woensdag 16 december 2009

Bekroning?

Het leek een logisch bericht vorige week: de Constantijn Huygens-prijs voor Arnon Grunberg. Vanaf zijn debuut Blauwe maandagen uit 1994 is hij bijna constant in het nieuws. Tegen het bezopen idee van de literator die eens in de tien jaar tussen ettelijke depressies een boekje afscheidt, produceert Grunberg de ene titel na de andere, in zo’n tempo dat hij er minstens één pseudoniem op nahoudt. Gelet op zijn marktwaarde is het hilarisch dat tussen de drie huizen die hij hiervoor koos, niet het voorspelbare zit. Kranten en tijdschriften zijn ook letterlijk vol van hem, met columns. En hij leverde een boekenweekgeschenk, was televisiepresentator enz.
Van stonde af kreeg Grunbergs werk tevens prijzen, waaronder de grote niet te vermijden sponsordingen. Genretechnisch was de auteur van alle markten thuis, hij toonde zich prettig nuchter tegenover reputaties, was geestig en belezen, geïnteresseerd in de hele wereld. Voor sommigen is Blauwe maandagen zelfs een historische maatstaf. En toen Grunberg 35 jaar was, viel zijn naam reeds in verband met Neerlands summa summarum dat de P.C. Hooft-prijs heet.
Pas na paar dagen rees bij mij het idee dat het bericht toch ongewoon was. De Huygensprijs is een oeuvreprijs, die in de correctie op de markt keynesiaans mag heten. Grunberg timmert nu vijftien jaar aan de weg en is 38 jaar, een leeftijd waarop Mutsaers, net omhangen met die P.C. Hooft-prijs, nog aan haar letterkundig oeuvre moest beginnen. Wel hadden voorgangers als Hermans, Reve en Wolkers in hun tijd grootse boeken gepubliceerd als Paranoia en De god Denkbaar Denkbaar de god, Werther Nieland en The Acrobat, Gesponnen suiker en Een roos van vlees – die gevolgd zouden worden door meer. Overigens kreeg van deze drie alleen de laatste de Huygensprijs, als 57-jarige (hij weigerde). Kanonnen uit het diepe zuiden als Boon en Claus waren bij dezelfde eer ook de vijftig gepasseerd.
Heeft Grunberg even hoge toppen geschoren? Ik weet het werkelijk niet. Om elk van zijn werken zit bij lancering meteen een ondoordringbare korst van commentaar. Hij is terstond even illuster gemaakt als de genoemde auteurs. Over die postnostalgie hoeft niet rabiaat cultuurpessimistisch gedaan te worden. Het literaire klimaat is domweg veranderd: Grunberg behoort tot de eerste auteurs die zonder papieren in de markt werden gezet. Hij had wel wat toneel geschreven, maar het traject van geleidelijke opgang en prestigegewin via literaire tijdschriften werd overgeslagen.
Die alomtegenwoordigheid herijkt de verhoudingen. Bijvoorbeeld de ook vaak onderscheiden Tonnus Oosterhoff, die ouder is en langer publiceert maar niet expliciet in de publieke opinie meedeint, zou voor de Huygensprijs een minder vanzelfsprekende gegadigde zijn. Deze kan ook niet bogen op akkevietjes met een collega, waarmee Grunberg het neoliberale beding van concurrentie bevestigde. Dat hij vervolgens wereldkundig maakte niet langer in de Lage Landen aanwezig te zijn bij branchefestiviteiten, liet meteen de ballon van de literatuurkritiek leeglopen: op een opiniepagina gepubliceerd haalde het als nieuwsfeit alle media.
Wie ben ik om zulke observaties te doen? Ik las slechts twee Grunbergboeken. Wel kreeg ik eens diachroon zicht op zijn confraters en -zusters. Stilistisch bleek er veel navolging. Komen al die epigonen niet voort uit uitgevershoop (op een kaskraker)? Verder was ik ooit beduusd van Grunbergs Tirza, dat een manuscript in statu nascendi leek. Daarvan heb ik er het laatste decennium meer gezien, niet het minst bij merknamen. Kennelijk noopt economisch belang tot haast in de afwerking, wat Grunbergs begaafdheid principieel onderdrukt.
Hier kleeft iets raars aan. Indien ik mijn Tirza-indruk had omgezet in een analyse (wat minder spannend is dan een bewonderend artikel schrijven), was ik in een zogenaamde polemiek getuimeld die elke verwachting bevredigt: meermaals bekroond boek van een succesvol auteur krijgt zurigheid van niet-verkopende betweter. Tegelijk zou zelfs de schijn van een ‘debat’ niet opgehouden kunnen worden. Er waren hooguit twee circuits zichtbaar geworden: van dag- en weekbladpers versus literaire tijdschriften, en zo van publieksschrijvers versus elitaire schrijvers, welke etiketten hier trouwens concreet kant noch wal raken.
Geldt het specifiek voor dit werk dat het elk commentaar absorbeert, ook datgene wat bestaande lagen tracht af te krabben en zo zelfvernietigende reclame wordt? Wellicht is strategisch handelen nog wel overbodig op het internet, waar kanttekeningen bij de stijl en bij de epistemologische context te vinden zijn. Misschien waren deze notities te soeverein dat ter plekke evenmin een discussie ontbrandde – in hun redelijkheid staan ze eenzaam en profaan te wezen.
Rest de vraag of de oeuvreprijs suggereert dat Grunberg zoetjesaan moet stoppen. Knipogend naar het conflict verklaarde de juryvoorzitter dat de auteur ‘naar verwachting zelf zijn prijs in ontvangst [zal] komen nemen’. Waar jury’s bij zulk rangordefetisjisme de geest van Hayek levend houden, stond het nieuws van de laureaten (er waren er in de slipstream nog drie) ten overvloede niet in een persbericht, maar werd het bekendgemaakt tijdens een radio-uitzending. De toekenning van deze prijs is zonder meer exceptioneel: de jury bekroonde zichzelf.

Update
Grunberg blijkt, evenals een andere laureaat,
niet op de prijsuitreiking te zijn geweest; wel riepen deskundigen Tirza uit tot het beste boek van de eenentwintigste eeuw.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen