zondag 4 november 2012

Something to be sure

Nu de Vlaamse Boekenbeurs bezig is, kun je er vergif op innemen dat hoon uitgaat naar successchrijvende televisiekoks. Je kunt je echter afvragen hoeveel procent van de literaire populatie de spirit heeft om aan het bestaande meer toe te voegen dan designconformisme. Een mespuntje respect lijkt op zijn plaats. Ik meld me voor vergelijkend warenonderzoek. Helaas, in tijden van het Noord-Nederlandse regeerakkoord biedt mijn voornaam zelfs foutief gespeld louter een platform voor guillotinaire toestanden. Een ander voorbeeld kan gelukkig volstaan: zelfs in de beste families, weet ik toevallig, verwijst de zonder blikken of blozen over tafel gaande ‘Jeroen’ niet naar Brouwers noch naar Mettes noch naar Olyslaegers.
Dat mijn bijnavoornaamgenoot in het defensief zit, komt natuurlijk door mogelijke gevolgen van het regeerakkoord, getiteld Bruggen slaan. Uiteindelijk lijkt voor stemmers de portemonnee nog meer een graadmeter dan een krantenkop. Dat onder de bevolking spijt afgetast wordt voor steun aan een partij terwijl de formatie nog aan de gang is, en dat de officiële opiniepeiler op ditzelfde item doorgaat na het regeerakkoord, dus nog altijd voordat het kabinet is begonnen, vind ik nogal luguber. Wel amusant dunkt me dat amice Bolkestein de term ‘linkse broeders’ al uit de mottenballen gehaald heeft.
Het zijn feestelijke, maar prangende tijden. In het banenbijvoegsel bij de weekendkrant vertelde een columnist dat het dermate rustig was op zijn werk dat hij het koffiezetapparaat niet had aangesproken en uit een Senseo had genomen – voor consumptie moest alleen het schuimslib nog weggeschept. De index van het bijvoegsel die normaal een dubbele, meerkolommige pagina nodig heeft voor een overzicht van de vacatures, was deze week zelfs met grotere regelafstand miniem, omdat er vier (4) banen te besolliciteren waren.
Een reden te meer dat literaire auteurs als bekendheden meedoen aan vakantieprogramma’s, zelfs in de zuurste lucratieve worsten happen die hun voorgehouden worden, en dat televisiekoks boeken zijn gaan publiceren: iedereen kent het recept van een appeltje voor de dorst. Of zou het publiek niet capabel zijn om werkelijkheidniveaus te onderscheiden? Vanmorgen speelde het taalkundig genie poppenkast met haar handdieren achter de stoel van de gourmande die ademloos toekeek totdat de draak de rugspijlen begon aan te vreten.
Wel heb ik inmiddels een aantal afleveringen van Dagelijkse kost gezien en steevast refereerde ‘Jeroen’ aan gewoontes van zijn ‘grootmoeder’. Is over literair auteur Willem Wilmink, die zich positioneerde als gewone man, beweerd dat hij op basis van zijn verhalen een grote familie moet hebben, bij ‘Jeroen’ heb ik het vermoeden dat hij het grootste aantal grootmoeders van de hele wereld heeft. Dit bezit kan renderen. Mij bleek de afgelopen jaren uit de koffiebranche dat alles wat met oma’s te maken heeft staat voor betrouwbare kwaliteit en authenticiteit. Hoewel mij is verteld dat de mijne zich vooral bezighielden met kwijnen, moeten grootmoeders uitzonderlijk druk en bekwaam zijn geweest. Ook op culinair vlak. En ik beken, in mijn bezit zijn meerdere recepten van hachee en hangop, maar op het moment suprême zoek ik altijd mijn heil bij Grootmoeders grote keukenboek. Nostalgische recepten en praktische tips.
Waren grootmoeders ook beter in taal? Theoretisch gezien konden ze in dat geval helderder denken. Ik ben retrospectief benieuwd wat ze zouden vinden van de openingszin van Bruggen slaan: ‘VVD en PvdA delen een onverwoestbaar geloof in de toekomst, een rotsvast vertrouwen in wat Nederlanders samen voor elkaar kunnen krijgen en de diepe overtuiging dat ons land de komende jaren een stabiel en daadkrachtig kabinet nodig heeft om hiervoor kracht en energie vrij te maken.’ De vetjes heb ik zelf toegevoegd, ter overweging, gesteld dat een agent het regeerakkoord aanbiedt bij een literaire uitgeverij. Ik acht dat denkbaar vanwege de personificatie in de titel, die duidelijk de tweede regel wil vervangen van het extreemlinkse canongedicht dat begint met ‘Rozen verwelken’.
Het zal deze ambitie zijn die de bepaling in het regeerakkoord heeft veroorzaakt waardoor immigranten, willen ze in aanmerking komen voor een uitkering, het Nederlands moeten beheersen. Aan die eis kleeft wel nog een technisch bezwaartje, plus wat ideologisch basaals. Maar daarna zijn we allemaal familie, waarschijnlijk met muziek en zonder poespas.
Door Beertje Pippeloentje had ik ontdekt dat het taalkundig genie het woord ‘visite’ nog niet kende.
Mijn respect voor televisiekoks is ondertussen aangezwollen. Een gemarineerde rodekool van 'Jeroen', of van één van zijn grootmoeders, liet zich uitstekend combineren met falafel in een pitabrood, zodat de schijnbaar oer-Vlaamse keuken een mediterraan tintje kreeg waarbij het spreken van Nederland en Nederlands doofde.
Uiteraard kan ik het me als zelfverklaard kritisch schrijver niet permitteren me slechts inlands te laten inspireren.
Toen ik onlangs op een pompoen bij uitzondering niet ‘het recept van Jamie’ losliet, wiens roostervariant in die zin very cunning is dat er niet voor hoeft te worden geschild, merkte ik bij een andere, niet eens volledig geslaagde bereidingstip dat, terwijl schillen normaal mijn raison d’etre is, bij deze polyvalente vrucht ontspanning een serieuze en imperfecte inspanning kan worden.
Is daarom ook mijn ontzag gegroeid voor de Amerikanen? Ik bedoel, wat die deze weken zonder taalbarrières, too big to fail, ter gelegenheid van Halloween aan pompoensnijwerk in Europa hebben weten te introduceren, grenst aan het onwaarschijnlijke. Nog even, en ik word echt bang geen mening te hebben.

Update
De cascade van bijvoeglijke naamwoorden in Bruggen bouwen blijkt door formateur Bos al te zijn ingedamd, vergeleken met Samsoms origineel – eat your pie!

zondag 28 oktober 2012

Verraad

Over de Spaans-Catalaanse dichter Joan Margarit heb ik elders al eens geprobeerd op mijn manier kritisch te wezen, maar vergat daarbij de fundering (van mijn elixer). Een bundel gewijd aan het overlijden van zijn dochter Joana, schreef ik, gaat wel sterk over hem zelf. Is dat eigenlijk een zonde?
Spannend vond ik het toch worden aan het slot, als Margarit bekent niet altijd meer aan haar te denken. Ietsje minder, leek me zo, dat hij daarvoor vergeving vraagt. Een andere bundel meldt, wellicht ten overvloede, dat verraad een vorm van liefde is.
Het verhaal van het vergeten moet uitverteld. Margarit, of zijn lyrische ik, heeft zijn besef ’s morgens vroeg en gaat dan koffiezetten. Waarna zijn vrouw uit de slaapkamer komt en, nogal onmisbaar, zegt dat het lekker ruikt.
Een omkering van een van de beroemdste gedichten uit de Nederlandse literatuur, ‘Impasse’ door M. Nijhoff. Daar mag de vrouw dan wel eveneens het laatste woord hebben, zij is er ook degene koffiezet voor hem, die verlegen zit om stof.
Maar onderwerpen hebben de Margarits genoeg. Bij benadering ongeveer evenveel als het aantal zekerheden over het aards bestaan, waarover Epicurus zich eens heeft uitgelaten, bijna net zo schrander als zijn collega Haas in een boek van de immer melancholieke – en uiterlijk sterk op zijn schepper lijkende – Kikker, ten overstaan van een onbeweeglijk vogeltje:

‘Iedereen gaat dood.’
‘Wij ook?’ vroeg Kikker verbaasd.
Dat wist Haas niet zeker.
‘Als we oud zijn misschien.’


Overigens zag ik laatst in de stad een gemeentewerker met een nieuwe schoonmaakmachine inclusief grote slurf een regenplas wegzuigen.

zondag 21 oktober 2012

Vrij

Is het een sign of the times dat er in Antwerpen een rouwstoet is geweest voor zeventig jaar socialistisch beleid, of dat aan dat publiek vertoon, nadat er Project X-gelijk een oproep op Facebook over was uitgegaan, zestig deelnemers waren of dat reacties op dat aantal smaalden?
Mij interesseert het dat definities kunnen worden opgerekt, maar ook aan de postideologische rekbaarheid van ‘socialisme’ komt een eind. Maar wat is dat voor een woord?! Ik was het juist eens geworden met Alain Badiou die in een Affirmationistisch Manifest voor het einde van de eindes is, en voor het maken van een begin. Misschien is het aardiger te kijken naar het doel van de onderneming, zodat er evengoed liberalisme bij betrokken kan worden: vrijheid.
Op dat idee ben ik mede gekomen door een particulier initiatief. Mijn dames wou ik namelijk zo vroeg mogelijk lijfliederen geven voor een onderdak. Na enig heen-en-weer-getest werd het bij het taalkundig genie ‘Mijn tante heeft een olifant’ van Jan Blaaser en bij de gourmande de tune van Swiebertje. Dat laatste nummer is nogal bijzonder.
Zoals bekend heeft Jan Kuitenbouwer een link gelegd tussen de serie en het gedachtegoed van Wilders, maar ik vind het fijner iets concreets bij de hand te hebben. Welnu, op tekst van Johan uit den Boogaard en muziek van Harry de Groot zong Joop Doderer samen met kinderkoor De Damrakkertjes het volgende:

Daar komt Swiebertje
Rare Swiebertje
Onze Swieber met zijn ingedeukte hoed
Daar komt Swiebertje
Rare Swiebertje
Onze Swieber die steeds malle dingen doet

Hij leidt een vrolijk leven
Hij luistert nooit naar raad
Om zijn brutale grappen
Maakt Bromsnor zich vaak kwaad

Daar komt Swiebertje
Rare Swiebertje
Onze Swieber met zijn uitgestreken snoet
(…)

“Ik hou van lekker eten
Dus ga ik vaak naar Saar
Kom ik daar op visite
Nou, dan staat de taart al klaar”

Dat zegt Swiebertje
Rare Swiebertje
(…)

“Ik hou van lekker slapen
Liefst in een berg hooi
Daar leg je lekker warm en
Daar droom je toch zo mooi”

Dat zegt Swiebertje
(…)

“Ik hou veel van mijn vrijheid
Die raak ik niet graag kwijt
Maar één man die bedreigt me
Dat is Bromsnor zogezeid”

(…)


Vrijheid staat hier diametraal op gezag, zodat de titelzwerver en de veldwachter Bromsnor antipoden worden. Iedereen die wat van de serie heeft gezien, weet echter dat het conflict altijd binnen de grenzen van de gemoedelijkheid blijft. Ook zijn de wensen of dromen van Swiebertje weinig radicaal, veeleer basaal. De term ‘mal’ leeft voort in een ongevaarlijk soort amusement en humor van spelletjesprogramma’s.
Swiebertjes bescheiden vrijheidsdrang valt te dateren op beginjaren zestig, terwijl de fameuze jongerenprotesten uit dat decennium mogelijk blinken in een citaat van Kris Kristofferson dat door Janis Joplin postume verbreiding kreeg: ‘Freedom’s just another word for nothing left to lose’. Het tegenwicht van gezag is dan aanzienlijk uitgebreid, beperkt zich amper nog. Persoonlijke en culturele verledens mogen worden afgeschud voor het genot van de vrijheid in een permanent heden.
Met terugwerkende kracht krijgt het woord ‘ballast’, dat Herman Brood geregeld gebruikte, een programmatische betekenis. Een volstrekt andere invulling daarvan – en dus ook van het concept vrijheid – zag ik afgelopen zomer, op de wellicht warmste dag van het jaar, fietsend in the middle of nowhere langs een Vlaams kanaal. Daar marcheerden in het tenue van een jeugdbeweging lagere scholieren, begeleid door twee pubers. Ze droegen een volle bepakking onder de brandende zon, wat het toch al niet korte kanaal onafzienbaar maakte. De kleinste van het stel, nog geen tien, liep voorop met een vaandel.
Als Nederlander beleefde ik de dooddoener dat tolerantie verdwenen is in angst om ergens wat van te vinden. Dus fietste ik door, met mijn kinderen, narationaliserend over een marge van onduidelijkheid hoe principieel principes zijn. Onloochenbaar is dat ik aan het kanaal vrijheid negatief zag ontspringen: in banden van een voorgeformuleerde gemeenschap.
Hier moet ik verder over denken, omdat duidelijk is dat er makkelijke reflexen opspelen. Dat weet ik ook als immigrant, die in de Lage Landen de onhoudbaarheid van zekerheden over de achterhaaldheid van nationale verschillen ondervond. En die met een gezin, hoe klein ook, evengoed een gemeenschap vormt. ‘Men deelde met elkaar wat er was: het deelbare en het ondeelbare’, schrijft Pol Hoste in 99 (help, een boek dat niet overbodig is).
In de tussentijd teer ik op Le gamin au vélo van Jean-Pierre en Luc Dardenne, een van de mooiste films die ik in jaren heb gezien, al was het op dvd. Het verhaal draait om een jongetje dat er alles voor over heeft om bij zijn vader te zijn, waartegenover een nobele onbekende kapster een bijna onmenselijk goedheid vertoont om bij de jongen te zijn. Vrijheid schuilt in een verlangen naar een minigemeenschap.
Twee scènes heugen: een waarin de onverschillige vader, aan wie het jongetje steeds toevoegt dat hij hem niets kwalijk neemt, hem met twee pollepels laat roeren in sauspannen, en een waarin het jongetje dermate teleurgesteld is over hem dat hij in de kapsalon telkens de kraan van een wasbekken opendraait en de irritatie, ook bij de goede fee, aanzwelt.
De kijker heeft sensaties voorbij de identificatie met personages, richting solidariteit.
In een begeleidende documentaire lichtten de gebroeders Dardenne enige keeldichtknijpende scènes toe. Zij deden dit uiteraard door toelichtingen op camerabeweging en kadrering en stippen jakobsoniaanse equivalenties in het scenario aan.
Aan het slot is het jongetje, getroffen door een steen van een rancuneus slachtoffer, uit een boom gevallen en ligt voor dood op aarde. Dan staat hij op, negeert omstanders en pakt een zak houtskool onder de arm, hijst zijn fiets recht en rijdt in een lange boog de linkerhoek van de camera uit. Die boog gaf mij de indruk van optimisme – dat alle, tot dan toe schier onontkoombare, ellende valt te reguleren. Een événement zoals Badiou zich voorstelt als katalysator van een waarheidsproces?

zaterdag 13 oktober 2012

Things don’t seem the same

De affaire-Armstrong werpt evengoed een licht over Bart De Wever. Afgelopen zomer hield de berichtgeving niet op over zijn dieet, en thans, in het laatste rechte eind naar de finish van de verkiezingen, blijkt dat N-VA staat voor Nieuw Vlaams Aspartaam. Om de voorsprong van de peilingen te behouden graait de man onbeschaamd uit suikervervangers.
Geef hem eens ongelijk. Getuige de televisiefictiereeks Deadline 14/10 over de verkiezingen in Antwerpen spannen pers, politiek en politie permanent samen. Etappewinst voor de ‘korte lijntjes’? De slotaflevering ruimde een open einde in voor de hoofdpersoon, een journaliste, a poor lonely cowgirl far away from home (Gent). Ze wist oprecht niet wat ze zou gaan doen in de toekomst, nadat ze de waarheid had onthuld. In plaats van foefelen wil de N-VA de hele koers nu herstructureren, wat tot uiting komt in de slogan De kracht van de verandering – het blijft wennen aan de verhuis van linkse eigenschappen.
Nu wil ik niet suggereren dat Canderel en EPO één pot nat zijn, maar toevallig heb ik deze week onder meer zitten lezen in Pleidooi tegen volmaaktheid van Michael J. Sandel. In dit boek over ethische marges bij gentechnologie gaat de aandacht meer naar de betrekkelijkheid van verschillen. De filosoof uit Harvard zegt inzake sport droog dat iedere atleet zijn erfelijk materiaal met zich meedraagt en de strijd altijd ongelijk is geweest.
Ook roept Sandel het momentum op dat atleten gymschoenen kregen en daarmee een onachterhaalbare voorsprong namen op alle voorafgaande ongeschoeide generaties. Hij memoreert de film Chariots of Fire, gesitueerd in het Engeland van de jaren twintig. Daar pleegden atleten al verraad aan de geest van de amateursport indien ze een coach hadden. Omdat de mening van bestuurders van de Universiteit van Cambridge er telde, kwam tevens een sociaaleconomische component bloot.
Nog immer kan niet iedereen zich gymschoenen permitteren, in wat voor een meer of minder gesofisticeerde uitvoering ook. En doping? Sandel vertelt over Amerikaanse farmaceutische firma’s die werken aan ‘cognitieverbeteraars’, waarmee eveneens natuurlijk geheugenverlies kan worden tegengegaan. Voor die innovatie bestaat een commercieel aantrekkelijke groep van babyboomers, die het ‘Viagra van de hersenen’ zonder een al te grote aanslag op hun budget kunnen inkopen.
Klassentegenstellingen kunnen vervolgens groeien, redeneert Sandel, doordat volgende bevoorrechte generaties ook toegang hebben tot deze middelen. Dan zouden er verbeterde en natuurlijke ondersoorten van de mens ontstaan. Het is fascinerend zulke argumentaties te volgen. En bijvoorbeeld te beseffen een sukkel te zijn als ouder, die zijn kinderen niet tot op de tanden bewapend aan de poort van de arbeidsmarkt brengt. Anekdotes van Sandel over bedragen die worden neergeteld voor testvoorbereidingen van kinderen op prestigieuze universiteiten, het liefst na ‘diagnose-shoppen’ voorzien van een gecertificeerde leerstoornis zodat ze bij de ultieme toelatingstest meer tijd krijgen…!
Kan het dopingschandaal dus worden gebagatelliseerd? Zeker niet. Maar juist in deze weken van de verkiezingen waarin reclamebudgetten wel degelijk een rol spelen, in deze weken van ontgroeningen ook waarbij studenten van elitaire clubs hun investering de stoepen met hun kots te schrobben hopen terug te krijgen, begin ik te snakken naar berichten van mensen die niet plots ‘schoon schip willen maken’, of die het niet ‘eigenlijk al altijd hadden geweten’, en niet naar programma’s die zulke uitingen op de snijplank van het achterafdebat leggen.
Zelfs met het honderdvoudige van Armstrongs EPO in mijn aderen kan ik nog niet de staart van het peloton bijhouden.
In het voorbijgaan dist Michael J. Sandel overigens interessante feiten op. Dat India een land is waar veel gebruikt wordt gemaakt van echo’s waarop het geslacht van baby’s in de dop zichtbaar wordt (en waarna meisjes vaak de sigaar zijn). En dat Mitt Romney bij het door Bush jr. gevetode stamcelonderzoek vond dat het mocht met embryo’s die overblijven van vruchtbaarheidsbehandelingen, maar niet met embryo’s die specifiek voor onderzoek zijn aangemaakt.
Sandel bepleit terughoudendheid, om te vermijden dat technologie en commercie gaan instrumentaliseren. Hij is dan weer niet bang voor het befaamde hellend vlak, waardoor steeds minder goed te definiëren valt wat acceptabel is of niet, al was het omdat een precedent zo is geschapen. Hierin ben ik minder optimistisch. Ik ben dan ook geen denker maar een zware taalgebruiker, die vastgelegde afspraken door curieuze interpretaties in rook kan zien opgaan.
Maakt dat bij mij professioneel ongekende krachten los door een bijwijlen tamelijk obstinaat perfectionisme, Sandel noemde zijn boek niet voor niets The Case against Perfection. Voor het leven koestert hij een blij soort verering, waarbij zijn niet-aflatende respect voor van alles en nog wat mij soms een beetje vermoeit. Betrekkelijkheid en nuances hebben ook weer geen alleenrecht, vind ik. Al was het simpelweg omdat er soms gekozen moet worden.
Toegegeven, dat laatste is precies wat Lance Armstrong ergens in zijn carrière gedaan heeft. Vervolgens heeft hij, in een heel spectrum tussen intimidatie en bevoorrechting, verbluffend veel mensen met zich mee weten te krijgen. Mij intrigeert de illusie die bij hem en de kringen eromheen ontstaan is, onkwetsbaar te zijn. Een aansprekend detail dunkt me wat ik op mijn beurt de Purple Haze-affaire noem. Even ter herinnering het eerste couplet van Jimi Hendrix’ origineel:

Purple haze all in my brain
Lately things don’t seem the same
Actin’ funny, but I don't know why
’Scuse me while I kiss the sky


Misschien had ik gewaarschuwd kunnen zijn door Sandel, volgens wie stimulantia in de jaren zestig en zeventig ‘recreatief’ bedoeld waren, om zich uit de wereld terug te trekken, terwijl nu producten als Ritalin en Adderall de wereld wensen om te vormen zodat de op competitie gestoelde ethische deviatie er naadloos in past. Toch was ik gechoqueerd dat het gevoel van onoverwinnelijkheid zo groot blijkt geweest, dat Armstrongs toenmalige ploeggenoot David Zabriskie een eigen versie had gezongen ten overstaan van de ploegleider:

EPO in all my veins
Lately things don’t seem the same
Actin’ funny, but I don’t know why
’Scuse me while I pass this guy

zondag 7 oktober 2012

Vallende vrouwen 2.0

Zou Socrates beseft hebben dat het drinken van de gifbeker publicitair gunstig voor hem zou uitpakken? Na haar zelfgekozen ontslag lijkt fractieleider Sap – een curieuze naam ineens – bij GroenLinks populairder dan ooit. Da’s zuur. Collega’s die onvermoeibaar aan haar stoelpoten hebben gezaagd, prijzen haar de hemel in op een zo opzichtige wijze dat het grof is. Sap trok haar conclusies nota bene uit een krantenartikel over interne strubbelingen, dat was gemaakt op basis van anonieme bronnen.
Spreken over charisma.
Mij frappeert dat voor die handelwijze op meer plaatsen een vervaarlijke karakteristiek is opgedoken: een mes in de rug steken. Ligt dat dicht bij drinken uit de gifbeker? En betekent dat iets, in de wetenschap dat Nietzsche de waarheid een legertje metaforen noemde? Het ‘mes in de rug’ maakte zijn comeback toen Emile Roemer (die vlak voordien een dead body had opgelopen) bij zijn verkiezingsevaluatie in zijn vermeende ideologische medestander Samsom in plaats van de activist alsnog de survivallende leeuw ontwaarde.
De plots schijnbaar consensuele karakteristiek zit in het register van de Dolkstootlegende, maar wellicht zijn er evengoed termen uit het moderne Evangelie aan te verbinden. Dan gaat het niet meer om judaskussen, maar om wat Petrusgekraai.
Wrang voor Sap dunkt me ook dat die plotse steun wordt betuigd en over hetzelfde hoofd becommentarieerd per Twitter. Ik zou menen dat de boodschap en het medium elkaar bijten: persoonlijk is iemand buiten de openbaarheid. Ook de nog altijd immens populaire voorgangster van Sap twitterde voort. Bijvoorbeeld dat de partijtop haar even niet hoefde te bellen – fijnzinnige machtspolitiek, met bijna 200.000 followers. Het was ook niet direct echt haar enige tweet van de dag en ze volgt zelf bijna 500 accounts.
(In wat voor een wereld leven die mensen eigenlijk, zich dag en nacht op hun BlackBerry’s inspannend om maar te voorkomen geloofwaardig te kunnen worden? Ik ontdekte onlangs een account van iemand die zonder een teken afgescheiden te hebben tientallen followers had.)
Ook Tine Van den Brande loopt zich warm voor de rol van martelares. Het vertrouwelijke feit dat zij, Bekende Vlaming, met een te hoog promillage door een rood licht had gereden, werd door de plaatselijke korpschef per onnavolgbaar abuis niet alleen aan de burgervader maar in cc ook aan de pers gemaild.

Gij die ik aanspreek, gij enkelvoud tragisch
De eerste persoon geworden kelk
Der laatste verbeelding giftig verwant.
Ik draag het merg, met waanzin
De slijkgreep van Dood, en bij traditie
De vergeefse inhoud van een schepping.
(Pernath)


Redelijkerwijs mag verondersteld worden dat die pers haar eigen verantwoordelijkheid kent en het persoonlijke persoonlijk zou laten, maar zo werkt het blijkbaar niet. Weer eet in een rare spagaat de intentie van de handeling de handeling op. Wie althans oordeelt dat gevoelige informatie is geschonden, verveelvoudigt die niet buiten de beroepsgroep.
Er werd gecomplottheoretiseerd rond het gegeven dat Van den Brande kandidaat is voor de gemeenteraad namens de sp.a – een socialistische partij die, zoals PvdA en GroenLinks in Nederland, het neokapitalisme heeft omarmd. Zodat zij en haar geplaagde fractievoorzitter op de onvermijdelijke persconferentie naast de damage control een aanval lanceerden op de onzichtbare vijand die volgend weekend de verkiezingen wil winnen.
Is dat niet te veel eer voor zo’n korpschef? Kun je niet beter vaststellen dat het, met alle ontzag voor de multitasking, in de praktijk heel moeilijk is twee dingen tegelijk correct te doen? Is Twitter of mail dan niet een symptoom in plaats van een door het cultuurpessimisme te bepotelen grote oorzaak? Nu hij terug aan het front is bij Oranje, daagt het me dat het Louis van Gaal is geweest die de trend heeft gezet, door als coach in de dug-out tijdens de meest spannende wedstrijden doodleuk aantekeningen te maken. In werksituaties is het sindsdien courant om bij een overleg zo’n kek schriftje te vullen, wat, heb ik mogen meemaken, noch het gesprek noch de notitie, laat staan het verslag en andere teksten die er soms uit voortvloeien, ten goede komt.
Overigens bleek bij Van den Brande mijn hoop ijdel dat ze haar renommee zou inzetten om die persconferentie te beperken tot: ‘Bemoeien jullie je met je eigen zaken.’ Ook gaf ze haar spijt geen contouren. Ze betreurde de minieme overschrijding van het toegestane promillage, maar het had veel mooier geweest wanneer ze had gezegd dat ze helemaal geen alcohol had moeten drinken voor ze achter het stuur kroop. (Ja, ik heb makkelijk praten bij gebrek aan rijbewijs. Maar ik ben wel vader van onvervangbare mevrouwtjes die zich in aubades introduceren als ‘piraten van de zee’.) Bovenal had Van den Brande van een partij als die van Sap kunnen opsteken dat het niet alleen hip is, maar ook beter voor het milieu om de fiets te pakken – waarmee ze door rood had mogen rijden.

Naschrift
Als het klopt dat de voorgangster van Sap de invloedrijkste Twitteraar van Nederland is, dan zou haar tweede Blackberry-pandoering van de partij, op het officiële afscheidsmoment (‘Zo, een fijne middag bij @jolandesap doorgebracht en een glas goede champagne gedronken’), hooguit harder zijn geweest. Van den Brande blijkt zich dan weer keurig aan een Belgische traditie te hebben gehouden die maar geen trendbreuk krijgt.

zondag 30 september 2012

How does it sound?

Dé Carl Anderson? Ik zag zijn naam pas in de aftiteling van Jesus Christ Superstar, voor de toch niet kinderachtige rol van Judas. Even surfen volstond om de identificatie tot stand te brengen. Ja, de acteur in de film van Norman Jewison uit 1973 is de zanger van ‘Can It be done’, het openingsnummer op Domino Theory door Weather Report uit 1984.
Zoals ik ten tijde van die elpee deze groep nauwlettend volgde om te snappen wat er gebeurde na het vertrek van ‘mijn’ Jaco Pastorius, zo zal de generatie voor mij de film buitengewoon gevonden hebben. Ik herinner me er weinig van, wat menselijk zal wezen.
Toch had de film residuen achtergelaten. Goede muziek kan penetreren in de gewelven van het gemoed, dus allicht had ik Andrew Lloyd Webbers melodieën weerloos opgeslagen. Als niet direct de grootste aanbidder van het genre musical (bracht ooit een videocassette terug naar de verhuurder, toen Madonna in Evita louter bleek te zingen) merkte ik Jesus Christ Superstar zelfs nogal knap te vinden.
In elk geval begrijp ik beter waarom dit project veel versies heeft beleefd, waarbij initieel Deep Purple-voorman Ian Gillan Jezus was. Het succes drong door tot in de poriën van de wereld en van sommige acteurs, die er een Swiebertje-effect van hebben ondervonden en hun oude rol maar oppikken. Jesus Christ Superstar blijkt werkgelegenheid te hebben geboden aan onder meer Alice Cooper, Agneta van ABBA, Irene Cara, Syreeta, Gary Glitter…
En aan Carl Anderson. Dat ‘zijn’ Judas zo’n groot aandeel in het verhaal heeft, rijmt met de tijdgeest, eind jaren zestig, waarin Tim Rice het script voor zijn kompaan Webber op poten zette. In het evangelie geldt het personage als een verrader en ik vermoed dat Vestdijk geen meerderheidsstandpunt huldigt door in zijn befaamde essay Judas te omgeven met heroïek en altruïsme.
Bij Webber & Rice is hij een klokkenluider. De discipel bepleit bij zijn meester een behoud van zuiverheid. Judas acht Jezus een improviserende superstar, een charlatan die genotzuchtig aanmoddert met het succes dat hem ooit terecht ten deel is gevallen maar hem nu overkomt. De meester baadt in decadentie, zodat Maria Magdalena nog een tikkeltje moedert, en al op weg is naar haar status van echtgenote, misschien. Zo’n principestrijd degradeert de andere notoire verrader, Petrus. In Jesus Christ Superstar vervult hij, anders dan in de Bijbel, een bijrolletje van een opportunist, of een reflexmatig lichaam – grondstof om een kerk op te bouwen.
Intrigerend is dat Jesus Christ Superstar ook een mediale context schept. Judas waarschuwt Jezus, een Bekende Wereldburger in de dop, dat zijn woorden verdraaid gaan worden. Aldus stelt hij dat aan status niet zozeer kracht valt te ontlenen, als wel onzekerheid die zich uit in een schijnbaar non-stop proces om te rechtvaardigen wat men doet en bedoelt met dit of dat gezegd zijnde amen. Slechts weinigen blijken die klus zelf te kunnen klaren, de meerderheid zoekt steun bij een spindokter. Maar van beeldvorming had Judas minder kaas gegeten.
Even glimpt de werkelijkheid als Jezus door de fameuze scène in de tempel ontdekt dat alles handel is geworden. Maar zijn reiniging, gelet op de tijdgeest een onmisbaar onderdeel van het script, behelst niet meer dan damage control. Wel komt hem door zijn dood de eeuwige roem toe, terwijl zijn scherpzinnige criticus zichzelf vernietigt in, zo laat Jewisons film haast wellustig zien, volstrekte eenzaamheid. Jezus hing tenminste nog aan het kruis in gezelschap van twee anderen.
Het cruciale onderdeel van het Bijbelverhaal, de wederopstanding, vertelt Jesus Christ Superstar niet. Webber & Rice stoppen bij de dood, alsof ze, conform de destijds gepropageerde gelijkheid voor iedereen, willen onderstrepen dat niemand aan een werdegang ontkomt.
Carl Anderson stierf in 2004. Twintig jaar eerder zong hij op ongeëvenaarde wijze ‘Can It Be Done’ voor Weather Report. Ik suggereer nu dat hij voor een band stond, terwijl hij slechts werd begeleid door Joe Zawinuls keyboards (misschien is het aardig te vermelden dat een van die apparaten de naam Prophet droeg). Wat daaronder de hi-hat van Omar Hakim lijkt, komt uit een drumcomputer. Bij herbeluistering vat ik eens te meer waarom Jaco in zijn vele post-Weather Report-formaties nooit meer een pianist gebruikte: die plaats, van de vader zogezegd, was al bezet. En na de opening komt de band er wel degelijk in, furieus, in ‘D-flat Waltz’.
‘Can It Be Done’ is nota bene een cover. Getuige een beschikbaar fragment van het origineel heeft Zawinul verbeteringen doorgevoerd met een reverence. Geënthousiasmeerd ben ik gaan zoeken naar meer werk van de componist, Willie Tee. Ik vond een heerlijke elpee, Wasted, die hij in 1970 had opgenomen met The Gaturs. New Orleans Funk zoals die sinds de overstroming niet meer wordt gemaakt?
Willie Tee, pseudoniem van Wilson Turbington, is op dezelfde dag gestorven als Joe Zawinul
Mooi aan de titel Domino Theory vind ik trouwens het schampen aan het openingsnummer. ‘Can It Be Done’ stelt de kwestie of er iets volledig nieuws gemaakt kan, in de non-gecorrumpeerde zin die Jesus Christ Superstar eraan verleent. Velen beweren dat zoiets niemand kan bereiken omdat ‘onze’ referentiepunten dan ontbreken. Imre Kertész signaleerde over de schrijver: ‘Hij wil een revolutie ontketenen met wat hij schrijft, maar tegelijkertijd hoopt hij dat zijn boek zijn omgeving zal bevallen. Een revolutie gaat niet zonder bijval.’ Anderzijds sprak T.S. Eliot in ‘The Social Function of Poetry’ het vermoeden uit dat wanneer een dichter erg snel een groot publiek bereikt hij het alleen maar iets geeft waar het al aan gewend was. Tussen die uitersten pendelt een paradox, die Judas in Jesus Christ Superstar op scherp zet.
Met een dominosteen valt aan te sluiten bij een getal, waarna iets onbepaalds, zoals de blanco plek, verten opent. Tegelijk verwijst Domino Theory naar de werkelijkheid van Amerika’s politieke doctrine. Nadat daaraan talloze mensenlevens waren opgeofferd, kwam het besef dat die in elk geval not done was?

woensdag 19 september 2012

Touché

Had Jacques Derrida het maar makkelijk, zoals van filosofen beweerd wordt, afgaand op de kleur hunner handpalmen? Hij verklaarde altijd te hebben ‘geloofd in de noodzaak om allereerst de aandacht te richten op dit fenomeen van de taal, van het benoemen en dateren’. Dat zei hij bij de term 9/11, vrij kort na de aanleiding, die alweer een week geleden herdacht is en die ik nu dus, temeer daar er intussen nog het een en ander is gebeurd, ongegeneerd kan vergeten om met Derrida op te kijken van ‘deze (tegelijkertijd retorische, magische en poëtische) dwang tot herhaling’ die van dergelijke uitdrukkingen uitgaat.
‘Het telegram van deze metonymie – een naam, een getal – wijst op het onkwalificeerbare’, zei hij in 2001, ‘door te erkennen dat er hier geen sprake is van een herkennen of ook maar een kennen, dat we nog niet weten hoe te kwalificeren.’
Voila. Wel vrees ik dat onder mijn dak een minimale variant van zo’n 9/11 werkzaam is. Wie nu ‘hieperdepiep’ tegen de gourmande roept, krijgt volautomatisch als antwoord ‘toeja’. Indien je dat antwoord herhaalt, schreeuwt ze ‘nee’. Indien je dan vraagt ‘hoera’, zegt ze ‘ja’.
Kortsluiting of zogeheten koortsachtige activiteit? Derrida wilde zielsgraag ‘proberen te begrijpen wat er nu precies aan gene zijde van de taal gaande is en wat ons drijft tot dat eindeloos herhalen zonder dat we weten waarover we het hebben, precies daar waar de taal en het begrip op hun grenzen stuiten’. Maar mijn eigen brein heeft daar geen tijd meer voor, sinds het taalkundig genie het van nature toch niet heel erg onsympathieke woord ‘training’ bezigt. Da’s volgens mij al iets meer dan een week geleden.
Een paar keer heb ik gemeend dat ik de clou in mijn vingers had, maar telkens smeerde ze hem. Sinds vandaag weet ik eindelijk dat ik de klinkercombinatie die het taalkundig genie in de eerste lettergreep aan de dag legt, slechts eenmaal eerder heb horen uitspreken. Het was in een reclame uit de jaren zeventig, meer in het bijzonder door Rijk de Gooyer, om precies te zijn in het laatste mespuntje van de kaas ‘Paturain’.

zondag 16 september 2012

De enige partij die niet aan uw Koninklijke hoofd zeurt

Robert Musil tekende in De ervaringen van de jonge Törless deze ervaring op: ‘Maar altijd is het zo dat datgene wat wij op het ene ogenblik als een ondeelbaar geheel kritiekloos ervaren, onbegrijpelijk en verward wordt zodra wij proberen het met de ketenen van onze gedachten te binden om het tot ons onvervreemdbaar eigendom te maken.’ Als in het buitenland wonende stemmer, die Nederland in een mal van herinneringen zijn vorm laat verliezen, had ik me nooit gerealiseerd een voordeel te genieten. Normaliter wordt in een stemlokaal een biljet overhandigd om snel in te vullen. Wat je kleurt en waar, weet je vaak al. Desgewenst heb je op internet in digitale partjes alle namen kunnen bekijken, die in de Staatscourant worden gepubliceerd.
De gelegenheid om het stembiljet thuis te ontvangen, greep ik aan om eens ongestoord kennis te nemen van een prachtig uitgespeld overzicht van twintig partijen.
Het biljet uitvouwend, besefte ik een bijzonder moment te beleven, zeker in het licht van wat in mijn branche van het boek usance is. Lezers kunnen zich op basis van een bezoek aan de boekhandel, laat staan van het lezen van een letterenbijlage, nog niet het begin van een beeld vormen van het geheel. (Bij die kapitaalafbraak kwam afgelopen week de jobstijding dat, vanwege het faillissement van boekendistributeur en -groothandel Libridis, de kans groot is dat meer dan een miljoen boeken uit het magazijn op verzoek van hun eigenaars vernietigd gaan worden: ‘Formeel kan iedere uitgever beslissen over zijn eigen boeken. Maar het is een heel uitzoekwerk om die eruit te vissen. Alles ligt door elkaar. Er is ook helemaal geen personeel meer in Sittard. Dat gaat heel veel kosten. Daarbij heeft een uitgever vaak zelf nog voorraden van die titel of kan hij die tegen een schappelijke prijs laten herdrukken. Het is een puur bedrijfseconomische keuze.’) Terwijl lezers permanent kampen met selectie, hebben kiezers door zo’n biljet het totaalplaatje. Voor de duur van het uitvouwen en bekijken natuurlijk – en in de voorafgaande debatten heeft selectie evenzeer een rol gespeeld: louter lijsttrekkers, en dan niet eens van alle partijen.
Ik heb bijvoorbeeld kunnen vaststellen:

- dat GroenLinks een Amsterdams overwicht had;
- dat er bij de SGP geen Amsterdammer te vinden was;
- dat elitecultuursnijder Zijlstra in Wassenaar woonde;
- en grachtengordelbasher Martin Bosma in Amsterdam;
- dat de lijsttrekker van de Anti-Europa Partij in Moskou woonde (Friesland?);
- dat bij de lijstduwers van de PvdA maar liefst tweemaal een Den Uyl stond;
- dat slechts één van de twintig partijen, die van H. Brinkman, van kandidaten niet de voornaam gaf (zou het restant ook zijn verkocht op Marktplaats?);
- dat twee partijen het geslacht van de kandidaten niet vermeldden (die voornaam zal volstaan);
- dat er in de Noordelijke Nederlanden iemand bestaat die door zijn ouders Pallieter is genoemd.


Voor mij zijn dit onderscheidende kenmerken, maar ik snap dat mijn gevoeligheden hier een rol spelen. Ik heb anders ook weinig grip. Op basis van wat ik voor de verkiezingen zoal las en hoorde van diverse politici, onderscheidden hun registers zich niet van elkaar. Hun taal wemelde van de superlatieven en lijkt, bewust, gericht op problemsolving. Zelfs de soms gebezigde term ‘ideaal’ moest zich aan als realistisch gepresenteerde regels houden.
Op een zonovergoten autoloze zondag als vandaag, in het gezelschap van duizenden fietsers en skaters over de avenues van Brussel, kreeg ik meer dan ooit de behoefte door politici een visionair perspectief geschetst te krijgen.
Natuurlijk is het mij niet ontgaan dat er inmiddels volkomen andere parameters dienst doen, in verband met samen met media mee veranderende presentaties. Maar ook aan zichtbaarheid blijken grenzen. Figuurlijk doordat de tot slogan gereduceerde taal veeleer versluierend uitpakt. En letterlijk omdat de hier onlangs gememoreerde verkiezingsposter van de PSP in de jaren zeventig, op een bizarre manier een mythe geworden, geen vervolg mocht krijgen.
Ik houd me beter bij mijn leest. Op de oranje retourenvelop voor het stembiljet stond het apostrofje in de bestemmeling Burgemeester van ‘s-Gravenhage andersom in vergelijking tot die van de bestemmelingsplaats ’s-Gravenhage. Dat ik dit opmerk is beroepsdeformatie en heeft ongetwijfeld te maken met een eigenschap, die door Louis van Gaal gelukkig al geduid is. Mogelijk hintten de haaks op elkaar staande apostroffen echter – in de beste traditie van Cassandra en haar vakgenoten – op de verkiezingsuitslag. De twee winnaars zijn immers tot elkaar veroordeelde tegenstanders. Afgaand op de dissensustheorieën van Chantal Mouffe kan dit iets opleveren!
Volgens de spellingscontrole is het woord theorie ‘Belgisch Nederlands’, dus misschien zou Mouffes agonistische model ook iets kunnen zijn voor Antwerpen (waar de verkiezingen zijn gereduceerd tot een strijd tussen zittend burgemeester Patrick Janssens en de landelijke afgod Bart De Wever, en waar de krant meewerkt aan een televisieserie die toevallig Deadline 14/10 heet)? Mij zou het wel een voorbeeldfunctioneel en bovenal constructief idee lijken, een duoburgemeesterschap van parttimers die elkaar scherp houden. Maar helaas, mijn invloed is ditmaal zelfs officieel nihil. Met mijn status van inwijkeling ben ik vergeten, denkelijk te nijver hakkend aan Jantje Beton, bij de Dienst Bevolking een stemaanvraag te doen voor de lokale en provinciale verkiezingen – en toch, belastingaanslagen vallen wel automatisch in de bus.

vrijdag 7 september 2012

Kans schroeit lonkende vlinders

Wacht gespje met het iets om het gaas
met de roes broes broes wacht vloer
laat de blaren wacht rooi op de blaren
wacht gilletje gil met de zijg en wacht
gilletje gil met de step step en zijg van
het gilletje gil koele wacht wacht nu gil
wacht zie de gil wacht fijn gilledijn zijn

maandag 3 september 2012

Wadde?

John Berger houdt me recht. ‘Eén moment van zelfbeschouwing toont aan dat een groot deel van onze ervaring niet goed onder woorden te brengen is: het verblijft in afwachting van een beter begrip van het mens-zijn in zijn totaliteit. In bepaalde opzichten zijn we waarschijnlijk begrijpelijker voor hen die na ons komen dan voor onszelf. Daar staat tegenover dat hun betere begrip zal worden uitgedrukt in termen die ons nu niets zeggen.’
De afgelopen dagen heb ik de indruk gekregen dat ik in zo'n toekomst leefde, geconfronteerd met het geheel vanzelfsprekend ingezette begrip standaardtaal. Misschien doordat ik in Nederland zowel boven als onder de grote rivieren gewoond heb en me inmiddels meer dan een decennium in België bevind, is die taal in mij een ratjetoe. De digitale spellingscontroleur heeft het maar makkelijk met ‘Nederlands (standaard)’ of ‘Nederlands (België)’. In mij tiktakken geheugen en dagelijksheid, waardoor ik op kritische momenten eerst navlooi en dan uitstoot. Mede door mijn hoop niet als Hollander het plaatselijke Vlaams te imiteren? Landgenoten die dat doen zijn zelden genietbaar.
Dat neemt niet weg dat ik wanneer iemand in de weg staat roep: ‘uit mijn garla’. Maar wie of wat garla mag wezen, een staatssecretaris, een schroevendraaier? Ook is me verzekerd dat degene die allerminst mijn bartype is, een ‘kloefkapper’ mag heten (in de zin van houwer, geen barbier). Wie kloef echter is, blijft een raadsel. In mij als redacteur rinkelt nog een belletje bij de ‘typische Vlaamse’ volgorde in constructies met twee hulpwerkwoorden. Maar als auteur moest ik er bij de eindredactie van mijn nieuwe boek (ja, ik durf er eentje toe te voegen) op worden gewezen, dat het hulpwerkwoord liever niet achter het voltooid deelwoord komt, da’s zo germanistisch.
We spreken dus over realiteiten, meervoud. Op mijn tongval worden al pastiches uitgesproken door het taalkundig genie: ‘Hei jai daar, ga jai auk mei?!’ Haar dictie is in de vakantie, terwijl ze redelijk gevrijwaard leek van dialect, Vlaamser geworden. Ze zegt aan het eind van een zin ineens ‘zunne’, normaliter een Hollands cliché in de imitatiedrang.
Standaardtaal van boven de rivieren, waarmee ik ben opgegroeid, is veranderd. Op vroege opnames leest de zogeheten arbeidersjongen Lucebert gedichten op een toon die in mijn jeugd al bekakt heette. Jarenlang sprak voor de radio Jan Starink ook zo’n geciseleerd Nederlands. In België, waar de discussie over standaardtaal oplaaide, wijzen beschuldigende vingers naar de commerciële omroep, maar indien in Nederland één zondebok aangewezen zou moeten worden, dan is dat de VARA. Deze toen socialistische publieke omroepvereniging verbreidde hoger Goois. Haar programma Kinderen voor kinderen heeft een ander patois aangericht, nog te horen bij iemand als Paul de Leeuw en bij provincialen die hogerop willen in de Randstad.
Spraakuitzondering door tijdelijkheid is regel. Ik snap de zorgen over de gevolgen. Moge er dan in de spiegel gekeken. Vooralsnog zijn essentialismen over ‘beschaving’, ‘cultuur’, ‘ideologie’ en ‘academici’ die met de publicatie van een studie de aanstichters van zijn geweest, griezelig vertrouwd in het debat. Taalkundige Marc van Oostendorp was bovendien verontwaardigd dat kritieken door literatoren er blijk van gaven het gewraakte boek niet te hebben gelezen. Maar daar gaat het niet om bij uitgeversinclusief opinisme. Hooguit frappeert dat Pol Hoste niet werd gevraagd. Zijn teksten hebben standaard- versus tussentaal gethematiseerd.
Zelf ken ik de studie des aanstoots evenmin (deed lang geleden slechts een acquitstootje). Beroepshalve ben ik meer geïnteresseerd in de praktijk. Vier prominente pleidooien vóór standaardtaal wil ik daarom bekijken op hun monolingualie.
Geert van Istendael maakt die poging bij voorbaat onmogelijk, omdat hij zich schijnbaar integraal van tussentaal bedient. Ik beperk me tot één zinnetje, dat op de opiniepagina in een kader werd herhaald: ‘Seg, gijle daar aan dunief, waar zijde gijle med u gedachte?’ Er lijken hier twee spellingen te wrikken: over ‘seg’ valt te twisten, maar ‘med’ is tussentaliger gemaakt dan nodig. Het persoonlijk voornaamwoord ‘gijle’ (dat voor de consequentie ‘geile’ had kunnen worden) is even overdreven. En waar ‘u’ fout is, betoont ‘gedachte’ zich weer correct standaardtalig, terwijl mijn geringe ervaring met het Vlaams suggereert dat het ‘gedacht’ zou zijn. Ik ontwaar kortom vooral interferentie.
Met, keurig gearceerde, tussentalige zinsneden begint ook Stefan Hertmans zijn verdedigingsrede. Vervolgens gebruikt hij bij ironische uitdrukkingen hoofdletters zoals Humo dat doet, zet de kwalificaties ‘fier’ en ‘tof’ in zoals dat in Olland nooit zou gebeuren, de frase ‘om maar iets te zeggen’ (die boven de rivieren zou afsluiten met ‘noemen’), ‘van thuis uit’ in plaats van ‘van huis uit’, ‘geplogenheden’…
Bij Dimitri Verhulst is het Zuid-Nederlands amper te turven (‘vijgen na Pasen’, ‘per malheur’, ‘humaniora’, ‘jota noch tittel’, ‘malgré’, ‘ik wou alleen hebben geïllustreerd’, ‘staat mij voor geen vijf cent aan’, ‘ha ja?’, ‘tiens’, ‘zotter, ‘de zogeheten volksmens’, ‘compromissoire’). Dat rijmt met zijn literatuuropvatting, die hem belet dat een grachtengordelredacteur uit een tas koffie een kopje koffie brouwt. Indien ik het goed begrijp, moet een jat koffie nu wel verbeterd.
Erwin Mortier ten slotte beheerst dialect én een geschreven taal, die hij geconstrueerd acht. Zij is inderdaad een opgeblonken Nederlands, tussen Bomans en Lampo. Mij boeit dat omdat een facet bloot komt dat geen van de literatoren benoemde: taal als koopwaar en lifestyle.
Zoals Mortier beantwoordt aan een verheven voorstelling van literariteit en per zin te marketen is, zo wekt Emile Roemer bij verkiezingen sympathie (en huiver) door zijn Brabants, waarin goedmoedigheid (en naïviteit) te beluisteren is. En zo ziet de Brusselse dependance van het datingbureau Berkeley International (lidgeld 4000 euro, jaarlijkse bijdrage 2000 euro) onder de wensen van haar niche ‘dezelfde status en financiële onafhankelijkheid, die ook na de uren uitdaagt’. Het standaardtaalwoord ‘uitdaging’ heeft nogal een context gekregen, die er tussentaal van maakt.
Goed blijven opletten dus, zoals het ultieme onderwijsboek Woutertje Pieterse wist: `Overal zal de oplettende waarnemer blijken dat het begrijpen van eenvoudige waarheden tot de zeldzaamheden behoort, en zelfs dat het niet berusten van sommigen hun door vakmensen wordt aangerekend als onpraktische buitensporigheid.’

Naschrift

Nu het aantal bezoekjes aan deze blog plots toeneemt en reacties gewoontegetrouw per mail komen, stel ik vast dat ironie niet het meest praktische voertuig is, en al helemaal niet bij een onderwerp dat zo gevoelig ligt. Misschien is het daarom goed nog even expliciet te zeggen dat ik wegens niet-aflatende veranderingen – en eigen ervaringen – onmogelijk kan geloven in ‘het’ Nederlands, ‘het Vlaams’ of ‘de tussentaal’. Ik trachtte in pleidooien voor zo’n standaard, gehouden door mensen wier toegeschreven stijl het argument is voor hun aanwezigheid op de opiniepagina, te laten zien dat ze ondergraven werden door hun eigen praktijk. Daarmee wou ik voor een keertje dus niet de imperialistische Hollander uithangen (en blunderen bij mijn perceptie van ‘gedachte’ versus ‘gedacht’). Naar mijn overtuiging is de homo sapiens, aangedreven door heterogene prikkels uit amper nog te ontlopen media tot en met de gsm, meer dan ooit een wandelende hybride.
Verder hebben teksten bij het begin van het nieuwe schooljaar mij de indruk gegeven dat zeg maar neoliberaal gedachtegoed zijn tentakels steviger om het spraakgebruik heeft geslagen: mensen die hun carrière een nieuwe wending hebben gegeven, die er hopelijk klaar voor zijn en er vervolgens voor gaan. Het is eenvoudig amerikanismen te onderscheppen, maar het zou spannender zijn te bedenken op welk moment ze niet meer als zodanig / dusdanig herkend worden. Uitdrukkingen als ‘je hebt aangegeven dat’ in plaats van ‘je hebt gezegd dat’ lijken ingeburgerd. Dan behoren ze niet meer tot de vorige toevloed uit een specifiek jargon, van het welzijnswerk.
In de muziek hebben op hun beurt acts als Flip Kowlier of Normaal dialect tot product weten te maken. Tegelijk dunkt me de ene tussentaal, met daaraan gekoppeld een geboortegrond, de andere niet. Limburgs in Nederland en West-Vlaams in België lijken toch wel een aparte status te hebben. Volgens mij hadden Wilders en Leterme nooit zo veel minachting in de media ondervonden, wanneer ze uit randstedelijke en Antwerpse contreien afkomstig waren geweest. En vergis ik me nu of exploiteert de sportjournalistiek regionale clichés? Ik heb het gevoel dat een ‘Kempense/Achterhoekse boerenzoon’ eerder een karakter is dan een mens.
Enfin, afijn.

dinsdag 28 augustus 2012

Dennenvla

Albert Camus wist het: ‘Wie begint te denken wordt meteen ook verteerd.’ Wie ben ik om het daarmee oneens te zijn? Lastige vraag, waar ik even over moet denken. Intussen ketst mijn standby-stand het wereldnieuws in de Lage Landen wel terug. Het wordt al enige tijd beheerst door intimidatie. Voor haar documentaire Femme de la rue had de jonge Sofie Peeters op straat in Brussel een camera meegenomen die registreerde wat haar zoal werd toegewenst door de mannelijke medemens, veelal werkeloos en allochtoon.
Het debat waaide over naar Nederland en een nieuwe impuls aan dit gebed zonder eind gaf onbedoeld het alom populaire weekblad Humo, dat op zijn website fotoseries publiceerde van het sinds vorig jaar eveneens in Nederland bekende Pukkelpop. In plaats van regenachtig en winderig was het er nu bloedheet, wat sommige bezoeksters had gebracht tot aangepaste kledij. Zij stonden vervolgens op de site als bikinibabes, en daar was alweer een opiniestuk dat zich afvroeg of autochtoon België zoveel correcter was. Het stuk vermeldde ook een blogbericht dat veel besurft werd, wat tot een nieuwe poging leidde. En de hoofdredacteur van Humo voelde zich genoopt tot een verantwoording, waaruit bleek dat het woord bikinibabe een alliteratie bevat. De site wiste de foto’s.
O dennenvla o Gore-Tex. In 1971 bracht de toenmalige pacifistische partij onder het motto ‘ontwapenend’ een fameuze verkiezingsposter – die niet op Facebook schijnt te mogen – waarop een blote dame en een koe afgebeeld staan. Dolle Mina maakte daarop, onder het motto ‘onthullend’, een plaatje van een koe en een blote man. Daar zit een verhaal achter dat is verteld na het overlijden van de dienstdoende pin-up. En hoewel het moralisme me niet ontgaat, bespeur ik, in tegenstelling tot de aangrenzende tijdsdiagnose van een gebrek aan humor, ook enige vrolijkheid.
Wat gebeurde er in de tussenliggende decennia? Ik begin me zo langzamerhand geïntimideerd te voelen door wat Stine Jensen in Dag vriend! – onder dankzegging aan de Franse socioloog wiens werk ook in het Engels verkrijgbaar is – muntte met de term ‘intiem kapitaal’. Dan gaat het me amper om de jingle bells van een strippokerende prins, maar het strekt zich evengoed uit over, hoe nobel het doel ook, foto’s van kankerlongen op sigarettenpakjes.
Misschien voel ik me geïntimideerd door het vele van hetzelfde. Canetti kon in 1960 klagen dat hij zich vanuit huis deelnemer wist aan openbare executies, maar dat was nog slechts vanwege de krant. Hoe vaak er na het overlijden van Neil Armstrong niet diens menigvuldig onderzochte woorden bij het betreden van de maan zijn rondgetoeterd! Hoe vaak de foto van het nog lachende gezicht van de van mishandeling beschuldigde kickbokser, zijn tanden nu als edele delen! Ik word er extra landseigen van. Onzin, de paradox zal evengoed elders postvatten, bijvoorbeeld bij het kennisnemen van WikiLeaks, laat staan van het lot van Bradley Manning: tegengesteld aan de suggestie van nabijheid raakt de gemeenschap immers op grotere afstand.
Die sensatie sluit aan bij ander nieuws in de Lage Landen. Het betrof een nieuw boek van psychoanalyticus Paul Verhaeghe. Niet voor het eerst koppelt hij groter wordende verschillen in inkomsten aan extremere gevoelens. Dit ondermijnt volgens hem de gemeenschapszin, die moet worden heruitgevonden. Nu zou neoliberale competitiedrift leiden tot depressies.
Dat er maatschappelijk wat veranderd is, staat als een paal boven water. Tegen de wens van de reclamesticker op onze brievenbus ontvingen wij een folder over de broodshop van de toekomst, te bezoeken ‘wanneer het u past’, omdat het zelfbediening is. Zou daar een happy few te vinden zijn die geen tijd heeft om brood te halen, of juist mensen die meerdere banen moeten vervullen om rond te komen? Tegenover die automaten staat bij ons in de wijk nog een bakker, waar je weliswaar niet met de pinpas kan betalen maar die wel verbonden is aan de school en die lekkers brengt op straatfeesten. Er hangen soms rouwadvertenties van klanten.
Bij Verhaeghes detectie van verticale afstanden ontbreekt volgens mij een belendend facet: de aanwas van horizontale verbanden in netwerken, nu ook zichtbaar. Er zijn vele gemeenschappen ontstaan, die op sites als Facebook in LinkedIn gekwantificeerd zijn in friends en connections. Daar ontmoet het Verhaegheboek wellicht de intimiteitskwestie, want wie of wat laat de beheerder van zo’n account toe om de kring te versterken? Mogelijk hangt zoiets af van een van de tips die Jensen gaf voor sociale netwerken: ‘Voordat u iemand een vriendschapsvoorstel doet, vraagt u zich eerst af: kan ik hem of haar gebruiken? Is hij of zij nuttig voor mijn leven?’ Deze instrumentele visie verklaart en passant waarom ideologie of principe zo impopulair of passé is. Het zijn feitelijk gelegenheidsgemeenschappen, met neoliberale items als ‘nieuwe uitdaging’ en ‘deskundigheidsverzoeken’.
Het zal bovenarcadisch zijn, maar mij dunkt het van een verademende consequentheid dat Verhaeghe niet op die sites valt aan te treffen. Dichter Alexander Skidan suggereerde al dat dit ideale tijden zijn om bruggen te leggen voor poëzie door de eerbiedwaardige traditie van desubjectivering te politiseren. En bijvoorbeeld de Occupy-beweging bewijst dat netwerken ook ingezet worden voor bovenpersoonlijke doelen.
Wel zijn Verhaeghes bezwaren tegen het neoliberalisme onherroepelijk verbreid dankzij het neoliberalisme. De psychoanalyticus heeft door inspanningen van zijn uitgever zijn boek kunnen samenvatten in een opiniestuk, waarna op hetzelfde podium de ene reactie na de andere kwam. Daarnaast was er een interview onder en boven de grote rivieren. Het boek van Verhaeghe wordt zelfs meteen op fondsniveau voor vertaling gepromoot in China. Zijn ruimte is veroverd, op basis van competitie met andere pas verschenen titels. Kennelijk lagen zijn ideeën deze week het best in de markt.
Ook knipoogde afgelopen weekend de cultuurbijlage van De Standaard onder het motto ‘Het najaar uitgekleed’ naar de Humo-Peeters-affaire. Het had 4 bladzijden veil voor acteur Dirk Roofthooft die zijn visie op de vrouw vertolkte. De tekst had op 1 pagina gekund, maar er moesten uiteraard wel wat foto’s bij. De man was half ontkleed. Dolle Mina heeft bewezen dat dit beter kan, denk ik.

dinsdag 21 augustus 2012

Gutbürgerlich (4)

Heinrich Böll bundelde in de jaren zeventig opiniestukken in Einmischung erwünscht. Klinkt die titel nu bespottelijk? Böll vestigde onder meer aandacht op bizarrerieën en consequenties van de voedselmarkt. Met name dat er voor de productie van vlees veel graan nodig is, omdat dieren eerst moeten groeien. De ratio herkennend van een toespraak uit 1974 door Schmidts voorganger Willy Brandt, beroept Böll zich op een tijdschriftartikel met dit voorbeeld: 8 pond graan is nodig voor 1 pond vlees. Dat lijkt een conservatieve schatting. Of ga ik te veel uit van het heden, waar de verhoudingen tot het niet echt rijkelijk beschikbaar blijvende water zijn: een kilo rundvlees op 15.000 liter water? Door omstandigheden ken ik ook cijfers van een ander product: voor 1 kopje koffie (20 centiliter) moet 140 liter water vloeien. Maar ik vrees dat zulke getallen weinig indruk maken, helemaal op een CEO: ‘In het bedrijfsleven kennen we leugens, grote leugens en statistieken.’ En het middenkader?
Vooral schetst Böll een ongebroken historische lijn van ongerijmde in- en export. Tijdens de Ierse hongersnood, midden in de negentiende eeuw, voerde het geplaagde land zoals bekend boter, vlees, graan en gerst uit, niet het minst naar Engeland, eigenaar. Vervolgens zaten de meeste vleeseters in de jaren zeventig nog exclusief in het rijke Westen. Voor de aanbouw van hun genot werden veevoer en kunstmest binnengehaald uit arme landen, liefst tegen afbraakprijzen. Bij wijze van ontwikkelingshulp gaat, smaalt Böll, een miniem deel van de winst retour – ware caritas.
Tegenwoordig is, tussen aanhoudende gevechten om het pre- of postkapitalistische been, de tegenstrijdigheid in de verhoudingen nog overzichtelijker. Er leven bijna 1 miljard mensen in extreme armoede, van wie meer dan twee derde boeren en boerinnen zijn.
Zulke feiten sterken mijn hereditair moralisme, waarmee ik regels van Koen Peeters over een fietstocht langs de Ruhr melancholiek kan vinden, maar jeukend:

Forellen die zwommen om gegeten die worden. Hoe ze die
doden: scheppen, een doek erom en zacht met een houten
knuppel slaan. Zacht maar hard.
Het is niet goed om alles te zien en te weten, te eten.


Allicht stuurt mijn moralisme mijn waarnemingen en relazen. Kwestie van Zuordnungsvoraussetzungen. Dit super-Duits jat ik uit Staande receptie. Daarin constateert Jos Joosten verrassend dat het mythische succes van Nederlandse literatuur in Duitsland ‘consumptievertalingen’ geldt – werk uit de canon is er goeddeels afwezig. Een bij de oosterburen succesvol auteur als Nooteboom had zich ook op het land gestort, terwijl Nederlandse auteurs zich van oudsher meer op de eigen cultuur zouden richten.
Joosten stelt de vraag of die houding provinciaal is. Zo geredeneerd zou, hoewel onderzoek naar de Celan-vertering in de Lage Landen een balans laat zien, België aantrekkelijker zijn wegens kosmopolitisme (uit zelfhaat). Daarnaast mag Staande receptie naar aanleiding van kritieken op Günter Grass’ Im Krebsgang introspectie en debat in de Nederlandse pers missen, het signaleert er wel een Europese gerichtheid. Volgens mij wil kaaskopkunde zelfs de toestand in de hele wereld bestrijken.
Onlangs zag ik in een koelkast een schaaltje afgedekt door een kliekjesbadmuts, een rond stuk plastic waarvan door de omtrek een elastiek loopt. In mijn ouderlijk huis kon zo, als restant van de maaltijd, een gekookte aardappel dagenlang bewaard blijven. Soms aten we die op, nevenschikkend (nooit conform de huidige recycling verwerkt in een ander gerecht), maar vaker vond de kliek, zeker in een volgestouwde koelkast, alsnog de weg naar de vuilnisbak.
De actie-in-tweede-instantie bevestigde het sexy instinct dat bewaren idioot was. Toch cirkelde ergens een besef dat, al was het omdat, hoe basaal routineus ook, geen van de gezinsleden had omgekeken naar de materie onder de kliekjesbadmuts, weggooien niet betaamde. Verder staat mij in deze categorie het gorgelen van de gootsteen bij, wanneer melk werd weggegoten omdat hij over de datum was. Dit gegeven – een van de meer of minder kwestieuze verschillen – is in pasteuriserend én steriliserend België onalledaags. Nu weet ik binnen een straal van dertig kilometer twee automaten aan boerderijen waar die verse waar kan worden getapt. De analoog aan het populaire ‘hoeveijs’ verwachte naam ‘hoevemelk’ zwicht onder ‘rauwe melk’.
Is dit de zoveelste aflevering van Opa vertelt? Je hoeft geen Feuerbach-pagina open te slaan om te beseffen dat eten de sleutel is bij vragen van micro- tot macroniveau. Onlangs was er een documentaire over jonge vrouwen ‘in een zoektocht naar wat hen gelukkig maakt’. Ik vond de ene nog innemender dan de andere maar kon geen toegang krijgen tot wat ze beweerden, zodat ik een relaps kreeg naar mijn tienjarigheid bij het aanschouwen van het nummer ‘Girls’ door Moments and Whatnauts. Twee beelden uit de documentaire deden mij echter opveren. Eerst was er de vrouw die dineerde achter de schermen van haar laptop en smartphone. Daarna was er de vrouw die boven haar bord een hardplastic verpakking opentrok en daaruit een salade kieperde, een potje met kruiden en een flesje met dressing.
Beide activiteiten hebben een rendement dat de kliekjesbadmuts ambieerde. Maar zij zijn existentieel, terwijl ik verkleefd geraakt ben met het potentiële. Een briljante variant daarop leek me te worden gepresenteerd door een ecologisch zelfbedieningsrestaurant, dat klanten liet betalen naar rato van het gewicht dat ze op hun bord schepten. Wel was het brute pech dat bijna niets mij smaakte. Dan wordt de prijs ook voor mij een bezwaar, benevens de vreugdeloze aanblik van voedsel met de aantrekkelijkheid van gegratineerd krantenpapier.
Dan mag men mij Mac noemen. Hopelijk wordt de drie keren per week dat de momenteel geplaagde clarissen vlees op hun brood schijnen te mogen eten, opperkeurslagerkwaliteit geserveerd. Als ons eerste gerecht na de Belgische grens gepasseerd te zijn: tongrolletjes in mousselinesaus, waar wat garnalen doorheen zwommen.
‘Maar daar zit toch helemaal geen vlees in?’
‘Snap je nu hoe fantastisch het was?’

maandag 13 augustus 2012

Gutbürgerlich (3)

Geloof boeken niet. Na Jeroen Kuipers’ Het andere Duitsland. De voormalige DDR, 20 jaar na de val van de Muur had ik me op het ergste voorbereid. Hij vermeldt iemand die een held en pionier was met een fietstocht door het voormalige Oostblokland (toen ontwikkelingshulp nog niet zo ter discussie stond). Paden bleken echter aardig bewegwijzerd, er was redelijk wat accommodatie en, natuurlijk, het eten viel best mee. Zijn dat nuances, te vinden in de bundel van Niemöller, die brede assortimenten verse westerse waar citeert én de klacht Oost-Duitse mosterd niet meer te kunnen vinden en het te moeten stellen met chemische smaak? Ligt de waarheid in het midden? Het wemelde van de koffiezaken, waar tot aan de tuitjes opgepoetste machines je in de verchroming van je portemonnee aanstaarden en een bestelling in het ‘to go’-genre werd beantwoord met een schenking uit een warmhoudkan.
Ook de rondgetoeterde, door statistieken nochtans tegengesproken waarschuwing voor het gevaarlijke alledaagse leven op straat viel in Duitsland lastig te bevestigen. Maar mogelijk zullen medeburgers op hun beurt roepen: geloof statistieken niet. In zijn studie Wat een hufter! die hier al eens ter sprake kwam, legt Bas van Stokkom uit dat bij hoger opgeleiden ‘vervaging van normen’ en bij lager opgeleiden ‘criminaliteit’ een item is. Hij schreef dit voor de inburgering van Twitter dat, zoals reacties op Zomergasten onderstrepen, het verschil tussen die groepen onklaar heeft gemaakt.
Feiten ruimen bij de trending topics van het gemoed snel het veld voor beleving. Zo schijnen ouderen en vrouwen zich het onveiligst te voelen, terwijl jongeren en mannen het vaakst slachtoffer zijn van criminaliteit, en dan niet in slaapsteden waar de grootste angst zou heersen. (Volgens Brinkgreve en Van Stolk hadden wat in de jaren negentig ‘kansarmen’ heette, angst en wantrouwen voor wat zich buitenshuis afspeelde. Men plooide zich terug op het gezin.)
‘Criminaliteit’ blijkt bovenal een metafoor voor ellende en geklungel, zeker in tijden van verkiezingen gretig gebruikt in partijprogramma’s. Buitentekstueel wel toegenomen is nochtans agressie, vooral in de vorm van bedreigingen. Zou tegen dat geweld wegkijken nog immer de remedie zijn? Een bezoek aan Duitsland kan heilzaam wezen. Vriendelijk dat men daar is! Vaker is gesignaleerd dat je nog geen twee seconden op je kaart kunt turen, of je wordt al aangesproken met een waarachtig hulpaanbod.
De werkelijkheid is wellicht ook een kwestie van geluk: in hartje Berlijn vergat ik mijn fiets op slot te zetten, merkte ik na twee uur. Maar geluk is met de domme, weet het spreekwoord. Of dwing je geluk af, volgens meritocratische wetten? (Van huis uit signaleert, dus nog geen twintig jaar geleden, ontwikkelingen in Amerika waar huiver voor sociale daling heerste. Ook al had men betamelijk gestudeerd, deze investering hoefde geen vruchten af te werpen. De dwang tot presteren groeide, maar Brinkgreve en Van Stolk verzekeren dat er in de Lage Landen wel een vangnet is bij werkloosheid en ziekte.)
Terug thuis bood een glimp op de toekomst een jochie dat in de slagerij zijn gratis plakje vlees naar zijn moeder bracht die er uit haar tas een sandwich mee belegde. Is dat milieubewust, slim en hoort zo’n moeder tot hen die Van Stokkom tot hoger opgeleiden rekende? Of wordt juist van de nood een deugd gemaakt? Er zijn steeds meer statistieken te geloven of te verwerpen, in een keten van te financieren fenomenen. De glimp kan refereren aan het gewicht van ‘kinderen van werkende ouders’, aan kosten van de gezondheidszorg en het type verzekering
Hegeliaan Feuerbach schijnt aan de basis te hebben gestaan van de niet te ontlopen these dat man ist was mann isst. En wat men er zoal omheen bedenkt? Zelden zo’n voorbeeld van een postideologische naam getroffen als in de Nederlandse website frietopia. Ik stuitte erop bij een winkel in Vlaamse Friet, verkocht in de gewichtsklassen Schanulleke, Urbanus en Obelix. De laatste figuur stamt inderdaad uit een gebied ten zuiden van de grote rivieren, maar ik denk dat Vlamingen vreemd opkijken wanneer ze voor een grote portie meer dan 4 euro moeten neertellen.
Ik snap dat het product Vlaamse Friet de laatste decennia nogal wat betekent te Nederland, en het een markt- en smaakcorrectie wil zijn op de ‘patat’ die onder een rode lamp vandaan gehaald werd. Die past niet meer bij de huidige lifestyle. ‘Patat’ valt onder hetzelfde gamma als het ‘broodje kroket’ (persoonlijk eet ik bij wijze van homeopathie liever satékroketten uit de muur). Of als de ‘appeltaart’ uit de diepvries, op gezicht gebracht door een spuitfles slagroom.
Wat willen we zien? Door Niemöllers boek loopt bij de geïnterviewden een dubbele constante: een aversie van het naziverleden die zich uit in de benaming van de Muur als Antifaschistische Schutzwall, plus de bewering dat ze al het gruwelijks dat in DDR gebeurde ‘niet hadden geweten’. Zeker in het kluwen van de hereniging moeten gevoelens complex zijn geweest. Tegenover het communisme signaleert Niemöller een soortement ondanks-alles-principe: amper uit te bannen geloof in de idee, waarbij een structureel bedrijfsongeval heeft plaatsgevonden tijdens het ‘overplanten in de werkelijkheid’. De constatering dat theorie en praktijk niet echt parallel liepen gaat een paar fases voorbij de dialectiek. Maar zelfs door de dag waren er gunstige voorwaarden: vakantiekampen vanuit het bedrijf, vast werk voor iedereen en, opmerkelijk, een ecologisch aandoende recycling tot en met vuilverwerking van andere landen.
Vergelijk dat laatste eens met een – voor Twitter te lange en genuanceerde – uitspraak van de West-Duitse bondskanselier Helmut Schmidt uit 1976: ‘Niemand zou zich moeten laten beïnvloeden door de geleerden van de Club van Rome die ons verteld hebben dat we allemaal weer terug moeten naar het eenvoudige bestaan. Daar zijn we niet voor gekomen, en daar werken we ook niet voor. Diogenes kon in zijn ton leven en was daarmee tevreden. Maar hij was een filosoof, en dat zijn wij allen meestal niet.’
Geloof rapporten niet, zei Schmidt feitelijk. Geen wonder dat hij tegenkanting kreeg.

