelfs het splinternieuwe blijkt een oude bekende. Het gezegde wordt er zo meer eigen van, geïnternaliseerd. Waarschijnlijk heb ik een wankel taalgevoel of een soortgelijke geest, maar ‘Dat was ’m?’ smaakt me depersonaliserend. Tevens zou het me niet verbazen wanneer in België de frase ‘Dat was het’ nog wel even zal voortleven en zonder vraagteken uitgesproken wordt, omdat ze uit de mond moet komen van de klant – aangezien de winkelier het als meer ‘discreet’ of ‘sereen’ ervaart te zwijgen. Wat is ‘het’ eigenlijk een groots woord! Persoonlijk voornaamwoord, lidwoord, onbepaald voornaamwoord… Ooit werkte ik samen met een bassist, die aan de toog van een café immer informeerde: ‘Kan ik hier hét doen?’ De wat angstige wedervraag ‘wat?’ specificeerde hij met ‘koffiedrinken’. Wat een restloos te vullen amplitude, bijvoorbeeld in vergelijking met ‘iets’! Naar mijn gevoel wordt het woord slechts overtroffen door het zo mogelijk nog prachtiger en krachtiger ‘alles’, dat elke ideologie soeverein in het particuliere trekt. Zou ‘het’ in het hoge Noorden als onpersoonlijk worden ervaren? Ik gok er vooralsnog op dat met ‘Dat was ’m?’ grammaticaal maatwerk wil worden geboden waarmee de bestelling als het ware tegelijk in de handen ligt van verkoper en koper. Een bepaald eng idee van democratie: ‘consumeren kunnen we allemaal’. Ja, er valt zoveel meer te delen dan de spreekwoordelijke smart alleen.

vrijdag 9 juli 2010

Boemerangkind

Als moordenaar in opleiding spoot ik de insectenverdelger (‘plantaardig product’) in de wel erg breed geworden reten van het plaveisel op de koer, maar het spul kwam er gewoon even verderop uit, inclusief de mieren die nog volop in beweging waren. Betekende dit dat ik terug moest naar voor de Tachtigjarige Oorlog, naar de strategie om domweg kokend water in het tunnelcomplex te gieten? Of diende ik meer van dat plots lankmoedig ogende biospul in te brengen om de dieren te inunderen? Ik kwam niet tot een beslissing en besloot het toneeltje maar symbolisch op te vatten.
Sinds ik in België woon dient het besef zich aan dat het een volkomen ander land is dan mijn gekke oude Nederland. Zo heb ik menig cultuurschokje ondergaan. Het valt bijvoorbeeld niet te ontkennen dat studenten hier beter opgeleid worden en intellectueel een enorme voorsprong hebben op hun Nederlandse leeftijdsgenoten die echter, lijkt mij, zelfstandiger zijn. Belgische studenten weten bij al hun verbluffende kennis hoogst zelden hoe ze een ei moeten bakken en lijken dermate vurig aan de rokken van ‘de mama’ en de schroevendraaier van ‘de papa’ te hangen, dat een onhandige kluns als ik zichzelf bijna als praktisch gaat beschouwen. Wel zijn er over de diersoort ‘intellectueel’ onloochenbaar vooroordelen, die lopen van Wendehals uit ideetaxatie tot oogklepper uit hartstochtelijk idealisme, maar deze boutade durf ik wel aan: Belgische intellectuelen kijken op het moment suprême de andere kant op. Sinds ik zelf papa ben, is die indruk in letterlijke zin alvast bevestigd. Of ik met ‘de buggy’ schutter aan trein, bus of tram, het zijn uitsluitend allochtonen die helpen.
Nu heb ik geleerd daar vooral mijn mond over te houden opdat het prototype van de arrogante Hollander geen eer wordt aangedaan, maar bij gelegenheid pieker (‘filosofeer’, wilde ik eerst schrijven) ik er soms over. Dan doemt een ander trekje van dat prototype op: de ondernemer, die zo snel het kan het ouderlijk huis verlaat om dat slechts op wettelijke hoogtijdagen aan te doen. Daar valt moeiteloos een antagonistisch beeld bij te plaatsen: de onafzienbare stromen studenten elke vrijdagmiddag naar het station Leuven, om daar het liefst pas maandagmorgen terug te vloeien naar ‘het kot’.
Deze week is dat beeld aan diggelen gegaan, toen het Centraal Bureau voor de Statistiek wat onderzoeksdata verstrekte over Nederland en daar, terwijl bijna simultaan de ‘google-moslim’ in de begripsvorming werd gekatapulteerd, de notie voor moest munten van het ‘boemerangkind’. Vanwege een relatiebreuk, einde van een opleiding, locatie van een baan, gebrekkige huisvesting en dies meer blijken steeds meer adolescenten weer bij hun ouders in te trekken. Vooral jonge vrouwen setten deze trend: besloegen ze in ‘de jaren zeventig’ tien procent van het potentieel, inmiddels maakt een op de vijf dochters haar comeback in het ouderlijk huis.
Wat mij terzijde aan het bericht frappeerde is dat voor hetzelfde geslacht de aanleiding om ten slotte weer op eigen benen te gaan staan nogal eens het huwelijk is. Ik realiseerde me dat ik, behalve in België, zelden of nooit op een bruiloft ben geweest – die institutie was voor mijn generatie, of in elk geval de mensen om mij heen, ‘burgerlijk’. Een doopplechtigheid, die hier lang vrij standaard was en die schier vanzelfsprekende opvolging krijgt in een ‘communiefeest’, kan ik me niet eens heugen.
In mijn hoedanigheid van vader zou ik niet graag mijn jongere zelf tegenkomen. Die had daar een glasheldere opinie over, die behalve het toverwoord ‘burgerlijk’ ook het vroegecologische ‘onverantwoord’ bevatte, al was ze vooral getoetst aan inschattingen van geestverwanten. Wie op dergelijke wasdom doorredeneert ontdekt vroeg of laat dat, met ontstellende toepassingen, in ieder van ons ik-weet-niet-wat schuilt. Alleen al die waarneming wordt bij elk voorbeeld fanatieker als tendentieus gekaatst. Ten minste lijkt er een vitaal verschil tussen aanpassing, waaronder de gememoreerde Wendehals valt, en voortschrijdend inzicht. Voordat dit nogal ouderwets biologisch gaat klinken: ik onderken de werkelijkheidsnegerende risico’s van het vastklampen aan tot immense hoogtes stijgende principes ten bate van mensheid en planeet, maar mij is het even te doen om herpositioneringen, die net zo goed op het internet regeren (ik schreef er laatst nog over en wellicht lokt dat medium zelfs sterker dan andere gemanoeuvreer dat Richard Powers glansrijk vergeleek met drinken van zout water).
Erg ingewikkeld, vind ik meer dan ooit. Nu is het dezer dagen sowieso druk in mij vanwege de duistere successen van Oranje bij het WK. Ze wisten al enige containers kippekool te doen uitrijden. Mijn vraag is daarom nogal simpel: voel ik me eigenlijk betrokken bij mijn geboorteland? Het antwoord lijkt even simpel: minder dan voorheen. Daarbij dringt zich echter een complicatie op. Als de Rode Duivels zouden meedoen en ronde na ronde overleven, dan zou me dat even lauw laten. Niet dat mij niets gebeurt. Tijdens de wedstrijd bespeurt mijn lichaam (of brein?) sensaties die meer interageren met het verschijnsel spanning dan met een nationaliteit.
Of zit ik mezelf doodleuk te foppen? Lijd ik nog heviger aan blindheid, vanwege principes of bijgeloof? Voor een heel ander team koester ik de meeste sympathie, niet eens zozeer vanwege zijn egoloosheid als wel omdat het een gelegaliseerd vreemdelingenlegioen behelst. Het gevoel herinnert me aan een verblijf in Nieuw-Zeeland, een relatief jonge, snel opgebouwde staat, toen ik op een goed moment begon te snakken naar zoiets als een kerk, van steen en zo, en met glas-in-lood. Ik?! Een gebouw waarin ik louter kom bij begrafenissen (en ongemakkelijk de hostie weiger) en waarvan ik als toerist pap lust, minder vanwege de vaak aanwezige kunst dan door de schaduwrijkheid en de rust?! Ik snakte naar zoiets als traditie, geheugen, en voelde mijn natuurlijke habitat ineens erg ‘Europees’ worden.
In Nieuw-Zeeland ervoer ik volgens mij zoiets als kosmopolitisme, en dat beviel maar matig. Omdat ik bang ben voor mensen die erkennen dat naast ‘een weekendje Wenen of New York het eigen land ook best de moeite waard’ is? Omdat het dan nog maar één stap is naar een wat mij betreft bedenkelijke romantiek over het authentieke?
Nu nog wat destructie door nuance. Inzake mensen die nog geen ei kunnen bakken: Willem Wilmink (FC Twente) kon, getuige een documentaire, geen kop thee zetten. Allicht was het maken van koffie hem wel gelukt, omdat daar ooit ‘de individueel voorgedoseerde koffiefilter’ voor is bedacht – een Vlaamse uitvinding.

