Vooralsnog bewijst recensieplatform De Reactor zijn nut: het overtreft nu al enige maanden de boekenbijlagen. Zegt dat wat over zijn recensies of over het reeds bestaande?
De voorwaarden op internet lijken gunstiger. Geen deadlinegedoe met drukproeven voor ‘de waan van de dag’ en besprekers krijgen 2000 woorden, een omvang die voor liefhebbers de hemel moet betekenen en voor niet-geïnteresseerden een wetboek. Prettig ook dat Nederland en België niet de onbekendheid van elkaar uitventen die ertoe heeft geleid dat kaskrakers als De zaak Alzheimer en Alles is liefde over de respectievelijke grenzen remakes krijgen.
Voldoet het platform ook aan zijn missie? Waarschijnlijk wegens gebrek aan sturing, zoals tijdschriften wel kunnen, blijven de titels tamelijk recent. En ik weet niet of de Taalunie, een van de subsidiegevers, het geinig vindt dat nogal wat gerecenseerde, mainstream highbrow bellettrie bijna vanzelfsprekend uit het buitenland komt.
Zelf was ik benieuwd naar de poëziebesprekingen. Ze stelden mij meestal teleur, ik vind ze gedwee dan wel inexact in hun brutaliteit. De keuze van de dichters, een uitzondering niet te na gesproken, ligt zo voor de hand, dat collega-site Poëzierapport onontbeerlijk blijft. Daar wordt kwalitatief misschien niet altijd even geweldig, maar minder voorspelbaar werk soms secuur gelezen – meteen een voorbeeld van elkaar versterkende initiatieven.
Dat ik van de poëzierecensies meer had verwacht, ligt vermoedelijk mede aan hun biotoop. Vergrote mogelijkheden blijven, een enkeling weer niet na gesproken, vooralsnog onbenut. Toch leent een posting met hyperlinks zich voor dialoog, verruiming, tegenspraak. Hoe aardig het is dat elders het medium wel in zijn specificiteit voor poëzie ingezet wordt, De Reactor houdt zich erg ver weg. Het rijtje ‘Interessante links’ heet nog net niet ‘Secundaire bibliografie’.
Nog een facet aan internet is de reactiemogelijkheid. Die toont zich bij De Reactor tot nu toe gestremd. Hoewel publieksomvang mij niet het allerbelangrijkste criterium lijkt, worden hier lezers in de kou gezet. De discussierubriek ‘De laatste stelling’ komt niet van de grond. Dat kan ermee te maken hebben dat auteurs soms kribbig reageren op commentaar of zich niet verwaardigen (zelf) te antwoorden. Voorts is er de mysterieuze buffer van een moderator en blijken grotere comments technisch nog niet doenbaar: eerlijkheidshalve kan de optie beter weg.
Dat deze site krampachtig met confrontaties omgaat, verklaar ik uit de kennismaking met het luidruchtigste deel van de onderwereld. Een van de eerste recensies kreeg een comment vol routine-insinuaties – en werd even denigrerend verwijderd. Het veelgebezigde begrip ‘censuur’ lonkte en de ter zelfde plekke gevoerde verdediging – ‘op Internet mag je wel toevoegen (want dat is deel hebben aan de beweging van die lopende code) maar een ingreep in andermans reactie (op zichzelf niet minder mogelijk gemaakt door het medium) is voor jou geen deel van die beweging’ – leek een diplomatieke slimmigheid. Resultaat: nog meer irritatie.
Ik vind het moeilijk zonder veel psychologiseren de stemming in de onderwereld jegens De Reactor te benoemen, omdat de diagnose collectieve hysterie voor de hand ligt. Ze resulteerde in elk geval in een haatcampagne. Omdat die ontbrandde lang voordat de site officieel in de lucht ging, had ze niet alleen iets evident onrechtvaardigs. De haat was ook lachwekkend: op het oneindige internet wou men een centrum reserveren. Overigens zal het vuur aangewakkerd zijn doordat de eerste voorbereidingen voor De Reactor bij Yang waren getroffen (ironischerwijs werkt de link daar naartoe niet).
Nu hoeft wat mij betreft net als lekker bier goede rancune niet vies te zijn, maar hier was zij intreurig. Bediscussieerd werden ‘kwaliteit’ en ‘professionaliteit’, maar de indruk verdween niet dat doorn in het oog de brede subsidie voor De Reactor was. Dat fenomeen is, samen met het juryrapport, dé sparringpartner voor boksfestijnen in de onderwereld.
Beide items bieden een proeve van erkenning door de bovenwereld. Daarop komt meestal het bezwaar van ‘belangenverstrengeling’, door ‘inteelt’. Vanuit die optiek had het verstrekte geld aan De Reactor evengoed tot hosannagezang kunnen leiden: impliciet kreeg de recensiearbeid van de bovenwereld één ster. Maar het negatieve sentiment woog door. Dat was voorstelbaar: dit startend project moest de zegen krijgen vanwege symbolisch kapitaal, niet vanwege er reëel voor geleverde prestaties.
Wel zou voor ‘vriendjespolitiek’ de tel spoedig kwijt zijn, want het platform mikt op erg veel recensenten – altijd prijs! Is dat binnen een zo klein taalgebied als het Nederlandse bijna onvermijdelijk, het valt niet te ontkennen dat de omgang aan de claustrofobische kant is. Wie daar gevoelig voor is raakt in een toestand van heteronomie, en slaat aan het laveren om niet tegen de royale hoeveelheid meubilair te stoten. Zo bezien is de onderwereld een verademing, al blijft door de gerichtheid op de bovenwereld de autonomie onbereikbaar (en maakt men zich vermoedelijk alleen maar meer onmogelijk, wat dan extra verontwaardiging verwekt).
Het binnenhuisrealisme, dat van oudsher de Nederlandstalige literatuur zou beheersen, draagt aldus letterlijk een institutioneel masker waarachter, zoals bij Facebook, parochiale trekjes verscholen gaan. Bij zulke observaties hoort in de praktijk de frase zich verre te houden ‘van het gescharrel der kippen in de tuin der Letteren’. Onloochenbaar koos De Reactor echter niet voor specialisten, maar voor netwerken. Dan is het consequent dat er geen gelegenheid is voor ongevraagde inzendingen. Ook acteren sommige medewerkers – conform nog een prototype van de laaglandse literatuur, de naoorlogse verzetstrijder – in het bijlagenklimaat waarvan het platform beweert afstand te nemen.
Bijzonder is dat het idee voor een platform op het wereldwijde web er zelf op te achterhalen is, in een comment uit 2006. Het kwam van Rutger Cornets de Groot, een exponent van de internetpraktijk; vandaar wellicht zijn getergdheid tegenover het resultaat. De Reactor negeerde zijn veelal rake mediumgebonden kritiek.
Wel werd een verdedigingslinie opgetrokken tegen bombardementen vanuit de bovenwereld. Daarbij lagen tegelijk literaire tijdschriften weer eens onder vuur. Wat bezielde die schutter?
Rectificatie
Zoals het vierde comment vermeldt, is het euvel met langere comments op De Reactor verholpen. Ongevraagde inzendingen zijn nu ook welkom.
zaterdag 20 februari 2010
Wat nu? (6)
Vooralsnog bewijst recensieplatform De Reactor zijn nut: het overtreft nu al enige maanden de boekenbijlagen. Zegt dat wat over zijn recensies of over het reeds bestaande?
De voorwaarden op internet lijken gunstiger. Geen deadlinegedoe met drukproeven voor ‘de waan van de dag’ en besprekers krijgen 2000 woorden, een omvang die voor liefhebbers de hemel moet betekenen en voor niet-geïnteresseerden een wetboek. Prettig ook dat Nederland en België niet de onbekendheid van elkaar uitventen die ertoe heeft geleid dat kaskrakers als De zaak Alzheimer en Alles is liefde over de respectievelijke grenzen remakes krijgen.
Voldoet het platform ook aan zijn missie? Waarschijnlijk wegens gebrek aan sturing, zoals tijdschriften wel kunnen, blijven de titels tamelijk recent. En ik weet niet of de Taalunie, een van de subsidiegevers, het geinig vindt dat nogal wat gerecenseerde, mainstream highbrow bellettrie bijna vanzelfsprekend uit het buitenland komt.
Zelf was ik benieuwd naar de poëziebesprekingen. Ze stelden mij meestal teleur, ik vind ze gedwee dan wel inexact in hun brutaliteit. De keuze van de dichters, een uitzondering niet te na gesproken, ligt zo voor de hand, dat collega-site Poëzierapport onontbeerlijk blijft. Daar wordt kwalitatief misschien niet altijd even geweldig, maar minder voorspelbaar werk soms secuur gelezen – meteen een voorbeeld van elkaar versterkende initiatieven.
Dat ik van de poëzierecensies meer had verwacht, ligt vermoedelijk mede aan hun biotoop. Vergrote mogelijkheden blijven, een enkeling weer niet na gesproken, vooralsnog onbenut. Toch leent een posting met hyperlinks zich voor dialoog, verruiming, tegenspraak. Hoe aardig het is dat elders het medium wel in zijn specificiteit voor poëzie ingezet wordt, De Reactor houdt zich erg ver weg. Het rijtje ‘Interessante links’ heet nog net niet ‘Secundaire bibliografie’.
Nog een facet aan internet is de reactiemogelijkheid. Die toont zich bij De Reactor tot nu toe gestremd. Hoewel publieksomvang mij niet het allerbelangrijkste criterium lijkt, worden hier lezers in de kou gezet. De discussierubriek ‘De laatste stelling’ komt niet van de grond. Dat kan ermee te maken hebben dat auteurs soms kribbig reageren op commentaar of zich niet verwaardigen (zelf) te antwoorden. Voorts is er de mysterieuze buffer van een moderator en blijken grotere comments technisch nog niet doenbaar: eerlijkheidshalve kan de optie beter weg.
Dat deze site krampachtig met confrontaties omgaat, verklaar ik uit de kennismaking met het luidruchtigste deel van de onderwereld. Een van de eerste recensies kreeg een comment vol routine-insinuaties – en werd even denigrerend verwijderd. Het veelgebezigde begrip ‘censuur’ lonkte en de ter zelfde plekke gevoerde verdediging – ‘op Internet mag je wel toevoegen (want dat is deel hebben aan de beweging van die lopende code) maar een ingreep in andermans reactie (op zichzelf niet minder mogelijk gemaakt door het medium) is voor jou geen deel van die beweging’ – leek een diplomatieke slimmigheid. Resultaat: nog meer irritatie.
Ik vind het moeilijk zonder veel psychologiseren de stemming in de onderwereld jegens De Reactor te benoemen, omdat de diagnose collectieve hysterie voor de hand ligt. Ze resulteerde in elk geval in een haatcampagne. Omdat die ontbrandde lang voordat de site officieel in de lucht ging, had ze niet alleen iets evident onrechtvaardigs. De haat was ook lachwekkend: op het oneindige internet wou men een centrum reserveren. Overigens zal het vuur aangewakkerd zijn doordat de eerste voorbereidingen voor De Reactor bij Yang waren getroffen (ironischerwijs werkt de link daar naartoe niet).
Nu hoeft wat mij betreft net als lekker bier goede rancune niet vies te zijn, maar hier was zij intreurig. Bediscussieerd werden ‘kwaliteit’ en ‘professionaliteit’, maar de indruk verdween niet dat doorn in het oog de brede subsidie voor De Reactor was. Dat fenomeen is, samen met het juryrapport, dé sparringpartner voor boksfestijnen in de onderwereld.
Beide items bieden een proeve van erkenning door de bovenwereld. Daarop komt meestal het bezwaar van ‘belangenverstrengeling’, door ‘inteelt’. Vanuit die optiek had het verstrekte geld aan De Reactor evengoed tot hosannagezang kunnen leiden: impliciet kreeg de recensiearbeid van de bovenwereld één ster. Maar het negatieve sentiment woog door. Dat was voorstelbaar: dit startend project moest de zegen krijgen vanwege symbolisch kapitaal, niet vanwege er reëel voor geleverde prestaties.
Wel zou voor ‘vriendjespolitiek’ de tel spoedig kwijt zijn, want het platform mikt op erg veel recensenten – altijd prijs! Is dat binnen een zo klein taalgebied als het Nederlandse bijna onvermijdelijk, het valt niet te ontkennen dat de omgang aan de claustrofobische kant is. Wie daar gevoelig voor is raakt in een toestand van heteronomie, en slaat aan het laveren om niet tegen de royale hoeveelheid meubilair te stoten. Zo bezien is de onderwereld een verademing, al blijft door de gerichtheid op de bovenwereld de autonomie onbereikbaar (en maakt men zich vermoedelijk alleen maar meer onmogelijk, wat dan extra verontwaardiging verwekt).
Het binnenhuisrealisme, dat van oudsher de Nederlandstalige literatuur zou beheersen, draagt aldus letterlijk een institutioneel masker waarachter, zoals bij Facebook, parochiale trekjes verscholen gaan. Bij zulke observaties hoort in de praktijk de frase zich verre te houden ‘van het gescharrel der kippen in de tuin der Letteren’. Onloochenbaar koos De Reactor echter niet voor specialisten, maar voor netwerken. Dan is het consequent dat er geen gelegenheid is voor ongevraagde inzendingen. Ook acteren sommige medewerkers – conform nog een prototype van de laaglandse literatuur, de naoorlogse verzetstrijder – in het bijlagenklimaat waarvan het platform beweert afstand te nemen.
Bijzonder is dat het idee voor een platform op het wereldwijde web er zelf op te achterhalen is, in een comment uit 2006. Het kwam van Rutger Cornets de Groot, een exponent van de internetpraktijk; vandaar wellicht zijn getergdheid tegenover het resultaat. De Reactor negeerde zijn veelal rake mediumgebonden kritiek.
Wel werd een verdedigingslinie opgetrokken tegen bombardementen vanuit de bovenwereld. Daarbij lagen tegelijk literaire tijdschriften weer eens onder vuur. Wat bezielde die schutter?
Rectificatie
Zoals het vierde comment vermeldt, is het euvel met langere comments op De Reactor verholpen. Ongevraagde inzendingen zijn nu ook welkom.
donderdag 18 februari 2010
Wat nu? (5)
‘Overbodig nummer’: zo betitelde Deus ex Machina vorig jaar de aflevering gewijd aan ‘de toekomst van het literaire tijdschrift’. Ik noem daaruit slechts één bijdrage, omdat die snel bereikbaar is, bewust ‘kort door de bocht, om de discussie van enig contrastvloeistof te voorzien’, én gemaakt werd door een ervaringsdeskundige in het veld: redacteur Yang, literatuurrecensent voor diverse kranten, chef Standaard der Letteren, jurylid, en volgens het colofon nu Business Unit Manager bij Sanoma Magazines.
