vrijdag 26 maart 2010

Coreferenties (1)

Vandaag: redacteur, neerlandicus en publicist Bertram Mourits (1969). Hij werkt als redacteur bij uitgeverij Contact, die geen literair tijdschrift in het fonds heeft. De handelseditie van zijn proefschrift verscheen in 2001 onder de titel Zestig. Een nieuwe datum in de poëzie (uitgeverij Podium). Hij schrijft over poëzie voor Poëziekrant en voor De Revisor. In laatstgenoemd literair tijdschrift boog hij zich onder meer over het fenomeen ‘non-fictie’ en over ‘de canon’. Verwante onderwerpen sneed hij aan in NRC Handelsblad, met artikelen over ‘literaire thrillers’ en over ‘leesbevordering’, en op De Contrabas met een posting over het publieksbereik van poëzie. 

Ik heb wel eens een dichter ontdekt in een literair tijdschrift. Een tijdschrift van papier, dat zes keer per jaar verscheen, met standaard een enigszins arrogant gesteld redactioneel. Ik wil maar zeggen: het literaire tijdschrift heeft zich voor mijn redacteurschap als kweekvijver wel eens bewezen. Tenminste een keer, en als die andere auteur het geplande werk ooit nog voltooit, misschien wel twee keer. 
Ik ben een nogal ouderwetse redacteur. 
‘Ik heb ooit nog wel eens een dichter ontdekt…’ schreef ik in eerste instantie, alsof het een lang vervlogen gewoonte is om dichters in literaire tijdschriften te ontdekken. En ik moet toegeven, vaak gebeurt het me niet – maar voor elke schrijver of dichter die door een tijdschrift is ‘voorontdekt’ kun je dankbaar zijn. 
Is het genoeg? Ja, waarom niet? Hadden het er tien moeten zijn?
Is het de rechtvaardiging van het bestaan van tijdschriften? Dat is een andere vraag. 

Er is vorig jaar veel te doen geweest over deze vermeende ‘kweekvijverfunctie’ (google het maar, ik heb geen zin te recapituleren, er werd gegoocheld met statistieken en percentages) – maar er is al decennialang geen literair tijdschrift geweest dat niet meer dan slechts kweekvijver wilde zijn. Soms blijven de aanvullende pretenties beperkt (voorpublicatieorgaan van de uitgeverij die het tijdschrift praktisch ondersteunt), soms willen ze wat meer (cultureel-maatschappelijk-politiek debatcentrum zijn, bijvoorbeeld). 
Heb je daar een tijdschrift voor nodig?
Nee, lijkt het voor de hand liggende antwoord. Want een debat op internet, wat is er levendiger dan dat? Is internet daar niet bij uitstek voor gemaakt? Toch ben ik ook wat dat betreft ouderwets: ongefilterde debatten die breed uitwaaieren onder korte bijdragen aan weblogs leveren zelden iets op dat ik met genoegen lees, laat staan vaker dan eens. Om nog maar te zwijgen over de mogelijkheid aan dergelijke discussies mee te doen. 
Ik zei het al, ik ben waarschijnlijk ouderwets – als redacteur, als lezer. 

Bovendien is het literaire tijdschrift verreweg het aangenaamste podium om iets te beweren. Niemand vraagt je een boodschap mínder genuanceerd op te schrijven. Het grootste nadeel – vrijwel niemand ziet wat je schrijft – is misschien juist wel een voordeel. Hoe aangenaam is het niet om voor vrijwel niemand te schrijven, is dat niet de beste plek om te essayeren? Waar kun je iets proberen dat mag mislukken, waar kan de conclusie van een fors essay een daverend ‘Ik Weet Het Niet’ zijn, zonder dat het essay als mislukt beschouwd moet worden? 
Natuurlijk is juist dat een reden dat veel van die tijdschriften aan het omvallen zijn – ze zijn er niet om een plek te bieden aan wie ongemerkt wil schrijven. Ze moeten er zijn voor lezers, zeggen de uitgevers, de subsidiegevers, de mensen die nooit een literair tijdschrift lezen. 
Waar zijn die lezers gebleven? Het is in elk geval een misverstand ze op internet te zoeken. Daar zitten nu juist diezelfde mensen die het medium zo waarderen omdat ze er zelf voor kunnen schrijven. De vruchten daarvan zijn te vinden in voornoemde discussies op weblogs, waarvan de commentaren niet zelden veel langer zijn dan de oorspronkelijke stukjes. Met als nogal wezenlijk verschil dat die bijdragen niet eerst zijn gelezen door een strenge, elitaire redactie die alleen oog heeft voor zaken waar ze geen oog voor hebben. Dol ben ik, op dergelijke redacties. 

Enige tijd geleden opperde ik – kort en ongenuanceerd in NRC Handelsblad, uitgebreider en genuanceerder in De Revisor – dat lezers van literatuur er goed aan zouden doen om zich eens te willen laten verrassen. (Eigenlijk ging het stuk over de steeds grotere invloed van marketing op het literaire bedrijf, en wat dat zegt over de betekenis van de term ‘literatuur’, maar het mondde uit in iets dat als een pleidooi voor onvoorspelbaarheid gelezen kon worden). Dat pleidooi was naïef maar (geloof me) moedwillig naïef. Hoe naïef, realiseerde ik me echter pas toen ik, tegelijk met de vraag of ik het stukje wilde schrijven dat u nu leest, de vraag voorgelegd kreeg of een dergelijke verrassing ‘ook mogelijk zou zijn met literaire tijdschriften’. 
Het antwoord op die vraag is bevestigend, volmondig zelfs, want ik realiseerde me onmiddellijk: dat is de beschrijving van een literair tijdschrift op zijn best. Een bekende auteur, een beetje debat, en dan iets raars, iets onbekends, iets dat mislukt, iets wat je hoofdschuddend bekijkt. Dat waren en zijn de meeste literaire tijdschriften ook. Hoe minder lezers, hoe hoger de kwaliteit, des te glorieuzer de mislukkingen.
Maar als redacteur die zich bekommert om acquisitie zit ik niet op die mislukkingen te wachten – hoe verder, is inderdaad de vraag. Dus wat nu? 
Ik weet het niet. 
De uitgeverij waarvoor ik werk organiseert soms een schrijfwedstrijd; ik geef zelf een schrijfcursus. En als de schijn niet enorm bedriegt: ook dat is een methode om echte schrijvers te vinden. Voor non-fictie zijn krant en opinieblad als bron steeds belangrijker geworden – en dan zijn er in Nederland ook enkele literair agenten actief, niet zoveel (nog), die nu en dan, niet zo vaak (nog) nieuw talent aanboren. In elk geval nauwelijks talent dat literaire tijdschriften bereikt, constateert een verbaasde Paul Sebes: ‘Al jaren proberen wij als literair agenten om nieuwe schrijvers in de literaire tijdschriften te krijgen. Je zou zeggen dat dat voor ons niet moeilijk zou moeten zijn aangezien die redacties worden bevolkt door redacteuren en schrijvers die wij goed kennen. Na vele pogingen om goede korte verhalen geplaatst te krijgen, zijn we maar gestopt omdat we zelden of nooit een reactie krijgen.’ Tijdschriften en agent(en) werken blijkbaar (nog?) langs elkaar heen. 

De Revisor is inmiddels bezig haar activiteiten naar internet te verplaatsen. De vorige redactie plaatste wel eens een stuk van mij, als de nieuwe redactie dat wil, zal ik ook graag voor de elektronische Revisor schrijven. 
Ik weet het niet. 
Ik schrijf ook wel eens voor De Reactor – zullen die stukjes een grotere of juist kleinere impact hebben? Ellenlange discussies hebben zich tot nog toe onder mijn bijdragen (zoveel heb ik nog niet geschreven) niet ontsponnen – dat is me alleen gebeurd toen ik een keer in de krant over literaire thrillers schreef.
Gaat er wat verloren als alle literaire tijdschriften verdwijnen of websites worden? Is het erg dat Raster, Maatstaf, De Revisor, Bunker Hill, enzovoorts verdwenen zijn? 
Retorisch gezien zou ik ook nu ‘Ik weet het niet’ moeten antwoorden, maar dat gaat me te ver: ja, natuurlijk is er wat verloren gegaan met het verdwijnen van al deze tijdschriften. 
Het is nog even afwachten wat ervoor in de plaats komt. Komen er op internet plekken waar bijdragen van het soort dat in literaire tijdschriften staat, niet alleen een plek kunnen vinden maar ook gelezen worden? Komt er discussie van niveau? Zullen De Revisor, De Reactor, en wie weet welk Literair Tijdschrift Punt NL ooit debatcentra van niveau kunnen worden? Zullen redacties alle bijdragen gaan modereren? Zal dat elke discussie niet juist in de kiem smoren? Valt er eigenlijk wel op normale toon te debatteren op internet? Moeten we dat misschien eerst maar eens leren?

woensdag 17 maart 2010

Naschrift

Ook politieke partijen die subsidie willen ‘afschaffen’ krijgen subsidie. Is kunst het enige veld waar de term een pejoratief is? Herman Brood kan zowaar een meerderheidsstandpunt hebben vertolkt: ‘Ik ben niet het soort kunstenaar dat een stoel maakt waarop niemand wil zitten. Zo iemand geven ze een vette subsidiekluif; weer een mongool behoed voor de sociale werkplaats’. Door nog een citaat uit dezelfde bron besefte ik dat dit inzicht familie heeft. Brood beweerde er namelijk ook: ‘Ik ga nog liever ouwe wijven neuken voor geld dan aankloppen bij de sociale dienst.’
De overlapping zit in ‘sociale’, dat ‘asociaal’ uitlokt wegens ‘profiteren’. Maar de tijdgeest bepaalt hoe erg dat is. Zo heette een bijstandsuitkering een ‘vangnet’ en bleek ze na kritiek een ‘hangmat’ die na beleidsvoornemens veranderde in een ‘trampoline’. Soms weten auteurs, na jaren werkbeurs, die sprong inderdaad te maken. Bij het literaire tijdschrift lijkt dat veel minder waarschijnlijk. Er is dan ook gepoogd het te herpositioneren door het letterkundige te koppelen aan iets attractievers (voetbal, wielrennen, schaatsen, true crime, culinaria, popmuziek en ‘literaire journalistiek’). Los van de vraag of dat geslaagde pogingen zijn vermijden ze een ontologische kwestie, die het medium in zijn onaangelengde vorm oproept en twee schijnbaar onverenigbare kampen aanricht: afwijzers tussen toorn en desinteresse versus omhelzers tussen dweepzucht en aanhankelijkheid.
Beide kampen weigeren de concrete context van het literaire tijdschrift te bekijken. Ook is voor beide het instrument subsidie onomstreden: ze zijn sec tegen of voor. Zo raken de antagonisten eigenlijk verwant, omdat ze putten uit hetzelfde discours, wat dan weer parallellen geeft met het politieke klimaat. Dat valt te illustreren met twee Vlaamse opiniestukken over Geert Wilders. In het ene lag de nadruk op onwelkome waarheden die ‘politiek correcte’ media negeren (op welk punt de Nederlands-Russisch-Ests-tataarse Sana Valiulina ook tegen een cordon literaire ageert). Het andere zag makkelijke onwaarheden aan Wilders en weet dat ‘er nauwelijks nog een gesprek mogelijk is. Ook hardwerkende en goedbedoelende politici zullen dit niet meteen veranderen. In debat gaan met Wilders of zijn kiezers heeft geen enkele zin.’
Mij lijken dit rituele manoeuvres, omdat hun fundament wordt miskend. In de ‘Wat nu’-reeks zal onder al de hyperlinks ten minste eentje in deel 10 bedolven zijn geraakt: Jan Blommaert trachtte in een terugblik op links gedachtegoed te tonen dat de val van de Muur dan wel cruciaal geweest is, maar om andere redenen dan opgeld doen. In plaats van zich te vernieuwen door analyse van de samenleving, paste links zich aan. Het gooide ideologie zogenaamd overboord, zodat in een neoliberaal paradigma structurele verandering kon vervangen door correcties in de esthetiek (waarbij de opiniepeiling de marges aangaf). Urgente systeemkritiek was, net als ‘het humanisme’, zo achterhaald dat ze meteen verzonk.
Blommaerts artikel stond op een site die aanvullend wil zijn op concernmedia, waar het drie à vier pagina’s zou beslaan. Ik constateer dat het door hem gehuldigde standpunt alvast niet totaal onterecht kan zijn: het wordt zelden gehoord. Er is dus wel een ander circuit, maar dat ligt buiten de reproductieschema’s voor principiële flexibiliteit. Tegelijk heeft de absorptie in de mainstream ertoe geleid dat opgeschoven links het contact verloor met de werkelijkheid (die het immers niet wil onderzoeken).
Twee trends demonstreren dat. Niet langer zou het economische belang de keuze voor een partij bepalen. Maar daarbij kende men louter een linkse variant met het milieu en gelijke rechten, terwijl de rechtse met angst voor desintegratie door criminaliteit obscuur bleef. Even hooghartig was de inzet van het epitheton ‘fascistisch’, dat alleen voor rechts leek – maar dat smijt die taart inmiddels terug.
Die wegmoffelingen kwamen boven door onontkoombaar populisme. Toen werd ‘de kloof tussen burger en politiek’ waargenomen. De strategie bleek overname van het populistische discours – meer bewijs voor de mainstream die slechts schijnbare antagonismen serveert. Ook over het wereldwijd toegankelijke web verlangt men mensen te bereiken.
Met name Femke Halsema van Groen Links ziet heil in het internet en vierde dat, mogelijk ingefluisterd door spindoctors, pontificaal. Haar feest wou de misvatting aangeven dat virtuele communicatie leeg is. Toch lijkt het me vreemd dat een groene politica dit medium zo uitbundig gebruikt: dit vergt extra stroom!
Uiteraard is Halsema niet de enige in haar branche die al twitterend de kloof met de burger tracht te dichten in maximaal 140 tekens. De kwalificatie ‘digitale kaasstolp’ lijkt vanuit de werkelijkheid gegeven. Het vertrek van een collega schept geen beraad over de eigen positie maar een mening over dat specifieke geval – alsof Twitter een boekenbijlage is.
Ik haal de literaire biotoop er nu expliciet bij, omdat burgers natuurlijk mede lezers zijn, maar vooral omdat ik van hen in de reeks ‘Wat nu?’ enige verwachtingen en projecties geschetst heb die faliekant verkeerd uitpakken. De vraag is dan simpel: hoe te handelen? In de politieke turbulentie van de afgelopen week kreeg Halsema ook te maken met een overlijden van een collega die, afkomstig uit een kring van intellectuelen die bezorgd waren ‘over de verwarring en de ondoorzichtigheid, de tanende invloed van de kiezers, over de ontoereikendheid van de oude politieke spelregels, over de onbeweeglijkheid en de verstarring van het partijenstelsel’, het politieke systeem wilde hervormen zodat het het gezag minder krampachtig zou reageren op vernieuwingsdrang.
‘Wat erg. Zulke goede herinneringen aan taartjes bij hem thuis, gesprekken her en der. Wat erg voor Connie’. Mij lijkt dat juist bij de burgers hier iets kan knakken – Grachtengordel onder elkaar! Zelf heb ik heb altijd ontzag voor Femke Halsema gehad en Twitter verlegt hooguit mijn verwonderingsdrempel, maar hier had ze misschien toch beter gezwegen.
Laat ik het goede voorbeeld geven. Om al de facetten aan het literaire tijdschrift die ik aan de orde heb proberen te stellen te nuanceren, corrigeren en aan te vullen, krijgen binnenkort gastbloggers het woord. Zij bekleden diverse posities in het veld en brengen, in een serie die gewichtig ‘coreferenties’ moet heten, ongetwijfeld nog wat licht.

maandag 8 maart 2010

Wat nu? (12)

Het is niet onopgemerkt gebleven dat Poëziekrant af wil ‘van het etiket “literaire tijdschrift” dat bij te veel potentiële lezers en vooral bij jongeren te veel weerstand oproept’. Het omslag meldt dan ook ‘nieuwe vormgeving’ (de tweede in korte tijd) en het redactioneel weet met een joekel van een zeugma: ‘Ook aan de inhoud is en zal nog gesleuteld worden’. Elders kreeg die nieuwe koers uitleg. Lezers hadden te verstaan gegeven dat ze het blad ‘slechts gedeeltelijk lazen, omwille van te veel tekst’. Aardig is dat het betreffende nummer die kritiek ondermijnt. Een knappe bespreking van een boek over poëzie ziet: ‘De crisis manifesteerde zich toen amateurs niet langer naar poëzie grepen om de actualiteit te becommentariëren maar gedichten als een zaak van nerds gingen beschouwen’. Ook herbergt Poëziekrant een foto van koningin Fabiola, omringd door dichters die zich uit de voeten maken. Zelfs Christine D’haen lijkt te berusten. Heeft de koningin goedbedoelde vragen over de stiel gesteld? Stak ze een monoloog af? Voor ivoren torens mis ik ruimtelijk inzicht en wat ‘diepzinnig’ en ‘oppervlakkig’ behelzen weet ik evenmin, maar op een gegeven moment worden simplificatie en eeuwig stommetje spelen bij projecties op ‘de lezer’ pedant en pilaarbijtend. Ik heb aangedrongen op een scheiding der geesten. Niemand moet ‘hoge’ kunst consumeren, maar het zou fijn zijn als dit niet bij voorbaat met pretentieus onbegrip verhinderd wordt voor mensen die dat wel wensen. En mochten auteurs niet voor een literair blad willen schrijven omdat de gage te laag is of omdat ze aan hun theewater voelen dat het niet deugt, laat hen! Andere podia zullen aantrekkelijker zijn. Uiteindelijk kan het medium pas tot wasdom komen indien er wat mee bereikt wil worden. Hoewel ik niet dol ben op Bijbelse statements over samenzweringen voor het hogere doel, lijkt me dat een literair tijdschrift de ambitie mag hebben de wereld te veranderen. In een artikel uit 1964 over muziek zegt Theodor Adorno met zijn apocalyptische stijl (in de vertaling van Offermans): ‘De legitieme betekenis van het experiment is niets anders dan de zelfbewuste kracht van de kunst om zich te verzetten tegen datgene wat haar conventioneel van buitenaf door de aanpassing wordt opgedrongen. Het gevolg daarvan zou zijn dat men niet een soort van natuurreservaat voor het experimentele in de muziek zou moeten aanleggen en de rest als altijd aan de traditionele muziek zou moeten overlaten, maar men zou beide dezelfde organisatorische voorwaarden moeten toekennen opdat de moderne radicale muziek niet in feite wordt verengd tot de specialiteit die haar vijanden later belasteren.’ Omdat de term meer dan eens voorbij is gekomen, merk ik ‘niche’ nu expliciet aan als enige manier waarop een literair blad kan overleven. Mede uit commercieel oogpunt: men kan niet concurreren tegen oneigenlijke collega’s. Wel kan het ‘rendement’ grillige curven vertonen. Niet voor niets luidt de mooiste tijdschriftnaam van de Lage Landen Het Trage Vuur. Daarbij valt te overleggen welk genre het beste bij welk medium past. Voor ultrakort proza en dus poëzie lijkt internet aangewezen. Daarvan zijn de mogelijkheden groot, ik kan dat niet genoeg benadrukken, zolang ze niet worden overschat. Technologie is geen autonome kracht, en vergt gogme dat voortkomt uit ervaring – die niet voorbehouden is aan aandeelhouders. Wel zal een digitaal archief alles permanent moeten ontsluiten, want we praten over een human knowledge project. Met die term uit de lingua franca van de globalisering komt hopelijk een bron terug in zicht: het spectatoriale tijdschrift. Voorbij de circuits die laaglandse literatuur, vooral in België, zo bedompt maken vergt dat samenwerking in een koffiehuis waaruit voor de ventilatie deuren en ramen zijn verwijderd. Papier is vanwege de omvang nog nodig voor verhaal en novelle, maar bovenal voor niche vier: het essay. Dit begrip is hier al meermaals gevallen, met de suggestie dat ik weet waar ik het precies over heb. Quod non, om bijna met Asterix te spreken. Wel valt in een lustrum juryrapporten van een specialistenprijs te zien dat dit genre nogal vlottend is. Daarom een onnozel synoniem: denkbeweging. Deze vertrekt niet van een ‘aanleiding in de actualiteit’, en laat zich evenmin de wet voorschrijven door een eenheidsstijl en een omvang. Het essay is principieel grillig. Daarmee druist het in tegen neoliberale wetenschap, die te ‘valoriseren’ vraagstellingen eist, omdat kennis wel degelijk zijn doel is (zelfs vooruitgang). Het is het meest politieke annex ideologische aller genres. Voor mij hebben literaire tijdschriften met het format van het themanummer, ook handig voor recensenten, mede hierom hun langste tijd gehad: het essay ridiculiseert dit met de oervraag ‘Waar gaat dit over?’ Tegelijk is het zo subjectief en onbestuurbaar, dat een blad er het democratisch minimum van de ‘pluriformiteit’ mee kan benaderen. Niet onbelangrijk, omdat Revolver daar als enige aanspraak op kon maken. Doe ik nu een oproep aan een elite? Wil ik naar een contemplatief lezen of zie ik heil in multitasking? Of verblindt mij het algemeen belang? Het zal verstandiger zijn om, als in de eerste de beste subsidieaanvraag, de relevantie van het literaire tijdschrift aan te geven. Een uitstervende taal heeft het niet, wel een gedurfd denken. Het literaire bedrijf steunt op de analogie. Catalogi puilen uit van kwalificaties als ‘het beste sinds…’, ‘het antwoord op…’, ‘de Vlaamse versie van…’, ‘voor de liefhebbers van…’, die recensenten in staat stelt een onbekende schrijver te situeren en die boekhandelaren kunnen benutten als klanten hun om een titel vragen die het vorige leesgenot moet evenaren. Het hele literaire bedrijf? Nee, een klein medium bleef moedig weerstand bieden. De analogie is het literaire tijdschrift vreemd. Niet voor niets afficheerde De Revisor het eerste verhaal van Patrizio Canaponi als ‘prozadebuut van formaat’ – elke vergelijking was misplaatst, wegens een autoriteitsargument van de redactie. Entrepreneurs der Lage Landen, talmt niet! Gedenkt Elvis ook buiten uw gebeden! Verlies is gegarandeerd. Al het andere blijft meegenomen. Nagekomen Een poging tot metavisie op de klimaatperikelen, waarin het buitengewoon complex geworden gatekeeperschap ook veeleer moet afrekenen met meningsecreties dan met argumenten, en waarin innerlijke schisma’s aan de oppervlakte komen. Is het toevallig dat in dit artikel baarden voorbijvliegen?

vrijdag 5 maart 2010

Wat nu? (11)

Eind december 2006 maakte dagblad Trouw de internetbalans op. Van de 54.000 comments dat jaar hadden 25 mensen 20 procent voor hun rekening genomen. Vier van hen lichtten dat toe. Ze beschouwden de bezigheid als ‘afreageren’, soms unfair, waarvoor ze zich achteraf schaamden. Het leek op een hobby, die door een maximum aantal toegestane woorden handigheid vergde en waaraan vervolgens niet veel tijd hoefde besteed. Als zelfkwalificaties vielen ‘spel’ en ‘routine’ te noteren. Voor mij is een boek de finish van een onderzoek dat in literaire tijdschriften of op dit weblog een eerste openbare versie kent. Maar door overproductie en hoge omloopsnelheid lijkt het alsof er in boeken probleemloos kan getest, terwijl op het provisoir ogende internet woorden verstarren. Zoekmachines schijnen zo zelfs toestanden te geven voor het fenomeen cv dat geen centrale verwarming aanduidt. Getuige de ogenschijnlijk prominentere rol van huisregels en moderatoren zoekt het medium nog naar gedragsregels. Dat het mij ongemakkelijk maakt dat private en publieke ruimte in elkaar overvloeien, zal ouderwetsigheid indiceren. Ik heb althans gelezen dat ‘voor jongeren privacy geen issue is’, en voor de zoekmachinemeneren evenmin. Tegelijk is een literair blad bij uitstek gespitst op namen. Internet, constateer ik op internet, is genadeloos door het tempo waarmee behalve informaties ook onwaarheden kunnen verveelvoudigd. Ik geloof best dat mensen die ‘hun lemma’ op Wikipedia mabelen aan ‘censuur’ of andere cosmetische operaties doen, maar evengoed dat die veranderingen een stap vooruit zijn; bedrijven passen als ‘gepersonaliseerde service’ een lemma aan. Ook de homo twitterans weet van wanten. De drive waarmee de wereld zich met een kleine correctie terug wil, verraadt de onmacht die een getroffene deelachtig is. De Gulden Regel zal een remedie wezen (maar ook een hardleers type als ik weet: Wie zonder zonde is, werpe de eerste steen). Waarom dit verhaal, het gaat toch om literaire tijdschriften? Mijn derde niche is de rentree van de gatekeeper via internet. Nu heeft zich zoiets als crowd sourcing op het denken vastgezet: burgers krijgen van alle kanten gegevens en passen daar de klassiek journalistieke filters op toe, zodat de chaos gedempt wordt en men weet wat waar is en goed. Ook verklaart het rumoerige deel van de literaire mensheid amper aan kwaliteit te hechten: als die al niet toegekend wordt op basis van corruptie, dan op basis van consensus, enz. Slot van dat liedje is dat kwaliteit niet bestaat. Dat ik het daarmee oneens ben, doet er niet toe. De onderwereld biechtte namelijk zelf op dat ze, bij het luidruchtig beleden ongeloof, naar kwaliteit snakt. Verwekte technische kritiek op een Dichter des Vaderlands al serieuze reuring, de torenhoge hoeveelheid visies op de Turing poëziewedstrijd deed het bestaan van objectieve criteria vermoeden. De uitslag van deze wedstrijd waarbij naamloze inzendingen getaxeerd werden, leverde voor de eerste twintig een variatie van amateurs en profs op. Uit de boezem van de jury bleek overigens dat er was voorgeselecteerd en ze niet alle 15.000 inzendingen gelezen had – én, door zich nadrukkelijk tot lezers te wenden in plaats van vakgenoten, haar deskundigheid relativeerde. Niet alleen prijzengeld zet zoveel mensen ertoe aan hun dichterlijke creaties naar buiten te brengen. Er moet iets als een begeerte zijn beoordeeld te worden – en te hopen dat het genie niet postuum wordt ontdekt na sappeling in het spreekwoordelijke zolderkamertje. Hier zouden tijdschriftredacties iets kunnen terugdoen voor hun subsidies door poëzie-inzendingen openbaar te wegen, met mogelijkheid tot bezwaar. Dit is een hoop werk, maar gatekeepers hebben natuurlijk evengoed een eigenbelang: netwerk en redactionele oefening (springplankfunctie). Een buitenpersoonlijk argument is dat die aan bladen gelinkte meldpunten een schat aan materiaal zouden opleveren over problematieken en poëtica’s die, opnieuw, de DBNL zou mogen verzamelen en catalogiseren. En tot slot kan er uiteraard fabuleus talent opstaan, en worden begeleid. Het laatste refereert aan de kweekvijverfunctie, die voor literaire tijdschriften controversieel is geworden. Ik lepelde reeds het refrein op over debutanten via literaire agenten (de bekendste lanceerde onlangs een online tijdschrift), maar minstens zo evident is dat literatuurbladen scouting al jaren mijden. Sommige hebben met enige frequentie wel een debuutprijs, maar dat is een tussenweg omdat de aandacht niet structureel is. De belangrijkste afleidingsmanoeuvre is het themanummer. Daardoor ligt de samenstelling van een aflevering vast, met ‘veilige’ namen, conform de succesvolste uitgeverij van de Lage Landen die niet opleiding maar overname tot haar specialiteit heeft gepromoveerd. De beate houding van de onderwereld jegens Komrij is aldus correct, hij doet tenminste wat. Ettelijke ongevraagde inzendingen keuren zijn collega’s niet meer. Eerder geschiedt het omgekeerde, wat ik eens ‘napublicatie’ noemde: een beginnend auteur van boeken die literaire tijdschriften binnen geduwd wordt, om een traditie voor hem te scheppen (cynische content). Eigenlijk is dit gedrag curieus, omdat de eer hoog schijnt iemand te hebben ‘ontdekt’. Minder leuk is het zich te vergissen. Mij lijkt dat men gewoon moet durven, zonder de doorsneegang naar derden te maken op wier autoriteit blind wordt vertrouwd. Daarnaast neemt de kans op missers af door de investering van tijd en aandacht – schaarse artikelen. Precies daar zouden literaire bladen luxe kunnen brengen. Het lijkt me kolossaal om op het web gedichten zich te zien ontwikkelen. Zoiets gebeurt al, maar bij mijn weten niet via versies waarbij glossen van een redacteur zijn te raadplegen en overwegingen bij correcties. Als de dichter daarvoor toestemming geeft, zou men zelfs in dit artistiek voyeurisme kunnen participeren. Klinkt ranzig, maar uiteindelijk draagt het internet, wellicht juist met comments, een zelfcorrigerend vermogen in zich – en sowieso ontgaat me waarom internet geen rectificatieknop heeft. De sterke punten van het medium (publieksbereik, deelname) ondervinden zo geen last van de zwakke (molest, geen gatekeepers); het laatste wordt zelfs gethematiseerd. Natuurlijk werkt het genre poëzie hier ideaal en wat mij betreft beperkt het zich, inzake het literaire tijdschrift, tot het internet. Wat kan de papieren versie dan redelijkerwijs bijdragen?

woensdag 3 maart 2010

Wat nu? (10)

