vrijdag 25 oktober 2013

Tempora, Mores (LAT, 13 caps)


Ruth Joos en radioluisteraars gun ik alle geluk van de wereld en ik hoop dat haar programma alsnog van beslissingsvaardige overheidsdienaren mag blijven, maar mij vergaat inmiddels elke lust om de petitie voor haar behoud met een klik op de muisknop kracht bij te zetten.
Komt dat door mijn zogeheten buikgevoel?
Die niet-aflatende, prominente, bewogen teksten voor haar – hoe zou Joos zelf zich daar na meer dan een week onder voelen? In het begin moet het hartverwarmend zijn geweest, blijken van solidariteit met iets waarvoor je je ernstig hebt ingezet. Maar ondertussen mag Joos alles betekenen behalve Joos. Tenzij ze aanneemt dat ze inderdaad de Paganini onder de journalisten is en dat haar programma de belangrijkste bijdrage aan de cultuur in deze contreien is geweest sinds het Portret van Giovanni Arnolfini en zijn vrouw.
Wat is dat voor een solidariteit?
Mwah, misschien ga ik de petitie toch tekenen, op voorwaarde dat al die teksten daarover ophouden. Geef eens hier dat laatste woord!
Zonder de morele rebel te willen uithangen, lijkt me dat het martelaarschap dat rond Joos wordt geschapen weinig meer te maken heeft met datgene wat ik de wereld waag te noemen.
Wat allereerst opvalt, is de selectiviteit van de verontwaardiging. En de laattijdigheid. Deze verandering in het programma-aanbod is de zoveelste statie. Niet sinds gisteren beweegt het ook hier nogal in een bepaalde richting. Menig pleidooi voor Joos weet dat nota bene haarfijn uit te leggen.
In de media staat nog wel een en ander meer voor de deur.
Waarom bleef verzet uit over het voorafgaande traject, toen onbekende, maar misschien niet per definitie minder bekwame collega’s van Joos de dupe mochten zijn? Waarom tonen al die steunbetuigingen ineens zo collectief een voortschrijdend inzicht voor zegge en schrijve één persoon?
De petitie vraagt om symboolpolitiek. En de verontwaardiging die er permanent uit opklinkt kan salonpopulisme heten. Ik scherm met termen vanwege ander recent wereldnieuws, over de jongste aanwinsten in Van Dale . Bijna bovenaan stond: ‘alkoof’! (Zelf werd ik helemaal warm van ‘arretjescake’, pas voor het eerst gegeten in 1982.)
Ervaringsdeskundige auteurs gooien voorts ineens als argument in de strijd dat Ruth Joos als voorbereiding op het interview het betreffende boek tenminste gelezen heeft. Hebben de geïnterviewden elders dus al die tijd toneelstukjes opgevoerd? En waarom zou ik hen dan nu wel geloven? In de jongste Van Dale is ‘pop-upwinkel’ een synoniem van ‘guerrillashop’, maar ik proef toch verschil.
En als lezers het ineens zo verdrietig vinden dat er wegens beëindiging van het programma Joos auteurs uit de publieke ruimte verdwijnen, nou, ga dan eens naar een winkel die wel boekhandel wordt genoemd en koop dan eens iets, eventueel desgewenst na een koffietje! Het alternatief dunkt me, geruggensteund door Van Dale, een rit linea recta naar de ‘kanjertraining’.
Vanzelfsprekend heerst de keuzestress alom en is het dus ook in de boekenbranche niet gemakkelijk om producten op maat te vinden, maar zou Joos niet met exact datzelfde probleem te kampen hebben? Hoe zou dit zijn opgelost? Er is al geklaagd dat lagere vormen van boekencultuur, zoals thrillers, niet aan bod kwamen. Betekent dit dat de highste brow verzekerd was van aandacht?
Ooooo! Hoe durft iemand als Marc Kregting dat te zeggen! Het is duidelijk dat hij insinueert. (Ja, ik weet dat ik niet de allerberoemdste schrijver in Vlaanderen ben. En nee, mij overspoelt dienomtrent geen trots, laat staan dat ik een geuzenkenmerk ontwaar in mijn positie, zoals vastgelegd in de recentste opiniepeilingen. Ik zal heus mijn best doen om hoger dan 13.940 te komen. Eigenlijk sta ik trouwens op 13.939: nummer 1 in het Excel-bestand, met alle respect voor collega Brusselmans, is Auteur.)
Laat ik het perspectief omdraaien. De menigvoudige verontwaardiging op de mainstream opiniepagina’s over en ten gunste van Joos stamden van mensen die mij bekend voorkwamen en die volgens mijn theewater iets gemeen hadden. Plots wist ik het: zij kunnen op dezelfde plaats, met een nader overeen te komen frequentie en in ofwel 250, 500, 750 of 950 woorden, een mening formuleren over elk gevraagd onderwerp. Wie klagen ze dan eigenlijk aan in hun onheilszwangere schilderingen van formats? Of is er anders iets?
Wie in de tussentijd op onderzoek uit zou gaan, kan best wel eens mensen tegenkomen die al deze ridderlijkheid hebben gemist. Mij lijkt zelfs de mogelijkheid niet uit te sluiten dat er mensen rondlopen die, door wat voor omstandigheden ook, nooit van Ruth Joos hebben gehoord. Astroturfing?
Nogmaals, laat Joos en haar programma nog een lang leven zijn beschoren, maar heel soms hebben Hollandse geboden relevantie: ‘Gij zult ff normaal doen.’ In dezelfde tussentijd zijn namelijk eveneens dingen gebeurd, in de kantlijn dan maar, die letterlijk het bestaan aangingen.
Die discrepantie, dat gebrek aan verhoudingen, schijnt evenmin helemaal nieuw te zijn. Op een alternatief medium stond daar een stuk over, waarvan de auteur zich minstens zo geëngageerd toonde als de Joos-getrouwen en dat op een of andere manier authentieker overkwam. Het ging niet over ‘de oude Nokia van Angela Merkel’, eerlijk gezegd.
‘Waar dan wel over?’
‘Is dat nu zo belangrijk?’
‘Ja, want het gaat toch om de toegevoegde waarde?’
‘Je doelt op verblijfsvergunningen voor asielzoekers?’
‘Mmm, kijk eens in de spiegel, krijg jij het daar warm van?’
‘Zoals van zonnepanelen?’
‘Kom, laten we het klein blijven houden.’
De gelegenheid neem ik te baat om te zeggen dat ik via een innemende muziekblog een fijn bandje heb ontdekt. Helaas kan ik niet doorvertellen hoe het heet, want het moet hier wel een beetje exclusief blijven. Laat ik deze tip van de sluier oplichten: er valt heerlijk op te dansen. Ofwel, met een vakterm uit de nieuwste lichting in Van Dale, ‘funken’. Wat is de wereld haar tijd toch ver vooruit geweest!



Naschrift

Voor Nederlanders moet deze posting onbegrijpelijk zijn geweest. Ik weet ook niet goed wie boven de rivieren enigszins als equivalent van Ruth Joos kan gelden (Miek van der Weij?). Wel dat De honingpot een trend volgt, want er blijken meer relativeringen over de vermeende censuur en cultuurafbraak gepubliceerd te zijn:

- http://www.apache.be/2013/10/21/krokodillentranen-om-joos/
- http://www.doorbraak.be/nl/nieuws/%E2%80%98paternalistisch-diep-ideologisch-en-provinciaal%E2%80%99
- http://www.dewereldmorgen.be/artikels/2013/10/30/een-lans-voor-klara

Is het voorspelbaar dat deze tegenflow vanuit het internet komt?
Alle pleidooien voor Joos in de reguliere media binnen één week heb ik nog even gepersonaliseerd. Ze werden geuit door en namens: Tom Lanoye, Bruno Vanden Broecke, Hugo Camps, Jozef Deleu, Yves Desmet, Erwin Mortier, Gene Bervoets, Sigrid Bousset, Saskia De Coster, Luc Coorevits, Ann De Craemer, Ignaas Devisch, Jan Goossens, Simone Lenaerts, Jeroen Olyslaegers, Marc Reugebrink, Bart Van Loo, David Van Reybrouck, Jan Vanriet, Peter Verhelst, Stefan Hertmans, Corry Hancké, Michiel Hendryckx, Frank Van Laecke, Siegfried Bracke. Naast de internetpetitie blijkt er een Facebookgroep voor Joos opgericht door Jeroen Olyslaeghers, en lof is over haar getwitterd door Ann De Craemer, Freya Van den Bossche, Jean Blaute, Maarten Inghels, Ivo Victoria, Francesca Van Thielen, Karl Vannieuwkerke, Fleur van Groningen. En door Rik Torfs: ‘Wordt inhoud dan echt gevaarlijk?’

zondag 20 oktober 2013

De Pith


Jabik Veenbaas citeert in De Verlichting als kraamkamer een limerick van Stephen Leacock:

Adam, Adam, Adam Smith
Listen what I charge you with!
Didn’t you say
In a class one day
That selfishness was bound to pay?
Of all doctrines that was the Pith.
Wasn’t it, wasn’t it, wasn’t it, Smith?


