vrijdag 21 oktober 2016

Dat zijn wij



Op Neerlandistiek.nl schreef Maartje Lindhout een intrigerend stuk over het verschil tussen je/jij, je/jouw, we/wij. Als ik het goed begrijp is het subtiel, zij het met grote gevoelsgevolgen. Aanleiding voor haar was een schrijven met de acquitstoot: ‘Hartelijk dank voor jouw mail.’ Volgens Lindhout kan er ook te klare taal bestaan.
Ik moest hier even over denken. Nou ja, eerst dacht ik op mijn stokpaard te kunnen springen om soeverein de onbewuste invloed van het Engels op het Nederlands aan te wijzen: your mail.
Een halve dag later zei iets me dat Lindhout gelijk heeft. Maar meer dan voorbeelden weet ik er niet van te geven. Het punt is wel dat ze gekoppeld moeten zijn om het verschil te kunnen navoelen.
Een paar pogingen. Eerst over het aanduiden van een richting. Als een ouder ontiegelijk boos is op zijn hartendief, zegt hij:

(1a) Jij gaat nu naar je kamer

Als een stadsbewoner de weg uitlegt aan een onbekende, zegt hij:

(1b) Je loopt tot aan het kruispunt, dan sla je linksaf

Voilà. Snel over naar de je/jouw-kwestie. Hier schieten me louter zinnen te binnen met ‘jouw’ – en valt me op dat die een scheiding forceren met de ander:

(2a) Het is jouw schuld
(2b) Het is jouw leven

Hier is de ander niet erg populair bij de spreker, maar die scheiding blijft gehandhaafd wanneer, al dan niet vals bescheiden, de ander juist op een schild gehesen wordt:

(2c) Dat is helemaal jouw verdienste
(2d) Ik draag een vaandel met jouw naam

De laatste zin komt uit het controversiële Koningslied, waaruit ik graag nog een zin citeer in verband met de openingskwestie:

(1c) Ik zal waken als jij slaapt

Nadruk inderdaad, die afstand en misschien wel plichtmatigheid schept. Wanneer de ander een geliefde is, verandert de zin waarschijnlijk.

(1d) Ik zal waken als je slaapt

Nu nog het we/wij-vraagstuk. Omdat ik ooit in het openbaar een laat gedicht van Sybren Polet mocht lezen, uit de bundel Donorwoorden (2010), valt me eerst toe dat deze het concept heeft bedacht van (eenzelvige) ‘wijmensen’. Voor de details verwijs ik door naar mijn poging tot begrip, en voor een definitie naar het gedicht zelf: ‘Voor hen is alle werkelijkheid alibi/ voor andere alibi’s.’
De vraag is natuurlijk of Polet ook iets te zeggen zou hebben gehad over ‘wemensen’. Maar het antwoord kan helaas niet meer worden gegeven.
Als tegenprestatie twee literaire fragmenten waarin ‘we’ en ‘wij’ tegelijkertijd voorkomen. Het eerste behoort tot de bekendste van de Noord-Nederlandse literatuur:

(3a) Jongens waren we - maar aardige jongens. Al zeg ik 't zelf. We zijn nu veel wijzer, stakkerig wijs zijn we, behalve Bavink, die mal geworden is. Wat hebben we al niet willen opknappen. We zouden hun wel eens laten zien hoe 't moest. We, dat waren wij, met z'n vijven. (…)

Met deze openingszet van Titaantjes weet Nescio de intuïtie van Maartje Lindhout te bevestigen. Het ‘wij’ komt pas boven wanneer er ondubbelzinnig gedefinieerd moet worden.
Het tweede fragment komt uit een gedicht dat Paul Demets schreef na de aanslagen in Brussel:

(3b)
(…)
Ochtend. Altijd weer ochtend. Iemand heeft een pak met spijkers
voor ons bedacht. Dat lichaam van ons. Het stinkt van geluk
en wordt door een stofwolk verdonkeremaand.

Die vreemde, dat zijn wij. Hij heeft al onze kleren aan.
Met de handen van de ander weten we geen blijf.
Huidskleur is eender. Rood. Dat lichaam van ons heeft nu
niets meer om het lijf. Lockdown en spreadsheets.

Ochtend, altijd weer ochtend. Hadden we hem? We hebben niets.

Ook hier staat ‘wij’ bloot aan het onbarmhartige licht van de werkelijkheid. Die slechts te verdragen valt als we toch maar ‘we’ blijven?
Ik stel me nu zo voor de locatie van twee bijna identieke zinnen te kunnen bepalen.

(3c) We lezen hoofdstuk drie

Dit speelt zich af in een klas, waar de leraar, om de moed er bij de leerlingen in te houden, de indruk wekt dat hij ook niet meer weet dan iedere andere aanwezige in het lokaal.

(3d) Wij lezen hoofdstuk drie

Dit speelt zich af in een kerk, waar de spreker, om geen twijfel te wekken dat hij ingewijd is, de aanwezigen aanspoort hem na te volgen.
Voilà. In het kader van de nadere studie die steeds gewenst is, gooi ik alvast een enigszins gelijkend balletje op dat te maken kan hebben met het verschil tussen België en Nederland. Daar kan men een mens of situatie kwalificeren met respectievelijk:

(4a) Zo … als iets
(4b) Zo … als wat

woensdag 12 oktober 2016

Moet je prefereren leren?




Er blijkt een nieuwe vertaling uit van Bartleby. Hoe staat het refrein ‘I would prefer not to’ van Melvilles prachtnummer er inmiddels op?

De bespreking resumeert:

-           Liever niet (Johan Palm, 1958)
-           Ik doe het liever niet (Auke Leistra, 1989)
-           Dat deed ik liever niet (Jacq Vogelaar, 2004)
-           Ik zou liever niet (Walter van der Star, 2015)
-           Liever niet (Rosalien van Witsen, 2016)

(Onvermeld want onbekend blijft wat de oplossing was van Frans Kellendonk, begin jaren tachtig.)
Me dunkt dat het bijna Vlaamse meebuigen bij de pertinente afwijzing onvoldoende tot uitdrukking komt. Dit zou mijn voorstel zijn:

   Toch maar liever niet.


Of beter:

  Toch liever niet.

Of nee:

    Toch maar niet.

dinsdag 11 oktober 2016

Grabbing



Misschien is op het hoogste niveau de pussy grabbing van Trump veel meer standaard dan ik wil weten?
Naar verluidt vergeleek Chroesjtsjov op het hoogtepunt van de Koude Oorlog Berlijn met testikels: ‘Elke keer dat ik het Westen wil laten kermen, knijp ik in Berlijn’.
En voor ze op logopedie ging, wist de gourmande zeker dat de zevende dag voor God zijn lustdag was.
In dat geval zou het louter nog even te verifiëren zijn of op dat niveau de olympische gedachte heerst (dan wel dat winnen belangrijker is dan beethebben).

zaterdag 8 oktober 2016

Georges De Schrijver (1935-2016)



Wat een bericht dat hij in Manilla plots is overleden! De Adorno-specialist die in spijkerbroek op een binnenplaats sigaretten rookte en altijd grijnzend sprak. Die vanaf zijn emeritaat grote delen van het jaar buiten Leuven verkeerde, doordat hij her en der op de aardbol gastlessen gaf. Bijvoorbeeld over het jongste boek van Sloterdijk, dat hij had gelezen voordat een laaglandse uitgever de vertaalopdracht kon verstrekken.
Door een recent interview met zijn kameraad Ludo Abicht drong afgelopen week nog tot me door hoe grondig de opleiding was die jezuïeten van zijn generatie kregen. Waar te lezen viel dat wegens onvoldoende kennis van een landstaal dan maar in het Latijn werd geconverseerd, meen ik dat De Schrijver als twintiger moederziel alleen naar München uitgezonden werd om een jaartje of meer nog wat extra theologie te studeren. En daar, als ik het wel heb, de jonge Joseph Ratzinger trof?
Terwijl die latere paus voor mij altijd een boekenwurm is gebleven, wekte De Schrijver de indruk ook kennis uit de eerste hand te hebben én directe actie te wensen. Dat kon ook niet anders, gepokt en gemazeld als hij was door het marxistische christendom van de bevrijdingstheologie en door de zorg om het klimaat die hij met iedereen wilde delen.
Het archief van het cultureel-maatschappelijke tijdschrift Streven openbaart dat De Schrijver in 1984 zijn studiegenoot alsnog op zijn noten heeft gegeven:

In een onlangs gepubliceerde studie betoogt Kardinaal Ratzinger dat de bevrijdingstheologie op meerdere wezenlijke punten een dwaalleer verkondigt. De auteur legde Ratzingers 'beschrijving' van die theologie naast Sobrino's eigen uitspraken in verband met het reeds aanwezige en het nog te betrachten en te verwachten heil, de hermeneutische overbrugging van de ten dele historische evangelische boodschap naar de eveneens historische actualiteit en de partijdige keuze voor de armen in de gegeven Latijns-amerikaanse situatie. Het degelijk verantwoord christelijk gehalte van Sobrino's theologische interpretatie wekt het vermoeden dat veel - westers - verzet tegen de bevrijdingstheologie andere , minder geestelijke wortels heeft dan de zorg om het behoud van de ortodoxie.

Geen wonder dat De Schrijver in collega-jezuïet Jorge Mario Bergoglio meer vertrouwen had. Dit werkte hij eind vorig jaar althans uit.

In zijn encycliek Laudato si (‘Geprezen zijt gij’) neemt paus Franciscus een thema op dat Franciscus van Assisi dierbaar was: eerbied voor de schepping en zorg voor de armen. Voor hem is duidelijk dat de armsten in de ontwikkelingslanden het felst worden getroffen door de milieuafbraak en dat deze teruggaat op de ongebreidelde consumptiedrang en technocratie van de rijke landen. Het artikel belicht de specifiek Argentijnse achtergrond van deze provocerende, ‘bevrijdingstheologische’ stellingname.

Ik weet niet meer in welk boek Daniel Robberechts kritische, minachtende woorden richtte aan het adres van De Schrijver, als zijnde een conservatief. Lang geleden. Zoals iedereen zal De Schrijver voortschrijdende inzichten hebben ontwikkeld. Toch staat me mijn irritatie nog bij toen ik kennisnam van Robberechts’ kritiek, allerminst een globetrotter maar wel iemand met even maatschappijkritische oogmerken.
Mogelijk reageerden de twee anders op de ontideologisering van de jaren tachtig. Robberechts trok zich zo mogelijk nog verder terug, De Schrijver werd polemischer:

Waar tot voor kort ook vele christenen zich beijverden om politieke en andere seculiere aangelegenheden te onttrekken aan kerkelijke interventies en bevoogding, doet zich nu het merkwaardige fenomeen voor dat vele kerken zich opnieuw gedrongen of gedwongen voelen om zich met o.m. politieke en economische problemen in te laten. De auteur analyseert en kritiseert H.M. Kuiterts radicale afwijzing van enige collectief-christelijke bemoeienis met de wereldlijke gang van zaken, welke de Amsterdamse theoloog z.i. ten onrechte hanteert als louter een kwestie van (te erkennen) ideologie-vrije (vak)competenties.

Dit is 1986. Waar babyboomers hun kar begonnen te keren, radicaliseerden theologen als De Schrijver. In het trickle-down effect dat Reagan voorspiegelde, geloofde hij niet. In de solidariteitsaanpak van Amartya Sen – ontwikkeling via lager onderwijs en gezondheidszorg voor iedereen – dan weer wel.
De Schrijvers focus op uitbuiting verbreedde zich tot een roep om ware diversiteit en een stellingname tegen elke vorm van uitsluiting. Anders dan vele kosmopolieten die in principe verwant zijn, durfde hij daartoe de verleiding van populisme te weerstaan. Hij maakte ideeën van Lyotard en Habermas toegankelijk voor zijn engagement. Dicht bij huis was daarbij niet Vlaanderen maar Europa het instituut waar hij het meest van verwachtte. Getuige het archief wierp De Schrijver zich de laatste jaren vooral op het werk van Giorgio Agamben.
Het stemt me weemoedig dat kort na Joris Gerits weer een redacteur van Streven is overleden. Temeer omdat het blad afgelopen jaar geruisloos zijn bescheiden subsidie van de Vlaamse Gemeenschap is verloren. Tegelijk maakte het evenementenbureau Behoud de Begeerte, dat op zijn manier ook aan cultuuroverdracht doet, luid misbaar en werd gespaard. Dat zich daar vele grote namen voor leenden, onttrekt zich aan redelijk commentaar.
Vanaf januari 1981 heeft De Schrijver 66 artikelen voor Streven gemaakt. Een van de recentste zal me zeker bijblijven: ‘Martelaren in El Salvador. Uit naam van welk geloof?’ Hij zegt daarin zelf pas in de jaren tachtig de bevrijdingstheologie te hebben ontmoet. Vooral beschrijft hij zijn band met enige jezuïeten die hij namens Broederlijk Delen had leren kennen. Onder wie Jon Sobrino, die hij aan Ratzinger ten voorbeeld had gesteld. Als enige ontsnapte deze de dans. De andere mannen zouden door doodseskaders, gespijzigd door de regering-Reagan, worden afgemaakt. Een van hen kon lezen en schrijven met de overtuigingen van de revolutiegetrouwe aartsbisschop Romero, die sneller het loodje legde.
De jezuïeten golden als martelaren, Romero niet. Hij moest daartoe zijn gestorven voor het christelijk geloof, niet voor een politiek ideaal. Pas in 2015 lukte het de status te krijgen, dankzij paus Franciscus.
De Schrijvers relaas staat in het themanummer Strijders voor een ideaal dat mede door hem en Abicht was samengesteld. Twee tachtigers! Ik meen dat zijn held Adorno uiteindelijk in de eigen tijd wat minder thuis was.
In Manilla is Georges De Schrijver nu dus overleden en hij zal daar ook worden begraven. Dan reist hij door naar de rand van de hemel, de enige plaats waar nog gerookt mag worden (zolang het venster op de wereld openstaat). Daar wacht Kant al op hem om de details van een nieuwe categorische imperatief door te nemen. 

Naschriftje
Hoe kom ik erbij Ratzinger als studiegenoot van De Schrijver te beschouwen? Er blijkt acht jaar leeftijdsverschil! Wel heeft Ratzinger lesgegeven aan het priesterseminarie van het aartsbisdom München-Freising.

woensdag 5 oktober 2016

Lügenpresse




Op een of andere manier verdroeg ik het de eerste keer niet en klikte de uitzending na een paar minuten weg. Waarom het in de rebound wel lukte blijft duister, en het zou ook niet interessant zijn het publiekelijk te formuleren – maar ik ben blij de Tegenlicht-aflevering Wij zijn het volk te hebben gezien.
Plaats van handeling was Dresden, met zijn maandagdemonstraties tegen… Ja, tegen wat eigenlijk? Buitenlanders? Niet-inheemse invloeden? De wereld die door de globalisering verandert? Beweging van dienst is natuurlijk Pegida, maar het ging de televisiemakers om de weg die dit griezelige project had geplaveid voor de AfD.
Om unieke, laat staan landgebonden verschijnselen gaat het helaas niet, zelfs wanneer ik me beperk tot Europa. Overal steken zulke bewegingen de kop op. Recent ook in Nederland, mocht ik met maar niet geamuseerd rakende verbazing constateren, toen zich de zoveelste kakelverse partij aandiende.
Had Tegenlicht langs een omweg dus ‘nieuw rechts’ op het oog, dat zich tussen PVV en VVD wil wringen? Ik vind het alleszins lofwaardig om uit de eerste hand tekst en uitleg te krijgen. Dat vond een CDU-politicus ook, die pleitte protestgeluiden niet te marginaliseren of ridiculiseren, maar ernaar te luisteren.
(Het ontging me waarom die man geportretteerd werd met beelden waarop hij, voorafgaand aan een operabezoek, een black tie probeerde te vouwen in navolging van een techniek die zijn vrouw hem live op haar smartphone voortoverde.)
Wat bezielt dus voorstanders van AfD? In geen geval: kranten. Men zei ze niet meer te lezen, omdat het toch onwaar was wat daarin allemaal stond. Kloek werd dat geloof verbreid op een protestbordje met het opschrift ‘Ich bin ein Kaffeemaschine’. Daar stond een afbeelding bij van een citroenpers, en daaronder: lügenpresse.
Het ongeloof geldt ook de democratie. In Wij zijn het volk zei iemand dat ze drie seconden duurde, waarin voor vier jaar een kruisje viel te zetten op een stembiljet. Zoiets voldoet niet langer voor ‘de voorheen zwijgende meerderheid’.
Ook op dit vlak lijken de links-rechts-verhoudingen gedraaid. Men zag geen mogelijkheid voor individueel protest, Merkel werd opgevoerd als censor die alles zou uitsluiten wat niet ‘politiek-correct’ is. Ook hier kan dus het referendum worden opgeëist en kan er bekommernis opwellen om de rechten van pakweg dieren en vrouwen en homoseksuelen.
De immense bedreiging die immers wordt beleefd gaat over een ultiem goed: de vrijheid van meningsuiting.
Absurd.
Toch?

maandag 26 september 2016

De Oude mens zoals hij te boek staat


  
In zijn luimige columnbundel Klein digitaal verdriet toont Antoine Compagnon zich begaan met zijn eigen coups de foudre. Dat is bijna een verademing in tijden dat alleen al, pakweg, het noemen van Aleppo het omringende asgrauw kleurt. De Franse literatuurwetenschapper komt over als iemand die ergens volstrekt in opgaat om bij obstructies de betrekkelijkheid van zijn avontuur te zien, zonder het af te vallen.
Zo is Compagnon als babyboomer en dus niet-native gebruiker een vroege verslinder geweest van allerhande revolutionaire apparatuur, waarbij hij nooit gebruiksaanwijzingen raadpleegde. Hij wijt het aan een aanpalende opleiding tot ingenieur dat hem het wat hij noemt ‘hands-on leren’ beter ligt.
Toen tot mij doordrong wat ‘hands-on’ kennelijk betekent, stond ik paf. Niet dat ik een manisch gebruiker van handleidingen ben, maar woordenboeken lust ik rauw. Bij een naar mijn aanvoelen al te reflexmatig opduikende vraag naar een ‘hands-on-mentaliteit’ overvalt me echter koppigheid. Die betekenis raad ik zelf wel.
Persoonlijk dacht ik aan het noodlottige cowboymoment dat mij het tegendeel leek: ‘hands up’. In mijn beleving had ‘hands-on’, dat ik misschien niet helemaal onterecht verbind met een neoliberaal denken, te maken met nooit opgeven, zelfs niet ‘in de meest hopeloze gevallen’. Hulp vragen kan al helemaal niet.
Het grappige vind ik dat een hands-on-mentaliteit wel degelijk tot zulke gevolgen leidt. Want een gezaghebbende bron kan best helpen. Compagnon memoreert een student die voor een werkstuk over Brave New World de dienstdoende Wikipediapagina had vervangen door die van Lord of the Flies, zodat zijn lerares niet zou ontdekken dat zijn werkstuk een copypaste-operatie was.
Daartegenover plaatst Compagnon sluwer bedrog van een leraar die in de vakantie op het web allerlei desinformaties over een minder belangrijke barokdichter verspreidde die natuurlijk op het programma stond. En ja, hij kreeg zijn eigen snode verzinsels keurig in werkstukken gepresenteerd.
Compagnon geeft ook nog de onontkoombare – herkenbare – realiteit mee van een aan hem gewijde Wikipediapagina die foutieve gegevens bevat. Deontologisch zouden ze door iedereen mogen worden verbeterd, behalve door hemzelf, degene die er door het copypaste-klimaat jaar na jaar last van heeft.
Wat dat aangaat is een recent verbod van laptops door studenten tijdens hoorcolleges nog tamelijk galant. Het gaat ervan uit dat zulke apparaten speciaal voor die les zijn meegenomen. Vanzelfsprekend zouden handgemaakte aantekeningen nopen tot een grotere concentratie, maar ‘hands-on’ worden ze geenszins. Ze volgen immers de handleiding van de professor.
Zouden zulke pagina’s bij een eerste blik dan ook gezaghebbendheid verraden? Ooit kwam de papieren kennis tot mij dat het fenomeen alinea betrekkelijk jong is. Ik wist toen nog niet dat het genre van de internettekst vereist voor bijna elke zin een nieuwe alinea in te zetten; Compagnons columns, die verschenen in de exclusief digitale Huffington Post, houden zich daar niet aan.
Voor zulk opportunisme zich in mij had genesteld, meldde een handboek een bovengrens van twintig regels. Meer zou een goed begrip doen stuiken van een wetenschappelijke tekst, het moeilijkste genre. In diezelfde tijd leerde een ander werk me dat het begrip ‘opportunisme’, volgens weer een ander boek, in Zwitserland is geïntroduceerd door Henri Rochefort. Hij sarde er bange revolutionairen mee.
Als stamvader van het opportunisme heb ik op een of andere manier immer Machiavelli opgevat. Maar da’s ook maar gebaseerd op slechts één van zijn boeken dat derden wellicht doorademd vinden door realisme. Hans Magnus Enzensberger huldigde bijvoorbeeld Machiavelli ooit met geknars van tanden zo:

‘Voor je kale meedogenloze zinnen, voor je moed om lafhartig te zijn,
je diepzinnige banaliteit, en je nieuwe wetenschap

Niccolò, schoft, dichter, opportunist, klassiek schrijver, beul:
jij bent de Oude mens zoals hij te boek staat, en daarom prijs ik jouw boek

Broeder Niccolò, dat vergeet ik nooit, en dat je leugens
zo vaak de waarheid spreken, daarvoor vervloek ik je kromme hand.
(vert. Peter Nijmeijer)

Ook Ayaan Hirsi Ali moet iets voor die lafhartige moed hebben gevoeld. In Nomade verklaarde ze zich gecharmeerd van de Nederlandse aard, die eruit zou bestaan de natuur aan te passen aan je wensen. Ging dat ooit met dijken en molens, in vacatures waar onder het gesternte van de hands-on-mentaliteit de notie opportunistisch uiteraard niet kan vallen, heet dat waarschijnlijk een ‘groot probleemoplossend vermogen’.
Maar wie ben ik om al die leesscherfjes bijeen te vegen? Door een onthutsend rapport uit Nederland over laaggeletterdheid ontmoette ik het begrip ‘oudkomer’. Plichtsgetrouw en optimistisch nazicht in Van Dale leerde me een zelfportret te hebben ontmoet, naar de definitie van mijn woonland:

oudkomer
zelfstandig naamwoordde moudkomers
1997, gevormd naar het voorbeeld van nieuwkomer
1 vreemdeling die al langere tijd legaal in zijn nieuwe vaderland woont
a in NL vreemdeling tussen 16 en 65 jaar zonder Nederlands paspoort, die in de leerplichtige leeftijd minder dan acht jaar in Nederland woonde, die geen diploma’s heeft waaruit voldoende beheersing van de Nederlandse taal blijkt en die daarom verplicht is een inburgeringsdiploma te behalen
b in BE meerderjarige vreemdeling die meer dan twaalf maanden ingeschreven is in het Rijksregister

Eigenlijk wilde ik iets zeggen over het boekje van Compagnon, die volgens Wikipedia trouwens geboren is in Brussel. Het hoogtepunt van Klein digitaal verdriet lag voor mij in 4’33”. Deze omstreden compositie van John Cage, louter gevuld met omgevingsgeluid, kent een duur die Compagnon verregaand duidt.
Autobiografisch, omdat hij precies die tijd kreeg om op de televisie te spreken over een klassiek boek. Technisch, omdat dit in geschreven tekst zou uitmonden in maximaal 4800 tekens, inclusief spaties – minder dan deze blog. Ideologisch, omdat hierdoor de wet van de jungle gedicteerd blijkt die zich volgens Antoine Compagnon uit in een persconferentie van een Franse president.
Vragen? Geen vragen.

donderdag 15 september 2016

De grammaticaal correcte volzin



Vers van de plank is de documentaire De slag om het Maagdenhuis. Ze blikt terug op de bezetting door studenten in 2015 en laat de hoofdpersonen van toen, met kennis van heden, aan het woord.
Natuurlijk moet deze gebeurtenis optornen tegen de legende van de Maagdenhuisbezetting in 1969, die vijf dagen duurde. In 2015 verbleven er meer studenten ongeveer achtmaal zo lang, maar het is de vraag of de geschiedenis hun een even prominente plaats geeft. ‘De revolutie van de jaren zestig’ heeft vooralsnog betere papieren.
Centrale stelling in De slag om het Maagdenhuis is het ontbreken van elk begrip tussen de partijen. Studentenvoorman Jarmo Berkhout zegt dat de gesprekken nooit gelijkwaardig zijn geweest: bestuurders hadden nu eenmaal de macht.
Om die notoire asymmetrie te legitimeren, en feitelijk selffulfilling prophecy te installeren, gebruiken partijen hun eigen woorden. Bestuurders reppen van hun verlangen naar een ‘dialoog’, studenten ontmaskeren dat gedrag als ‘regentesk’ (en voegen zich zo naar het beeld van ‘de jaren zestig’, dat nogal wat voorgeschiedenis aldus retoucheert. Ook spandoeken met de knipogende slogan Baas in eigen hoofd onderstrepen die vertekening.)
Zelf was ik vooral gespitst op hoe de instituties hun posities vertegenwoordigden. Amsterdams burgemeester Van der Laan kwam gehaaid over. Luisterend, geïnteresseerd, soms complimenterend, leek het alsof hij voortdurend ruimte had gelaten, maar helaas door de studenten genoopt werd tot gewelddadige ontruimingen.
Verhoudingsgewijs was collegevoorzitter Louise Gunning onhandiger, helemaal toen ze verklaarde problemen te willen oplossen ‘met elkaar’. Voor mij is die frase gaan kleven aan Wim Kok, officieel een socialist, toen hij als premier van paarse regeringen een dialoog aanging met collectieve voorzieningen.
Toch ontroerde Gunning me. Ze had een dictie waarvan ik niet wist dat die nog bestond, met uitdrukkingen als ‘zich toegang verschaffen’ ook. Minstens zo aangrijpend was een actievoerster. Haar stem leek rechtstreeks uit Kinderen voor kinderen weggetrippeld.
De slag om het Maagdenhuis gaf verder inzicht in Occupy-vergaderregels met wapperende handen. Ook verplaatste Typhoon het decor ogenschijnlijk naar de historische protestjaren, met een uitvoering van ‘Redemption Song’. Maar die dateert van 1980, toen Thatcher al aan de macht was.
Tot slot zag ik een poster voorbijkomen van The University of Colour, die dik een jaar later van zich zou doen spreken.

zondag 4 september 2016

Staatsangehöriger zum gegenwärtigen Zeitpunkt!

Staatsangehöriger zum gegenwärtigen Zeitpunkt!


In een supermarkt kun je uren talmen over welke boter je moet kopen en dan nog twijfelen of het de goede keuze is geweest, maar grote beslissingen neem je in een oogwenk en lijken nog verantwoord ook. Dat heet tegenwoordig volgens mij serendipiteit. Consequentheid en logica wekken niet de indruk er prominent bij aanwezig te zijn.
Iets dergelijk bewijst ook weer de reconstructie van Angela Merkels besluit om in september 2015 de grenzen open te zetten voor vluchtelingen die in het Hongarije van Orban letterlijk vastgelopen waren. Ook met de kennis van een jaar nadien voelt het aan als een wijs besluit. Merkels arbeidsethos imponeert sowieso (en dat van mannelijke collega’s in binnen- en buitenland stelt teleur).
Mij verbaasden kwesties die vermoedelijk details zijn. Dat één tweet een cascadewerking kan hebben, dat een aan Oostenrijk opgedrongen persverklaring zo spoedig mogelijk op Facebook moest komen opdat ook de vluchtelingen on the road zich konden informeren. En dat de humanitaire ramp na hen met geweld afgestopt te hebben eindeloos door ‘de media’ zou worden gereproduceerd.
Door de reconstructie vierde meteen een slogan een eenjarig jubileum, waarbij de gevreesde media evengoed stilstaan.
In mijn functie van vakidioot hoor ik in ‘Wir schaffen das’ evenveel lettergrepen als in het nogal anders gestemde ‘Eigen volk eerst’ (Vlaams Belang). Merkel voegt in haar tegendeel met een persoonlijk voornaamwoord tegelijk daadkracht toe. Dat deze van een gemeenschap moet komen, bewijst de klank van ‘Wir schaffen das’ die al samenhang laat horen – ‘Eigen volk eerst’ suggereert los zand.
‘Vol is vol’ (Centrumdemocaten) zit ritmisch en fonetisch beter in elkaar. Het doet daarin denken aan alweer een tegenhanger: ‘Yes, we can’ (Obama). Assonantie aan weerszijden, inclusiviteit uitbeeldend! Wel is het verschil tussen die twee slogans essentiëler doordat ook ‘Yes, we can’ een persoonlijk voornaamwoord inlast.
Uiteraard staan ‘Wir schaffen das’ en ‘Yes, we can’ ook inhoudelijk anders in de wereld dan ‘Eigen volk eerst’ en ‘Vol is vol’. Bij de eerste twee is er nog werk aan de winkel, terwijl de derde en vierde een status quo willen.
Daarmee doemt voor mij nog een beruchte uitspraak, een dieptepunt uit de laaglandse politiek – dat ik louter cliffhangerig, met stuiterende voorzetsels, kan formuleren. Ik doel op de reactie van Geert Wilders op het antwoord ‘Minder’ van PVV-publiek op zijn vraag ‘Willen jullie meer of minder Marokkanen?’: ‘Dan gaan we dat regelen.’
Voor Wilders lijkt er dus evengoed werk aan de winkel en zijn uitspraak komt bijna letterlijk overeen met die van Merkel, maar toch voelt iedereen aan dat zijn ‘Dan gaan we dat regelen’ diametraal staat op haar ‘Wir schaffen das’.
Bij Merkel domineert een geloof in de toekomst, bij Wilders een prikkel in het heden die boter bij de vis wil geven. Het woordje ‘dan’ suggereert dat hij op een tegenovergesteld antwoord tegenovergesteld had gereageerd. Tegelijk is dat een democratische schijn, omdat hij, als enig lid van zijn partij, zijn eigen gang gaat.
Het ‘we’ van Wilders fungeert dus als een verhuld ‘ik’. Om zijn doel te bereiken moet hij aan achterkamertjespolitiek doen: ‘regelen’ verdraagt geen daglicht, en heet hier in België zoiets als arrangeren.
Het ‘wir’ van Merkel heeft juist openbare steun nodig. Het is wat het is; ‘schaffen’ is arbeid die valt te controleren door iedereen die dat wil. Gezamenlijkheid dient als voorwaarde.
Bij Wilders kunnen begunstigden achterover leunen omdat één iemand voor hen aan het fiksen is. Bij Merkel is moeite nodig door iedereen voor iedereen.
Voordeel bij Wilders valt toe aan individuen wier belangen elk middel heiligen. Dat maakt zijn strategie opportunistisch. Voordeel bij Merkel valt toe aan de gemeenschap. Dat maakt haar strategie principieel. Maar ook utopisch?


P.S. En toen verloor Merkel de deelstatenverkiezingen in ‘haar’ Mecklenburg-Vorpommern van een partij die Alternative in haar naam heeft, ooit een garantie voor links gedachtegoed, en die de slogan ‘Mut zur Wahrheit’ voert. Evenveel lettergrepen en een assonantie – die echter meteen obstinaat wordt. En weer geen persoonlijk voornaamwoord te bekennen.

dinsdag 23 augustus 2016

Vitae Summa Brevis




Dat hij dermate aardig was, dat hij onmogelijk vijanden kon hebben. Vreemd dat dit het eerste is wat mij bij Toots Thielemans te binnen schiet. Zo’n begaafde muzikant! De gave om een onooglijk instrument, dat hij broodje noemde, te emanciperen! Het verbijsterende aantal hot shots met wie hij heeft samengewerkt! De overbodigheid van het potjeslatijn!
Telkens gaan mijn gedachten de niet-kennerskant op. Er bestaat een bescheidenheid die niet vals is! Eventjes determineren. Wie van jongs af in cafés verblijft, moet wel een sociale intelligentie ontwikkelen. Voeg daarbij muziek als voor iedereen toegankelijke taal, en de voorwaarden zijn geschapen.
Ieder zijn idolen en beurse plekken. Onvermijdelijk herinner ik me de BRT-reportage waarin Thielemans die andere instrumentemancipator, de inmiddels opzichtig manische Jaco Pastorius, inclusief baret die veeleer de associatie met een Willempie-act in het leven riep, liet betijen en bij al dat respect de muziek losjes in ietwat betamelijke banen leidde.
Als er na Boudewijn nu iemand is wiens dood in België eenheid kan scheppen, dan lijkt Toots het wel.
Bij hem kan er ook geen verdenking geweest zijn van intellectualisme, dat er zo slecht op staat, en waarbij ditmaal jazz dient voor de mogelijk oprechte uitvlucht ‘ik begrijp het niet’. Op mijn beurt snap ik dat niet. Vanuit jazz en jazzrock of fusion heb ik kennisgemaakt met een resem van genres, zoals Thielemans zelf is overkomen.
Ook dunkt me dat jazz is voortgekomen uit armoede, waartegen muzikanten troost en optimisme in stelling brachten. Enkelingen wisten zich op te werken, maar het zakdoekje van Louis Armstrong wuifde toch ook een beetje naar plantage-eigenaren voor wie de muzikant zich in het zweet werkte.
Geld verbind ik met oude stijl jazz, die de olijke protestgroep RK Veulpoepers BV begin jaren tachtig als ‘Ouwe Kwijl Jazz’ ontmaskerde: ‘O zweethart van mijn / O geef me wat wijn / En de sauzen van Calvé’. Dit zal geconsumeerd moeten zijn door ‘blauwe blazers’, en daarmee zijn geen instrumenten maar kledingstukken bedoeld.
Hier toont zich iets wat volgens mij waarlijk de virtuositeit van Thielemans is geweest. Hij wist ook deze liefhebbers zonder dedain aan zich te binden. Waar in die niche openbare pushing van Willem Duys iemand als Thijs van Leer de das omdeed, bleef de reputatie van Thielemans onbesmet. Desnoods kitsch sloot hij binnen.
Zelf heb ik alleen bijverschijnselen daarvan ervaren, op festivals. Er blijven daar reservaten van goed eten en veel lege plaatsen, waarbuiten ik een vrouw eens haar beklag zag doen over de witte wijn: die kon ze onmogelijk drinken uit een plastic bekertje. Hopelijk was zij niet te laat gearriveerd op haar peperdure zitplaats en was ze niet voortijdig weggegaan (Michael J. Sandel signaleerde dat verschijnsel evengoed op sportvlak).
Anderzijds herinner ik me van zo’n evenement een oude man met T-shirt-opschrift: ‘Onder het plaveisel ligt het strand. Nog altijd.’ Dat past mijns inziens bij jazz, en zo heeft Thielemans dat in zijn permanente inclusie van nevengenres toegepast.
Sterker, het hoort bij wat David Graeber stelde in een oproep voor Occupy: ‘The power of Occupy lies in its ability to harness the collective intelligence of our leaderless movement to tactically innovate. We move at viral speed – always one step ahead. “Fight, fail, fight again, fail again, fight again… till victory.” When one tactical constellation fails, we innovate spontaneously – we play jazz.
Alleen ontpolemiseerde Thielemans de buitenkant van die muziek.
Is er van zo’n karakter, dat moeiteloos goed humeuren aanricht, een evenknie in Nederland? Ik ben kennelijk te lang weg, want weet er geen. Zelfs de meest geliefde muzikanten hebben altijd wel enige strijdvaardigheid verwekt. Een overblijfsel van de debatcultuur die al tijden is gestold in uniforme compromissenbaksels?

donderdag 18 augustus 2016

Vooruitgang



Opgepast, een lange zin. Talloze malen op televisie gezien, op foto’s, over gelezen in tijden toen het bij schaatswedstrijden, waar de zilvervloot gewonnen moest worden, zichtbaar winter was en toen de publieke voetbalscheidsrechtersverwensing hiha hondenlul geen tussen-n kende en koosjer noch halal was – en nu, dik 51 jaar oud, ben ik vanachter het schuifraam naar onze koer getuige geweest van die oerscène: moedervogel dropt van boven de nestrand wormpjes in de opengesperde snavels van heur kinderen.
Dit betekent eveneens dat het taalkundig genie en de gourmande iets eerder deze illustratie van kennis beleven. En dat zal veeleer regel dan uitzondering worden. Maar ja, van hoe ver kom ik, ongeveer? Volgens een woordfrequentieschilderij over 1960 tot en met 1968, afgebeeld in een gids over het laatstgenoemde iconische jaar, vielen uit het nieuwe Frans van Le Petit Robert destijds het vaakst twee woorden uit mijn geboortejaar: ‘minijupe’ en ‘phallocratie’.
Trekt nu een zucht van vermoeidheid door de gelederen van hen op wie onze hoop gevestigd is?
Dertig jaar later pleitte Hugo Claus voor geduld dat het lezen van moeilijker boeken mogelijk zou maken. Ook de letterenverslaafde moet immers rijpen. Hij vergeleek dit proces werktuiglijk met consumptie: ‘De meeste kinderen moet je olijven leren eten.’ En ik besef dat het taalkundig genie en de gourmande, die nooit een tijd hebben gekend dat er geen olijven in huis waren, deze zaligheden, die mij in eerste instantie het meest smaakten naar zeewater, altijd als vanzelfsprekend gulzig hebben gegeten.
Houdt dit in dat makers van die boeken evengoed veranderd zijn? Opgepast, een paar namen. Ooit lanceerde Dubravka Ugrešić de term ON-schrijver. Die afkorting verwijst, vrees ik, niet naar een prachttitel van mijn hand, maar naar Out of Nation. En juist dat concept dunkt me te grofmazig voor de actualiteit.
In zijn multiculturele interviewbundel Kaaskoppen sprak Robert Vuijsje met autochtoon Mai Spijkers, die als weinig anderen hun producten weet te slijten. Hij komt aan het woord omdat hij zich uit een achterstandsmilieu heeft opgewerkt tot multimiljonair ‘en bekenstond als een meedogenloze patser’. Vuijsje vertelt erbij dat Spijkers met afstand de meeste auteurs publiceert van wie de familie niet in Nederland geboren is. Over hen zegt Spijkers:

‘Ik generaliseer nu: de doorsnee Hollander met een redelijke opleiding, die kun je wel uittekenen. Maar deze mensen hebben meer meegemaakt, daardoor zijn ze meer spannende sparring partners. Het verhaal van die jongens en meisjes, daar herken ik me in. Ze zijn de kinderen van fabrieksarbeiders, met de vader hadden ze geen contact want die moest altijd werken, de moeder regelde alles thuis. Allemaal armoede, maar ze hadden wel intellectuele interesse en ambitie. Het is mijn eigen verhaal, dat voelen zij ook.’

Ik vind dat mooi, al kan ik me commentaar voorstellen over profijt en misplaatste identificatie, inclusief de onvermijdelijke historische parallel, hier pakweg met kolonialisme waar de bezongen zilvervloot aan refereert.
Toch ben ik zo vrij in Spijkers’ observatie én in Claus’ gedateerde beeldspraak een ververste institutionalisering te zien. Voor hen die vrezen dat hiermee nabije tradities naar de knoppen gaan, lijken me gelijktijdig de kansen juist te stijgen. Twee bewijsjes.
In Amerika is trompettist Wynton Marsalis al heel lang bezig met hardhandige conservatie van muziek die volgens hem, en en Stanley Crouch, aan het verdwijnen is. In Nederland was tamelijk recent een initiatief om de Groningse eierbal op de UNESO-lijst voor immaterieel erfgoed te krijgen.
Als inwoner van België durf ik niet goed de spot te drijven met culinaire hoogstandjes uit Nederland, maar erg smakelijk lijkt me het frituursel niet, in een combinatie van gekookt ei, ragout en paneermeel.
Volgens het Wikipedialemma van de eierbal is er verwantschap met de sambal goreng telor uit de Indonesische keuken. Dit dunkt mij een belediging, en helaas niet de eerste. Al verkeer ik over oorspronkelijkheid altijd al in prettige verwarring, en alleen maar meer sinds over Arno is beweerd dat hij ‘met zijn mengelmoes van Engels, Frans en een beetje Nederlands een zeldzaam authentiek vertolker [is] van de Vlaamse volksziel.’
De opstoting van de eierbal in de vaart der volkeren ging gepaard met een actiefoto van de premier die het ding binnen probeerde te spelen. Hij bleek dat niet met het grootste genoegen te hebben gedaan, bang als hij was te worden vereeuwigd à la McCain in verkiezingstijd.
Bij wijze van alternatief had hij de eierbal kunnen doorgeven aan hen die een voedseltekort doormaakten. Aan vogeltjes bijvoorbeeld. Al was het mogelijk dat die de voorkeur bleven geven aan wormen. Een lekkernij, dat weet ik nu wel zeker. 

maandag 8 augustus 2016

Schutplaats op de planeet



Lang geleden dat ik me nog zo ongemakkelijk gevoeld heb bij een boek als tijdens lezing van Astrid Roemers Liefde in tijden van gebrek: memoires van een thuisloze. Die recentste titel, verschenen tussen toekenning en uitreiking van de P.C. Hooft-prijs 2016, blijkt nogal apart ontvangen. Ik stuitte op een paar interviews en oeuvre-overzichten, terwijl ik recensies en analyses via de hoofdingang had verwacht. Stil bleef de recensente die op de binnenflap haar nieuwsgierigheid naar Liefde in tijden van gebrek uitspreekt. De ontvangst in zijvertrekken lijkt een verlegenheidsoplossing, omdat het boek als onversneden autobiografisch is gepresenteerd en een heikel thema aanroert: betrekkingswaan.
Liefde in tijden van gebrek druist in tegen het exotische en maatschappijkritische beeld van Roemers schrijverschap dat rond de P.C. Hooft-prijs gereproduceerd werd. Beeldspraak blijft vaak achterwege, de stijl is veeleer sober dan exuberant. In dit boek registreert Roemer. In combinatie met het thema en de keuze voor één centrale hoofdfiguur die nevenpersonages, ‘kwaad-aardigen’ genoemd, door haar gedachtewereld filtert, levert dat een oer-Hollands, bijna naturalistisch boek op. Schitterend is een toevoeging bij het eerste voorzetsel in deze vraag: ‘Wat is er toch met betrekking tot mij aan de hand?’
De drukst optredende ambachtsmannen uit Liefde in tijden van gebrek zijn slotenmakers. Toch worden de – permanent tijdelijke – woonruimtes van de hoofdfiguur tijdens haar afwezigheid binnengedrongen, gaan haar elektrische apparaten stuk, verdwijnt er voedsel van haar geliefde katten, worden haar vuilniszakken onderzocht, wordt haar e-mailbox geopend, haar laptop gehackt, haar bankrekening geplunderd en een begrafenisverzekering voor haar afgesloten, zijn er seksboekjes geschoven tussen haar naslagwerken, medische gegevens van een onbekende in haar dossier bijgeschreven, verschijnt er een politiebericht op het scherm van haar gsm. ‘De gemeenschap’ formeert een status quo tegen het individu.
Wel dunken mij dit symptomen die zich evengoed aftekenen op de huid van de westerse samenleving. Cybercrime en NSA-gewemel behoren daar even vanzelfsprekend toe als zogeheten verdacht poeder. De term ‘dreigingsniveau’ is ingeburgerd. Achterdocht lijkt uiteenlopende fenomenen te verzamelen voor wat een onderbuikgevoel heet. Dat er aanslagen komen, dat een geloof de macht overneemt, dat er een systeem zit achter de terreur, dat ‘de media’ de kluit belazeren, enz.
Zo’n gevoel heerst overigens evenzeer in hogere kringen, wanneer Donald Trump insinueert dat Putin toegang heeft tot alle Amerikaanse instituties, inclusief ik weet niet wat, of wanneer Hillary Clinton insinueert dat Trump samenspant met Putin.
Roemers hoofdfiguur valt niet te betrappen op het belangrijkste bijverschijnsel: angst. Ook schiet de term ‘hoofdfiguur’ tekort. Het boek spreekt veelvuldig van ‘mijn organisme’, en hanteert het bijvoeglijk naamwoord ‘mentaal’ tevens als substantief (‘het mentaal leert, repeteert, integreert, adapteert’). Doordat Liefde in tijden van gebrek op meerdere plaatsen aanhankelijkheidsverklaringen uitspreekt tegenover Darwin en zijn survival of the fittest komt het ‘ik’ neer op een beweeglijke kern die door weloverwogen aanpassing (‘ik dans naar hun pijpen en speelt de naïeve negerin’) tracht te overleven.
Typisch is namelijk dat die beweeglijkheid beperkt blijft tot de gedachten, die motieven aan de nevenpersonages toeschrijven én die eigen gedrag legitimeren dat veeleer geduldig meebuigt dan ageert: ‘Ik ben niet iemand die anderen overvalt, de privacy van anderen ongevraagd binnendringt: ik heb geen kankermentaliteit. Ik ben liever een reeks vitaminen die vrijwillig wordt ingenomen en het organisme opwekt, versterkt, in stand houdt’. Wanneer het ‘ik’ haar autonomie heeft herwonnen is het juist onbeweeglijk. Dagen worden dan stukgeslagen in meditaties en geconcentreerde voorbereidingen op het maken van teksten.
Een andere sidderende tegenspraak binnen Liefde in tijden van gebrek is dat de argwaan grossiert in voorbeelden van hoe de privacy van het ‘ik’ geschonden wordt, en dat de beschrijvingen die dat willen bewijzen diezelfde privacy nog grover onthullen. Elke verklaring over de binnendringing van een ander boort een dieper gat in het zelf. De aanvallende mensen en instanties worden bedreigender doordat ze initialen krijgen of slechts vage aanduidingen: ‘de persoon aan wie ik liever niet denk’, de Haagse Mevrouw, de Amsterdamse Geliefde, de R-bank, Bekende Landgenoten,… Bij hen stelt de ik-figuur zich netwerken voor, die per dag in grootte toenemen.
Nog een middel waarmee Liefde in tijden van gebrek paranoia verzwaart is de alinea-indeling. Het lijvige boek kent, tegengesteld aan het opengewerkte proza van Roemers vroegere titels, amper wit of inspringing. Zo wordt het beschreven universum geslotener, meer verschanst. De drie delen waarin Liefde in tijden van gebrek uiteenvalt en die verbonden zijn met plaatsen, bevestigen die indruk, doordat er geen verschil tussen is: ‘Net als een vaderland en een nationaliteit, geslachtssolidariteit en rasidentiteit, familiekringen en liefdesrelaties, kan een stad die je ooit geborgen heeft de meest gevaarlijke schutplaats worden op de planeet’.
Niet voor niets valt het woord ‘hermetisch’ nogal eens voor de toestand waarin het ik verkeert. Zelfs ontbreekt ‘ik’ als persoonlijk voornaamwoord en onderwerp van een zin geregeld – het is in de omgeving vervloeid.
Sporadisch verheft dit personage zich dan uit alle macht. Bijvoorbeeld door eraan te herinneren dat ze ‘door een gezaghebbend feministisch maandblad in Nederland was uitgeroepen tot een van de zes belangrijkste vrouwen van de afgelopen eeuw: IK!’

maandag 1 augustus 2016

Joris Gerits (1943-2016)


Hij was ‘liefste prof van de UFSIA’. Die titel, die vandaag bij zijn drukbezochte afscheidsbijeenkomst onthuld werd, lijkt me niet weg te lachen. Volgens vele sprekers beschikte hij verder over de moed van de hoop. Dat bleek mede uit de herinnering van een zogeheten pluskind, die de eerste ontmoeting beschreef met hem, gestoken in witte sokken in sandalen, een plastic zak in de hand van Thomas Cook.
Ook de vakterm ‘ontmijnen’ werd toegelicht. Wanneer de spanning in een gezelschap steeg, maakte Gerits steevast een grap. Mij staat dat inderdaad bij (inclusief het sikkeneurige gevoel dat agonismen toch ook niet zo kwaad waren), al was de tijd dat ik met hem vergaderde bij Streven peanuts vergeleken met de periode dat hij redacteur van dat tijdschrift is geweest: 45 jaar.
Geweldig dat deze functie als tweede wapenfeit op Gerits’ rouwbrief vermeld stond. Toch nog een postume polemiek, met de minister die het blad zijn subsidie afhandig maakte? (En is ‘hottentottententententoonstelling’ wel het langste woord uit het Nederlands? Zou dat niet zoiets kunnen worden als ‘‘hottentottententententoonstellingssubsidieaanvraagbodemprocedure’?)
Elk overlijden van iemand die je ook maar een beetje kent en voor wie je al genegenheid hebt opgevat, biedt de verleiding herinneringen op te dissen. Ook dient spijt zich aan, bepaalde vragen niet gesteld te hebben.
Zo had ik graag Gerits’ mening geweten over een tekst waarop ik een tijd geleden stuitte bij het afgrazen van een oneindige zaak die Turing Gedichtenwedstrijd heet. Lang niet alle deelnemers bleken me onbekend. Maar de naam die mij het meest opviel was Rikkert Zuiderveld (‘Naam van de moeder?Maria. Gehuwd? Nee juffrouw. Maar het kind had Jezus moeten heten’).
Hij blijkt al heel wat boeken te hebben geschreven, en wekelijks een sonnet voor Met het oog op morgen. Zijn winnende gedicht, dat althans de top 100 haalde, heette ‘De maaltijd’:

Ze komen op een avond bij ons eten,
de moeder en haar kinderen. Ze lacht,
ja, uit Aleppo, zegt ze dan. Zo zacht
alsof ze het al bijna was vergeten.

De bonen smaken goed, de kip is mals,
we praten, drinken, proosten op het leven.
Ik vraag: waar is je man? Dan maakt ze even
een snelle snijbeweging langs haar hals.

Ze ziet hem lopen langs de rozenhagen,
zijn sterke rug, zijn innerlijke rust
en om hem heen de geur van zomerdagen.

Misschien heeft ze hem nooit vaarwel gekust.
Ik durf het haar gewoonweg niet te vragen.
Dan vraag ik maar of ze een toetje lust.

Wat zou Gerits hiervan gevonden hebben? Hij was een generatiegenoot van Zuiderveld, die de omgekeerde ontwikkeling had doorgemaakt. Gerits kwam volgens mij uit een gelovig gezin, volgde een gedegen jezuïetenopleiding – en brak de wereld in.
Bij al het geweld van ongetwijfeld veel belangrijker kwesties in de actualiteit die het overlijden van Joris Gerits overschaduwen, wil ik ten slotte wijzen op een unieke eigenschap van hem. Niet alleen de utopische wil om objectief en pluralistisch te zijn, maar ook – in poëzierecensies – het bewijs te leveren dat zeer veel verschillends hem lief was, desnoods tegensprekelijk.