Nieuwe zinnen, de ondertitel van Mettes’ lange gedicht N30, verwijst naar een concept van Ron Silliman. Het is een onopzienbarende stelling dat zo de traditie opgezocht wordt van Language-dichters. Wel is met hen in het Nederlandse taalgebied iets raars aan de hand: ze bestaan amper. De Contrabas heeft daar een honend kwaliteitsoordeel aan gehaakt, maar aldus zijn de betreffende teksten nog niet gelezen. Evenmin is nagezien wat die dichters sinds zeg beginjarentachtig in de Lage Landen aan kansen hebben gekregen.
In een bijdrage aan een verhitte discussie geeft dichter-vertaler Jan H. Mysjkin onwillekeurig een voorzet op zijn memoires (waarop ik meteen zou intekenen):
‘In 1981 kreeg ik van Jos Knipscheer de vraag of ik wilde meewerken aan een themanummer van Mandala over Language-poëzie. We waren met vier vertalers; ik heb toen bijgedragen met vertalingen van Barrett Watten, onder meer de prachtige 'Ongebeurtenissen'. De samenstelling was in handen van Harry Hoogstraten; de eindredactie werd verzorgd door Peter Nijmeijer. Het nummer is wel aangekondigd, maar nooit verschenen. De laatste jaargang van Mandala bestaat uit de nummers 1, 2 en 4. Het derde over de Language-poëzie is een gat in de rij; het bestaat gewoon niet. Toen ik door had dat het er bij uitgeverij In de Knipscheer niet meer van zou komen, heb ik mijn vertalingen van Barrett Watten aan diverse tijdschriften aangeboden. Raster gruwde ervan, zoals de toenmalige redactie ook gruwde van Jack Spicer of Emmanuel Hocquard. Bij Yang was Van Bastelaere voor, Spinoy tegen. Nog later, toen Tom van de Voorde en Piet Joostens redacteur van Yang werden, heb ik hen laten weten dat er een volledig nummer kant-en-klaar lag. Voor zover ik me herinner, zijn ze er toen achteraan gegaan, maar het manuscript bleek onvindbaar, zowel bij Nijmeijer als bij de Knipscheer. Nog later werd ik door Arnoud van Adrichem gevraagd om mee te werken aan het Language-nummer van Parmentier. Ik stuurde mijn vertalingen van Barret Watten op, maar die dichter bleek al geclaimd door een andere medewerker. Gevolg: die vertalingen liggen nu al achtentwintig jaar in mijn lade – en ergens moet al zo lang ook een doos liggen met vertalingen van Bruce Andrews, Lyn Hejinian, Bob Perelman, Ron Silliman et alii. Had de Nederlandse poëzie er anders uitgezien wanneer dat nummer begin jaren tachtig wel was verschenen?’
De slotvraag is onbeantwoordbaar. Wel valt in de recente poëziegeschiedenis te kijken naar hoe Language-dichters op geconsacreerde momenten werden gepresenteerd. Dan beperkt de blik zich tot één richting: de Maximalen. Ook lijkt er weinig te onderzoeken, want zij hadden het in het geheel niet over Language. Misschien komt alsnog informatie vrij, indien ik er opvattingen van de Maximalen bijhaal.
Veelal bij monde van Joost Zwagerman kantten zij zich tegen het gedicht als taalmachientje. Dit doet vermoeden dat Language-dichters eindjarentachtig niet direct met gejuich ontvangen zouden worden. Toch bevatten die machientjes allerhande, hard gemonteerde, politieke en cultureel platte uitspraken, die ‘de straat’ lieten doorklinken. Het is vaag gebleven in hoeverre de Maximalen een politieke dimensie toestonden, maar in het werk van ‘hun’ Lucebert was die even onmiskenbaar als in dat van de Language-dichters. Bij internationale collega’s uit de twintigste eeuw die maximale goedkeuring konden wegdragen, zat na enige discussie (‘Starik: “Pound niet.” Boskma: “Jawel, Pound ook.” Lava: “En Majakovski hadden we toch ook.”’) iemand als Ezra Pound, die als voorloper van Language-dichters mag gelden. Tevens loofde Zwagerman Robert Ankers Nieuwe veters, een bundel die een trans-Atlantisch perspectief kan velen.
Door de aversie van de Maximalen doemen ook tegenpolen op. Kop van jut was onder meer J. Bernlef, vanwege diens door Zwagerman, verleid door dichotomieën, met afschuw geciteerde ‘hermetische’ poëzie die taal als doel zag om eigen werkelijkheden te scheppen. Bespuwde dingdichters waren te vinden in Raster waar, na gekrakeel vanwege zijn Barbarber-verleden, Bernlef redacteur van geworden was. Fascinerend is dat de neerslag van diens geëvolueerde inzichten, de essaybundel Het ontplofte gedicht uit 1978, de uitgangspositie schetst van de Language-dichters in de Lage Landen.
Een rode draad door Het ontplofte gedicht is de houding tegenover politiek, inzonderheid het marxisme. Bernlef keurt in meerdere stukken partijdige poëzie (delen van Neruda, de Auden-groep uit de jaren dertig, de vroege Enzensberger, impliciet het begin van de Vijftigers) af als propaganda, waarbij taal een middel is. Dat rijmt met zijn Barbarber-afkomst en minder met Raster, dat in 1977 echter net aan zijn tweede periode begonnen was. Maar hij accepteert eveneens de Europese visie van de dichter als individu los van de gemeenschap.
Opmerkelijk genoeg steunend op Rodenko leidt Bernlefs hang naar autonomie tot een derde weg: ‘Eerder het beschrijven van een proces waarin woord en definitie elkaar besnuffelen dan een produkt’. Volgens hem bevat goede twintigste-eeuwse internationale poëzie, die hij in Het ontplofte gedicht wil ontsluiten, altijd zelfkritiek. Daarbij kan het enige geloof dat Bernlef nog accepteert, namelijk in de twijfel en het niet-kiezen, zijn beslag krijgen. Wel treedt er grotere afstand op tot de parataxis van new sentence, waarmee elk verhaal aan stukken geslagen werd zonder willekeur of ‘pure spreektaal’ over te houden: het referentiële uit Amerika (waar poëzie het stadium van window dressing is gepasseerd) tegenover het poëticale van Europa. Zo komen politieke doelen tegenover existentiële.
Interessant in het licht van de Maximalen is ook een stuk over Faverey. In diens poëzie heeft de lezer volgens Bernlef niet langer met werkelijkheid te maken, maar met een humoristisch ‘proces van verstilling’ in een tekst die zichzelf ‘reduceert tot er bijna niet meer van over is’. De maatschappelijke functie van een gedicht beperkt zich dan tot een impliciet protest tegen de cultuurindustrie die alle dingen humaniseert, omdat van zo’n antropomorfisme dingpoëzie uiteraard het tegenovergestelde behelst.
Dit is ook interessant omdat Zwagerman dan een punt had met de naar-binnen-gekeerdheid van zijn antagonisten, waarover Lucebert later zou opmerken dat dit ‘eten van een leeg bord’ was. Ook leek de gecanoniseerde Kouwenaar, waartegen de Maximalen zich kantten, te zijn ontdaan van zijn eerste, marxistisch gedetermineerde stappen in het poëzielandschap. Er is inmiddels gelukkig wat herstelwerk verricht in de poëziebeschouwing, maar destijds was een autonomistische benadering geloof ik nogal populair.
Hebben die dominante opvattingen ook de perceptie van Mettes’ doopceel beïnvloed?
Naschrift
Ik heb wat over het hoofd gezien. Naar aanleiding van Ron Sillimans bloemlezing In the American Tree (1986) en de essaybundel Content's Dream (1986) van Charles Bernstein schreef K. Michel in 1989 een artikel voor het filosofische tijdschrift Krisis, en was er in datzelfde jaar een dagboekachtig stuk van Hans Kloos: 'LECTORI SALUTEM – So We Meet Again' in het literaire tijdschrift de Held (nr.5), toen min of meer het bastion van de Maximalen.
vrijdag 3 februari 2012
maandag 30 januari 2012
vrijdag 27 januari 2012
Jeroen Mettes (2)
Dat hij voornamelijk bekend is van het internet, beïnvloedt het begrip van wat Mettes deed en hoe erop werd gereageerd. Want dát op hem is gereageerd, valt zelfs met tachtig blinddoeken om niet te ontkennen. Vanaf de polyinterpretabele lege posting waarmee Mettes ook uit het virtuele leven stapte, heb ik opmerkingen over hem verzameld.
Empirisch gesteund durf ik te zeggen dat het gememoreerde bezwaar dat De Contrabas het afgelopen halfjaar een-twee-drie-vier keer Mettes’ watchers aanrekende, klopt als een bus: de overledene is toegeëigend. Alleen blijkt het ondoenlijk over hem te spreken zonder toe-eigening. De Contrabas doet er uiteraard aan mee door een beeld van Mettes te hakken. De kritiek dat de lof voor Mettes gelijktijdig noch gelijkwaardig is geweest, klopt eveneens. Naar mijn indruk heeft louter Samuel Vriezen congeniaal met hem verkeerd. Maar valt dat het object aan te rekenen?
Intrigerend is het Contrabas-verwijt dat Mettes wordt opgehemeld om ‘literair-politieke redenen’. Dit volgt het schema waarvan Michel van der Plas ooit een limerick maakte:
Het is makkelijker met zijn zestigen
elkanders roem te bevestigen
dan buiten De Kring
als enkeling
de schijn te bewaren van prestige.
In variaties keert dit manicheïsme terug op het wereldwijde web. Wie bij officiële uitgeverijen en gesubsidieerde tijdschriften publiceert, blijkt eigenbelang na te streven in ondoordringbare netwerken, waarvan leden subsidie aan elkaar uitdelen. Die aanklacht onder het motto ‘Waar rook is, is vuur’ vergt een omgekeerde bewijsvoering: je bent schuldig totdat je het tegendeel hebt aangetoond. Hoe het onderwijl beter kan, blijft ongewis. Kwaliteit subjectief verklaren en alles in gelijke partjes verdelen, druist in tegen elke leeservaring. Ook een fundament op uitleningen corrigeert de markt niet; via een ‘sprintersservice’ bieden bibliotheken toptitels zeer kort na uitgave aan.
De vraag is of bij de wens correcties aan te brengen de wereld niet nog schever raakt, en of perceptie geen werkelijkheid is geworden. Dat stelt Bas Heijne in Moeten wij van elkaar houden, een boek waar ik nog op terugkom omdat het diametraal op Mettes’ inzet staat. Heijne’s zekerheid dat belevingsgewijs de ander altijd dader en dogmaticus is, past op het eerste oog bij het internetgewemel, maar schept herderlijke afstand en onkwetsbaarheid die vloekt met het nut en de complexiteit van het medium. Op zijn blog, gesierd door het Paz-motto ‘De taal van de dichter is die van de gemeenschap, welke die ook moge zijn’, nam Mettes ook geen slachtofferrol aan. Hij leek evenmin allergisch voor dogma’s (geestig dat een ironische dichtregel van hem die een citaat zal zijn, ‘Want pragmatisme en flexibiliteit werken beter dan ideologie en dogma’, een bedrijfsmotto werd).
Mettes vormde een eenmansguerrilla, zonder de overtuiging dat op het internet iedereen wél onafhankelijk en integer is, en dat daar nog liefde voor poëzie heerst. Hij poneerde: ‘De marginalisering van poëzie is geen marginalisering ten opzichte van “het volk”. Integendeel, literatuur is nooit van “het volk” geweest, en het ideaal van een literatuur voor “het volk” is een door en door modern ideaal. Elke moderne schrijver van enig belang is een democratisch schrijver. Tegelijkertijd worstelt hij met een literaire standaard die aristocratisch genoemd kan worden. Dat is het fundamentele probleem van de romantische en post-romantische dichter: zijn ideale publiek, zijn “volk”, ontbreekt, en hij moet het op een of andere manier zelf ter wereld brengen.’ Ik weet niet of dit inzicht vervat is in het vaak vertolkte misprijzen dat door de komst van derden, nadat papieren literaire werelden om economische, opvoedingsculturele en auratische redenen zijn verschrompeld, het web oneigenlijk raakt vanwege bezoedeling door opportunisten zonder know how.
Zoals De Contrabas een paar jaar geleden vooraf al in zijn maag zat met het gesubsidieerde De Reactor, zo spietste het recent de nieuwe nieuwssite Ooteoote (waarmee onze gourmande ‘water water’ bedoelt): de medewerkers komen overwegend uit de officiële wereld. Idealiter bijten alle initiatieven elkaar niet, aangezien er stof te over is. Maar in de praktijk blijken er overlappingen. Nu verneemt via feeds elk kringetje de primeur van hetzelfde nieuws, soms benadrukt in een aparte posting. Zo vestigt zich desinteresse voor het niet-hyperlinkbare, flat literary earth news met een dominantie van doorverspreide persberichten uit vooral eigen boezem, op de nieuwe site door een negenkoppige redactie. Tenzij bedoeld als persiflage op de reproductiemachine, is het verschil met Mettes’ blog griezelig. Alles ontwikkelt zich met de tijd en er zitten goddank uitzonderingen tussen, maar het blijft raar dat Ooteoote geïnitieerd is vanuit Perdu. Deze stichting profileerde zich met aandacht voor het onbelichte toch om de kloof met de wereld te dichten?
Met al zijn radicalisme, dat niet cynisch was, nam Mettes poëzie serieus door haar midden in gemeenschappen te gooien. Zij refereren aan zowel de ideologische als postideologische tijd. Daarbinnen zijn clubs te ontwaren in hun economische doelmatigheid. De old boys networks en vakverenigingen werden in de neoliberale era netwerken en belangengroepen. Hoe hechten ze? Negentiende-eeuwse landschapswerken van John Constable deden me beseffen dat hun schier uitgestorven aard niks te maken heeft met de natuur, meer met oneindigheid in het tijdsbesef dat inmiddels tot de jeugdjaren beperkt blijft, maar vooral met arbeidsvoorwaarden. De schilder moest voor zijn werk zolang het licht was buiten zijn, iets wat nu slechts in vakanties gebeurt en toeristen verenigt. De overige uren brengen westerlingen door achter een scherm.
Daarom was het niet mal dat Mettes vanaf een blog opereerde, zonder poëzie als onvertogen bindend te presenteren. Mij blijft duister, mede omdat ik Facebook niet ken, of het internet (dat in de postideologie doorbrak) met zijn community-evangelie nog iets wezenlijks aan groepsvorming veranderd heeft. In het vrij toegankelijke deel lijken de clashes, zie Mettes, wel harder. Toch heeft dat gebekvecht zijn charme, de parrhêsia eraan dan. Er hoeft niet deftig gedaan te worden over het feit dat er in besloten kring wordt bevoordeeld en genegeerd. Want al proef ik minder een teleologie ervan, natuurlijk heeft De Contrabas gelijk dat er netwerken zijn (het is er zelf eentje). Wel lijken ze toegankelijk voor wie dezelfde taal spreekt. Deze consensus parasiteert op een open gemeenschap.
De grote tenoren zouden dan weer nergens van afweten. Zoals Mettes inmiddels. Nog steekt het kleineren van zijn prestaties de kop op. Volgens mij vergis ik me niet heel erg, indien de zuinige ontvangst van hem als dichter mede voortkomt uit een algemene lof voor zijn essayistische werk. Of zit nog iets zijn poëzie in de weg?
Empirisch gesteund durf ik te zeggen dat het gememoreerde bezwaar dat De Contrabas het afgelopen halfjaar een-twee-drie-vier keer Mettes’ watchers aanrekende, klopt als een bus: de overledene is toegeëigend. Alleen blijkt het ondoenlijk over hem te spreken zonder toe-eigening. De Contrabas doet er uiteraard aan mee door een beeld van Mettes te hakken. De kritiek dat de lof voor Mettes gelijktijdig noch gelijkwaardig is geweest, klopt eveneens. Naar mijn indruk heeft louter Samuel Vriezen congeniaal met hem verkeerd. Maar valt dat het object aan te rekenen?
Intrigerend is het Contrabas-verwijt dat Mettes wordt opgehemeld om ‘literair-politieke redenen’. Dit volgt het schema waarvan Michel van der Plas ooit een limerick maakte:
Het is makkelijker met zijn zestigen
elkanders roem te bevestigen
dan buiten De Kring
als enkeling
de schijn te bewaren van prestige.
In variaties keert dit manicheïsme terug op het wereldwijde web. Wie bij officiële uitgeverijen en gesubsidieerde tijdschriften publiceert, blijkt eigenbelang na te streven in ondoordringbare netwerken, waarvan leden subsidie aan elkaar uitdelen. Die aanklacht onder het motto ‘Waar rook is, is vuur’ vergt een omgekeerde bewijsvoering: je bent schuldig totdat je het tegendeel hebt aangetoond. Hoe het onderwijl beter kan, blijft ongewis. Kwaliteit subjectief verklaren en alles in gelijke partjes verdelen, druist in tegen elke leeservaring. Ook een fundament op uitleningen corrigeert de markt niet; via een ‘sprintersservice’ bieden bibliotheken toptitels zeer kort na uitgave aan.
De vraag is of bij de wens correcties aan te brengen de wereld niet nog schever raakt, en of perceptie geen werkelijkheid is geworden. Dat stelt Bas Heijne in Moeten wij van elkaar houden, een boek waar ik nog op terugkom omdat het diametraal op Mettes’ inzet staat. Heijne’s zekerheid dat belevingsgewijs de ander altijd dader en dogmaticus is, past op het eerste oog bij het internetgewemel, maar schept herderlijke afstand en onkwetsbaarheid die vloekt met het nut en de complexiteit van het medium. Op zijn blog, gesierd door het Paz-motto ‘De taal van de dichter is die van de gemeenschap, welke die ook moge zijn’, nam Mettes ook geen slachtofferrol aan. Hij leek evenmin allergisch voor dogma’s (geestig dat een ironische dichtregel van hem die een citaat zal zijn, ‘Want pragmatisme en flexibiliteit werken beter dan ideologie en dogma’, een bedrijfsmotto werd).
Mettes vormde een eenmansguerrilla, zonder de overtuiging dat op het internet iedereen wél onafhankelijk en integer is, en dat daar nog liefde voor poëzie heerst. Hij poneerde: ‘De marginalisering van poëzie is geen marginalisering ten opzichte van “het volk”. Integendeel, literatuur is nooit van “het volk” geweest, en het ideaal van een literatuur voor “het volk” is een door en door modern ideaal. Elke moderne schrijver van enig belang is een democratisch schrijver. Tegelijkertijd worstelt hij met een literaire standaard die aristocratisch genoemd kan worden. Dat is het fundamentele probleem van de romantische en post-romantische dichter: zijn ideale publiek, zijn “volk”, ontbreekt, en hij moet het op een of andere manier zelf ter wereld brengen.’ Ik weet niet of dit inzicht vervat is in het vaak vertolkte misprijzen dat door de komst van derden, nadat papieren literaire werelden om economische, opvoedingsculturele en auratische redenen zijn verschrompeld, het web oneigenlijk raakt vanwege bezoedeling door opportunisten zonder know how.
Zoals De Contrabas een paar jaar geleden vooraf al in zijn maag zat met het gesubsidieerde De Reactor, zo spietste het recent de nieuwe nieuwssite Ooteoote (waarmee onze gourmande ‘water water’ bedoelt): de medewerkers komen overwegend uit de officiële wereld. Idealiter bijten alle initiatieven elkaar niet, aangezien er stof te over is. Maar in de praktijk blijken er overlappingen. Nu verneemt via feeds elk kringetje de primeur van hetzelfde nieuws, soms benadrukt in een aparte posting. Zo vestigt zich desinteresse voor het niet-hyperlinkbare, flat literary earth news met een dominantie van doorverspreide persberichten uit vooral eigen boezem, op de nieuwe site door een negenkoppige redactie. Tenzij bedoeld als persiflage op de reproductiemachine, is het verschil met Mettes’ blog griezelig. Alles ontwikkelt zich met de tijd en er zitten goddank uitzonderingen tussen, maar het blijft raar dat Ooteoote geïnitieerd is vanuit Perdu. Deze stichting profileerde zich met aandacht voor het onbelichte toch om de kloof met de wereld te dichten?
Met al zijn radicalisme, dat niet cynisch was, nam Mettes poëzie serieus door haar midden in gemeenschappen te gooien. Zij refereren aan zowel de ideologische als postideologische tijd. Daarbinnen zijn clubs te ontwaren in hun economische doelmatigheid. De old boys networks en vakverenigingen werden in de neoliberale era netwerken en belangengroepen. Hoe hechten ze? Negentiende-eeuwse landschapswerken van John Constable deden me beseffen dat hun schier uitgestorven aard niks te maken heeft met de natuur, meer met oneindigheid in het tijdsbesef dat inmiddels tot de jeugdjaren beperkt blijft, maar vooral met arbeidsvoorwaarden. De schilder moest voor zijn werk zolang het licht was buiten zijn, iets wat nu slechts in vakanties gebeurt en toeristen verenigt. De overige uren brengen westerlingen door achter een scherm.
Daarom was het niet mal dat Mettes vanaf een blog opereerde, zonder poëzie als onvertogen bindend te presenteren. Mij blijft duister, mede omdat ik Facebook niet ken, of het internet (dat in de postideologie doorbrak) met zijn community-evangelie nog iets wezenlijks aan groepsvorming veranderd heeft. In het vrij toegankelijke deel lijken de clashes, zie Mettes, wel harder. Toch heeft dat gebekvecht zijn charme, de parrhêsia eraan dan. Er hoeft niet deftig gedaan te worden over het feit dat er in besloten kring wordt bevoordeeld en genegeerd. Want al proef ik minder een teleologie ervan, natuurlijk heeft De Contrabas gelijk dat er netwerken zijn (het is er zelf eentje). Wel lijken ze toegankelijk voor wie dezelfde taal spreekt. Deze consensus parasiteert op een open gemeenschap.
De grote tenoren zouden dan weer nergens van afweten. Zoals Mettes inmiddels. Nog steekt het kleineren van zijn prestaties de kop op. Volgens mij vergis ik me niet heel erg, indien de zuinige ontvangst van hem als dichter mede voortkomt uit een algemene lof voor zijn essayistische werk. Of zit nog iets zijn poëzie in de weg?
vrijdag 20 januari 2012
Jeroen Mettes (1)
Het in 2011 verschenen Nagelaten werk van Jeroen Mettes vind ik buitengewoon. Er schuilt ook rechtvaardiging in, jegens iemand die, zonder foto, hoofdzakelijk vanaf het internet leek te opereren en zelfs samen te vallen met zijn Dichtersalfabet. Het was een fractie van wat hij deed. Toch stemmen de in een foedraal gestoken twee banden droevig. Allereerst voor zijn nabestaanden. Dat dit een boekdebuut is, moet echter elke lezer betreuren. Hier wordt iets begonnen wat om voortzetting schreeuwt en die niet zal krijgen. En het is maar de vraag of anderen het niveau weten te halen dat Mettes door de bank genomen bereikt.
Toch kan iedereen zich laven aan Mettes’ mix van halsstarrige onzekerheid en offensief spel, culminerend in een advies als ‘Moe van de geschiedenis? Harder optreden tegen de feiten!’, maar evengoed in ‘er is niemand die op gedichten zit te wachten, ook niet als het gedichten over actuele of “algemeen menselijke” zaken zijn. De interesse is dan in het onderwerp, niet in de poëzie.’
Terwijl Bas Belleman bekende dat hij opgelucht was door Mettes te zijn overgeslagen in het Dichtersalfabet, zag ik uit naar het moment dat mijn handeltje kans maakte op overtuigende kritiek. Natuurlijk kan een dichterschap verstommen, maar in het besef dat het vermaarde kritisch onderzoek naar vooronderstellingen de grenzen heeft die Narcissus in het water ontmoette én dat veel Nederlandse poëzie wordt gekenmerkt door overbodigheid, is dat een verleidelijk gevaar. Helaas bleef Mettes ook op dat punt in de belofte steken, terwijl hij al gezegd had: ‘Ritme is verzet tegen taal, tijd en ruimte, en de basis van autonomie. Ritme begint met een antiritmische cesuur, een stok in de wielen van de alledaagse dreun.’
Nu zou vanuit Mettes’ antagonist De Contrabas geroepen kunnen worden dat ik mij aan hem wil optrekken. Hoewel mij beelden bijstaan van LPF-ers in wier handelen plots ‘de geest van Pim’ vaardig was, ontgaat me in dit geval hoe die stijging beslag moet krijgen. Ik zou ook stom zijn om Mettes voor mijn karretje te spannen; zeker essayistisch ben ik in vergelijking een krabbelaar. Mogelijk ben ik niet de enige onder degenen die vanaf de eeuwwisseling boeken over poëzie lieten verschijnen. Meest verwant qua inzet oogt J.H. de Roder, die eveneens iets principieels meent te hebben ontdekt. Hij komt geregeld ter sprake bij Mettes, en het verbaast amper dat dit zelden positief is.
Niet alleen met internationalisering (‘Near Loosdrecht// If this was Ireland/ I would watch more carefully’) wapenen de met ontoepasbare criteria bestookte neerlandistiek en literatuurwetenschap zich voor de toekomst. Ze willen dat ook doen met schaalvergroting door interuniversitaire fusies. Handig lijkt voor die ongewone studentenpopulaties docenten te laten opdraven die risico durven nemen. Een toehoorder mag voelen dat ze denken uit de actualiteit en niet quasi-onbevooroordeeld hun politieke standpunten wegmoffelen. Meer schorseneren dan asperges, zeg maar. En technisch zouden ze de meest ingewikkelde theorie moeten combineren met een detail van de meest onbenullige auteur. Dan schieten me niet veel kandidaten te binnen, naast Mettes.
Hoe zeldzaam zijn beschouwingen zijn geworden, blijkt uit wat ze weten te bewerkstelligen. Ik snap dat literaire media verjournalistiekt zijn, zodat ‘de poëziekritiek’ eveneens te stellen heeft met verscherpte eisen aan omvang en instapniveau. Maar zoals Mettes dichtte: ‘Zelfs populisten weten niet meer wat ze bedoelen met “het volk”.’ Men hoeft het verleden niet te idealiseren bij de vaststelling dat er toen alleen al kwantitatief meer te doen was. Evenmin is een heel erg grote glazen bol nodig om ook dit genre te zien uitmonden in consumententips voor het lifestylekatern. Het klinkt arrogant, maar ik begrijp nu beter waarom poëziecritici nog slechts mijn interesse wekken met het geciteerde: ze wensen de blik op een dichter niet te veranderen.
Volwassen kritiek die Mettes via de trial and error van zijn blog nastreefde, vergt een instrumentarium van ideologie- en tekstanalyse. Vervolgens kun je niet de struisvogel blijven spelen met tegenwerpingen als ‘Daar ben ik het gewoon niet mee eens’. Wie zijn kop uit het zand haalt, moet argumenteren op basis van wereldvisie en tekstuele details. Het gegeven antwoord bewijst overigens Mettes’ gelijk dat ideologie en vorm geen gescheiden grootheden betreffen, waardoor ‘over smaak niet te twisten’ zou zijn.
Was het saillant dat op de verschijningsdag van Nagelaten werk het kwaliteitsochtendblad een groot stuk had over de mens Mettes en de wijze waarop hij zelfmoord had gepleegd, met getuigenissen van familie en vrienden, en met foto’s? De vele recensies die de uitgave mocht krijgen, statutair beschouwingen over beschouwingen, waren dan wel hartverwarmend en in het beste geval integer, maar trokken ze ook consequenties?
Afgezien van een internetfeuilleton was het langste stuk over het Nagelaten werk van Piet Gerbrandy, op De Reactor. Na een vergelijking à bijna 100 woorden met vroege popdoden als Kurt (eerst gepost als Curt) Cobain rept hij van de Mettes-blog als de place to be voor anders lezen. Toch handhaaft Gerbrandy zijn gebruik van het illustrerend betoog. Hem ontgaat het waarom Mettes niet het Dichtersalfabet vooraf had gefilterd op mindere goden, een bevattelijk bezwaar vanuit de ambivalente tolerantie van de consensus. Ook de ongewoon gulle ruimte van de site benut Gerbrandy niet want ontleedt amper.
Ik vrees dat dit stuk De Reactor tekent. En da’s precair genoeg om er andermaal over uit te weiden. De site wil de leemte vullen die door de mediatisering van literatuur ontstond (na een kritische analyse, op het internet, van Van Reybroucks bestseller Congo kreeg Joris Note meer publiciteit in een paar dagen, tot koppen in de NRC aan toe, dan zijn hele oeuvre in decennia). In de spanning tussen een wonderlijk groot zelfvertrouwen en samenwerkingsijver voor de neutraliteit die door de ondertitel ‘platform’ wordt onderstreept, blijkt De Reactor een wat problematische constructie.
Waar Mettes met het Dichtersalfabet bloot wou zijn en beginnen, noemde een van de vroegste recensies op het platform auteurs bij de voornaam. Hoewel er soms fijne stukken op staan, komen ze van luttele besprekers die ook elders te genieten zijn. Een zeldzame recensie met pit maakt de rest slechts meer routineus, lauwer, zodat de site, ondanks soms verrassende keuzes, nog het sterkst doet denken aan Ons Erfdeel.
Zou er iets bestaan wat nog minder in de geest van Mettes is?
Toch kan iedereen zich laven aan Mettes’ mix van halsstarrige onzekerheid en offensief spel, culminerend in een advies als ‘Moe van de geschiedenis? Harder optreden tegen de feiten!’, maar evengoed in ‘er is niemand die op gedichten zit te wachten, ook niet als het gedichten over actuele of “algemeen menselijke” zaken zijn. De interesse is dan in het onderwerp, niet in de poëzie.’
Terwijl Bas Belleman bekende dat hij opgelucht was door Mettes te zijn overgeslagen in het Dichtersalfabet, zag ik uit naar het moment dat mijn handeltje kans maakte op overtuigende kritiek. Natuurlijk kan een dichterschap verstommen, maar in het besef dat het vermaarde kritisch onderzoek naar vooronderstellingen de grenzen heeft die Narcissus in het water ontmoette én dat veel Nederlandse poëzie wordt gekenmerkt door overbodigheid, is dat een verleidelijk gevaar. Helaas bleef Mettes ook op dat punt in de belofte steken, terwijl hij al gezegd had: ‘Ritme is verzet tegen taal, tijd en ruimte, en de basis van autonomie. Ritme begint met een antiritmische cesuur, een stok in de wielen van de alledaagse dreun.’
Nu zou vanuit Mettes’ antagonist De Contrabas geroepen kunnen worden dat ik mij aan hem wil optrekken. Hoewel mij beelden bijstaan van LPF-ers in wier handelen plots ‘de geest van Pim’ vaardig was, ontgaat me in dit geval hoe die stijging beslag moet krijgen. Ik zou ook stom zijn om Mettes voor mijn karretje te spannen; zeker essayistisch ben ik in vergelijking een krabbelaar. Mogelijk ben ik niet de enige onder degenen die vanaf de eeuwwisseling boeken over poëzie lieten verschijnen. Meest verwant qua inzet oogt J.H. de Roder, die eveneens iets principieels meent te hebben ontdekt. Hij komt geregeld ter sprake bij Mettes, en het verbaast amper dat dit zelden positief is.
Niet alleen met internationalisering (‘Near Loosdrecht// If this was Ireland/ I would watch more carefully’) wapenen de met ontoepasbare criteria bestookte neerlandistiek en literatuurwetenschap zich voor de toekomst. Ze willen dat ook doen met schaalvergroting door interuniversitaire fusies. Handig lijkt voor die ongewone studentenpopulaties docenten te laten opdraven die risico durven nemen. Een toehoorder mag voelen dat ze denken uit de actualiteit en niet quasi-onbevooroordeeld hun politieke standpunten wegmoffelen. Meer schorseneren dan asperges, zeg maar. En technisch zouden ze de meest ingewikkelde theorie moeten combineren met een detail van de meest onbenullige auteur. Dan schieten me niet veel kandidaten te binnen, naast Mettes.
Hoe zeldzaam zijn beschouwingen zijn geworden, blijkt uit wat ze weten te bewerkstelligen. Ik snap dat literaire media verjournalistiekt zijn, zodat ‘de poëziekritiek’ eveneens te stellen heeft met verscherpte eisen aan omvang en instapniveau. Maar zoals Mettes dichtte: ‘Zelfs populisten weten niet meer wat ze bedoelen met “het volk”.’ Men hoeft het verleden niet te idealiseren bij de vaststelling dat er toen alleen al kwantitatief meer te doen was. Evenmin is een heel erg grote glazen bol nodig om ook dit genre te zien uitmonden in consumententips voor het lifestylekatern. Het klinkt arrogant, maar ik begrijp nu beter waarom poëziecritici nog slechts mijn interesse wekken met het geciteerde: ze wensen de blik op een dichter niet te veranderen.
Volwassen kritiek die Mettes via de trial and error van zijn blog nastreefde, vergt een instrumentarium van ideologie- en tekstanalyse. Vervolgens kun je niet de struisvogel blijven spelen met tegenwerpingen als ‘Daar ben ik het gewoon niet mee eens’. Wie zijn kop uit het zand haalt, moet argumenteren op basis van wereldvisie en tekstuele details. Het gegeven antwoord bewijst overigens Mettes’ gelijk dat ideologie en vorm geen gescheiden grootheden betreffen, waardoor ‘over smaak niet te twisten’ zou zijn.
Was het saillant dat op de verschijningsdag van Nagelaten werk het kwaliteitsochtendblad een groot stuk had over de mens Mettes en de wijze waarop hij zelfmoord had gepleegd, met getuigenissen van familie en vrienden, en met foto’s? De vele recensies die de uitgave mocht krijgen, statutair beschouwingen over beschouwingen, waren dan wel hartverwarmend en in het beste geval integer, maar trokken ze ook consequenties?
Afgezien van een internetfeuilleton was het langste stuk over het Nagelaten werk van Piet Gerbrandy, op De Reactor. Na een vergelijking à bijna 100 woorden met vroege popdoden als Kurt (eerst gepost als Curt) Cobain rept hij van de Mettes-blog als de place to be voor anders lezen. Toch handhaaft Gerbrandy zijn gebruik van het illustrerend betoog. Hem ontgaat het waarom Mettes niet het Dichtersalfabet vooraf had gefilterd op mindere goden, een bevattelijk bezwaar vanuit de ambivalente tolerantie van de consensus. Ook de ongewoon gulle ruimte van de site benut Gerbrandy niet want ontleedt amper.
Ik vrees dat dit stuk De Reactor tekent. En da’s precair genoeg om er andermaal over uit te weiden. De site wil de leemte vullen die door de mediatisering van literatuur ontstond (na een kritische analyse, op het internet, van Van Reybroucks bestseller Congo kreeg Joris Note meer publiciteit in een paar dagen, tot koppen in de NRC aan toe, dan zijn hele oeuvre in decennia). In de spanning tussen een wonderlijk groot zelfvertrouwen en samenwerkingsijver voor de neutraliteit die door de ondertitel ‘platform’ wordt onderstreept, blijkt De Reactor een wat problematische constructie.
Waar Mettes met het Dichtersalfabet bloot wou zijn en beginnen, noemde een van de vroegste recensies op het platform auteurs bij de voornaam. Hoewel er soms fijne stukken op staan, komen ze van luttele besprekers die ook elders te genieten zijn. Een zeldzame recensie met pit maakt de rest slechts meer routineus, lauwer, zodat de site, ondanks soms verrassende keuzes, nog het sterkst doet denken aan Ons Erfdeel.
Zou er iets bestaan wat nog minder in de geest van Mettes is?
zondag 15 januari 2012
Register
Bij de storm in een glas water tussen Paleis Huis ten Bosch en Wilderabië, omdat koningin Beatrix door het dragen van een hoofddoek in moskeeën te Oman een ‘trieste wanvertoning’ zou hebben gegeven en de onderdrukking van vrouwen gelegitimeerd, is dan wel vastgesteld dat die PVV-kritiek door Hare Majesteit met niet veel woorden werd gepareerd, minder nog dan de zuinig formulerende premier die nochtans op Twitter-ervaring kan bogen, maar werd bij mijn weten niet de subtiliteit onderkend aan haar woordkeus.Mij enerveert het dat de aanwezige journalisten en internetgeleerden er kennelijk niet uit zijn geraakt of koningin Beatrix ‘echt onzin’ of ‘echte onzin’ heeft geroepen, maar beide opties zijn nogal briljant, de ene net iets meer dan de andere.
De term ‘onzin’ is een boemerang van de door Wilders gesignaleerde ‘multiculti-onzin’ in een van majesteits kerstredes. Wat hij retour krijgt, is het immer absolute oordeel. In zijn ideologie refereert het aan helderheid, geen vage linkse praatjes. Dat gebrek aan nuance wenst het debat op te poken zoals dat in hun taal onder ‘de mensen’ leeft, belemmerd in zijn vrijheid van meningsuiting als Wilders zich zogezegd namens velen voelt.
Aan het zelfstandig naamwoord ‘onzin’ valt verder op dat het zich in de loop der jaren is gaan gedragen als bijvoeglijk naamwoord. Het is gewoon geworden om bijvoorbeeld iets niet een ‘onzinnig verhaal’ te noemen, maar een ‘onzinverhaal’. (Zoekend naar woorden met een soortgelijke ontwikkeling, kom ik niet verder dan ‘paranoia’: ‘de meneer is paranoia’ in plaats van ‘de meneer is paranoïde’).