dinsdag 7 augustus 2012

Gutbürgerlich (2)

Helga Aufschrey arriveert na een omweg in haar geboortestad Dülmen. Als gezegd schrijven we 1962, de Muur stond er net, en vaderlief haalt haar van het station. Volgens hem worden de aanhoudende rellen tussen jeugd en politie in Helga’s schier immense studiestad München veroorzaakt door ‘tuig’ en ‘nozems’. Helga weet dat Hermann Simon er iets mee te schaften heeft, een muzikant op wie ze half en half verliefd is.
Ze zwemt met twee jeugdvriendinnen, gaat met hen naar de film, eet in hetzelfde koesterende gezelschap een broodje brat- of bockwurst en loopt, in dit gat te Westfalen, Hermann tegen het lijf. Al liftende naar Sylt is hij gestrand in Dülmen, waar hij een slaapplaats zoekt. Hij is reeds de deur gewezen door Helga’s inwonende grootmoeder.
Boven een banketbakkerij waar een van de vriendinnen werkt, mag ‘het verfijnde heerschap uit München’ verblijven. De drie vrouwen voeren hem slagroomtaart en wijn, terwijl hij piano speelt en, om de bewijzen van de politionele interventies te balsemen, van zijn bovenkleding wordt ontdaan. (Door te eten stijgt de stemming werkelijk, net als in Schultze Gets the Blues , waar de uitheemse muziek des hoofdpersoons Oost-Duitse vrienden pas overtuigt na het eten van jambalaya ‘uit Louisiana’). Voordat het tafereeltje trekken krijgt van een orgie, valt Helga flauw.
Daags erna wordt ze 23, wat in familiekring wordt gevierd. Bij een etentje is het voedsel zo traditioneel dat de à l’improviste de politesse uitgenodigde Hermann diep moet nadenken wanneer hij het voor het laatst, tot genoegen, gegeten heeft. In een domesticatiepoging wordt hij geacht ook hier piano te spelen. Van een van Helga’s vriendinnen krijgt Hermann een seksueel aanzoek.
Het sfeertje komt DDR-achtig over. Dan baseer ik me op de oral history die Joost Niemöller vlak na de hereniging bedreef in Over de Muur. Oostduitse levensverhalen. Een deel van ‘het systeem’ wordt er onder meer aldus uitgeduid, dat eten existeert bij de gratie van een beperkte kring, ofwel het werk ofwel de familie. Memorabel aan het interviewboek, en te verbinden met zeker deze Heimat-aflevering, is eveneens de schaamte van de partijen voor elkaar, drüben.
De feestmaaltijd wordt gedomineerd door een demonstratief alcoholzuchtige grootmoeder. Doordat Helga even vulgair haar familie voor bekrompen uitmaakt, komt het gezelschap niet toe aan de koffie, die geen overlap vertoond zou hebben met het brouwsel uit de vakliteratuur op basis van stro, drop en geblakerde bonen. Ze vlucht naar de bovenverdieping, vastbesloten zich te laten ontmaagden door Hermann. De kamer van Helga, enig kind, is intact gebleven, en de fauna aan knuffels contrasteert met het lingeriesetje dat ze, tot verbazing van Hermann, aangetrokken heeft. De prominente aanwezigheid van de grootmoeder frustreert een intiem samenzijn.
Buiten lijkt een zondvloed gaande. Desalniettemin vlucht Hermann, die met het vrouwenaanbod kop of munt heeft gespeeld, en gaat in op de avances van Helga’s vriendin. Zij was verpleegster, ontmoette een gynaecoloog en maakte met hem een tweeling. Behalve ervaren is ze elf jaar ouder dan Hermann. Na de daad bakt ze varkenslapjes en wordt melancholiek.
De aflevering heet Das Spiel mit der Freiheit. Ze is in mijn herinnering gegrift als twist tussen eigenmachtigheid en noodlot. Voor mij lokaliseert Dülmen claustrobisch falen en willekeur.
Voor de vakantie werd ik eraan herinnerd – lezen is composteren – door Christine Brinkgreve en Bram van Stolks Van huis uit. Een onderzoek naar sociale erfenissen. De groepsverhalen zullen schematisch zijn, maar details dochten me geloofwaardig. Bijvoorbeeld het blinde arbeidsethos bij gereformeerden, met de hypothese dat er significant veel inwoners van het zwartbekousde Putten in het concentratiekamp stierven omdat ze niet wisten wat rusten was. Of het beheersingsideaal bij communisten, waarbij emotie als een luxe gold – een vrouw die ook anti-zielig, anti-angst, anti-zwak, anti-gezellig, anti-onmacht was…
En nu staat, nog voordat de burgemeester van Londen had beweerd dat er op de Olympische Spelen meer gouden, zilveren en bronzen medailles gewonnen gingen worden dan de bailout van Griekenland en Spanje samen, Dülmen op onze palmares! Door dezelfde Romeinse poort waar zowel Helga als Hermann de stad binnenkwam, fietsten wij in de nota bene stromende regen, op zoek naar een bakker. Die was niet snel gevonden, in tegenstelling tot boekhandels. Uiteindelijk vonden we twee bakkerijen naast elkaar.
De ene was een broodjeszaak van het type waar sommige jongeren ontbijten op chocopasta met cola. Gelet op het helse weer kozen we voor de biowinkel ernaast, die einfach genießen propageerde. Bij die leuze schoot me een lucide bewering van Helmut Lotti te binnen: dat zakenlunches onbegrijpelijk zijn, omdat eten iets is waarnaar slechts volle concentratie kan uitgaan.
Het einfach genießen kostte vanzelfsprekend wat, het dubbele ongeveer van wat de buurman aanrekende. Mij lijkt deze realiteit op termijn problematisch. Hoe kan het gezondste voedsel het duurste zijn? Economisch en productietechnisch is dat evident, maar bestaat er niet zoiets als een overheid om zaken recht te trekken? Ik ben geen principiële pragmatist en gehoorzaam evenmin beeldvorming, maar zoals het lastig uit te leggen valt dat op containerparken allerlei afval gratis mag gebracht en voor de aangifte van asbest betaling noodzakelijk is, zo hoort gezond voedsel goedkoop te zijn.
De ironie is nogal apart dat sinds Kim Jong-un aan de macht is, verbreding van het gamma in Noord-Korea bestaat uit friet en hamburgers. Als het nu nog ging om spek en bonen… À propos, gaat die goedbedoelende uitdrukking vervangen worden, nu de wereld zich aan het opwarmen blijft?
Voltooi de verhalen. Ik dacht de biowinkel te slim af te zijn door voor dat grove geld een enorm glinsterend baksel aan te schaffen, maar het bleek een (als ‘politiek correct’ aan te duiden?) fruitpourri die een nacht had geweekt in een bepaald graan met bier en yoghurt. De naam heb ik verdrongen, maar anders dan het taalkundig genie en de gourmande vond ik het heerlijk. En mijn papillen kunnen het weten, na door tabak en allergiebedwingende medicijnen jarenlang sprakeloos te zijn gemaakt.
Bijna transcendent interessant. Wat was het eerste gerecht terug in België?