woensdag 4 november 2009

Spreektijd (2)

Na mijn ongelooflijke cliffhanger wou ik beginnen met eigen ervaringen als allochtoon. Maar iets weerhoudt me. Het werk van Käthe Kollwitz dat aan mijn blik voorbij is getrokken? Ik was verbluft door haar in memoriam voor Liebknecht, over wie ze verklaarde: ‘ich war politischer Gegner aber sein Tod gab mir den ersten Ruck zu ihm hin’. De kunstenares heeft dus allengs, door het maken van de houtsnede, het haar wezensvreemde tot in de iconografie trachten in te sluiten.
Precies het tegenovergestelde geschiedde bij de drieslag die deze reeks postings instigeerde. Mij boeit het format waarin internationaal deksels van putten gelicht werden. Ze mogen een zondvloed ontketenen, stromen kunnen op diverse wijzen worden geleid. Toen na de moord op Van Gogh een school in Uden in de fik ging, ontwaarde Buruma alvast ‘het oeverloze commentaar van politici, columnisten in kranten, deskundigen op televisie, schrijvers van hoofdartikelen en wijsneuzen in de populaire pers’.
Een lustrumpje later betrof het in Engeland een praatprogramma met politici. Gewenst is dan niet mimicry, maar een kruidige bijdrage. Voor Duitsland was de bron een interview, in een ‘intellectuelenblad’ dat wel een SPD-politicus/bankier uitverkoren had die berucht was om zijn ontplofbare uitspraken. In België ten slotte betrof het een opiniestuk in een dagblad. Dat verdient wat context.
Volgens het zalig overzichtelijke standaardverhaal was voor de Lage Landen 1989 niet alleen het jaar van de val van de Muur. Commerciële televisie zag er eveneens het licht (in België hoefden kranten evenmin à la carte partijen te bedienen). In die postideologische constellatie betekende de ontzuiling in de berichten voor velen een bevrijding. Het agonisme van ‘wij’ versus ‘zij’, ingebakken in het conflictmodel van Den Uyl, leek overwonnen. Voorbij het blinde gelijk! Pluriformiteit zou groeien.
Wat mij vervolgens opvalt zijn niet de deprimerende feiten, ditmaal in Brussel, maar dat ze gelden als baanbrekend in hun openbaarmaking. Uit menig fictieboek, dat misschien niet even gerenommeerd was maar vanwege het genre wel genuanceerd, waren ze namelijk al bekend. Iets soortgelijks is gebeurd met De schaamte voor links van Joost Zwagerman. Dit pamflet baarde opzien terwijl het vaardig copy and pasten uit reeds gepubliceerd eigen werk behelsde.
Zoiets geeft te denken over het medium opiniepagina en/of pamflet. Het oogt als een rituele plek, met een sterk performatieve bodem waardoor de flora per definitie spraakmakend is en dus openbare antwoorden opeist. Binnen die circulaire logica klopt het dat Zwagermans titel verscheen met een door een literaire stichting georganiseerd debat en een door een opinieblad geëntameerde discussie met ‘socialistische’ politici in een kerk.
Anders gezegd serveren zulke bewegingen alsnog een ‘wij’, bestaande uit mensen die zich aangesproken moeten voelen – en die indien ze dat weigeren een ‘zij’ worden. Want dat frappeert mij eveneens: het medium lijkt persoonlijke oordelen te verheffen en schept een algemeengeldigheid. In het Belgische pièce de resistance werd in de verplichte bijschriftjes de auteur ook niet bij naam genoemd, maar in een functie gehesen: ‘Vlaams Parlementslid voor Groen!’. En alsof de duvel ermee speelde eindigde zijn opiniestuk, een aaneenrijging van anekdotes, in vergroting: ‘Het is de verdienste van links geweest om meer aandacht te vragen voor discriminatie en sociale achterstand. Het probleem ligt jammer genoeg dieper: we zijn bang geweest om onze waarden op te dringen aan allochtonen.’ Hoewel dat ‘we’ mij verzuild en pastoraal toeklinkt, zal de lezer dankbaar concluderen er getuige van te zijn geweest dat een groot taboe doorbroken was.
Bij de intrede van de postideologie was de Ander ook object zonder spreektijd. Toen school de vernieuwing erin dat door een soort actiejournalistiek in probleemwijken ‘de gewone man’ alleenrecht kreeg over ‘authenticiteit’ inzake het multiculturele schandaal dat altijd toegedekt was. Dit primaat maakte de grens met roddel poreus en resulteerde sowieso in een rendabele aversie tegen ‘het establishment’.
Curieus is dat precies die gewraakte hoge heren steeds schrillere geluiden uitslaan (allochtoon gevaar) vol eensnarige echo’s (ontkenning bij ‘links’). De tendens van Zwagermans pamflet en het Vlaamse opiniestuk was eensluidend, in het verlengde van ‘Het multiculturele drama’ door Paul Scheffer uit 2000. In die sfeer is ook Tom Naegels al een tijd bezig. Zij leggen – net als Barnard en Van Istendael, en Desmet en Pauli die al jaren ‘de linkse intellectuelen’ honen – hippies van weleer onder vuur, maar dan uit trouw.
Dat ik aarzel om te reppen van ‘een nieuw paradigma over links’ ligt aan de clichés waarmee ze het idealisme van weleer voorstellen en aan de neiging vooral elkaar vliegen af te vangen. Dus rangschik ik zo’n bejegening hooghartig onder de common sense. Bovendien fungeert, dan weer triomfaal dan weer deconfiturerend, bij dit anticultuurrelativisme in de bewijsvoering telkens een ander facet van ‘de Verlichting’; Sjoerd de Jong pelde deze topos in Een wereld van verschil.
Maffer is de vaststelling dat de minderheid van de hier genoemden voor 1955 geboren werd en weet wat die schimmige vijanden in welke biotoop uitspookten. Ze beroepen zich voor hun vonnissen op de overlevering, op papier. Of dit nu participatie in uyliaanse zin is of niet, hun mening is er niet minder vierkant van. Misschien een rare vraag daarbij: waarop berust hún autoriteit?

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen