donderdag 22 december 2016

An existential problem



Een naar bijverschijnsel van het drama in Berlijn, dat niet over een moordpartij blijkt te gaan maar over asielzoekers en moslims, vind ik dat mijn vooroordelen bevestigd worden. Ergens hoopte ik dat politici een minimale waardigheid zouden ophouden door niet-recupererend te reageren, maar kennelijk was de verleiding te groot.
Dus daar ging Nigel Farage weer, en Filip Dewinter en Geert Wilders.
Nog een bijverschijnsel: de commentaren en weerleggingen daarvan die ze meteen oproepen, zowel pijnlijk en ergerlijk als hartverwarmend. En nu haak ik verdorie aan.
Af en toe dwing ik me een bliksembezoek te brengen aan Wilderstwitterland. Alle commotie rond zijn foto van een bebloede Merkel (wier gevoelens de PVV-leider kent sinds hij in de publieke ruimte als martelaar werd afgebeeld?) leidt een beetje af van de bijschriften. Het kan aan mijn beroepsdeformatie liggen, maar ik krijg de indruk dat Wilders' taalbehandeling verandert.
Ten eerste gebruikte hij in zijn initiële commentaar meer woorden met veel lettergrepen: ‘Merkel, Rutte en alle andere laffe regeringsleiders hebben met hun opengrenzenpolitiek de asieltsunami en islamterreur binnengelaten’. Het lijkt alsof hij dermate stoomt dat hij een basale communicatiewet vergeet. Met het woord ‘opengrenzenpolitiek’ zijn veel punten te scoren bij Scrabble, maar mede door de huidige spellingswetten leest het niet lekker.
Of verried Wilders’ formulering routine?
De zin als geheel, van 132 tekens, past amper in het Twitterformat. De lange woorden hebben iets weg van hyperlinks, van samenvattingen. Ze zullen voor een overtuigde volger volstaan. Dan nog is het werkwoord ‘binnenlaten’ volgens de schoolmeester in mij inexact. Het valt te verbinden met ‘opengrenzenpolitiek’, terwijl het bedoelt samen te gaan met ‘asieltsunami’ en ‘islamterreur’.
Ten tweede bediende Wilders zich in begeleidende tweets van poëzie. Daar valt bij te meesmuilen, omdat dit genre in zijn denken louter geschikt is voor zogeheten subsidieslurpers. Maar als kamerlid valt ook hij onder de zorgen van de overheid. Zijn digitale oplage ligt wel oneindig veel hoger dan bij dichters in hun ivoren toren van papier.
In deze jijbakkentraditie is het verder saillant dat Wilders zijn gedicht eerst publiceerde in het Engels en een uur later een vertaling gaf in zijn eigen Nederlands.
Dit is de oerversie:

They hate and kill us.
And nobody protects us.
Our leaders betray us.
We need a political revolution.
And defend our people.

Het fameuze wij-zij-denken (waarvan het internet een gelijkende Engelstalige variant geeft) krijgt hier een ereloge. Over de identiteit van de twee partijen licht het gedicht nog geen tipje van de sluier op. Alle vijf regels bevatten wel een wij, ofwel letterlijk, ofwel door ‘us’ en ‘our’. Het zij is waarlijk in de minderheid en wordt slechts in de openingsregel genoemd.
In rond gallicistisch Nederlands heet dit proces als geheel volgens mij insinueren.
De vertaling geeft meer operette:

Ze haten en vermoorden ons
En niemand beschermt ons
Onze leiders verraden ons
Een politieke revolutie is nodig

Om ons volk te beschermen

De laatste twee regels variëren op het origineel. Regel vier ontbeert namelijk een wij en oogt objectiever. De bepleite politieke revolutie wordt dan een performatief handigheidje en veroorzaakt een witregel. Zo krijgt het drastische middel legitimatie door het nobele doel in de slotregel.
Waarschijnlijk ben ik te veel door mijn eigen obsessies overmand als me ten slotte frappeert dat het origineel als een kalasjnikov alle zinnen afsluit met een punt, en de vertaling als een harmonieus multiculturalisme niet.
Wilders liet zijn Engelse gedicht vergezellen door een retweet van een zes dagen oudere schepping:

Islamic immigration

Is an invasion

An existential problem

That will replace our people

Erase our culture

End our freedom

STOP IT NOW

Hier voegde hij na elke tekstregel een witregel in (een techniek die, voor wat het waard is, ook in recente Nederlandse poëzie terug te vinden valt). De nadruk was zogezegd nog nadrukkelijker en vond een hoogtepunt in de slotzin die integraal was opgetrokken uit kapitalen.
Voor de toestand waarin deze tekst zich bevindt leen ik een term die Samuel Vriezen muntte: oorlogsmist. Wilders hoeft niet eens meer te insinueren en haalt maximaal rendement uit de vrijheid van meningsuiting. Een boude stelling wordt domweg als feit aangeboden. Daarin toont dit vooralsnog kleine oeuvre zich consequent.
Die reductie spiegelt zich zelfs syntactisch. De drie gedichten hebben een nevenschikking gemeen, die redenatie en oorzakelijke verbanden overbodig maakt.
Uit alle macht probeer ik te begrijpen waarom mensen zich door zulke opruiingen gesterkt kunnen voelen. Ik zoek raad bij het eerste nummer van Vrij Nederland als maandblad, dat op het omslag belooft: ‘Verzet! Zo gaat links weer winnen’.
Het bijbehorende interview met elf progressieve kopstukken willigt de belofte niet in. Voor de tigste keer gaat het over een ‘goed verhaal’ en ‘persoonlijkheden’. Terecht wordt gezegd dat burgers, de ‘onderstroom’ genoemd, al initiatieven ontplooien. En Zihni Özdil herhaalt zijn overtuiging dat je met Henk en Ingrid moet debatteren in plaats van hen te ridiculiseren.
Het mag simpeler en gedurfder, is de conclusie. Maar elders in het Vrij Nederland-nummer bekritiseert Hafid Bouazza het bijbehorende taalgebruik van ‘verbinden’, wat Bram Peper ter plekke verklaart uit het hebben van idealen bij ontstentenis van een ideologie.
Deze voormalige PvdA-burgemeester van Rotterdam hekelt de radicale systeemkritiek van de jaren zeventig, die hij eigenlijk verklaart uit de gevolgen van de secularisatie: politici waren voormalige gereformeerden en katholieken. Bouazza verwijt hun opvolgers een gebrek aan realiteitszin en het mijden van confrontaties. Zijn vrije meningsuiting is hem te dierbaar om ‘een politieke pion te worden’.
Van één tekst in Vrij Nederland weet ik vrij zeker dat deze aan links demonstreert hoe het niet moet. Twee verslaggevers trekken naar het voor hen wel heel erg diepe zuiden van Venlo om herinneringen aan Wilders los te peuteren. Dit resulteert in twee stukjes uit een schoolkrant en twee jeugdfoto’s.
Moet Wilders dus onserieus genomen worden? Natuurlijk kon ik het niet laten ook even naar de vernieuwde boekenrubriek te kijken. Eén medewerker produceerde één recensie plus vier signalementen. Zo wordt een poëziebundel voorgesteld in minder dan honderd woorden.

maandag 19 december 2016

Meerdere momenten




Al voor december steeg er in Oxford, lemmatisch epicentrum, witte rook op over het woord van het jaar. Het luidde ‘post-truth’. Behalve dat het een decenniaoud begrip bleek, was het naar mijn smaak ook misplaatst omdat iets pijnlijks abstraheerde of minstens buiten zichzelf plaatste.
Het was immers pas na het onwaarschijnlijke scenario van de verkiezing van Trump tot president, dat kritische mensen ontdekten dat er iets aan de knikker was met het sociale medium waarop zij voor hun geselecteerde publiek het beste van zichzelf hadden gegeven (inderdaad, ik weet niet waar ik het over heb en een blog als dit blijft passé).
Dus zal het waarachtige woord van het jaar een samenstelling moeten zijn van een prefix als ‘on-’ of ‘wan-’ met facebook.
Mijn wereld is er nog niet mee afgedekt. Enig gepieker gaf me een ander woord. Daarbij wil ik me hoeden voor actualiteitspretentie, omdat een soortgelijke poging me ooit himmelhoch had doen jauchzen over een inkeping bij beschuiten, die al jaren bleek te bestaan.
Met dat voorbehoud is mijn woord van 2016: ‘individuele verpakking’. Ik stuitte erop in supermarkten waar koekjes in kartonnen dozen met die aanbeveling verkocht worden. Om versheid te garanderen is elk afzonderlijk koekje gestoken in plastic.
Terwijl burgers verwoed proberen om op termijn te handelen voor het milieu en dus voor aardbewoners, bijvoorbeeld met herbruikbare verpakkingen, levert de industriële individuele verpakking maatwerk in de smaakbeleving. Altijd vers! Zo geformuleerd dreunt de pastoor in mij zijn teksten op, maar eigenlijk ben ik vooral verbaasd dat zoiets kan bestaan. Dan is er namelijk vraag naar.
Koekjes in de supermarkt zijn per definitie niet vers; wie die kwaliteit verlangt moet zelf bakken. Bij ontstentenis van kennis of tijd voor dat voor mijn part authentieke maakprocedé geeft de individuele verpakking het maximaal haalbare in retour.
Ook in de nieuwsvoorziening wint zo’n individuele verpakking aan belang. Het is een oude journalistieke (en literaire) wet dat een bericht beter pakt wanneer het door ogen van personen verteld wordt (Gerard Reve: vergroting door verkleining). Maar inmiddels gaat die versmalde blik boven alles.
Voorbeeldje. De tragedie in Aleppo wordt complexer, terwijl ‘het nieuws’ haar steeds meer terugbrengt tot getuigenissen van en over mensen: een dokter, Omran Daqneesh, een jonge twitteraar, een clown, enz.
Afgelopen weekend besefte ik dat ook poëzie een individuele verpakking kan hebben, door een lang gedicht dat De Standaard publiceerde precies ‘over Aleppo’. Het wisselde een licht variërende sloganregel ‘Er is alles in de wereld’ af met strofes over westers doen en laten. Ik citeer de eerste en laatste beschrijving:

Het miezert. Met mijn dochter hang ik ballen
in een kerstboom terwijl het bombardementen
regent op Aleppo. Iemand ligt te kermen,
ergens. In de verte rijdt een intercity
en in China produceren ze de schermen
die ons toestaan om in hoge resolutie
weg te kijken. De buurvrouw is aan ’t strijken.
(…)
In New York zijn diplomaten aan het eten.
Journalisten rapporteren. Echte venten
fantaseren over daden na het daten.
Elders kelen ze hun vijanden als schapen,
blok voor blok, zonder genade. Winterkwaaltjes
zijn gespreksstof bij de slager. Voor het slapen
krijgt mijn kind als elke avond één verhaaltje.
Kippen gaan op stok en vossen spannen listen.

De allerlaatste strofe van het gedicht is éénregelig en geselt met een verwijzing naar het spreekwoordelijke postoorlogsexcuus het geweten: ‘Morgen gaan we zeggen dat we het niet wisten’. Gevoegd bij het feit dat het geheel Nu heet en op de opiniepagina geplaatst werd, is het een nauwelijks verhulde oproep om in actie te komen.
Maar volgens mij is dat schijn en ik vrees dat ik het gedicht kitsch vind. Ben ik dan poortwachterig? Van de auteur heb ik nog nooit gehoord, zodat de weekendbijlage me voert naar het vermoeden van een zondagsdichterschap.
In de bundel Schrijverstypen, bij het afscheid van Gillis Dorleijn als hoogleraar letterkunde, droeg Dirk De Geest daar een artikel over bij. Hij grasduint door Candlelight-bundels en noemt verschillen met als officieel gepercipieerde poëzie. Die hebben ideologische achtergronden, bijvoorbeeld in het expliciet delen van een ervaring, maar ze schuilen natuurlijk ook in technische details.
Nog verrast het me dat er volgens De Geest in zondagsgedichten ‘dominantie van de onvoltooid tegenwoordige tijd’ heerst. Vanzelfsprekend! Temeer daar dát het is wat er, tot en met de titel, op de opiniepagina gebeurde.
Het gedicht toont in laatste instantie besef. Bijvoorbeeld dat het westen zich onmachtig opstelt of dat mensen onverbeterlijk zijn omdat ze in barre tijden hun banale handelingen voortzetten. Door de opiniepagina ondergaat het gedicht tekst wel een paradoxale genreverandering. Het wordt lifestyle, vol verontschuldigend narcisme, vol noties over zoals de wereld nu eenmaal is – die zichzelf feliciteren met dat bewustzijn over kritiek die gerelativeerd mag.
En de krantenlezer bekent aan de ontbijttafel: zo voel ik het ook. Hoera voor die individuele verpakking die nog bijna medeplichtig zou maken.
De dichter is mogelijk een bekende Vlaming. Hij wordt althans geïntroduceerd als een medewerker van een televisieprogramma. Dat vergroot mijn afstand tot de tekst: er spreekt wellicht minder een kunstenaar dan een insider van hoe er nu eenmaal bericht wordt over de wereld zoals die nu eenmaal is.
Mijn laatste restje clementie tegenover deze tekst wordt weggespoeld door de sloganregel die zelfs deze gedaante aanneemt: ‘Er is alles in de wereld, moet je weten/ en één moment telt meerdere momenten’. Zo voldaan dat deze knipoog naar Lucebert is, die van diens fameuze gedicht een matrix maakt! En kijk de zondagsdichter zich eens meten met de keizer van het laaglandse poëtische engagement uit de hovaardige twintigste eeuw!
(Of toont zo’n knipoog een gezond zelfvertrouwen? Zoals Jesse Klaver die een tot opiniestuk omgebouwde partijtoespraak kan beginnen met de zin ‘Er waart een spook door de westerse democratieën.’ Dat hij dat spook in de volgende zin identificeert als ‘het rechts-populisme’ toont dan wel dat hij met zijn individuele verpakking blind is voor links-populisme dat maar blijft hameren op ‘een nieuw verhaal’. Of zoals Peter Mertens die een hoofdstuk over migratie uit zijn nieuwe boek heeft geschrapt ‘omdat het anders te dik zou zijn’. Wat een lezersservice, wat een maatwerk!)
Aan het Aleppogedicht verbaast me uiteindelijk nog het meest dat de opinieredactie het op haar pagina publiceerde. Waarom dit uit de biotoop van de letterenbijlage gehaald? Was daar even geen rubriek voorhanden? Ik weet al niet hoe te ontsnappen aan cultuurpessimisme als ik, zowaar conform observaties van een vaste medewerker, opper dat die letterenbijlage ‘door de eisen van de tijd’ naar de vaantjes geholpen was…
Nu zijgt dus eveneens een onliterair podium door eigen toedoen ineen. Hopelijk niet door een wens ‘uit de eigen comfortzone te komen’, want die uitdrukking spreekt al jaren de post-truth. Parallelle universa blijven er hoe dan ook. Net als de individuele verpakking dienen ze pragmatische illusies.

maandag 12 december 2016

Vreselijk irritant




Amper branden de kerstlichtjes in de stad of de lijstjes doemen op. De beste uit het culturele aanbod van het afgelopen jaar – voor mij is dat een beschamend fenomeen. Wat weten anderen veel, hoe groot is hun overzicht! Onbeperkt hun weerstand tegen communicatiegerelateerde symptomen bij de inslag in de krater van het gemoed!
Moest ik spontaan antwoorden, dan zou ik zeggen: Treme. Maar die dramareeks over het New Orleans van na de overstroming, met een onweerstaanbare Wendell Pierce, pakte me ook met de niet-aflatende muziek. Er doen vele bekende muzikanten mee, tot en met Ron Carter die basles krijgt (de geschiedenis herhaalt zich). Van één iemand valt, als running gag, uitsluitend de naam en krijgen we commentaren te horen die hij net aan de bar gegeven heeft: ‘Wynton’. Zijn broer Delfaeyo is daarentegen met band en al te zien.
Mijn antwoord zal fout zijn. Treme is een oudere reeks. Zo komt de aap uit mijn mouw. Dat ik cultuurproducten argwaan die De Nieuwe A of B blijken te zijn waarvan onverwijld notie moet worden gehad. Bij literatuur heb ik soms proberen te volgen, bij muziek werd het me als puber al te veel.
Onvermijdelijk zijn mijn ontdekkingen van 2016 gedateerd. Toch ben ik trots via YouTube op Hiatus Kayote gestuit te zijn. Deze Australische band deed me beseffen dat er wel degelijk een draad valt op te nemen van dé schijnbaar afgewikkelde eindmuziek uit de jaren zeventig: jazzrock. Waar destijds door het combineren van maatsoorten ritme tot het uiterste gedreven werd, morrelt Hiatus Kayote nu doodleuk aan het tempo.
Versnellen en vertragen binnen één nummer vergt het uiterste van een band, waarvan de leden waarlijk op elkaar ingespeeld moeten zijn. Ik had in de R&B drummers al rare dingen horen doen op hun hi-hat, maar Hiatus Kayote voert die individuele virtuositeit af ten gunste van een gevoelstempo in een kleine gemeenschap – die live naturel blijft.
In 2016 leerde ik eveneens een paar stukken kennen van Carlo Gesualdo, de zestiende-eeuwse componist. Hij bleek berucht te zijn om redenen ter verspreiding waarvan nog geen paparazzi nodig waren. Op mijn beurt ben ik blij voor dat voorval eindelijk een zegswijze te kunnen lanceren die in mijn teksten tot nog toe irrelevant is geweest: in flagrante delicto (zo trof Gesualdo zijn vrouw aan met een ander).
De liedjes die me van deze componist ter ore zijn gekomen, hebben de band met hun maker verloren. Ze zijn althans verregaand onthecht.
Het was ook merkwaardig om in de eerstvolgende dichtbundel die ik las Gesualdo aan te treffen. Alsof Erik Spinoy in Nu is al te laat de panelen speciaal voor mij klaar had gezet!
Eerst staat er, gedateerd op oktober 1590:

sexy vrouw op het bed gekeeld, de minnaar op
de vloer doorschoten, keer op keer doorboord.

Beiden daarna voor het gemeen te kijk gezet.

Verderop lijkt de daad eindelijk voltooid en krijgt de artiest ingevingen van zijn geweten:

Gesualdo dronk van heksen

het zwarte menstruatiebloed. Wie weet wat hij
met zijn efeben deed. Al die ziektes, rare kuren:
voor de duivel driemaal dagelijks flagelleren.

Door zijn schuld, door zijn grote schuld: Il Perdono
van oom Carlo Borromeo (bijeen laaiend vagevuur
genadige engelen) bracht ook geen soelaas.

Harmonie: te wreed verwrongen. Muziek:
volledig ‘losgerukt uit haar tijd’.

De aanhalingstekens zijn adequaat, want verwijzen naar een recensie van de uitvoering van Tenebrae Responsoria door Philippe Herreweghes Collegium Vocale.
Verderop komt dat muziekstuk aan de orde:

Tenebrae Responsoria: donkere metten, kathedraalspelonk
van vleermuisduisternis.

De levensbron gestremd, de ogen door tranen verduisterd.
Hoog troont mijn troost en geen hopeloze zorg
gelijkt de mijne.

Na de eerste ochtend brandt één bleke waskaars nog.
Op vrijdag wordt ook die gedoofd en komen vijf
Zes dolkmesstemmen plots van overal.

Soldaten reiken op een lange stok de spons: azijn.

Twee tonelen – een historisch en een Bijbels – wisselen elkaar af, waarna het nog pijnlijker wordt in een ingesprongen tekstje:

Ik kan erin kwijt wat ik zelf heb bedacht: mijn personages
maken mee waar ik zelf doodsbenauwd voor ben.

Soms bedenk ik iemand die vreselijk irritant is. Dan denk ik:
Doe nou niet zo tegen hem!

Het lijkt wel of ze echt bestaan, ik ken ze een voor een.
Ik weet precies hoe ze eruitzien: hun neus, hun ogen.

Daar gebruikt Spinoy geen aanhalingstekens, wederom gepast, dunkt me. Je zou er te veel nodig hebben. Dit is het cultuurbijlagendiscours, waarin artiesten tegen het niets leunen door eindeloos hun passie uit te venten, met woorden en uitdrukkingen die aan de uitgeholde kant zijn. En waarin best-of-lijstjes een ongefundeerde hiërarchie scheppen. En waarin bijvoorbeeld ik deze in postings zogenaamd belangeloos en onafhankelijk bekritiseer.
Ten slotte lijkt Carlo Gesualdo in de cultuurgeschiedenis opgenomen:

Huxley in zijn mescalineroes, werktuiglijk dolend
door melodisch niemandsland.

De aarde lag doodstil, door duisternis omfloerst
terwijl het kruis werd opgericht.

Schnittke en Stravinsky en ook Philip ‘Warlock’ Heseltine
die zich de herboren Gesualdo waande
tot het gas hem schaakte.

‘Waarom liet gij in diepten mij alleen’? Het hoofd gebogen
gaf hij toen de geest.

De artiest als typekunstenaar? Ik moet nu denken aan een van de weinige fictiebundels die in 2016 op mijn plankje belandde. Erik Jan Harmens schreef met Hallo muur een verpletterend boek. In columnachtige stukken, met uitsluitend duizelingwekkend heldere zinnen, keert hij zichzelf binnenstebuiten en laat zien wat alcohol vermag, ook tegenover familie, vrienden en collega’s.
Uit die vleermuisduisternis raakt Harmens herboren.
Hij zou een Gesualdo kunnen zijn. Het onderscheid dat literair-theoretisch wordt aangebracht tussen een schepper en zijn personage is in Hallo muur weg. Toch voldoet het boek niet aan de cultuurindustriële vraag naar authenticiteit, doordat het al is wat het is.
Fictie lijkt niet de juiste benaming, non-fictie evenmin.
Genadeloos, dat is dan geloof ik het woord. Mogelijk willen kerstlichtjes daar wat lappen om binden, door te suggereren dat er altijd een plaats is waar ook anderen zijn, ieder in een eigen tempo.

Buiten mededinging
Eindelijk de (ook niet helemaal kakelverse) documentaire Jaco van Paul Marchand en Stephen Kijak gezien. Muziek bij landschappen, ‘mijn’ bassist maakte eigenlijk soundtracks!
Omdat de tragische afloop van Pastorius’ leven elk licht weet te overschaduwen, compenseert een beschouwer misschien door te focussen op die verbijsterende muziek. Ik wijt het althans daaraan dat de bijna ondraaglijke beelden van de late Pastorius, bijvoorbeeld bij Modern Electric Bass, ook laten zien hoe zijn gezicht leek op dat van Rogi Wieg…
Nu zijn er precies twee kunstenaars van wier leven & werk ik pretendeer een beetje kennis te hebben. Naast Pastorius gaat het dan om Herman Brood. Gaandeweg de film drong tot me door dat ze een stijgende lijn hebben gekend tot en met 1979. Toen brak bij beiden de verkering met hun geliefde, over wie ze hun mooiste liedjes hadden geschreven, ‘Portrait of Tracy’ en ‘Doreen’.
Een derde studieobject van mij is de jaren zeventig, dus dat blijkt ook passend.
Indien mijn conclusie in het bovenstaande stukje klopt dat er altijd anderen zijn, dan hebben Brood en Pastorius daar vanaf 1980 helaas niet van kunnen genieten. Ze werden keizers, en kennelijk waagde niemand het hun te vertellen dat ze geen kleren meer aan hadden.
Extra jammer is dat, omdat beiden werkelijkheidscorrectie hadden gewaardeerd. Van Brood is de uitspraak dat het niet het publiek is dat de artiest nodig heeft maar dat het precies andersom is. En de documentaire Jaco eindigt met de stem van het basgenie dat hij ‘onze muziek’ vertolkt heeft.

zondag 4 december 2016

Vertrouwensdemocratie




Het is een understatement dat het toespraakje van Jan Terlouw in De Wereld Draait Door iets heeft losgemaakt. NRC heeft inmiddels een heus ‘dossier Het touwtje van Terlouw’, genoemd naar het beeld dat de voormalige D66-lijsttrekker voor zijn kritiek gebruikte (het touwtje dat ooit door de brievenbus stak en waarmee de voordeur door iedereen viel te openen, getuigde van vertrouwen).
Twee dingen vielen me in die reacties op. Ten eerste dat een majeur punt in Terlouws aanklacht, de welbewuste verrampetamping van het milieu, kennelijk zo evident is dat er snel aan werd voorbijgegaan. Daarnaast verwekte de touwtjesanekdote een keur aan persoonlijke associaties en herinneringen, die moeiteloos werden geëxtrapoleerd tot een statement over de huidige maatschappij.
Dus laat ik daar even onbeschroomd aan meedoen, zij het in ontkennende zin. Waarschijnlijk ben ik, opgegroeid in de jaren zeventig, te jong voor de tijd waarover Terlouw spreekt en die een nogal monoculturele gedaante heeft, met vrouwen die thuis zitten ook. Ik kan me geen touwtjes in de sesam-open-u-functie herinneren. Wel werd binnen de wijk, aan de rand van de stad, een fiets voor een winkel niet op slot gezet. Toen ik dat in het centrum had herhaald en de fiets prompt gestolen werd, snapte ik wel dat moedertjelief mijn handelwijze onbegrijpelijk vond.
Wel werden meer of minder bekende wijkbewoners van mijn ouders' generatie ‘oom’ of ‘tante’ genoemd. Dat voelt echter niet anders dan nu, als vriendjes van mijn kinderen, al dan niet uit de wijk, me bij mijn voornaam aanspreken en ik daar blij mee ben (geen ruimte voor insinuaties in de pedofiele sfeer).
De ‘vertrouwensdemocratie’ die Terlouw in eerste instantie van politici verlangt, heeft inclusieve bedoelingen. Dus zouden er op basaal niveau ook bijdragen van burgers mogen komen. Bijvoorbeeld dat ze auto rijden zonder alcohol, downloaden met respect voor auteursrechten, producten kopen die niet onredelijk goedkoop zijn, geen schadelijke stoffen lozen, argumenten van een tegenstander correct weergeven.
Alleen vanwege dit willekeurige rijtje zou ik mezelf geen volkomen betrouwbaar persoon noemen. Maar het irriteerde me werkelijk dat de liberale voorvrouw Gwendolyn Rutten in de Krant op Zondag het voorstel om, tegen de uitstoot van fijnstof, geen openhaardhout meer te verstoken beschouwde als inbreuk op de persoonlijke vrijheid.
De hele wereld lijkt boos, maar terwijl het afgelopen decennium links begon te hameren op plichten, ziet rechts plots alom rechten.
Als ik me niet vergis druist Ruttens standpunt in tegen de interventie-ideeën van John Stuart Mill, maar mij stoort haar onwrikbare overtuiging dat de overheid zich gedraagt als een ouwe pastoor. Ze staat in die observatie bepaald niet alleen. Wat betekent dat de vertrouwensdemocratie, die immers steunt op een algemeen belang, bij voorbaat ondermijnd wordt.
In verband met Terlouw wil ik begrijpen dat niet iedereen één facet van zijn idylle terug wil: sociale controle. Maar dan de meest moralistische gedaante ervan, niet een zogezegd helpend oog. Ik sluit overigens niet uit dat de gesmade pastoors van ooit wel eens een boek hadden gelezen en zelfstandig konden nadenken.
Over het optreden van Terlouw durf ik niet te oordelen. Daarvoor zijn mijn vooroordelen te groot. Een gemeenschapspleidooi bij DWDD! Podium van anti-intellectualisme! Ik moest ook slikken van de stelling dat Terlouw ‘een man met een missie’ was. ‘Hij wil straks graag geen TED-talk geven, maar een Jan-talk’, enz.
Ik ben benieuwd of het nu Oorlogswinter of Koning van Katoren of Briefgeheim of Oosterschelde Windkracht 10 is dat afvalt, nu Terlouw ‘twee klassieke jeugdboeken’ blijkt te hebben geschreven. Kijk, daar is mijn vooroordeel dus, dat door het geprezen object bevestigd werd met de aanspreking van zijn gesprekspartner als ‘Matthijs’.
Da mag nie van Marc.
Laat ik het zo zeggen, dat ik schrok van het beeld dat oude mensen aankleeft. Terlouw bleek ‘kwiek’ te zijn, mede omdat hij een tekst ‘uit het hoofd’ kon opzeggen. De sympathie die de presentator ongetwijfeld oprecht uitte, leek me sentimenteel en stigmatiserend – een uitnodiging om in de deelbelangenindustrie van ouderenpartijen een extra niche te scheppen.
Misschien moet ik dus maar een eigen barrière doorbreken door mijn variant te vertellen van het touwtje door de brievenbus. Ik vergeet namelijk geregeld mijn sleutels uit de garagedeur te halen. Toch is er nog nooit iemand onaangekondigd binnengekomen.
Een tijd geleden werd er aangebeld. Het was onze straatjunk, die lachend me mijn sleutels gaf. Hij zei erbij dat hij te vertrouwen was, waarna een dosis wantrouwen door mijn aderen schoot.
Op een avond werd er aangebeld en was hij het weer. Ik tastte al naar mijn sleutels toen hij met een arcadische gejaagdheid zei dat hij te vertrouwen was. Betrapt liet ik hem binnen.
Hij vroeg of hij geld van me kon lenen. In de tijd die mijn brein nodig had om een diplomatieke oplossing te vinden begon hij zijn levensverhaal. Hij liet foto’s zien van zijn moeder (met hoofddoek) en vertelde dat hij in de gevangenis had gezeten maar louter omdat hij op de uitkijk had gestaan.
Ook herhaalde hij dat de teruggave van mijn sleutels bewees dat hij betrouwbaar was. Toen ik redelijkerwijs niets menselijks wist te verzinnen, leende ik (vader met verantwoordelijkheid) hem (een gespierde man) het gevraagde geld. Met een bedenkelijke rationalisatie poogde ik het te zien als een laat bedankje voor zijn goedheid en als straf voor mijn wantrouwen.
De dagen erna vertelde ik het verhaal aan verschillende mensen. Ik weet niet of het iets over hen of over mij zegt, dat ze me allen een ongelooflijk ruggengraatloze sukkel vonden. En dat ik dat volledig met hen eens was, maar toch vond dat ik iets nobels had gedaan.
Een week later ging de bel en gaf de man me het geleende bedrag terug. Hij wilde er wat rente bij geven, maar dat weigerde ik. Het staat me niet meer bij of dat uit principe was. 



Naschriftje

In Ik was een van hen: drie jaar undercover onder moslims door Maarten Zeegers, dat NRC rekende tot de 24 beste Nederlandstalige boeken van 2016, spreekt een schilder Willem over de Haagse wijk Transvaal (op de achterflap genoemd ‘het Nederlandse Molenbeek’) vóór de jaren zeventig:

‘We waren één grote familie. Je had geeneens sloten op de deur, die gingen open met een touwtje door de brievenbus. Bang voor inbraak hoefde je niet te zijn, want er was toch niets te halen. Nu jatten ze alles onder je kont vandaan. Als je ’s morgens je steiger opzet, dan is-ie ’s middags verdwenen’.
‘Was Transvaal vroeger ook niet al crimineel?’
‘Dat viel wel mee. Soms kwam de buurvrouw met een doos juwelen aanzetten. Die waren dan ergens van de kar gevallen. Mocht je er een uitzoeken voor een leuk prijsje.’

dinsdag 29 november 2016

Ready?



Gisteren de eerste aflevering gezien van Als de dijken breken. De titel van deze Vlaams-Nederlandse televisieserie door Hans Herbots zegt het eigenlijk al: het is een wemeling van scenario’s. Daardoor kan zo’n prent flink zwenken tussen fictie, kans en realiteit.
Ondertussen appelleert Als de dijken breken aan wel heel verschillende oergevoelens.
Voor een neutrale laaglander roept de serie natuurlijk de angst op dat het water alles komt terugpakken. Maar de vinger van Hansje Brinker is op termijn niet bestand tegen de satéprikker van de Almachtige. Daarom zal Als de dijken breken bij gelovigen een sfeer kunnen oproepen waarin Iemand terecht wraak neemt voor onze zonden.
Disclaimer: de serie is mede opgezet door de EO.
Is dat alles? Misschien laat ik me meeslepen door momenteel nogal wat malaise te ontwaren en deel dan ook nog in een gevoel van apocalyptiek dat mensen verspreiden in wie ik me allerminst kan herkennen. Het zij zo. Volgens mij roept Als de dijken breken meer scenario’s wakker.
Wilders vergelijkt immigranten met een ‘tsunami’. Vaker werd opgemerkt hoe pervers die metafoor is. Die een ramp rond kerstmis 2004 aan de andere kant van de wereld met 230.000 slachtoffers aan de eigen luxesituatie ophing en die mensen verdinglijkte voor een land dat een ‘doucheputje’ van Europa zou zijn. Maar door de serie zou je ergens in je onbewuste nog kunnen gaan menen dat vluchtelingen, bovendien meestal benoemd in een ‘stroom’, de overhand krijgen.
En dan zijn er vanzelfsprekend nog de ingrijpende changementjes in het klimaat wegens opwarming, waardoor bijvoorbeeld water gaat stijgen.
Dat iemand die daar hevig aan twijfelt onlangs hoogstwaarschijnlijk tot president van Amerika is verkozen, sterkt het ongemak dat Als de dijken breken veroorzaakt. Naarstig zoeken en negeren we tekens die het ergste voorspellen.
Bijvoorbeeld de reactie van Trump op het overlijden van Fidel Castro. Ze was bepaald onpresidentieel en voegde de twitteraar bij de zeer velen die het belangrijk vonden hun mening over de Cubaan met de wereld te delen.
Nog voordat Trump officieel aan de macht is gekomen, breken de dijken van westerse zekerheden. Ik hoor de laatste tijd in de Lage Landen althans veel reclame voor de vrijheid van meningsuiting en nu heeft aan de andere kant van de oceaan een veelbelovende republikein een digitale executieplaats geschapen waar 'radicale' professoren kunnen worden verzameld.
Wie wist zo zeker dat de thought police links is? Op de lijst vond ik de naam van Peter Singer al terug (‘believes children should be able to be aborted up to 2 years old’). Ook is iemand aangegeven die had durven te beweren dat klimaatontkenners hun brillenglazen misschien eens moesten poetsen.
Natuurlijk kijk je altijd het best eerst in eigen boezem. Maar daarna kan het geen kwaad te luisteren naar een raad van Dave Eggers bij al zijn ongeloof over wat er gebeurd was: ‘Keep your eyes open, your hearts stout and be ready for the fight.
Overigens ben ik van mening dat Als de dijken breken gelijktijdig in Nederland en België zou mogen worden uitgezonden.

donderdag 24 november 2016

Een gezellige polonaise (vervolg)



Beminde gelovigen, hierbij waarlijk mijn steekproef.
Naar aanleiding van een rel over bevoordelende literaire kritiek suggereerde ik een besproken boek gewoon eens te lezen. De toetsing van die lectuur ontbrak echter. Lui verkeerde ik in de veronderstelling dat het stuk (van Arie Storm in Het Parool over Jamal Ouariachis roman Een honger) niet beschikbaar was. Maar het staat op de blog van de geprezene.
Nu er intussen meer te doen blijkt over literaire kritiek, wegens een interview en een meer bezonken commentaar op de aanleiding, haal ik de achterstallige arbeid in.
De recensie telt bijna 600 woorden. Ik ben zo verwaand daar het genre van een signalement op te plakken – voor mij begint een recensie met 1500 woorden – maar Storm zal ervaren genoeg zijn om die omvang te accepteren en te benutten.
Toch overtuigen de openingsalinea’s me niet:

‘Het lijkt wel alsof Jamal Ouariachi (1978) met Een honger, zijn vierde roman, eens even goed wil laten zien wat hij allemaal kan. Hij is een begenadigde verteller. Hij is iemand die op smeuïge wijze een verhaal weet te brengen. Dat doet hij met verrassende plotwendingen, het inbrengen van een liefdesgeschiedenis en het voortdurend suggereren van gevaar en onraad.
Daarnaast is hij wel degelijk ook een man van de letteren. Hij richt zijn roman geheel naar eigen zin in, met knappe perspectiefwisselingen, literaire pastiches en postmoderne knipoogjes naar de lezer.’

Er wordt een tegenstelling geschapen waarvan ik het bestaan niet had vermoed. Blijkbaar zijn er vertellers en literatoren. De eersten zorgen voor amusement, de tweeden penetreren het brein van lezers. Schept literatuur een esthetisch genoegen dat hoger wemelt dan de spreekwoordelijke onderbuik (die vertellers dan zouden vullen)?
Als ik Storm goed begrijp, schuilt uniciteit in de techniek. Maar bij Een honger ervoer ik dat Ouariachi juist daarin vastliep. Gebrek aan controle fnuikte zijn verteldrift en de vermelde pastiches zijn zo doorzichtig dat ik aan een schoolkrant moest denken. Die postmoderne knipoogjes lijken uit een handboek te komen, conform de ideeën die de mannelijke held heeft over ‘Franse filosofen’ van wie Derrida en Foucault worden genoemd.
Daarna meldt Storm dat Een honger volgens de reacties over pedofilie zou gaan. Hij treedt die indruk bij. Zelf ervoer ik dat Ouariachi niet aan dat maatschappelijke onderwerp toekomt, laat staan aan ontwikkelingshulp waarin hij het verhaal wil kaderen en dat het boek geëngageerd had kunnen maken.
Even verderop maakt Storm nog een draai in zijn redenatie:

‘En nu hangt het er vanaf welk standpunt je inneemt: wil je vooral de maatschappelijke boodschap, áls die er al in zou zitten, van dit boek eruit lichten, of waardeer je het meer om de stilistische krachtpatserij ervan.
Ik waardeer Een honger vooral om die laatste kant.

De recensent trekt hier een hoofdambitie van het boek in twijfel. Ergens begrijp ik dat, omdat Ouariachi voor zijn engagement een visie op de jaren zestig tot en met tachtig moet optrekken die bol staat van clichés. Het zijn er zoveel dat Een honger soms een reproductiemachine lijkt, die inderdaad amusement brengt en die betrokkenheid ridiculiseert.
Door deze reductie kan Storm wel vertelkwaliteit benadrukken, inclusief de staalkaarten van technische bekwaamheid en plotwendingen die geen optimisme brengen. En hij eindigt de recensie haastig:

‘De ellende blijkt al snel alom aanwezig, maar wordt in zekere zin verzacht door het taalplezier in dit boek. Ouariachi laat zien dat onze taal en van welk register we gebruikmaken, medebepalend is voor onze blik op de werkelijkheid. Hij put daarvoor op een intrigerende wijze uit de wereldliteratuur – van Virginia Woolf tot Bret Easton Ellis.’

Hier haak ik af. Ik zie dat Ouariachi alles uit de kast wil halen. Het erge is alleen dat hij door dat etaleren zijn constructie aantast. Dat spijt me des te meer uit poëticaal opzicht, omdat ik heterogene teksten liefheb en me niet slaag te interesseren voor wat wegkijkt van de grote boze wereld daarbuiten.

zondag 20 november 2016

De wolken gaan verdampen




In het hoofd van de gourmande moet het spitsuur zijn. Ze leert momenteel lezen en schrijven, en ze kent al de meeste letters van het alfabet. En nu ze het woord ‘zeep’ ontmoet heeft, schrijft ze ongevraagd haar debuutgedicht:

een boot
koen zet een doos in de boot
een doos met zeep
koen zit
in de boot
zit er zeep in de zee
er zit er zeep
o de doos

Een prestatie, waaruit misschien te begrijpen valt waarom vaders bespottelijk trots kunnen zijn op hun dochters. In de ogen van getrainde lezers kan door deze aanleiding echter enige late Van Ostaijen geroerd zijn. Maar zo’n vader ben ik ook weer niet (laat staan dat mijn voorleessessies zich op officiële literatuur richten).
Wel probeer ik mijn kinderen, zoals al eens bekend, een brede muzikale smaak bij te brengen. Daarvoor heb ik een playlist samengesteld met Nederlandstalige liedjes, die gestaag wordt bijgewerkt. Vlak voordat de gourmande haar gedicht schreef, was er bijvoorbeeld een carnavalskraker toegevoegd. Zij viel er meteen voor en ik kan me indenken dat het lied van invloed is geweest op haar debuutgedicht.
De overeenkomst moet dan liggen in de schijnbare afwezigheid van betekenis, die zich vult met constateringen die vanzelf spreken.
Enfin, dit is het refrein:

Ik heb unne spijker in munne kop, au-au
Daar zit unne kikker boven op, nou-nou
Maar dat vuul ik niet alleen, maar dat vuul ik niet alleen
Want dat het nou iedereen

Dit nummer brachten De Stipkes in het voor het carnavalsgenre gedenkwaardige jaar 1976. Ze probeerden er vermoedelijk een toestand mee te beschrijven die zich tijdens dit feest met ijzeren regelmaat aandient: de kater.
De gourmande weet uiteraard nog niets van de effecten die alcohol heeft, maar haar gedicht is zeker te interpreteren als een indicatie van de bijbehorende sensaties the day after.
Ook gaan haar veel meer woorden deelachtig worden na ‘zeep’. Als verantwoorde beloning zou ze nu alvast de vertaling van Francis Ponges Le savon verdienen. Maar ik word niet voor niets vervloekt als ‘omgevallen boekenkast’. Sinds iemand jaren geleden mijn bibliotheek grondig heeft schoongemaakt en de banden (voor mijn brein) willekeurig terug in de kasten heeft gezet, ben ik mijn exemplaar van Zeep niet meer tegengekomen.
Des te spijtiger vind ik het dat vertaler Peter Nijmeijer onlangs overleed. Daar is betrekkelijk weinig aandacht aan besteed, en hetgeen de openbaarheid haalde ging over zijn levenswandel. Dus nu maar gauw van hem het gedicht ‘De schaduwzijde’, uit De afstand tot (ook uit 1976):

Neem je stenen
op, de wolken gaan
verdampen.

donderdag 17 november 2016

Autocentrisme


Kleine aanvulling op het voorafgaande.
Uit de tien tips die het Belgisch Instituut voor de Verkeersveiligheid onlangs gaf aan de zwakke weggebruiker: ‘Pas op voor onverwachte hindernissen. Een portier dat plots opengaat, een auto die uit een garage of parking komt gereden... Je rijdt best op 1 meter afstand van de kant van de rijbaan of van geparkeerde wagens. Blijf aandachtig, zodat je hindernissen tijdig kan ontwijken.
Het zou inderdaad duizelingwekkend vreemd zijn om aan automobilisten om voorzichtigheid te bidden wanneer ze hun portier opentrekken. Dus erger je toch niet, fietser (en stap ook in de auto en parkeer die bij school en trek je kind dan een fluohesje aan).

dinsdag 15 november 2016

Opgepast: overstekende boom


Bij mijn weten voor de derde keer begint Vlaanderen na de herfstvakantie aan zijn actie voor zichtbare fietskinderen in het verkeer. Visibiliteit is dan ook een mooi woord. Nog steeds heet de campagne Helm op fluo top.
Zoals dat gaat, tipt de commercie inmiddels met haar grote teen in het dienstdoende water. Niet elk kind neemt nog genoegen met een geel fluohesje. Er blijken nu ook groene en roze op de markt, in diverse modellen – en prijzen.
Eerder heb ik opgemerkt dat dit lovenswaardige initiatief, met zijn aandacht voor het lot van fietsers in het algemeen en kinderen in het bijzonder, een accent legt dat een kleinigheidje uit de constellatie vergeet: het gemotoriseerde verkeer en automobilisten in het bijzonder.
Zouden die mensen zich, met het donker wordende weer, ook niet een beetje mogen laten zien? Anders gezegd, waarom eigenlijk worden de bedreigers van de veiligheid niet, eh, gesensibiliseerd?
Het zal toch een kleine moeite zijn om over motorkap, dak en achterklep een gele fluostrook te plakken? Groen of roze mag natuurlijk ook, tegen een bescheiden meerprijs.
Ongetwijfeld ligt het aan mijn Hollandse afkomst dat het aantal auto’s in België me topzwaar lijkt voor het te bestrijken oppervlak. Zoveel fietsen zijn er in het dichtslibbende Amsterdam niet eens!
Ik hoef niet al te veel achttiende-eeuws Latijn te spreken om de oorzaak van dat Belgische overgewicht te benoemen. Tegen notoir hoge werkgeverslasten en dito belastingvoet staat aan velen immers een deel van het loon in natura ter beschikking. Daarom zou behalve de fluostrook op het portier van menig karretje een sticker geplakt kunnen worden: Ik ben een bedrijfswagen. Wellicht schept dat een band bij een ontmoeting van twee van die karretjes in pakweg Zuid-Italië.
Bovendien wordt het kinderen niet echt makkelijk gemaakt om ergens te fietsen. Het gaat met de jaren vooruit, maar veilige afzonderlijke paden zijn er niet heel veel. En de bestaande worden met liefde eveneens ingenomen door automobilisten, als parkeerplaats of voor het laden en lossen. Hoewel ook wandelaars er in België gebruik van maken, suggereer ik toch maar voor auto’s een tweede sticker: Ik lach om fietspaden.
(Natuurlijk zou er – voor veiligheid, gezondheid en schoonheid – in de bebouwde kom geen gemotoriseerd privévervoer hoeven zijn. Maar dat idee zal te revolutionair zijn, aangezien het, memoreert Benjamin Barber in zijn boek Als burgemeesters zouden regeren, al in de jaren twintig in Zwitserland werd gelanceerd voor kantons. Wel behoud ik me het recht voor op verbazing over al die Belgen die wegens een sixpack melk of een paar druppeltjes regen hun bolide naar een supermarkt sturen, terwijl ze bij de scouts in elk jaargetijde nog met volle bepakking bergen beklommen in korte broek of rok.)
Bij wijze van laatste aanvulling op Helm op fluo top zou er in België-Bourgondiëland een mentaliteitskwestietje bij volwassenen aan de orde mogen komen. Het gaat over alcoholconsumptie bij bestuurders, die bij mijn weten sociaal geaccepteerd blijft. Rik Torfs is ook gerespecteerd jurist na zijn sofisme ‘Je kunt perfect een glas drinken en nog steeds in staat zijn om te rijden’. Helaas bericht Krant op Zondag wekelijks van dodelijk auto-ongevallen in het holst van de nacht wegens een overstekende boom. Ter sensibilisering van die mentaliteit stel ik een derde sticker voor: Ik drink dus ik rijd.
Toevallig heeft het recentste nummer van de Vogelvrije fietser een reportage over een actie voor fietsers in Berlijn. Er pedaleren dan twee mensen naast elkaar en prompt wordt er nijdig getoeterd achter hen door ‘een dure Audi’. De bestuurder blijkt niemand minder dan Stefan Aust, die ‘stuurs’ voor zich uitblikt.
Denkend aan de RAF zie ik vluchtauto’s op twee wielen door de bocht gaan.
Ach, hoe lang moet ik dit soort evidenties nog opsommen? Waarom pleiten voor veiligheid en zichtbaarheid van fietsers, wanneer de publieke ruimte hun amper plaats biedt? Zelfs voor de eigen deur is een parkeerplaats bijna steeds voor auto’s bedoeld.
Courage, Marc, in Oostende zijn voor de fiets straatcontainers gesignaleerd, zoals ze, zij het iets minder kek, in Amsterdam ook bestaan!
Engelsen gebruiken fluohesjes voor scharrelkippen. Zekerheidshalve heb ik de term dus maar even losgelaten op de site Veiligverkeer. Dat geeft 1 resultaat: ‘In een dode hoek is niemand zichtbaar, ook niet met een fluohesje of goede fietsverlichting. De dode hoek is de ruimte die buiten het gezichtsveld valt. Een fluohesje en goede fietsverlichting zijn uiteraard nuttig om op te vallen. Zo merkt een vrachtwagenbestuurder je misschien sneller op als je nog niet in de dode hoek “verdwenen bent”.’

woensdag 9 november 2016

Hermetische poëzie, poésie pure?


Klonk daar bij Trumps overwinningsspeech werkelijk ‘You Can’t Always Get What You Want’? Ja dus.
In De ondergang van Makarov zei Helga Ruebsamen het ooit zo: ‘De kunst is nóóit, aan geen sterveling, te laten merken hoe ver je de afgrond bent genaderd. Alleen een houding alsof iedereen reden heeft je ernstig te benijden biedt kans zo’n nijpende situatie te overleven.’
Maar soms lijkt gisteren al een eeuwigheid geleden. Toen werd in de aardige rubriek Woord Van De Dag van Van Dale gespeculeerd hoe Bill Clinton moest worden genoemd, mocht hij de rol van First Lady krijgen. De uitkomst was: First Gentleman.
Bij Melania Trump, stond er volgens mij, was de oplossing makkelijker: First Pussy. Vandaag staat dat antwoord niet meer op die site, dus het zal een product zijn geweest uit de kleedkamer van mijn geest.
Het wordt sowieso een control-alt-delete-operatie voor betekenissen. Wat beweren woorden als incredible, amazing, honour en proud ook alweer? Waarnaar verwijzen the people, things en historic
Tegen de tijd dat dat allemaal duidelijk raakt, valt allicht na te voelen wat great is.

maandag 7 november 2016

Een gezellige polonaise




O zalige onwetendheid. In Amsterdam woedde een literaire rel die begon in de brontosaurus onder de media: het literaire tijdschrift. Wel had dat de gevoelige tekst ook online gezet.
Schrijver Philip Huff beschuldigde Arie Storm ervan een onethische recensiepraktijk te voeren (deze zin had beter in de lijdende vorm gestaan, saai maar duidelijk wie subject en object zijn). In Het Parool zou deze titels bevoordelen die zijn vrouw heeft geredigeerd. Daarop reageerde Jamal Ouariachi, een van haar fondsauteurs. Daarop reageerde Huff weer, en Ouariachi andermaal, pertinenter: ‘de literaire wereld in Nederland is veel te klein voor een scheiding der machten: iedereen kent iedereen’. Aanleiding voor deze observatie was een NRC-column van Arjen Fortuin die de affaire had becommentarieerd, met aanbevelingen. Over het geheel bestaat minstens één metacommentaar.
Ziezo.
Voor zover ik het uit België kan zien, ontbreken er nog wat dingetjes. Bijvoorbeeld België zelf. Dat blijkt uit een Excellbestand dat Huff had aangelegd met uitgeverijen waarvan drie Nederlandse recensenten, onder wie Fortuin, titels bespraken. Maar misschien is dat geen nieuws.
Ook heeft het altijd smeuïge onderwerp vriendjespolitiek een keerzijde. Vriendschap kan een recensent voor dilemma’s stellen. Bij een negatief oordeel doet hij zijn kritische praktijk geen eer aan wanneer hij decent zwijgt. Maar wanneer hij zich uitspreekt, loopt hij het risico dat de vriendschap sneuvelt.
Ik heb in het debat evenmin iets gelezen over een in schandaaltermen minstens zo groot obstakel voor literaire kritiek: de status van een auteur. Als die hoog is terwijl het boek opzichtig faalt, kunnen recensenten de kluit doorschuiven naar een collega, het middel van het interview aangrijpen, enz. Maar is de auteur non grata, dan kan het boek ongelezen op de stapel voor het antiquariaat.
Tegelijk slaag ik er niet in me voor te stellen hoe Storm door zijn vrouw titels gepusht krijgt. Waarschijnlijk ben ik niet de geschikte persoon om dit toe te lichten, maar redacteuren zijn van de representatie. De stiel bestaat uit opzitten en pootjes geven. En wie wel tijd neemt om te lezen, moet alle zeilen bijzetten zich niet te schamen voor bagger (waarom klinkt deze zin aardig maar is ze beroerd gestileerd?).
De voorstelling die bij mij veeleer opdoemt, werd recent afgedraaid in een documentaire over de 8mm-filmpjes tijdens het presidentschap van Nixon. Extremer was diens parallelle universum waarin iedereen inderdaad iedereen kent, maar de wat-zeggen-de-media-obsessie lijkt me verwant. Buiten werktijd zal Storm overlevingshalve dus wel andere interessantigheden op zijn bord krijgen.
Maar stel dat er gepusht was én de recensent ging op die suggestie in, had zo’n titel dan ahw niet onafhankelijk onderzocht mogen worden? Ouariachi had immers Huffs ethische appèl weggewuifd met de stelling dat het voortkwam uit wrok: negatieve Storm-recensies. Daarmee was het debat bij voorbaat afgesloten, terwijl de onmin kon voortwoekeren – in deze tijden van verkiezingen geen voorbeeld.
Ouariachi erkende dat zijn eigen boeken uitstekend waren besproken. Daarvan dan maar eens de recentste proberen, dat op ‘een gezellige polonaise van vier- en vijfsterrenrecensies kon rekenen, waarna ik er de BNG Literatuurprijs voor won’? Naar Een honger had ik sowieso uitgezien. Uit eigenbelang: na overdoses zou die ambitieuze roman mijn leesrentree in Nederlands proza kunnen bewerkstelligen. Nu was er dus een aanleiding.