Deze reeks voorbereidend las ik onder meer polemieken van Gerrit Komrij. Ik had daar ooit iets over geschreven dat, weer, weinig super was. Niet alleen omdat Komrijs retorische strategieën gecompliceerd zijn – ik ontdek nu pas dat de polemieken geen polemiek voeren. De traditie wil dat alle tweederangs geattaqueerden door virtuoos gescheld op hen verzekerd zijn van een plek in de literatuurgeschiedenis. Herlezing van enige Komrijstukken leert echter dat veel namen van slachtoffers aan het vervagen zijn, en nu doodsdrift opdoemt: het lot van de polemist die teert op zijn sloopwaar. Die indruk steunt mede op een documentaire, die een onbedoeld bijeffect sorteerde. De auteur verwijlde in permanente respons, van ‘Wat zouden we vanavond te eten krijgen’ tot ‘Ha, de nieuwe Poëziekrant’. Dan wordt het logisch dat de kritiek niet verder komt dan afzeiken. Het procedé van citaat gevolgd door commentaar op de stijl, met beletseltekens, mag aldus niet als een truc worden afgedaan, want is… existentieel – bij het gedurig documenteren bekruipt mij al het gevoel dat ik leeggezogen word en er van mij, indien niet bij het taalkundig genie (‘jouw naam heet papa’), voor de duur van dit project niet meer overblijft dan een obsessie met vier ledematen. Vice versa zullen de schimpobjecten minstens zo moe worden van deze aanpak, die de omslag van Raster kan hebben beïnvloed. Door aan de (voor postmodernisten kwestieuze) buitenkant te sleutelen wilden de redacteuren van de al jaren bashende komrij-achtigen af. Er zit immers iets intimiderends aan hun ‘polemiek’: zinnen en redeneringen worden per definitie uit de context gelicht. Wie daar niet tegen kan, wordt de corrector van desinteresse in zichzelf. Vanuit dat perspectief is het opvallend dat De Reactor niet alleen minder, maar vooral ook andere stamgasten verwelkomt dan de onderwereld. Weerspiegelen zij het micro-universum van literaire tijdschriften, misschien durven zij comments te geven omdat ze niet meteen afgeschrikt worden. Want het geheel van parallellen moet voltooid: de onderwereld vindt in ‘polemiek’ zijn bestaan, met Komrij als lichtend voorbeeld. Hier zie ik een tweede niche voor het literaire tijdschrift: het entameren van ‘het debat’. Zelf begint het me bij die term steevast dun door de broek te lopen. Het wil ook maar niet wennen om in de week dat het kabinet-Balkenende valt te worden uitgenodigd mijn virtuele standpunt te bepalen tegenover de vraag ‘Moet Gerard Kemkers opstappen?’ Zachtjes kraaide ik dan ook victorie toen in een vlammende discussie over literaire tijdschriften die ‘het debat’ moesten outilleren , tot tweemaal toe de vraag rees ‘Welk debat?’ en er tweemaal geen antwoord kwam. Toch kan een waar debat fascinerend zijn, zeker nadat in de postideologie posities aan het schuiven zijn geslagen. Waar de Verlichting geen bewijzen voor en tegen levert! Of de islam! Hoe het neoliberalisme in het aanvuren van dynamiek de gemeenplaats heeft verlokt dat de drijfveer achter links stemmen lijkt: behoud! Daarbij is het internet natuurlijk een geweldig medium voor het debat. Misschien juist doordat er eerst meningen worden geplempt en bij tegensputtering pas informatie wordt ingewonnen, zijn ze behalve irritant en overbodig soms adembenemend, en verplichte stof om deze tijd te begrijpen. Want natuurlijk is bijvoorbeeld de subsidiecasus niet louter in literatuurland heikel. Saillant vind ik ook dat ‘belangenverstrengeling’ inmiddels evengoed vanuit de bovenwereld gedetecteerd wordt. Ik opperde al dat Van Bastelaere en de onderwereld geen vrolijke vrienden zijn en dezelfde methoden gebruiken om dat te tonen, maar ook inhoudelijk blijkt er verwantschap. Waar het rode waas bij subsidies recent weer blonk, had er evengoed bij de klassedichter kunnen worden aangeklopt: het betrof het culturele middenveld. Ook Erwin Mortier, die normaliter nog een ander stoepje veegt, heeft zich hier krachtig tegen verzet. Zijn zij politiek dan ook bondgenoten? En terwijl in diverse toonhoogtes van verongelijktheid de onderwereld zich uitgesloten vindt, worden poëziecolumns van Henny Vrienten bij, breed opgemerkte, verschijning verstoten. Vrienten als jurylid is helemaal een brug te ver – een popmuzikant over edele poëzij, waar gaat het naartoe? Abstracter bezien laat de onderwereld onbesmuikt uitschijnen dat vroeger alles beter was: de bibliotheek, boekhandels, het (literatuur)onderwijs… In het geklaag over gebrek aan ‘niveau’, de teloorgang en de nivellering is er gelijkenis met de visie van een chronisch geschoffeerde auteur uit de bovenwereld. Of met die van Cyrille Offermans, ooit een roerganger van Raster. Internet bracht tot nu toe op literair vlak een contrarevolutie – zoals de Tea Party Movement het liefst alles zou terugdraaien. Maar de oude situatie deugde toch ook niet? Fijne conflictstof voor debatten die literatuur en maatschappij bijeen kunnen brengen. Prettige voorbeelden ook die op metaniveau zijn te belichten: wat een literair tijdschrift vermag. En de proef levert het bewijs: voor deze niche kan lastig de papieren verschijningsvorm gebruikt. Op weg naar het wereldwijde web zijn opiniepagina’s evenwel instructief. Daar wordt in formats gebekvecht over oppervlakteverschijnselen, niet over hun ideologische origine. De vooraf geproclameerde diversiteit noopt tot het spreken van dezelfde taal. Alain Badiou ziet in De ethiek, een boekje met reikwijdte, dat bij al dat respect voor verschil de Ander wel de parlementaire democratie moet aanhangen, de vrijheid van meningsuiting, de markteconomie, feminisme, ecologie… Vervolgens snapt hij dat de opinie de grondstof heet van alle communicatie, die op haar beurt wortels der democratie krijgt aangehecht. Maar de opinie vertolkt wat de spreker altijd al geweten heeft, zegt Badiou: voor waarheden moet een ontmoeting plaatshebben, in concrete omstandigheden. In plaats daarvan wist de oud-premier van België, waar het altijd verkiezingstijd is, onder de naam ‘essay’ een partijboodschap ter grootte van vier opiniestukken gepubliceerd te krijgen, wat een van zijn challengers daar niet onbeantwoord kon laten. Het medium van dienst rangschikte alle wijsheden, grote buur Frankrijk navolgend, maar onder de noemer ‘identiteitsdebat’. Want natuurlijk kan een debat deprimeren en schept internet nieuwe valkuilen. Langs welke moet een literair tijdschrift laveren? Nagekomen Een interpretatie van de recente Vlaamse politieke geschiedenis waarbij de ‘contrarevolutie’ een broertje krijgt in het theologisch klinkende ‘contrareformatie’, en even paradoxaal blijkt.

maandag 1 maart 2010

Wat nu? (9)

Getuige de cascadische tendensen in recensieland moeten literaire tijdschriften meehelpen de lekken te dichten. Het kan echter niet zo zijn dat dit hun voornaamste besogne wordt. Waar beroepspessimisten meermaals in de cultuurgeschiedenis hebben uitgeroepen dat de ondergang aanstaande was, wordt de huidige impasse georganiseerd (met schaalvergrotingen bij medialogica). Nooit eerder heeft bij mijn weten commercie zo’n stempel op het kunstbedrijf gedrukt; het controversiële symbolisch kapitaal is afgelost door economisch kapitaal, dat bij zijn vermeend ontbreken van ‘politiek’ en ‘ideologie’ rechtvaardiger lijkt. De literairetijdschriftencriticus was wellicht bij voorbaat ontgoocheld in het virtuele De Reactor, omdat de bemanning het zinkende schip van de printmedia verlaten zou hebben. Maar oorzaak en gevolg mogen niet verward. 
In het begin van deze reeks kwam een proefneming naar literatuurrecensies in Vlaamse media langs. Als de onderzoeker teksten over één boek had vergeleken, dan had hij zeker ontdekt dat ze kwalitatief fel verschillen. Die teksten voldoen namelijk aan specifieke eisen die in boekenbijlagen rabiater worden – en waaraan men blijft gehoorzamen. Het belang van het zwakste type recensie is nu zo hoog vergeleken met het sterkste type, dat het hele bedrijf wankelt. 
Om dit te doorbreken lijkt een scheiding der geesten noodzakelijk. De culturele illusie mag verlaten worden dat het ene podium iets te maken heeft met het andere
Door gedurige aanpassingen, officieel vanwege de lezer maar concreet voor de advertentie-inkomsten, is een type onttakeld. Zoek onderdak bij lui die, zonder het cliché van de lijdende kunstenaar te etaleren, weten dat je van een artikel per week kunt leven, behalve als het serieus is. Laat organen in de 500-woordenklasse sterren blijven uitdelen, maar reken dit niet langer tot de kritiek. Het is wat het is, een domein waarop uitgevers en media poeha maken over 5% van het aanbod. 
Van oudsher is dit domein mondjesmaat verlaten; slechts weinig recensenten publiceerden ook in literaire tijdschriften. Wel steeg, niet toevallig samen met de publieksparticipatie, hun aantal zitjes in jury’s van (sponsor)prijzen. Met alle respect voor hun passie, door die trend neigen de winnaars en genomineerden meer naar de mainstream – wat, met de sterrenstatus die ze krijgen aangemeten, een gemiste kans is om met ‘onverwachte namen’ deze markt te corrigeren.
Mijn voorstel is rigoureus, besef ik, maar het dunkt me het meest effectieve. Ik heb in de academische wereld soortgelijke (‘rendements’)ontwikkelingen gezien, waaraan men zich ook aanpaste, een helaas schijnbaar natuurlijke reflex die uit overlevingsdrift zal voortkomen. Nog afgezien van de contraproductieve haast ontplooide zich concurrentie, geen collegialiteit. Excellence bleek te ontaarden in middleclass ambitie (en ergernis). 
Het idee is dus om te zwaaien naar het competitie-element uit de opgelegde structuur en er in een hippe verzameling van krachten wat naast te beginnen. Dan kan de consumentenvoorlichting over het immense aanbod eindelijk van start gaan. En daar lijkt me een taak weggelegd voor literaire tijdschriften. Niet in de directe receptie, die verricht kan door initiatieven als De Reactor en Poëzierapport en met uitbouw van mooie internetideeën. Daarom hamerde ik op een blik buiten de mainstream: opdat er digitale aanvullingen komen op goed geoutilleerde papieren tijdschriften als Ons Erfdeel en De Leeswolf. Dan zou iets als pluriformiteit kunnen worden bereikt. 
Op basis van dit pionierswerk, dat wil zeggen vanuit een breed informatiefront en met eerste oordelen tot 2000 woorden, exploreren literaire tijdschriften hun niche. Ook zonder conform de jongste pedagogische inzichten plustaal te hanteren hoeven ze niet te knipmessen: ze kunnen zelf best wat. Met andere accenten beargumenteren ze selecties en afvallers, wat beschouwd werd als aanzet tot canonvorming. Over smaak valt immers wel degelijk te twisten en het kan niet anders dan dat tijdens dat proces, waarbij ‘kwaliteit’ vele gezichten toont, ideeën ontstaan voor andere stukken. 
Vanwege de lengte die dergelijke betogen uitlokken is de neerslag op papier vooralsnog niet te vermijden – wellicht zijn in de toekomst via e-readers abonnementen te nemen. Voor studie en onderzoek zou dit medium echter tegelijk op het internet kunnen in een lopend archief. Omdat er reeds netwerken bestaan in België en Nederland spreekt het in een gesubsidieerde coöperatie vanzelf ze te verbinden met de DBNL, als copyrights uitgeklaard zijn. 
Zo’n getrapte receptie van een groter aantal teksten dan ooit verschaft meteen helderheid aan lezers, die met hun specifieke wensen en verlangens weten waar ze moeten zijn in plaats van, zoals dat in Vlaanderen heet, op hun honger te blijven zitten. Zelfs het uitgeversbelang kan bij zo’n structurele verandering zijn gediend. Bij de acquisitie van boeken en het verdelen van de promotiebudgetten weegt het argument ‘Daar is geen belangstelling voor’ in de regel zwaar door. Maar in het andere model – waarvoor de schaamte moet overwonnen dat het evengoed investeringen vraagt: om de eenvoudige reden dat het op termijn misschien wat opbrengt – heeft het geen werkelijkheidswaarde. 
Bovendien dempt dit idee het mattheuseffect dat het literaire klimaat zo averechts domineert: in plaats van aandacht voor 5% commerciële toppers zou de meer verspreide 20% van weleer kunnen worden bereikt. En meer? Alles wat groeit, stagneert of inhaalt, zal altijd iets kosten. Voordat dit idyllisch gaat klinken, moet ik vermelden dat het idee staat of valt met talent en altruïsme – men zal voor de breedte allicht teksten moeten evalueren waar zeer weinig honden brood van lusten. Maar kwantiteit kan geen eerste maatstaf zijn, wel volharding. 
Mijn Raster-kritiek bestond er onder meer uit dat het blad in de jaren tachtig een rare bocht nam en zich nog net niet expliciet afzette tegen zijn logische voortzetting, het postmodernisme. ‘Als’ telt niet in de topsport, maar in literatuur misschien wel: wat was er gebeurd indien men voort was gegaan op de ingeslagen weg? Een generatie dichters in Nederland zou niet verweesd zijn geraakt, een gedachtegoed zou in de kritiek niet zijn weggewuifd zodat in plaats van scoringsdrift… 
Ik breek deze dagdromerij over het exponentieel stijgende gewicht van een literair tijdschrift af voor de nuchtere vraag: waarom zou het de steven hebben gewend?

vrijdag 26 februari 2010

Wat nu? (8)

Omdat belastinggeld van en voor iedereen is, kan er zonder uitzondering over meegepraat worden. Het pleidooi van de criticus in Knack tegen gesubsidieerde literaire tijdschriften leek aldus gerechtvaardigd, maar zijn iconoclasme was zo dat een medewerker van een bestookt blad moest denken aan een ‘beschadigingsoperatie’. Daar leek weinig op af te dingen, ware het niet dat de criticus zijn ‘literaire vrienden’ in een comment nog ‘met literaire groeten’ de les las over hoe het internet te gebruiken: zoals op het boekenkanaal van Knack, ‘wat stripnieuws, wat serieus nieuws, wat interviews en reportages, enkele blogs enzovoorts’. Die aandacht voor strips is inderdaad markant. De ene sponsor van de site steunt een stripclub die, als opvolger van de chef van de site, als Raad van Bestuur-voorzitter de baas van de andere sponsor heeft. Journalistiek mogelijk krom, maar niet geheimzinnig tegen het reliëf van de beoogde cross-promotie. Wie bekostigt echter het honorarium van de criticus voor zijn antisubsidiebetoog op dat boekenkanaal? Knack is een vrije onderneming, de ene sponsor is een provincie, de andere een laaglandelijke literaire stichting. Beide ondersteuners van deze site worden dus van belastinggeld betaald. Ten slotte rijst de vraag of bij de criticus tijdens alle subsidiesmaad zijn geheugen werkte. In de papieren Knack had hij twee jaar eerder onder de titel ‘Behoed ons voor bekrompenheid’ namelijk becijferd dat de belastingbetaler meer moest ophoesten in een ander potje voor een ander cultureel tijdschriftconglomeraat: zo’n 15 keer het bedrag voor het hoogst gedoteerde literaire orgaan. Maar zelfs de naam viel niet. Deze omissie was de hoofdredacteur van dat zwaarst ondersteunde blad eveneens opgevallen, want ter plekke kwam hij melden het in het debat te hebben gemist. En hij feliciteerde het met zichzelf en ontvouwde zijn plannen voor het nieuwe jaar. Daarna werd dit wapenfeit gesignaleerd in eigen huis, waar onder het kopje Onze uitgaven onder Boeken te vinden is dat de criticus er een opdrachtgever in heeft. Wie op het boekenkanaal van Knack zoekt op de naam van het tijdschrift vindt meer dienstbetoon. Dit West-Vlaamse pingpong tussen complexen in Roeselare en Rekkem vind ik koddig. En van mij mag elk blad iets krijgen: we drinken koffie uit dezelfde kan, en zelfs biechten en zelfkritiek houden iets dubbelhartigs. Wel deins ik terug voor het grotere verband van zulke praktijken. Ik weet eigenlijk niet of ze kaderen binnen het neoliberalisme of terugvallen in de verzuiling, als geldt: Wiens brood men eet diens woord men spreekt. Daarbij brandde de criticus in De Reactor een concurrent van Knack af. De subsidie voor het recensieplatform bekrachtigt immers dat zijn bestaansrecht, weliswaar zonder winstoogmerk, ligt in het corrigeren en aanvullen van op de markt aanwezige literatuurbeschouwing. In zekere zin dient De Reactor evengoed een economisch doel. Ik weet dat mijn opvattingen hierover, onordelijk gestructureerd en weinig geabstraheerd, omstreden zijn, maar mij lijkt dat concernuitgevers in de gegeven constellatie niet heel veel van hun boeken weten; ze moeten zich bedienen van de analogie. Een competent recensieplatform verleent de waar alsnog content (en functioneert als heuse legitimeringsmachine voor genres die mede door afstoting bij concerns versplinteren). Louter de onderwereld beweegt zich op de vrije markt. Om nu richting te geven aan de eeuwige plasmastromingen over belastingbetalers die bagger moeten ondersteunen, ga ik terug naar mijn jeugd. Toen heette het principieel om een bepaald bedrag van de aanslag, ik meen 173 gulden, niet te betalen omdat dat naar Defensie zou gaan. Ik vond dat raar: wat te doen als door een overstroming je have in veiligheid ging worden gebracht door militairen? Jaren later doemen verwante kwesties op: ik heb geen auto, geen gsm, maar zal allicht door mijn belastinggeld faciliteiten daarvoor schragen. Voor mij is dat geen probleem, ook uit eigenbelang – momenten dat andermans auto en gsm mijn dierbaren en mij kunnen redden. Voorts zal ons dagelijks voedsel niet door dolfijnen en duiven worden getransporteerd. Ik heb graag dat zulke zaken door mensen worden geregeld die daar verstand van hebben. In verband met het onderwerp van deze reeks: ‘de markt’ rijmt gewoon niet met het literair tijdschrift. Voor wie dat niet accepteert stopt het (‘wij dokken niet voor andermans hobby’), wie dit fait accompli aanvaardt zou kunnen soebatten over een redelijke steun. Voor overwegingen daarbij denk ik niet in eerste instantie aan ‘We, the people’, maar aan mensen die zich in deze materie hebben verdiept. Dat lijkt me niet elitair. Wanneer mijn boiler kapot is laat ik hem repareren door een loodgieter; bij een handige Harry, hoe bekwaam en voordelig ook, kan er bij onverhoopte feilen geen beroep meer zijn op de fabrieksgarantie. Dat laat onverlet dat ambachtslieden, bewust of onbewust, fouten kunnen maken. Uitsluiting lijkt niet te vermijden. Gelukkig kunnen er bezwaarschriften worden ingediend. Protest in de publieke ruimte tegen bij naam genoemde mensen die hun privésmaak zouden doordrukken, doen hetzelfde als het verwijt behelst: op eigen houtje oordelen en procedures omzeilen. Wel ligt er een grote verantwoordelijkheid bij de keuze van juryleden, die tot de beste prestaties zullen worden aangezet door zo groot mogelijke poëticale verschillen. Met die re-ideologisering wil ik niet terug naar de verzuiling, toen naar verluidt Revolver eens sakkerde omdat de minister het budget had herschikt na de ontdekking dat de scouts nieuwe tenten moesten, maar pleit ik voor meer openheid van standpunten. Dat is tevens in het belang van ‘We, the people’, die in de boekwinkel feitelijk al beurzen toekent. Daar zijn literaire tijdschriften overigens te koop of te bestellen. Dus. Wat kan in de eenentwintigste eeuw het nut van een literair tijdschrift zijn in combinatie met het geweldige potentieel van internet?

dinsdag 23 februari 2010

Wat nu? (7)

Bij een virulent criticus kan het verhelderend zijn eerst het schuttersputje te inspecteren. Hij molesteert tijdschriften, dus hoe is het zijne? Er is een tijd geweest dat Knack een luis in de pels van de autoriteiten was. In boekbesprekingen gaf het lezers ook waar voor hun geld. Dat daar niet altijd sprake meer van is kan eraan liggen dat de hoogtijdagen van het altijd wat wijdlopige postmodernisme voorbij zijn, maar verwikkelingen binnen het concern kunnen eveneens wegen. De capaciteiten van de besprekers staan buiten verdenking, want de criticus doet al sinds jaar en dag mee. Wel erkent hij dat inmiddels de pagina’s ‘in hoge mate verlifestyled [zijn] en soms weinig happig op serieuze brokken boekenkopij’. Hij ervaart dat ook in zijn specialisme door schaalvergroting het tempo is opgeschroefd. Dat leidt tot door internet versimpelde copy-and-paste-journalistiek die vaak gethematiseerd wordt. Bijvoorbeeld met het vonnis door Nick Davies dat een amusant Droste-effect sorteert – alsof het slechts de concurrentie aangaat? Zulke manoeuvres tekenen een bitse strijd om de lezer, die steeds minder printtekst tot zich neemt en dus selecteert. Boeken zijn een toemaatje, waarvoor een medium bonnen knippen laat in het kader van acties voor ‘bibliotheken’ die in meer dan één opzicht goedkoop zijn. Bij de strijd om de lezer in printmedia ruimt informatie steeds meer het veld voor sensatie en bij toestanden is het geven van naam en toenaam van mensen naar wie onderzoek loopt omdat ze verdacht zijn, ook op kwaliteitspagina’s normaal geworden. Is dat een verschuiving naar de mores van de onderwereld? En wordt in Nederland nog immer gerept van Mohammed B. en Volkert van der G.? De meest logische vraag is of de lezer eigenlijk wel zit te wachten op structurele ranzigheid. Knack profileerde zich door een vermeende e-mailcorrespondentie te publiceren tussen een man en een vrouw uit de Vlaams-Belangtop. Het blad wou er hun liefdesrelatie mee bewijzen. Naar eigen zeggen diende deze onthulling het landsbelang: om anders dan door het cordon sanitaire te demonstreren dat de partij perfide was. Los van het feit dat zowel bij die diagnose als bij de behandeling ervan vragen kunnen rijzen, wat gebeurde, kreeg het blad haar actie als een boemerang terug. Dat de vrouw inmiddels een blog bijhoudt voor de publieke omroep heeft allerlei redenen, waar misschien deze bij is: Knack was te ver gegaan (zelfs in het besef dat de vrouw de openbaarheid niet schuwt; haar site vertoont momenteel foto’s van haar woning die ze om aangegeven privéredenen verkoopt). Literair nieuws hoeft er met zijn hoge schoorsteenbrandgehalte geen last van te hebben. Maar op het met twee sponsoren opgerichte boekenkanaal van Knack werd recent een drie maanden oud persbericht gepresenteerd als eigen nieuws. Kwam het door het oude symbolisch kapitaal van de papieren versie van het blad dat het non-nieuws zich meteen door de onderwereld verspreidde en ook snel op beroepssites van boven kwam? Vervolgens werd er een draai aan gegeven en Knack deelde met het wissen van de naam van zijn correspondent slechts half in de verantwoordelijkheid. Die onwil om feiten te verifiëren en de haast om tijdingen te herhalen staan niet op zichzelf. Dat maakt ook het beklag van sommige literaire internetinitiatieven, dat ze geen subsidie krijgen voor meningen bij hyperlinks, aan de boude kant. Dat zeg ik met oprecht ontzag voor hun volharding. Maar desnoods onder de vlag van ‘burgerjournalistiek’ hebben zij, net als het boekenkanaal waarop de criticus zijn invectieven jegens papieren tijdschriften lanceerde, een wereld te winnen op printmedia met een pupillenvoetbalsyndroom – een kluitje rond de bal, terwijl het veld open ligt. Helaas. Hoewel het Knack-kanaal de niche heeft van berichten uit de boekenbranche die om bovenverstandelijke redenen officieel louter voor abonnees zijn (terwijl de overgenomen VN-recensies eveneens ter plekke raadpleegbaar zijn), zie ik weinig verschil met wat er zoal op het net te vinden is. De aanval op De Reactor en papieren literaire tijdschriften beantwoordde zelfs aan de virtuele usance: ferme, ongenuanceerde mening met de portee AFSCHAFFEN. Verder verstrekte de criticus imposant veel feitelijke onjuistheden. Kennelijk moeten beschuldigden ze rechtzetten in een comment of in een aparte bijdrage, die het medium simultaan optuigt voor ‘het debat’. Is dat tactvoller dan verdachtmakingen die literaire tijdschriften met hun subsidiegevers van stonde af vanuit de onderwereld mochten ondergaan? De internetposting bleek een fragment. Het web bood toegang tot de beledigende voorstellen, terwijl in de papieren Knack mocht genoten van de theoretische onderbouw, in een cursus Habermas-en-het-koffiehuis (welke klassieke plaats van handeling daarna ook in Nederland opdook, in een pleidooi, volgens een comment ‘veeeeeel te lang om de aandacht van de internetlezer vast te kunnen houden’, dat opzichtig om De Reactor heen liep). Was ‘de internetlezer’ van Knack door een vermelding van Habermas anders teruggedeinsd? De criticus leek die vrees te bezweren door totaal verschillende ‘reflecterende en dikwijls ook meer academisch aandoende bladen’ op één hoop te vegen. Een staaltje zelfverloochening, nodig om te eisen dat het ‘belastinggeld’ niet aan ‘inteeltinitiatieven zoals De Reactor’ werd besteed: ‘We, the people hebben daar recht op’. De gemoederen liepen algemeen op tot een relaps in de oude muntsoort, toen er werd gerept van ‘elke cent subsidie’ die er een te veel is. Waarom toch? Aangezien overheidssteun een instrument is om de markt te corrigeren, snap ik dat de criticus zich in het geld voor De Reactor een brevet van onvermogen zag worden opgespeld. Aldus was het te begrijpen dat hij meteen ook het Fonds aanviel, al was het als surrogaatvader voor Knack dat gaande de jaren de ruimte voor zijn kritische expertise zal hebben beperkt. Een collega-recensent doopte zijn weblog om tot ‘De Reactor.be In afwachting van die andere Reactor’. Toch bleef er iets onbegrijpelijks aan deze exercities. Want als het gaat om tijdschriften ‘die erg handig zijn in het binnenrijden van kruiwagens met steun’, ligt dan een ander instituut niet een heel klein beetje meer voor de hand?

zaterdag 20 februari 2010

Wat nu? (6)

Vooralsnog bewijst recensieplatform De Reactor zijn nut: het overtreft nu al enige maanden de boekenbijlagen. Zegt dat wat over zijn recensies of over het reeds bestaande? De voorwaarden op internet lijken gunstiger. Geen deadlinegedoe met drukproeven voor ‘de waan van de dag’ en besprekers krijgen 2000 woorden, een omvang die voor liefhebbers de hemel moet betekenen en voor niet-geïnteresseerden een wetboek. Prettig ook dat Nederland en België niet de onbekendheid van elkaar uitventen die ertoe heeft geleid dat kaskrakers als De zaak Alzheimer en Alles is liefde over de respectievelijke grenzen remakes krijgen. Voldoet het platform ook aan zijn missie? Waarschijnlijk wegens gebrek aan sturing, zoals tijdschriften wel kunnen, blijven de titels tamelijk recent. En ik weet niet of de Taalunie, een van de subsidiegevers, het geinig vindt dat nogal wat gerecenseerde, mainstream highbrow bellettrie bijna vanzelfsprekend uit het buitenland komt. Zelf was ik benieuwd naar de poëziebesprekingen. Ze stelden mij meestal teleur, ik vind ze gedwee dan wel inexact in hun brutaliteit. De keuze van de dichters, een uitzondering niet te na gesproken, ligt zo voor de hand, dat collega-site Poëzierapport onontbeerlijk blijft. Daar wordt kwalitatief misschien niet altijd even geweldig, maar minder voorspelbaar werk soms secuur gelezen – meteen een voorbeeld van elkaar versterkende initiatieven. Dat ik van de poëzierecensies meer had verwacht, ligt vermoedelijk mede aan hun biotoop. Vergrote mogelijkheden blijven, een enkeling weer niet na gesproken, vooralsnog onbenut. Toch leent een posting met hyperlinks zich voor dialoog, verruiming, tegenspraak. Hoe aardig het is dat elders het medium wel in zijn specificiteit voor poëzie ingezet wordt, De Reactor houdt zich erg ver weg. Het rijtje ‘Interessante links’ heet nog net niet ‘Secundaire bibliografie’. Nog een facet aan internet is de reactiemogelijkheid. Die toont zich bij De Reactor tot nu toe gestremd. Hoewel publieksomvang mij niet het allerbelangrijkste criterium lijkt, worden hier lezers in de kou gezet. De discussierubriek ‘De laatste stelling’ komt niet van de grond. Dat kan ermee te maken hebben dat auteurs soms kribbig reageren op commentaar of zich niet verwaardigen (zelf) te antwoorden. Voorts is er de mysterieuze buffer van een moderator en blijken grotere comments technisch nog niet doenbaar: eerlijkheidshalve kan de optie beter weg. Dat deze site krampachtig met confrontaties omgaat, verklaar ik uit de kennismaking met het luidruchtigste deel van de onderwereld. Een van de eerste recensies kreeg een comment vol routine-insinuaties – en werd even denigrerend verwijderd. Het veelgebezigde begrip ‘censuur’ lonkte en de ter zelfde plekke gevoerde verdediging – ‘op Internet mag je wel toevoegen (want dat is deel hebben aan de beweging van die lopende code) maar een ingreep in andermans reactie (op zichzelf niet minder mogelijk gemaakt door het medium) is voor jou geen deel van die beweging’ – leek een diplomatieke slimmigheid. Resultaat: nog meer irritatie. Ik vind het moeilijk zonder veel psychologiseren de stemming in de onderwereld jegens De Reactor te benoemen, omdat de diagnose collectieve hysterie voor de hand ligt. Ze resulteerde in elk geval in een haatcampagne. Omdat die ontbrandde lang voordat de site officieel in de lucht ging, had ze niet alleen iets evident onrechtvaardigs. De haat was ook lachwekkend: op het oneindige internet wou men een centrum reserveren. Overigens zal het vuur aangewakkerd zijn doordat de eerste voorbereidingen voor De Reactor bij Yang waren getroffen (ironischerwijs werkt de link daar naartoe niet). Nu hoeft wat mij betreft net als lekker bier goede rancune niet vies te zijn, maar hier was zij intreurig. Bediscussieerd werden ‘kwaliteit’ en ‘professionaliteit’, maar de indruk verdween niet dat doorn in het oog de brede subsidie voor De Reactor was. Dat fenomeen is, samen met het juryrapport, dé sparringpartner voor boksfestijnen in de onderwereld. Beide items bieden een proeve van erkenning door de bovenwereld. Daarop komt meestal het bezwaar van ‘belangenverstrengeling’, door ‘inteelt’. Vanuit die optiek had het verstrekte geld aan De Reactor evengoed tot hosannagezang kunnen leiden: impliciet kreeg de recensiearbeid van de bovenwereld één ster. Maar het negatieve sentiment woog door. Dat was voorstelbaar: dit startend project moest de zegen krijgen vanwege symbolisch kapitaal, niet vanwege er reëel voor geleverde prestaties. Wel zou voor ‘vriendjespolitiek’ de tel spoedig kwijt zijn, want het platform mikt op erg veel recensenten – altijd prijs! Is dat binnen een zo klein taalgebied als het Nederlandse bijna onvermijdelijk, het valt niet te ontkennen dat de omgang aan de claustrofobische kant is. Wie daar gevoelig voor is raakt in een toestand van heteronomie, en slaat aan het laveren om niet tegen de royale hoeveelheid meubilair te stoten. Zo bezien is de onderwereld een verademing, al blijft door de gerichtheid op de bovenwereld de autonomie onbereikbaar (en maakt men zich vermoedelijk alleen maar meer onmogelijk, wat dan extra verontwaardiging verwekt). Het binnenhuisrealisme, dat van oudsher de Nederlandstalige literatuur zou beheersen, draagt aldus letterlijk een institutioneel masker waarachter, zoals bij Facebook, parochiale trekjes verscholen gaan. Bij zulke observaties hoort in de praktijk de frase zich verre te houden ‘van het gescharrel der kippen in de tuin der Letteren’. Onloochenbaar koos De Reactor echter niet voor specialisten, maar voor netwerken. Dan is het consequent dat er geen gelegenheid is voor ongevraagde inzendingen. Ook acteren sommige medewerkers – conform nog een prototype van de laaglandse literatuur, de naoorlogse verzetstrijder – in het bijlagenklimaat waarvan het platform beweert afstand te nemen. Bijzonder is dat het idee voor een platform op het wereldwijde web er zelf op te achterhalen is, in een comment uit 2006. Het kwam van Rutger Cornets de Groot, een exponent van de internetpraktijk; vandaar wellicht zijn getergdheid tegenover het resultaat. De Reactor negeerde zijn veelal rake mediumgebonden kritiek. Wel werd een verdedigingslinie opgetrokken tegen bombardementen vanuit de bovenwereld. Daarbij lagen tegelijk literaire tijdschriften weer eens onder vuur. Wat bezielde die schutter? Rectificatie Zoals het vierde comment vermeldt, is het euvel met langere comments op De Reactor verholpen. Ongevraagde inzendingen zijn nu ook welkom.

donderdag 18 februari 2010

Wat nu? (5)

‘Overbodig nummer’: zo betitelde Deus ex Machina vorig jaar de aflevering gewijd aan ‘de toekomst van het literaire tijdschrift’. Ik noem daaruit slechts één bijdrage, omdat die snel bereikbaar is, bewust ‘kort door de bocht, om de discussie van enig contrastvloeistof te voorzien’, én gemaakt werd door een ervaringsdeskundige in het veld: redacteur Yang, literatuurrecensent voor diverse kranten, chef Standaard der Letteren, jurylid, en volgens het colofon nu Business Unit Manager bij Sanoma Magazines. Hij wijst op de afhankelijkheid van subsidies bij het literaire blad die als ze eeuwig zouden duren ‘een maatschappelijke schande’ zouden zijn, temeer daar de sporadische abonnees nog in hoeveelheid slinken. Die desinteresse komt volgens hem doordat hardwerkende redacteuren niet in de werkelijkheid zijn geïnteresseerd: ze doen het enkel voor zichzelf. Hij pleit voor zelfkritiek, hergroeperen en digitaliseren. ‘Die drie literaire debutanten worden door uitgevers wel op andere manieren opgepikt’. Het laatste gebeurt natuurlijk reeds: agenten leveren auteurs aan de hoogste bieder. Economisch bezien is de overheidsbemoeienis in de benoemde redacteursautoriteit van een gesubsidieerd blad geprivatiseerd; een tussenpersoon faciliteert de vrije markt en krijgt voor die ingreep 15%. Vaarwel kweekvijver, de deur staat gewoon open! Maar het grootste bezwaar is dat er geen rekening gehouden wordt met de lezer. Het klinkt inmiddels vertrouwd, vooral gecombineerd met de pertinent vermelde subsidie, en bevestigt de common sense dat die bladen elitair zijn. Toch vrees ik dat hier een denkfout in zit. Niet alleen omdat onprofessionele beoordelaars ook een hegemonisch referentiekader hebben, vooral omdat de onuitgesproken conclusie is dat ervaringsdeskundige zelf wel heeft gedurfd in te spelen op de behoeften van lezers-consumenten. Helaas moet ik hem een jij-bak verkopen. Als er iets ‘zijn’ boekenbijlage en die van concurrenten kenmerkt, is het wel geringschatting van de lezer. Deze wordt gesmoord in een lappendeken van tips, jubilea, ranglijsten, hobby’s, verjaardagen, voorpublicaties, weekjournaals, overlijdensgevallen, interviews, vooruitblikken – alles eigenlijk wat de bespreking van een boek kan vermijden. Is die implosie niet ijdel? Hooghartig dunken me signalementen van ‘fijnproeversbundels’ of ‘pareltjes die aan onze aandacht waren ontsnapt’. Net als bij de spaarzame als recensie bedoelde teksten is het al juichen indien de 500-woordengrens wordt gehaald. Het geheel is gul afgebiesd met foto’s, wat niet erg is maar in verhouding tot de tekst doorgeslagen lijkt, getuige wat in minder professionele tijden van weleer gewoon was. In feite is het komisch dat je schrikt, met het instantoordeel ‘misplaatst!’, als in zo’n context een soevereine rubriek opduikt waarin teksten ernstig worden gelezen, overdacht en op hun relevantie onderzocht. De behandelde boeken zijn daar echter meer dan drie maanden oud, plaatsvervangend excuserend voor de organisatoren? Het is lastig zich te identificeren met de chefs van dergelijke projecten. Hun overwegingen en werkmethoden zijn geboekstaafd in fraaie interviews die als bijlage bij een ‘masterscriptie’ dienden. Ik wil daar niet lacherig over doen, want de aanpak van die mensen is reëel en getuigt op eigen wijze van een liefde voor het boek. Bovendien hoef je niet voor augur gestudeerd te hebben om te zien dat ze, uitzonderlijk in de branche, over een lange periode consistent zijn. De huidige chef Letteren volgt het door de ervaringsdeskundige geëffende pad dat voor hem evengoed gebaand was. In Deus ex Machina raadt hij literaire tijdschriftredacteuren aan streng te zijn voor zichzelf. Zou hij ook voor de spiegel hebben gestaan? Als prototypisch onderwerp voor een literair blad noemt hij ‘eindelijk de vlammende waarheid over dat laatste boek van Tom Lanoye, iets wat in de boekenbijlagen van kranten natuurlijk al lang niet meer mag geschreven worden’. Met gelouterde ironie suggereert hij een complotgedachte van ouderwetse cultuurliefhebbers (bij wie hij retorisch ‘beschaving’ detecteert) die erop stoelt dat kritiek op een merknaam doelbewust achterwege blijft in massamedia. Maar ik denk dat kritiek daar welkom is, om de bijlage een ‘identiteit’ te geven. Inzake Lanoye heerst echter het format van het interview, waardoor de nadruk komt op zijn familie, keuken, reizen, humanitaire acties et cet; aan een ander katern verstrekt hij desgevraagd zijn opinismen. Heeft de ervaringsdeskundige zich ooit afgevraagd wie dat eigenlijk interesseert? Kan het dat bij hém ‘de lezer langs de achterdeur buiten gelopen’ is? Ik zal in foute kringen verkeren dat, hoewel consensus ontbreekt over hoe te reageren bij een verzoek, mij niemand bekend is die voor de lol nog een boekenbijlage doorneemt. Indien je als lezer niet meer serieus genomen wordt, lijkt een scheiding logischer. Ik las ook Oosterbaans en Wansinks studie over kranten in mediaconcerns. Volgens die auteurs snakken lezers naar analyse maar worden ze om de oren geslagen met meningen door matadoren van het seizoen. Als het gaat om het boek zijn juist in literaire tijdschriften steeds vaker analyses te vinden. Ze hebben daarmee kennelijk niet direct een gat in de markt gevonden, maar nemen wel een taak op die de krant heeft afgestoten. Iets anders is of dat hun bestaan rechtvaardigt. Uiteraard niet, mede omdat zoiets op het wereldwijde web, waar ook de ervaringsdeskundige heil in ziet, wat goedkoper en duizend keer zo bereikbaar kan. En zo geschiedde, met recensieplatform De Reactor. Je wilt niet weten wat dat bleek in te houden.

dinsdag 16 februari 2010

Wat nu? (4)


Indien sommige literaire tijdschriften bewust ‘moeilijk doen’, zouden ze vooral sociologisch interessant worden. En pleidooien voor het tegendeel? De overtuiging dat media meer op hun hurken mogen is gebracht door Van Reybrouck, maar misschien is het interessant iemand uit de praktijk erover te raadplegen: Siegfried Bracke.
Recent stak deze anchorman onder de provocerende titel ‘Lang Leve Zijne Majesteit de Kijker! Marketinglogica als motor van journalistieke kwaliteit’ de loftrompet over de commerciële televisie. Mij fascineerden Brackes argumenten tegen de zijns inziens natuurlijke antagonist: de publieke omroep. Hij verwijt deze ‘politiek correcte’ journalistiek door een ‘intellectuele elite’ die geen kennis van ‘het reële leven’ zou hebben, laat staan van ‘wat gewone mensen bezighoudt’.
Zoals ‘ideologische’ literaire bladen zouden buitensluiten, zo had de publieke omroep ‘pure Oostblok-methodes’ waarmee onwelgevallig nieuws geweerd werd. De cesuur van dergelijke praktijken legt Bracke bij de val van de Muur – toen commerciële televisie zijn intrede deed in het bestel. Omdat dat feit hier reeds is gecontextualiseerd, citeer ik slechts nog één statement van Bracke: ‘Lange stukken maken kan iedereen. Kort en toch begrijpelijk én zonder verlies van essentiële inhoud, dat is een kunst. Alleen dan win je de strijd tegen de meedogenloze zapdoos; alleen dan wordt het stuk doorgelezen tot het einde.’
Enige kanttekeningen. Bracke suggereert dat de overheidsconstellatie louter een peergroup bediende. Ik krijg juist die indruk bij het wereldwijde web, door gevoeligheden in comments en door soms luttele stamgasten die overal wat op te zeggen hebben. Of kennen communities geen ingewijden?
Twee. Onweerlegbaar is jaar na jaar het aantal abonnees op literaire bladen aan het dalen. Mochten ‘gewone mensen’ ooit belangstelling hebben gehad, het feest is nu definitief voorbij. Maar wat zegt dat over ‘kwaliteit’? Verraadt het eeuwige gemor erover uit de desnoods met Olympisch overwicht bezochte onderwereld ongerief? Is het invloedrijkste ook het waardevolste?
Drie. Indien echt het mes gezet wordt in cultuursubsidies (en er door guilt by association mee verbonden ontwikkelingssamenwerking), dan zullen met het vrijgekomen geld muren opgetrokken moeten worden tegen de Ander. Wat zou de bevolking zijn ontzegd na morgen?
Vier. Ik stem met Bracke in dat bondigheid een gave is, die bovendien van oudsher verbonden werd met deugd – leugenaars zouden, ahum, woorden blijven strooien. Voor uitleg en analyse van complexe uitingen die literatuur bevat, doemt er echter een ondergrens waarmee recht kan worden gedaan. In mijn ervaring ligt die voor bellettrie bij 500 woorden en raakt een recensie in zicht bij 1500 omdat vanaf dan ideeën en oordelen voor het voetlicht kunnen komen.
Daarmee zit ik meteen bij zaken die expliciet gezegd moeten voor ik Brackes bevindingen eerder symptomatisch dan uitzonderlijk verklaar voor de bovenwereld. Dat definities zijn gewijzigd. In de zaterdagse Standaard staat boven het eerste opiniestuk, dat het dubbele van de reguliere 750 woorden toegewezen is, ‘essay’. Eveneens door ideologisch-economische verschuivingen is ‘cultuur’ wat anders gaan betekenen. Onder die noemer berichtten als highbrow gekwalificeerde kranten in België dagelijks over de quiz De slimste mens ter wereld. Het begrip is tevens herijkt door technologie.
Ook wil ik vastgelegd hebben dat vele andere als hoog opgevatte kunsten verlegen zitten met hun bereik. Boven deze posting staat een helaas weinig aan de verbeelding overlatende tabel bij een bericht over de belangstelling per generatie voor klassieke muziek. Andere dada’s ad lib.
Er lijken dan weer veel kopers voor de hertaalde en uit saaiheidsvermijding met een vijfde bekorte Max Havelaar. Nu was de gelegenheidsuitgever in de unieke positie om, aangezien hij een krant is, het boek in fases opzichtig te pluggen, voor hij er een – positieve – recensie van publiceerde. Ook lag de winkelprijs laag.
Maar toch, bevredigt die hertaling een behoefte en gaan nieuwe lezers, die ze zei te willen winnen, daarna de integrale Max Havelaar openslaan? Zelf las ik, afkomstig uit een gezin waarin boeken geen rol speelden, Max Havelaar op 16-jarige leeftijd voor de leeslijst. Ik had net een nieuwe rekenmachine, waarmee het percentage reeds geconsumeerde bladzijden becijferd kon. Geen onvergetelijke leeservaring dus. Toch zat er voldoende in de tekst dat mij later, beter geïnformeerd, ernaar deed terugkeren.
Nog later heb ik me een beetje proberen te verdiepen in Max Havelaar, en juist vanwege die kennis zou ik, voor wie kunst niet heilig is, het ondoenlijk vinden zinnen te schrappen. Naast artistieke zijn er voor die onmacht humane redenen. Hoe kan ik bepalen wat ‘te moeilijk’ is? Zoals ik evenveel jeuk heb gehad van studenten die de arbeider klassenbewustzijn wilden bijbrengen als van hun critici die verzekerden dat hij meer geïnteresseerd was in mayonaise en triplex, is er voor mij iets stuitends aan voor derden te weten wat ze kunnen. Het nut om kennis helder te verspreiden, onderken ik nota bene stellig. Evenals dat onderzoek bizar kan zijn.
Mij schiet geen meer elitaire houding sinds hippies te binnen dan van mensen die weten sommige teksten niet te hoeven lezen omdat ze daar ‘te dom’ voor zijn. Die inspanning loont toch niet want de ‘hermetische’ schrijvers zijn bijvoorbeeld ‘Franse filosofen’. Dit anti-intellectualisme is ingewikkeld omdat het appelleert aan redelijkheid en hartstochtelijke letterliefde claimt. Ook is het in zijn toon, die louter wil behagen, tegelijk hooghartig en onzeker.
Sinds de opkomst van het postmodernisme is het in Nederland dominant geworden, soms heel subtiel. In een oratie werden ‘de deconstructivisten’ en ‘poststructuralisten’ exclusief belicht vanuit de autoriteit George Steiner. Nu zal het leerzaam wezen om bij Arsenalsupporters informatie over Chelsea in te winnen, maar misschien is die wat incompleet en zelfs niet helemaal adequaat. De laatste jaren treedt zulk gecamoufleerd geweld tegen de waarheid ook in België naar voren.
Waar Mulisch moest ruiken aan een envelop om de achterhalen of de erin gevouwen bijdrage voor De Gids kon deugen, volstaat heden een naam voor bijval of uitbraak. Word ik dan een cultuurpessimist pur sang als ik het obsceen vind indien reguliere media aan het literaire tijdschrift als zodanig hun vertrouwen opzeggen?

zaterdag 13 februari 2010

Wat nu? (3)

Dat literaire tijdschriften overbodig zijn omdat ze een als het ware oneerlijke sterke poëticale inslag hebben, is vanuit historisch perspectief onhoudbaar. Partijdigheid was het kenmerk van bladen die in de literatuurgeschiedenis zijn opgenomen. Natuurlijk is dan ‘normverandering’, gepraktiseerd in een vadermoord, het ordenend principe – dat even elementair discutabel is bevonden. Maar het lijkt me stug dat zogezegd nevenschikkende literatuuroverzichten die bladen zouden vervangen door ‘pluralistische’.
Ik moet die term uitklaren, maar eerst iets over een even heikele, die aan poëticale bladen verkleefd is: ‘ideologisch’. Onlangs viel hier de heersende aversie tegen deze kwalificatie te vernemen, omdat ze zou leiden tot gepolariseerde inzichten van voor de val van de Muur. Voortredenerend zouden zulke tijdschriftredacteuren slechts hun ‘eigen agenda doordrukken’. 
Dikwijls behelst het niet meer dan een academisch gelijk wanneer hierop de vaststelling komt dat de verwerping van ideologie evengoed ideologisch is. Maar het strekt verder. In Geweld, de vorige posting al genoemd, zei Zizek dat slechts extremen nog gepercipieerd worden als ‘ideologie’: religieuze ijver (‘fundamentalistisch’) en trouw aan een politieke overtuiging (‘verstokt’). Het dagelijks leven van de overweldigende rest zou door het gezonde verstand neutraal geworden zijn, ontvankelijk voor alles.
Staan postideologische tijdschriften open voor elke bijdrage met ‘kwaliteit’? Hun verklaarde antipoden hebben de naam te weigeren wat niet in hun kraam past, en dus aan uitsluiting te doen. Maar zelfs de meest fameuze onder hen hebben teksten over het hoofd gezien die goed hadden gepast. Volgens mij is dat een andere constante in de literatuurgeschiedenis, die geregeld melding kan maken van – ook door uitgeverijen – afgewezen grootheden. De reputatieschade zou groter zijn dan bij het publiceren van rommel. 
Uitsluiting blijkt een wetmatigheid, die menselijk mag heten, met als varianten favoritisme en verzwijgen. ‘Pluralistische’ bladen praten protocollair als bij hen ‘duizend bloemen bloeien’. Citeren ze sowieso een ideologierijke consument, de ontkenning van een politieke dimensie zuigt alom het begrip ‘tolerant’ aan, dat in de woorden van Zizek een ‘postpolitiek surrogaat’ is. Want na de val van de Muur zijn uitbuiting en onrecht niet verdwenen. 
Wellicht is het een soortgelijk teken des tijds dat recent twee bij uitstek ‘ideologische’ bladen, hoogtepunten uit de naoorlogse laaglandse literatuur, het loodje hebben gelegd: Raster en, door een fusie, Yang. Beide hadden te lijden onder een beeldvorming die dolzinnig raakte.
Yang is ouder geworden dan Revolver, op weg naar de vijftig, maar haar reputatie dankt het aan de korte, belligerente periode waarin Dirk van Bastelaere en Erik Spinoy redacteur waren, net als Hans Vandevoorde en Bart Vervaeck die theoretische ondergrond boden voor een postmodernisme. Het Momentum is dan het Zeven poëtica’s-nummer uit 1990. Zelf mocht ik later met het blad meedoen en ik kreeg de indruk dat men, hoewel allen uitstekend terecht zijn gekomen, nooit heeft kunnen omgaan met die verbluffende samenballing van talent. 
Nieuwe wegen glommen in een dianegatief. Er was afkeer van de niet-misselijke exercities én er viel postmodernisme te laken in de succesvolle Verhelst. Op hem werden vadermoorden geprojecteerd, bij Van Bastelaere en Spinoy moesten derden de trekker overhalen. Dichters van hun orde zijn echter zeldzaam. Daarbij speelde een generatiekwestie; in termen van Henk Becker – waar kritiek op is maar die zelfs op de werkvloer gehanteerd worden – behoren de Zeven poëtica’s-mannen (en ik) tot de verloren, en hun opvolgers tot de pragmatische generatie. In links-rechtsdenken en uitstorting van ambitie maakt dat verschil. 
Dat laat onverlet dat Van Bastelaere nog altijd, net als een Zeven poëtica’s-genoot en latere Yang-secretaris, commentaar kan geven dat herinnert aan de Hollander die een autochtoon in Duitsland de weg vroeg: ‘Mag ich Sie eben zerstören?’ Ik dacht dat ik erg was, maar in zo’n bejegening van de Ander is er, ach ja, waarlijk gelijkenis met de verworpen onderwereld. Deze bestookte Yang met beelden van twintig jaar eerder, inclusief een connectie met het stalinisme die mij, toch gezegend met enige fantasie, een raadsel gebleven is. 
Het beeld dat terzelfder plekke van Raster geschapen werd was nog ouder, uit Averechts van Gerrit Komrij (1980). Ligt dat aan diens polemische kracht? Doorbladeren zou al hebben gereveleerd dat het blad sindsdien fiks veranderde. Deze metamorfose, schijnbaar pluriformer door inperking van de expliciet poëticale inzet, kon in de bovenwereld trouwens op sympathie rekenen. 
Als afscheid bracht Raster twee nummers uit: de dubbel 123+124 ‘Het Einde’ en 125 die ‘Index’ heette. Inderdaad had die allerlaatste een indrukwekkende detailkaart om jaargangen mee te kunnen doorkruisen, maar de titel mag eveneens in katholieke zin worden begrepen: er stonden ook ‘vingerwijzingen’ in ‘voor een geschiedschrijving vanaf 1967 toen Raster werd opgericht’. Zo corrigeert Pieter de Meijer vier literatuuroverzichten van de afgelopen twintig jaar in hun Raster-visies.
Verder bewerkt in de ‘Index’ stichter H.C. ten Berge, die eerder het nut van zijn geesteskind betwijfeld had, één zinnetje van mij met het rode potlood. Hij herhaalt zijn in 2000 voor De Gids geuite kritiek, die ik meende te hebben weerlegd in een lijvig, openbaar bediscussieerd essay voor DWB. Hoewel dat niet bijster rijp was, raakten ideeën eruit bijna letterlijk in de mainstream media. Maar goed, Ten Berge vermeldt het niet en ik ben verguld dat mijn naam Raster heeft gehaald. 
Ondertussen, de twee genoemde bladen hadden meer gemeen. Zeker als jaargangen met kop en schouders boven die van hun collega’s uitstaken, was het verwijt van ‘moeilijkdoenerij’ en ‘academisme’ en ‘ontoegankelijkheid’ nabij. Ik snap dat zo de elitetopos werd opgerakeld, maar wat zou er toch mee bedoeld zijn?