Dit drijft uiteraard de spot met de hypothese van de aangesprokene, voorvader van het neoliberalisme, dat we onze maaltijd niet te danken hebben aan de goedheid van de slager, de brouwer en de bakker, maar aan het feit dat zij hun eigenbelang nastreven.
Mij valt op dat Veenbaas, geoefend vertaler, in zijn studie bijna elk buitenlands citaat in het Nederlands omzet, maar niet deze limerick. Hij verklaart wel in een noot dat pith kern betekent. Verderop in de hoofdtekst staat dat Smith werd bewonderd door zijn premier, die Pitt heette.
Wegens de eigennaam en het rijm dat eraan vastligt was een vertaling uiteraard ondoenlijk. Tot de actualiteit een hot topic bood, waar energiek argumenten op losgelaten werden die een oordeel inhielden:

Zwarte, Zwarte, Zwarte Piet
Voel dan als je het niet ziet!
Je zei toch ooit
Ten naaste ongekooid
Dat het de witte is die strooit?
De huid die door alle Ruiten schiet.
Of niet, of niet, of niet, Piet?

maandag 14 oktober 2013

Familiarisering


‘An-ne-ma-rie’ hoorde ik Bloem zingen. Zijn liedje ‘Even aan mijn moeder vragen’ was in afstandelijke vertrouwdheid aan mij voorbijgegaan, tot de aanroep. Ik besefte plots dat ‘Annemarie’ van stonde af naturel in het gehoor heeft gelegen. De aanroep volgt namelijk krek de melodielijn van ‘Heya Jan Bols’.
Sol-sol-la-sol.
Natuurlijk moest Bloem een potentiële geliefde masseren, terwijl het een collectief was dat de naam van de schaatser ongeveer een decennium eerder door een stadion liet schallen. Het schiep saamhorigheid rond de baan en wellicht bij televisiekijkers die voor Bols of Nederland waren. Er zijn kortom verzachtende omstandigheden voor het feit dat in zo’n tien jaar tijd de achternaam kwam te vervallen en de individualisering inzette. Maar de rechtstreeksheid lijkt onomkeerbaar aan het groeien geslagen.
We schijnen te leven in een excuuscultuur, maar volgens mij regeert er ook een bedankcultuur. Misschien hangen de twee zelfs samen, maar ik wil hier slechts signaleren. De kreet ‘Heya Jan Bols’ heeft namelijk behalve een weinig spannende melodielijn ook een ritmische structuur die onbijzonder is: twee spondeeën op een rijtje.
Wat volgens mij gebeurde is dat de spondee ‘Heya’ werd omgewerkt tot een naam en ‘Jan Bols’ tot ‘bedankt’. Die naam behoort dan aan een bekende Nederlander, met wie men zich in de bedankcultuur verregaand vertrouwd voelt. Dat uit zich in de regel bij massaal bezochte begrafenissen van de dienstdoende bekendheid.
Omdat de zangers de toegezongene nooit hebben ontmoet, spreek ik van een familiarisering van het gevoel. Ik weet niet of het een exclusief Noord-Nederlands fenomeen is. Dat kan blijken bij de uitvaart van Wilfried Martens, bij wie zowel de voor- als achternaam metrisch past in de formule. Maar op een of andere manier lijkt het me onwaarschijnlijk dat er ‘Wilfried bedankt’ of ‘Martens bedankt’ zal opklinken.
Bij de inhuldiging van Willem-Alexander als koning hoorde ik, op internet, een spontane aubade aan zijn moeder: ‘Bea bedankt’. Dit ligt in de lijn van de historische ontwikkelingen, maar had toch iets bizars. Niet omdat het hier ging om een kunstenares die naast een meer dan dagvullende taak iets tijdloos in haar beeldhouwwerken leek te stoppen. Nee, het betrof nog altijd iemand die bij de uitoefening van een erfelijk ambt afstand had ingebouwd – het woord ‘gereserveerd’ of ‘gedistingeerd’ past misschien. Voor zover dat in de loop der jaren ooit echt is nagevoeld, verdween het laatste restje vermoedelijk met de tragische dood van prins Johan Friso: de koningin werd voor velen een moeder.
Sol-sol-la-sol.
Teksten bij het overlijden van Martens liegen er evenmin om. Ze belichten met de grootste vanzelfsprekendheid privézaken. Daarbij is de toon is niet alleen complexloos direct bij collega’s, ook in de journalistiek wordt kennis verondersteld van dat leven. Hier sterft naast een staatsman een alleman. Iedereen kan naam maken, is het idee, en blijft, in meer of mindere mate onbeschroomd, van vlees en bloed.
Is dit de invloed van internet? Misschien loopt dit stroompje precies in de andere richting, beweerden een eeuwigheid van meer dan vijf jaar geleden Henk Blanken en Mark Deuze in hun boek PopUp. (Intussen is er veel gebeurd, maar een digital divide is er nog altijd, niet zozeer in termen van generaties, zoals zij dachten, maar van inkomen). Deze internetspecialisten zien het medium binnen de Lage Landen als vervolg op de commerciële televisie. Haar intrede rond het topzware jaar 1989 zou de weg vrij hebben gemaakt voor massificatie binnen de media, en voor verleuking en verkleutering van de televisie in het bijzonder. Het zogeheten volksgevoel kreeg een plekje en hoefde niet meer per definitie te rekenen op minachting. Actualiteitenprogramma’s als Hart van Nederland trokken de provincie in, niets was bij voorbaat oninteressant (onbruikbaar), en iedereen mocht (moest) zich uitspreken.
Het verschil tussen de uitgesproken televisieteksten en weblogs zou gradueel zijn. Volgens mij bestaan die in alle soorten en maten, van de meest ommuurde tot de divanachtige, maar elke gebruiker is er zijn eigen uitgever van intimiteiten, weten Blanken en Deuze. Met name de onaangename kant van sentimenten kon eindelijk bovenkomen. ‘Bea bedankt’ zou dan een voor zichzelf sprekende realiteit zijn, ditmaal van vrede. De stemmen komen uit de keel van nerd én digibeet. Daarin zijn ze representatief of legitiem, precies wat op politiek vlak ontbreekt. En het perspectief is inderdaad verlegd, zeker vergeleken met provo’s en kritische studenten van weleer die zo hun veronderstellingen hadden over ‘het klootjesvolk’.
Blanken en Deuze stellen dat het internet deze vrijheden heeft mogelijk gemaakt (‘katalysator’), maar dat het tevens het product (‘resultante’) is van een nieuwe samenleving. Een antwoord op of een reflex tegen een maatschappij die extreem geïndividualiseerd was geraakt. Terwijl deze diagnose in de hoogste kringen werd onderschreven, begon er een zoektocht naar nieuwe sociale verbanden. Daarin krijgt het jaar 1989 alsnog een ideologische betekenis. Met het einde van de Grote Verhalen, berichten Blanken en Deuze, werd journalistiek professioneler. Feiten gingen droger en objectiever over de toonbank, wat de brenger eveneens ‘harteloos’ maakte. Remedies traden snel in werking: infotainment en heuse tearjerking.
Wat de uitvaart van Martens ook moge brengen, onbedoeld werd alvast een etappeplaats van familiarisering bereikt. In de rouwadvertentie van familie én partij stond, tussen de imposante rij functies die hij had vervuld, dat hij van de staatshervormingen 1980 en 1988-1989 de ‘vader’ was.

vrijdag 4 oktober 2013

Zeggen waar het op staat


Vernoemd naar Herman Brood, een award voor mensen die ‘wél gewoon zeggen wat ze echt vinden’? Afgaand op de begeleidende commentaren en voorbeelden gaat het hier niet om liefdeverklaringen en andere loftuitingen. Het is lang geleden, maar uit talloze verhalen meen ik af te leiden dat Brood confrontaties meed. Moeder schonk koffie aan onenightstands nadat de vogel gevlogen was, manager deed aan bandleden de mededeling dat ze ontslagen waren en voor de Amerikaanse markt deed iedereen wat werd verordonneerd.
Brood, de ster die ook altijd fan was en die heterogene rijen namen wist op te sommen van zijn idolen – niet van degenen die hij mogelijk verafschuwde.
Een intens charmante en verlegen man, werd er steevast bij verteld. Indien mijn geheugen me niet in de steek laat, bood Brood een interviewer eens aan om deze tien minuten aan te kijken, tegen betaling wel te verstaan. In ‘The Talkin'’ deed de pianist-zanger kond van zijn sociale fobie, slechts te overwinnen door drank en drugs:

Ships would be sinking
If they had a clue of what I’m thinking


‘They’ slaat dan op mensen in de openbare ruimte. Dit speelt in de tijd dat Broods artistieke carrière in de zogeheten neergaande spiraal was, onder meer wegens het wegvallen van zijn grandioze songtekstschrijver Pé Hawinkels. Meer dan ooit werd hij een nar, een Pietje Bell wiens kwajongensstreken vergeving kregen. Brood had het metabewustzijn verloren van zijn gekoketteer met de pers, dat hem zo ongrijpbaar had gemaakt.
Anton Corbijn heeft Broods biografie in licht geschreven. Tot de vele foto’s hoort er eentje, eind jaren zeventig, waarop Brood krulspelden in heeft (van het merk Carmen?) en een nagelvijl in de hand houdt. Een afbeelding die moest worden begrepen als geintje, zo gesoigneerd als de rocker zich voordeed. Tegelijk liet deze zich filmen bij het eindeloos kammen van zijn haar, bij het strijken van overhemden en hij regisseerde zelfs de dialoog met zijn echtgenote bij het burgerlijk huwelijk.
Dat de award naar Brood vernoemd is omdat hij ‘wars van elke vorm van PR-beleid’ zou zijn geweest, kan zeker naar het rijk der fabelen worden verwezen dat inmiddels immens zal zijn. Aan zijn favoriet Vaandrager ontleende hij de lijfspreuk ‘’k ben een hoer tevens me eigen pooier’. Ook leek hij mij nu niet iemand die ‘onnodig kwetsend’ wilde zijn. En ‘volkomen origineel’? Brood hield niet op te oreren dat hij alles in de muziek had gejat.
Of hij aldus ‘de koning van dit onbeschaamd je eigen gang gaan’ was, daarover valt te nog twisten, maar derden moesten in elk geval de randvoorwaarden invullen. Zoals Woodstock ongedwongen voor hippies kon zijn bij de gratie van de nuchtere oude man die er de toiletten onderhield.
Onlangs passeerde hier de studie Publieke tranen van Henri Beunders. Deze memoreerde Broods – inderdaad onbeschaamde – opdracht om, nadat hij onaangekondigd zelfmoord gepleegd had, een mooi feestje van zijn begrafenis te maken. Intimi schijnen geprobeerd te hebben te volgen, maar bij hen overheerste logischerwijs het verdriet.
De award intrigeert me nogal, al is het pas de eerste editie. Is hier een poging gestart om political incorrectness te canoniseren? De basisveronderstelling moet berusten op censuur en op een gebrek aan representativiteit. Een thema bij de latere Komrij, dat tegenwoordig vaker te beluisteren valt. Het zou het zoveelste kunnen zijn dat van links (repressieve tolerantie, de kritiese student) is verhuisd naar rechts (comments, de verongelijkte burger). De organiserende site noemt zich een platform zonder ideologie of dogma’s. Daarom is ons motto ook: “Voorbij het eigen gelijk”.
Zeggen wat er werkelijk leeft. In het land van Brood (politieke voorkeur?) was dat de gave van Joop den Uyl en decennia later van Fortuyn. Zo bezien komt de award er op een raar moment. Ook in het licht van de shutdown in Amerika, onbeschoft voor de have nots, waar de Tea Party de aanstichter is – en terugkrabbelt voor de heropening van natuurparken, niet voor die van musea.
Dit gelauwerde zeggen heeft iets van uitspreken in de letterlijke zin, leeggieten en dan maar zien of er hogere chemische reacties ontstaan. Wat de Tea Party doet, wijkt dan niet af van al die giftige kritiek op de elitepolitiek hier, op mensen die vervolgens wel oplossingen moeten geven.
Spectaculair in Beunders’ Publieke tranen is een verhaal uit het Enschede anno 1947, dat een directie zo min mogelijk ruchtbaarheid gaf aan het neerstorten van een vliegtuig boven op haar school waarbij diverse leerlingen omkwamen – als gevolg van dat geprogrammeerde zwijgen mochten overlevende klasgenootjes niet naar de uitvaart.
Dit is heden onvoorstelbaar, ook in het meer geserreerde België, dat niet alleen de dood van koning Boudewijn en witte marsen in grosvolume beleefde maar eveneens de busramp met sneeuwklassen in Zwitserland. Wel zwermden daar vaklieden rond, die familie en vrienden van slachtoffers probeerden te verleiden om te zeggen waar het op stond.

zondag 29 september 2013

Misschien dat ik nu iets zou horen, nu ik wijzer ben, iets aardigs of liefs wat ik vroeger niet hoorde


Yotam Ottolenghi, geboren in Israël en samen met de Palestijn Sami Tamimi vanuit Londen de restaurant- en kookboekensector penetrerend, heeft de betekenis van het begrip fusion verbreed. Hij zou toch geen dichter zijn? In Amsterdam studeerde hij in elk geval af in de vergelijkende literatuurwetenschap en aan de Franse uitvinding van de croissant wijdde hij een heuse ode:

The Ottolenghi croissant is something rather rare:
how can so much flour and butter taste like fresh spring air?
Leaf-light layers with a crust light and crisper
“what is the secret?” we often hear our lovely customers whisper
the butter, the kneading, the hand which bakes,
what is the magic ingredient which makes
our puff-pastry parcels the best in town?
(though we say so ourselves, they’ve become quite renowned).


Dit is slechts een fragment, want zuinig met woorden betoont Ottolenghi zich niet direct. En als hij dat met zijn ingrediënten evenmin zou zijn, heeft dat gevolgen voor de constitutie? Wellicht wordt het tijd de poëzie dag te zeggen, en er een rapport bij te pakken. In 2010 is er know how geïnjecteerd in de Europese jeugd. Om precies te zijn kregen 3.398 jongens en 3.727 meisjes van 10 tot 12 jaar uit België, Griekenland, Hongarije, Nederland, Noorwegen, Slovenië en Spanje onderzoek te verduren naar hun eetgewoontes. En hoewel België en Nederland, uiteraard na Noorwegen, best goed op de foto staan, blijkt er ‘overgewicht bij Europese jongeren’.
Het gevaar, in een vakterm die iedereen kent: obesitas.
Op een bepaald vlak blijkt Neerlands hoop in bange dagen onverslaanbaar: computer, tv. En dan zijn lagere klassen er nog beroerder aan toe dan hogere, steeds ook jongens zwaarder dan meisjes. De Belgen winnen louter de cup op het vlak van slapen, meisjes meer dan jongens.
Er zijn dagen dat je zulke dingen liever niet weet. Toevallig had een prettig fanatieke bron mij behalve deze weetjes ook ouder onderzoek gebracht. Het beperkte zich tot België en had een samenhang gevonden tussen het eten van groenten en opleidingsniveau: hoe meer, hoe hoger. Hetzelfde verband drong zich op met ‘gesuikerde frisdranken’. Cijfers hebben vervolgens de eigenschap elk vonkje hoop te blussen.
Hoewel… Hollands lagereschooljeugd werkt Europees de meeste softdrink aka gesuikerde frisdrank per dag naar binnen: 0,63 liter. Da’s peanuts, in vergelijking met Amerika. Wie bij de McDonald’s zijn cola in het grootst beschikbare formaat bestelt, zit al op 0,8. Wacht even, riep er misschien iemand?
Een en ander trekt het trans-Atlantische verhaal uit de coulissen dat slechts een elite zich er moeilijk verkrijgbare en dure groente kan permitteren, terwijl het plebs aan de ampel beschikbare fastfood mag. Men kan natuurlijk de lintworm uithangen door in die branche te gaan werken, maar het uurloon bedraagt 7,25 dollar (= 5,46 euro). Daarbij wil het dat gezond eten ongesubsidieerd blijft terwijl er, langs verbreide weg, overheidsgeld zit in monopolistische viezigheden als wat isoglucose heet aka corn syrup, de zoetstof van de softdrinks, afgeleid van maïs.
Wie tegen zulke onredelijkheid ten strijde wil trekken, mag zich realiseren minder kans te maken op het lot van verlichtingsfundamentalist dan dat van ecofascist. Men bevindt zich desgewenst ook aan de zijde van de wat pregantere islam, evenmin tuk op uitwassen van een consumptiecultuur. Maar politicoloog Benjamin R. Barber heeft er terecht op gewezen dat dit geen strijd is van religie tegen commercie, maar van religie tegen religie.
Zo vroeg generaal Dwight ‘Ike’ Eisenhower in juni 1943 zelf per telegram om Coca-Cola, zes miljoen flessen per maand, om de troepenmoraal te verhogen. De zegwijze luidde vervolgens dat de soldaat aan het front vier dingen wou: post, sigaretten, kauwgom en Coke. Toen na D-Day de toevoer stagneerde greep Eisenhower tegen elke bureaucratische orde opnieuw persoonlijk in.
De grote Cola-baas moest hij toen nog ontmoeten, op een diner, waar de generaal goed zicht- en hoorbaar voor de pers Cola bestelde. Vriendschap kon niet uitblijven, en het was de baas die er bij Eisenhower op aandrong zich te kandideren voor het presidentschap. Deze missie slaagde, in 1953, onder meer dankzij de slogan ‘I Like Ike’ waaraan Roman Jakobson, de Bocuse onder de linguïsten, een beroemde alinea zou wijden: ‘Both cola of the trisyllabic formula rhyme with each other’ en ‘Both cola alliterate with each other’.
Tot slot, vogels en bloemen, nog twee uit de vele nagekomen berichten van afgelopen week.
Een van de laatst levende nazi’s, eindelijk in de kraag gevat, beweert in Auschwitz slechts kok te zijn geweest. Over die plaats van handeling is veel te doen geweest, maar gevallen van obesitas, bijvoorbeeld ten gevolge van croissants, hebben zich inderdaad niet voorgedaan – dankzij de kok dus.
En leden van het Field Liberation Movement, inclusief woordvoerder Barbara van Dyck, zijn door correctionele rechtbank dan weer schuldig bevonden. Hun zijn voorwaardelijke straffen (drie maanden) gegeven en geldboetes (550 euro per persoon, plus 20.000 aan het ggo-consortium). Daar is hier en daar al commentaar op gekomen.

zaterdag 21 september 2013

Emotiecurven


Is het mogelijk zonder nostalgie te bekennen dat je niet meer mee kunt met je eigen tijd? In de studie Publieke tranen schildert Henri Beunders verbijsterende zogeheten emotiecurven. Onder meer daaruit leidt hij af dat de grootste mentaliteitsveranderingen van de vorige eeuw vanaf het midden van de jaren zestig tot eind jaren zeventig plaatshadden. Laat dat nou de periode zijn waarin mijn ouders in de kern van hun opvoedingspraktijk verkeerden.
Zouden ze zich hebben kunnen identificeren met 2013? Op de leeftijd die het taalkundig genie nu heeft zat ik in een totale Joris Driepinterklas, waar zelfs geen Molukker te bekennen was. Wel kwamen er voor korte tijd twee kindjes over van wie de juf vertelde dat ze uit Marokko kwamen. En nu? Als emigrant te België bereikte me afgelopen week een klassenfoto van onze prinses, waar achternamen bij waren vermeld. Zo leek het erop dat er van de 19 kindjes 5 Vlaams waren, 7 Arabisch, 1 Chinees, 1 Engels, 1 Portugees, 1 Zwitsers, 1 Afrikaans en dus eentje half Hollands (Pruisisch).
De gourmande multitaskt dan weer aan tafel met een tandenborstel in haar ene en een boterham met geitenkaas in haar andere hand. Haar beleg zou nog een generatiekloof kunnen afleveren. Hadden mijn ouders het bonnetje van een recent supermarktbezoek kunnen thuisbrengen? Ik heb vaker aangestipt dat het eten van mijn kinderen wel wat anders is dan hetgeen ik ooit kreeg voorgeschoteld, maar nu was er een representatieve opsomming: ricotta, vegetarische burgers, kidneybonen, balsamico, mozarella, zongedroogde tomaten, ciabatta, olijven, basmatirijst, pecorino… En van de producten die destijds voorradig waren, kon er bij mijn weten niet gekozen worden voor een specifieke vetheidsgraad van de yoghurt of het fairtradegehalte van bananen.
Is dit de neerslag van de omwentelingen die Beunders neerzet en die in België copernicaans heten?
Hij laat in het voorbijgaan de naam Miep Brons vallen. Zij was destijds getrouwd met een kunsthandelaar die zich bij wijze van vertrouwen afficheerde als doctorandus. Volgens mij wordt dat nu zo’n beetje als de geringste garantie ervaren. Hier werd jarenlang geadverteerd voor leningen bij een ouder ogende mevrouw waarbij het als selling point gold dat lenen bij haar zoiets was als ‘lenen bij een vriendin’. Al speelt dit voor de Sylvie-Sabia-affaire, de autoriteit is nogal verschoven.
Waarschijnlijk ben ik zelf op allerlei fronten voorbijgestreefd, maar van één levenskwestie staat het me daadwerkelijk bij: dat mijn voetbalfanatisme verflauwde na de introductie van de Champions League. Die blijkt volgens de vakliteratuur gestart in 1992, dus was ik op nog geen dertigjarige leeftijd bejaard. Dat ik daarna debuteerde in boekvorm, met poëzie nota bene, kan vanuit een carrièreperspectief, al zeg ik het zelf, niet minder dan briljant genoemd worden.
Ook de Koude Oorlog is volgens historische schema’s voltooid. Toch had het iets treffends dat onlangs Obama de les werd gelezen door Poetin met een lezersbrief in de New York Times. Zelfs de metaforische term voor de spanningen tussen de twee grootmachten (voor de opkomst van China en de BRIC-landen) wordt een beetje actueler in de wetenschap dat er een pijpleiding loopt vanuit Rusland die Europa naar goeddunken kan verwarmen.
Zoals F. Jacobse zei: ‘De Russen, die hoeven toch helemaal niet te komen, die zijn er toch al?’
Deze week probeerde ik toch te kijken naar een wedstrijd in de Champions League, het summum van westers kapitalisme zeg maar. Ik was blij dat het rust was, die werd ingeluid door een gekende spot van opfloepende stralen rond een als een soort gloeiende pit ogend stadion. Op het moment dat ze mijn trage brein minder deden denken aan stadionlampen dan aan zich ontstekend gas, was er al een fantastische reclame begonnen waarin allerlei voetbal- en succestopoi quasi met de hand geschilderd voor het voetlicht kwamen. Mijn associatie werd pas bevestigd bij de aftiteling, die expliciet aangaf als partner van de Champions League: Gazprom.
Uiteraard bleek Poetin al een deal over Football for Friendship met de UEFA te hebben gemaakt. Eventjes wenste ik puber te zijn, zoals het meisje in de prachtfilm The Color of Milk, om onbedaarlijk te kunnen beweren: ‘Wist je dat wetenschappers vrezen dat het ergste nog moet komen?’

maandag 16 september 2013

Not bombs


Het zogeheten sextremisme van Femen was afgelopen week in Nederland een omslagverhaal. Hier in België ging er, met hetzelfde doel, een journaliste vier maanden voor undercover. Deze methode van kennisvergaring associeer ik met vervlogen tijden, in het bijzonder met Günter Wallraff, en wordt inmiddels met oxymorons als ‘het ware verhaal’ en ‘de achterliggende feiten’ verkocht. Met Femen kan zo’n belofte tellen. Op het omslag in Nederland stonden de blote borsten frontaal, op dat van België waren ze een belofte vanuit een diep gedecolleteerde rug.
Voor de goede orde: het breaking news over het in Oekraïne gestichte vrouwenfront – dat een man daar de scepter zou zwaaien – was een week voordien gekomen uit het filmfestival van Venetië. Undercover is gebleken dat de afdeling België die, na de scoop en teleurstellende reacties erop van het hoofdkwartier, per Facebook opgeheven werd met de wens Vive la Révolution, geen ballotage houdt op borstesthetiek. Over het recept van dat broodje aap heeft de journaliste wel een nuchter idee: ‘Vrouwen met ideale maten hebben vaak minder schroom om hun lichaam te tonen’. Grappig dat de activisten leren uitgesproken agressief te kijken, terwijl het adagium is: Boobs, not bombs. Voor elk project moet toestemming komen uit het hoofdkwartier. Spandoeken hebben gestandaardiseerde groottes en dienen op dito wijze aan de pers te worden getoond.
De journaliste ondervond dat borsten affiches zijn. De tekst op haar vlees was Naked war. Voor mij klinkt het tweede woord heftiger dan het eerste, maar de definitie van sextremisme blijkt: ‘uiting van de superioriteit van de Femen-activistes ten opzichte van de slechte honden van het patriarchaat’. Zoiets schept in het luxe Westen een wereldbeeld dat herinnert aan andere decennia. De dames dragen zelfgemaakte bloemenkransen op hun hoofd.
Alle aanleiding om de draak te steken met het fenomeen Femen? Ik weet het niet. Het roept automatisch tenminste halt aan een voortgaande praktijk door de vraag te stellen: wie zijn ‘wij’ eigenlijk? Zo wordt er iets ondernomen in en tegen een tijd of cultuur die maniakaal is met recapitulaties van zoveel jaar geleden gebeurde zus, zoveel decennia zo. De houding die daaruit voortspruit, nam Friedrich Nietzsche al onder vuur in Over het nut en nadeel van de geschiedenis voor het leven en noemde hij de historische ziekte (van de negentiende eeuw, dus).
Vanachter het bureau stel ik vast dat zowel actievoeren als undercoverjournalistiek in het teken staat van de handeling, om idealiter geboorte te geven aan een rechtvaardige daad. Garantie daarvoor bestaat niet, besefte ook Nietzsche, ongenadigheid ligt zelfs meer in de rede, maar niet alles hoefde van hem uit een zuivere bron van kennis voort te vloeien. Dat wekte een moraal in de hand van ‘Gij zult niet’ en ‘Gij had niet mogen’. Kennis van de beschaving, van het verleden, zou indirect zijn, nooit geabstraheerd uit de onmiddellijke aanschouwing van het leven.
Onnavolgbaar bij Femen is uiteraard dat de actievoersters zelf werktuig lijken. De gijzeling van het vrouwelijk lichaam door het patriarchaat wordt minstens op homeopathische wijze bestreden. Marketing, of zoals de wereldberoemde dichter zegt: ‘Bukshag, platzak, / tiet met aandelen’? De groepsleden moeten veel vernedering doorstaan, fysiek bij hun acties en mentaal op sociale media, en lopen kans hun baan te verliezen indien de dienstdoende baas vreest voor imagoschade.
Het zou flauw zijn bij Femen te spreken van onthullingen. Ik realiseerde me wel dat juist deze topless activisten nagenoeg geen contouren hebben. Nog altijd niet, vrees ik. Dat ligt anders bij een collega die hun grootmoeder had kunnen zijn, en van wier privéleven zoveel bekend is dat de voyeur in mij de vlag strijkt.
Concepcion ‘Connie’ Picciotto was afgelopen week ook in het nieuws, toen ze, nadat een goedbedoelende vietnamoorlogtraumaticus haar honneurs onvoldoende had waargenomen, terug mocht naar haar tentje dat ze al tweeëndertig jaar voor het Witte Huis heeft opgeslagen. De staat van die tent, ‘a sheet of plastic draped over a patio umbrella and secured with binder clips’, laat ik liever onvertaald, mede omdat het hoe en waarom van deze vredesactiviste is uitgeduid zonder dat daar undercovering voor nodig was.
Hoe verhouden zich bij haar na al die jaren ervaring en abstractie? Ik kan me indenken dat ze in ogen van menigeen haar leven verpest heeft, of dat ze te veel verleden betrekt in haar pertinente veroordelingen van het politieke heden, maar is dat dan cultuur als decoratie in nietzscheaanse zin?
‘Vergelijk de hoogte van je kennen maar eens met de laagte van je kunnen.’ Wie te rade gaat bij de geschiedenis, heeft niet alleen onvoldoende zelfvertrouwen, maar is voor Nietzsche ook een toneelspeler uit bangigheid. Schijndeugden staan een zedelijke natuur (cursivering van hem) in de weg. Bovendien claimt dan de eigen tijd, als culminatiepunt van een behaagziek uiteengerafeld proces, het gelijk dat zelfs ‘objectief’ heet. Zo'n historisch besef ontmoedigt. Het ontwortelt met al zijn voorspiegelingen de toekomst, omdat het van illusies berooft. Een quarantaine doemt op.
Save the children’, bezwoer Marvin Gaye, onwetend nog van de bloemen in het Femen-haar. En al is het onderwerp kind bij Picciotto zonder meer wrang en heeft ze haar hoop gesteld op antwoordbrieven van respectievelijk Reagan, Bush sr, Clinton, Bush jr en Obama, dát ze er als een Penelope op wacht mag een bewonderenswaardig succes heten. Zeker in vergelijking met het lustrum sinds de tuimeling van Lehman Brothers waarin bankiers onophoudelijk op hun perfiditeit zijn gewezen, vanaf een stoel.
Overigens klaagt Over het nut en nadeel van de geschiedenis voor het leven de legbatterijen der wetenschap aan. Met kunstmatige middelen kan de geleerde dan wel sneller broeden, het ei wordt er steeds kleiner van, ‘ofschoon de boeken steeds dikker’. Nietzsche hoont zelfs het populariseren, en stelt dit gelijk aan infantiliseren en, hallo, feminiseren.

woensdag 11 september 2013

Purpurrot

Ineens was ze er, van achteren gefilmd, rugzakje op. In een mooie aflevering van Tegenlicht over Grieken die de tussenhandel overslaan om rechtstreeks aan de klant te leveren, begroette een autochtoon haar met de observatie dat ze ‘nog mooier was dan die andere’. Haar reactie ‘Wie is dat?’ liet in het midden of dat op de man sloeg of op ‘die andere’. Wolf, Hertz,…? Daarna begon ze te lachen, of iets wat daar sterk op leek, en zei dat ze al gehoord had dat Grieken gek zijn.
Het compliment zal geen onverdeeld genoegen hebben aangericht, maar toch: Naomi Klein. Is ze het aan haar stand verplicht een land onder hoogspanning met een bezoek een hart onder de riem te steken? Haar punt vergt ingrijpender aanwezigheden omdat het nogal universeel is. Zoals ze het formuleerde in Dagboek van een activiste (oorspronkelijke titel: Fences and Windows. Dispatches in the Front Lines of the Globalization Debate): ‘In het tijdperk van Woodstock werd het al als een politieke daad op zich beschouwd als je niet volgens de regels van de staat of de school leefde. Nu zijn tegenstanders van de Wereldhandelsorganisatie – zelfs veel van hen die zich anarchist noemen – woedend over het gebrek aan regels voor bedrijven’.
Klein bezocht in Thessaloniki een fabriek die zo veel mogelijk wilde recycleren. Ze zat in de reportage nadat econoom Tomas Sedlacek het grootste bedrog had blootgelegd dat consumenten is aangedaan (en waarmee we onszelf bedriegen): dat we menen dat ethische normen van de economie natuurlijk zijn. Hij vond dit een omgekeerde triomf, het summum eigenlijk. Ideologie doet zich voor als een feit. Dat mag postideologie heten. Wat je vervolgens ziet, vat je op als waardevrije data die je geloof bevestigen.
Dit zou een samenvatting kunnen zijn van alles waartegen Klein in haar fameuze No Logo front heeft gemaakt. Door concernvorming, monstercoalities en meer spierballenvertoon ervaren mensen internationale merken als brenger van een unieke ervaring. Dat daartoe enige rampen moeten plaatsvinden op personeelsniveau en dat het product pluriformiteit verhindert en misschien minder solide is dan de betreffende publiciteitsafdeling, zou in het licht van de werkelijkheid geen betoog hoeven, ware het niet dat het geloof anders beschikt. No Logo behelst de geactualiseerde en geannoteerde versie van Roland Barthes’ Mythologieën.
Bij Tegenlicht ging het daar toch niet direct over, noch over klimaatverandering waar Klein zich tegenwoordig op richt. Ingang was haar andere bestseller, waaruit mij altijd deze bewering is bijgebleven, van een ervaringsdeskundige: ‘De beste tijd om te investeren is wanneer het bloed nog op de grond ligt.’ De shockdoctrine dus, waar het bloed gedaanterijk is.
Geestig vond ik dat Kleins eega, mij bekend van de vele koffies die hij haar aangedragen had tijdens het schrijven, door haar leek te worden bijgelicht terwijl hij degene was die Grieks sprak. Hij fungeerde als een heuse prins Claus, en zowaar gaf Klein in de reportage een Koninklijke toespraak waarbij hij op de eerste rij zat.
Ze peurde uit De shockdoctrine de stelling dat grote crises het er voor ‘de elite’ eenvoudiger op maken om paniek uit te buiten. We verkeren dan in regressieve sferen, met kinderlijke reflexen, zei ze, en laten onze macht en zelfbeschikking makkelijk afnemen. En dat is des te pijnlijker, omdat er volgens haar wel degelijk een alternatief is. Die bestaat uit meer controle opeisen in je eigen gemeenschap en in je eigen werkplek.
Hoe dat precies moet, vermeldde de aflevering niet. Maar dat Klein kan argumenteren tot twee cijfers achter de komma, is eveneens een geloof. Haar teksten weten velen te overtuigen, ook Peter Mertens in Hoe durven ze?, zonder tot de paginagrote poëzie (p. 34) over te gaan die hij inzet:

0,5 procent
van de volwassen wereldbevolking bezit
38,5 procent van alle rijkdom op de planeet.

In anderhalf jaar
zagen deze miljonairs hun fortuin met
29 procent aanzwellen.

Tegenstanders van de miljoenentaks zeggen
dat het beter is dat Jan Modaal de crisis betaalt.


Dat Klein opteert voor concrete actie, verbaast niet. In No Logo kon ze op het populistische af zijn over heiliger middelen: ‘Net als de radicale studenten uit de tegencultuur van de jaren zestig, die dachten dat ze de fundamenten van de westerse samenleving aan het wankelen brachten door lsd te slikken, meenden een handjevol professoren en studenten uit de groep die zich met identiteitspolitiek [bewustzijnsproblemen, eurocentrisme, racisme, seksisme, homofobie, representatie in de media, et cet] bezighield dat “er op het niveau van de theorie harde klappen aan het kapitalisme werden uitgedeeld”, zoals de criticus Gayatri Spivak het formuleerde.’
Het is dat Klein haar verzorgd heeft bij een zware ziekte, anders ontstond de indruk dat ze ook karikaturale spot uitvouwde over haar moeder. Net zoals die van Sunny Bergman maakte deze documentaires. Met Not A Love Story uit 1981 trok Bonnie Sherr Klein van leer tegen de porno-industrie, nota bene omdat ze haar jonge dochter er niet mee geconfronteerd wilde laten worden.
Gechoqueerd raken we inmiddels van andere dingen, die door mediale interventie bijna live doorkomen. Ik heb vaak de Ver-van-mijn-bed-show gezien, maar nu betonen rampen zich zo onontkoombaar dat de ene historische parallel na de andere zich even koud aandient als de relativering ervan. Is het van de postideologie eigenlijk de bedoeling te vergeten of te doneren? Is de shockdoctrine principieel elders? Wie weet er een voorbeeldje van?
Ja, ik klink alweer helemaal als een schoolmeester. Dat komt mede door herlezing van een schitterend gedicht van Walter Höllerer:

Kinderlied für Florian, gegen Wut zu singen

auf der Bank
sitzt ein Pfau
kommt die Frau
malt ihn blau

sagt der Pfau
liebe Frau
ich bin lieber
rot als blau

kommt ein Kammer-
jäger her
gibt dem Pfau
ein Gewehr

wird der Pfau
puterrot
schießt den Kammer-
jäger tot

fährt der Pfau
in einem Boot
wird der Wannsee
purpurrot

kriegt der Pfau
einen Schreck
springt von Deck
und ist weg

maandag 2 september 2013

Hoe ik hunker


Een schoolvakantie van twee maanden – mensen die volgens mijn paspoort landgenoten zijn en aan wie in het onderwijs hier de nood hoog blijkt, geloven me niet als ik hun vertel dat deze duur voor de zomer in België business as usual is. En al zijn er diverse, redelijk klinkende bezwaren tegen gerezen, het heeft iets prettigs dat niet iedereen meedoet aan het idee van tijd en geld, excellency en efficiency, aap en noot. Aan het idee van groei en vooruitgang, kortom.
Meedoen is zelfs een variant op je laten kneden door een evenbeeld. Ik moest daar op schier naturelle wijze aan denken toen afgelopen week – lang leve de herhaling die net zo goed bij vakantie hoort – zich eindelijk Beperkt houdbaar voor mijn ogen ontrolde. Deze veelbesproken documentaire van Sunny Bergman gaat immers over uiterlijke idealen, ter benadering waarvan vrouwen hun lichaam laten renoveren.
Enerzijds stelde Beperkt houdbaar me teleur, omdat de maakster nadrukkelijk voor en rond de camera zweefde, bijvoorbeeld ten koste van nuances bij haar moeder die in de jaren zeventig over hetzelfde, toen helemaal heet te noemen hangijzer de film Honderd beledigingen per dag had gemaakt. Aan de andere kant pakte Bergmans vertelstijl weergaloos uit toen ze haar geslachtsdelen blootlegde voor een plastisch chirurg aan de West Coast, die terstond naar de recentste vakliteratuur een waslijst aan correcties opsomde, ‘definitely’, inclusief kostprijzen.
Ik zou nu een treffende strofe moeten citeren van Seamus Heaney, of een van diens cultuurhistorische inzichten, ware het niet dat op de dag van diens dood een bericht kwam over de chirurg die de offerte van Bergmans vlees gemaakt had. Hij zag er apart uit, gespierd nogal, zijn ribbenkast was als ware in zijn buik gezakt. Ook had hij een cliënte zodanig omgebouwd naar zijn idee van perfectie dat ze ook was ingegaan op zijn slotvoorstel, met hem te trouwen.
Behalve zijn perspectief van loftuitingen bracht het bericht het hare, min of meer in de vorm van een vraag: van wie hij precies hield. Het luchtte me op een of andere manier op dat het ‘love at first sight’ (of side?) bleek geweest.
Maar nu is de vakantie voorbij en gaat de gourmande leren de beginletter van woorden correct uit te spreken, zodat ze niet meer elkeen voor pomkop hoeft te verslijten die niet reageert als ze verklaart een moepje te willen. En het taalkundig genie gaat leren lezen. Recent heeft ze me een polsbandje gegeven, een uit de kluiten gewassen veter eigenlijk, waarin vier verschillend gekleurde draden zijn gevlochten. Ze representeren haarzelf, haar zus, hun mama en de mijne. Zo heb ik iedereen altijd dicht bij me.
Hoewel ik dat een fijn idee vind, is het polsbandje niet helemaal mijn smaak. Ik vrees er ook iets te oud voor te zijn. Maar ik draag het met eer en genoegen, zeker nadat duidelijk is geworden dat een variant ervan doordrong tot in de jongste hoogste kringen.

dinsdag 27 augustus 2013

Ulrike (6)

Mitleid of misplaatste identificatiedrang? Terroristen houden niet van katten, weet dichteres Hanneke van Eijken, maar mij staan via YouTube onhandig knusse televisiebeelden bij, waarop een Meinhof spreekt die, gescheiden maar nog met kinderen, van Hamburg was verhuisd naar Berlijn. Redenaties en gestiek steken af tegen de omgeving. De vermaledijde amateurspsycholoog in mij vindt Meinhof nerveus en grimmig. Of machinaal en hyperslim? Blikken vermijdend om haar logica in tact te laten?
Na gedane terroristische zaken zou ze meer bedaard klinken, zoals in de tijd dat ze haar overtuigingen niet tot consequenties had doorgevoerd. Van Bastelaere:

Onoverzienbaar
het realiteitsverlies, maar wat heet
verlies als het leven
niet het hoogste goed van de revolutionair is.


Aangrijpend is ook een door Röhl integraal geciteerde open brief van stiefmoeder Renate Riemeck, die haar Ulrike tracht terug te krijgen uit de illegaliteit waarin de RAF de hakken in het zand zet en, vermoedelijk ongewild, onschuldige slachtoffers maakt. Riemeck zaait tweedracht op zoetsappige wijze: ‘Ik weet niet hoe ver je invloed binnen de groep reikt, in hoeverre je vrienden vatbaar zijn voor rationele overwegingen. Maar je zou moeten proberen de kansen van een stadsguerrilla in de Bondsrepubliek eens te meten aan de sociale realiteit van dit land’.
Meinhofs idee dat de strijd tegen het kapitalisme is gediend bij ‘directe tegenstand’, is volgens Riemeck irrationeel. ‘Dat kan men alleen geloven als men in de jaren vijftig en zestig jonger was dan jij.’ Hier wordt in een en dezelfde redenatie de generatiekloof uitgespeeld binnen de RAF, waar Meinhof, geboren in 1934, verreweg de oudste was. Röhl herinnert zich op zijn beurt dat reeds zijn jaargang 28/29, onder wie Grass, Martin Walser, Rühmkorf en Kempowski, het wel degelijk gewußt had.
Maar de RAF appelleerde sterker aan haar eigen generatie: babyboomers. Beatrice de Graaf verklaarde de ruime appreciatie bij hen uit het feit dat geweld geromantiseerd zou zijn, en dat ouderen leedvermaak hadden over de toestand dat ‘de Duitsers’ het zwaar te verduren hadden. Beide motieven klinken puberaal, maar in 1980 was er van de Limburgse punkband Mort Subite het chanson ‘Ich liebe Ulrike’. En dat jaar viel in het door De Graaf gekozen fragment uit het geweldige VPRO-programma Neon inderdaad nog ‘Freiheit fur die RAF’ te lezen op de Muur, en kladderde Jules Deelder er ‘Beter maf dan mof’ op. In het dappere kikkerland bleef het oorlog – zelf heb ik een voornaam die absoluut op een c moest eindigen, niet op een k.
Röhl had een RAF-vader kunnen zijn. Vijf vingers maken nog geen vuist is een merkwaardige apologie, omdat hij naast zijn stukgelopen relatie met Meinhof (die op het moment van publicatie nog leefde) zijn hoofdredactioneel beleid voor konkret legitimeert. Het boek is overvol en gekleurd, wat na al die tijd een voordeel lijkt om de lens scherp te krijgen op een door mythes omgeven decennium. Röhl blijkt overigens Ik Jan Cremer in het Duits te hebben vertaald, volgens hem van een ‘half geniale en half intellectuele auteur’. Deze heeft sowieso een meer dan gemiddelde belangstelling voor zichzelf met hem gemeen.
Natuurlijk heeft de ex-man van Meinhof brutaal het parcours van links naar rechts afgelegd. Hij heeft een soortgelijk gebrek aan ontzag. Evenzeer voor literaire reputaties, waarbij hij in een soort lyriek ‘schelpengesmoes’ en ‘koraalgerinkel’ kan ontwaren. Onbedoeld neemt hij ermee een voorschot op het heden. En de Meinhof-reflex werd eind jaren zeventig reeds geopenbaard door Marianne Faithfull. Haar ‘Broken English’ is een tamelijk vernietigend nummer van vrouw tot vrouw, diametraal op de Ensslin-kritiek:

Cold lonely, puritan
What are you fighting for?
It's not my security.
It's just an old war


Lost passiviteit enige zinloosheid op? Als actrice zou Faithfull later een innemende rol spelen, van Maggie in de film Irina Palm , die het tegendeel doet vermoeden. Maggie opereert solo, als levende tegenstelling van de wonderbaarlijke LinkedIn-contactoptie ‘Weer te geven wie u en *** beiden kennen’.
En wat is helemaal passiviteit in een antinetwerknetwerk? Ik denk aan al die sterfgevallen in de Stammheimgevangenis, waarover het stof van de verdachtmaking nooit is gedaald. Indien Meinhofs dood zelfmoord was, dan is die daad, in een biotoop waar woorden overbleven, te interpreteren als correctie op wat de groep met idealen had gedaan. En indien vervolgens de anderen (Baader, Ensslin en Raspe) een collectieve zelfmoord verkocht kregen als moord, dan zou dat een absurde daad van marketing inhouden, door het groepsgevoel van activisten buiten de muren en de urgentie van harde actie te prikkelen.
Dan zou Meinhof het zich steeds sterker opdringende historisch voorbeeld aan gruzelementen hebben geslagen: Robespierre, ‘de niet-corrumpeerbare’, die in de Franse Revolutie de oude koning meteen wilde laten ombrengen en niet laten berechten omdat de overwinning van de gelijkheid meteen de veroordeling van de ongelijkheid zou betekenen. Dat die koning, volgens het principe van de Revolutie, als mens mogelijk anders dacht dan als burger, was geen kwestie – de beklaagde van l’état c’est moi werd met zijn eigen maatstaven behandeld.
Robespierre vertolkte de deugd, de ander de ondeugd. Dat hij die deugd voor het algemeen belang, onder welke druk die ook stond, desnoods met terreur tegen individuen zuiver hield en dat hij met die staalharde opstelling zijn idealen en principes inwisselde voor verschrikkingen, daarvoor zijn volgens Marcel Becker in Vurige pleidooien twee verklaringen in voorraad: de man was slachtoffer van de omstandigheden of hij was, tja, hypocriet.
Een laatste reuzenstap. Als belichamer van de algemene wil entte Robespierre zich op Rousseau. Deze standaardconnectie, even hardnekkig als die tussen Nietzsche en de nazi’s, wordt indrukwekkend uitgewerkt door Philipp Blom in Het verdorven genootschap. De vergeten radicalen van de Verlichting. Blijkt in dat boek overigens ook Voltaire een linkmiegel, over de tirannieke achterdocht en grootheidswaan van Rousseau weet Blom beeldend, bijna verontwaardigd te vertellen. Hij brengt de filosoof, die zwenkte van Verlichting naar Romantiek, in een verrassend verband met het calvinisme: de verlossing, waarnaar op het ondermaanse naar gesnakt wordt, is een zaak van distinctie en lichamelijke verlangens moeten uit den boze zijn. En pijn?

donderdag 22 augustus 2013

Ulrike (5)

Meest onwrikbaar leek Gudrun Ensslin. Terwijl Meinhof de dochter was van een jonggestorven nazi-ideoloog, kwam zij uit een domineesgezin – volgens de mare met een pertinent onpersoonlijke drive voor het kapitalisme! Ensslins ouderschap is bij mijn weten nooit een item geweest (Beatrice de Graaf sprak er evenmin over). Meinhof leek aldus helemaal een gedoemde moeder. Heersen over revolutionaire vaders andere verwachtingen? Van de Haar vertelt dat Meinhof in Stammheim haar tweeling om nieuwe tekeningen kon vragen, omdat ze de oude uit haar hoofd kende.
Gaande de detentiejaren verloor Meinhof voor Ensslin de uitverkorenheid en werd evengoed een zwijn. In die beoordeling wist ze de groep achter zich te krijgen. Nog meer uitsluiting! Boeiend detail is dat Van de Haar de ongekende omvang van Meinhofs isolement tracht te verhelderen met een literair boek (Joris Ockeloen en het wachten). Met de officiële verbeelding dus, waartegen de RAF de daad had gesteld.
Wanneer het gaat om details, beschikt ex-man Klaus Rainer Röhl er natuurlijk over meer. In Vijf vingers maken nog geen vuist, waarvan de oorspronkelijke druk in 1974 verscheen, vertelt hij welke pijnen Meinhof doorstond voor, tijdens en na haar fameuze hersenoperatie in de jaren zestig. Het hogere doel van de revolutie moet erg hoog zijn geweest. Net als het offer ervoor, een panische angst voor knallen bijvoorbeeld, zelfs uit een klappertjespistool.
Het zal amateurpsychologie zijn, maar fysiek ongemak kan Meinhof hebben bezworen met woorden, veel woorden, grote woorden. In een mooie analyse van Van Bastelaeres RAF-reeks beweert Odile Heynders dat er werd ‘gekoketteerd met een pseudo-marxistisch discours’, maar omdat ik het originele niet ken rest me haar voorbeeld over te nemen: ‘Erklärung. Der bewaffnete Kampf hat begonnen Kein Ausbeuter wird ungestraft bleiben! Wir werden den Kampf gegen Imperialismus und Kapitalismus bis zur entgültigen Befreiung des Proletariats unterstützen!’ Dit is uit 1972.
Pas ingewikkeld wordt het zich te bedenken dat het decennia zou duren voordat het zogeheten ware gezicht van ‘het kapitalisme’ bloot kwam. De taal heeft daartoe van ‘casino’ een voorvoegsel gemaakt. Het woord ‘uitwas’ zet ze dan uitsluitend in het meervoud in. Niet iedereen heeft zich daar voetstoots bij neergelegd. In vergelijking met de RAF was het protest van Occupy geweldloos en waren activisten zichtbaar.
Ingewikkelder vind ik dat het bekritiseren van een ‘systeem’ gedateerd heet, terwijl het zich met Prism, voortgaand op de innovatie van de rasteropsporing, zowel letterlijk als figuurlijk in alle hevigheid opdringt. Destijds stelde de Stadtguerilla:

‘Legalität ist die Ideologie des Parlamentarismus, der Sozialpartnerschaft, der pluralistischen Gesellschaft. Sie wird zum Fetisch, wenn die, die darauf pochen, ignorieren, daß Telefone legal abgehört werden, Post legal kontrolliert, Nachbarn legal befragt, Denunzianten legal bezahlt, daß legal observiert wird – daß die Organisierung von politischer Arbeit, wenn sie dem Zugriff der politischen Polizei nicht permanent ausgesetzt sein will, gleichzeitig legal und illegal zu sein hat.’

Dat nu klokkenluider Snowden vooralsnog asiel krijgt in Rusland en commentaar van Poetin door zijn Amerikaanse confrater wordt aangemerkt als koudeoorlogsretoriek steunt het idee dat oude tijden herleven.
Reacties op het optreden bij Zomergasten van Beatrice de Graaf lieten zelfs uitschijnen dat de revolutionairen van weleer een agendapunt gerealiseerd hebben. Als paradepaardje van hiërarchische verhoudingen moest religie immers op de schroothoop. Dat De Graaf anno 2013 haar avond afsloot met een psalm, viel volstrekt verkeerd. Of komt het door eenentwintigste-eeuwse acties van ‘de islam’ dat secularisme de enige niche kan zijn? Getuige in gal gedrenkte comments tegen De Graaf, die niet leken te beseffen begrip van de eigen cultuur te ridiculiseren, inclusief taal en popmuziek, kan het christendom het in elk geval schudden.
Er blijft verschil. Voor de letteren strekt dat verder dan het oog van toen versus dat van nu. Dit leerde ik uit twee interviews met specialisten van ongeveer dezelfde politieke oriëntatie en een vergelijkbare belezenheid. Heden onderkent Geert Buelens bij zijn indrukken over de staat van poëzie het trechtermodel maar relativeert het en hij verdedigt een sanering van een dichtersfonds om economische redenen. Al te begripvol, volgens mij, terwijl ooit Jacq Firmin Vogelaar al te onbegripvol jegens uitgevers van leer trok en sowieso alles verabsoluteerde.
Zijn opvattingen, die woord of bewustzijn boven de daad verkiezen, kwamen vlak voordat de RAF ten strijde trok. Röhl doet voelen wat het betekende dat Meinhof toen afstand moest bewaren tot haar kinderen, die voortdurend bij anderen werden onderbracht. Op Sicilië, vertelt hij, werden ze eens wekenlang verzorgd door twee hippies op een fond van rijst, tonijn en tomatensaus. Voor de vitamientjes moesten citroenen dienen. Dat kan niet zonder repercussies blijven. Op hun beurt speelden de meisjes Baader-Meinhofje, met achtervolgingen en zo.
Maar toen was moederlief dus al ondergronds gegaan, doordat er bij de bevrijding van Baader en Ensslin, die zij had geënsceneerd als participerend journalist, per ongeluk een schot viel. De nieuwe status was niet haar plan, hebben velen benadrukt. Zo ook Beatrice de Graaf die poneerde dat, zeker in die tijd toen media niet overal bovenop zaten, Meinhof terug te halen was geweest, en zo ‘nog te redden’, indien de Duitse politie niet daags daarna alom met opsporingsposters had uitgepakt, inclusief hoge beloningen voor wie de zogenaamd moordlustige journaliste aangaf.
Dat beleid onderstreept de faam die Meinhof had opgebouwd. Waar geleerde heren voor de Verlichting beweerden dat vrouwen door intellectuele overprikkeling hitsig konden raken en soms steriel, getuigt Röhl hoe Meinhof bij konkret, hét Duitse linkse blad van de jaren zestig, door ziedende kritieken een societyfiguur werd, een knuffeldier van scherpzinnig extremisme. Het gehate ‘establishment’ naderde slechts, als belichaamde het een predestinatie.
Haar radicalisering lijkt organisch gegroeid, in reactie op tegenstanders en geprikkeld door bentgenoten die het nut van het schrift betwijfelden. Van Bastelaere vult een complete dichtregel met loodzwaar Duits: ‘Primat der Praxis Bullenherrschaft Haftstatut’. Zo belandde Meinhof in een religieuze context: een geplaagd geweten of een mentale ascese, hoe dan ook de antipode van zelfreiniging. Daarbij bleef ze behalve consequent bovenal trouw. Of leverde ze zich door ondergronds te gaan uit aan een noodlot dat ontproletariseerd moest?

vrijdag 16 augustus 2013

Ulrike (4)

Commercieel lijkt het een kamikaze, de biografie door Otto van de Haar zo kort na die van Jutta Ditfurth. De geportretteerde heet Ulrike Meinhof. Ooit was zij heet nieuws, getuige Komrij in Horen, Zien en Zwijgen: ‘Het journaal. In Duitsland zijn zes bananenschillen gevonden op de openbare straatweg. De politie zegt in de stellige overtuiging te verkeren dat er direct verband bestaat tussen deze vondst en de zelfmoord van Ulrike Meinhof, een maand geleden. Ook de ontvreemding van een herenpolshorloge en de hartaanval van een honderddriejarige Köllnerin worden door de politie in verband gebracht.’
Van de Haar laat zien dat zelfreinigende satire geen constante is geweest. Dat bleek al uit Theater van de angst. De strijd tegen terrorisme in Nederland, Duitsland, Italië en Amerika, de studie waarmee Beatrice de Graaf de Rote Armee Fraktion, annex de Baader-Meinhof-Groep, helder terugbracht in het collectief geheugen. Vervolgens was Meinhof een van de door haar geportretteerde Gevaarlijke vrouwen. Dat boek ken ik nog niet, maar door De Graafs verfrissende bijdrage aan Zomergasten kwamen er al wat schichten over voorbij.
Elke toelichting komt van pas, omdat geweld van alle tijden is. Helaas demonstreert de toestand in Egypte ook dat het van elke partij kan komen. Wanneer wordt het ‘terroristisch’? Dat stempel heeft busladingen theorie met zich meegebracht. Tegelijk wordt van alles en nog wat ‘terroristisch’ genoemd. Omdat de homo sapiens van vlees en bloed is? Ik vond het mooi dat De Graaf opbiechtte aan Gevaarlijke vrouwen te hebben geschreven in zwangerschapsverlof, wat haar oordeel over Meinhof op een voorspelbaar punt had beïnvloed. Dan nog zal het minder resoluut zijn dan wat de ronde doet.
Van de Haar gaf aan zijn biografie de titel Terroriste voor een betere wereld, refererend aan de oerfrictie tussen doel en middelen, tussen geloof en praktijk. Inmiddels lijkt dat geen kwestie meer, omdat die praktijk middelen geopenbaard heeft die geen enkel doel zou heiligen. Ik verdraag het niet goed dat er, gorgelend met het badwater van haar tijdvak waarvan je mag geloven dat op klaarlichte dag je achterhoofd leeggeroofd kon worden, vanzelfsprekende minachting regeert over Meinhof. Temeer daar die reflexen ook iets zeggen over het huidige bestel.
Destijds was ‘intens’ meer dan een woord. Er was een debat. Bovendien werd het, niet tot algemeen genoegen, op grondslagen gevoerd. Zoiets komt in het hedendaagse intellectuele klimaat niet van pas. Het is er te competitief voor. Efficiency is geboden, evengoed in literatuur. Lawrence Sterne mocht zich erover hebben verbaasd dat in de salon van Baron d’Holbach philosophes met elkaar konden omgaan zonder te bijten en te krabben, tegenwoordig ondergaat elkeen de gevolgen van een trechtermodel. Er zijn onnoemelijk meer auteurs dan plaatsen die boekhandels en media te vergeven hebben. Binnen die competitie worden de twee meest beoefende sporten meelopen en wegkijken.
Het grootste verschil is misschien dat de RAF evengoed netwerkte, maar dan in het negatieve en met een collectief doel. Potentiële medestanders werden gewogen en dikwijls te licht bevonden. Wel golden ze nog als niet-zwijnen. Het blijft schrikken dat de RAF symboolslachtoffers à la Hanns Martin Schleyer ten gronde minachtte. Verweet de pot de ketel zo niet dat hij zwart zag? De revolutionairen trachten een doorbraak forceren in hiërarchische verhoudingen en onrecht, en mikten daarbij op de elite. Daarbij wilden ze voorkomen in dezelfde val te tuinen als hun ouders (meer dan eens is opgemerkt dat Meinhof hetzelfde kapsel had als de iconische verzetstrijder Sophie Scholl). De invloedrijke Schleyer mocht dan van de NSDAP en de SS zijn geweest, legitimeerde dat een nazibehandeling? Er zit iets irritants aan de treffendheid waarmee ten tijde van diens ontvoering bondskanselier Schmidt de RAF aanduidde als ‘elite’ die meende dat de te verheffen massa aan haar kant stond.
Hoe viel Schleyer als ‘minderwaardig’ te beschouwen? Gerard Reve schreef ooit in het verhaal Haringgraten over een man die niet te stuiten weerzin opriep door een manier van eten, maar de haat die hier regeerde was, afhankelijk van het standpunt, veel gratuiter of beginselvaster. Behalve griezelig komt deze werkelijkheidsbenadering duizelingwekkend consequent over, wat volgens mij iets anders is dan een veelgenoemde eigenschap als rechtlijnig (en van daaruit: humorloos, onsexy). Wat voor een onwrikbare wil moet aan consequent handelen ten grondslag liggen?
De gruwel van de detentie in de Stammheimgevangenis, zo’n vier decennia voor Bradley Manning kennismaakte met een verwante zede, is vaak uitgemeten, en door Gerhard Richter, op basis van krantenfoto’s, geschilderd in een reeks die op zijn beurt is bedicht door Dirk van Bastelaere. Toch blijft het indrukwekkend te lezen dat RAF-leden bij hun hongerstaking werden gevoed op een wijze die doet denken aan ganzenleverbereiding: vastgesnoerd kregen ze door hun keel een slang die tot in hun maag liep. Meinhof wist zelfs die behandeling voor binnengepompte voedingsstoffen meteen te neutraliseren, met een vinger in haar keel. Hoewel zelf behept met oudtestamentische aandriften, meen ik dat het een understatement is hier te spreken van een zogeheten pittige tante.
Co-naamgever van de groep, Andreas Baader, verloor in de gevangenis echter amper gewicht. Hij zou dermate pragmatisch in de omgang met (via advocaten gesmokkeld) voedsel geweest zijn dat de vergelijking met het historische prototype van Rousseau opdoemt: zelf zogenaamd immer principieel, perfide anderen nooit. Het populaire oordeel hypocriet lonkt al. Toch was er, voor de volledigheid, nog een realiteit, die Van Bastelaere opgetekend heeft:

Andreas Baader, Wat vermag
een mens tegen de staat
die met een latex vinger zijn lichaamsholten inspecteert?


Een bizarre, seksistische optie is dat vrouwen beter tegen vernedering bestand zouden zijn? Zacht gezegd koppig betoonde zich nog een vrouw, uit het Volksfront voor de Bevrijding van Palestina, bij de kaping van het Lufthansatoestel die vrijlating van de RAF-leden wilde afdwingen. In Mogadishu gewond weggedragen op de brancard hield ze, enige overlevende van vier terroristen, voortdurend een arm omhoog, met de vingers in een Victory-teken.
En dichter bij huis ontpopte zich een baas boven een baas, zelfs voor Meinhof.

maandag 12 augustus 2013

Dirk Lauwaert

Legendarisch werd een interviewreeksje tijdens het Nederlands Film Festival 2006 in Utrecht. Daar kwam Alex van Warmerdam aan het woord. Sprak hij? Een trek met zijn wenkbrauwen volstond om het toestromende publiek in extase te brengen. Het kwam, zoals dat heet, helemaal niet meer bij toen Van Warmerdam begon af te geven op Paul Verhoeven, bij die gelegenheid medegenomineerd voor iets. Dit werd het type rel dat wordt vergeleken met een storm in een glas water.
Mij staat het reeksje bij omdat vlak voor Van Warmerdam een interview werd afgenomen aan Dirk Lauwaert. De interviewer was aan de rand van het podium een systeemkaartje in de handen geduwd en daar begon het gesprek. De vragen waren nogal vrijpostig, zeker in de wetenschap dat de geïnterviewde een Vlaming was – maar die bleek net even ietsje meer ad rem dan zijn met het spreekwoordelijke flux de bouche toebedeelde Noord-Nederlandse partner, die Matthijs van Nieuwkerk heette.
Voor mij bewees Lauwaert op dat moment definitief de onhoudbaarheid van de these dat intellectuelen ‘het niet doen in de media’, ‘te moeilijk zijn’ enz. Hij, auteur van essays over de meest uiteenlopende onderwerpen, in een stijl die zo precieus is dat men hem voor een estheet zou verslijten, schreef juist in de postideologische jaren negentig artikelen over het proces en over het project waar de politieke kritiek van afdroop, en wist in zijn officiële debuut Artikels: ‘De utopisten van gisteren zijn steeds de geborneerde Realmoralisten van morgen.’ Later zou Lauwaert zijn licht laten schijnen over het kunstonderwijs, waar hij zoveel jaren van zijn leven in had geïnvesteerd: ‘Vandaag stappen studenten de kunstschool in om zichzelf uit te drukken, zichzelf te vinden. Wat men hen ook aanreikt lokt geen confrontatie uit; zij herleiden het tot hun spiegelbeeld. In de verongelijkte, therapeutische geest van vandaag is ieder zelf herleid tot een zichzelf.’
Dirk Lauwaert is 69 jaar geworden. Hij heeft ontelbare studenten en belangstellenden de wereld leren lezen.

dinsdag 6 augustus 2013

George (stop de dood)!


Petrus heeft het de laatste tijd wel erg druk. Of vergis me? Met het wegvallen van George Duke wordt het eventjes vergaren. Zo tussen je twaalfde en achttiende schijnen invloeden het sterkst – in dat geval heeft de man mij finaal getroffen.
Twee opeenvolgende soloalbums met name, die zijn vergeleken met Earth, Wind & Fire dat destijds ook op zijn top was, maar daar weinig mee te maken hebben. Reach For It, met het legendarische titelnummer, en Don’t Let Go, met ‘Dukey Stick’. Het zijn verwante nummers, die tegen de jam aanhangen. Een verschil met de improvisatie in jazz, wellicht, doordat het nog veel meer een samenwerking is, waarbij niets of niemand kan ontbreken – vlak voor zijn dood vergeleek Duke zich met een goulash. Minder afspraken ook, en meer ruimte voor ongenode gasten.
De jam als multicultureel ideaal? Of gewoon een artistieke goudmijn, waarbij het geheel meer is dan de som der delen? Deze organisatievorm kan bijvoorbeeld mijn manie voor literaire tijdschriften verklaren, plus de afkeer van ondernemingen die onder dat etiket zelfpromotie en bastiondrift voorstaan.
Van Dukes samenwerkingen is mij, eerlijk gezegd na een gouden tip achteraf, vooral die met Frank Zappa bijgebleven. Ook al jaren zeventig, besef ik, even cabaretesk annex gesammtkunstwerkerig. De schijnbare losheid verheelt niet dat iedere noot lijkt te zijn uitgeprobeerd. En Zappa nam alles op, om de beste fragmenten aaneen te kunnen lijmen. (Het heeft me altijd verbaasd dat mensen verbaasd zijn wanneer ze horen dat Toon Hermans een tiran was bij repetities – achteloosheid vergt oefening.)
George Duke had er zeker een aandeel in, maar hoe groot was het bij het waanzinnige begin van ‘Open Your Eyes, You Can Fly’ (Flora Purim) en van ‘Sweet Lucy’ (Raul de Souza)? Ik besef dat zijn latere werk mij amper bekend is. Behalve dat met Rachelle Ferrell, waarvoor mijn ontzag groter is dan de vervoering.
Dukes elpee "Live" On Tour In Europe, in een topbezetting als resultaat van een kortstondig probeersel met de toen veel explicieter virtuoze Billy Cobham, kan ik zo’n beetje van voor naar achter en van achter naar voren nahummen (niet naspelen). Uit het hilarische ‘Space Lady’, waar de invloed van Zappa aanzienlijk is, putte ik voor mijn werk al wat, en het motto van een verhoopt boek stamt er ook uit.
Welja, laat ik het vooral over mezelf hebben. Duke loste de eeuwige rivaliteit tussen piano en gitaar op door de toetsen te bespelen als gitarist. Niemand kon met de pitch wheel zo de blues spelen als hij.
Ontroerend dat reeds op Dukes vroege The Inner Source fragmenten van latere liedjes zijn te horen, en dat hij door zijn oeuvre heen nummers in wisselende uitvoeringen bleef proberen.
Petrus gaat George Duke natuurlijk herenigen met diens vorig jaar treurig overleden vrouw, maar mocht hij daartoe een fiat krijgen, dan kan hij hem ook voor bepaalde tijd terugsturen naar planet earth, voor een ode aan het vlees met een goeien bak funk.

Naschriftje wegens snelposting
Kan improviseren in jazz, toonbeeld van democratie, slagen zonder dat alle deelnemers in vorm zijn? Aan een jam liggen minder afspraken ten grondslag (akkoordenschema, evt melodielijn, solovolgorde…) en volstaat deelname, zij het dat elke vrijwilliger volledige inzet moet (blijven) vertonen, anders blijft de muziek hangen. Is de jam dan een toonbeeld van anarchie, wegens de grote verantwoordelijkheid die zo bij de deelnemers komt te liggen? Er mág misschien ook niet te veel worden afgesproken, want dat zou duiden op een gebrek aan vertrouwen in de goede afloop. Dit blijkt uit een andere jam van Duke, van vlak na ‘Reach for it’ en ‘Dukey stick’, waarin te vaak opgelegde wijzigingen voorkomen. Terwijl het initiële ritme, gespeeld door Ricky Lawson, ronduit geweldig is, net als de titel trouwens: ‘The Alien Challenges The Stick (pt 1) / The Alien Succumbs To The Mucho Intergalactic Funkativity Of The Funkblasters (pt 2)
Leidend beginsel improvisatie = vooruitgang, leidend beginsel jam = herhaling?

zondag 4 augustus 2013

Alles was stil behalve het stemklateren

Die Thales had het toch maar in de peiling: als er nu één element verbindt is het wel water. Het lijkt een parmantige gedachte, een proeve van ‘essentialisme’, te verklaren uit dé – bijvoorbeeld in Kritiek van de cynische rede – doorgebriefde psychologisering van Thales: dat hij zulke interessanterigheden aan het uitspansel zou hebben ontwaard dat hij in een kuil stapte.
Water plompverloren centraal stellen strijdt, zelfs voor Hollanders, eveneens met wijsheden als dat een vraag belangrijker is dan een antwoord. Rob Wijnberg komt er in In dubio op uit dat mensen met twijfels beter bestand zijn tegen kritiek, meer tolerantie voor het tegenstrijdige vertonen en daarom autonomer zouden zijn. De zwakheid van ‘fundamentalisten’ (deze kwalificatie valt onvermijdelijk) blijkt uit hun ophef bij tegengeluiden, die Wijnberg dan niet als principieel maar als kwetsbaar opvat. Zonder overtuigingen zou een fundamentalist evenmin tot handelen in staat zijn.
Toch kan de trending topic van de hitte steun geven aan Thales’ stelling dat water de oerstof is. Of word ik te anekdotisch? Aangevuurd door live achtergrondmuziek, fietsend langs voornamelijk de Rijn, richtte het gesnak naar verkoeling zich vooral op de bidon. Gaande de dag werd het eindpunt niet zozeer dak en bed, als wel de douche daarbij. Vervolgens moest het lichaam terug in vorm raken door het uitdrinken van eindeloos veel glazen water. Niemand wordt zomaar eventjes een vogel ontstegen aan de dorst der sterren. Werkelijkheid is voorts dat het tegendeel van droogte, stortregen, doet schuilen, en dat dit de Rijn zelf het afgelopen jaar niet is gelukt. Daardoor moesten de fietspaden pal aan de oever ijlings worden bestrooid met nog ongewalste kiezels – oponthoud, knerping, slipsels, lekke banden en muggen in exponentiële hoeveelheden.
Naast de presocraat, de verlegenheidsblogger en de binnenhuidse geografie van het mensenlichaam is er nog een bron voor de almacht van water: het politiek weinig correcte liedje ‘Pompen’. Het bevat een ritmische opsomming van zaken in verband met de titelactiviteit (een werkwoord, geen zelfstandig naamwoord meervoud) en die in meerderheid te maken hebben met water. Inclusief het klimaat, wat zo logisch is dat het alweer minder evident wordt.
De uitvoerende artiesten opereren onder de naam Trafassi en kregen faam met het nummer ‘Wasmasjien’. Need I say more (vermoedelijk werd er niet mee geknipoogd naar Van Ostaijen)? Er is geen ander element dat onder druk van de omstandigheden zo authentiek van gedaante kan veranderen als water. Misschien valt water adequater te omschrijven als een toestand, tussen ijs en stoom. Nee, zelfs dat niet, als ik het aggregaat van mijn ideetjes zelf mag verstoren, getuige het fenomeen wak dat dan twee toestanden tegelijkertijd laat zien. Geen wonder dat het mogelijk is dat water vuur dooft.
Volgens een Turkse traditie gooit men water naar iemand die voor lange tijd op reis gaat. Hij blijft dan net zo lang weg tot het verdampt is. Dat wordt althans beweerd in de heerlijke film Almanya – Willkommen in Deutschland die, na de onthulling over de toekomstvisie op Turkse ‘gastarbeiders’ van Helmut Kohl toen hij pas aangetreden was als bondskanselier, alleen maar meer actueel is geworden.
Door de vakantie realiseerde ik me tevens dat er zoiets als water boven water bestaat. Daar spoel je je inwendige boodschap van de urine mee weg. Nu ja, het kwam eigenlijk door vervaarlijke iconen boven menige toiletpot. Ooit dacht ik nog dat het een grap was wanneer Le Penseur van Rodin erop werd afgebeeld, maar ik heb hem nu, nota bene bij de historische aartsvijand, op diverse plaatsen in die positie waargenomen. Hij neemt dan een houding aan die tegenwoordig bij ambachtelijk plassen van mannen gewenst blijkt.
Aldus schoten me opschriften te binnen uit de tijd dat de fiets nog exclusief voor mensen en hun werktassen onder de snelbinders diende. Die teksten vielen te lezen op de wc bij mijn tantes, in een oubollig soort humor waarvan ik me afvraag of die katholiek is. Door de huidige trend kan ik alsnog hun historische volgorde bepalen. Eerst heette het: ‘Heren, mag ik u bidden / niet op de rand maar in het midden’. Realiteitszin noopte tot de volgende slogan: ‘Heren, doe de bril omhoog / de dames zitten ook graag droog’.
Da’s dus allemaal verleden tijd, gedekt door de jongste postsocratische inzichten.
Het vermogen van water was mij reeds bekend uit een vroegere herinnering. Ik kon als peuter mijn ogen niet geloven dat mensen dreven, of zich in water ten minste voortbewogen zonder onder te gaan. Vakanties aan de kust, nog vrij van ideologische keuzes en helemaal van een precariaat en privatisering tot op de laatste druppel, wezen nochtans op het tegendeel. Wel was, inclusief luchtbed, iemand eens in zee toen, in een mum van tijd, de groene vlag werd verwisseld voor een gele en voor een rode. Een onvoorwaardelijk dappere jongeman nam vanaf de golfbrekers het luchtbed van haar over, ze hoefde louter het minieme laatste stukje te zwemmen. Naar mijn idee vergde dit uren – haar hoofd dat zo nabij en in de verte boven het water uitstak.
Maar ze kwam terug.