Hij wijst op de afhankelijkheid van subsidies bij het literaire blad die als ze eeuwig zouden duren ‘een maatschappelijke schande’ zouden zijn, temeer daar de sporadische abonnees nog in hoeveelheid slinken. Die desinteresse komt volgens hem doordat hardwerkende redacteuren niet in de werkelijkheid zijn geïnteresseerd: ze doen het enkel voor zichzelf. Hij pleit voor zelfkritiek, hergroeperen en digitaliseren. ‘Die drie literaire debutanten worden door uitgevers wel op andere manieren opgepikt’.
Het laatste gebeurt natuurlijk reeds: agenten leveren auteurs aan de hoogste bieder. Economisch bezien is de overheidsbemoeienis in de benoemde redacteursautoriteit van een gesubsidieerd blad geprivatiseerd; een tussenpersoon faciliteert de vrije markt en krijgt voor die ingreep 15%. Vaarwel kweekvijver, de deur staat gewoon open!
Maar het grootste bezwaar is dat er geen rekening gehouden wordt met de lezer. Het klinkt inmiddels vertrouwd, vooral gecombineerd met de pertinent vermelde subsidie, en bevestigt de common sense dat die bladen elitair zijn. Toch vrees ik dat hier een denkfout in zit. Niet alleen omdat onprofessionele beoordelaars ook een hegemonisch referentiekader hebben, vooral omdat de onuitgesproken conclusie is dat ervaringsdeskundige zelf wel heeft gedurfd in te spelen op de behoeften van lezers-consumenten. Helaas moet ik hem een jij-bak verkopen.
Als er iets ‘zijn’ boekenbijlage en die van concurrenten kenmerkt, is het wel geringschatting van de lezer. Deze wordt gesmoord in een lappendeken van tips, jubilea, ranglijsten, hobby’s, verjaardagen, voorpublicaties, weekjournaals, overlijdensgevallen, interviews, vooruitblikken – alles eigenlijk wat de bespreking van een boek kan vermijden. Is die implosie niet ijdel? Hooghartig dunken me signalementen van ‘fijnproeversbundels’ of ‘pareltjes die aan onze aandacht waren ontsnapt’. Net als bij de spaarzame als recensie bedoelde teksten is het al juichen indien de 500-woordengrens wordt gehaald. Het geheel is gul afgebiesd met foto’s, wat niet erg is maar in verhouding tot de tekst doorgeslagen lijkt, getuige wat in minder professionele tijden van weleer gewoon was.
In feite is het komisch dat je schrikt, met het instantoordeel ‘misplaatst!’, als in zo’n context een soevereine rubriek opduikt waarin teksten ernstig worden gelezen, overdacht en op hun relevantie onderzocht. De behandelde boeken zijn daar echter meer dan drie maanden oud, plaatsvervangend excuserend voor de organisatoren?
Het is lastig zich te identificeren met de chefs van dergelijke projecten. Hun overwegingen en werkmethoden zijn geboekstaafd in fraaie interviews die als bijlage bij een ‘masterscriptie’ dienden. Ik wil daar niet lacherig over doen, want de aanpak van die mensen is reëel en getuigt op eigen wijze van een liefde voor het boek. Bovendien hoef je niet voor augur gestudeerd te hebben om te zien dat ze, uitzonderlijk in de branche, over een lange periode consistent zijn. De huidige chef Letteren volgt het door de ervaringsdeskundige geëffende pad dat voor hem evengoed gebaand was.
In Deus ex Machina raadt hij literaire tijdschriftredacteuren aan streng te zijn voor zichzelf. Zou hij ook voor de spiegel hebben gestaan? Als prototypisch onderwerp voor een literair blad noemt hij ‘eindelijk de vlammende waarheid over dat laatste boek van Tom Lanoye, iets wat in de boekenbijlagen van kranten natuurlijk al lang niet meer mag geschreven worden’. Met gelouterde ironie suggereert hij een complotgedachte van ouderwetse cultuurliefhebbers (bij wie hij retorisch ‘beschaving’ detecteert) die erop stoelt dat kritiek op een merknaam doelbewust achterwege blijft in massamedia. Maar ik denk dat kritiek daar welkom is, om de bijlage een ‘identiteit’ te geven. Inzake Lanoye heerst echter het format van het interview, waardoor de nadruk komt op zijn familie, keuken, reizen, humanitaire acties et cet; aan een ander katern verstrekt hij desgevraagd zijn opinismen.
Heeft de ervaringsdeskundige zich ooit afgevraagd wie dat eigenlijk interesseert? Kan het dat bij hém ‘de lezer langs de achterdeur buiten gelopen’ is? Ik zal in foute kringen verkeren dat, hoewel consensus ontbreekt over hoe te reageren bij een verzoek, mij niemand bekend is die voor de lol nog een boekenbijlage doorneemt. Indien je als lezer niet meer serieus genomen wordt, lijkt een scheiding logischer. Ik las ook Oosterbaans en Wansinks studie over kranten in mediaconcerns. Volgens die auteurs snakken lezers naar analyse maar worden ze om de oren geslagen met meningen door matadoren van het seizoen.
Als het gaat om het boek zijn juist in literaire tijdschriften steeds vaker analyses te vinden. Ze hebben daarmee kennelijk niet direct een gat in de markt gevonden, maar nemen wel een taak op die de krant heeft afgestoten. Iets anders is of dat hun bestaan rechtvaardigt. Uiteraard niet, mede omdat zoiets op het wereldwijde web, waar ook de ervaringsdeskundige heil in ziet, wat goedkoper en duizend keer zo bereikbaar kan. En zo geschiedde, met recensieplatform De Reactor. Je wilt niet weten wat dat bleek in te houden.
dinsdag 16 februari 2010
Wat nu? (4)
Indien sommige literaire tijdschriften bewust ‘moeilijk doen’, zouden ze vooral sociologisch interessant worden. En pleidooien voor het tegendeel? De overtuiging dat media meer op hun hurken mogen is gebracht door Van Reybrouck, maar misschien is het interessant iemand uit de praktijk erover te raadplegen: Siegfried Bracke.
Recent stak deze anchorman onder de provocerende titel ‘Lang Leve Zijne Majesteit de Kijker! Marketinglogica als motor van journalistieke kwaliteit’ de loftrompet over de commerciële televisie. Mij fascineerden Brackes argumenten tegen de zijns inziens natuurlijke antagonist: de publieke omroep. Hij verwijt deze ‘politiek correcte’ journalistiek door een ‘intellectuele elite’ die geen kennis van ‘het reële leven’ zou hebben, laat staan van ‘wat gewone mensen bezighoudt’.
Zoals ‘ideologische’ literaire bladen zouden buitensluiten, zo had de publieke omroep ‘pure Oostblok-methodes’ waarmee onwelgevallig nieuws geweerd werd. De cesuur van dergelijke praktijken legt Bracke bij de val van de Muur – toen commerciële televisie zijn intrede deed in het bestel. Omdat dat feit hier reeds is gecontextualiseerd, citeer ik slechts nog één statement van Bracke: ‘Lange stukken maken kan iedereen. Kort en toch begrijpelijk én zonder verlies van essentiële inhoud, dat is een kunst. Alleen dan win je de strijd tegen de meedogenloze zapdoos; alleen dan wordt het stuk doorgelezen tot het einde.’
Enige kanttekeningen. Bracke suggereert dat de overheidsconstellatie louter een peergroup bediende. Ik krijg juist die indruk bij het wereldwijde web, door gevoeligheden in comments en door soms luttele stamgasten die overal wat op te zeggen hebben. Of kennen communities geen ingewijden?
Twee. Onweerlegbaar is jaar na jaar het aantal abonnees op literaire bladen aan het dalen. Mochten ‘gewone mensen’ ooit belangstelling hebben gehad, het feest is nu definitief voorbij. Maar wat zegt dat over ‘kwaliteit’? Verraadt het eeuwige gemor erover uit de desnoods met Olympisch overwicht bezochte onderwereld ongerief? Is het invloedrijkste ook het waardevolste?
Drie. Indien echt het mes gezet wordt in cultuursubsidies (en er door guilt by association mee verbonden ontwikkelingssamenwerking), dan zullen met het vrijgekomen geld muren opgetrokken moeten worden tegen de Ander. Wat zou de bevolking zijn ontzegd na morgen?
Vier. Ik stem met Bracke in dat bondigheid een gave is, die bovendien van oudsher verbonden werd met deugd – leugenaars zouden, ahum, woorden blijven strooien. Voor uitleg en analyse van complexe uitingen die literatuur bevat, doemt er echter een ondergrens waarmee recht kan worden gedaan. In mijn ervaring ligt die voor bellettrie bij 500 woorden en raakt een recensie in zicht bij 1500 omdat vanaf dan ideeën en oordelen voor het voetlicht kunnen komen.
Daarmee zit ik meteen bij zaken die expliciet gezegd moeten voor ik Brackes bevindingen eerder symptomatisch dan uitzonderlijk verklaar voor de bovenwereld. Dat definities zijn gewijzigd. In de zaterdagse Standaard staat boven het eerste opiniestuk, dat het dubbele van de reguliere 750 woorden toegewezen is, ‘essay’. Eveneens door ideologisch-economische verschuivingen is ‘cultuur’ wat anders gaan betekenen. Onder die noemer berichtten als highbrow gekwalificeerde kranten in België dagelijks over de quiz De slimste mens ter wereld. Het begrip is tevens herijkt door technologie.
Ook wil ik vastgelegd hebben dat vele andere als hoog opgevatte kunsten verlegen zitten met hun bereik. Boven deze posting staat een helaas weinig aan de verbeelding overlatende tabel bij een bericht over de belangstelling per generatie voor klassieke muziek. Andere dada’s ad lib.
Er lijken dan weer veel kopers voor de hertaalde en uit saaiheidsvermijding met een vijfde bekorte Max Havelaar. Nu was de gelegenheidsuitgever in de unieke positie om, aangezien hij een krant is, het boek in fases opzichtig te pluggen, voor hij er een – positieve – recensie van publiceerde. Ook lag de winkelprijs laag.
Maar toch, bevredigt die hertaling een behoefte en gaan nieuwe lezers, die ze zei te willen winnen, daarna de integrale Max Havelaar openslaan? Zelf las ik, afkomstig uit een gezin waarin boeken geen rol speelden, Max Havelaar op 16-jarige leeftijd voor de leeslijst. Ik had net een nieuwe rekenmachine, waarmee het percentage reeds geconsumeerde bladzijden becijferd kon. Geen onvergetelijke leeservaring dus. Toch zat er voldoende in de tekst dat mij later, beter geïnformeerd, ernaar deed terugkeren.
Nog later heb ik me een beetje proberen te verdiepen in Max Havelaar, en juist vanwege die kennis zou ik, voor wie kunst niet heilig is, het ondoenlijk vinden zinnen te schrappen. Naast artistieke zijn er voor die onmacht humane redenen. Hoe kan ik bepalen wat ‘te moeilijk’ is? Zoals ik evenveel jeuk heb gehad van studenten die de arbeider klassenbewustzijn wilden bijbrengen als van hun critici die verzekerden dat hij meer geïnteresseerd was in mayonaise en triplex, is er voor mij iets stuitends aan voor derden te weten wat ze kunnen. Het nut om kennis helder te verspreiden, onderken ik nota bene stellig. Evenals dat onderzoek bizar kan zijn.
Mij schiet geen meer elitaire houding sinds hippies te binnen dan van mensen die weten sommige teksten niet te hoeven lezen omdat ze daar ‘te dom’ voor zijn. Die inspanning loont toch niet want de ‘hermetische’ schrijvers zijn bijvoorbeeld ‘Franse filosofen’. Dit anti-intellectualisme is ingewikkeld omdat het appelleert aan redelijkheid en hartstochtelijke letterliefde claimt. Ook is het in zijn toon, die louter wil behagen, tegelijk hooghartig en onzeker.
Sinds de opkomst van het postmodernisme is het in Nederland dominant geworden, soms heel subtiel. In een oratie werden ‘de deconstructivisten’ en ‘poststructuralisten’ exclusief belicht vanuit de autoriteit George Steiner. Nu zal het leerzaam wezen om bij Arsenalsupporters informatie over Chelsea in te winnen, maar misschien is die wat incompleet en zelfs niet helemaal adequaat. De laatste jaren treedt zulk gecamoufleerd geweld tegen de waarheid ook in België naar voren.
Waar Mulisch moest ruiken aan een envelop om de achterhalen of de erin gevouwen bijdrage voor De Gids kon deugen, volstaat heden een naam voor bijval of uitbraak. Word ik dan een cultuurpessimist pur sang als ik het obsceen vind indien reguliere media aan het literaire tijdschrift als zodanig hun vertrouwen opzeggen?
Recent stak deze anchorman onder de provocerende titel ‘Lang Leve Zijne Majesteit de Kijker! Marketinglogica als motor van journalistieke kwaliteit’ de loftrompet over de commerciële televisie. Mij fascineerden Brackes argumenten tegen de zijns inziens natuurlijke antagonist: de publieke omroep. Hij verwijt deze ‘politiek correcte’ journalistiek door een ‘intellectuele elite’ die geen kennis van ‘het reële leven’ zou hebben, laat staan van ‘wat gewone mensen bezighoudt’.
Zoals ‘ideologische’ literaire bladen zouden buitensluiten, zo had de publieke omroep ‘pure Oostblok-methodes’ waarmee onwelgevallig nieuws geweerd werd. De cesuur van dergelijke praktijken legt Bracke bij de val van de Muur – toen commerciële televisie zijn intrede deed in het bestel. Omdat dat feit hier reeds is gecontextualiseerd, citeer ik slechts nog één statement van Bracke: ‘Lange stukken maken kan iedereen. Kort en toch begrijpelijk én zonder verlies van essentiële inhoud, dat is een kunst. Alleen dan win je de strijd tegen de meedogenloze zapdoos; alleen dan wordt het stuk doorgelezen tot het einde.’
Enige kanttekeningen. Bracke suggereert dat de overheidsconstellatie louter een peergroup bediende. Ik krijg juist die indruk bij het wereldwijde web, door gevoeligheden in comments en door soms luttele stamgasten die overal wat op te zeggen hebben. Of kennen communities geen ingewijden?
Twee. Onweerlegbaar is jaar na jaar het aantal abonnees op literaire bladen aan het dalen. Mochten ‘gewone mensen’ ooit belangstelling hebben gehad, het feest is nu definitief voorbij. Maar wat zegt dat over ‘kwaliteit’? Verraadt het eeuwige gemor erover uit de desnoods met Olympisch overwicht bezochte onderwereld ongerief? Is het invloedrijkste ook het waardevolste?
Drie. Indien echt het mes gezet wordt in cultuursubsidies (en er door guilt by association mee verbonden ontwikkelingssamenwerking), dan zullen met het vrijgekomen geld muren opgetrokken moeten worden tegen de Ander. Wat zou de bevolking zijn ontzegd na morgen?
Vier. Ik stem met Bracke in dat bondigheid een gave is, die bovendien van oudsher verbonden werd met deugd – leugenaars zouden, ahum, woorden blijven strooien. Voor uitleg en analyse van complexe uitingen die literatuur bevat, doemt er echter een ondergrens waarmee recht kan worden gedaan. In mijn ervaring ligt die voor bellettrie bij 500 woorden en raakt een recensie in zicht bij 1500 omdat vanaf dan ideeën en oordelen voor het voetlicht kunnen komen.
Daarmee zit ik meteen bij zaken die expliciet gezegd moeten voor ik Brackes bevindingen eerder symptomatisch dan uitzonderlijk verklaar voor de bovenwereld. Dat definities zijn gewijzigd. In de zaterdagse Standaard staat boven het eerste opiniestuk, dat het dubbele van de reguliere 750 woorden toegewezen is, ‘essay’. Eveneens door ideologisch-economische verschuivingen is ‘cultuur’ wat anders gaan betekenen. Onder die noemer berichtten als highbrow gekwalificeerde kranten in België dagelijks over de quiz De slimste mens ter wereld. Het begrip is tevens herijkt door technologie.
Ook wil ik vastgelegd hebben dat vele andere als hoog opgevatte kunsten verlegen zitten met hun bereik. Boven deze posting staat een helaas weinig aan de verbeelding overlatende tabel bij een bericht over de belangstelling per generatie voor klassieke muziek. Andere dada’s ad lib.
Er lijken dan weer veel kopers voor de hertaalde en uit saaiheidsvermijding met een vijfde bekorte Max Havelaar. Nu was de gelegenheidsuitgever in de unieke positie om, aangezien hij een krant is, het boek in fases opzichtig te pluggen, voor hij er een – positieve – recensie van publiceerde. Ook lag de winkelprijs laag.
Maar toch, bevredigt die hertaling een behoefte en gaan nieuwe lezers, die ze zei te willen winnen, daarna de integrale Max Havelaar openslaan? Zelf las ik, afkomstig uit een gezin waarin boeken geen rol speelden, Max Havelaar op 16-jarige leeftijd voor de leeslijst. Ik had net een nieuwe rekenmachine, waarmee het percentage reeds geconsumeerde bladzijden becijferd kon. Geen onvergetelijke leeservaring dus. Toch zat er voldoende in de tekst dat mij later, beter geïnformeerd, ernaar deed terugkeren.
Nog later heb ik me een beetje proberen te verdiepen in Max Havelaar, en juist vanwege die kennis zou ik, voor wie kunst niet heilig is, het ondoenlijk vinden zinnen te schrappen. Naast artistieke zijn er voor die onmacht humane redenen. Hoe kan ik bepalen wat ‘te moeilijk’ is? Zoals ik evenveel jeuk heb gehad van studenten die de arbeider klassenbewustzijn wilden bijbrengen als van hun critici die verzekerden dat hij meer geïnteresseerd was in mayonaise en triplex, is er voor mij iets stuitends aan voor derden te weten wat ze kunnen. Het nut om kennis helder te verspreiden, onderken ik nota bene stellig. Evenals dat onderzoek bizar kan zijn.
Mij schiet geen meer elitaire houding sinds hippies te binnen dan van mensen die weten sommige teksten niet te hoeven lezen omdat ze daar ‘te dom’ voor zijn. Die inspanning loont toch niet want de ‘hermetische’ schrijvers zijn bijvoorbeeld ‘Franse filosofen’. Dit anti-intellectualisme is ingewikkeld omdat het appelleert aan redelijkheid en hartstochtelijke letterliefde claimt. Ook is het in zijn toon, die louter wil behagen, tegelijk hooghartig en onzeker.
Sinds de opkomst van het postmodernisme is het in Nederland dominant geworden, soms heel subtiel. In een oratie werden ‘de deconstructivisten’ en ‘poststructuralisten’ exclusief belicht vanuit de autoriteit George Steiner. Nu zal het leerzaam wezen om bij Arsenalsupporters informatie over Chelsea in te winnen, maar misschien is die wat incompleet en zelfs niet helemaal adequaat. De laatste jaren treedt zulk gecamoufleerd geweld tegen de waarheid ook in België naar voren.
Waar Mulisch moest ruiken aan een envelop om de achterhalen of de erin gevouwen bijdrage voor De Gids kon deugen, volstaat heden een naam voor bijval of uitbraak. Word ik dan een cultuurpessimist pur sang als ik het obsceen vind indien reguliere media aan het literaire tijdschrift als zodanig hun vertrouwen opzeggen?
zaterdag 13 februari 2010
Wat nu? (3)
Dat literaire tijdschriften overbodig zijn omdat ze een als het ware oneerlijke sterke poëticale inslag hebben, is vanuit historisch perspectief onhoudbaar. Partijdigheid was het kenmerk van bladen die in de literatuurgeschiedenis zijn opgenomen. Natuurlijk is dan ‘normverandering’, gepraktiseerd in een vadermoord, het ordenend principe – dat even elementair discutabel is bevonden. Maar het lijkt me stug dat zogezegd nevenschikkende literatuuroverzichten die bladen zouden vervangen door ‘pluralistische’.Ik moet die term uitklaren, maar eerst iets over een even heikele, die aan poëticale bladen verkleefd is: ‘ideologisch’. Onlangs viel hier de heersende aversie tegen deze kwalificatie te vernemen, omdat ze zou leiden tot gepolariseerde inzichten van voor de val van de Muur. Voortredenerend zouden zulke tijdschriftredacteuren slechts hun ‘eigen agenda doordrukken’.
Dikwijls behelst het niet meer dan een academisch gelijk wanneer hierop de vaststelling komt dat de verwerping van ideologie evengoed ideologisch is. Maar het strekt verder. In Geweld, de vorige posting al genoemd, zei Zizek dat slechts extremen nog gepercipieerd worden als ‘ideologie’: religieuze ijver (‘fundamentalistisch’) en trouw aan een politieke overtuiging (‘verstokt’). Het dagelijks leven van de overweldigende rest zou door het gezonde verstand neutraal geworden zijn, ontvankelijk voor alles.
Staan postideologische tijdschriften open voor elke bijdrage met ‘kwaliteit’? Hun verklaarde antipoden hebben de naam te weigeren wat niet in hun kraam past, en dus aan uitsluiting te doen. Maar zelfs de meest fameuze onder hen hebben teksten over het hoofd gezien die goed hadden gepast. Volgens mij is dat een andere constante in de literatuurgeschiedenis, die geregeld melding kan maken van – ook door uitgeverijen – afgewezen grootheden. De reputatieschade zou groter zijn dan bij het publiceren van rommel.
Uitsluiting blijkt een wetmatigheid, die menselijk mag heten, met als varianten favoritisme en verzwijgen. ‘Pluralistische’ bladen praten protocollair als bij hen ‘duizend bloemen bloeien’. Citeren ze sowieso een ideologierijke consument, de ontkenning van een politieke dimensie zuigt alom het begrip ‘tolerant’ aan, dat in de woorden van Zizek een ‘postpolitiek surrogaat’ is. Want na de val van de Muur zijn uitbuiting en onrecht niet verdwenen.
Wellicht is het een soortgelijk teken des tijds dat recent twee bij uitstek ‘ideologische’ bladen, hoogtepunten uit de naoorlogse laaglandse literatuur, het loodje hebben gelegd: Raster en, door een fusie, Yang. Beide hadden te lijden onder een beeldvorming die dolzinnig raakte.
Yang is ouder geworden dan Revolver, op weg naar de vijftig, maar haar reputatie dankt het aan de korte, belligerente periode waarin Dirk van Bastelaere en Erik Spinoy redacteur waren, net als Hans Vandevoorde en Bart Vervaeck die theoretische ondergrond boden voor een postmodernisme. Het Momentum is dan het Zeven poëtica’s-nummer uit 1990. Zelf mocht ik later met het blad meedoen en ik kreeg de indruk dat men, hoewel allen uitstekend terecht zijn gekomen, nooit heeft kunnen omgaan met die verbluffende samenballing van talent.
Nieuwe wegen glommen in een dianegatief. Er was afkeer van de niet-misselijke exercities én er viel postmodernisme te laken in de succesvolle Verhelst. Op hem werden vadermoorden geprojecteerd, bij Van Bastelaere en Spinoy moesten derden de trekker overhalen. Dichters van hun orde zijn echter zeldzaam. Daarbij speelde een generatiekwestie; in termen van Henk Becker – waar kritiek op is maar die zelfs op de werkvloer gehanteerd worden – behoren de Zeven poëtica’s-mannen (en ik) tot de verloren, en hun opvolgers tot de pragmatische generatie. In links-rechtsdenken en uitstorting van ambitie maakt dat verschil.
Dat laat onverlet dat Van Bastelaere nog altijd, net als een Zeven poëtica’s-genoot en latere Yang-secretaris, commentaar kan geven dat herinnert aan de Hollander die een autochtoon in Duitsland de weg vroeg: ‘Mag ich Sie eben zerstören?’ Ik dacht dat ik erg was, maar in zo’n bejegening van de Ander is er, ach ja, waarlijk gelijkenis met de verworpen onderwereld. Deze bestookte Yang met beelden van twintig jaar eerder, inclusief een connectie met het stalinisme die mij, toch gezegend met enige fantasie, een raadsel gebleven is.
Het beeld dat terzelfder plekke van Raster geschapen werd was nog ouder, uit Averechts van Gerrit Komrij (1980). Ligt dat aan diens polemische kracht? Doorbladeren zou al hebben gereveleerd dat het blad sindsdien fiks veranderde. Deze metamorfose, schijnbaar pluriformer door inperking van de expliciet poëticale inzet, kon in de bovenwereld trouwens op sympathie rekenen.
Als afscheid bracht Raster twee nummers uit: de dubbel 123+124 ‘Het Einde’ en 125 die ‘Index’ heette. Inderdaad had die allerlaatste een indrukwekkende detailkaart om jaargangen mee te kunnen doorkruisen, maar de titel mag eveneens in katholieke zin worden begrepen: er stonden ook ‘vingerwijzingen’ in ‘voor een geschiedschrijving vanaf 1967 toen Raster werd opgericht’. Zo corrigeert Pieter de Meijer vier literatuuroverzichten van de afgelopen twintig jaar in hun Raster-visies.
Verder bewerkt in de ‘Index’ stichter H.C. ten Berge, die eerder het nut van zijn geesteskind betwijfeld had, één zinnetje van mij met het rode potlood. Hij herhaalt zijn in 2000 voor De Gids geuite kritiek, die ik meende te hebben weerlegd in een lijvig, openbaar bediscussieerd essay voor DWB. Hoewel dat niet bijster rijp was, raakten ideeën eruit bijna letterlijk in de mainstream media. Maar goed, Ten Berge vermeldt het niet en ik ben verguld dat mijn naam Raster heeft gehaald.
Ondertussen, de twee genoemde bladen hadden meer gemeen. Zeker als jaargangen met kop en schouders boven die van hun collega’s uitstaken, was het verwijt van ‘moeilijkdoenerij’ en ‘academisme’ en ‘ontoegankelijkheid’ nabij. Ik snap dat zo de elitetopos werd opgerakeld, maar wat zou er toch mee bedoeld zijn?
dinsdag 9 februari 2010
Wat nu? (2)
Geen beschouwing over laaglandse papieren literaire tijdschriften is compleet indien niet het muizenaantal abonnees van Forum vermeld wordt. Wanneer is die kleinschaligheid van het medium gaan gelden als probleem? Ik vermoed: toen de niet geringe subsidies van binnenuit bij het betoog betrokken werden.
Daarmee bedoel ik dat het item ‘subsidie’ steevast aantijging, hoon en spot heeft gegenereerd – terecht of niet: veelal door lui die de poet waren misgelopen – maar dat die emoties altijd afketsten. Bij de vele voorbeelden daarvan moet je bedenken dat conform de zede het protest werd genegeerd of gepareerd. Het verstrekte geld bleef aldus niet eens zozeer onomstreden als wel legitiem.
Volgens mij zijn er twee taboedoorbrekende momenten geweest. In 2002 was er De waarde van woorden, waarin Lisa Kuitert op grond van ervaringen als Fondsbeoordelaar een soort subsidieproza viseerde dat een comateus bestaan leidde. Dat haar tekst een inaugurele rede behelsde, zal de steen in de vijver van autoriteits- en kwaliteitsaanspraken hebben verzwaard. Vervolgens liet de tijdschriftencommissie van het Productiefonds, met onder meer Kuiterts confrater Dorleijn, weten dat literaire bladen onderhand de publicatie-optie van internet mochten overwegen.
Het voor het medium heilige ‘laboratorium’, waar experimenten de literatuur verder zouden helpen, was ontwijd. Dat dezelfde Kuitert later het literaire blad vergeleek met een ‘speeltuin’ verbaasde niet. Van bovenpersoonlijk ontmoetingspunt ten bate van de kunst was de aandacht allang verschoven naar de beoefenaars, wier geloofwaardigheid taande.
Daarbij had een ander medium, dat fenomenaal is voor de enkeling die het intelligent gebruikt, als katalysator gefungeerd. Met een fijne onbevangenheid is het internet, dat zich grofweg vanaf 1995 als gemeenschapspodium aandiende, elke hiërarchisch gefundeerde aanspraak ter discussie gaan stellen. Inmiddels is een prijs voor een literaire prestatie ondenkbaar zonder een publieksstem, hetzij aanpalend bij een uitreiking, hetzij in de persoon van één ‘gepassioneerd’ jurylid. Dit is echt een recente ontwikkeling.
Aangezien literaire tijdschriften met hun ambitieuze redacteuren het gezag verpersoonlijkten, kregen zij het extra voor hun mik. Zeker van jongere auteurs, die met het nieuwe medium waren opgegroeid en voor wie pen en tikmachine een museale status hadden. In 2004, bij het wegvallen van Bzzlletin (dat in zijn hoogtijdagen meer dan 10.000 abonnees had), ontwaarde Ingmar Heytze amper ‘hemelbestormende intenties’ in het ‘traditionele literaire tijdschrift’, en des te meer tekenen van overbodigheid. Hij repte van ‘een papieren ego’ en een ‘intellectueel masturbatie-object’. De toekomst was volgens hem aan een ‘cyber-ego’, waarmee het internetblad een immens bereik zou krijgen, immer actueel en goedkoop ook.
Heytze zei dat in een krantencolumn die daags daarna op internet stond – bijna intimiderend. Dergelijke kritiek was naar oude maatstaven ook onbesmuikt. Ze werd voordien uitgeoefend entre nous. Zo’n toon en publiekelijkheid wekten wrevel bij Kees Fens, die overigens dan wel een autoriteit mocht zijn maar niet de reguliere weg door de instituties had bewandeld. Het ‘autobiografisch geschrijf van het weblog’ noemde hij in een bijzin ‘dat elektronische openbaar toilet’. Gelet op de stront die hij vervolgens van het internet over zich heen kreeg was dat een correcte vaststelling.
Eveneens opgemerkt werd een essay van Hans Groenewegen over het overzien en beoordelen van recente poëzie, in het besef ‘dat er in de papieren wereld van dag- en weekbladen nauwelijks nog serieus te nemen critici zijn’. Ook het aantal besprekingen zag hij afnemen, zodat hij een internetinitiatief als Poëzierapport, met accenten op kleine uitgevers en Vlamingen (!), toejuichte. Toch plaatste Groenewegen literaire bloggers tussendoor in een onderwereld: ‘Uit weblogs spreekt vaak verontwaardiging over de boze bovenwereld. Die stelt de normen. Men voelt zich buitengesloten. Maar wat daar gebeurt en welke boeken er verschijnen lijkt grotendeels aan hen voorbij te gaan. Er wordt geen kennis van genomen. Tegelijk is men voortdurend op die bovenwereld gericht.’
Hoewel ik Groenewegens observaties deel, al was het vanwege de commentmantra ‘Ik heb het nog niet gelezen, maar ik vind…’ heeft die opstandige onderwereld mijn sympathie gehad, van nature bijna. Een aantal van die mannen – vrouwen zijn er beduidend minder – opereerde ook bij voorkeur in het holst van de nacht. Echt illegaal of zo werd het niet, hun discussies bleven naspeurbaar (de echte onderwereld zit inmiddels op sociale netwerken als Facebook, dat meer mensen in de greep krijgt en waarop, onbereikbaar voor zoekmachines, daverend schijnt te worden gediscussieerd).
Grappig was dat betrokkenen telkens ontkenden dat er zoiets als een onderwereld bestond en door discussies het bestaan ervan bevestigden. Al was het door in van minachting druipende zinnen over subsidies ‘belangenverstrengeling’ te ontwaren, via de topos ‘wij van WC-eend adviseren WC-eend’ die wel vaker opduikt schande en andere banvloeken uit te spreken, en voor alles de gedateerdheid te diagnosticeren van de Ander die zich dus wel in de bovenwereld bevinden moet.
Die paradox liet zich bijvoorbeeld kennen bij een publiek gemaakte ‘masterscriptie’ over Noord-Nederlandse literaire tijdschriften die, met de door een andere nobele onbekende in een dagblad al geponeerde stelling dat het medium in papieren vorm zijn langste tijd had gehad, een ware commentexplosie teweegbracht. Ze toonde het internet op zijn grootst en zijn benepenst, het leek wel of elkeen zich het centrum van de wereld wist. De kloof tussen believers (‘idealisten’, boven) en non-believers (‘realisten’, beneden) gaapte.
Mij is er vooral een afgrondelijk wederzijds wantrouwen van bijgebleven. Al het gepalaver suggereerde namelijk ook iets curieus in argumentatie en mensbeeld. Ik heb het pas kunnen begrijpen na lectuur van het boek Geweld door Slavoj Zizek. Daarin staat een anekdote over een boer die van een goede heks mag kiezen: of ze geeft hem één koe en zijn buurman twee, of ze neemt van hem één koe en van zijn buurman twee. Terstond kiest de boer voor de laatste optie.
Dit ondervond het recensieplatform De Reactor. Voor het startgesubsidieerd het web opging, waren de meningen erover reeds panklaar. En het was niet eens een literair tijdschrift. Maar da’s een verhaal apart.
vrijdag 5 februari 2010
Wat nu? (1)
Rond de jaarwisseling verscheen van Revolver het slotnummer. Toen het tijdschrift aankondigde na meer dan 40 jaar te stoppen, waren de reacties voorspelbaar. Verdrietig dat zo’n mooi eenmansproject ophield, misnoegd omdat extra administratieve rompslomp de aanleiding was. Die papierwinkel kwam nota bene voort uit een licht kakelverse professionalisering: sinds 2006 is er in Vlaanderen een auteursvereniging en die was bij het ministerie gaan vragen om een gepaste regeling voor honoraria. Dit pakte al te ingewikkeld uit voor contribuanten uit het buurland waarmee Vlaanderen in de taal verbonden heet te zijn; de porto voor een zending ernaartoe van meer dan 350 gram die een literair tijdschrift algauw is, overtreft overigens de winkelprijs van zo’n nummer.
Dergelijke treurnis spiegelt de tanende status van het medium, dat wel heel stringente pr kan gebruiken. Want voor zover er Revolver-rouw was, staken reflexen de kop op die het literaire tijdschrift an sich ter discussie stelden. Ze lijken gesneden koek. Zelfs een onderzoekje naar boekrecensies in Vlaamse media dat methodologisch, zonder badinerend te willen doen over de moeite van het tellen, bij een eerste blik al rammelt, weet een criticus zo te draaien dat hij kan uitvaren tegen ‘de literaire incrowd van tijdschriften’, twee keer zelfs. Met mogelijk nog minder aanleiding plengt een collega van hem iets identieks.
Wat is dat toch allemaal? Natuurlijk, ik houd meer van humor om te lachen en ook heb ik een bijna sentimentele band met het medium. Nog altijd kan er trots door mij varen als mensen wier oordeel ik hoogacht een tekst van mij willen plaatsen, en bespringt me frustratie indien ze het niet in me zien zitten. Dat wil niet zeggen dat volgens mij alles altijd even secuur wordt gelezen, laat staan dat mij de bijwagenpositie ontgaat die dit medium gekregen heeft. Ik heb het als redactiesecretaris meegemaakt dat door een communicatiefout een nummer een week bij abonnees en recensenten lag, toen een auteur pas het afgesproken interview aan een krant gaf waarin hij een tot in de titel van zijn bijdrage manifest gemaakte primeur wereldkundig maakte – en het nieuws zich begon te verspreiden.
Literaire tijdschriften krijgen sowieso geen structurele aandacht. Ooit lag mijn drive om het toch wat enge proces van beoordeling te ondergaan mede in het feit dat alle kranten wekelijks minstens twee bladen bespraken. Inmiddels hebben recensenten het veld geruimd voor literair journalisten. Het slotnummer van Revolver werd dan wel alom bijgezet in de urnen van de verslaggeving, dat het ook teksten bevatte leek bijzaak. Een enkeling die ze vermeldde deed een greep uit de inhoudsopgave, bijvoorbeeld ‘een dossier over Boon’. Is deze auteur pas nieuwswaardig indien er over zijn feminatheek opinies kunnen gespuid – door lieden die cv vermoedelijk niet als afkorting zien van centrale verwarming?
‘Toen ik begon’ was er tekstopslorpenderwijs weinig genotvollers dan eens per week in de bibliotheek nieuwe nummers doornemen. Die aberratie heeft mij nog in bezit. Toevallig kan ik al jarenlang de ontwikkeling van Vlaamse literaire tijdschriften op de voet volgen (ik vrees dat ik ze beter ken dan, en dat ze me zelfs een alibi geven voor het ongelezen laten van, boeken die er soms uit voortvloeien). Omdat bibliotheekbezoek inmiddels neerkomt op het achternalopen van iemand die voortdurend 'nee' roept, is mijn kennis van de Nederlandse bladen veel geringer; die toestand zou voor het algehele grensverkeer wel eens regel kunnen zijn.
Getuige hun uitspraken lijken fervente critici van literaire tijdschriften niet overmatig op de hoogte van het verfoeide medium. Scheppen ze daar genoegen in? Ze beroepen zich op het summiere dat internet ervan biedt en legitimeren zich desgevraagd verder met ‘doorbladeren’. Dit is voorbij een imagoprobleem en steunt de these van Henk Blanken dat de virtuele wereld aan het licht heeft gebracht dat we onvoldoende samen weten.
Kennelijk is blind al helder dat literaire bladen weg moeten, zeker in de vorm van papier. Die beginletter serveert meteen enige antagonisten, notoir uit elke branche waar besluiten worden genomen: pausen, poulains en paria’s. Weerkerend is namelijk een aantal verwijten. Papieren bladen bereiken een kleine kring van bekenden, hebben een sterk poëticale inslag en teren op subsidies die beter aan actuele ontwikkelingen besteed kunnen. Ze zijn dus ‘elitair’, waarbij nog net niet de suggestie rijst dat redacteuren, die op de secretaris na onbetaald werk doen, naar een perfide trend zich bonussen laten uitbetalen.
Nu snap ik best dat een dure en statische portaalsite voor het medium niet valt te verdedigen tegenover een beweeglijk en gratis blogwezen. Ook wekt het dompelen van nummers in een vloeistof, gevoegd bij een correspondentie ter plekke inclusief het bericht ‘Eind 2007 interviewden wij met zijn tweeën ***’, de associatie met een besloten feest.
Maar zelfs daar zijn, zeker vergeleken met festivals uit de 24 uurseconomie, belangwekkende dingen te beleven. Dat blijkt althans als ik me niet laat intimideren – en gewoon binnentreed! Wat ik in enige postings toch eens wens te onderzoeken is de vraag: waarom willen zoveel lezers zichzelf bij voorbaat dat allersimpelste recht ontzeggen, en daar met veel bombarie de gastheren en de wet voor aansprakelijk stellen?
zondag 31 januari 2010
Raatmoment (5)
Het overlijden van J.D. Salinger had een gouden randje: bij de talloze in memoriams werd telkens dezelfde foto afgedrukt – als verlegen, schijnbaar onbedorven jongeman. Dit scheelt nogal kiekjes waarop hij met zijn even talloze allerbeste vrienden (‘Ik mocht Jaydee zeggen’), stomtoevallig de auteur van het stukje, in een andere verlegenheid zou bevriezen.Ware er een stabiliteitspact met de ambtenarij mogelijk, die zulke efficiency niet hoeft te onderwerpen aan interne audits of andere vergeetputten die dossier heten, omdat ze middel en doel is! Maar wellicht ben ik verkneukelend bevooroordeeld als allochtoon te België die soms een instantie bezoeken moet.
Bij mijn initiële grensoverschrijding werd een voorlopige verblijfsvergunning afgegeven als er een ziekteverzekering was en er zou een ziekteverzekering komen indien er een voorlopige verblijfsvergunning was – het helpt ongeveer de taal te spreken en niet bij elk woord uitleg het geheugen te hoeven afgrazen naar de betekenis. En na een paar keer van het kastje naar de muur mocht ik gelijk naar het loket terwijl er velen wachtten wier huid minder bleek kleurde dan de mijne. Er was nog een artiest geweest en ineens was ik ook officieel Europees onderdaan.
Later wou ik een handig treinabonnement. Daartoe formulieren en een foto. Bij het afhalen geen foto maar een paspoort. Wat ik liet zien bleek een Nederlandse kaart, terwijl het pinpasje dat ik bij de volgende gelegenheid opdiepte een internationaal paspoort behelsde, ‘het staat er in vier talen op’. Maar het eerste heet Europese Unie Koninkrijk der Nederlanden PASPOORT, een internationaal ding dat op het consulaat is te verkrijgen. Het tweede noemt zich, inderdaad in vier talen, BELGIE E+ kaart, bij de gemeente te halen als ‘document ter staving van duurzaam verblijf’ – de update van het kreukgrage papiertje dat mijn verblijfsvergunning was. Thuis werd me voorts uitgelegd dat paspoort een synoniem is van identiteitskaart en dat het internationale ding reispas wordt genoemd.
(Zulke misverstanden zonder veel gentrification zijn ook lollig omdat zaken anders lopen dan gewenst. Een lach verdient sowieso de aanbeveling om je niet belangrijk te voelen dat een absurditeit precies jou treft. De natuurwet is immers: hoe groter de organisatie, hoe minder haar werknemers iets kunnen uitrichten. Wie zich dan tekortgedaan voelt mag protest aantekenen, voor de behandeling waarvan een wachtkamer het voorgeborchte is. Steevast herbergt dat een koffieautomaat. Zo’n ding staat tevens in ‘klantenservice’ genoemde ruimtes waar op de display nummers dermate traag verspringen, dat de koffie in haar vele varianten tot de tiende graad gratis wordt afgescheiden en nergens anders naar smaakt dan naar warm water – geen oppoking van toch al geënerveerde klanten door extra cafeïne, maar een poging tot vermoedelozen.)
Zeker is dat onbegrip op onregelmatige basis een intimiderend voorrecht kan zijn. Want hoe moet dat met allochtonen bij wie Nederlands niet de moedertaal is? Return to sender, om met Elvis te spreken? Of zou identiteit iets wezen wat men voor de duur van een procedure beter vergeet?
Uit levensbeschouwelijke artikelen snap ik inmiddels dat ‘ideologisch’ een eigenschap is bij mensen van ooit die de wereld indeelden vanuit een statische visie. Dat deze constatering evengoed ideologisch is blijkt hier ‘politiek’. Een residu van de val van de Muur? Eigenlijk ken ik deze quasi-onthechtheid annex autonomie al van punkerkrakers uit de vroege jaren tachtig, die er ‘hippies’ de oren mee dachten te wassen: Save the world, fuck the system.
Dus nu ik de taal ook op schrift aardig kan volgen en uit intermenselijk verkeer waardering heb ondervonden indien het reguliere Noord-Nederlandse spreekvolume wordt gedempt kan er eigenlijk weinig stuiken. Da’s in wezen jammer, omdat er iets prettig opstandigs zit in de sensatie tijd te vermorsen.
Onlangs stuurde de dienst Burgerzaken van mijn huidige woonplaats een verzoek om een geboorteakte ‘voor bestuurlijke inlichtingen’. Fabuleus hoe de techniek dan werkt: een mailtje naar het buitenland, een scan bijsluiten van mijn eh… paspoort en twee dagen later de akte, met een factuur à 12,35 euro, in de analoge bus. Mij ontroerde het de handtekening van mijn vader te zien, zijn beroep dat exact was omschreven en mijn moeder die dan zonder beroep was maar ‘uit’ wie ik geboren bleek.
Op het gemeentehuis maakte men er een kopie van en onderstreepte daarop de namen van mijn ouders. Van mij wou men hun geboortedata weten. Toen was alles in orde en stelde ik de journalistieke hoe-wat-wanneer-en-waarom-vraag (hoeveel was al bekend).
Er was de computermelding gekomen van een ‘onvolledig dossier’. Was dat al zo bij mijn aankomst, acht jaar geleden? Ja, ‘typisch Antwerpen’ om niet alle gegevens te verzamelen. ‘Meer Nederlanders klagen hier daarover.’ Hollandsachtig vroeg ik dat ik daar de rekening van mocht betalen? Jawel, maar dit lag niet aan de gemeente. Bepaald Hollands hoorde ik mijn stem schril zeggen dat men mij ook even had kunnen bellen voor de namen van mijn ouders? Nee, dat mocht alleen per document. Konden de gemeentes dat onderling dan niet (‘uit principe’, dacht ik erbij) kortsluiten? Nee, regels zijn regels en bovendien had ik bij het betreden van het land een geboorteakte moeten overleggen. Huh? Dat te weten was mijn verantwoordelijkheid.
Voor ik het wist hoorde ik me roepen dat ik er werk van ging maken. Dat het onaanvaardbaar was dat iedereen behalve de gemeente zelf de schuld kreeg van zoiets simpels dat zo kon worden opgelost. En trouwens, de geboortedata van mijn ouders had ik hier op eigen autoriteit gegeven!
‘Weet u wat, meneer? Ik maak van die getallen allemaal nulletjes! Maakt toch niets uit, want zij zijn geen Belg en hebben dus ook geen rijksregisternummer.’ Waarvan akte.
woensdag 27 januari 2010
Hélène
Voor de oplossing van menig vraagstuk acht ik me steeds vaker te jong. Vreemd, want als ik me niet vergis word ik dagelijks ouder. Of dat ook dom is, moet worden afgewacht – de top van het intellectueel vermogen schijnt iets voor de vijftig te liggen.Die leeftijd dunkt mij instapgeloofwaardig bij functies met immense verantwoordelijkheden. In het bedrijfsleven, maar zeker bij degenen die dat moeten representeren en repareren: politici. Hoop ik dan op wijsheid, drift tot verandering of geduld? Indien de laatste faculteit overheerst, komt er uithoudingsvermogen aan te pas en dan rendeert enige jonkheid.
Zo zouden van het kabinet-Den Uyl de broekies de eindeloze vergaderingen het best hebben verteerd. De premier had ministers als Pronk, Lubbers, Duisenberg, Van Kemenade, Boersma en Van Agt die, amper 40, niet snel omvielen. Bij de laatste was dit tegelijk een probleem, dat toesloeg op een moment dat zelfs de premier geen lust meer had in een debat.
Of het nu de fysiek is die wint, de invloedrijkste regering uit de afgelopen eeuw was bij het aantreden amper de luiers ontgroeid: Bormann 33, Goebbels 36, Göring 40, Hess 39, Himmler 33, Speer 28. Met zijn 43 was Hitler waarlijk een nestor. Deze cijfers haal ik bij Armando, die er verder op wees dat afgaand op de leeftijd het vak van generaal erg gezond blijkt.
Hoe anders ligt dat bij popidolen. Jimi Hendrix heeft niet eens de 30 gehaald, op welk kroonjaar Lennon & McCartney al zo’n beetje het hele Beatlesrepertoire gecomponeerd hadden. Pensioen kan in die branche maar beter snel komen.
Behalve voor Doe Maar. Elders heb ik uitgeweid over de even fascinerende als bizarre constellatie waarin die groep in de hoogtijdagen opereerde: de fans hadden hun kinderen kunnen zijn. Gelukkig raakte het babyboomergezelschap tekstueel de eigen sores aan, anders waren ze trendwatcher geworden, het treurigste beroep denkbaar.
Een intrigerend nummer is dan ‘Belle Hélène’ uit 1982. Levenslustig bezingt het de escapade van een oudere ik-figuur met de titelheldin. De crux ligt in de brug: ‘Je bent dezelfde maar toch anders / Zo heb ik jou nog nooit gezien / Je bent ineens geen kind meer / Maar zo mooi en minstens zeventien.’
Het onderliggende skaritme maakt het liedje zelfs onbezorgd. Ik zie dat als goedmoedige spot (waar Doe Maar patent op had) met de moraal van hun jeugd. De titel verwijst naar een Offenbach-operette, een genre waarvan de Wiener variant in het nummer ‘Doris Day’ ook de lachlust opwekt en aan ouders kleeft. Voor hen zal een avontuurtje met een tiener niet comme il faut zijn geweest. Maar het kwestieuze onderwerp wordt zo slechts sterker gerelativeerd.
Vanuit hedendaags standpunt is dat kras. België kaart na over een zedenzaak, waarvan het land een explosieve geschiedenis kent. De wet laveert; het is sowieso de charme en de afgrondelijkheid van het land dat er, ondersteund door een ambtenarenapparaat dat decreten, koninklijke besluiten, ministeriële besluiten, toewijzingen, aanstellingen en ordonnanties spuwt, te raadplegen in het jaarlijks meer dan 50.000 bladzijden tellende Staatsblad, een helder doorzicht principieel onmogelijk is. Maar toch niet zodanig dat een dader zich ‘een tweederangs-Jood, een tweederangs-Dreyfus’ kan wanen?
Amerika spreekt van statutory rape, een godsdienst heeft terzake een twijfelachtige reputatie, en bovenal zijn er over de hele wereld zulke kwesties geweest. Complexe materie, waar bijna grimmig materiaal voor en tegen wordt vergaard: welke leeftijd mag, wat is toestemmen, autonomie, enz. Hoe ongemakkelijk ver de standpunten uiteenlopen, toonde de zaak-Polanski, en dan moet bij enkele opvattingen nog ijdelheid worden verdisconteerd.
Je hoeft niet eeuwen terug naar de pretieners van gearrangeerde huwelijken in hogere standen voor het besef dat met de praktijk de visies veranderd zijn of andersom. Zo gelden ‘de jaren zestig’ als omslag (en projectiescherm van alles wat vies en voos is: lollig hoe bij de herdenking van ‘mei ’68’ het nagestreefde egalitarisme van toen nu uniform hoon kon ontvangen). Dan ontstaat er context voor Doe Maar. Ook valt een Cohn-Bendit op te voeren, die in 1975 zijn aanpak in een Frankfurtse antiautoritaire crèche memoreerde, waarvoor hij vijfentwintig jaar later op zijn noten kreeg.
Wat een platitude te constateren dat de wereld is veranderd, net als de Belle Hélènes en hun grondslagen. Ik snap het niet, elke getuigenis is te recupereren. Kan het interessanter worden zich met alle ondubbelzinnige meningen te verplaatsen in het gelaakte?
Van ‘Belle Hélène’ is in 2000 een uitvoering gemaakt door Daryll-Ann, die trager is en bovenal melancholiek. Het perspectief lijkt verschoven naar twijfels bij de ik-figuur. Zo komt het accent op tweede couplet: ‘Ik weet niet of het goed of slecht is / Dat ik met je vrijen wou / En wat een ander ook mag zeggen / Ik vond het fijn bij jou’. Goh, daarop rijmt trouw.
Naschriftje
Uit de documentaire Dit is alles blijkt dat ‘Belle Hélène’ kandidaat voor een single is geweest, maar afgewezen werd door Vrienten en Hendriks. De reden was dat het nummer te weinig luchtig zou zijn, Jansz’ zoveelste ‘liefdesbrief aan één meisje in plaats van zeshonderd’. Getuige glunderende beelden van comebackconcerten uit 2013 is dat aantal alsnog gehaald – bij goed geconserveerde dames van respectabele leeftijd die de mijne zou kunnen zijn.
dinsdag 19 januari 2010
Ampersandeconomie
Wellicht raak ik door het onderwerp wat gedeformeerd, maar bij mijn recentste bezoek aan Nederland leek menige koffiebar door middel van een ampersand een aanvulling in de naam te dragen die het geheel wil opkloppen met luchtige gedegenheid. Het gaat om gelegenheden als Koffie & co, Koffie & zn, Koffie & zo… Ik vermoed dat ze een vrolijke chaos willen creëren die toch, of vooral, rendabel blijkt. Zoals het fameuze programma Koffietijd van de piraat Veronica, waar tussen beeldregerende anti-establishmentstoestanden als Joost mag het weten ook de niet echt kinderachtige doelgroep van huisvrouwen werd bediend ‘met praatjes en gezellige rubriekjes’. Het programma was vanaf februari 1961 van Tineke, volgens de biograaf gezegend met ‘een stem die je verwelkomde als een beker warme chocola op een winterse namiddag’ (bij haar confrater Gerard de Vries hoort hij dan weer een ‘koffiebruine stem’).
Knap van zo’n aanvulling in de naam is dat de niche zich er minder in opdringt. Er zijn immers veel meer winkels voor gespecialiseerde koffie en gebak/koek/broodjes, die al te cru Company heten – in de lingua franca van de globalisering, wier legitimatie overuren draait. Ik veronderstel dat een bewuste consument daar net iets minder achteloos zijn Bourgondische leven tentoonspreidt.
Bestudering van de menukaart leert dat de winkels in de &-variant vaak een koffie hebben die naar henzelf is vernoemd. Als beschrijving wordt vervolgens een zeer minieme tip van de sluier opgelicht: ‘verrassing van het huis’. Menigmaal wordt bij de koffie dan ‘een likeurtje’ geserveerd. Ik vrees dat men in Vlaanderen ervan zal opkijken wanneer dit als een innovatie geldt – een beetje café geeft hier bij de koffie een advocaatje of tenminste een pinkglaasje met sterk door die drank aangegrepen room.
Als het koningskoppel koffie & drank ter sprake komt, vallen mijn gesprekspartners ruwweg in twee groepen uiteen: traditionalisten van veelal mannelijke kunne die aan cognac denken, en jongeren van veelal vrouwelijk kunne die met Amaretto geuren. Wanneer de wind goed staat lukt het me zelfs zonder te spieken nog wat varianten te geven, die soms naar een land, plaats of heilige zijn vernoemd.
Op veel ervaring terzake kan ik me, überhaupt meer serieel dan multitaskend, niet beroemen. Wel is bekend dat Herman Brood in zijn finale jaar, waarin talloze doktoren hem elke alcohol ten strengste ontrieden, ‘zware koffie’ dronk die hij Prinsesje noemde: naast de ‘Kahlua, met de nodige Grand Marnier, een scheutje Bénedictine, met een toefje slagroom erop’. Daarmee voerde hij een consequente politiek, omdat hij ook dol was op Long Island Iced Tea: ‘Thee? Nee, dat heb ik er tot op heden niet in mogen aantreffen.’
Uiteraard is dit soort dranken evengoed thuis te nuttigen; alleen al mijn buurtsupermarkt biedt steevast afgeprijsde, omgerekend niet erg goedkope maar kant-en-klare flessen Irish Coffee, Rum Coffee en Hasseltse koffie (met jenever). De inhoud hoeft nog slechts opgewarmd in een pannetje – of in de magnetron die dan wel anglicistisch microgolf heet. Gemakswerk, waarbij vergeleken bisschopswijn pure ironie wordt. Veel gedachten wijd ik er echter niet aan, omdat mijn aandacht sinds kort opgezogen is door een andere fles op die schap.
Paardenmelklikeur.
Inmiddels bezig ik de term zonder braakstuipen maar blijf door mysteries omwonden. Geeft een paard melk? Waar precies? Leidt vrijwillige inname tot prestaties op de lange afstanden? Voltooit alcohol het tot the nose of the salmon? Of wil de naam langs het politiek-metaforisch onbewuste bepaalde associaties verwekken, zoals studentenhaver en walvistraan dat doen?
Ondermaans surfen leert dat paardenmelk al eeuwenoud is en in andere beschavingen, wel op aarde, een elixer geweest is waar nu een taboe op rust. Van de likeurvariant, meer in het bijzonder uit witte merries, lustte Kublai Khan pap. Net als Olivia Newton-John?
In het negentiende-eeuwse Rusland werd deze alcohol ingezet tegen tuberculose. Inmiddels is ze uiteraard alom verkrijgbaar, dus ook op gespecialiseerde boerderijen waar de dieren minder gestrest rondlopen en het onderlinge contact zelfs bij slecht weer goed is. Desgewenst kan de likeur worden gebotteld in leuke paardenflessen, naar keuze zwart of wit, en in de smaken cocos of Baileys – ook drop, karamel, sinaasappel, banaan, honing, ananas, advocaat, mokka, amandel, truffel en natuurlijk koffie trokken als hoofdtoon op mijn scherm voorbij. De indruk rijst dat het product een nieuwe trend van consumeren én ondernemen aan het artisanale licht brengt, tussen gezond en exquise in. Uitgebalanceerd, deze ampersandeconomie! Dagtrips worden er naar dergelijke hoeves ondernomen, met gratis proeven en bij één organisatie vervolgd door een ‘koffietafel met kroket’.
Zelf heb ik geen plannen eraan te beginnen. Maar als ik dat doe, dan gelijk in de alcoholische variant, ter desinfectie van het pure: ‘Het is belangrijk dat de melk elke dag gedronken wordt (opbouwen met 4 dagen een half potje te drinken). De eerste weken kan men ongemakjes voelen, meer uitslag of gerommel in de darmen. Daarna afbouwen (4 dagen een half potje te drinken), nooit van de ene dag op de andere stoppen. Het is belangrijk dat je geen enkele dag overslaat.’
Wellicht kan het ook door de koffie geroerd, opdat het ouderwetse reclamewoord vlees wordt: ‘de koffie staat bruin’.
Knap van zo’n aanvulling in de naam is dat de niche zich er minder in opdringt. Er zijn immers veel meer winkels voor gespecialiseerde koffie en gebak/koek/broodjes, die al te cru Company heten – in de lingua franca van de globalisering, wier legitimatie overuren draait. Ik veronderstel dat een bewuste consument daar net iets minder achteloos zijn Bourgondische leven tentoonspreidt.
Bestudering van de menukaart leert dat de winkels in de &-variant vaak een koffie hebben die naar henzelf is vernoemd. Als beschrijving wordt vervolgens een zeer minieme tip van de sluier opgelicht: ‘verrassing van het huis’. Menigmaal wordt bij de koffie dan ‘een likeurtje’ geserveerd. Ik vrees dat men in Vlaanderen ervan zal opkijken wanneer dit als een innovatie geldt – een beetje café geeft hier bij de koffie een advocaatje of tenminste een pinkglaasje met sterk door die drank aangegrepen room.
Als het koningskoppel koffie & drank ter sprake komt, vallen mijn gesprekspartners ruwweg in twee groepen uiteen: traditionalisten van veelal mannelijke kunne die aan cognac denken, en jongeren van veelal vrouwelijk kunne die met Amaretto geuren. Wanneer de wind goed staat lukt het me zelfs zonder te spieken nog wat varianten te geven, die soms naar een land, plaats of heilige zijn vernoemd.
Op veel ervaring terzake kan ik me, überhaupt meer serieel dan multitaskend, niet beroemen. Wel is bekend dat Herman Brood in zijn finale jaar, waarin talloze doktoren hem elke alcohol ten strengste ontrieden, ‘zware koffie’ dronk die hij Prinsesje noemde: naast de ‘Kahlua, met de nodige Grand Marnier, een scheutje Bénedictine, met een toefje slagroom erop’. Daarmee voerde hij een consequente politiek, omdat hij ook dol was op Long Island Iced Tea: ‘Thee? Nee, dat heb ik er tot op heden niet in mogen aantreffen.’
Uiteraard is dit soort dranken evengoed thuis te nuttigen; alleen al mijn buurtsupermarkt biedt steevast afgeprijsde, omgerekend niet erg goedkope maar kant-en-klare flessen Irish Coffee, Rum Coffee en Hasseltse koffie (met jenever). De inhoud hoeft nog slechts opgewarmd in een pannetje – of in de magnetron die dan wel anglicistisch microgolf heet. Gemakswerk, waarbij vergeleken bisschopswijn pure ironie wordt. Veel gedachten wijd ik er echter niet aan, omdat mijn aandacht sinds kort opgezogen is door een andere fles op die schap.
Paardenmelklikeur.
Inmiddels bezig ik de term zonder braakstuipen maar blijf door mysteries omwonden. Geeft een paard melk? Waar precies? Leidt vrijwillige inname tot prestaties op de lange afstanden? Voltooit alcohol het tot the nose of the salmon? Of wil de naam langs het politiek-metaforisch onbewuste bepaalde associaties verwekken, zoals studentenhaver en walvistraan dat doen?
Ondermaans surfen leert dat paardenmelk al eeuwenoud is en in andere beschavingen, wel op aarde, een elixer geweest is waar nu een taboe op rust. Van de likeurvariant, meer in het bijzonder uit witte merries, lustte Kublai Khan pap. Net als Olivia Newton-John?
In het negentiende-eeuwse Rusland werd deze alcohol ingezet tegen tuberculose. Inmiddels is ze uiteraard alom verkrijgbaar, dus ook op gespecialiseerde boerderijen waar de dieren minder gestrest rondlopen en het onderlinge contact zelfs bij slecht weer goed is. Desgewenst kan de likeur worden gebotteld in leuke paardenflessen, naar keuze zwart of wit, en in de smaken cocos of Baileys – ook drop, karamel, sinaasappel, banaan, honing, ananas, advocaat, mokka, amandel, truffel en natuurlijk koffie trokken als hoofdtoon op mijn scherm voorbij. De indruk rijst dat het product een nieuwe trend van consumeren én ondernemen aan het artisanale licht brengt, tussen gezond en exquise in. Uitgebalanceerd, deze ampersandeconomie! Dagtrips worden er naar dergelijke hoeves ondernomen, met gratis proeven en bij één organisatie vervolgd door een ‘koffietafel met kroket’.
Zelf heb ik geen plannen eraan te beginnen. Maar als ik dat doe, dan gelijk in de alcoholische variant, ter desinfectie van het pure: ‘Het is belangrijk dat de melk elke dag gedronken wordt (opbouwen met 4 dagen een half potje te drinken). De eerste weken kan men ongemakjes voelen, meer uitslag of gerommel in de darmen. Daarna afbouwen (4 dagen een half potje te drinken), nooit van de ene dag op de andere stoppen. Het is belangrijk dat je geen enkele dag overslaat.’
Wellicht kan het ook door de koffie geroerd, opdat het ouderwetse reclamewoord vlees wordt: ‘de koffie staat bruin’.
woensdag 13 januari 2010
Noten lezen
Zeker nu ten langen leste wetenschappelijk is bewezen dat muziek je een beter mens maakt, wordt de opinie dat deze discipline de hoogste der kunsten is helemaal mainstream. Ik onderschrijf haar dan ook van harte. Wel kost het moeite die opvatting te blijven huldigen als ik, om precies te zijn elke avond, ons taalkundig genie S. bezig zie met Het rode kippetje.Hoewel ze niet kan lezen, draagt ze er, het boek op schoot, bijkans in trance stukken uit voor. Ook lispelt ze zinnetjes als ze aan het spelen is. Ik was werkelijk geneigd om de auteur een dankbrief te schrijven en te signaleren wat een opzienbarend geluk hij teweeg had gebracht (met zijn woorden van de olifant-koper voor de schilder-krokodil: ‘Nu begrijp ik dat jouw meesterwerk mijn leven heeft verrijkt’). Maar hij bleek al gestorven en bovendien voer de twijfel door mij in hoeverre ons taalkundig genie werd gestuurd.
Eerst dacht ik dat het bijbehorende plaatje die taal losweekte, waar ze wel amper iets van zou begrijpen. Als de woorden haar even in de steek lieten, begon ze echter met haar armen te zwaaien. Normaal doet ze dat als ze iets te warms eet, hier leek beweging de spraak te maken. Volgens de jongste theorie zou ze dan tot de rechtshandigen behoren, bij wie het motorische en het taalsysteem in één hersenhelft zitten. Daarbij dringt zich de vraag op of gesproken taal voortgekomen is uit gebarentaal.
Gecharmeerd van het idee dat er de eerste keer dat een baby zijn mond dichtknijpt en nee schudt tegen de hem voorgehouden hap een politieke identiteit ontstaat, weet ik nu eigenlijk niet goed of beweging mag worden geschaard onder ritme en zelfs in verband kan gebracht met een liedstructuur. Want S. kent met name het titelverhaal van Het rode kippetje tot in haar vezels, en dat heeft een dermate repetitieve structuur, in een vraag- en antwoordspel, dat ik het, indien dat kon, eerder tussen de cd’s dan tussen de boeken zou opbergen.
En bij de imitatiedrang die ons taalkundig genie de laatste tijd ontplooit, vooral van meisjes tussen de 4 en 24, heeft ze door haar iets oudere verwekker van het andere geslacht ook het fenomeen van het sterke verhaal en de mop in de peiling gekregen. Ze vertelt er inmiddels heel wat, in verzonnen woorden of droedels van de tong, maar met de juiste dictie, snelheid en, vlak voor de clou, pauzes. Daarna lacht ze zeer smakelijk om de door haar aangerichte eenvoudige complexiteit.
Ik besef dat dit overkomt als snoeverij van een vader, maar tracht eens bescheiden te blijven als een aankleedhebbelijkheidje van je dochter wordt overgenomen in New York en zich nu over de wereldsteden verbreidt. Anderzijds zou S. op school iemand gebeten hebben, en omdat ze ‘charmant, aimabel en vriendelijk’ is, kan het niet anders of ze is, getuige de advocatuur die zich over het geestesleven van België ontfermd heeft, een seriekannibaal. De journalistiek die bij dit spiegelvoorhouden de concurrent is, weet bovendien dat ze in haar vermeende onschuld, bijna drie jaar en wonend in een provinciestadje waar het wiel nog moet worden uitgevonden, ‘het archetype van de donkerste angst van de Vlaming’ vormt.
Maar ja, c’est le ton qui fait la musique, ook voor wie gebeten is door het nieuws. Dus laat ik het inzake het hoofdlemma in de encyclopedie van de esthetische ervaring aldus zeggen: in de kamer waar ons taalkundig genie leest, staat een cd-wisselaar voor vijf schijfjes tegelijk. Als verantwoorde ouders verdelen we daar telkens wat genres over: klassiek, jazz, pop, latin en funk. Indien de cd-wisselaar onder het lezen nu toevallig overwipt naar het laatstgenoemde genre, dan gooit ons taalkundig genie het boek opzij en gaat ze dansen.
Toch kunstdisciplines in hiërarchieën doven? Al blijft muziek voor S. de alfa en de omega, uiteindelijk zijgt ze ineen, springt op de bank en vervolgt haar verhaal.
woensdag 6 januari 2010
Leerschool
Stationair draaiend tijdens het maken van een boek over koffie, leek het me listig om de kunst even af te kijken bij schijnbare verwante werken. Zo haalde ik Lelystad in huis, van Joris van Casteren. Ik had er goede dingen over gelezen, onder meer over de grenzen tussen fictie en non-fictie die ik zelf zou willen slechten. Andere boeken en journalistieke artikelen die me van Van Casteren bekend zijn ademen een nuchtere betrokkenheid – precies wat ik zoek.
Tegelijk interesseerde mij, als Hollandse emigrant misschien om sentimentele redenen, zijn onderwerp. Het prikkelde ook de fantasie, een nieuw te bouwen stad op land dat op zee is gewonnen. Dus ik verheugde me op Lelystad en ik moet zeggen: ik heb me bij het lezen geamuseerd. Wellicht wat te veel, want geconfronteerd met een monocausale verhandeling is het me nu helemaal een raadsel welke kant ik op moet.
Van Casteren heeft verbluffend veel achterafinformatie verwerkt over een stad die hij vanaf zijn prilste jeugd kent. De eerste beweger bij hem is de jaren zeventig. En daar zijn ze weer: de baarden! Ze hangen aan mannen die de wereld willen verbeteren, allereerst door te experimenteren met hun leven zodat ze hun ware zelf kunnen bereiken, zonder overgeërfde schuld. Zouden ze daar nu in zekere zin, bien etonné, een pluim voor krijgen van Bolkestein, het boek memoreert slechts ettelijke cursussen, en na minstens zoveel scheidingen worden in Lelystad vrouwen lesbisch. Volgens mij zijn ‘de jaren zeventig’ vaker zo beschreven, steevast met dezelfde vruchteloze uitkomst.
Een ander wereldbeteringsfacet dat Van Casteren oprakelt, houdt in dat men omstandigheden schept die een groter algemeen geluk verwekken. Ook hier komt niets van terecht – kritiek op Verlichtingspremissen is bon ton. Bijvoorbeeld in het werk van Grunberg, waaraan Lelystad me vooral deed denken wegens de stijl. Het zinloze detail van Reve is het badinerende detail geworden. Maar mogelijk vinden lezers het treffend om, na de spruitjesgeur van de jaren vijftig, een decennium getypeerd te zien met vegetarisme, en attributen als taaie aubergines of tofoe. Vanuit een ander perspectief keken sommigen verder dan de Hollandse pot en waren misschien zelfs hun tijd vooruit inzake een immens eenentwintigste-eeuws probleem: vleesconsumptie.
Het zal vanwege die optimale herkenningskarakteristiek zijn dat de auteur ‘in een stellingkast (…) de strijdbare lectuur van Hannes Meinkema en Anja Meulenbelt’ opmerkt, terwijl hij elders omstandig het begrip ‘groene weduwe’ uitlegt – een Meinkematitel. De denigrerende kwalificatie ‘lectuur’ zal ik niet proberen door te denken.
Van aanhalingstekens wemelt het overigens in Lelystad, alsof er geen misverstand over mag bestaan dat de auteur niets met die rariteiten van doen heeft. Die smetvrees maakt de literair bedoelde taal paradoxalerwijs eenvormig, waar de sobere, journalistiek geknede grammatica de tekst een dreun meegeeft. Soms leidt dit tot onnavolgbare associaties: ‘De Centrumpartij kwam in de gemeenteraad, een vader sloeg zijn baby dood.’
Van Casteren wil zijn informatiesurplus niet te zeer uitbuiten in de non-fictiehoofdstukken; de meer literair aandoende passages dringen voor. Tegelijk verantwoordt hij zijn hybride tekst als waar gebeurd. Misschien ben ik te gefixeerd op zijn methode, maar de moeilijkheid lijkt dan dat het afsluitende deel van Lelystad, een evaluerende terugblik met de personages, in een reportagevorm gegoten is. De auteur voelt zich genoodzaakt hen te herintroduceren via de details. Dus herinnert hij de lezers bijvoorbeeld zelf aan iemand van wie was verteld dat zijn baan bestond uit het leggen van takjes peterselie op huzarenslaatjes. Wie dat de eerste keer al niet grunbergiaans vond, haakt alsnog af. Ook ligt het te zeer voor de hand dat de verhalen uit het heden onflorissant zijn; de enige belangwekkende vraag, of dat exclusief aan Lelystad en de tijdgeest ligt, stelt Van Casteren niet omdat het antwoord kennelijk bij voorbaat ja luidt.
Komt die blikvernauwing voort uit een wens ervaringsgevoeligheid luchtig te etaleren? ‘Elke dag keek ik televisie, iedereen in Lelystad keek elke dag televisie.’ Behalve dat de scheidslijn tussen stijl en truc hier vaag is, doet de zin geen recht aan luttele inwoners die iets anders deden én aan nogal talrijke niet-Lelystadse Nederlanders die hetzelfde deden. Nu ik dat beweer, trek ik het boek uit het literaire domein – wat Van Casterens intentie lijkt.
Hij stelt dat in Lelystad ‘de dingen eenvoudig waren wat ze waren’. Die indruk verbindt hij met de these dat in principe ‘geen metafoor’ te vinden was in zijn plaats van handeling, ‘geen verbeelding’, ‘geen symboliek’: curieus, omdat Lelystad juist wordt gereduceerd tot clichés die een ideologische kritiek (op illusies, maakbaarheid et cet) demonstreren.
De poëticale passage valt onder een door de hoofdfiguur beleefde verlossing door gedichten. Positief benadrukt in Lelystad is bijvoorbeeld de poëzie van Kees Ouwens. Geciteerd worden diens mooie regels: ‘denk nu aan het licht dat de zeearmen het land in werpen verder dan / zij erin binnendringen’. Ze komen uit Afdankingen uit 1995. Maar bij kennisname ervan heeft Van Casterens hoofdfiguur nog even voor hij ‘in de herfst van 1994’ in Utrecht journalistiek gaat studeren.
donderdag 31 december 2009
Nee, de hare
Zoekend naar voorlopige constanten in de teksten hier, valt me de beeldvorming van ‘de jaren zeventig’ op. Vrijwel in het begin ontdekte ik dat die gepaard gaat met draderigheid in de metaforiek. Ik gaf ‘geitenwol’, maar ‘macramé’ had evengoed gekund. Ook in ‘sandalen’ zit dat gevlochtene.
Dat die beeldspraak tot aan het lichaam kan doorgevoerd, blijkt uit inzichten van de jongste autoriteiten in mijn vak. In een pamflet van de een viel er inzake mijn onderzoeksperiode te vernemen over ‘baardig engagement à la Vogelaar’, een column van de ander typeerde milieubewuste activisten van weleer als ‘baardige macrobioten’, en de derde wist in een opstel dat God gepersonifieerd werd als ‘oude man met baard’ vanwege de oikonomia: om voor het geloof zaken helder te maken waren grove simplificaties toegestaan.
Toch is die laatste topos revelerend voor de amplitude van de baard. Wie denkt god – of in hetzelfde decennium Jesus Christ Superstar – uiterlijk te kunnen evenaren, heeft pretenties. Verbetering voor gansch de menschheid! Dat daarbij, bijvoorbeeld door ontwikkelingshulp, het nodige wordt weggegeven, roept nog een fameuze baard op: van Sinterklaas.
Welke enigszins representatieve figuur voor de jaren zeventig had zulk haar op zijn kin? In het kabinet-Den Uyl niemand. Roel van Duyn wel, maar die lijkt principieel oppositioneel en tijdloos (net als Chriet Titulaer, die bovendien een onderlangsbaard had). Het andere geloofsitem kent evenmin significanties; van het roemruchte Oranje uit 1974 had louter Barry Hulshoff een baard en hij was reserve. En het stomme is: als ik iemand met ‘de jaren zeventig’ associeer, dan toch wel Telly Savalas, die niet direct bekendstaat om zijn weelderige haardos.
Wanorde tekent deze metaforiek. Draderigheid leent zich immers tot lastig te ontwarren knopen. Een equivalent kan dan gezocht in de toenmalige symfonische rock die verschillende genres en tempi inpaste. De musici van die dienst droegen inderdaad nogal eens uitbundige baarden à la Catweazle. Het braver exemplaar van een kalmer vertolker in deze discipline, volgens wie Den Uyl in de olie was (‘Hij moet ’t maar versieren bij al die Arabieren / Als haremmeisje met een blonde pruik / Ik zie hem daar al dansen, knipogen en sjansen / Jopie met z’n blote witte buik’), hing in de kapsalon waar mijn moeder zich onderwierp aan ‘wassenwatergolven’.
De dictator van het decennium, Pol Pot, was dan weer cleanshaven. Zijn drijfveren, en die van zijn snordragende voorgangers Hitler en Stalin, kunnen vermoedelijk grosso modo verklaard door de bebaarde eminenties Darwin en Freud, eventueel ondersteund met praktijkervaring van Raspoetin. Op hun beurt hadden zij geen klassieke ringbaard uit de asterixiaanse filosofie, waarin de oratorsmond blootlag. In de jaren zeventig moet men dan gezichtsoverwoekering diagnosticeren. De natuur kon zijn gang gaan in plaats van omheind en gesnoeid te worden. Onder zulke baarden droeg men volgens ingewijden een tuinbroek (vgl. Paulus de Boskabouter).
Oogt een baard te vrijblijvend en in laatste instantie dus onbetrouwbaar? Lubbers, die aanleg had voor gezichtshaargroei, scheerde zich naar verluidt tweemaal daags (en liet het spleetje tussen zijn voortanden dichten, maar da’s een ingewikkelder verhaal). We zijn dan echter een decennium later, wanneer Lech Walesa zich aandient met meer snor dan baard, zeldzaam voor een politicus. Er was een Castro, complex bevriend met Che, een Arafat, er zou een Lula da Silva komen, maar verder?
Na de val van de Muur trad de five-’o-clockshadow in werking waarbij, zie Danny Blind, ruwe stoppels zich decent presenteerden. Voor het bereiken en handhaven van die verzorgde onverschilligheid leek gedurig onderhoud noodzakelijk: het neoliberalisme in optima forma. Die ideologie toonde met de kredietcrisis haar ware gezicht en de behandelend econoom had dan ook een ouderwetse baard, net als dokter Pachauri die de aanpalende rest kan opruimen.
Van de 25 geweldigste Vlamingen van het decennium geven de foto’s in Standaard Magazine een muzikant, een acteur, een atleet, een wetenschapper en een schilder als baarddrager. Bij die 20% openbaarde zich, de wetenschapper niet te na gesproken, ontluikend flos.
Volgens de jongste Noord-Nederlandse trend, die mijn gedachteleven retrospectief heeft bezet, is de baard terug. Twintigers en dertigers hebben hem ‘herontdekt. Onze generatie is informeel, maar niet hemelbestormend, heeft weinig achting voor gezag, maar houdt zich wel netjes aan de regels. (…) De baard is van iedereen geworden, van links tot rechts, van skater tot soldaat, van modenicht tot zorgboerderijbewoner’.
Deze revival heeft iets snaaks, getuige de dracht bij een alom gevreesde religie, waarvan de ene wereldlijke leider meer gezichtsflora heeft dan de andere. Ver weg ontstond wel doodleuk een shavebeweging. Op instigatie van een scheermessenmerk, maar ach, onbevangen redeneren wenst een logisch fundament – luidde Van Ockhams bijnaam niet Eerbiedwaardige Beginner?
Dat die beeldspraak tot aan het lichaam kan doorgevoerd, blijkt uit inzichten van de jongste autoriteiten in mijn vak. In een pamflet van de een viel er inzake mijn onderzoeksperiode te vernemen over ‘baardig engagement à la Vogelaar’, een column van de ander typeerde milieubewuste activisten van weleer als ‘baardige macrobioten’, en de derde wist in een opstel dat God gepersonifieerd werd als ‘oude man met baard’ vanwege de oikonomia: om voor het geloof zaken helder te maken waren grove simplificaties toegestaan.
Toch is die laatste topos revelerend voor de amplitude van de baard. Wie denkt god – of in hetzelfde decennium Jesus Christ Superstar – uiterlijk te kunnen evenaren, heeft pretenties. Verbetering voor gansch de menschheid! Dat daarbij, bijvoorbeeld door ontwikkelingshulp, het nodige wordt weggegeven, roept nog een fameuze baard op: van Sinterklaas.
Welke enigszins representatieve figuur voor de jaren zeventig had zulk haar op zijn kin? In het kabinet-Den Uyl niemand. Roel van Duyn wel, maar die lijkt principieel oppositioneel en tijdloos (net als Chriet Titulaer, die bovendien een onderlangsbaard had). Het andere geloofsitem kent evenmin significanties; van het roemruchte Oranje uit 1974 had louter Barry Hulshoff een baard en hij was reserve. En het stomme is: als ik iemand met ‘de jaren zeventig’ associeer, dan toch wel Telly Savalas, die niet direct bekendstaat om zijn weelderige haardos.
Wanorde tekent deze metaforiek. Draderigheid leent zich immers tot lastig te ontwarren knopen. Een equivalent kan dan gezocht in de toenmalige symfonische rock die verschillende genres en tempi inpaste. De musici van die dienst droegen inderdaad nogal eens uitbundige baarden à la Catweazle. Het braver exemplaar van een kalmer vertolker in deze discipline, volgens wie Den Uyl in de olie was (‘Hij moet ’t maar versieren bij al die Arabieren / Als haremmeisje met een blonde pruik / Ik zie hem daar al dansen, knipogen en sjansen / Jopie met z’n blote witte buik’), hing in de kapsalon waar mijn moeder zich onderwierp aan ‘wassenwatergolven’.
De dictator van het decennium, Pol Pot, was dan weer cleanshaven. Zijn drijfveren, en die van zijn snordragende voorgangers Hitler en Stalin, kunnen vermoedelijk grosso modo verklaard door de bebaarde eminenties Darwin en Freud, eventueel ondersteund met praktijkervaring van Raspoetin. Op hun beurt hadden zij geen klassieke ringbaard uit de asterixiaanse filosofie, waarin de oratorsmond blootlag. In de jaren zeventig moet men dan gezichtsoverwoekering diagnosticeren. De natuur kon zijn gang gaan in plaats van omheind en gesnoeid te worden. Onder zulke baarden droeg men volgens ingewijden een tuinbroek (vgl. Paulus de Boskabouter).
Oogt een baard te vrijblijvend en in laatste instantie dus onbetrouwbaar? Lubbers, die aanleg had voor gezichtshaargroei, scheerde zich naar verluidt tweemaal daags (en liet het spleetje tussen zijn voortanden dichten, maar da’s een ingewikkelder verhaal). We zijn dan echter een decennium later, wanneer Lech Walesa zich aandient met meer snor dan baard, zeldzaam voor een politicus. Er was een Castro, complex bevriend met Che, een Arafat, er zou een Lula da Silva komen, maar verder?
Na de val van de Muur trad de five-’o-clockshadow in werking waarbij, zie Danny Blind, ruwe stoppels zich decent presenteerden. Voor het bereiken en handhaven van die verzorgde onverschilligheid leek gedurig onderhoud noodzakelijk: het neoliberalisme in optima forma. Die ideologie toonde met de kredietcrisis haar ware gezicht en de behandelend econoom had dan ook een ouderwetse baard, net als dokter Pachauri die de aanpalende rest kan opruimen.
Van de 25 geweldigste Vlamingen van het decennium geven de foto’s in Standaard Magazine een muzikant, een acteur, een atleet, een wetenschapper en een schilder als baarddrager. Bij die 20% openbaarde zich, de wetenschapper niet te na gesproken, ontluikend flos.
Volgens de jongste Noord-Nederlandse trend, die mijn gedachteleven retrospectief heeft bezet, is de baard terug. Twintigers en dertigers hebben hem ‘herontdekt. Onze generatie is informeel, maar niet hemelbestormend, heeft weinig achting voor gezag, maar houdt zich wel netjes aan de regels. (…) De baard is van iedereen geworden, van links tot rechts, van skater tot soldaat, van modenicht tot zorgboerderijbewoner’.
Deze revival heeft iets snaaks, getuige de dracht bij een alom gevreesde religie, waarvan de ene wereldlijke leider meer gezichtsflora heeft dan de andere. Ver weg ontstond wel doodleuk een shavebeweging. Op instigatie van een scheermessenmerk, maar ach, onbevangen redeneren wenst een logisch fundament – luidde Van Ockhams bijnaam niet Eerbiedwaardige Beginner?
Naschrift
Misschien kan in tijden van economische crises deze mode nog wat opleveren voor de schatkist: onder Peter de Grote bestond er een baardbelasting van 100 roebel per jaar.
Misschien kan in tijden van economische crises deze mode nog wat opleveren voor de schatkist: onder Peter de Grote bestond er een baardbelasting van 100 roebel per jaar.
donderdag 24 december 2009
Cyclus
nu haas
haas
mijn naam is haas
james haas
woensdag 16 december 2009
Bekroning?
Het leek een logisch bericht vorige week: de Constantijn Huygens-prijs voor Arnon Grunberg. Vanaf zijn debuut Blauwe maandagen uit 1994 is hij bijna constant in het nieuws. Tegen het bezopen idee van de literator die eens in de tien jaar tussen ettelijke depressies een boekje afscheidt, produceert Grunberg de ene titel na de andere, in zo’n tempo dat hij er minstens één pseudoniem op nahoudt. Gelet op zijn marktwaarde is het hilarisch dat tussen de drie huizen die hij hiervoor koos, niet het voorspelbare zit. Kranten en tijdschriften zijn ook letterlijk vol van hem, met columns. En hij leverde een boekenweekgeschenk, was televisiepresentator enz.
Van stonde af kreeg Grunbergs werk tevens prijzen, waaronder de grote niet te vermijden sponsordingen. Genretechnisch was de auteur van alle markten thuis, hij toonde zich prettig nuchter tegenover reputaties, was geestig en belezen, geïnteresseerd in de hele wereld. Voor sommigen is Blauwe maandagen zelfs een historische maatstaf. En toen Grunberg 35 jaar was, viel zijn naam reeds in verband met Neerlands summa summarum dat de P.C. Hooft-prijs heet.
Pas na paar dagen rees bij mij het idee dat het bericht toch ongewoon was. De Huygensprijs is een oeuvreprijs, die in de correctie op de markt keynesiaans mag heten. Grunberg timmert nu vijftien jaar aan de weg en is 38 jaar, een leeftijd waarop Mutsaers, net omhangen met die P.C. Hooft-prijs, nog aan haar letterkundig oeuvre moest beginnen. Wel hadden voorgangers als Hermans, Reve en Wolkers in hun tijd grootse boeken gepubliceerd als Paranoia en De god Denkbaar Denkbaar de god, Werther Nieland en The Acrobat, Gesponnen suiker en Een roos van vlees – die gevolgd zouden worden door meer. Overigens kreeg van deze drie alleen de laatste de Huygensprijs, als 57-jarige (hij weigerde). Kanonnen uit het diepe zuiden als Boon en Claus waren bij dezelfde eer ook de vijftig gepasseerd.
Heeft Grunberg even hoge toppen geschoren? Ik weet het werkelijk niet. Om elk van zijn werken zit bij lancering meteen een ondoordringbare korst van commentaar. Hij is terstond even illuster gemaakt als de genoemde auteurs. Over die postnostalgie hoeft niet rabiaat cultuurpessimistisch gedaan te worden. Het literaire klimaat is domweg veranderd: Grunberg behoort tot de eerste auteurs die zonder papieren in de markt werden gezet. Hij had wel wat toneel geschreven, maar het traject van geleidelijke opgang en prestigegewin via literaire tijdschriften werd overgeslagen.
Die alomtegenwoordigheid herijkt de verhoudingen. Bijvoorbeeld de ook vaak onderscheiden Tonnus Oosterhoff, die ouder is en langer publiceert maar niet expliciet in de publieke opinie meedeint, zou voor de Huygensprijs een minder vanzelfsprekende gegadigde zijn. Deze kan ook niet bogen op akkevietjes met een collega, waarmee Grunberg het neoliberale beding van concurrentie bevestigde. Dat hij vervolgens wereldkundig maakte niet langer in de Lage Landen aanwezig te zijn bij branchefestiviteiten, liet meteen de ballon van de literatuurkritiek leeglopen: op een opiniepagina gepubliceerd haalde het als nieuwsfeit alle media.
Wie ben ik om zulke observaties te doen? Ik las slechts twee Grunbergboeken. Wel kreeg ik eens diachroon zicht op zijn confraters en -zusters. Stilistisch bleek er veel navolging. Komen al die epigonen niet voort uit uitgevershoop (op een kaskraker)? Verder was ik ooit beduusd van Grunbergs Tirza, dat een manuscript in statu nascendi leek. Daarvan heb ik er het laatste decennium meer gezien, niet het minst bij merknamen. Kennelijk noopt economisch belang tot haast in de afwerking, wat Grunbergs begaafdheid principieel onderdrukt.
Hier kleeft iets raars aan. Indien ik mijn Tirza-indruk had omgezet in een analyse (wat minder spannend is dan een bewonderend artikel schrijven), was ik in een zogenaamde polemiek getuimeld die elke verwachting bevredigt: meermaals bekroond boek van een succesvol auteur krijgt zurigheid van niet-verkopende betweter. Tegelijk zou zelfs de schijn van een ‘debat’ niet opgehouden kunnen worden. Er waren hooguit twee circuits zichtbaar geworden: van dag- en weekbladpers versus literaire tijdschriften, en zo van publieksschrijvers versus elitaire schrijvers, welke etiketten hier trouwens concreet kant noch wal raken.
Geldt het specifiek voor dit werk dat het elk commentaar absorbeert, ook datgene wat bestaande lagen tracht af te krabben en zo zelfvernietigende reclame wordt? Wellicht is strategisch handelen nog wel overbodig op het internet, waar kanttekeningen bij de stijl en bij de epistemologische context te vinden zijn. Misschien waren deze notities te soeverein dat ter plekke evenmin een discussie ontbrandde – in hun redelijkheid staan ze eenzaam en profaan te wezen.
Rest de vraag of de oeuvreprijs suggereert dat Grunberg zoetjesaan moet stoppen. Knipogend naar het conflict verklaarde de juryvoorzitter dat de auteur ‘naar verwachting zelf zijn prijs in ontvangst [zal] komen nemen’. Waar jury’s bij zulk rangordefetisjisme de geest van Hayek levend houden, stond het nieuws van de laureaten (er waren er in de slipstream nog drie) ten overvloede niet in een persbericht, maar werd het bekendgemaakt tijdens een radio-uitzending. De toekenning van deze prijs is zonder meer exceptioneel: de jury bekroonde zichzelf.
Update
Grunberg blijkt, evenals een andere laureaat, niet op de prijsuitreiking te zijn geweest; wel riepen deskundigen Tirza uit tot het beste boek van de eenentwintigste eeuw.
dinsdag 8 december 2009
Ars combinatoria
Nu alle ogen even gericht zijn op Kopenhagen, moet ik profiteren voor mijn zelfstudie in de koffiekunde met een stage bij het klimaat. Geweldige vooruitzichten! Indien op termijn Italië een woestijn wordt en West-Europa de mediterrane temperaturen en alles overneemt, gaan we hier een ware koffiecultuur beleven. Ik heb wel gedacht dat Senseo hierop speculeert. Door het gevoel van die naam zingt het beloofde land van de koffie, waarop kenners fehlleisten als ze weten: ‘’Senseo, dat staat voor Vinex, voor twee kinderen en een hond, voor bouwketen en wachtkamers: efficiënt en gemakkelijk’. Vinex klinkt namelijk ook al Italiaans. Zouden de bouwheren van Nederland de gondels door hun droevige slootjes zien gaan? Wel zal, om die pretentie waar te maken, de universalistische bestelling ‘koffie’, die Senseo per definitie is, op ongeloof stuiten. Zelfs in Holland kun je op de menukaart geen ‘warm eten’ aanwijzen.
Volgens mij heeft Starbucks dit risico gesmoord met al zijn doldwaze koffiebenamingen. Wie erop let, ontwaart in het jargon de globalisering van het Italiaans, een hang naar het singuliere. Niet alleen in termen van espresso e.t.q., maar ook inzake kwantiteit. Men rept niet meer van een gemiddelde hoeveelheid maar van een lungo, en evenmin van een grote hoeveelheid maar van een doppio.
Tot die toekomstmuziek ook in de derde en vierde wereld klinkt blijft het Esperanto Engels. Dat had 1113 woorden veil voor het klimaat, die in 56 kranten over de hele wereld het voorpaginalicht zagen. Er was duchtig over onderhandeld, waarbij men hopelijk van de zenuwen niet meer koffie is gaan pakken. Natuurlijk, het verhoudt zich niet met een kilo rundvlees, voor de productie waarvan 15.000 liter water nodig is, maar het blijkt nog altijd minder verkwistend om dagelijks een bad te nemen dan een kopje koffie à 20 centiliter te drinken: daartoe heeft 140 liter water moeten stromen.
Dat de rangen worden gesloten om voor iets op te komen, geeft voorspelbare tegenkanting. Bijvoorbeeld het wat-je-zegt-ben-je-zelf-argument, het detecteren van historische tegenspraak of het wrikken aan details waaruit een samenzwering moet oprijzen omdat de toestand ook weer niet geheel apocalyptisch is. Defensieve reflexen, die destijds reeds tegen de Club van Rome ingang vonden – zodat nu de rapen gaar zijn en we alsnog ons milieu moeten koesteren.
Bij de koffiehandel wekken nobele intenties soortgelijke irritaties. Een fanatiek, niet zelden gesubsidieerd en met beroemdheden gelardeerd nastreven van respect en rechtvaardigheid wekt de indruk dat de Ander op uitverkorenheid zit te wachten. Het kan ook de directe behoeftebevrediging van mensen bedreigen. Met die bril op vindt men agitatie ongepast tegen handelaren uit de privésector die inmiddels keurmerken uitroepen. Want uiteraard bestaat er ook zoiets als een bioproductenlijn, waarvan een inventief bedrijf marktleider kan worden. Het woord ‘duurzaam’ is er even betekenisloos in geworden als een resem termen uit de klimaatzorg. Toch is het net zo demagogisch om, zoals de Tsjechische president Klaus, ‘milieuhysterie’ te diagnosticeren tegen de ‘waarheid’ uit de Verlichtingsratio, en in de ‘propaganda’ van groene bewegingen dictatoriale neigingen te zien die de na de val van de Muur moeizaam herwonnen persoonlijke vrijheid door middel van ‘centrale planning’ zouden bedreigen.
Even combineren. Koffieschillen van Braziliaanse plantages worden in Geertruidenberg als biobrandstof gebruikt. De lange weg naar Nederland kost dan wel energie, de klimaatwinst is er volgens het bedrijf van dienst. In Brazilië verpatsen plantagehouders de schillen om met de opbrengst kalium te kopen voor de bemesting. Dat betekent een CO2-verlies van 100 procent, terwijl verzamelen van de koffieschillen, tot brokken verwerken, vervoeren en opstoken in een Nederlandse centrale tegenover de gekende brandstoffen een CO2-reductie oplevert van meer dan 90 procent. De schillen worden bovendien opgehaald bij kleine boeren die koffie leveren aan notoire keurmerken, zodat stroom uit schillen naar verluidt een eerlijk karakter heeft.
Ook hebben volgens onderzoek klimaatveranderingen repercussies voor de koffieproductie. In tweederde van het teeltgrondtechnisch ideale Oeganda, waar 80% van de arbeidskrachten van koffiebouw leeft, dreigen de nuttige halfjaarlijkse periodes van regen om te slaan in droogte en maanden van onweer. Op dit moment zijn er echter andere problemen: ziektes aan de planten! Sowieso moeten milieuontwikkelingen nogal cynisch zijn voor eerstelijnsactoren van deze geweldige drank: nu voormalige arme landen eindelijk wat economische weelde binnenhalen, manen klimaatveranderingen hen tot voorzichtigheid. De nationale Reve zou er zijn slogan ‘Koopt Nederlandse waar/ Dan helpen wij elkaar’ lastig verkocht krijgen.
Tegen het feit dat onderwijl uitgerekend media ‘het klimaat’ deze week op de agenda zetten, zijn allerlei snuggere ideologische bezwaren aan te voeren. Dat is door de initiatiefnemers zelf trouwens gedaan – de immense belangen scheppen al genoeg verwarring. Zelf vind ik juist de perversiteit schitterend dat media uitkomen voor hun macht en druk uitoefenen voor een zaak waarvan het nut zelfs door de grootste zwartkijker uiteindelijk niet weerlegd kan. En schade kunnen ze er niet door oplopen.
Dat lag anders bij een grootverbruiker van koffie: Jean-Paul Sartre. Bij het mobiliseren van de publieke opinie stond hij pal. Er is berekend dat hij in tien jaar tijd eens eenennegentig Le Monde-petities ondertekende. Voorts bezocht hij alle denkbare buitenlanden tegen het onrecht ter plekke, als hij niet de zoveelste inleiding moest maken bij een sympathiek maar weinig wereldschokkend schotschriftje. En voor hij begon te voelen dat collega’s beter in de markt lagen, beklaagde Sartre zich er al over dat hij ‘een marionet was geworden, een schrijver-object, gevangen in zijn eigen beroemdheid’.
Om aan de vraag te kunnen voldoen moest hij, zoals bekend, permanent aan de praat worden gehouden met pillen, tabak, vet voedsel en dranken van uiteenlopende percentages. Het is dat zijn pijprokerij bewijst dat een open vuur bij de man kon, anders zou hij heus een beweegbare chemische fabriek zijn geweest – een te makkelijke en onbillijke prooi voor toekomstige milieufanaten.
Volgens mij heeft Starbucks dit risico gesmoord met al zijn doldwaze koffiebenamingen. Wie erop let, ontwaart in het jargon de globalisering van het Italiaans, een hang naar het singuliere. Niet alleen in termen van espresso e.t.q., maar ook inzake kwantiteit. Men rept niet meer van een gemiddelde hoeveelheid maar van een lungo, en evenmin van een grote hoeveelheid maar van een doppio.
Tot die toekomstmuziek ook in de derde en vierde wereld klinkt blijft het Esperanto Engels. Dat had 1113 woorden veil voor het klimaat, die in 56 kranten over de hele wereld het voorpaginalicht zagen. Er was duchtig over onderhandeld, waarbij men hopelijk van de zenuwen niet meer koffie is gaan pakken. Natuurlijk, het verhoudt zich niet met een kilo rundvlees, voor de productie waarvan 15.000 liter water nodig is, maar het blijkt nog altijd minder verkwistend om dagelijks een bad te nemen dan een kopje koffie à 20 centiliter te drinken: daartoe heeft 140 liter water moeten stromen.
Dat de rangen worden gesloten om voor iets op te komen, geeft voorspelbare tegenkanting. Bijvoorbeeld het wat-je-zegt-ben-je-zelf-argument, het detecteren van historische tegenspraak of het wrikken aan details waaruit een samenzwering moet oprijzen omdat de toestand ook weer niet geheel apocalyptisch is. Defensieve reflexen, die destijds reeds tegen de Club van Rome ingang vonden – zodat nu de rapen gaar zijn en we alsnog ons milieu moeten koesteren.
Bij de koffiehandel wekken nobele intenties soortgelijke irritaties. Een fanatiek, niet zelden gesubsidieerd en met beroemdheden gelardeerd nastreven van respect en rechtvaardigheid wekt de indruk dat de Ander op uitverkorenheid zit te wachten. Het kan ook de directe behoeftebevrediging van mensen bedreigen. Met die bril op vindt men agitatie ongepast tegen handelaren uit de privésector die inmiddels keurmerken uitroepen. Want uiteraard bestaat er ook zoiets als een bioproductenlijn, waarvan een inventief bedrijf marktleider kan worden. Het woord ‘duurzaam’ is er even betekenisloos in geworden als een resem termen uit de klimaatzorg. Toch is het net zo demagogisch om, zoals de Tsjechische president Klaus, ‘milieuhysterie’ te diagnosticeren tegen de ‘waarheid’ uit de Verlichtingsratio, en in de ‘propaganda’ van groene bewegingen dictatoriale neigingen te zien die de na de val van de Muur moeizaam herwonnen persoonlijke vrijheid door middel van ‘centrale planning’ zouden bedreigen.
Even combineren. Koffieschillen van Braziliaanse plantages worden in Geertruidenberg als biobrandstof gebruikt. De lange weg naar Nederland kost dan wel energie, de klimaatwinst is er volgens het bedrijf van dienst. In Brazilië verpatsen plantagehouders de schillen om met de opbrengst kalium te kopen voor de bemesting. Dat betekent een CO2-verlies van 100 procent, terwijl verzamelen van de koffieschillen, tot brokken verwerken, vervoeren en opstoken in een Nederlandse centrale tegenover de gekende brandstoffen een CO2-reductie oplevert van meer dan 90 procent. De schillen worden bovendien opgehaald bij kleine boeren die koffie leveren aan notoire keurmerken, zodat stroom uit schillen naar verluidt een eerlijk karakter heeft.
Ook hebben volgens onderzoek klimaatveranderingen repercussies voor de koffieproductie. In tweederde van het teeltgrondtechnisch ideale Oeganda, waar 80% van de arbeidskrachten van koffiebouw leeft, dreigen de nuttige halfjaarlijkse periodes van regen om te slaan in droogte en maanden van onweer. Op dit moment zijn er echter andere problemen: ziektes aan de planten! Sowieso moeten milieuontwikkelingen nogal cynisch zijn voor eerstelijnsactoren van deze geweldige drank: nu voormalige arme landen eindelijk wat economische weelde binnenhalen, manen klimaatveranderingen hen tot voorzichtigheid. De nationale Reve zou er zijn slogan ‘Koopt Nederlandse waar/ Dan helpen wij elkaar’ lastig verkocht krijgen.
Tegen het feit dat onderwijl uitgerekend media ‘het klimaat’ deze week op de agenda zetten, zijn allerlei snuggere ideologische bezwaren aan te voeren. Dat is door de initiatiefnemers zelf trouwens gedaan – de immense belangen scheppen al genoeg verwarring. Zelf vind ik juist de perversiteit schitterend dat media uitkomen voor hun macht en druk uitoefenen voor een zaak waarvan het nut zelfs door de grootste zwartkijker uiteindelijk niet weerlegd kan. En schade kunnen ze er niet door oplopen.
Dat lag anders bij een grootverbruiker van koffie: Jean-Paul Sartre. Bij het mobiliseren van de publieke opinie stond hij pal. Er is berekend dat hij in tien jaar tijd eens eenennegentig Le Monde-petities ondertekende. Voorts bezocht hij alle denkbare buitenlanden tegen het onrecht ter plekke, als hij niet de zoveelste inleiding moest maken bij een sympathiek maar weinig wereldschokkend schotschriftje. En voor hij begon te voelen dat collega’s beter in de markt lagen, beklaagde Sartre zich er al over dat hij ‘een marionet was geworden, een schrijver-object, gevangen in zijn eigen beroemdheid’.
Om aan de vraag te kunnen voldoen moest hij, zoals bekend, permanent aan de praat worden gehouden met pillen, tabak, vet voedsel en dranken van uiteenlopende percentages. Het is dat zijn pijprokerij bewijst dat een open vuur bij de man kon, anders zou hij heus een beweegbare chemische fabriek zijn geweest – een te makkelijke en onbillijke prooi voor toekomstige milieufanaten.
Abonneren op:
Posts (Atom)