woensdag 30 juni 2010

Het juiste woord

In De woorden van Wilders & hoe ze werken meldt Jan Kuitenbrouwer dat dit boek completer had uitgepakt, indien het kabinet niet was gevallen. De ‘beperkte tijd’ die hij zich met zijn uitgever vanwege de vervroegde verkiezingen had gesteld, maakt het geheel inderdaad wat teleurstellend. Herhalingen en slordigheden drijven de lezer die ik ben geregeld naar het voorportaal van de ademnood, maar de materie is te interessant (en de stijl te innemend) om al die aanzetjes weg te wuiven.
Ik val vooral voor Kuitenbrouwers opsommingen van hoe Geert Wilders koffie en thee als argumenterend beeld inzet. De taaldeskundige concludeert dat de PVV ‘een echte koffiepartij’ is, ‘[t]hee is níet PVV’. Ik tracht te specificeren wat er in het pakket zit. Wie dat idioot vindt, verwijs ik naar ons taalkundig genie S. die, hoewel ze een verbijsterend vrolijk kind is, soms zware uren doormaakt indien het juiste woord niet strookt. Zo heeft ze winkelend Brussel eens platgelegd toen we haar een paar nieuwe laarzen (botjes) wilden geven, tot we ons realiseerden wat we, geheel volgens de pedagogische theorie, beloofd hadden te gaan doen: schoenen kopen.
De kiem van Wilders’ theeaversie moet liggen bij Job Cohen, die als ‘multiculti-knuffelaar’ een theedrinker blijkt. Kuitenbrouwer wijdt aan thee dan ook een apart lemma, waarbij deze drank verbonden wordt met ‘linkse hobby’s’. Een bepalend voorbeeld is in dit discours het uitdelen van subsidies. Omdat het door en voor vriendjes geschiedt, representeert thee geregel door smoezen. Kuitenbrouwer: ‘thee is eromheen draaien, thee is pappen en nathouden, thee is woenstijncultuur [sic]’. Hij hint met dat laatste naar Arabische gewoontes op een tapijtje, mogelijk met veel suiker.
Thee staat haaks op zero tolerance. Dat laatste zou op soortgelijk metonymische wijze op te wekken zijn met koffie. Bij dat lemma connoteren vervolgens meer voorbeeldzinnen deze drank positief. Kuitenbrouwer verbindt als gezegd koffie zelfs expliciet aan Wilders’ partij, waarbij aangetekend moet dat de bakermat voor dit genotvocht Afrika is, een werelddeel dat met zijn onbedaarlijke emigratieneigingen uit sociaaleconomische achterstand niet de hoogste PVV-vreugde losmaakt. Laat de mythe onbeslist of Ethiopië dan wel Jemen het koffie-oerland is, in Mekka, standplaats van de islam, stond het eerste typevoorbeeld van het koffiehuis, de Kaveh kane(s); in 1530 was er eentje te Damascus en in 1532 te Aleppo. En de variant die wij kennen verbreidde zich vanuit Constantinopel, 1554. Dat koffiehuizen als waarlijk Europese uitvindingen bezien worden, getuigt dus van Europese bijziendheid.
Bovenal associëren we koffiehuizen met debatten tussen onthechte intellectuelen, bohemiens en anarchisten. Koppel ik dat niet direct met Wilders’ alleenheerschappij over de PVV, de topos knipoogt wel naar een revolutie in de dop die dan een contrarevolutie behelst, back to the national basics. Niet voor niets bouwt Kuitenbrouwer vanuit Wilders’ fameuze kreet ‘Het moet niet gekker worden’ een identificatie met de archetypische (tot Riek Schagens reclame voor Sorbo volgehouden) huishoudster juffrouw Saartje in Swiebertje. Er is al gezegd dat die vergelijking dodelijk is, maar ze heeft ook, misschien is dat onvermijdelijk, iets zelfvoldaans. In elk geval mengt het bedoelde wereldbeeld monterheid met mopperzucht. Ten slotte legde Saartje zich bij de status quo neer. Er zou toch niet naar haar geluisterd worden. Ik betwijfel dat, met mijn geheugen als feilbare bron. Van alle personages staat me de juffrouw bij als de moreel meest superieure en onbetwistbare.
Kuitenbrouwer signaleert dat Wilders in 1963 geboren is, en dus in Swiebertje dé prent van zijn jeugd moet hebben gehad (de serie liep van 1960 tot 1975). Ten minste zij vastgesteld dat Saartje weinig streetwise is en dat Wilders tragischerwijze permanent door bewakers wordt afgeschermd. Anderzijds is de samenleving dermate complex geworden dat uitspraken over wereldvreemdheid ijdel zijn; doordat iedereen handelt naar zijn eigen overwegingen lijken er evenveel universa te ontstaan, wat empirisch toch een wankele observatie is. Vaker is opgemerkt, eveneens door Kuitenbrouwer, dat Wilders zich als buitenstaander presenteert terwijl hij, om te beginnen als speechschrijver voor Bolkestein, grote politieke ervaring heeft – en de lieve Saartje hoort er evengoed bij, ze krijgt ook geen kwaad woord van Swiebertje, Bromsnor of de burgemeester. Maar zijn PVV-kiezers en hun voorman uiteindelijk zo inschikkelijk als zij, wier biotoop slechts huiselijke interferenties kende? Of wil Kuitenbrouwer zeggen dat de koffie als het ware niet zo heet gedronken wordt?
Ik heb me afgevraagd of Saartje nooit thee schonk, zoals De woorden van Wilders & hoe ze werken pertinent weet. Is die drank niet minstens zo oubollig als het boekje over zijn object wil laten uitschijnen? Een fansite hangt de serie deze steekwoorden om: ‘De sfeer van 1900, van kattekwaad. Van koffie met koekjes. Gezelligheid’. Die koekjes intrigeren, omdat Wilders ze volgens Kuitenbrouwers opsommingen op de agenda heeft gezet, als uitstervend ras bij klaarblijkelijk van buitenaf geïnjecteerde gewoonten. Dan doemen er twee archetypen: mevrouw Drees die in 1947 Amerikaanse diplomaten voor het Marshallplan trakteerde op een mariakaakje en de identiteiten die prinses Máxima in haar nieuwe vaderland proefde, waaronder ‘één koekje bij de thee’. Maar da’s dus geen koffie, al werd het dat in de loop van de verontwaardiging stilzwijgend wel – over landskarakteristieken gesproken.
Tevens blijkt dat Swiebertje in de aflevering ‘Koffiepraatjes!’ te midden van drie nieuwe vriendinnen ‘de meeste koppen koffie had gedronken’. Een andere episode begint zo: ‘Het is een tijdlang erg rustig geweest in het dorp van de Burgemeester, Saartje en Luie Loodje. Ook Bromsnor had een gemakkelijk leven, want Swiebertje was in geen velden of wegen te bekennen. Maar nu is hij weer teruggekomen. Waarschijnlijk vindt hij de koffie nergens zo lekker als bij Saartje.’ Ten slotte wordt de in het revolutiejaar 1968 ontworpen figuur Malle Pietje gekarakteriseerd ‘met zijn eigen taaltje’ in het voorbeeld: ‘Nou gane we effe een koppie koffie drinken’.
Natuurlijk zijn het allemaal flat characters, en Kuitenbrouwer demonstreert ook dat Wilders bewust in essentialia spreekt en dus overdrijft. Zelden zijn meningen zo hardnekkig als feiten gepresenteerd. Dat maakt Wilders’ multiculti theedrinker ook zo onwerkelijk. Sterker, Cohen heeft heel literair een reïficatie ondergaan. Dat is niet zo bijzonder. Ik wil geen boekje maken over het patois van het taalkundig genie, maar mij staat bij me dat ze, nog geen drie, tijdens ijskoude winterdagen eerst iemand verbijsterd aankeek die liep op bontlaarzen en dat er even later een man naast ons in de trein ging zitten van wiens gezicht amper iets te zien was vanwege een gigantische baard – en een bontmuts. En door de coupé klonk de vraag: ‘Wa’s dat hier nu?’

maandag 21 juni 2010

Hollands Glorie

Zaterdag 12 Boeken hebben weinig draagwijdte, laat staan literaire boeken, om nog te zwijgen van poëzie, waarin ‘hermetische’ gedichten zelfs ridicuul worden, helemaal van een onbetekenende. Is het dan een extra groot genoegen een week op een internationaal poëziefestival te mogen spelen, de associatie met een economische vluchteling dringt zich op. Inburgeringscursussen kunnen worden vervangen door een verblijf van zeg drie dagen op station Roosendaal. Het regent er zelden nooit, omroepberichten in vier talen worden zo vaak afgespeeld dat wijzigingen in tijd of perron onuitgesproken blijven en de kleinste koffie heeft er de kwantiteit van vijf espresso’s en de sterkte van een vijfde espresso (bij de voormalige kiosk was er in de hoek op een plank boven roerspatels, tinnetjes melk en zakjes suiker het opschrift ‘kleine deksels’). Zondag 13 Bestaat er een code voor liftgedrag? Het schijnt internationaal de gewoonte op roltrappen rechts te houden voor spoedeisende personen met koffertjes en nu ik met een ongetwijfeld luid spelende iPod in de lift sta terwijl er iemand tussen de deuren glipt, zou het vriendelijk van mij kunnen wezen de muziek stop te zetten. Ik doe het en dan hoor ik muzak. Of stel ik de vraag omdat ik de uitslag van de verkiezingen ducht die nu in het woonland plaatsvinden? Zeker is dat deze drie liften erg efficiënt en ruimhartig werken. Wie ze met een druk op de knop roept, kan zien dat er één zich voor dat verzoek beschikbaar stelt. Maandag 14 Het taalkundig genie S. wil dat ik naast haar aan de ontbijttafel ga zitten, zodat de bejaarde dichter niet meer zijn vinger naar haar kan uitsteken waarin ze mag knijpen. Gisteren had ze hem bij het diner ademloos gadegeslagen, af en toe ging er een hap en een slok naar binnen, en sporadisch verlieten er enige, naar verluidt goed in een Kirgizië-discussie gemikte, woorden zijn mond. De meeste tijd soesde hij, kin op de borst. Straks gaat S. naar Blijdorp neushoorns kijken. Dinsdag 15 Het is geen retorische figuur dat ik nu schrijf ‘met alle respect’. Dus: met alle respect voor de ongeveer 3000 slachtoffers en ook wil ik de impact in de representatie niet betwisten, maar ik twijfel of het pas geeft 9/11 te vergelijken met de ramp die BP in de Golf van Mexico heeft aangericht. Van mijn part mag de verhouding inderdaad 40% Britse en 39% aandeelhouders zijn, samen zitten ze aantoonbaar ruim boven de 71% die water op de aarde heeft. Dat schept toch wat verantwoordelijkheid, die niet op een vuvuzela kan worden uitgeduid. Woensdag 16 Bij de inzwering blijkt dat Tweede Kamerleden, geheel conform ‘de diplomademocratie’, bijna allen een academische achtergrond hebben. Wel wat anders dan de onderwijzers van weleer. Toch hadden die intellectuele standing. Wie zou er inmiddels niet op de universiteit gestudeerd hebben? Geen idee, maar doctorandus betekent: ‘hij die doctor moet worden’. Dit meen ik me te herinneren, terwijl ik, vechtend tegen een deadline voor een literair tijdschrift, het uitzicht bewonder van de plots fallisch aandoende torenflat waarop staat: ‘De tour win je in bed. Joop Zoetemelk’. Gelukkig weet ik dan nog niet dat ik voor de derde nacht op rij geen Febo open zal treffen voor een heerlijk gore satékroket. Donderdag 17 Naar mijn smaak net iets te fijntjes memoreert Tony Judt dat in Italië ooit studerende zonen uit de betere middenklasse in naam van de revolutionaire rechtvaardigheid onderbetaalde agenten in elkaar sloegen; verderop meldt Het land is moe dat in Engeland en Spanje kunst wordt gefinancierd uit particulier uitgebate loterijen, ‘gelegaliseerd gokken’, noemt Judt dat, met geld uit het armere segment van de samenleving. Win for life? Maar ik wil niet lezen. En ondertussen, in Nederland was het ‘echt waar?’, in België ‘serieus?’ – verbasteringen van het Amerikaans, begrijp ik nu, terwijl ik mijn moed bijeenraap en poog praatjes uit te slaan met een meninkje hier en daar, en daarop verneem: ‘really?’. Natuurlijk niet, it’s the ontology, stupid. Vrijdag 18 Het museum biedt plaats aan interventies. Fotograaf Hans Wilschut heeft in het trappenhuis een panorama van de megacity Nanjing, waarop geen mens te ontwaren valt maar dat wel laat uitschijnen dat zelfs op de recentste noden aangepaste architectuur razendsnel veroudert. Wat een beroeste airco’s in wolkenkrabbers! Op weg naar de schouwburg zie ik de vrouw van de wereldberoemde dichter foto’s nemen van een rij fietsen. Begin van de week overviel me spijt geen toestel bij me te hebben, na wat rationalisaties, toen er bij de tramhalte een man stond te wachten die geheel in een oranje konijnenpak was gehuld. Zaterdag 19 Hopelijk liet ik me bij het afscheidsprogramma niet te zeer kennen in mijn begeestering voor de entr’acte: het saxofoonkwartet dat een flard uit ‘Song To The Pharoah Kings’ van Return To Forever speelde. Aan het ontbijt zegt een Hollandse krant dat Bart De Wever zijn studie afbrak om zijn passie voor politiek te volgen, dat hij momenteel veel Latijn spreekt en dat hij, oud nieuws, de harten van heel veel kijkers won door zijn imago van ‘grijze muis’ bij een televisiequiz te verwisselen voor dat van de geestigste thuis, inclusief zelfspot. Wat mij was ontgaan: op hetzelfde medium zou hij zijn blijkbaar meetikkende ‘meedogenloosheid’ hebben gerelativeerd door in een passage over het royeren van Jean-Marie Dedecker uit de partij natte ogen te hebben gekregen. Zondag 20 Bij alle verwennerij vanonder de stolp steeds de sensatie: is dit waar? Ik doel niet op reflexen over subsidie (Wilders had met zijn kersverse fractie eens moeten komen kijken wat voor een toegankelijk buitengewoons dit oplevert), noch op een zekere angst voor reacties uit media (‘parallel universum ontdekt in hartje Rotterdam’), maar op een verschil met buitenlandse collega’s, wier bestaan in armoede is gedrenkt, wier leven soms gevaar loopt, wier woorden bijv. door de censuur, zoals iemand schreef, ‘tot gedicht veroordeeld’ zijn. Bevreemdend om ten slotte samen op het podium, terwijl confetti daalde als in een heuse tickertapeparade, onder applaus te worden bedankt. Ramptoerisme? Ik snapte de collega die de scène op zijn mobiele telefoon vastlegde en feitelijk het publiek tot subject maakte. Dit is werkelijk gebeurd.

dinsdag 8 juni 2010

Stemadvies

Maken verkiezingen inderdaad nerveus? Nu België en Nederland bijna simultaan hetzelfde lot ondergaan, inclusief doorlopende opiniepeilingen die dito geïnterpreteerd worden en debatten die onderbroken worden voor een blik op wat Twitter ervan vindt, frappeert me vandaag een kort lontje bij iets wat vermakelijk is. Dan doel ik niet op een bewust ranzige verkiezingsspot die persiflerend zou zijn bedoeld – met zo’n verklaring vergaat me elke lust te kijken. Nee, de Volkskrant kreeg een fake-editie, en misschien omdat dit laatste woord een koppelteken behoeft had de titel ervan er ook eentje: de Volks-krant.
Toegegeven, ik zou ondertussen vaten met radicaliteit op kunnen maar volgens mij kwam het niet door de lol die ik beleefde dat het gemekker erbij extra opviel. Ik zou eerder denken dat dit initiatief van allerlei maatschappelijke belangengroepen een grote stap voorwaarts was vergeleken bij de reputatie van zuurderigheid en betweterij die 'links' geniet. In de berichten waren de absurditeiten daartoe te groot, en de positieve grondhouding werd gekwadrateerd. Gespitst op efemerismen in het mondelinge taalgebruik, waar ik geen voorbeelden van wil geven omdat ik er laatst bij herhaling zelf eentje uitsprak, kan het zijn dat ik er overgevoelig voor ben geraakt. Anderzijds zag ik in de fake-editie ook iets dat mijn even politieke thema koffie onderstreepte, zonder er confuus van te worden.
Mij verbaasde vooral een argument tegen de zeg maar ludieke actie die als bedrog aangevoeld werd: ‘Zonder credits, zonder colofon, helemaal anoniem? Jullie durven wel zeg! Neem eens verantwoordelijkheid voor je eigen lastercampagne.’ Hier wordt namelijk een kern van de democratie ontbloot als het gaat om nieuwsverbreiding. In België toont men zich daarin zelfs voorlijk: elke publicatie, inclusief poster, vermeldt altijd ergens de ‘v.u.’ (verantwoordelijk uitgever). Dit onderstreept dat we deel uitmaken van een systeem dat niet vrijblijvend is en gelukkig zo werd opgezet dat een mens onschuldig is zolang zijn schuld niet is bewezen. Da’s toch vrijheid van meningsuiting? Kwestie van de context bewaken waarin informatie wordt aangeboden?
In dit geval van de Volks-krant zou het effect echter tenietgedaan zijn. Juist anonimiteit kan blijde boodschappen bekrachtigen, zo’n rilling die veranderingsgezindheid niet ‘achterhaald’ maakt, omdat de bekende *** zus of zo beweert… Of zou het ergens anders aan te wijten zijn dat ik schrok toen ergens ooit een lijsttrekker aan mijn favoriete trainer in facsimile berichtte: ‘Politiek, linkse politiek, draait om kansen geven aan mensen om het beste uit zichzelf naar boven te halen. Dat doe jij ook met AZ. Petje af!’
Een v.u. geeft onderwijl evenzeer bescherming aan de privacy. Op dat vlak werd ik door een ander wereldnieuws beproefd vandaag, waarvoor ik evenmin het huis uit moest. In de bus viel een geadresseerde brief van een politica uit de stad. Met een echte postzegel! Op een sober A-4tje verzocht ze me in het belang van de toekomst en van de welvaart, die op het spel zouden staan, te stemmen op haar partij, met het curieuze slotargument: ‘Je doet er mij een plezier mee’. Wel netjes dat boven haar heuse handtekening in ballpoint stond: ‘Alvast bedankt’. Er was ook een foto op de A-4 geprint, en die kwam me bekend voor uit een krant die haar als opiniemaker heeft.
Dit is niet de eerste keer dat hier in België politieke partijen quasi-persoonlijke epistels laten binnenvallen, ondanks het feit dat er een sticker op de bus prijkt tegen ongevraagde reclame – waarnaar door deze constructie een lange neus wordt getrokken. Ik weet niet of het aan de postzegel ligt dat ze anders ogen dan zeg maar banken die je op soortgelijke wijze als klant willen ronselen. Telkens erger ik me er even hard aan als dat ik het vergeet. Het valt me van mezelf tegen dat ik er noch om kan lachen noch de vermoeidheid van me af kan schudden en erop te reageren – de achterkant van de envelop geeft nota bene een adres dat volgens het internet van de politica is.
Meer tuk ben ik dan weer op het toneel dat werd gemaakt van een collega-opiniemaker van haar, die in de Volks-krant opriep voor deze stiel ‘misschien zelfs eens Naar Buiten te gaan’. En privacy bleek pas echt geschonden door een blogger die kritische uitroepen van een zeer geroutineerd journaliste over de Palestijnse kwestie op het net had gezet, zodat deze 89-jarige dame van haar werkgever nu met pensioen mag. Praat anderen dan ook naar de mond! Maar da’s mijn mening zeg maar.

woensdag 2 juni 2010

Dus


Beside the stream there is a parking lot.

Yet there is no road into the
parking lot.
(Juliana Spahr)


Met deze posting komt een eind aan een reeks over het literaire tijdschrift, deels door mijzelf gemaakt, deels door gastauteurs. De reeks was een testje voor twee projecten waarop ik al een paar jaar broed: over de gevolgen van internet voor de ethiek en voor literaire hiërarchieën, en over auteurs als publieke intellectuelen. In ‘het literaire tijdschrift’ meende ik een onderwerp gevonden te hebben waaraan ik wat interesse en ervaring en kennis kon koppelen (het enige opiniestuk dat ik ooit, zo’n vijftien jaar geleden, heb proberen te schrijven ging erover) én dat door zijn lange traditie en tanende gezag verschillende meningen verwekte. Mijn hoop was dus dat hier een ‘debat’ ontstond, te toetsen aan mijn voorlopige bevindingen en waarmee de zin en onzin van een weblog als dit kon worden achterhaald.
Natuurlijk is een debat wel het minste waar een publieke intellectueel op uit is. Hij geeft zijn visie opdat lezers de hunne kunnen herzien of bevestigen. Hetzij expliciet hetzij stilzwijgend is er dan in de kern een debat geweest – maar louter het zichtbare krijgt die benaming. Ik ben momenteel vooral geïnteresseerd in deze variant, te vinden op de opiniepagina’s van dag- en weekbladen. De auteur heeft daar de rol van een door de secularisering bijna weggevaagd type van de pastoor of dominee, en moet door de printmediale economie acteren in formats.
Of het een oorzaak of een gevolg van dat laatste is blijft mij onduidelijk, maar het bedoelde type auteur lijkt mijlenver van de wereld geraakt, conform een imago van ‘de literatuur’ als leverancier van doorzicht en diepzinnigheid waar stervelingen niet bij kunnen. Nu mag op columns van zulke opinisten veel reactie uit het ondermaanse komen, het zal aan hun status liggen dat de nieuwe pastoors van dienst daar nooit op ingaan. Veeleer worden ze bijeen in de biotoop gehouden en reageren ze louter op elkaar. Bij hoge uitzondering krijgt een criticus van buitenaf kans als antagonist te fungeren, maar dat lijkt ook een format, dat de rite in stand houdt.
Lezers van dit weblog zal het niet verbazen dat ik weinig tuk ben op dit opinisme. En sinds ik er voor mijn project stelselmatig op ben gaan letten, lijkt de branche te expanderen, wat dan weer oefening geeft aan mijn incasseringsvermogen. Lang heb ik getracht het fenomeen ten minste sociologisch boeiend te vinden, maar het beroep op uitgerekend de literaire stiel en op de redelijkheid van het standpunt, dat zich naar mijn indruk vaker in het Interbellum waant, maakt dat steeds lastiger – geregeld verslindt opinisme het schrijverschap dat het pretendeert te vertegenwoordigen. Van oudsher wordt op dit spel als geheel het label ‘circus’ geplakt, maar de dieren hoeven niet beledigd: zij kiezen er niet voor om een strandbal op hun neus te balanceren. Sommigen opinisten lijken zich daarvan bewust, thematiseren het, maar men kan of wil zich niet bevrijden uit de cultuurindustriële ketens waarvan ‘de literatuur’ slechts een schakeltje is. Afgaand op de naakte resultaten uit dat discours vervalt men bijna nog in een gerieflijk cultuurpessimisme dat op dit front domweg het gelijk aan zijn zijde heeft.
Telkens wanneer ik denk dat het dieptepunt is bereikt, blijkt het erger te kunnen. Dit weekend had De Standaard in samenwerking met Le Soir een aparte bijlage met 50 x 5 minimeningen over België op 5 vragen. Natuurlijk, de verkiezingen zijn in aantocht, maar daar zit nog een heel weekend tussen. Dus de bijlage kan niet anders willen dan ‘de concurrentie te snel af zijn’. Maar met wat? Vond ik het in de Voetbal International altijd leuk een rubriek uit te vlooien met vragen als ‘Favoriete boek? De ontvoering van Freddy Heineken’, hier begint het me te duizelen of er iets anders dan zelfoverschatting en ijdelheid is dat die stamgasten, onder wie als ‘schrijver’ aangemerkte lieden, beweegt inzichten te ventileren over zaken als ‘Welke popsong zou volgens u een goed volkslied zijn voor de andere taalgemeenschap?’
Op het internet ogen de commentatoren juist aanraakbaar. En omdat het debat op dat medium de modus vivendi is, wordt het begeerlijk, mede daar ook niet-opinisten hun lezers zelden direct bereiken. Literaire boeken bewaren haast per definitie afstand, terwijl het web, hoe oneindig ook, geschapen lijkt voor allerlei netwerken die het voor kunst zo precaire idee van een gemeenschap, of noem het altruïsme, in de verf zetten. De theorie is alvast geweldig. Zelf ben ik daar dan nog extra op gespitst vanuit een hang naar confrontatie ten behoeve van dissensus, waar een politiek idee over democratie aan kleeft.
En ik moet zeggen: de eerste signalen waren hoopvol. Mensen die ik vroeg mee te werken toonden zich bereidwillig en, een enkele uitzondering daargelaten, allerminst terughoudend, laat staan bokkig over het ontbreken van een honorarium. Voor mij was het een verademing andere teksten dan van mezelf op mijn blog te lezen. Er viel nieuwe kennis op te doen en de begeleiding in die ongrijpbare virtualiteit was spannend. Want er kwamen reacties. Wellicht is het symptomatisch dat ze mij niet alleen als comments bereikten, maar ook per mail. Vallen er uit die onzichtbaarheid voor het publieke oog diverse verklaringen te verzinnen, eentje ervan zal zijn dat de omgang op het medium internet angst inboezemt. Daar kan ik me inmiddels iets bij voorstellen.
Mijn verlangen naar verse ideeën maakte gaandeweg plaats voor huiver om mijn eigen blog te bezoeken. Ik vond dat een ontluisterende ervaring.
De dialoog die ik hoopte te vinden bleek soms een opeenstapeling van monologen, die mij nu juist van printmedia zo tegenvallen. Misschien was het dan niet eens zozeer de bijkomende agressiviteit die mij terneersloeg als wel de afwezigheid van argumenten en feiten. Ze werden op schier triomfantelijke wijze overvleugeld door bashing van niet-gelezen auteurs, bladen of sites, waarmee een amorfe tegenstander, die steevast met zijn eigen carrière bezig is en daarin schaamteloos van hogere pipo’s steun krijgt, een naam kon krijgen. Zodat mijn blog een schandpaal werd, als ik niet ingreep.
Ik besloot wel in te grijpen, wat een weinig verheffend schouwspel opleverde – dat ik maar laat staan om mezelf scherp te houden. Mijn interventie bestond eruit te vragen naar bewijs voor de geuite beschuldigingen. Complex is dan dat die niet als zodanig werden ervaren. Ik besef dat mijn vraag geënt was op een journalistieke principe van hoor en wederhoor, terwijl hier als waarheden geponeerde stellingen rondgingen waar geen onderzoek naar was gedaan. Wilde worden gedaan. Simultaan maakte door mij dan gezochte informatie geen indruk omdat ze sowieso niet zou kloppen, en aangeleverde getallen toonden hooguit de gerenommeerde onbetrouwbaarheid van statistieken.
Door zo’n aanpak worden termen als ‘misschien’ en ‘de schijn van’ het hoogst haalbare, een offensief waar een defensieve houding bij hoort. De afkeer van een empirisch fundament maakt van uitspraken insinuaties, tot in het oneindige te herhalen en te reproduceren. Zoiets tergt mij: internet is dan toch individueel, en een gemeenschap, laat staan waarheidsvinding, vindt geen toegang. Ongetwijfeld word ik dan veel te opstandig en, vooral, onverbiddelijk in tegenredeneringen, alsof ik de openbaarheid wil laten straffen. Maar of daarover ook kan worden gerept in termen van ‘censuur’? Laat ik het zo uitdrukken dat ik loze beschuldigingen niet duld en desnoods verwijder om iedereen aan het woord te kunnen laten. Onthulde een erg respectabele autoriteit ooit dat de leugen regeert, dit lijkt me even beroerd als dat de angst dat zou doen. (Wie wil zij doorverwezen naar een andere kant van het verhaal; uiteraard houd ik er rekening mee gebeurtenissen en mensen verkeerd in te schatten.)
Of het nu toevallig is of niet, na mijn ingreep werden de discussies veel meer open en leek er echt iets plaats te vinden als een gedachtewisseling, een wegen van argumenten en aanvoeren van alternatieven, herzieningen… Commentplegers durfden zich in elkaar te verplaatsen. Wat in printmedia onmogelijk schijnt te zijn geworden, kan dus toch! Wel is het me niet ontgaan dat dit volkomen anders wordt gepercipieerd: op De Honingpot spreekt men louter voor een ‘eigen kringetje’. Dat verwijt rijmt met de uitsluitingsdrift die papieren literaire tijdschriften vaak aangewreven werd – en die bevestiging kreeg door hun met veel publiciteit omgeven samenkomst Tegen de barbaren, waarbij het aanpalende medium internet wel aangeroerd maar niet uitgenodigd werd. Ingang kregen evenmin vele, niet oninteressantere collega-bladen. De conclusies uit het onderonsje waren dan ook mager tot nietszeggend; overigens heb ik van de vele, op zich eervolle signalementen van en commentaren op deze reeks door het internet zelf ook maar van welgeteld één posting iets opgestoken. En mocht het zo zijn dat ‘het debat’ zich inmiddels heeft verplaatst naar sociale netwerken, dan wordt dit ook al voor eigen kring, formeel daar zelfs bekrachtigd met de vriendenstatus.
Als een donderwolk boven dit verwijt hing het fenomeen subsidie. Een oneindig, permanent geactualiseerd aantal van zulke misprijzende oordelen is te vinden op De Contrabas. Geld scheidt dan goed van slecht. Meest in het oog springend was het in mijn reeks geregeld aan de orde gekomen recensieplatform De Reactor, dat al voor het in de lucht ging tegen de vlakte gescholden werd omdat het subsidie had gekregen; mysterieus daarbij is het verband dat tekst en gelinkt beeld blijft leggen tussen het platform en moslims. Notoir bij schier iedere op De Reactor verschenen posting is het bezwaar dat ze lang en saai zou zijn, en in een belabberde stijl gebracht. Zoiets kun je ook zeggen van de stukken die Achille van den Branden met een geducht uithoudingsvermogen dagelijks post; maar zijn blog is ongesubsidieerd en heeft ‘dus’ de wind mee. Wel bejegent De Contrabas (en het evenzeer op weggegooid belastinggeld vittende Knack) het keizerlijk betoelaagde Ons Erfdeel dan weer dociel.
Het fenomeen subsidie lijkt op De Contrabas ook de reden voor vaste hoon aan de dichters Huub Beurskens en Erik Spinoy. Ze worden immer opgevoerd als ‘commissielid’ en in die functie verantwoordelijk gehouden voor klaarblijkelijk niet aan deze site toegekend geld. Dit wordt persoonlijk opgevat, als een drama, en krijgt represailles voor hun poëzie. Bij Spinoy verloochent men dan zichzelf: hij kreeg in een bloemlezing van zijn nu dus vijandige circuit het maximale aantal gedichten. Als vermeld doen feiten er in deze contreien niet erg toe, maar mochten onder meer deze twee auteurs dat negatieve subsidiebesluit inderdaad genomen hebben, dan werd het met terugwerkende kracht als correct bevestigd. Da’s wel spijtig voor de informatieve kant aan De Contrabas: links naar allerlei buitenlands poëzienieuws (een prachtig initiatief voor een overzicht van alle reguliere verschijnende dichtbundels werd narrig ontvangen en snel gestaakt). Je zou wensen dat die ontzagwekkende drive voor woede en haat gekanaliseerd raakt ten bate van de poëzie waaraan de bedenkers wel degelijk verslingerd lijken: wat een grandioze site zou er ontstaan!
Het voorbeeld van de twee over de hekel gehaalde dichters gaf ik mede, omdat het iets aan het item debat verheldert, namelijk zoals het op het internet gevoerd kan worden – met wat ik zou willen noemen de wraak van de openbaarheid. De theorie van het altruïsme gaat kopje-onder in narcisme. Een milde variant is aan te treffen in claims op de eindeloze ruimte. De Papieren Man heeft er onder het mom van bronvermelding een handje van bij derden nijdig te melden dat die zijn bij vierden gevonden berichten over vijfden zouden hebben gepikt; De Reactor kan sowieso niks goed doen omdat het een annexator blijkt. Doen zulke uitvallen vermoeden dat er schier permanent wordt gesurft naar eigen bezit van iets principieel fluïdes, er blijkt ook een extreme variant van virtueel narcisme te zijn. Men zwelgt in een slachtofferrol, van waaruit men quasi-monddood alsnog zijn waarheid kan vertellen. Zo ontstaan redenaties als dat onbezoldigde internetredacteuren werken uit liefde voor de literatuur, en onbezoldigde gesubsidieerde-tijdschriftredacteuren om de macht. Daarmee wil ik niet suggereren dat de zogeheten bovenwereld vrij van misbruik zou zijn, wel dat eigen internetgedrag niet in de beoordeling wordt betrokken. Sinds ik zoveel mogelijk laaglandse literaire sites voor mijn projecten volg, een jaar of vier nu, vallen me evengoed tactische strategieën op – alleen al de gedurige verschijningen en verdwijningen in blogrolls tonen gemanoeuvreer met vermeende mede- en tegenstanders.
Wel blijft het verbazingwekkend wat papieren literaire bladen aan bruutheid oproepen. Het is daarbij handig te beseffen dat er ooit anthologische ofwel programmatische waren; de eerste variant bestaat met het verdwijnen van Revolver niet meer in de Lage Landen, al is de claim op pluriformiteit er nog wel, meer dan ooit misschien. Daarbij hoort de enorme pretentie van de bescheidenheid, die aan de vermeende antagonist van het programmatische een hovaardig karakter geeft. Anders snap althans ik niet hoe een gelouterd bladenmaker anno 2010 zonder blozen nog wist te spreken over ‘de gebruikelijke zelfvoldaanheid van het literaire tijdschrift’.
Een andere reden voor de kritiek op literaire tijdschriften is ondertussen dat papier een wel erg gedateerde tekstdrager is in vergelijking met de virtualiteit, enerzijds omdat het een geringer publieksbereik heeft, anderzijds omdat het internet de kunstvorm an sich kan verrijken. Indien dat zo is, dan zouden sites, zoals programmatische tijdschriften, de oude avant-gardestrategie van de breuk met het bestaande kunnen realiseren. Nieuw was inderdaad flarf, maar daaraan lijkt een geestige paradox te kleven: door integrale citaten krijgt het auteurschap een andere status – de teksten horen niet per se op een gefixeerde plek. En dat bleek ook wel: (prachtige) principeteksten stonden her en der op het web en een bloemlezing, bekend instrument voor het scheppen van ruimte voor iets nieuws, verscheen bij een huis dat ook absolute tegenpolen in het fonds heeft. Daarnaast zijn er interessante dichters die vooral op hun eigen blogs bezig zijn, waaraan vanuit het internet zelf niet overdadig veel aandacht wordt besteed.
En dit is slechts een fractie van wat er op sites gebeurt. Hetgeen mij daarvan onder ogen is gekomen, maakte geen onvergetelijke indruk. Toch is alvast op het literaire deel van het web de traditie van de breuk op een curieuze manier voortgezet: object is niet langer poëticaal onwelgevallig werk, maar de integriteit van als ‘machthebbers’ gepercipieerde auteurs en mensen uit de infrastructuur van deze kunstdiscipline. Dan kan de wraak van de openbaarheid een concrete klacht meetorsen: ‘belangenverstrengeling’. Indien De Contrabas die uit, is het de pot die de ketel verwijt – maar dit zal niet snel gezegd worden, vanwege het vermoeden who cares?
Vaak mist de aanklacht elke andere grond dan een particuliere aversie of hebben internauten er domweg niets mee te maken, evengoed wanneer regels van privacy aan de laars gelapt zijn. Het ligt voor de hand niet te reageren, en dat gebeurt ook vrijwel altijd. Sterker, het is, logisch vanuit het individualisme dat de gemeenschapsoptie in de praktijk overschaduwt, normaal om op het internet, analoog aan opinisten, mechanisch een mening te droppen en reacties daarop niet te antwoorden. Maar als men conform prille internetmores zogeheten trollen uithongert en dus zwijgt op de wraak van de openbaarheid, dan blijven onwaarheden onweerlegd. Vertrouwen in het veelgeprezen zelfcorrigerend vermogen van internet, of in de interpretatieantenne van surfers, doet daar niets aan af. Terzijde groeit bij zwijgen de kans op aanvullende aantijgingen van ouderwetsheid en superioriteit. Indien er geen openlijk verzet komt op de wraak van de openbaarheid, dan wordt de exploitatie van internet als breekijzer voor het eigen gelijk getolereerd en gesanctioneerd. Wat haalt men daarmee binnen? De wraak van de openbaarheid draagt tevens toekomst in zich mee voor de omstanders: behandel mij als een koning, want bij teleurstellingen kan wat je ooit aan mij hebt meegedeeld tegen je gebruikt worden. Dan raakt het debat heel ver weg, want dit heet volgens mij ook wel intimidatie.
Tot slot. Het literaire tijdschrift heeft als weinig andere instituties de naam poortwachter te zijn door ‘kwaliteit’ te selecteren. Ik voel me genoopt aanhalingstekens te gebruiken omdat uit comments hier en postings elders op het internet moet worden afgeleid dat kwaliteit een verzinsel is van dat betwiste ‘eigen kringetje’ om een hegemonie te vestigen en vervolgens te behouden door elkaar de poet toe te schuiven. Het behoort tot een van de meer ingewikkelde grappen van de geschiedenis dat uitgerekend na het postmodernisme, dat autoriteitsschillen wilde afpellen, onder meer het begrip ‘kwaliteit’ door en door geperverteerd is geraakt. George Steiner zal nooit hebben voorzien dat zijn hypererudiete en humanistische exposés tegen postmodernisme in pletvorm virtueel zouden voortbestaan. Wie zijn Real Presences leest, uit het bange jaar 1989, waant zich op het executieterrein van een blog: de allergie voor gewild hermetisme dat slechts ten behoeve van gestanste vakgroepen gemaakt lijkt, het daar gebezigde obscure en onleesbare jargon voor een theorie van gebakken lucht, de literaire kritiek als parasiet…
Dank aan de gastauteurs en aan alle mensen die hier hebben gereageerd.

woensdag 5 mei 2010

Coreferenties (6)

Vandaag: literatuur- en boekwetenschapper Kevin Absillis (1980). Eind 2009 verscheen bij Meulenhoff/Manteau Vechten tegen de bierkaai. Over het uitgevershuis van Angèle Manteau (1932-1970), de handelseditie van zijn proefschrift. Eerder schreef hij het boekje Een kleine uitgeverij van stand (Demian, 2005) en redigeerde hij met Katrien Jacobs de essaybundel Van Hugo Claus tot hoelahoep. Vlaanderen in beweging, 1950-1960 (Garant, 2007). Hij is als postdoctoraal onderzoeker van het FWO-Vlaanderen verbonden aan de Universiteit Antwerpen en werkt rond (doorgaans op Vlaamse contexten toegespitste) thema’s als het denken over taal/literatuur, culturele identiteit en moderniteit en de geschiedenis van het gedrukte woord. Op internet zijn van hem stukken te vinden als deze, deze, deze, deze en deze. En dit is in opbouw.


De relevantie en de spreidstand 

Ooit stelden schrijvers het fenomeen subsidie ter discussie omdat ze het concept als zodanig ondeugdelijk vonden. Zo betoogde August Vermeylen in 1922: ‘De letterkundige, als persoonlijkheid, dient niet te worden aangemoedigd.’ Elke vorm van overheidssteun ontglansde de authenticiteit van het schrijverschap:

‘De scheppers zijn het zout der aarde, de trots, de onafhankelijkheid en, dikwijls, de opstand! Dat is de schoonheid van hun zending, en die moeten zij volledig aannemen. Zelfs moet men, meen ik, diegenen ontmoedigen die geen roeping hebben; en degenen die niet het voldoende heldhaftige temperament bezitten om aan de moeilijke toestanden te weerstaan.’ 

Na de Tweede Wereldoorlog veranderde het denken over schrijverschap op dit punt. De vooroorlogse economische crisis werd aanvaard als bewijs dat de meest drieste vormen van laissez-faire-kapitalisme niet vol te houden waren. Wie na 1945 nog de alleenheerschappij van vraag en aanbod verdedigde, had niet goed opgelet. Het ideaal was een staat die de markt laat floreren, maar zou ingrijpen als de algehele welvaart in gevaar komt. Welvaart had toen ook een immateriële component: een minimale voedselbedeling voor de geest werd noodzakelijk geacht om de beschaving op peil te houden. Nieuw aan dit cultuurbeleid was dat naast de (beoogde) verbruiker de producent duidelijker in beeld kwam. Hoe gehecht ook aan hun heldenstatus, schrijvers gingen geloven dat ze tegen het ‘schrikbewind’ van de vrije markt en de ‘bekrompen’ smaak van het publiek niet meer bestand waren, of alleszins niet zonder de hulp van een marktcorrigerende overheid. Deze ideeën ontwikkelden zich tot een doctrine.
De doctrine is nooit onweersproken gebleven, maar de laatste tijd lijkt de kritiek aan intensiteit te winnen. Wat mij in dit licht interesseert is een geschiedenis van de discursieve praktijk ‘maatschappelijke relevantie’. De inburgering van deze staande uitdrukking is lang met wantrouwen gadegeslagen door verdedigers van intellectuele en artistieke autonomie. (Het begrip kon toch alleen een verdere infiltratie van het nutsdenken betekenen?) Het streven naar die autonomie, dat in Vlaanderen pas na 1945 enige onvoorwaardelijkheid kreeg, was trouwens – dan is dat ook eens gezegd – geen op zichzelf staande ontwikkeling. Het was een onderdeeltje van het sinds de Verlichting haast allesoverheersende program van de moderniteit, waarin bovenal ‘functionele differentiatie’ als nastrevenswaardig werd voorgesteld (de verkaveling van de maatschappij in aparte domeinen waar met echte of symbolische diploma’s uitgeruste specialisten de plak zwaaien). 
Er bestaat dus een verband tussen de ideologie van de vrije (zo ongecorrigeerd mogelijke) markt en de ideologie van autonome kunst. Het komt onder meer tot uiting in denkpatronen (posthistoricistische bijvoorbeeld), argumentatieve strategieën en tot op zekere hoogte in poëticale opvattingen (o.a. de koestering van vernieuwing en subversiviteit). Toch blijft het vaak onbenoemd, omdat de vrije markt in het discours van culturele autonomisten, zeker sinds het einde van de verzuiling en de vermeende ontideologisering, als publieke vijand nummer één is bestempeld. Terwijl culturele autonomisten commerciële wetmatigheden als de motor van heteronomie bestreden, is de vrije markt in de ogen van haar advocaten echter eveneens een affirmatie van autonomie (wat van de staat afhangt is niet autonoom). Ieder zijn discursieve praktijk dus. Iemand als Pierre Bourdieu is daar vlotjes rondgedrenteld. Zeker in het postscriptum bij Les règles de l’art waarin hij de absolute onafhankelijkheid van kunst en literatuur zowat verheerlijkt, gaat hij ongebruikelijk weinig reflexief voorbij aan de beschavingsmythe waarop zijn betoog is geënt. 
De discursieve praktijk ‘maatschappelijke relevantie’ lijkt intussen buiten de oevers van mainstream media en ministeriële kabinetten getreden. Begrippen als relevantie, urgentie, engagement en betrokkenheid, niet verwisselbaar maar enigszins verwant, zijn ‘in’, ook in academische en in literaire literatuurkringen. Dit geeft aanleiding tot opmerkelijke spreidstandjes. Neem de vierde aflevering van het tijdschrift nY. Die was opgehangen aan de kwestie van het ‘opinisme’, een term die door mijn gastheer is gemunt. De redactie vroeg zich af waarom sommige auteurs tegenwoordig gretig ‘uit het literaire domein’ springen en via krant of weblog allerhande opinies openbaar maken. Schuilt daar een poëtica achter enzovoort?
In de inleiding onderstreepte de nY-redactie eerst dat ze zich ‘niet wenst op te sluiten in het strikt literaire’ en dat ze een literatuur verkiest ‘die zich niet vermeit ende verblijt in haar vanzelfsprekende waarde maar die zich afstelt op haar maatschappelijke context’. Het is toch nadenken geblazen over hoe deze uitgangspunten te rijmen zijn met de al gauw lichtjes kwalijke geur waarin de redactie de beoefenaars van het ‘opinisme’ zette. Want ‘opinisten’ zouden te weinig geloven in wat de literatuur met haar ‘specifieke vermogens’ vermag en het lezersvermogen om literatuur maatschappelijk te begrijpen ‘cynisch’ inschatten. Schat ik mijn eigen vermogen cynisch in als ik voorts lees dat de ‘opinisten’ stielbederf wordt aangewreven? Minstens gesuggereerd wordt alvast dat opinisten hun meningen ‘in kritische mindering [brengen] van hun ficties’ en door hun optreden niet-opiniërende auteurs een schijn van ‘autisme’ bezorgen. 
Verwante denkbeelden en veronderstellingen broeien in de door mijn gastheer op deze stek voorgepubliceerde en in het vermelde nummer van nY verschenen reeks ‘Spreektijd’, die ik overigens buitengewoon lezenswaardig vind en die knappe ontledingen bevat, net als, mmm, opinies. Toch staat naar mijn zin het talig spel, de gezochte betekeniswoekering en de cultivering van het meerstemmige onvoldoende in verhouding tot het netto inzicht. Het lijkt me intellectueel (niet financieel) te comfortabel om vanuit een wolk van literatuur teksten die naar rechtlijnigheid en helderheid streven, te bekritiseren, of schichten af te vuren op Tom Naegels (hij werd hier opgevoerd als een te weinig linkse populist die in dagbladen zijn ‘meninggevoeg’ doet). 
In de voorstelling van dat hele ‘opinisme’ zie ik toch weer een vorm van ‘autonomisme’ doorschemeren. Wat kan er immers worden bedoeld met die ‘specifieke vermogens van de literaire tekst’? Dat er vermogens bestaan die sommige teksten bezitten – de literaire – en niet-literaire teksten niet? Dat ruikt sterk naar, bijvoorbeeld, het Russisch formalisme. Het afwijkende, dat het literaire zou definiëren, heeft tot dusver niemand in de taal kunnen vinden, noch in narratologische en andere structuren – en jongens is er gezocht! Ik kan het literaire niet anders begrijpen dan als een sociale conventie. Ja ja, die deur staat al enige tijd wagenwijd te gapen, maar kennelijk zijn er gangetjes genoeg om ze te ontwijken. Vanzelfsprekend vormt het bovenstaande, gebaseerd op een krankzinnig klein corpus en veel intuïtie, nog geen aanzet voor iets definitiefs. Maar een werkhypothese zou deze kunnen zijn: het literaire spreken over literatuur lijkt de discursieve praktijk ‘maatschappelijke relevantie’ meer te tolereren, maar als punt bij paal komt wordt altijd weer een ‘specifiek’, en wellicht ‘authentieker’ schrijven geprivilegieerd. Het literaire spreken warmt zich aan idealen van een zuiverende differentiatie. 
De kloof met het academische spreken over literatuur oogt alvast verrassend klein. Ondanks een geproclameerde revanche van het engagement zetten op congressen zelfverklaarde saaie pieten de toon. En hun toon vormt een gebiedend wijsje: verwar uw Taak niet met uw hobby! Ook ‘authentieke wetenschap’ lijkt slechts te bestaan bij gratie van differentiatie. Het zal kortom wel even duren voordat niet-literaire literatuur niet alleen legitiem zal mogen heten, maar het ook zal mogen zijn.
Wat mij betreft? Het lijkt me raadzaam dat literaire en literair-wetenschappelijke spreekregimes ermee ophouden hun liefde te acteren voor de actief polyglotte wereld die Mikhail Bakthin een halve eeuw geleden in statu nascendi beschreef. Die liefde heeft behoefte aan geloofwaardigheid. Dat de literairen desnoods inspiratie putten uit het werk van Jeremy Rifkin. Deze econoom en bestsellerauteur (jakkes!) verkondigt overal dat we af moeten van het denkbeeld dat we rationeel, onthecht en autonoom zijn: ‘Die visie stamt uit de tijd van de verlichting. Ze werd 200 jaar lang gehanteerd en ligt aan de basis van de moderne markteconomie. De grote crisis is voor mij dan ook niet de financiële crisis, maar het feit dat wereldleiders twee eeuwen lang een verkeerde kijk op de mensheid hebben gehanteerd.’ 

In de eerste paragraaf parafraseer ik een en ander uit een tekst die ik vorig jaar in opdracht van Parmentier schreef. Mijn bedenkingen bij het ‘opinisme’-nummer van nY ontstonden toen ik eveneens in opdracht van Parmentier aan een tekst werkte voor een in juni te verschijnen dossier over de impact van verrechtsing op de Laaglandse letteren. Dank aan Arnoud van Adrichem voor de stimulans.