Vervolgens bestaat ‘echt’ in de door de koningin gehanteerde betekenis nog niet zo lang. Naar mijn gevoel lijkt die op het Duitse blasse, zoals in ‘keine blasse Ahnung’, maar in Nederland heeft het iets puberalers. Geïntroduceerd door een generatie die zoveel televisie kijkt en surft, dat een baudrillardiaanse inborst onontkoombaar lijkt, zonder van ‘simulacra’ te hoeven spreken?
Voor een deel maakte ik die mediale expansie zelf mee, en kon met meneer De Uil uit De Fabeltjeskrant spondeïsch spreken van ‘echt waar’. Een meer dan vijfentwintig jaar jonger neefje van mij heeft daarentegen veel meer technologie in het hoofd gekregen en ik hoor hem trocheïsch ‘echt niet’ zeggen – een wereld van verschil.
Om die reden zou ‘echt onzin’ de meest adequate reactie zijn op oer-Twitteraar Wilders, maar ‘echte onzin’ blijft ook heel geestig. En eventjes ter indicatie van de hedendaagse reikwijdte: in haar postume bundel De Beker van Djamsjied (2011) spelt Christine D’haen het meervoud van de banden die we op middelhoogte om onze kleren dragen als ‘ceintures’.
Naschrift
Dat Bart De Wever dit weekend op de N-VA-nieuwjaarsreceptie zijn partijgenoten adviseerde ‘Ga ervoor’, was evenmin voor de poes: alle hardwerkende Vlaamse middenstanders die niet meer tegen België kunnen, vertrekken naar Amerika.
vrijdag 13 januari 2012
Een soort van auctoriële interventie
Wat kan het toch een geluk geven een boek te lezen, ook – maar misschien is dat makkelijk praten nu in het zachte januari de ochtendvogeltjes fluiten – indien de stof ervan asgrauw is. Zoals in Herzzeit, de correspondentie tussen Ingeborg Bachmann en Paul Celan. Eigenlijk moet ik weinig hebben van liefdestoestanden, en helemaal niet van die van derden, maar wat een slimme en ontvankelijke mensen!
Ik ben ook gelukkig met het boek, omdat het naar mijn indruk menig laaglandse uitgever de hielen laat zien. Herzzeit bevat behalve brieven de bijlagen ervan, en voor de documentaire context correspondentie met de toenmalige wederzijdse partners Max Frisch en Gisèle Celan-Lestrange. In alle opzichten zijn er meer talen (het onweerstaanbare Frans van Bachmann!). Voorts registers, een uitgebreid interpreterend essay, een bulkende bibliografie, een heerlijke lijst met annotaties en weinig foto’s. Zo’n uitgave dus, waarvan vast zou staan dat er, tenzij omgewerkt tot een roman, geen publiek voor bestaat omdat de meeste lezers dom zijn.
Naar gewoonte las ik er een boek naast, ditmaal Frits Bolkesteins De intellectuele verleiding. Gevaarlijke ideeën in de politiek waarrond tekstinterne, referentiële en sentimentele kritiek hangt. Vanwege de brievenbundel frappeerde mij een bizar contrast. Terwijl Bachmann en Celan een taalballet dansen van toenadering en afstoting, euforie en paranoia, verongelijktheid en overredelijkheid en nog veel meer, regeert bij Bolkestein immer de overzichtelijkheid. Zijn ‘vlijmscherpe pen’ waarvan de achterflaptekst rept, heeft de wereld verdeeld in goed en kwaad. Ook de geschiedenis ontvouwt zich in schematische paragrafen met prikkelend uitgesneden citaten. Met name Rousseau is een kwaaie pier. Nog eeuwen na zijn dood blijkt hij verantwoordelijk voor zo’n beetje elke denkbare misdaad; Bolkestein deinst terug voor elk geloof in fundamentele goedheid.
De intellectuele verleiding verwijst naar irrationaliteit zonder levenservaring, vooral als die met het spreekwoordelijke vuur van de bekeerling wordt gepropageerd. Zelf had Bolkestein de rechte lijn meteen te pakken. Zijn boek opent met een herinnering waarin hij als student een congres te Praag corrigerend interpelleert. Louter rationaliteit erkent hij als bron van consequent handelen voor individuen die volledig zelfstandig beslissen, zonder excuses van verleden ‘(Freud)’ of omstandigheden ‘(Marx)’.
Indien vervolgens de markt het werk doet, ontstaat er welvaart die Bolkestein, naast vrijheid, de grootste verdienste van het kapitalisme vindt. Daarbij moeten voor de concurrentiepositie de lonen laag worden gehouden, behalve die van het hoger kader want zonder fatsoenlijke prikkels krijgen bedrijven louter middelmaat. Zo verrijst een ordelijke wereldsamenleving die realiteitshalve steeds bedacht moet zijn op gevaarlijke elementen, waarvan Bolkestein uit de naoorlogse geschiedenis noemt: hoogopgeleide jongeren uit de tegencultuur (‘een soort van vijfde colonne’) en andersglobalisten zoals die protesteerden in Göteborg en Genua. ‘Het lijkt wel of elke generatie dezelfde leercurve moet doorlopen.’
Is het al grappig te weten dat Octavio Paz evengoed Marx afwees omdat ‘begeerte’ niet in diens woordenboek voorkwam en door deze omissie het fenomeen mens verminkt zou zijn, De intellectuele verleiding biedt structureel een hilarische tegenstrijdigheid. Als rechtgeaard liberaal bepleit Bolkestein minimale bemoeienis van de overheid, maar de verteller van zijn boek laat de lezer nooit met rust. Bij citaten en voorvallen valt te vernemen of ze positief of negatief voor het betoog zijn bedoeld. Aan het begin en het einde van hoofdstukken wordt in puntsgewijze samenvattingen en conclusies de lezer gedirigeerd wat hij moet vinden, wat hem te wachten staat en waarom.
Overdrijf ik? Hier een representatief citaat over een beroemd boek van Nikolaj Tsjernysjevski dat ik zelf nooit heb gelezen: Wat te doen? beweert een roman te zijn, maar is in werkelijkheid een politiek traktaat. Als roman is het een mislukking. Het onwaarschijnlijke verhaal is snel verteld. Vera wil ontsnappen aan haar verstikkende milieu. Ze trouwt met de student Lopoesjov en ze betrekken samen een huis maar met gescheiden slaapkamers (geen seks dus). Dan wordt Vera verliefd op de student Kirsanov. Om die jonge liefde ruimte te verschaffen ensceneert Lopoesjov zijn eigen zelfmoord. In werkelijkheid vertrekt hij naar Canada. Aan het einde van het boek keert hij terug naar Rusland als Charles Beaumont. Hij trouwt met een van Vera’s vriendinnen en het viertal leeft nog lang en gelukkig.
Met zijn 550 kloeke bladzijden is het boek veel te dik. Het is kunstmatig en dogmatisch. De auteur spreekt de lezer soms rechtstreeks toe in een soort van auctoriële interventie. Vera, de hoofdpersoon, heeft vier dromen, wat de schrijver in staat stelt alles kwijt te kunnen wat hij zeggen wil. Kortom, het is een vervelend boek en valt niemand aan te raden, behalve dan een student die is gehard in de politieke wetenschap. Wat maakt dit boek dan zo belangrijk? Het antwoord ligt in de filosofie. Het is deels waarlijk progressief.
Indien ik dit per regel ga becommentariëren, zou het me een schuldgevoel bezorgen (wat, getuige Bolkesteins exercities tegen ontwikkelingshulp, ‘een egocentrische emotie’ is). Wat hij doet is geen stileren, maar smijten. Het is ook geen denken, maar duwen. Overigens begint het gesodemieter al op de titelpagina’s: rechts staat Uitgeverij Bert Bakker, en links, bij de mantra over de Forest Stewardschip Council, Uitgeverij Prometheus.
Het effect van Bolkesteins eenstemmigheid is zelf irrationeel. Hoe denkt zo’n tekst, bedoeld voor ‘de kritische liberaal’, te overtuigen?! Zelfs voor partijgenoten zou dit te vooringenomen kunnen zijn.
Ik zou Bolkestein de lectuur van Herzzeit aanbevelen. Dat boek heeft mij meteen geholpen bij mijn afkeer voor redundantie. Laatst bekroop die sensatie me weer bij een tentoonstelling zonder lijn en met verbindende teksten die de boodschap leken uit te dragen: ‘Dit hebben we op Google over het onderwerp gevonden, wie wil kan er wat uit kiezen om een tentoonstelling te maken’. De uitgave van Ingeborg Bachmann en Paul Celan leert dat enige overtolligheid een stimulans kan zijn voor de caleidoscopie.
Wel geeft Frits Bolkestein hekelenderwijs een saillant detail. De uomo universale blijkt een betrekkelijk recent verschijnsel: ’s morgens jaagt hij, ’s middags leidt hij een staking en ’s avonds spreekt hij een teach-in toe (blz. 196). Nog innovatiever is deze observatie: ‘Rijkdom is nu evenwichtiger verdeeld dan gedurende enige andere periode in de geschiedenis.’ (blz. 215)
zaterdag 7 januari 2012
Eureka?
Hoewel congressen sowieso deelnemers er discreet toe uitnodigen zich gewichtig te wanen, ontplooide de Hollander in mij zich er weer eens als een zwetser. Achteraf rijst er behalve schaamte ook de zekerheid niet A maar B te hebben moeten zeggen. Wel hoeft B alleen nog even te worden verzonnen.
Ik rakelde het bizarre feit op dat kleine kinderen sneller en vanzelfsprekender gaan lezen als ze wonen in een huis waar boeken staan (nu Marx zijn comeback beleeft, kan zoiets er wel fijn bij). Deze opmerking, die neerkomt op imitatie van de ouders, had niets om het lijf, en kennelijk noopte dat besef nog immer dezelfde Hollander ineens tot een conclusie, alsof die alsnog nut brengt: laat woningen vooral worden voorzien van zo’n specifieke decoratie.
Inmiddels realiseer ik me dat hét moderne gebruiksvoorwerp de gsm is. Kan dat dan niet op soortgelijke wijze worden ingezet voor leesbevordering? Wat nu wanneer die kekke hoesjes eromheen, liefst openklapbaar, eruitzien als boeken, een soort livres de poche met titels naar keuze? Denk eens in hoe vaak lieden aan tafel of op de drempel of op de bank even op hun gsm kijken of er nieuwe post of telefoon is geweest: telkens zouden kindjes dan vermoeden dat er wordt gelezen en dat dit de normaalste zaak van de wereld is.
Zelf ben ik officieel een volwassene, maar als poëziejunk staan mij van optredens van Peter Holvoet-Hanssen scènes bij waarin hij een vlam uit een bundel liet schieten. Fantastisch! Hij had in een exemplaar simpelweg een gat uitgesneden voor een aansteker. Maar in zo’n gat kan evengoed een gsm worden gedaan.
Ook het straatbeeld zou compleet veranderen. Ik heb tenminste wel gedacht dat die fameuze 99% refereert aan westerse gsm-gebruikers buiten hun woning. Kindjes zouden menen dat je zelfs lopend moet lezen. Peripatetisch, zegt vervolgens een gekke oom. Brevierend, zegt dan een gelovige tante. Sterker nog, tegen boeken praat je, want een boek is je beste vriend – met wie je heel af en toe ruzie hebt.
Valt daar geen leescampagne mee te beginnen, eventueel in samenwerking met designacademiestudenten van wie het winnende ontwerp wordt uitgebaat bij pakweg de HEMA?
Het enige is dat ouderen onschuldige kleintjes aanzetten tot imitatie van simulatie, maar zoals Elio di Rupo met een knipoog naar The Blue Diamonds blijkt te beweren: ‘On peut chanter Ramona’.
Ik zou zeggen, mijn idee is bijna gratis te koop.
Ik rakelde het bizarre feit op dat kleine kinderen sneller en vanzelfsprekender gaan lezen als ze wonen in een huis waar boeken staan (nu Marx zijn comeback beleeft, kan zoiets er wel fijn bij). Deze opmerking, die neerkomt op imitatie van de ouders, had niets om het lijf, en kennelijk noopte dat besef nog immer dezelfde Hollander ineens tot een conclusie, alsof die alsnog nut brengt: laat woningen vooral worden voorzien van zo’n specifieke decoratie.
Inmiddels realiseer ik me dat hét moderne gebruiksvoorwerp de gsm is. Kan dat dan niet op soortgelijke wijze worden ingezet voor leesbevordering? Wat nu wanneer die kekke hoesjes eromheen, liefst openklapbaar, eruitzien als boeken, een soort livres de poche met titels naar keuze? Denk eens in hoe vaak lieden aan tafel of op de drempel of op de bank even op hun gsm kijken of er nieuwe post of telefoon is geweest: telkens zouden kindjes dan vermoeden dat er wordt gelezen en dat dit de normaalste zaak van de wereld is.
Zelf ben ik officieel een volwassene, maar als poëziejunk staan mij van optredens van Peter Holvoet-Hanssen scènes bij waarin hij een vlam uit een bundel liet schieten. Fantastisch! Hij had in een exemplaar simpelweg een gat uitgesneden voor een aansteker. Maar in zo’n gat kan evengoed een gsm worden gedaan.
Ook het straatbeeld zou compleet veranderen. Ik heb tenminste wel gedacht dat die fameuze 99% refereert aan westerse gsm-gebruikers buiten hun woning. Kindjes zouden menen dat je zelfs lopend moet lezen. Peripatetisch, zegt vervolgens een gekke oom. Brevierend, zegt dan een gelovige tante. Sterker nog, tegen boeken praat je, want een boek is je beste vriend – met wie je heel af en toe ruzie hebt.
Valt daar geen leescampagne mee te beginnen, eventueel in samenwerking met designacademiestudenten van wie het winnende ontwerp wordt uitgebaat bij pakweg de HEMA?
Het enige is dat ouderen onschuldige kleintjes aanzetten tot imitatie van simulatie, maar zoals Elio di Rupo met een knipoog naar The Blue Diamonds blijkt te beweren: ‘On peut chanter Ramona’.
Ik zou zeggen, mijn idee is bijna gratis te koop.
woensdag 4 januari 2012
Voornemen
Het jaar 2012 zal ongetwijfeld weer de perfecties aaneenrijgen.Blijkbaar heb ik in een blogstukje vorig jaar mensen boos gemaakt, zoniet gekwetst, met wat kritische kanttekeningen bij de media-aandacht voor het overlijden van kinderboekenauteur en toneelrecensent Roel Verniers. Ik ben nog te weinig puber dat zoiets me niet zou spijten, en nog niet oud genoeg om te moralistische PH-waarden in mij uit te sluizen. Mede door nagekomen informaties kan er over een heroverweging meer licht vallen, gedwongen als ik ben tegen mezelf in te denken of, zoals dat in de Haagse atletiek heet, over de eigen schaduw heen te springen.
Mijn aandacht destijds richtte zich op een paginalange reportage, rijk geïllustreerd, in de weekendglossy bij De Morgen (voor Nederlanders: zoiets als de Volkskrant, ooit van socialistische huize en daarna om postideologische overtuigingen zwervende).
Joost Vandecasteele was het stuk, getuige een column, eveneens opgevallen, zij het nogal anders: ‘het is echt niet oké om een artikel met foto’s van een doodzieke, uitgemergelde Roel Verniers direct te laten volgen door zo’n titel [‘Ik heb alles verloren’, MK] met een grote foto van een kerngezonde Jean-Marie Dedecker. Zeker als hij nog eens begint dat hij maar geen kilo’s kwijtraakt’. Mooi dat Vandecasteele het voor de betreurde opneemt, maar wordt piëteit niet verward met betrekkingswaan? Is een van zijn sokkel gevallen politicus als Dedecker geen evident onderwerp voor een weekendbijlage – in Nederland zal er grof geld geboden worden aan Rita Verdonk om Haar Verhaal? Is het niet frappanter dat Vandecasteele een doodsreportage zo gewoon vindt dat hij geen woord aan de publicatieratio vuilmaakt?
Voor de goede orde: ik ben er volgens mij vrij zeker van geen wezen te zijn dat rond de dood een metershoge omwalling opgetrokken wenst, al dan niet met metafysische denkbeelden.
Met name foto’s van Verniers’ intens verdrietige vrouw staan nog op mijn netvlies gebrand. Uit compassie natuurlijk, maar deels ook uit onbegrip. Mij is het namelijk duister waar een fotograaf het lef vandaan haalt zulke prenten te schieten en waarom naasten hem dat werk laten doen en publicatie toestaan. Vanzelfsprekend is het niet erg dat die foto’s mij bijblijven. Wel vraag ik me nog steeds af waarom zulke intimiteiten mij moeten bereiken (een populair argument als ‘Wanneer je het niet bevalt, kijk je maar de andere kant op’ dunkt me luguber). Vandecasteele had tevoren laten doorschemeren zichzelf niet tot de directe vriendenkring van de betreurde te rekenen, doch hem als collega-columnist te zien. In hoeverre behoort hij dan tot de peergroup?
Verder memoreerde Bruno Vanden Broecke onlangs zijn laatste samenzijn met zijn vriend Verniers ‘op de dag dat hij zou sterven’. Dat de acteur vervolgens een detail daarvan tussen hen in de openbaarheid brengt, moet hij zelf weten. Essentieel voor het georganiseerde meningsverschil dat deze posting tracht bloot te leggen, lijkt me echter dat Vanden Broecke ook iets zogezegd algemeen openbaars niet alleen vermeldt maar tevens hooglijk in Verniers bewondert: ‘Die dag heeft hij nog een interview aan De Morgen gegeven, waarvoor hij columnist was. Op pure wilskracht heeft hij dat gedaan, zijn lijf was helemaal op’.
Kantte ik me destijds vooral tegen derden, inmiddels schuiven mijn vragen naar Verniers. Waarom wil iemand de paar momenten die hem voor zijn dood resten een interview geven? Moet ik media interpreteren als biechtvader? Indien dat zo is, dan had het artikel nooit hoeven te worden gepubliceerd in het landelijk dagblad dat De Morgen is – misschien hadden de nabestaanden het iets gevonden voor zijn Facebook-pagina.
Nog een kanttekening: zouden er buiten de peergroup niet meer jonge Vlaamse vaders zijn die door zulke onrechtvaardige en vreselijke ziektes worden bezocht? Zouden zij op afroep ook plaats- en fotoruimte krijgen? Of is het relaas van Verniers meer bijzonder geweest? En zo ja, welke criteria zou een weekendglossy daarvoor hebben?
Met de laatste zin haal ik welbewust een neoliberaal element binnen. Eigenlijk zou het moeten worden gecompleteerd met rendement. Zijn er op de reportage reacties gekomen in termen van verrijking (zoals met Tonio, een ander voorbeeld uit mijn oorspronkelijke posting, vele tragisch getroffen lezers gediend blijken te zijn)? En bovenal, het begin van een nieuw jaar, met dat merkwaardige Belgische relict van de nieuwjaarsbrief waar de sprekertjes zich tegen de ouders je kapoen noemen, de eerste keer nu zonder hem: heeft de reportage aan de vrouw en de kinderen van Verniers troost geboden?
Ik ben mede tot deze terugblik gekomen door Etre et avoir. In deze documentaire worden iets meer dan tien leerlingen en een onderwijzer van een eenlokalig dorpsschooltje in de Puy-de-Dôme een jaar lang gevolgd. Dat levert soms vertrouwelijke beelden op, maar zelden wist ik me er als kijker te veel bij. In een interview sprak regisseur Nicolas Philibert dat hij bij het filmen de wens van de kinderen vooropgesteld had. Redelijkerwijs zouden ze in aanwezigheid van de meester en de filmers nooit zeggen dat ze iets niet wilden, meende hij, dus had hij op de blik en de lichaamstaal van de kleintjes gelet. Indien daaruit geen ongerief viel af te leiden, filmde Philibert door, en anders stopte hij.
Welgeteld één scène woekerde toch in mij voort, thuis bij boerenzoon Julien die zijn huiswerk maakt in de keuken. Het gaat om een wiskundesom waarmee hij in de knoei raakt, niet het minst omdat steeds meer familieleden zich ermee bemoeien, in termen als ‘Allez Julien, drie keer zes klappen, hoeveel klappen zijn dat?’ Nicolas Philibert meldde achteraf dat hij de som opgegeven had om het proces te kunnen zien afwikkelen – en dat toen de camera’s begonnen te draaien de familieleden een voor een de ruimte binnendropen.
Overigens betoont uitgerekend de spreker van de klappenzin zich het meest ontroerd, om niet te zeggen gegrepen door het succes dat de film boekte in Cannes.
Bij ontstentenis van een ethisch recept, in elk geval bij mijzelf, wil ik ten slotte, niet voor het eerst en hopelijk evenmin voor het laatst, het taalkundig genie napraten. Dit was de meest memorabele strofe uit haar nieuwjaarsbrief: ‘Ik wens voor u / heel weinig zorgen / en verse koffie / iedere morgen.’
zaterdag 31 december 2011
F.C.
Een megasupermaxfeitje in de Nederlandse literatuur afgelopen jaar: Geerten Gossaerts Experimenten vierde zijn eeuwfeest. De bundel bleek een geval van overvoltooiing: de twintig gedichten van het origineel werden er ultima manus zestig. Ondertussen raakten Gossaerts diverse niet-literaire interesses gebald onder zijn burgerlijkestandsnaam F.C. Gerretson. Hij leidde een publiek leven, van hoogleraar over CHU-kamerlid tot Telegraaf-medewerker. In gemeenschapskunst, voor ‘het grauw’, zag hij niets.
Gossaerts dichterschap heeft volgens mij alleen nog prominente steun van Hafid Bouazza die geen hinder ondervindt van ‘bezielde retoriek’ en een ritme dat niet uit spitzen maar paardenhoeven opklinkt. Terwijl autochtonen bekennen mondjesmaat poëzie te proeven (‘soms een gedicht, boek wegleggen’), adviseert Bouazza slempen, zodat het gedicht zich kan nestelen in de bloedbaan. Dit past bij de stamina van Gossaerts volkomen gekunstelde lyriek.
Helena in Ægypte
... Toen stond hij stil
En zag rondom zich, luisterde en snoof...
Maar geen vervolging tierde achter ons.
Rondom ons sloot de eenzaamheid. Alleen
Een rauwe bergbeek, buldrend in ’t ravijn,
Bekende nors de sombre heerschappij
Der stilte, ontzachwekkend als de dood.
En toen, in vreemde heete razernij,
Smeet met een plotsen ruk hij ruglings mij
Neêr in de ruigte en, over mij gebukt,
Zag ’k éenen oogwenk ’t bloeddoorlopen oog
En rooden, siddrende vertrokken mond
Eer hij mij met zijn uitgespreide hand
’t Gelaat bedekte en mijn weêrstrevend hoofd
Naar achtren over drukte in ’t vaarnen bed
En met het bot geweld van breede knie
Den opstand en het onbewust verweer
Geprangder dijen en gekromder kniên,
Mijn teêre borsten morzlende, bedwong...
Toen, plotsling willoos, roerloos uitgestrekt
En stil het raadloos wentelen des romps,
Doorvoer mij van de zolen tot den scheel
Eén lange smartelijke siddering
En ’k proefde ’t speeksel, schuimende op mijn mond,
Wrang, als het sap van de ònrijpe vrucht
Des wìlden wijngaards.
Geenszins ab ovo, zoals volgens de mythe Helena zelf, toont de [niet op deze blog zichtbaar te krijgen] halve witregel in het begin dat zij getuigt tegenover onzichtbare derden (rechters, oppergoden?). Dit spreken wordt versterkt door het herhaalde ‘Toen’. Na de eerste keer zegt Helena pas ‘ik’, als een diepe zucht voor ze weer iets voor het voetlicht brengt. De adem van de verontwaardiging reguleert de parenthetische stijl.
‘Helena in Ægypte’ doet verslag van een verkrachting. Geschreven rond 1905 zou Gossaert zich er, mede getuige de vijfvoetige jambe, nog niet ontworsteld hebben aan de Tachtigers. Wel geldt hij in de literatuurgeschiedenis als hun antipode. Experimenten was een poëticaal eindstation – dat dit gedicht pas mocht meedoen in de derde druk van 1919, zou verhulling wezen.
Helena, de veelbezongen aanleiding van de Trojaanse oorlog omdat ze geschaakt was door de appel voor een euro inruilende überconsument Paris, sprak Gossaert kennelijk aan. In het Vlaamse tijdschrift De Boomgaard stond een ‘Fragment’ waarin zij vanuit hetzelfde Egypte aan het verlangen is naar huis. Ook figureert Helena in ‘Euphorion’, dat haar een protestantse pers geeft:
Niet ijdel is het oudherkomstig woord
‘Dat meest ontvalt dien het meest bezit’
En beter is het niet tè schoon te zijn
En niet tè machtig en vooral – vooral
Niet tè gelukkig; want geluk is nauw
Der goden deel, doch menschen voegt het niet.
Dit lange gedicht had een sonnettendebuut moeten openen maar landde in de trechter van Experimenten. Daaraan ontsnapte Gossaerts bedoelde afsluiter, zijn vroegste (XXe Eeuw) publicatie ‘Palonidie’, officieel een gedicht dat uitlatingen herroept. Deze voert Helena vol lof op: ‘Ik dank u – meerder dan ik ooit kon prachen/ Hebt gij geschónken – wereld-liefde en -lust’. Gossaert-poëzie is toneelmatig, met veel apostrofs ook. Ze lijken breekijzers om buiten de fictie te raken. ‘Palonidie’ noemt dwaas degene die ‘zijn zinnen het meest op ’t spel der menschen zet’.
De godin draait mee in ongewenste omstandigheden. Ageert of gedoogt ze? Ambivalent in ‘Helena in Ægypte’ oogt de focalisatie. Het gedicht was ook te vroeg voor Gossaerts gestaltepoëzie met personages als scherm waarachter blootgeven doenlijk is. Maar toch, indien je de begin- en slotregel voor het metrum elkaar last, sluit de vijfvoetige jambe niet helemaal.
Vanuit de losse pols zullen er antidemocratische ideeën in te bespeuren zijn, die de maker hebben gepromoveerd tot meester in the gentle art of making enemies. Dan doemt echter Gerretson, met zijn Groot-Nederlandse opvattingen. In de jaren zestig kregen ze een steuntje van de Boerenpartij, die haar electoraat vond in steden. De opvattingen zouden nu populair moeten zijn, hoewel Dubravka Ugrešić vermoedelijk een punt heeft dat fervente verdedigers van eigen geschiedenis en cultuur niet veel afweten van hun stokpaard. Ze hebben de wereld ook niet bereisd, zegt ze, maar bekritiseren vanuit de draaicirkel van één plek alles daarbuiten. (Gossaert ontvluchtte het ouderlijk huis naar Mexico en als assistent van Colijn bestreek hij de hele aardbol.)
Het bekritiseren heeft wel een traditie geschapen. Stilaan is het kerstbetoog van de koningin onaf zonder een nijdige tweet van Wilders. Om dat te begrijpen helpt het essay ‘De koppige openbaarheid der opinie’ van Dirk Lauwaert, gebundeld in zijn boek Onrust. Hij vertrekt vanuit de historische kant van de mening die het geboorterecht van het vrije individu tekent. Men kon er zichzelf in plaats van een opgelegde waarheid mee verantwoorden, en voorarbeid verrichten voor een daad die suggesties gaf. Nu is de opinie, vooraf aan een dialoog, een fait acccompli. Ze serveert eigendunk en bedreigt de publieke sfeer die informatie vermarkt.
Ontspruit de kritiek op het niet-eigene nog uit ‘de arbeidersklasse’ of uit ‘de hardwerkende middenklasse’? Voor de overtuiging genegeerd te worden bestaat sowieso een gelijkluidende uitweg: opzouten! Toevallig ontdekte ik een verzamelelpee uit 1970, getiteld ’t Oproer kraait. Daarop zingt Jenny Arean, met koor, ‘Zo gaat-ie goed!’. Het lied huldigt volk dat niet meer met zich laat sollen na ‘de verlossing van de regentenknoet’. Wederom voer voor het cliché dat linkse thema’s zijn verschoven: regenten heten heden intellectuelen, multiculturalisten et cet. De oorspronkelijke titel van het lied was ‘Ça ira!’, uit 1789, toen de Bastille bestormd werd. Multiculturalisme op z’n Hollands is volgens Bouazza een lachertje omdat het cultuur zou begrenzen tot gastronomische en sartoriale gebruiken, ‘de karikatuur van interesse’, ‘de chimaera van de tolerantie’. Er is volgens hem geen spreekwoordelijke melting pot, waarbij de som groter is dan de delen.
Maar Gossaerts poëzie onttrekt zich aan elk geheel.
vrijdag 30 december 2011
Sluiertaal is erger dan een boerka (Henk en Ingrid)
In het woord ‘literatuur’ past de doelgroep ‘elite’ op een haartje na, maar in ‘lectuur’? Een old fashioned ‘cleuter’?Zegt Martha Nussbaum: ‘Mensen houden van solidariteit binnen een peergroup omdat die een soort surrograatonkwetsbaarheid biedt, en het is dan ook niet verrassend dat wanneer mensen anderen stigmatiseren en vervolgen, ze dat in veel gevallen doen terwijl ze deel uitmaken van een op onderlinge solidariteit gebaseerde groep.’
Voorts moeten toegeven dat mijn reactie op Bye bye koeienvlaai, de actuele afscheidsgroet van het taalkundig genie, niet equivalent bleek (Tabee kipsaté).
De gourmande wil ineens melk en thee, brood en cracotte. Dan begint het rispen, ontwaart ze de emmer, werpt zich naar haar moeders andere schouder en spuugt de keukenvloer vol.
Wist Goede Tijden Slechte Tijden al: ‘Het ideaal komt langzaam dichterbij / Maar spat uiteen zodra je het wilt vangen / De nieuwe kansen maken je weer blij / Nooit komt er ooit een eind aan dat verlangen’.
Het nieuws verbaast niet dat er in Rusland een ministerie voor Noodsituaties is.
vrijdag 23 december 2011
Keerzijden
Hoopvolle ontwikkelingen? De veelbesproken promotie door Time van de activist tot persoon van het jaar zie ik vooral in contrast met de toekenning uit 2006 aan You. Die kreeg toen een compliment voor het grijpen van de teugels der mondiale media en voor het mede vormgeven van een digitale democratie waar niet de instituties maar individuen zouden spreken. Dank ging uit naar alle gratis burgerjournalistiek waarmee professionals op eigen terrein zouden zijn verslagen. Ik heb me nooit kunnen ontdoen van het gevoel dat die gelauwerde websurfer evengoed behersenprikkeld kon wezen. Mij, en ongetwijfeld anderen, stemt het vrolijker dat de schijnwerper zich nu richt op een diffuse massa die iets veranderen wil.Tegelijk is toetsing aan de praktijk aangewezen. Toen ik gisteren als rijbewijsloze meneer de trein naar het vaderland moest hebben, was dat zinloos door een algemene staking. Die bleek op haar beurt vergeefs: de gewraakte pensioenhervorming werd binnen de dag aangenomen. Raar allemaal. Waar ik er op basis van ervaringen als EU-grensarbeider van uitga in de toekomst nergens ‘recht’ op te hebben, is bij het harde middel van de staking, dat ook de vorm had kunnen hebben van gratis reizen, de noodzaak van de conflictstof hopelijk gevoeld. Mogen stakers geen belastingbetalende, het bordje van het pensioen in de lucht houdende allochtonen het land uit hebben gewenst.
Helemaal mooi zou het zijn indien babyboomers, die werkelijk elke denkbare wind in de rug hebben gehad, enige afstand zouden willen nemen van hun ‘verworven rechten’. Mocht dit onnozel klinken, het is conform hun eis in de jaren zestig die terug in de actualiteit geraakt is. Dick Pels wijst in Het volk bestaat niet op het breed heersende gevoel van democratisch tekort, dat destijds heerste en zijn comeback maakte vanwege de de-ideologisering in paarse regeringen. Als de uitkomst niet zo triest was, zou het ironisch zijn dat de machtsomstoters van weleer ressorteren onder populistische bewegingen van heden (Henk te Velde suggereert in Van regentenmentaliteit tot populisme zelfs fijntjes dat Mulisch de voorloper is van Pim Fortuyn).
Vandaag bereikte mij een nieuwjaarswens per mail, ‘Beste persrelatie…’: zou dat letterlijk bedoeld zijn?
Door het vervagen van links-rechts-tegenstellingen, stelt Dick Pels, kon Fortuyn een nieuw antagonisme lanceren: buitenstaanders versus gevestigden. De invulling van die termen is zeer uiteenlopend geweest, maar zo bezien ontmoeten tegenpolen elkaar zonder verpinken. De Occupy-beweging acht zich toch even niet-vertegenwoordigd als de Teaparty? De vraag kan dan ook zijn of de zelfgeproclameerde 99% op enige manier te vergelijken valt met de 70% die in Nederland geen hogere opleiding had. Dat laatste refereert aan de ‘diplomademocratie’, waarbij volgens mij twee dingen relativering behoeven. Het huidige niveau van opleidingen problematiseert het ooit zo kwaliteitsgegarandeerde etiket ‘academisch’ en bij reële macht doorkruisen – niet aan kennis gebonden – netwerken alles en iedereen.
Pels heeft gelijk: populisme kan geen intermezzo heten en verdient geen neerbuigendheid zonder zelfonderzoek. Er zijn immers ontwikkelingen en op grond daarvan dienen zich nieuwe feiten aan, zoals in de voetballerij er ook een BRIC (Barcelona, Real, Inter, Chelsea) is gekomen. Zelfs indien de voorspelling uitkomt dat in 2012, volgens Wilders zelf het ‘jaar van de waarheid’, de PVV sneeft, dan zijn de kiemen van het populisme allang gezaaid in vele, zoniet alle partijen. Maar om dat hard te maken zouden partijprograms van de laatste veertig jaar synchroon en diachroon moeten worden bestudeerd. Ook vrees ik dat ‘links’, misschien nog zwaarder dan onder het moedeloos vaak gesignaleerde gemis van een richtinggevend Verhaal, gebukt gaat onder de angst populistisch te zijn.
Dit zou voor protestbewegingen betekenen dat ze er verstandig aan doen kennis te nemen van de meest platte kritieken. Zoals de Occupy-beweging al een verfrissende reality check heeft doorgemaakt, zo is het toch onthutsend om zich de reikwijdte voor te stellen van reacties als van een VVD’er die vond dat uitkeringstrekkers uit de kampen gepikt moesten worden, van Gingrich die het beter achtte dat de demonstranten zich eerst eens wasten, van jongeren die de beweging onsympathiek weinig concreet achtten terwijl er consumentenmacht valt te halen…
Is dat willekeurig over andere burgerprotesten uit smeren onversneden cynisme?
Ik weet niet of zulke uitingen kunnen worden ‘ingekapseld’. Maar het is al heel wat om niet in dezelfde val van de karikatuur te trappen. Een van de meest belangrijke teksten die ik in 2011 denk te hebben gelezen, is een interview met Leopold Lippens, burgemeester van Knokke en broer van de gewezen Fortis-topman. Uit zijn vermakelijke tirades tegen prinzipienreiters die hij bijvoorbeeld moeiteloos in ecologische groepen ontwaart, vallen argumenten te halen. Ze helpen bij het scherper krijgen van zijn wereldbeeld. Correctie, al zou hij de aanduiding zelf wellicht ontkennen: van zijn ideologie.
(Dat ook bij de verheffing van de activist ‘ideologie’ not done is, lijkt een vak apart. Maar de smetvrees blijft intrigeren. Recent waarschuwde zelfs een juryrapport tegen ‘dichterlijke ideologie’, alsof men bloot en los van het steeltje in het leven staat.)
Alles helpt tegen het idee van objectiviteit. Dat lijkt de kern van de murwe consensus, tegen de legitimiteit en feitelijke waarde van verzet, die zich na paarse regeringen allerhande van het denken én van media meester heeft gemaakt. Zelf luister ik nota bene barmhartig naar ons taalkundig genie, die nu spreekt over ‘Jeezuus’, meer nog dan over de Kitty die we altijd weer moeten begroeten, schijnbaar zonder ooit afscheid te nemen. Op elk moment van de dag kan subjectiviteit geraakt worden.
Dit lijkt me alvast vruchtbaarder dan zich met de ontelbaren mee verkneukelen over het wonder van verdrietuitbarstingen voor het oog van de camera bij het onderdrukte volk in Noord-Korea na de dood van dictator Kim Jong-il. Ik zie ook weinig verschil tussen deze collectieve hypnose en het etalagegedrag van publicisten die op de smetteloze Twitter nieuwsjes in hun branche reproduceren en elk gepost schrijfseltje bij hun followers aanbevelen. En mochten er eens een paar woorden meer bij zijn, over andere stukken bijvoorbeeld, dan blijkt de missie ‘lees’ hilarisch dubbelzinnig: ‘doe jij het maar, want mij ontbreekt het aan autonomie’.
Nu nog iets waars maar niet diepzinnigs en toch lekker van de bek.
woensdag 14 december 2011
Cruijff zegt dat het ’m in de details zit
Met grote ogen rondwandelend in Het is zo vandaag als altijd, een bundeling columns van Marjoleine de Vos, valt me op dat geregeld zinnen beginnen met de persoonsvorm, zonder onderwerp. Het weggelatene is steevast ‘ik’. Plots waan ik me in andere tijden. Mij is geleerd om brieven, kaarten en dies meer (blogposts?) nooit met ‘ik’ beginnen. Mijn moeder was zo streng in die leer dat ze zelfs in de slotzin nog formuleerde: ‘’k Wens je…’Bestaat dat nog, een wereld van voorgeschreven verschil? Toen bevatten agenda’s een kopje Titulatuur en mij staat de ambivalente gewaarwording nog levendig bij dat mijn vader door een promotie op zijn werk van ‘weledelgestrenge’ was veranderd in ‘hoogedelgestrenge’. Nu heb ik niet voor niets een tijdje over poëzie geschreven onder de titel s.s.t.t., maar ik ontkom er niet aan gegrepen te zijn door De Vos’ ellips.
Weer eens wat anders dan de schaamte na de ontdekking zowel in de voorpublicatie voor een (gesubsidieerd!) tijdschrift als in de definitieve versie van een (gesubsidieerd!) boek een fameus Nijhoff-citaat te hebben verminkt. ‘Op deze plaats heeft een gedicht gestaan/ ’t Beviel me niet’, liet ik verbreiden. Maar het moest ‘Op deze plek…’ wezen.
Ik was zo arrogant geweest uit mijn hoofd te citeren. Uit luiheid te snel? Regulier zelfbedrog? Het is wel leuk om de door mijn fout ontstane opties te wegen. Die gelegenheid van de tekst grijp ik gewoontegetrouw gretig aan omdat ik niet geloof dat daarbuiten, door vergelijkend warenonderzoek van de vrije markt, betere resultaten te verkrijgen zijn; concurrentie kan evengoed opportunisme verlokken en in het slechtste geval vernietigingsdrang.
Natuurlijk is ‘plek’ de betere variant. Het woord heeft een andere connotatie gekregen, uit de relatiesfeer, maar een eerste oorblik leert al dat er een schonkig binnenrijm mee vermeden wordt. Bovendien ondersteunt de harde eind-‘k’ het gedicht thematisch door het resoluter te maken dan de wat behaagzieke ‘s’ zou doen die ik Nijhoff had toebedacht. Ook is ‘plek’ een synoniem voor het gedicht zelf, een veeg op papier, veeleer iets materieels dan spiritueels (waarvoor ‘plaats’ gepaster zou zijn, een ruimte om zich geborgen te weten).
Een andere, aan de ontluistering grenzende schaamte is dat ik nu zich bij de slachtoffers in Luik tevens een peuter heeft gevoegd, die gruwelen persoonlijker opvat. Dat is ook vreemd, omdat ongeveer het laatste van mijn levenshouding eruit bestaat zich het centrum van de wereld te wanen. Het gegeven zal appelleren aan een diepe angst die het ouderschap, naast hectoliters gelukzaligheid, met zich meebrengt. Me meer dan ooit voor anderen inspannend, ben ik egoïstischer dan in het kinderloze tijdperk.
Over angst gesproken, ik vrees dat het profiel van de Luikse moordenaar aanvullend bewijs geeft voor wat mijn vorige posting citeerde als ‘de privatisering van het normbesef’. Ze stoelt op een dubbele karakterontwikkeling die Bas van Stokkom heeft geduid in zijn studie Wat een hufter! Ergernis, lichtgeraaktheid en maatschappelijke verruwing: het gevoel gedwarsboomd te worden én grotere agressiviteit als de diensten uitblijven waar men recht op meent hebben. In dat eisenpakket van tolerantie voor zichzelf en repressie van de ander schuilt een griezelig ‘micromoralisme’. Maar zou het ook iets zeggen dat we er met onze studieuze en/of kunstzinnige hoofden van uitgaan daar logischerwijs zelf aan te ontsnappen?
Nietzsche: ‘Aan onze sterkste aandrift, de tiran in ons, onderwerpt zich niet alleen onze rede, maar ook ons geweten.’
Veel plezier beleefde ik dan weer aan Superleuk, maar voortaan zonder mij van David Foster Wallace, een mooie vertaling door Iannis Goerlandt. Al vrij snel besefte ik dat hij woonachtig is in België en aan de slag had gemoeten voor een Noord-Nederlandse uitgeverij. Klinkt best onwezenlijk, maar zelf heb ik na mijn emigratie op mijn bureau een papiertje gelegd met een zin als ‘Ik ben begonnen te lopen’ (het papiertje is kwijt). Zo moest ik weten dat het boven de Moerdijk niet was ‘Ik ben beginnen lopen’. Dat had zo zijn nut, omdat dit – ondanks wrevels van purisme en imperialisme – de standaard in boekenland was, tot zeker in het begin van deze eeuw.
Ik lees nog te zelden proza om te kunnen inschatten wat de trend is. Een tijd terug vielen me vele belgicismen op in de vertaling van William Marx’ Het afscheid van de literatuur. In het Wallace-boekje lijkt de verhouding fifty-fifty, waardoor de vraag rijst of er een redactiebeleid was, alsmede een bewustzijn van subtiele betekenisverschillen. Bijvoorbeeld in:
‘… een van de boeken die ondergetekende ertoe hebben aangezet zelf te gaan schrijven (of het toch te proberen)’
Hier denk ik vrij zeker te kunnen zijn dat de Noord-Nederlandse corrector geen onraad heeft geroken bij het woordje ‘toch’, terwijl het voor hem ‘ondanks alles’ betekent en dit een nogal vreemde zin oplevert. Gebruikt is dan ook de Zuidervariant van ‘toch’, waarmee bedoeld wordt ‘op zijn minst’.
Geen idee of het landsbelang hiermee is gediend, laat staan dat van Europa. Wel had ik een tijd terug bij, wederom, Marjoleine de Vos gelezen over de vanzelfsprekendheid waarmee zij een onbeheerd, nog brandend of knipperend fietslampje van een onbekende uitdoet – om de batterij te sparen. En inderdaad, ’s morgens in alle vroegte op het station zie ik in de stalling geregeld fietsen waarvan het achterlicht aan is. Maar net zo vaak moet ik me haasten om de trein te halen of vind ik het knopje van dienst niet.
Afgelopen week, op een avond, is het me gelukt. Heet dat nu ‘burgerzin’? Heel even voelde me op mijn plaats (plek?).
vrijdag 9 december 2011
Ja meneer de burgemeester (4)
Grappig dat Jan Pollet onlangs door andere zaken aan te snijden dan het door mij geponeerde (op welke reactie van mij hij evenmin reageerde), dusdanig interesse heeft gezaaid dat ik mijn reeksje over de invloed van technologie oppak. Pollet betoonde zich enthousiast over life-long learning door middel van internet, terwijl ik daar een neoliberale uitvinding in zag. Ook meende ik dat voor kennis googlen in de kaart speelt van ondernemingen die het zich financieel kunnen permitteren hoog in zoeklijsten te belanden.
Eigenlijk viel mij die deconfiture-reflex tegen van mezelf. Ik was liever enthousiast geweest zoals Pollet. Mij schoten beelden van het oude onderwijs te binnen, waar de sukkeltjes met een paar opdrachten achter in de klas werden weggestopt om de les niet te verstoren. De slimmeriken verveelden zich en zouden wel gebaat zijn geweest bij internettochten. Maar de zwakkeren waren louter geholpen door het kostbaarste artikel denkbaar: aandacht. En structuur en basiskennis, die iedereen echter nopen tot stampwerk voor er wat aangeleerd kan. In de wat invertebraal aandoende kennissetting die Pollet uit een rapport citeerde, overweegt echter informeel leren. Ook een handig instrument voor de snuggeren, terwijl de andere groep bij onduidelijkheden misschien niet zo snel vragen durft te stellen en sowieso aanslagen moet ondergaan op de concentratie, het een-na-kostbaarste artikel.
In een notendop verrijst hier evengoed de werking van ‘de vrije markt’, de survival of the fittest, het recht van de sterkste… Allerminst vrij, veeleer grotere verschillen teweegbrengend.
Ten slotte leek mij dat technologie onnodig veel vergt van energiebronnen, omdat zelfs als kul bedoelde kul opgeslagen wordt. En dat dan, misschien het grootste drama, in veelvoud. Is het als beginnetje een idee om Belasting op Pleonastisch Klimaatbederf te heffen op trending topics en op tweets met een link naar eigen of andermans tekst? Vooralsnog doemt als zondagsrecreatie wandelen in het Googlebos, waar oud papier is veranderd in nulletjes en eentjes.
Zo heb ik van talloze nieuwssites vernomen dat Gerrit Komrij op zijn blog een krantenstuk uit 1982 heeft hergepubliceerd. Daar kwamen dan comments op die werden gewist waarna daar weer discussie over ontstond vanwege een initieel Facebook-schrijven, enz. Ik wil niet klagen, maar de tragiek is dat ik zo’n type ben die dat allemaal leest. Mocht een van de betrokkenen toevallig aan de lijn zijn, dan zou ik hem of haar willen vragen die internetmanoeuvres eens aan zijn of haar moedertje uit te leggen. Wanneer u ze dan nog de gewoonste zaak van de wereld vindt, zou ik willen suggereren even Google Translate (Eng-Ned) los te laten op dit gratis advies: Get a life.
Ja, dit is uiteraard ook een mening, een heel banale.
Omdat misschien nog meer dan 99% van de zeven miljard aardbewoners niks aan dergelijk stroomverbruik heeft, aan hun grondstoffen het meest wordt verdiend door rijken elders terwijl vuiligheden van hun industrie worden gedumpt, is, terwijl door de klimaatverandering er hier al extra kosten te voorspellen zijn, op termijn een specifieke clash of civilizations denkbaar. Blijft de minderheid dan nog op winst?
Overigens lijken zowel Facebook als Twitter geweldige media die allerminst het effect van antireclame sorteren indien ze slim worden gebruikt: als het lekkerste van de artisjok, binnenin. Ook ken ik al twee blogs waarvan de makers anoniem over (o.a.) literatuur schrijven met een lenigheid waarvan ik dacht dat ze wegens elitair was afgeschaft. Nee, ik geef de URL’s niet, want zij zijn belangrijk en moeten doorgaan. Waar gaan we anders naartoe?
Naast de sedert lang voorspelde Strijd om het Water, kan er iets ontbranden om Stroom, ten gevolge van de dataopslag van, bijvoorbeeld, de homo twitterans. Het is simpel om hem te ridiculiseren, zeker als hij hogere belangen dient, maar wat wil een overtuigde twitteraan nu eigenlijk laten weten? Ik kwam op die vraag nadat me was verteld dat zware gevallen op Facebook, los van hun comments bij vrienden, algauw vijf keer per dag iets opiniëren en/of fotograferen voor hun wereld. Bekomen van de verbazing dat mensen zich kennelijk zo gewichtig kunnen vinden, snapte ik dat het geen zich belangrijk voelen kan betreffen, omdat vijf smelt onder een dagelijks aantal tweets dat één persoon de wereld in kan zenden. Communiceren op de rand van een autistisch universum? Contracties van gewenning?
Inmiddels zoek ik de ratio in het, reeds gesignaleerde, verlangen om gestoord te worden, een bres in de concentratie te slaan bij zichzelf maar ook bij followers. Een wijze om Nemesis in pole position te brengen, onder het motto ‘Kijk me aan als ik je wurg’. Of, er kan immers heuse kennis achter hyperlinks verscholen gaan, een experiment met de doelstelling: hoe ver kan ik gaan? Da’s een kunst op zich waar een fijn citaat van Paul Valéry bij kan, uit een notitie over een duikvlucht van een vogeltje: ‘De aandacht van de ander, dat is het doel, het wild. Hem zowel het gevaar als de geborgenheid laten voelen; hem daar brengen waar hij niet gaan wil, hem tot staan brengen kort voor de hindernis, precies op het gewenste punt.’
Nu kan ik de acquitstoot van mijn reeksje hernemen, inzake ongevraagde nieuwsmails. Ze zullen strafbaar zijn, maar wie zou tegen zulke wijd verbreide fenomenen een procedure starten? Toch kennen ze wel degelijk subscribe-mores: als je bezwaar hebt, kun je het laten weten.
Gabriël van den Brink sprak eens van de privatisering van het normbesef. Dan acteert Standard & Poor’s toch subtieler.
Uiteraard is de verleiding groot ach & wee te roepen en de cultuurcriticus uit te hangen. Moge de ervaring mij leren. Dan kan ik bekennen dat ik als digitaal groentje eens de subscribe-optie heb benut, waarna ik een lap van een mail kreeg vanwege mijn positie door de uitschrijving een barbaar en negationist te zijn. Anderzijds, sinds deze reeks is begonnen, blijf ik elke vrijdag van twee mails op twee adressen verschoond. Deze blog wordt derhalve gelezen, waarna, het grootste compliment denkbaar voor een literair auteur, een daad!
No more life-long yearning.
vrijdag 2 december 2011
Meeneemverhaal
‘Een op drie lijken voldoet niet aan veiligheidseisen ’, gewerd me bij het koppensnellen, maar dat had ik niet helemaal goed gelezen. Fort-da-toestanden van mij als elders woonachtige kaaskop? Natuurlijk is Hansje Brinker mijn oerlandgenoot. Ik herinner me dat sinds kort, dankzij iets van de mij onbekende Doug Dorph:
When the gloomy sea threatens, you’re there
with your trusty finger. The bicycle lies forlorn
on the gravel bicycle path in the shadow of the dike.
The family windmill is brittle and blue as a scene on a plate.
Da’s nog eens reclame! Ondertussen stijgt het zeeniveau, en maant zowel het bericht als het gedicht naar de lange termijn te kijken, vlak voor Durban. Maar in het eerste zag de staatssecretaris van Infrastructuur geen direct probleem (wel in de vogels rond Schiphol die hij, en het journaal leek ermee te openen om geëngageerde verenigingslevens op hun achterste poten te krijgen, wil laten vergassen). Hij heeft dan ook een coalitiepartner die tegen onverbiddelijke kritiek aan onverbiddelijke theorievorming doet. Is dat eveneens ‘typisch Hollands’?
Voor ik het wist was ik tastende naar een antwoord, in het besef dat er geen enkelvoudige natie bestaat, laat staan een identiteit, mede omdat ze door de technologie achterhaalde concepten lijken. Toch dunkt me door het aanhoudende gestechel binnen de Europese Unie de vraag relevant.
Dus wat behelst Holland zoal dat er een Dutch Boy als van Dorph uit te voorschijn vliegt?
Opgepast, een zin met komma’s. Onlangs reciteerde op de uitreiking door prinses Máxima van de Prins Bernhard Cultuurfonds Prijs 2011 aan Anton Corbijn, Bono, met op de achtergrond foto’s van het idool, Herman Broods ‘Get Lost’ als was het een gedicht in plaats van een liedje. Heel onwezenlijk en ook een beetje tragisch. Uitgerekend wanneer er een wereldster onversneden aandacht aan dit werk geeft, pakt het averechts uit (Brood had een hoes zullen ontwerpen voor U2).
Dat net-niet-bij-aanwezigheid-van-competentie spreekt zeker uit het misschien wel grootste Hollandse wereldnieuws: de bestuursperikelen bij de beursgenoteerde tobclub Ajax, die erin slaagt simultaan twee eminenties, Cruijff en Van Gaal, op te blazen. Och ja, dacht ik ineens, die veelbesproken vicewereldkampioenschapsmandaten passen Oranje. Winnen zullen ze nooit.
Dag vogels, dag bloemen, ik heb een mening.
Dan is er die complexe club zonder leden die, net als de N-VA, onverantwoord gedrag legitimeert met een kiezersaantal (herlees hierover Coen Simon, die ook ambivalente uitspraken van Wilders-advocaat Moszkowicz weegt). Daar zit iets hondsbrutaals in, wat niet hetzelfde is als cynisch, dat mij van achter de grens inmiddels als landsaardig begint toe te schijnen.
Maar wellicht ben ik te zeer uit mijn niche de wereld in aan het kijken, waar een immens belangrijke én precaire zaak als van de klimaatconferentie niet speelt, mogelijk wegens te druk door op elke relativering van de felste kritiek elegieën aan te heffen. Ze zijn me te gelijkaardig aan het taalkundig genie die me deze weken, waarin die zak van een Sinterklaas weer is aangekomen, bestookt met verzoeken om snoep. Wanneer ik dat weiger, zegt ze: ‘Dan ben ik jouw vriendin niet meer.’ Waarop ik zeg: ‘Grote mensen noemen dat chantage.’ Waarna zij weer: ‘Da’s nie eerlijk.’ Maar ja, even Hollands oogt de wens om niet ‘zuur en verongelijkt’ over te komen. Ook stof voor een inburgeringscursus, waartoe Silliman reeds in Tjanting twee motto’s gaf: ‘How the Dutch think to spell.’ + ‘How think to spell the Dutch?’
Het waren zowel grote als kleine geleerden die vaststelden dat betekenissen en gebruik van woorden fluctueren. Toch verbaast het me dat een gsm-maatschappij zich durft aan te prijzen met Freedom of speech. Dat komt doordat er één term de laatste jaren soeverein aan de top staat: ‘economie’. Dus wordt de Hollander nu wereldburger, verkokerd in de euro die niet van de bevolking blijkt maar van de banken, de korte termijn zonder de oplossing waarvan geen milieuprobleem schijnt te kunnen worden verholpen. Tot waar?
Op mijn initiële vraag werd overigens het beste antwoord me van zeer dichtbij ingefluisterd: Hollanders zijn mensen die het woord ‘banketstaaf’ weten te bedenken en het dan nog opeten ook.
De dagsluiting kan ’s morgens al aan de poëzie. Ik heb getracht iets te vertalen van Ida Börjel, helaas niet uit het Zweeds maar, zoals hier vaker is gebeurd, uit het Engels tussen de brontaal en hetgeen Hollands moet heten:
Een meeneemverhaal
Ik kan doen wat ik wil maar wat. Als iemand om hulp roept kan ik helpen. Daarna ga ik schaatsen op de vaart. Ik laat het gaan. Ik ben de Hollandse student en ik heb veel ervaring met schaatsen op ijs, ik heb hard gereden en ook tochten gemaakt. Ik kan zo snel gaan als ik wil en waar dan ook. Niemand zal me tegenhouden. Ik kan mezelf tegenhouden. Als de Engelsen een zeker punt bereiken dan kunnen ze zichzelf niet tegenhouden. Spaanse mensen houden niet op totdat het feest voorbij is. De Fransen houden alleen op om opnieuw te beginnen. De Portugezen houden niet op omdat ze niet begonnen zijn. De Luxemburgers blijven binnen de Luxemburgse grenzen. De Belgen houden op en beginnen met tussenpozen tussen de Belgische gordijnen. Ik kan beginnen en ophouden wanneer ik wil. Ik kan sterven of leven op de manier die ik wil. Ik kan gaan waar ik wil maar waar is dat. Hollandse mensen zijn aardige toegankelijke mensen die altijd een handje helpen. Wij zijn deugdelijke en nette mensen die nooit enige moeilijkheden veroorzaken zolang we kunnen doen wat we willen. De vraag is niet wat of wanneer maar hoe. Ik rijd snel, ik vertrouw mezelf maar het lijkt alsof er altijd iemand achter of voor mij is. In mijn taal zijn vele lege oppervlakken, krachtig en kwetsbaar boven het wak, waar men niet veel over alles kan zeggen. Ik schaats drie vier uur per dag. Soms voelt het alsof het ijs gaat breken. Ik ga een beetje verder
vrijdag 25 november 2011
Aretha & Robin
Wat? Leeft-ie nog? Ik vrees dat dit mijn eerste schamele reactie was op het bericht van Robin Gibbs ernstige ziekte. Ze zou wel eens kunnen berusten op een empirisch niet gestaafd idee over popsterren: dat zij na hun jeugd in een of ander niets oplossen en dat oud(er) worden niet van toepassing kan zijn op hun curriculum. Daarbij is dit specifieke geval slechts kort in mijn leven geweest. Ik was te jong toen de Bee Gees nog voor het zoveelste ‘antwoord op The Beatles’ doorgingen en prikte pas in bij hun grootste succesperiode, eind jaren zeventig.Toen was hun muziek not done voor Ons Soort Mensen dat pubers zijn. Stom eigenlijk. Als het gaat om dansmuziek valt eenvoudig te horen dat de Bee Gees niet zwart zijn, maar ‘Nights on Broadway’ is een tamelijk geweldig nummer. En uitgerekend voor het schuifelen, waar het doel toch alle middelen heiligt, diende Art Garfunkels ‘Bright Eyes’, terwijl ‘Three Times a Lady’, van de even beslist in de ban gedane Commodores, in alle opzichten lekkerder was. En dan was er, terug naar de Bee Gees, het verketterde ‘How Deep Is Your Love’. Dit mag nog steeds niet helemaal mijn liedje zijn, het kan onmogelijk ontkend dat het razendknap in elkaar zit.
Maar moet ik nu mijn blogmeningen blijven ventileren?
Kort na de ramptijding over Robin Gibb werd me duidelijk dat hij voor de eerste verwerking van zijn leed bij zichzelf te rade had kunnen gaan. De vroege Bee Gees blijken de makers van ‘How Can You Mend A Broken Heart’… mijn favoriete nummer van Al Green (waar voor de soundtrack van Sex in the City haast schunnig professioneel doorheen gezongen zou worden door Joss Stone) is dus een cover! Of het nu lag aan rehabiliterende sentimenten dat ik het origineel meteen een acceptabele versie vond, mijn aandacht verschoof zowaar naar de tekst. En dan stelt de titel een vraag.
Voor een antwoord moest ik denken aan een ander liedje dat ik eveneens via een cover had ontmoet, ditmaal zonder zeker te zijn het origineel te kennen of domweg nog een versie. De auteurs heten in elk geval John Harris en Eugene Williams. Een paar jaar geleden heeft Cat Power een verdienstelijke poging gedaan hun liedje te vertolken, maar ze kon van d’r nooit niet tippen aan de uitvoering van George Jackson. De man is mij verder onbekend en dat wil ik, wellicht als compensatie voor een in de schoot geworpen heidenschap, graag zo houden.
De titel van het nummer is ‘Aretha, Sing One For Me’ en het eerste couplet gaat aldus:
Me and my baby we had a big fight
And we ended our romance the same night
In an angry mood she walked out the door
And said it’s all going to an Aretha Franklin Show
Dit vind ik groots: kunst biedt een referentiepunt, hier alvast van basale verduidelijking! Die ligt in de toekomst, waardoor meteen blijkt dat er geen postmodernistisch overbewustzijn regeert dat het heden onklaar maakt op basis van ideeën en verbasteringen ervan. Jacksons lief voorspelt iets op grond van de naakte praktijk die een herkenning oplevert uit kunst. Kees van Kooten zei ooit in een interview dankzij een gedicht ineens weer te weten wat hout was, en houthakken, maar dan vindt het effect in de wereld plaats na de kunst, terwijl het fenomeen dat George Jackson oprakelt die volgorde omdraait: door een concrete gebeurtenis is kunst vanzelfsprekend geworden om als sterveling begrip te verwerven van de wereld en de kans te vergroten zich er te handhaven.
Het refrein luidt:
Hey Aretha, sing one for me
Let her know I'm as miserable as a man could be
Will you sing a song that will touch her heart
And make her sorry that we are part
Zo is de aanspreking van een onbekende bij de voornaam adequaat. In kunstkringen valt dit soort openbaarlijkheid soms op uit een bakvisgedrag, waarbij aandoenlijke halftalenten zich het centrum van de wereld wanen ofwel denken het door quasi-vertrouwdheid te worden. Een onnodige strategie, die mogelijk is te benoemen als pacificerend annex accommoderend, terwijl het daar te laat voor lijkt. Ik suggereer niet dat kunstenaars heiligen zouden wezen, integendeel, maar dat ze juist deel horen te zijn van de samenleving. In het liedje blijkt de ervaring echter zo naturel gerealiseerd dat Aretha een bekende werd, familie. Grappig is dat George Jackson, alsof hij beducht raakt profaan te zijn geweest, later in het nummer een keertje het refrein inzet met ‘Miss Aretha’.
Zo’n verhaal dat ik nu eens zonder ironie geneigd ben ‘waargebeurd’ te noemen, plaatst een gedicht van Alfred Brendel naar mijn idee in perspectief. De vermaarde pianist fantaseerde er voor de gelegenheid een hilarische of absurdistische scène in bij elkaar over conceptuele kunst van Christo die al te werkelijk wordt. Alleen is het resultaat van die deconfiture paradoxaal, als het ware voor populistische ingewijden. Misschien niet puberaal, maar wel puberalistisch, kunstkunst, tongue in cheek.
Benjamin Verdonck, die als collega van Christo valt te beschouwen, stelde in een interview vast dat de maatschappij wordt geregeerd door het spektakel. Hij begreep daar vermoedelijk terecht uit dat kunst uitgehold is die daarin meegaat door bijvoorbeeld, vanuit de mythische positie aan de rand van de samenleving, tegen schenen te schoppen. Kan kunst dan beter ophouden te bestaan? Verdonck is, gelukkig, nog volop on the road, dus hij zal een alternatief hebben gevonden. Dat soort kunst spreekt hij aan als ‘het beklemtonen van haar weerloosheid door een kwetsbaar gebaar te stellen’.
Zou zoiets ook vanuit de werkelijkheid in de richting van kunst kunnen geschieden? Tsaar Paul I van Rusland die de import van boeken verbood? Gaf hij te kennen dat ze gevaarlijk waren, want iets konden betekenen? Why bother, zou Robin Gibb denken.
Abonneren op:
Posts (Atom)