woensdag 20 juni 2012

Nou hoor je het eens van een ander


‘Afscheidsdiner’, het openingsgedicht van Ilja Leonard Pfeijffers debuut van de vierkante man uit 1998, heeft een merkwaardige status verworven. Als drager van ressentimenten jegens ‘hermetische’ poëzie die destijds gemeengoed waren, werd het enigszins beroemd. Tegelijk is wel vastgesteld dat Pfeijffers hekelende toespeling op het chrysantengedicht van de toen al gestorven Hans Faverey niet helemaal klopte en dat de onaantastbare Gerrit Kouwenaar het eigenlijke doelwit zou zijn.
De kritieken beperkten zich hoe dan ook tot de literaire biotoop, dus kon iedereen rustig blijven slapen. Tot het jongste zomernummer van EVA-Magazine, het blad voor Vlaamse vegetariërs. Het besprak zeer kort Pfeijffers recentste boek, om terug te kunnen keren naar diens eerste gedicht. In deze context worden bepaalde strofes ineens vreemd reëel:

laat met de lardeerpriem doorregen goed gevulde
wildbraad aanrukken en op een rondborstig banket
van dansend vlees zappen naar glimmend wellustig vlees
als een clip in grootbeeld kleur

serveer mij in roomboter gebakken beelden
en verzen met boulemie


Aldus mag het logisch zijn dat de dichter een afkeur uitsprak voor ‘vegetarische stilleventjes’, in EVA-Magazine klinkt hierin niet de historische kritiek op vermeend hermetisme en/of academisme door uit de inleiding van de bloemlezing Maximaal uit 1988 (‘het figuurzagen van fletse stillevens, die geen enkele aantrekkingskracht bezitten’). Heden evoceert Pfeijffer onbedoeld een dagelijkse werkelijkheid, waarbij de recensent besluit dat de auteur laat zien niets ‘van eten te weten’.
Des te grappiger wordt het, voor mij althans, dat in hetzelfde nummer de Londense hoogleraar voedselbeleid Tim Lang beweert dat vleeseters in met name Nederland, Engeland en Amerika de planeet in gevaar brengen. Ze bedrijven hogere carnivoristiek. Om hun consumptiedrift te bevredigen, moeten dieren ‘eten als prinsen’, en graan, soja en land opsouperen dat de wereldbevolking van pas zou komen. Nu lijden bijna 1 miljard mensen honger en zijn 1,3 miljard lui zwaarlijvig. Laat vooral aanrukken, dat rondborstig banket, voedingsmultinationals horen de kassa al rinkelen!
Tim Lang steekt overigens de hand in eigen boezem. Terwijl sinds de eerste kredietcrisis van 2008 de voedselprijzen alleen maar stijgen, zouden maatregelen voor beter voedsel hem niet deren, omdat hij zich als goedbetaalde prof niet druk hoeft te maken over hoeveel iets kost. Juist mensen die het nu al moeilijk hebben en ongezond eten, zouden met doordacht beleid gestraft kunnen worden. Want, beweert Lang, wat mensen eten heeft weinig te maken met een vrije keuze. Het wordt bepaald door sociale klasse en inkomen, en bespeeld door reclamecampagnes die hooguit laten selecteren uit gecoiffeerde rommel.
Een keuze kan ook negatief zijn. Wil een voedingssysteem bijdragen aan het behoud van de planeet, dan zou een minder eenzijdig menu helpen. Ik weet niet of Lang bekend is met het oeuvre van Ria Valk, maar in de jaren zeventig, toen de Club van Rome uit het industrieel beleid in De grenzen aan de groei apocalyptisch aandoende consequenties voor het klimaat had geschetst, gaf zij reeds enige suggesties:

Ik heb worstjes op mijn borstjes
Preitjes op mijn dijtjes
Karbonade en salades op mijn bil
Ja, worstjes op mijn borstjes
Bietjes op mijn knietjes
En op mijn hoofd een haantje uit de grill


Wel speelde Valk de chef om de liefde van de man via zijn maag te winnen, een serviele manoeuvre die zeker in die tijd niet onproblematisch was – de wellicht belangrijkste feministe heette Kool. En heden begint de overtuiging post te vatten dat de achterliggende politiek-economische ideologie van de groei, Operatie Obesitas in termen van Willem Schinkel, geen zoden aan de dijk zet.
Dat vergt een grote aanpassing in denken en doen, omdat we van jongs af aan met allerlei geplogenheden van groei raken doordrenkt. Zo zei het taalkundig genie in een speeltuin onlangs tegen een door testosteron aangevallen jongetje dat ze vijf jaar is, waarop hij beweerde: ‘Ik ben al meer dan een jaar zes.’ Maar omdat in de evolutie de fittest overleven zal, dringt de noodzakelijke aanpassing aan een postgroeipraxis vroeg of laat heus door. Nog minder of helemaal geen vlees meer eten getuigt dan pas waarlijk van verantwoordelijkheidsgevoel en visie. Het zou het veelgebruikte begrip ‘duurzaamheid’ ook een buitentekstuele betekenis geven.
Is Ilja Leonard Pfeijffers gedicht nu ineens een aanfluiting omdat het een puberaal pleidooi is voor een grotere ecologische voetafdruk? Natuurlijk niet, en het zal toeval zijn dat ‘hermetici’ zich veeleer willen wegschrijven. Pfeijffer verkoos slechts een metafoor en zijn onderwerp was literatuur. Daarmee diende hij een oertype van de gedichtenlezer: de jager op poëticale diepvriesmaaltijden.
Dat die reductie, en de laaglandse commotie eromheen, ten slotte iets onnozels heeft, bewijst een derde, Wikipedia-achtig stukje in het betreffende EVA-Magazine. Het gaat over Rainer Maria Rilke. Dit twintigste-eeuwse icoon van poëzie die Pfeijffer zal aanspreken, werd vegetariër en beschouwde dat als een levenswijze – waarvan de kosten lager lagen.

maandag 11 juni 2012

Master Blaster


Charles Bernstein schreef dit:

Don't Be So Sure
(Don't Be Saussure)


My cup is my cap
& my cap is my cup
When the coffee is hot
It ruins my hat
We clap and we slap
Have sup with our pap
But won't someone please
Get me a drink.


Niet te doen, zoals ze in Vlaanderen zeggen.

Da’s niet niets zunne
(Da’s niet Nietzsche)


Mijn mok is mijn mik
& mijn mik is mijn mok
Als de koffie warm is
Kraakt hij m’n darmnis
We plakken en plukken
Temmen kak tot drukken
Maar kan iemand niet
Wat te leuten halen.

dinsdag 15 mei 2012

Het onvoltooide: een uitnodiging


Beste bezoeker van deze blog,

Dikke miserie, ik zeg het maar eerlijk. Bij Poetry International ontstond een klein jaar geleden het plan een festival te wijden aan het onvoltooide. Het leek mij handig ideeën daarover eerst een beetje te inventariseren.
Het was een heerlijke onderneming, waarnaar ik steeds kon terugkeren. Denken en lezen werd een gelegitimeerd hobbyisme, en door er aantekeningen over te maken rolde er een soort rode draad uit die wel steeds moest worden verlegd en uitgetrokken. Op een gegeven moment gaat de lol daar een beetje van af, zeker wanneer de indruk rijst dat die draad zich om mij aan het winden is.
Hoewel ik van nature, al zeg ik het zelf, ijskonijnerig ben tegenover deadlines, miste ik de ene na de andere. Buiten mijn schuld, leek het, omdat het bestuderen van de ene tekst een andere in het vooruitzicht stelde. Complicaties vlogen me om de oren. Ik kon me identificeren met de gourmande die bijna dag en nacht haar fietshelm wil ophouden. Maar aldus uitgedost rent ze nu zelfs achter zeepsopbellen aan.
Het is welletjes, ik kap d’r mee, van mijn erf, enz. Mijn voorlopige bevindingen zijn hier op mijn digitale archief te vinden. U bent bij dezen welkom mijn voorlopige overzicht van het onvoltooide door correcties en suggesties in de comments bij dit bericht naar een goed einde te voeren. Ik zal de namen van eventuele medewerkers, tenzij ze niet met mij willen worden geassocieerd, onder aan de verbeterde versie vermelden.
Momenteel, in een eerste openbare versie dus, telt de tekst ruim 20.000 woorden. Zelfs voor mijn doen is hij namedroppend, dus nuances zouden op prijs worden gesteld.
Kan ik mijn uitnodiging ook aanbevelen uit eigen ervaring? De materie dunkt me enerzijds een fijn gekwadrateerde naturel dat van onvoltooide kunstwerken waarlijk hoogstandjes kan maken. Anderzijds heersten er banale noties van, die vervaarlijk neigen naar snobisme. Het meest interessant vond ik het om het onvoltooide door te denken naar een maatschappelijke toepassing, wat historisch gezien weinig monter stemt, maar het einde geeft hoop.
Alvast heel bedankt voor de medewerking.

marc

woensdag 9 mei 2012

Oude ambachten

Ooit vroeg Francis Ponge – op wat voor moment is misschien juist de kwestie: ‘En wat is denken anders dan je gedachten zoeken?’ De persoon die ik ben begrijpt dat niet en bewaart zo’n citaat dan, met de vage intentie er een ingang toe te vinden.
Afgelopen maandag zag ik die, in de kop van het bericht ‘Belg presenteert Zomergasten’. En daar begon mijn brein nog meer te zoeken. Dat gebeurde in een sessiesfeer en dit was het resultaat:

Pinpas berooft twee voorbijgangers
Tapir bereidt lasagne
Van der Borgt alsnog in EK-selectie
Barbertje had helemaal geen lusje
Satan heeft nieuwe hobby
Zon dreigt met vertrek naar Bahama’s
Olifant valt in eigen neusgat
IQ onbeheerd achtergelaten op A12

Ik doel met deze voorbeelden natuurlijk op de legendarische andere blik, die in mijn vak als vanzelfsprekend aan goede poëzie verbonden wordt. Maar wat betekent zoiets? Ik meen dat niet zozeer de verwoording als wel de opgeroepen wereld voor een doorbraak zorgt. Ponge’s ‘gedachten zoeken’ kan neerkomen op het verscheuren van een vlies dat vertrouwde data bijeen bleek te houden.
Als je het tenminste goed doet (met middelen als ‘durven loslaten’, die in verband worden gebracht met het zogenaamd tegenovergestelde, voelen).
Door echt te denken zou men telkens onderhevig raken aan wat heet een paradigmawisseling. Het persoonlijke frame, nog zo’n term, moet lichtelijk rigoureus worden bijgewerkt. Telkens het slot van The Truman Show. Een wereld die bij echt denken steeds werkelijker wordt of juist onwerkelijker?
Mijn tekstje tot nu toe overgelezen. Een stapel vergelijkingen! En dat terwijl er alledaags kan worden ervaren, niet eens geïllustreerd, wat ik beoog. Het taalkundig genie heeft sinds een paar weken de indruk dat er niet op de hele aarde Nederlands wordt gesproken. Bij nogal wat woorden vraagt ze nu hoe ze in het Engels luiden en, een examenopgave voor een Hollander, in het Frans.
Ook kon ze al heel aardig tellen, zonder dat mij precies duidelijk was tot hoeveel. Tot ergens midden in de dertig, bleek. Wat er is gebeurd dat ze vermoedde dat er meer is, weet ik niet. Maar op schoot heeft ze doorgeteld. Ik moest alleen telkens de naam van het nieuwe tiental noemen, en dan ging ze verder. En zo bereikten we honderd. Ze was stomverbaasd, denk ik.

vrijdag 4 mei 2012

Tot slot nog dit

Het parcours dat Helmut Lotti door de instituties heeft afgelegd, bewijst dat zowel Heijne als ik uiteindelijk ridders van de droevige figuur zijn bij het vaststellen van de status van Ben Crabbé, van oorsprong drummer. Bij Lotti pikte ik in na een geestig verhaal over koffie, toen hij verkering kreeg met een literair journaliste. Maar haar krant verdrong mijn lach bij een artikel met de scoop dat Lotti een heel slimme man was. Niet alleen bleek dat uniek nieuws voor een charmezanger, het waren derden die hun visie op Lotti etaleerden zonder dat deze een woord hoefde uit te brengen.
Even ambivalent verging het Lotti daarna. Hij mocht op de opiniepagina afscheid nemen van de roddeljournalistiek én kon zijn nieuwe geliefde prime time in een televisieprogramma voor bon ton en aanverwanten op een oude naaktfoto bewonderen. Vergeleken bij voorlopers als recensent en essayist is ook haar functie delicaat, terwijl ze in de praktijk het rijk voor zich alleen heeft gekregen. In de teneur dat iets generalistisch moet zijn voor een breed publiek, ontmoet ze haar geliefde. Lotti uit inmiddels, naar verluidt met verve, tot in verantwoorde kringen zijn passie voor poëzie.
Het lollige is natuurlijk dat die in- en uitsluitingen tegelijk tijdgebonden zijn, net als de kritiek erop. En zo fluctueert de opvatting over wat respectabel of barbaars is als een aandelenbeurs. Tot de negentiende eeuw, laat Richard Sennett in The Fall of Public Man zien, was het de gewoonste zaak van de wereld dat theaterpubliek uit volle borst meedeed bij een voorstelling, zoals bij Lotti gebeurt (en in de dan symbolisch ogende arena van het Antwerpse Sportpaleis waar Night of The Proms gehouden wordt). Of het zetje van de geliefde nu oorzaak of gevolg is geweest voor al zijn zogenaamd verborgen kwaliteiten, de charmezanger gaat een tweede leven in met een vooralsnog duistere domesticatiefactor.
Wordt het heden dus telkens aangepast? Terugblikken op tien jaar na Fortuyn of een jaar na Bin Laden doen vermoeden dat vanuit de actualiteit – vanzelfsprekend politieke – voorwaarden geschapen worden die juist het verleden veranderen. Dat geschiedt nu wel wat sneller terwijl de hete hangijzers al jaren dezelfde zijn. Zoals de reductio ad Hitlerum, sinds Fortuyn aan ‘het populisme’ gelinkt. De variant hierop van het racisme, dat Ben Crabbé toebedeeld werd, is dezer dagen wat lauw, vermoedelijk doordat het lang is uitgesproken door mensen die nu in de touwen hangen. Het andere hangijzer van dienst blonk namelijk bij de commotie over een studie naar de literaire kritiek (die in de tweede druk mooi een appendix kan bijvoegen over haar eigen receptie). Inzake een plagiaat dat Elsbeth Etty gepleegd zou hebben, werd in de berichtgeving vermeld dat ze ooit bij De Waarheid zat. Vanuit het heden een krachtig detail: communisten deugen niet, dus Etty zal fout geweest zijn!
Voor Lotti lijkt hoe dan ook de artistieke elite veroverd. Heel de elite? Nee, een kleine factie bleef hardnekkig weerstand bieden en stelde Lotti’s deelname aan het notoire bluesfestival in Peer ter discussie. Toen was het de chef cultuur persoonlijk die, op de dag dat Joost Vandecasteele een trap na gaf aan Crabbé, zulk purisme per opiniestuk in de ban deed. Lotti had lang genoeg het ‘boetekleed aangetrokken’, heette het, en had het besef gekregen dat hij ‘iets eigens’ zou moeten doen ‘om een groter gevoel van eigenwaarde te krijgen’. Als klap op de vuurpijl was hét teken voor de gewonnen deugdzaamheid ‘dat Lotti niet komt als zichzelf’, maar als zanger bij een band van een gerenommeerde bluesgitarist die heus wel wist wat hij deed.
Een schrijnender voorbeeld zou ik niet gauw weten van Alain Badious ‘motto van de geciviliseerde veroveraar: “Word zoals ik, dan zal ik je verschil respecteren”.’ Brutaal dunkt me bovendien dat voor het binnentrekken in de eigen gelederen de autoriteit wordt uitbesteed. Hoe ook, indien een definitief oordeel over het rechtdoen aan Ben Crabbé zou moeten worden uitgesproken, dan bewijst de casus-Lotti dat zowel Heijne als ik in de rondte moeten blijven praten.
Gaat dit exclusief op voor Belgie, zoals antropologieën uit dat excentrieke Nederland graag willen? In zijn mooie boek Het aanzien van de politiek. Geschiedenis van een functionele fictie constateert Remieg Aerts dat de oude elites dan wel hebben afgedaan, en nog wel wat meer volgens mij, maar dat er, ook door internet (‘een zeer drukke publieke ruimte die vooral expressief gebruikt wordt’), nog steeds allerhande machtscircuits bestaan. Hiërarchieën zijn onuitroeibaar en komen tegemoet aan een behoefte. De samenleving erkent openlijk nieuwe statuselites, zegt Aerts, op basis van welstand, bekendheid, succes en macht.
Ondanks al het democratiserende, is de acceptatie van iets dat ‘kwaliteit’ zal blijven heten nog immer afhankelijk van afspraken, van efemere conventies. En van beroepsdeformatie, besefte ik bij een keten van lichaamsverzorgingsproducten, waar spul voor de gourmande moest worden ingekocht en het taalkundig genie mee op verkenning ging voor zoetige gezondheden voor tong en verhemelte.
Als rechtgeaard vader wachtend voor de ingang viel mijn oog op een affiche, waarvan het woordbeeld onmiddellijk de poëziemaniak in mij wakker riep. Gewend als ik ben dat er ook weer niet bijster veel tegemoetkomt aan mijn smaak, snapte ik pas bij de tweede regel in het derde couplet dat er iets niet klopte. Er zijn vervolgens altijd objectieve criteria, zoals een viervoudige alliteratie in de regel daarna, om een soort vonnis te vellen dat Ben Crabbé moet hebben gevoeld:

Kijk, dit gaat over jou
Jij. Je prachtige zelf.

Jij. Op je vrije dag, je geluksdag
of in de waan van alledag
Met een roze bril, rode koontjes
of zomaar een blauwe maandag.

Welke dag het ook is. Wij doen er alles aan
om jou het maximale uit jezelf te laten halen
Uit je lokken, je lippen, je lijf en je looks.
We begrijpen je en helpen je waar we kunnen.
Want bij ons draait het om jou.
Elke dag weer.

zondag 29 april 2012

Marilyn & Paris

Het zit me niet lekker Bas Heijne in mijn vorige stukje – nu ja, ik ken de verhoudingen – op zijn nummer te hebben gezet. Niet dat oordeel, maar de vlotheid waarmee het tot stand kwam stemt me ongemakkelijk. Wat is er simpeler dan een kritisch iemand toe te voegen: ‘Kijk naar je eige’? Zoiets dooft elk vonkje waaruit een soms toch noodzakelijk hellevuur kan ontstaan. En de meer geavanceerde variant van die tegenreactie, door op te roepen tot een ‘onderzoek van de eigen vooronderstellingen’, heeft iets herderlijks en leidt eerder tot narcistische dan tot interessante resultaten.
Toch meen ik dat mijn kanttekeningen bij Heijnes gewraakte column inzake quizmaster Ben Crabbé ergens wel hout snijden (en die inzake de afkeer voor de jaren zeventig: gisteren zei minister Turtelboom nog een overtuigd feministe te zijn, maar geenszins een Dolle Mina). Omdat ‘intuïtie’ even grote beperkingen heeft als ‘een bewijs hardmaken’, leek het me een praktisch idee om, ver van het vaderlandse kabinet, mijn eigen kleine doorbraak te forceren. Ik heb een andere, mij nog onbekende tekst van Heijne doorgenomen, Echt zien. Literatuur in het mediatijdperk.
Over dat boek blijkt van alles te zeggen, maar ik beperk me tot een fragment waarin Heijne twee fameuze foto’s bespreekt. Daarop lezen respectievelijk Marilyn Monroe en Paris Hilton boeken (Ulysses en Oorlog en vrede). Kalm en inzichtelijk loopt Heijne de motieven na waarom deze twee dames zulke consumpties nemen. Mij frappeert dat bij hem zowel de twee boeken als de twee lezers iconisch worden. En dat bevalt mij niet. Ulysses en Oorlog en vrede als ultieme voorbeelden van highbrow literatuur is al rolbevestigend, maar bij Monroe en Hilton strekken de gevolgen van Heijnes benadering verder. Ze mogen en kunnen bij hem van alles doen en overwegen, maar één optie brengt hij niet ter sprake: dat de dames die twee boeken – gewoon, serieus, ‘echt’ – lezen!
Nu moet ik onmiddellijk bekennen niet te weten hoe reëel die optie is. Daarvoor zijn Monroe en Hilton ondanks een basale sympathie in mijn wereldje te weinig prominent. En dat er jaren na dato een boek verscheen waaruit Monroes grote literatuurliefde naar voren kwam, speelt al evenmin een rol in mijn indruk. Het gaat mij er slechts om dat Heijne er geen rekening mee houdt dat Monroe een ‘echte’ lezer kan zijn die voor mijn part doordringt tot in de diepste krochten en implicaties van een tekst.
Veelzeggend vind ik dat hij wel Monroes bekentenis vermeldt niets van Joyce te begrijpen en te genieten van het taalspel. Kan dit niet evengoed een elegant excuus zijn om alle betwetende culturele haantjes om haar heen niet voor het hoofd te stoten en dan maar liever het niet al te intellectuele vrouwtje te spelen? En zo Heijnes conclusie te ondersteunen dat de foto ‘de kwetsbaarheid van haar overgave’ toont?
Bij Paris Hilton wordt Heijne nog rabiater. Hij betitelt de foto meteen als een opzichtige manipulatie en op dat vertrekpunt komt hij niet meer terug. Mocht Monroe bij hem nog een simulerende lezer zijn, voor Hilton is zelfs dat te veel eer. Heijne acht de combinatie Paris-boek ‘wezensvreemd’, dus onbestaande. Hoe dat? Susan Sontag las op haar zeventiende Oorlog en vrede met de aantekening ‘een weergaloze ervaring’. Mocht dat wel geloofwaardig zijn voor Heijne, komt dat dan door een soort hindsight, uit het grootse essayisme dat Sontag ontwikkelde (die op haar zevenentwintigste Anna Karenina herlas)? Er zijn anders actiefoto’s van haar beschikbaar.
Indien Hilton überhaupt geen compleet mens kan zijn voor Heijne, dan kan hij dat nergens anders op baseren dan op berichtgeving. Misschien moest hij voor haar zijn licht opsteken in Over rusteloosheid van Arjen van Veelen: ‘Gek genoeg voelen velen nog steeds minachting voor iemand die virtuoos is in precies de ambachten die onze samenleving als hoogste waardeert: sociale intuïtie en mediatalent.’ Dat lijkt me een adequate kanttekening, die ik me trouwens ook wel mag aanrekenen.
Mij verbaast deze reductie in Heijnes waarnemingen, vooral omdat het fantastisch is hem te volgen over de actualiteit. Ik ken weinig columnisten die ingewikkelde maatschappelijke processen zo schijnbaar redelijk weten te beschrijven en duiden. Tegelijk ontkomt niemand aan het besef nooit aan zijn eigen tijd te kunnen ontkomen. Ook de boek per boek gebundelde columns van Heijne, waarin hij de tijdgeest vastlegt, zullen sociologisch gelezen worden en door de toekomstige lezer(s) gewogen op de vraag: in welk punten was Heijne aan het eind van de twintigste en het begin van de eenentwintigste eeuw visionair dan wel blind?
Goed, vertrekpunt was zijn mening over Ben Crabbé. Toevallig kwam er dit weekend eentje bij van iemand die mogelijk een van de Vlaamse intellectuelen is op wie Heijne zich beriep. Joost Vandecasteele, eerst cabaretier en nu auteur, zei over de ongein van de quizmaster dat hij zich als humorist beledigd voelde: ‘Eigenlijk zijn die grappen de noodkreet van een psychopaat in wording.’ Verder liet Vandecasteeles optekenen dat zijn werk ambieerde ‘niet genegeerd kunnen worden’, dat hij daarom graag columns en opiniestukken schreef en dat hij een computergame even inspirerend vindt als een filosofisch essay omdat internet hem heeft geleerd dat ‘alles gelijkwaardig is’.
Dat laatste standpunt intrigeert me, omdat het medium mij het omgekeerde geleerd heeft. Genialiteiten staan nevengeschikt aan 1+1=3-wetenschap. Die indruk is tevens politiek en ik snap dat dit achterhaald overkomt. Toch zou ik Vandecasteele graag gelijk geven, ware het niet dat naast kennis ook concentratie en aandacht (basisingrediënten voor inspiratie) volgens mij niet aan periodes te hechten zijn maar louter aan personen. Een kwestie van empathie én van techniek.
In de verteltheorie is omstreeks de jaren zeventig het fenomeen ‘perspectief’ genuanceerd met het begrip ‘focalisatie’. Zo kon preciezer worden bekeken of degene vanuit wie een relaas (tijdelijk) met de lezer wordt gedeeld daadwerkelijk een stem krijgt. Of een object ook subject werd. Nu begrijp ik wat mij dwarszit bij het geoordeel over Ben Crabbé: hem wordt zowel woord als weerwoord ontnomen.

zondag 22 april 2012

Schandaal

Bas Heijne wijdt in NRC én De Standaard een heuse hele column aan een non-event. Zo mag volgens mij de zouteloze grappenmakerij van presentator Ben Crabbé in Blokken tegenover een Turkse quizdeelnemer toch wel bestempeld worden (hoewel mijn lach- en dichtspieren gevoelig zijn voor frases als ‘Als je vandaag wint, bestel je maar een bak lava’). Maar Heijne sluit aan bij een rij van beroepscommentatoren tot en met politici van het Vlaams Belang die allen hun zegje deden over racisme. Wel waren zij landgenoten van Crabbé, terwijl Heijne een Hollander is, net als degene die de quasi-zaak aan het rollen bracht.
En net als ik, die in dat tweetal ineens wat dingetjes meende te herkennen en die daardoor de meningenpudding verder laat lillen. Terwijl ik het nota bene eens ben met Angela Merkel toen ze bij een andere mediastorm zei dat er ook mogelijkheid mag zijn geen gebruik te maken van de vrijheid van meningsuiting.
Dat ik toch spreek, heeft te maken met geografie en tijdsbepaling van mijn diagnose. Anderen wordt de maat gemeten zonder dat eigen posities in de redenering betrokken raken. Dit blijkt namelijk de kern van de schier bodemloze bakken kritiek over een onderwerp waarin ik me een beetje aan het inlezen ben: Nederland in de jaren zeventig. Meer in het bijzonder gaat het dan om een morele superioriteit.
[Nu gaan wij er even uit voor de reclame. Blijf bij ons!]
Ben Crabbé kreeg als bekend het deksel op zijn neus in het voor mij nog immer onbegrijpelijk populaire programma DWDD. Een van de onderdelen is ‘opmerkelijke televisiemomenten’, waarbij een kekke montage de presentator binnen een minuut tot incorrecte boeman wist te metamorfoseren. Waarlijk frappant dunkt me echter de conclusie van de presentator van DWDD: dat Crabbé nog in het koloniale tijdperk leefde. Om te beginnen blinkt hij namelijk niet echt uit in interesse voor en kennis van zijn gasten – die hij veeleer exploiteert als, noem eens wat, olie, rubber, koffie, diamant… De montage van collega-programma’s kan zelf een vorm van kolonialisme heten.
Dit betekent ook dat België een kolonie van Nederland zou zijn. Dat rijmt met het belang dat in België kennelijk wordt gehecht aan DWDD en met het feit dat De Standaard de column van Heijne, nog net niet overkokend van minachting voor Crabbé, van NRC overneemt. Het rijmt zeker met een Hollandse houding die ik na een decennium immigratie helderder ben gaan ontwaren, maar dan weer minder met een alledaagse praktijk waarbij Nederlandse media grotendeels in Belgische handen zijn en waarin onlangs bleek dat het triomfalisme over die domme Belgen bij de aankoop van Fortis aan de voorbarige kant was.
[Het citaat van de dag is ingezonden door meneer Ter Braak uit Eibergen: `Gelukkig, dat vele dingen ons op plechtige momenten ontgaan; wij zouden anders ook zo wijs worden, dat wij onze overwinningen op de chaos als bijbels scheppingsverhaal zouden gaan vertellen.']
Crabbé als wraakobject voor gevoelde nederlagen? Ik kan het me gewoon niet indenken. Ook niet omdat hij dan als ‘de Belg’ zou figureren, die van ‘de Nederlander’ op zijn falie krijgt. Aan zulke essentialismen, die in multiculturele tijden toch nog volksaarden laten vermoeden, doet de kritiek niet. Ze vloeken zelfs met ideeën die Bas Heijne, wat dat betreft minstens zo vroom als zijn collega van DWDD, in zijn columns ventileert.
Ronduit bizar lijkt het me dat hij in zijn afschuw voor Crabbé bevestiging vindt: ‘Vlaamse intellectuelen stond het schaamrood op de kaken’. [Wie mogen dit zijn? Insinueer en win een geheel verzorgde reis naar Zuid-Utopia] Heijne komt ten slotte met een nogal krasse kwalificatie: ‘Het schandaal van Blokken zit ’m niet in het vermeende racisme van de presentator en ook niet in zijn tenenkrommende grapjes – het schandaal zit ’m in het feit dat hij zich van geen kwaad bewust is.’
O afgrondelijke jij-bak! Hollandser kan een eeuwenlang gekoesterd en ontkend domineeschap jegens de overige mensheid niet worden, tenzij misschien bij de meest Nederlandse Belg! Zou Heijne zich in tegenstelling tot de arme Crabbé wel bewust zijn van wat hij sinds jaar en dag doet? Behoren zijn columns dan niet tot een industrie waarin hij de quiz stilzwijgend opsluit? Zou het iets zeggen dat de publicatie van dit stuk op de Nederlandse website geen enkel comment ontlokte, alsof de communis opinio vroeg: ‘Waar heb je het eigenlijk over?’
Maar misschien is het een kenmerk van heiligen dat ze louter zenden, nooit ontvangen.

woensdag 18 april 2012

’Cos too much is real

Komt punk terug? Een vermakelijke uitzending van Andere tijden, mede vanwege vers materiaal in een tentoonstelling en een boek, suggereerde het een beetje: nu de tijdgeest onmacht laat voelen, kan de wens postvatten het heft in handen te nemen. Altijd sympathiek natuurlijk, al weet ik niet goed waar het in dit geval, naast een verrijking van het straatbeeld, op uitdraait. Ik houd niet zo van cultuurpessimisme, dus no future zou niet direct mijn slogan geweest zijn, maar bovenal ontbrak destijds een alternatief. Da’s een milder woord voor utopie, zoals fuck the system, hoe aardig als uitgangspunt ook, een daadkrachtige variant wou zijn op als oeverloos ervaren hippiegeneuzel. Het realiteitsgehalte van zulke gevoelens was wisselend. Terwijl de jeugdwerkeloosheid op de deur bonsde, golden die hippies, in de praktijk babyboomers, als verwende snotapen. Even makkelijk was het echter om hen te situeren in wat dan heet sektarische politieke bewegingen, vol zwaarwichtige taaluitstoot, terwijl punkers zogenaamd pretentieloos de praktijk voor hun rekening namen. In Andere tijden beweerde de zanger van de groep Panic: ‘Wij zijn niet van die theoretici’. Het verbaasde me niet te horen dat hij toen een bijbaan had als leraar Nederlands. Misschien is de Feyenoord-mentaliteit van Geen woorden maar daden dieper doorgedrongen dan het lijkt, tot de poëzie aan toe. Het bespeuren van ‘ideologie’ bij onwelgevallige anderen strekt zich uit tot het aanwrijven van een ‘poëtica’ bij niet-gesmaakte dichters. Uiteraard staat men zelf neutraal in de maatschappij. Evenmin verbaasde het me in Andere tijden te zien dat twee leden van de naast Ivy Green misschien wel meest roemruchte vaderlandse punkband, The Ex, getuige het interieur van het pand waarin ze hun terugblik deden, minstens zo’n lenige stijging op de maatschappelijke ladder leken te hebben gemaakt als hun antagonisten. Als ik het me goed herinner, zei een van de twee lachend dat het bekogelen van agenten op een motor nu eenmaal iets is wat je doet als je jong bent. Paul Valéry: ‘Heel wat zaken vergen meer moed om ze theoretisch te ontkennen dan ze in de praktijk te vernietigen. Dikwijls is er meer moed voor nodig om tegen een moraal in te denken en te spreken dan om deze te minachten en daadwerkelijk te schenden’. Punkers durfden bloot te zijn en te beginnen door zich zonder oefening of les in de frontlinie te presenteren, maar ze volgden met hun liedjes popstramienen. Never Mind The Bollocks terugbeluisterend stelt de energie goddank gerust, maar valt de burgerlijkheid van het anarchisme op (in een amusementaire moest Lydon alle zeilen bijzetten om zich als arbeidersjongen voor te doen). Veel ‘I am not a…’ en ‘I don’t want…’. Wel realiseer ik me weer waarom jazz me dierbaar is: het versaagt nooit tegenover het onbekende en durft de luisteraar te tergen, waar virtuositeit geen vies woord hoeft te zijn, laat staan theorie. Dit laat onverlet dat elke verdwaalde punker bij mij warme gevoelens losmaakt. Opa weet nog dat het leerlingenbestand van zijn doodbrave middelbare school in een gegoede buurt werd uitgebreid met twee echte punkmeisjes, zussen. Prachtige koppen waar dagelijks heel wat gel aan moest opgaan, zwaar beschilderd zoals het in de blaadjes stond, en de oudste kon zelfs spugen. Ze kwamen uit het Noorden, en waren verhuisd naar een rijtjeshuis in Prinsenbeek. Dat ontdekte ik op een verjaardagfeest – de zusjes hadden een reuzenaardige moeder die even verlegen als geamuseerd haar barbaarse dochters bezag. Mij trok vanzelfsprekend hun onbereikbaarheid, die evengoed zweemde rond bijna net zo hemelsmooie meisjes tussen de alternativo’s. Maar waar ik voor hen te oppervlakkig was, besefte ik dat ik in verhouding tot de levenslust en vrolijkheid van de punkdames te saai en somber was. En heden, hoewel ze er geweldig uitziet in haar jurkjes, ontwapent het taalkundig genie mij nog het meest in haar camouflagebroek: klaar voor het oerwoud des levens. Wel zijn op de zakken rode bloemetjes geborduurd. Wat kan punk nu betekenen? Goh. In een andere context is de jeugdwerkeloosheid terug. Het zou nogal een experiment zijn om een punker van weleer via de teletijdmachine in het heden te katapulteren. Wat zou hij gooien naar de unieke uitkering die bonus heet? Voor Twitter is zijn ongezouten oordeel mogelijk geknipt, maar wat met de getrapte privacy van Facebook? En plakt de taal nog voldoende om zich enemy of the state te noemen? Hoe verhoudt de punky faillissementsaanvraag van kapsones zich tot het populisme, en tot laagdrempeligheidseisen van de expanderende firma Toeten Noch Blazen? Een grondhouding is al heel wat. De ongecompliceerdheid, de neiging nergens bij voorbaat ‘respect’ voor te hebben, blijft voor mij onweerstaanbaar. Een toepassing. Historisch wordt tegenover punk de hooggestemde harmonie en liefde van symfonische rock geplaatst, wat misschien niet helemaal terecht is, maar als het nieuws uit de boekenbranche komt dat de ketennaam Selexyz verdwijnt omdat die moeilijk te spellen is, dan denk ik: ja, dat is punk want Selexyz, dat is Emerson, Lake & Palmer. Alle ach en wee bij die breed uitgemeten berichten valt louter te legitimeren met het relatief grote verlies aan arbeidsplaatsen, niet in termen van aanbod. Selexyz was mogelijk zelfs een toto pro pars voor een vestiging in Maastricht, waar The Guardian de mooiste van de wereld in ontdekte. Maar in die stad is ook een cultureel belangrijke en zelfstandige boekhandel, De Tribune. De humbug in zichzelf wegsnoeien (en dan toch iets vruchtbaarders proberen te zaaien zonder weer zalvend te worden). Als het gaat om de programmatische, voor mijn part antisymfonische, zeggingskracht van punk, dan leert een beeldend kunstwerk erover van Daan van Golden mij het meest. Op zijn Sex Pistols uit 1979 is in een medaillonachtige vorm de silhouet van een koninginnehoofd afgebeeld, waar ter hoogte van het brein de naam van de groep overheen gekrast is. Zoals het een waar kunstwerk betaamt, bevat het een onwillekeurige verwijzing naar de toekomst, van de krakersrellen bij Beatrix’ inauguratie, maar op dat moment lijkt de referentie het liedje ‘God Save The Queen’. Omdat het geheel door de achtergrond het meest wegheeft van een tegelmuur, zou dit in een café een indicatie kunnen zijn voor een vrouwenwc. Piss off?!

maandag 9 april 2012

Tot aan de voltooiing van deze wereld


Door de definitieve wederopstanding van Tom Boonen, minder dan twee maanden nadat hij definitief was afgeschreven omdat hij de sprint van Omloop Het Nieuwsblad verloor van een jongere landgenoot die dus door de natuur wreedheidshalve tot opvolger was gebombardeerd, zit er niets anders op dan de andere paasgaven te domesticeren. De link met wielrennen is naar mijn idee weinig vergezocht. Niet alleen omdat peuters ook een doelgroep zijn (waar nu de ouders nog voor betalen en er straks spaarvarkens leeggeschud worden), maar bovenal omdat ze soms, in niet nader te specificeren gevallen, een ‘wandelende reclamezuil’ zijn, vergeleken waarbij Jean-Marie Pfaffs fameuze overhemdboordje zo ongeveer het Etruskische stadium markeert.
Zoals Giorgos Hantzis schreef:

descriptions of obsolete emotions: poetry

whatsatstakeisthisss : the wagtail’s ssslithering
(which is non existent: the wagtail neither wags its tail nor slithers)

taken further the analogy between one oxymoron and another:
as an instrument to investigate the future:

a nice bench with an ancestor on it sitting cross-legged
[snedige vertalingen steeds welkom, dank u, MK]


Hantzis stelt mij overigens gerust dat uit Griekenland niet alleen onheilstijdingen verwacht blijven mogen worden, maar ook erg fijne poëzie. En om de voormalige natiekaders meteen maar te voltooien: bedoelde gaven worden in Nederland verzorgd door de paashaas en in België, iets metafysischer, door de paasklokken. Hun belangrijkste marktaandeel schuilt in snoep – het taalkundig genie gaf ’s ochtends vroeg aan het ouderlijk bed te verstaan dat ze de chocola van de eieren die misschien hopelijk afgeleverd waren, door de verdiepingen in het huis heen kon ruiken.
Haar zus kreeg onder meer zandbak- en strandbenodigdheden waarbij, zoals het een echte gourmande betaamt, uitsluitend de appelgroene zeef aandacht kreeg. Maar dan wel zoveel, dat ze het geval aan tafel wilde hebben en daartoe haar bord wegschoof. Voortaan moet het ding recipiënt spelen voor haar yoghurt met cassissiroop. Is dat een omgekeerde wereld? Wie wil er leven in een maatschappij waar zaken bij voorbaat onmogelijk worden verklaard?
Het taalkundig genie is dan weer in de ban van een wel erg curieuze vinding: een springtouw met teller. Ik blijf mezelf inprenten dat ze er dolgelukkig mee is, maar moet er eigenlijk niets van hebben dat ze nu voornamelijk bezig is records te breken en telkens ‘het touw even op nul’ zet. Mijn twijfel aan haar fanatisme komt voort uit een allergie voor kwantificeren dat stilzwijgend een teken van kwaliteit wordt. Uit Christine Brinkgreve en Bram van Stolks Van huis uit. Een onderzoek naar sociale erfenissen leer ik dat ik aldus wel eens een tik mee kan hebben gekregen van de mythische jaren zestig en zeventig waarin een ambitieverbod scheen geheerst, inclusief listige uitvluchten (kinderen aan sport en muziek laten doen).
Wel weet ik de herkomst van de touwtjespringmanie. Onlangs presenteerde der taalkundig genies school een circus – kindjes van hogere klassen vertoonden daarbij kunsten die in vaktermen onder ropeskipping vallen. En wellicht waren de verwachtingen gedurende de maanden die de schoolonderneming vergde tot onderschatte hoogtes gegroeid. Ongevraagd had het taalkundig genie geadviseerd de poster voor het hooggeëerde publiek met de tekst naar buiten op ons voorraam te plakken. Op de koer had ze met krijt genoteerd: ‘cricus’.
Zelf associeerde ik het fenomeen met bakken ellende. Dat is niet helemaal mijn schuld, maar ook die van boeken. Op de lagere school verkeerde ik wegens het aangehouden studietempo veelal in andere sferen maar was er geheel bij toen klassikaal een tekst werd voorgelezen waar ‘de zigeunerjongen Pedro’, nochtans een crack in trapeze, zijn einde vond in het zaagsel van de piste. Later werd ik van een circusrelaas in een van Gerard Reves allermooiste verhalen, ‘De acrobaat’ uit Vier wintervertellingen, niet bijster veel vrolijker.
Gelukkig corrigeert de werkelijkheid. Al beperkte het zich tot één school, het evenement had een gemeenschapsgevoel geschapen waar in de postideologische en -seculiere samenleving normaliter slechts voetbalwedstrijden of tragische doden zorg voor kunnen dragen.
Anderzijds bereikten mij liedjes die ik lichtjaren geleden voor het laatst had gehoord en toen al als kitsch van me afschoof: ‘The Final Countdown’, ‘Eye of the Tiger’…
Verreweg de grootste indruk maakten, goh, alle optredende kinderen. Niet door wat ze ten tonele voerden, maar door een simultaneïteitje daarbij: ze keken al kunstenmakend net zo lang in het publiek tot ze het thuisfront hadden gedetecteerd en er, steevast op het moment suprême van de act, gezwaaid kon worden. Deze dubbele blik, die als een heus verfremdungseffekt het fictiescenario doorkruisde, deed mij smelten. (Uiteraard was die van het taalkundig genie met afstand het mooist.)
In de professionele showbizz mag zoiets niet. Maar het is een type overtreding dat Orpheus ook maakte, en daar zijn toch een paar aardige dingetjes uit voortgekomen.

P.S. De dubbele blik wordt gebanaliseerd bij sportwedstrijden, wanneer toeschouwers zichzelf op een televisiescherm zien.

vrijdag 6 april 2012

Een bangalijstje of Hoe vers blijft de actualiteit (bibliofiel)


Prof.dr.ir. P. Akkermans
Bottom up
Conclavenphronesis
Dr. Mabuse
Eikeltjeskoffie
Flexibiliteitshegelianisme
Grootste deler
Hoge ballen voor het doel
Incentivessediment
Jezussandalisme (anti-)
Kruisigingsjournalistiek
Laïciseren bij vrijemarktmoraal
Maturiteitspoëzie
Nasi met augurk
Opt-out
Priemgetal
Qualitytimesharing
Rechts ***en, links ***en
Subsidiekritiekwegwuiving bij ingeweefdheid
Twitter
Urker worst
Vestigingsfusies
Wetenschapsbashing
Xenofobieallergie
Yoghurtbacterie
Zeno

Of denk je dat dit slim is?
Of denk je dat dit maf is?
Of denk je dat dit gaaf is?
Of denk je dat dit fake is?
Of denk je dat dit leuk is?
Of denk je dat dit kul is?
Of denk je dat dit mal is?
Of denk je dat dit gal is?
Of denk je dat dit gaaf is?
Of denk je dat dit geil is?
Of denk je dat dit leip is?
Of denk je dat dit laf is?
Of denk je dat dit lof is?
Of denk je dat dit dol is?
Of denk je dat dit diep is?
Of denk je dat dit dof is?
Of denk je dat dit bof is?
Of denk je dat dit brol is?
Of denk je dat dit brak is?
Of denk je dat dit vlak is?
Of denk je dat dit vlug is?
Of denk je dat dit dus is?
Of denk je dat dit daas is?
Of denk je dat dit vaal is?
Of denk je dat dit laag is?
Of denk je dat dit gym is?

Voor een synthese kan men echter ook een lokale notitie maken.

zondag 1 april 2012

The Saulus-Paulus-thing

Bij het ontbijt meldt de krant van gisteren: ‘Ook wie helemaal niets heeft met glamour of licht amusement moet de voorbije jaren ergens elders in het sterrenstelsel hebben vertoefd om niet van Astrid Bryan te hebben gehoord.’ Dus dat was het!
Net nu De Ronde de hele middag op de buis zou komen.
We zijn al begonnen met inpakken. Hoe lang het duurt voor we landen is onbekend, maar dan zal hier meteen, in een eenmalige bibliofiele editie op 26 exemplaren, mijn Bangalijst worden geopenbaard.

woensdag 28 maart 2012

Ontmoeting (2)


Gisteren kwam ik Mahatma Gandhi tegen bij de slager.
Hey Marc, mag ik je wat vragen?’
‘Jij altijd, ouwe vogel. Maar van cricket weet ik niets.’
‘En van politiek?’
‘Mahatma, ik heb een weblog!’
‘Goh, een have-not!’
‘Beetje bijblijven, Mahatma, dat noemen we een loser.’
Okay.’
‘Maar misschien mag ik erop wijzen onlangs een mail te hebben ontvangen van de zoon van Khadaffi om samsam te spelen met zijn tijdelijk geblokkeerde miljoenenkapitaal.’
‘Ah, dan begrijp jij dat in tijden van beurscrises de belangrijkste republikeinse kandidaat voor het presidentschap een speculant is?’
‘Kan niet beter!’
‘En dat in het Westen juist toplui, hun asociale beleid verdedigend dat ze via de economie de mensheid er weer bovenop helpen, de winsten niet herinvesteren in hun bedrijven maar in hun eigen portemonnee?’
‘Slim!’
‘En dat een miljardair verklaart te weinig belasting te betalen en vervolgens als belangrijkste aandeelhouder een CEO een zeer geinige bak extra geld geeft?’
‘Hij steekt het dan toch niet in eigen zak?’
‘En dat een extra gratificatie aan een topman berust op diens kostenbesparende maatregelen?’
‘Wie zonder bonuskaart is, werpe de eerste steen.’
‘En dat het eerder regel dan uitzondering is dat in het immer door begrotingstekort geplaagde België bedrijven überhaupt een belastingaangifte doen?
‘Correct!’
‘En dat een Australisch bedrijf Cherry Guevara-ijs op de markt gebracht heeft?’
‘Mahatma! Je leest toch geen Zizek?’
‘Nee joh, teletekst! Ik ben er helemaal crazy van, de laatste tijd.’
‘Met jou kan ik praten, Mahatma.’
‘Zo schijnen terdoodveroordeelden in China niet langer hun organen af te moeten staan omdat ze vaak enge ziektes hebben.’
‘Maar da’s discriminatie!’
‘Zullen we anders samen in hongerstaking gaan, Marc? Marc?
(…)
‘Zeg, Marc.’
‘Ja?’
‘Snap jij waarom een belangrijke presidentskandidaat politieke hypocrisie en inefficiëntie van de ambtenarij aanvalt, terwijl hij jaren in Washington, zoals dat heet, op het pluche gezeten heeft?’
‘Heel authentiek!’
‘Net als Wilders!’
‘Yep!’
‘Bernie Madoff was evenmin een groentje!’
No way.’
‘Zeg Marc, jij houdt toch van kruiswoordraadsels en cryptogrammen?’
‘Alleen als er niks op de televisie is.’
‘Nou, daarstraks vertelde een journalist op radio over een bundeling interviews die hij had gemaakt met filosofen.’
‘Echte? Met baarden en zo?’
‘Precies! En nu blijkt dat die mensen geen spijt hebben van al die tijd die ze in bibliotheken hebben doorgebracht.’
‘Niet?’
‘Nee, ze schijnen zelfs best tevreden te zijn met hun leven.’
‘Wat?’
‘Ja, sommigen van die mannen lachen zelfs regelmatig.’
‘Godverdomme!’
‘Maar echt slim of verstandig schijnen ze niet te zijn, vertelde die schrijvende journalist aan zijn radiocollega.’
‘Geen wonder!’
‘Nee, Heidegger en Sartre, om wat willekeurige voorbeelden te noemen, hebben faliekant verkeerde keuzes gemaakt.’
‘Wie?’
‘Martin Heidegger en Jean-Paul Sartre. De een was een nazi en de ander een stalinist.’
‘Wat? Waarom vertelt niemand mij ooit wat?’
‘Je surft te weinig, Marc, daar ben je te arrogant voor, dat is het.’
Right, zullen we het eens over jouw hairextensions hebben? Mahatma?’
(…)
‘Zeg, Mahatma, tsjakka.’
‘Wat?’
‘Ik rijm een beetje om in vorm te blijven, voornemens als ik ben een record te breken een gemiddelde lezer binnen 400 woorden te doen inslapen. Maar wat ik vragen wou: loop jij altijd zonder benen?’
‘Hahaha, dichtertje.’
‘Wat bedoel je?’
‘Tegenwoordig lees ik ook wel eens gedichten en opiniestukken in de krant.’
‘Hoe is dat mogelijk?’
‘En dan verwijt een en dezelfde mens in zo’n zogeheten essay cultuurbarbaren alles over één kam te scheren en typeert vervolgens in een gedicht het volk als zwijgend gangbangend voor een breezer.’
‘Niets menselijks is ieder mens vreemd.’
‘Haha, kunstenaartje.’
‘Wat bedoel je nu weer?’
‘Nou, behalve naar teletekst kijk ik ook naar herhalingen van het vernieuwde journaal. En daar was een item over een Spaans vliegveld dat voor veel projectgeld was neergezet en niet gebruikt werd.’
‘Ja en?’
‘Een gespecificeerd deel van de kosten zat in een beeldende installatie voor de ingang, en de maker daarvan werd geïnterviewd en kreeg daarbij het onderschrift “kunstenaar”, haha.’
Right. Wat doe jij eigenlijk in een slagerij, groenzoeter? Da’s toch niks voor jou?’
‘Nee, maar ik ben dan ook al jaren dood.’
‘Wat? Niemand vertelt mij echt niets.’
‘Dat zijn de wetten van de branding, Marc.’
‘O. Lust jij trouwens blinde vinken?’
‘Die heten hier loze vinken.’

woensdag 21 maart 2012

De waarheid

Een envelop volstaat. Althans een sticker erop, uit het buitenland: ‘WITHOUT COMMERCIAL VALUE / FOR CULTURAL PURPOSES ONLY’. Naar de onwrikbare eeuwigheid van de jaartelling na 9/11 ontving ik uit den verre ook een dichtbundel, met een door de afzender ondertekend: ‘I certify that this package does not contain any Dangerous or Prohibited Goods’.
Relativering van de dagelijkse moeite is een voorrecht en het idee dat niets enige zin heeft wellicht nog meer – maar soms mag de illusie postvatten dat het meetbaar effect van kunst boven nul ligt. Het is fijn zwelgen in onrechtvaardigheid en populisme en wanbegrip en zo, maar het kan niet zo zijn dat het tweeledige artikel 27 uit de Universele Verklaring Van De Rechten Van De Mens refereert aan een geintje:

Een ieder heeft het recht om vrijelijk deel te nemen aan het culturele leven van de gemeenschap, om te genieten van kunst en om deel te hebben aan wetenschappelijke vooruitgang en de vruchten daarvan.
Een ieder heeft het recht op de bescherming van de geestelijke en materiële belangen, voortspruitende uit een wetenschappelijk, letterkundig of artistiek werk, dat hij heeft voortgebracht.


Op zulke momenten ervaar ik de noodzaak tot minder ego en meer gezamenlijkheid. Dan sla ik Neem bijvoorbeeld graniet. De Europese grondwet in verzen op. Gaandeweg betrap ik me er echter op bij opmerkelijk krachtige en zwakke passages achter in de verantwoording te kijken wie de genius is. Ook blijken gedichten in stukken geknipt, wat mij een twijfelachtige eer zou zijn (omdat ik het zelf doe?). Dan ervaar ik noodzaak tot individualisme.
Gelijkaardig zwenkte ik bij een enquête over opvoeden, op basis van informatie uit Nederland en uit België. De bedoeling was als ouder uit een lijstje karaktereigenschappen er een paar te kiezen die jij het belangrijkste vindt om mee te geven. Gepresenteerd als een ‘denkoefening’, leek het me direct een heilloze onderneming. Ik wil hooguit dat mijn kinderen zelf hun weg zoeken. En al zou ik hen willen sturen, in de praktijk is de invloed van school en dergelijke veel groter – in plaats van ‘’s ochtends’ zegt het taalkundig genie nu reeds ‘in de morgend’.
Bij een tweede blik viel me op dat bij de opsomming onder Ik wil dat mijn kind ‘gelukkig is’ er niet bij stond. Net als het zich deze week her en der te West-Europa opdringende ‘veilig is’, beter ook eigenlijk in verband met het realiteitsbesef (en met proportionaliteit, vrees ik, in het Midden-Oosten en Zuid-Amerika zal zulke rampendichtheid hoger liggen). Dan maar ‘vrolijk is’? Deal! Hoewel, dag en nacht? De optie ‘spiritueel is’ mag uit eigen portemonnee gelicht.
In derde instantie deden enige keuzemogelijkheden mij nogal terugschrikken: ‘opkomt voor zichzelf’, ‘initiatief neemt’, ‘ambitieus is’… Zou het louter mijn hebbelijkheid zijn daar één ideologie in te proeven? Ooit golden deze vormen van assertiviteit als onfatsoenlijk, wat een even hovaardig oordeel lijkt. Nu tellen ze als een pre. Daarbij moet wel vanuit het betreffende ik gerekend, want de eigenschappen claimen meer of minder bewust uitsluiting. Bijvoorbeeld ambitie is prachtig, voor zover ze iemand zich intens in iets laat verdiepen. Maar dit ‘beste uit zichzelf halen’ berust veelal op ‘beter dan een ander’ zijn. Mogelijk hangt de gewildheid van een netwerk daarmee samen.
Kan geluk wel zijn autonomie bewaren? Plakt daar om te beginnen geen lifestyle-industrie aan vast? Voor zover ik het etappegewijs snapte, leerde de enquête dat de pursuit of happiness in mijn eigen ideologie doel mag zijn, maar met zo min mogelijk collateral damage. Eieren die voor het spreekwoordelijke omelet gebroken moeten worden, lust ik niet. Zonder anderen bestaat er toch amper geluk, dokter?
Uiteraard totaal onbevooroordeeld, fascineert het mijn kroost zich te zien bekwamen in het bereiken van hun doelen. De gourmande (1½) is volop bezig het vak te leren. Vooralsnog wil ze alles hebben wat haar zus heeft. Dat ging lang met totalitair geschreeuw, maar nu ze taal aan het ontwikkelen is heeft ze een extra wapen. Ik mag het woord ‘tafel’ niet ijdel gebruiken, omdat de gourmande dan meteen naar haar stoel loopt en op het woord begint te tikken voor het voorgerecht. Meer progressie bestaat eruit dat als zuslief bij een van haar ouders op schoot kruipt, de gourmande op haar buik gaat liggen en roept: ‘Au… valle… zootje’.
Aan het taalkundig genie (5) vertel ik dan weer graag een geheim. Voor haar omdat ze dat geweldig gewichtig vindt, en voor mij omdat ze, en ik moet het zo formuleren, nog niet kan liegen. Dus verklapt ze aan haar moeder dat die (moeder) niet mag doorvertellen dat zij (tg) een geheim met mij heeft. Adembenemend slim! Zoals ze erg vroeg in de weekendmorgends vraagt beneden televisie te mogen kijken en dan heus niet het keukentrapje voor een kast gaat zetten om op de eerste plank rechts koekjes te pakken.
Zelf legde ik ooit een vouwfiets in Nederland aan een ketting vast, om daarna te merken dat mijn sleutels thuis lagen. In Amsterdam, ver na middernacht, wist de baliemedewerker van het meest nabij gelegen politiebureau dat ik niet te helpen viel: grote scharen kwamen de deur niet meer uit, vertelde hij. Wel volgde ik zijn advies op om bij een fietsenmaker zo’n schaar te lenen. Maar ik had mijn verhaal niet eens helemaal gedaan toen die me benoemde tot vieze junk, ‘helemaal uit België, je moet toch echt betere smoesjes verzinnen’.
Ik wil dat mijn kind de kunst van de geloofwaardigheid machtig wordt.

woensdag 14 maart 2012

Kleine wasjes, grote wasjes

Eindelijk trekt een programma waarover ik veel had gehoord en gelezen, nu geregeld aan mijn blik voorbij. Het blijkt zo beroemd en geliefd dat het aan zijn initialen genoeg heeft: DWDD. Dus ik zal maar meteen in de kerk vloeken. Nog steeds lukt het me niet er dagelijks voor bij de buis te blijven, laat staan dat ik een uitzending uit kan kijken. Mijn ontzag voor het professionalisme en het energieke weegt kennelijk niet op tegen een zwaardere sensatie: ik verveel me erbij. Die vaststelling verbaast me, omdat DWDD in het teken staat van een poëtica van de variatie. In hoog tempo vertoont het per keer vele onderwerpen, rubrieken en stemmen. Sommige van die stemmen liggen vast. Ze zijn van Bekende Nederlanders, die fungeren als sidekick van de presentator. Maar omdat ik al zo lang weg ben uit het vaderland, doen ze bij mij geen lichtje branden (en zouden ze, terwijl de stopzetting van het evenmin ruim genoten De Pers me niet onverschillig laat, mijn nieuwsgierigheid moeten wekken). Louter een voormalige voorzitter van de PvdA is mij vertrouwd, en een ex-voetballer die onlangs dezelfde kleren droeg als de avond tevoren bij Studio Voetbal. Mij is nog niet helder waaruit hun rol precies bestaat. Wel fascineert hun niet-aflatende bezigheid oordelen te vellen. Lijken ze daarom op het eerste gezicht iets weg te hebben van de opinist, het brede culturele verband in hun exercities blijft achterwege. Daar is ook geen tijd voor, dus moet de ultieme daad hunnerzijds het verdict zijn of iets/iemand deugt. Ik noem hen voorlopig ‘deontologisten’. Het grootste fenomeen van DWDD dunkt me de presentator. In zekere zin is dat logisch, want hoe je het ook wendt of keert, in zijn vak is hij de belangrijkste speler. Toch hoort ten minste de indruk te ontstaan dat een programma draait om de gasten. Hier niet: de presentator slaagt erin zoveel uit hen te halen dat, in een suizende spiraal, zijn wonderbaarlijke gave zich naar de voorgrond dringt. Zijn blik heet jongensachtig en is uitnodigend. Of hulpeloos? Het is me niet ontgaan dat hij werkt met een setje steekkaarten. En zijn vragen zijn in meerderheid constaterend. Zodoende lijken ze te polsen of de hem toegespeelde informatie klopt. Vermoedelijk sticht dat bij de gasten zo’n verwarring dat ze, behalve door verbijsterend veel te uiten, ‘zichzelf zijn’. Dit verschijnsel ken ik uit ervaring. Op een literatuurwetenschappelijke promovendicursus te België heb ik eens gevraagd naar het semi-idiote vierkant van Greimas. Als Hollander werd ik niet gehinderd door kennis, dus ik vroeg oprecht. De dienstdoende professor werd door die bizarrerie dermate in verlegenheid gebracht dat hij deze eerstejaarsstof lucide uit de doeken deed. Onwillekeurig leek ik de baas. De bewonderenswaardige toegankelijkheid van DWDD raakt aldus egocentrisch. Gesprekken kunnen hooguit inventariseren en evalueren. Elke proever zijn eigen schnitzel uiteraard, maar aan de orde stellen betekent dan onvermijdelijk samenvatten. Aan de ene kant is er de geringe tijd voor onderwerpen, die ze singletjeswaardig maakt, met pakkend refrein. Aan de andere kant hebben kijkers een inbreng, doordat ze uitlachwekkende televisieshots (per definitie van de concurrentie) mogen inzenden. Deze spiraalwerking noopt tot een join us. Mogelijk is het dit wat me aan het programma verveelt, het gevoel aanhoudend te worden behaagd. Indien mijn indruk – op basis van geringe kijkexpertise – klopt, dan zouden de moorden die door uitgevers en auteurs schijnen te worden gedaan om in het programma te komen mogelijk beter worden gepleegd om naast die eer te grijpen. Periodiek gesteggel achteraf inzake het schenden van een afspraak over het aantal minuten dat er over een boek zou worden gepraat, heeft ook iets treurigs. Weifelachtige karakters of mensen die overtuigd zijn van iets wat groter is dan henzelf, aan wie het ‘zichzelf zijn’ dus niet terstond valt af te lezen, kunnen het in het deontologisme van DWDD sowieso schudden. Da’s jammer, gelet op de aard van menige schrijver, zelfs als die, zoals bijna iedereen, authentiek van voetbal en popmuziek houdt. Het gaat erom daar vanuit stand, zonder schroom, kras vertolkte meningen over te kunnen geven. Heet dit niet ‘van je hobby je vak maken’? De korte tijd dat ik het programma nu zie, heb ik het idee gekregen dat al die onderwerpen en gasten in laatste instantie dienen als, om het in de taal van de wetenschappelijke globalisering van ooit te zeggen, latifundium. Het doel is welverdiend slap lullen onder elkaar. Zo begrijp ik ook de curieuze aankondigingen van items in het volgende kwartier: er zal zelfamuserend door blijven worden gepraat tot de klok luidt. Maar door dat laatste, tot in het spreekritme verifieerbare feit, treedt nog een spiraalgevoel in werking: ware bavardage kent geen sluitingstijd. Drie spiralen, nooit geen zwanger nie meer! Daarna nog even beseffen dat als het, zoals dat heet, inderdaad raar is te veronderstellen dat er over complexe zaken alleen op academische wijze kan worden gecommuniceerd, het join us zich evengoed beperkt tot ingewijden. De toegankelijkheid van DWDD is dus misschien wat pretentieus en promoveert de sidekicks tot leden van een ballotagecommissie. Historisch bezien lijkt het programma een vervulling van de angst die Jeroen Brouwers in de jaren zeventig uitsprak voor jongetjesliteratuur, en die hij situeerde rond de Amsterdamse krant Het Parool. Bizar, zowel Brouwers’ voorzienigheid als de volharding van het gedachtegoed. Het heeft even geduurd, met leuke bladen als Hard gras en Payola als voorboden, maar nu ontplooit zich het enthousiasme en ongebreideld zelfvertrouwen dat ook inherent is aan macht en dat mensen kan verenigen. Mogelijk ten overvloede onderstrepen de initialen de definitieve doorbraak van de jongensclub.

woensdag 7 maart 2012

Muzikale fruitmand

ik bracht mijn eigen potje as 
hoe heet je vroeg mijn vrouw 
hoe heet je vroeg mijn kind 
hoe deed je vroeg mijn kind 


de kelk stond al netjes klaar 
wat drink je vroeg de vrouw
wat drink je vroeg het kind 
wat zink je vroeg het kind


mij trok de mate van herstel 
werd je koffie niet te koud 
werd je koffie niet te koud 
werd je kloffie niet te oud 


mijn eigen bracht netjes as 
herstel de kelk trok een potje
herstel een potje bracht mate
herstel mate trok mijn eigen

woensdag 29 februari 2012

Poedelprijs

Hoewel hoofdredacteur van een Nederlandse krant, had Peter Vandermeersch onlangs de primeur door bij mijn weten als eerste Belg zijn gevoel te benoemen met ‘dubbel’, voorafgegaan door ‘heel’. Dit toch wat afwijkende gebruik van een zelfstandig ingezet bijvoeglijk naamwoord voor menselijke aandoeningen, waartoe ‘tweeslachtig’ en ‘ambivalent’ al beschikbaar waren, klinkt boven de Moerdijk inmiddels doodgewoon, maar sinds wanneer regeert het? De recentste Van Dale meldt: ‘(psychologie) dubbel zijn, zitten, zich dubbel voelen: geconfronteerd worden met sterke tegenstrijdige emoties, neigingen enz.’
De vraag werd voor mij actueel bij iets wat Nachoem M. Wijnberg aanroerde in Als ik als eerste aankom:

De volgende dag
kun je naar de politie gaan, want
in de gevangenis
leven ook mensen, en zeggen
dat je iets gedaan hebt,
je weet nog niet wat, doe maar een voorstel.

De reacties op het terugtreden van Job Cohen als partijleider kenden twee constanten. Collega’s betreurden zijn vertrek omdat dat ook iets zou blootleggen van de toestand van het politieke bedrijf. Is het niet wonderlijk dat zij dit de wereld in stuurden via Twitter (en dat deze blog dat signaleert)?
De andere treurnis gold Cohens integriteit, vertaald als de weigering mee te doen aan een spel. Nu valt mij uit Mens-erger-je-niet-achtige tijdverdrijven bij het taalkundig genie op dat zij nooit, conform de regels, een pion van de ander wil slaan maar er behendig omheen trippelt. Dat zou betekenen dat de drift om te winnen door vernietiging geen nature is maar nurture.
Mogelijk is dat de reden dat, nadat hij verslaggevers na de fractievergadering met prachtig glinsterende ogen te woord had gestaan over zijn wens eerst te reflecteren over de ontstane situatie, zich terstond, per Facebook, een jonge kandidaat-partijleider aandiende die nog geen maand vader is en de kwetsbaarheid en de kansen van zijn kind wou verdedigen. Een andere kandidaat zette zijn woorden kracht bij door te knikken met het hoofd en straalde een soort testosteronzekerheid uit. Weer een andere kandidaat voelde zich met evenveel bravoure geroepen in een opinieprogramma live te reageren op net bekendgemaakte peilingen (zelden was de benaming ‘spijkerhard’ zo treffend voor getallen) van Maurice de Hond, door hemzelf voortdurend als ‘onderzoek’ aangeduid.
En al die optredens worden, hetzij als trending topic, op hun beurt geëvalueerd.
‘Let each one learn to bore himself’, zoals sterverslaggever James Joyce al van gene zijde in Finnegans Wake liet optekenen. Ik snap best dat daadkracht in woord verplichte kost is voor de kandidaten. Indien ik me niet vergis, poneren ze echter allemaal dat ze zich beperken tot ‘de inhoud’. Strategisch, lijkt mij bij wie die term een rare mix van lachlust en mededogen oproept, weinig snugger. Temeer daar ‘de inhoud’ steeds blijkt te bestaan uit een oneliner, die wordt voorafgegaan door ‘Ik zeg:’ – zelden het principe van de performativiteit zo helder vertoond gezien.
Overigens zou een campagne die om ‘de inhoud’ gaat ware scheurmakerij teweegbrengen, want dan zouden anonymi kans hebben.
Nu de bacil van het cynisme al naar mij begint te zwaaien, citeer ik snel Marjolijn Februari die op een symposium naast een politicus zat en zag ‘hoe de tekst door de tekstschrijver zelfs is uitgeprint in afzonderlijke lettergrepen, met kleurtjes, uitroeptekens en accenten op de plaats waar de klemtoon moet komen’.
Volgens mij is de tijd rijp om voor kiezers een nieuwe markt aan te boren: van een politicus die onbemiddeld herkenbaar is. Iemand die de werkelijkheid van zijn wereld (en vele andere) laat zien door vast te stellen dat hij het juist ‘van horen zeggen’ heeft. Desnoods bedankt hij partijgenoten, ambtenaren en contacten voor hun samenvattingen, en geeft hij het secretariaat en de stagiaires een bloemetje voor het kopiëren en bijeensurfen van basale informatie. Het zou een verademing zijn een politicus te horen vertellen dat hij de oplossing niet panklaar heeft, dat het betreffende probleem ingewikkeld is omdat het bijvoorbeeld wrikt aan morele kaders en dat hij daarover graag langer had nagedacht.
Hoe meer gehakkel, hoe geloofwaardiger de kandidaten.
Hadden ze dus nog een voorbeeld kunnen nemen aan Cohen? Hoewel deze zo ongeveer door de communicatiemolen is geplet, lijkt het beeld van hem als mens te zijn gegroeid. Het is aan mijn aandacht ontsnapt, maar ik kan me ook niet indenken dat Cohen op het drama met prins Friso zoals al zijn collega’s verklaringen zou hebben afgelegd dat hij niet alleen meeleefde met de familie, maar dat daarbovenop ‘intens’ deed. Deze sensilubisering van de emotie, hoe oprecht wellicht ook, kan het resultaat zijn van een conflict tussen al die privacyachtige mededelingen via sociale netwerken en gebeurtenissen die ertoe doen (zonder uniek te zijn).
Wat daarbij die integriteit behelst, blijft mystiek. Ze valt in de vrije tijd al niet makkelijk te omschrijven, laat staan in een gecompliceerde omgeving van de politiek. Wel frappeerde mij dat Cohen op de – zelfs bij terugtreden onvermijdelijke – persconferentie de basiswet van de communicatie, ‘altijd een ik-boodschap geven’, bleef toepassen. Bewonderenswaardig, omdat het voor de hand lag dat hij zou roepen: ‘Opzouten jullie!’ Maar dan had hij de kous op de kop gekregen, door de brengers van de boodschap te viseren. Zoals de partijgenoot die via een interne mail de val van Cohen inluidde, daarna op zoek ging naar het lek.
Bij Geert Wilders ondertussen, om man en paard te noemen, springen eveneens twee zaken in het oog. Ten eerste dat hij politiek, behalve van zijn partij, verbindt met hypocrisie. Ten tweede dat hij het in de Tweede Kamer vooral gemunt had op Cohen, ad hominem, tot poedelkwalificaties aan toe. Nu, uitzonderlijk niet per Twitter: ‘Ik heb kennisgenomen van het vertrek van Job Cohen als fractievoorzitter van de PvdA. Het is een interne PvdA-kwestie waar ik niet inhoudelijk op reageer. Ik wens hem overigens persoonlijk het beste toe.’
Wie zou hier niet heel dubbel onder zijn? Valt er te ontkomen aan het wat-je-zegt-ben-je-zelf-argument, dat misschien wel het meest gehanteerd wordt om griezelige daden te legitimeren? Anders dan door te zeggen ‘Ga toch fietsen’?
Ik hoop dat Cohen zelf de fiets pakt, dat kan heilzaam zijn. Zeker nadat hij de verschrikkelijke paradox heeft geuit dat het – juist nu het laatste oordeel over personality’s blijkt af te hangen van een vermelding in De Wereld Draait Dooruiteindelijk helemaal niet om zijn persoon gaat. Inderdaad, het gaat om wat deze representeert. Doe maar een voorstel.

Naschrift
À propos het ‘van horen zeggen’-principe ivm het wat-je-zegt-ben-je-zelf-argument: de Vlaamse minister van Cultuur ontving afgelopen week veel hoongelach, nadat ze de naam een Oscar-genomineerde uit eigen land verkeerd had uitgesproken. Zoiets rijmt ook dottig met nieuwsberichten als ‘Veel vrouwen hebben liever grote borsten dan een hoog IQ’. Maar hoe langer ik erover nadenk, hoe meer ik het in de minister waardeer dat ze tenminste niet behoort tot die ontelbare kunstneten die de jongste weken, na de bekendmaking van de nominatie, nog net niet via de artiesteningang bij de betreffende acteur naar binnen kropen.
Zelf heet ik een literatuurkenner te zijn, maar ik kan het aantal keren niet meer heugen dat ik in gesproken en geschreven woord de plank missloeg. En als redacteur heb ik de beroemdste schrijvers en geleerden begeleid, die ik op basis van hun daarbij tentoongespreide kennis al evenmin geschikter acht voor het ambt dan de huidige minister van Cultuur.
Op basis van mijn dus relatieve autoriteit durf ik toch te stellen dat onlangs de belangrijkste poëzie-uitgave sinds jaren is verschenen. Eindelijk valt "De weg naar Egypte" in samenhang te lezen, een project waaraan Gertrude Starink drie decennia heeft gewerkt. Het zal aan mijn luiheid liggen, dat ik er nog geen mediale letter over heb aangetroffen.
Wel was ik bij de presentatie. Daar sprak een mediapersoonlijkheid en inmiddels geroutineerd literair jurylid de naam van Starink perfect uit. Verdere informatie viel op door gemeenplaatsen, fouten, slordigheden en desinteresse. De presentatie maakte deel uit van een rimpelloos programma, van een hoog aangeschreven culturele organisatie die daar vele per maand van brengt en waarvan de baas heeft geopinieerd dat de ware liefde voor kunst zich niet in dollars laat uitdrukken.
Iets zei mij plots dat al die betrokkenen de Starink-uitgave tegen een fijne vriendenkorting zullen hebben binnengekregen, als het al niet gratis was. Toen schoot me ander recent nieuws te binnen: ‘Elite heeft minder normen en waarden dan plebs’.
Het is een troost dat ook die artikelen tot stand komen op basis van 'onderzoek'.

vrijdag 17 februari 2012

Wat je zegt

De carnavalskraker ‘Marietje (Want In Het Bos Daar Zijn De Jagers)’, uit het midden van de jaren zeventig, is voor mij universeel onvergetelijk. Groeiende aantallen verontruste burgers en belangenverenigingen roepen de laatste tijd dat het ‘niet eens meer vijf voor twaalf is, maar één voor twaalf’. De voornaamste retorici onder hen berichten zelfs dat het ‘allang twaalf uur geweest is’. Dan denk ik aan Marietje en prevel: het was pas kwart voor acht. Een knoeperd van een allusie op de openingszinnen: ‘Marietje was een keertje vroeg opgestaan / Het was pas kwart voor acht’. Ja, in de jaren zeventig groeiden de bomen tot aan de hemel.
Waarschijnlijk als iedereen ken ik het liedje in de uitvoering van Hydra, maar er blijkt een eerdere versie van te zijn, door de Hollands Venetië Band uit Giethoorn. Zekerheden storten in, iconoclasme van formaat! Dat Hydra van oorsprong een hardrockformatie was, verbaast dan weer minder. Hoe het met de credits van ‘Marietje’ zit, murmelt onder de vraag: wat is van wie en waarom? Ik bedoel, het postmodernisme zal alweer een tijdje achter de rug van de Renaissance liggen.
Gelukkig verdwijnen zulke gewichtige indrukken als sneeuw voor de zon wanneer het carnaval is. Dan valt er ongegeneerd en gelegitimeerd, met of zonder masker, te plagiëren. Redelijkerwijs peurt de geplaagde daar zelfs eer uit. De overige dagen van het jaar blijkt dat minder eenvoudig. Ik herinner me als kind de razernij en wanhoop wanneer ik object werd van het spelletje nadoen – elk van mijn bewegingen, elk van mijn woorden strekte zich voor me uit. Het einde naderde pas wanneer ik een van de mij kopiërende anderen in die daad zo steekhoudend wist terug te kopiëren dat, als het pleistertje in Kuifje, de drift voortwentelde.
Met name wetenschappers worden, triomfaal, met plagiaat te worden geassocieerd. Wellicht is het reëler een onbetrouwbaarheidsimago te constateren. Of het nu gaat over het klimaat of over het voedsel, steeds blijken hun uitspraken schier bij voorbaat toch niet te kloppen. Indien de misdaad fraude is, blijkt de gretigheid niet minder om als waarlijk unieke zondebok aan de schandpaal te worden genageld. Alsof de eerste steen te allen tijde geworpen kan.
Dit geschiedt uitgerekend nu het internet copy-and-paste tot een hogere democratische kunst verheven heeft. Het helpt daarbij niet dat menig traditioneel kwaliteitsorgaan aarzelt artikelen vrij te geven. Correcties en nuanceringen bereiken een gewenst publiek zelden. Jef Lambrecht zag in een mediastudie zich zelfs ‘een kenniselite’ ontwikkelen met een ‘kennismonopolie’. Daarnaast beseffen jonge studenten niet altijd dat een inzicht een bron heeft die ze bij hun operaties mogen vermelden. Al zijn ze opgegroeid met samples, ik vrees dat dit, met respect voor het als gemeenschappelijk ervaren cultuurbezit, haaks staat op de autonomiedoelstelling van de Verlichting waarvoor het copyright ten behoeve van het intellectueel eigendom de hoeder is. De kennis komt van een kant! (Wel is door bedrijven voor onderwijsinstellingen ‘plagiaatsoftware’ ontwikkeld. Ook vereist het in principe geweldige internet dosering bij producent en consument, vanwege mogelijkheden die bij maximaal gebruik geleidelijk aan naast ruis een bepaalde state of mind bevorderen. Luis Buñuel zei ooit dat als hij dictator was, hij de voortwoekerende informatie zou bestrijden, zijns inziens bron van alle angst.)
En gij, zoet kuddeke? Via de shufflefunctie van de i-Pod hoor ik elpeetracks van weleer, met breaks en melodieflarden die me bekend voorkomen uit zogeheten eigen nummers waarvan de volle overtuiging wilde dat ze inventief waren. De spaarzame keren dat mij nu de indruk bekruipt dat mijn ideetjes door derden zijn overgenomen, waag ik niet meer na te wijzen. Dit is niet zozeer het resultaat van out of the box-denken, maar misschien al van een leerproces.
Ooit werd ik over een boek geïnterviewd, waarna een paar maanden later ‘mijn’, voorafgaand aan het gesprek druk beanekdotiseerde, motto boven een publicatie van de interviewer zag. Het zuur vloeide weg toen ik besefte dat twee mensen zich dan over dezelfde materie hadden gebogen, een vorm van intimiteit (dat Mettes in N30 ook de spreuk van Albert Hahn aanhaalt, stimuleerde).
Citaten zijn natuurlijk geen eigendom. Uit Beekmans en Grüttemeiers De wet van de letter valt te leren dat dit maar goed is ook. Juridisch-literair bestaat er een persoonlijkheidsrecht, waardoor citaten niet uit hun verband gerukt mogen worden. Toen een tentoonstelling bleek te zijn opgehangen aan een zin uit een veelgelezen boek die ook een motto was in een andere titel, was ik slechts benieuwd. Wel kwam het bericht dat een stel met een oudste kind dat dezelfde naam had als onze gourmande, hun tweede, na een tip, de naam van ons taalkundig genie toebedeelde.
Zeker is dat hier in huis die namen volstrekt uniek worden uitgesproken door de twee dragers ervan, refererend aan elkaar. Wie die werkelijkheid niet accepteert, kan beter gelijk zijn kind vernoemen. Ik snap dat Adele thans hoge ogen gooit, maar een keelprobleempje lijkt niet te volstaan en eigenlijk rijmt haar naam ook niet in het decenniale rijtje Amy-Britney-Whitney (bij de dood van de laatstgenoemde ontroerde mij de wetenschap dat haar vijftienjarige stem is vereeuwigd op ‘I’m Every Woman’). Zelf hebben we het taalkundig genie onlangs een prentenboek geschonken dat haar naam in de titel heeft. In een ander prentenboek voert de schrijfster nog een meisje op – die de naam van de gourmande draagt. Hoewel van weinig overtuigd, weet ik tamelijk zeker dat de schrijfster geen Marietje heet.
Het is dat mij het talent ontbreekt voor carnaval, anders zou ik rondglijden met vele koppen. Plaats grijpt een loutering van het geleden jaar. Nu zal alles en iedereen uiteraard gericht zijn op politici en bankiers, en de hovaardigheid van hun excuus voor hun onwetendheid dat het pas kwart voor acht was. Op hen, maar evengoed op belastingmijdende megabedrijven, mag in stoeten worden geschoten met percentines, zoals het taalkundig genie ze noemt (die zich vandaag uit vrees het schoolcarnaval te missen om halfzes aan het ouderlijk bed meldde). Geeft het verlichting om zulke mensen na te doen? In Aleppo en Athene, bakermatten van een westerse beschaving, gebeurde dat recent ook, maar of het geholpen heeft?

woensdag 8 februari 2012

Jeroen Mettes (6)

In Mag ik Orpheus zijn? stelt Esther Jansma zichzelf en haar generatie als onafhankelijk voor. Los van groepen of stromingen hebben ze hooguit een internationale blik gemeen. Tegelijk weet Jansma: ‘Ik heb grote moeite met charmant gedoe, inclusief het “kijk mij nou” van precieuze, zwaar opgemaakte, volstrekt talige gedichten. Wiebelhakjesgedoe, elegante handen, een sigaretje in een houder. Gemaakt gebalanceer op postmoderne touwen. Ik mis in zulke gedichten de vuile voeten eronder. De gaten in het ondergoed. De noodzaak, de passie.’
Kennelijk is de duivel der polemiek zo immens dat die door karikaturen van het lijf gehouden moet. Maar het is waar dat ‘het debat’ deze generatie, die ideologisch aan Mettes voorafgaat en grofweg debuteerde rond de Maximalen, gestolen kan worden. Oosterhoff heeft vaker zijn afkeer van – als ‘Hollands’ gevoelde – discussie geuit, en bij de toestanden met de Chinese boekenbeurs schoot Februari om soortgelijke redenen met scherp. Wijnberg leest bij voorkeur zelfs geen collega’s.
Met hun leeftijdsgenoten in België ligt het anders, maar voor de kritische anklang had Mettes de omstandigheden niet echt mee. Door de afstand die het Nagelaten werk met behoud van chronologie schept, wordt het beter zichtbaar dat hij vooral mikte op twee Noord-Nederlandse dichters die nooit reageren. Met zijn Language-achtergrond raakte Mettes desalniettemin een poëticale kern in de Lage Landen. Dit is in den beginne het bezwaar: ‘Onder de mooie regels heeft die poëzie iets truttigs, iets burgerlijks. Of misschien zit die truttigheid wel in die mooie regels. En het dogma van de “verwondering” over het alledaagse, gepresenteerd in “speelse” gedichten…’
De ene dichter waar Mettes het over heeft, is K. Michel. Dat valt te begrijpen vanuit de marge van Mettes en de centrale positie van Michel. Door het recente bericht over de verdwijning van uitgeverij Augustus, besefte ik weer dat geen fonds zo’n hoog grachtengordelgehalte kende – en dat er bij de initiële auteursgroep in 2001 slechts twee dichters zaten, onder wie Michel. Als voormalig Maximaal was hij vanaf de ontideologiserende jaren negentig Raster-redacteur voor poëzie. Door daar andersoortige dichters te acquireren was hij, maar ik vrees door deze hypothese voor frisse pek en olie, op zijn manier polemisch.
Mettes’ andere doelwit is Arjen Duinker. Over hem mondden blogmatig uitgeteste ideeën uit in een essay dat niet alleen kritisch is over de dichter maar eveneens over het literaire klimaat. Ook die beschouwing bleef bij mijn weten onbeantwoord. Slechts Vriezen ging er in een verzoenend essay op in. Dat was in het Parmentier-nummer over Duinker, waarbij het object zelf eerst zegt: ‘Opvattingen? Heb ik die? Over poëzie? Volgens mij doe ik weinig meer dan zeggen dat ik het ene gedicht niks vind en het andere mooi. Anders gezegd, dat het ene gedicht me bevalt en het andere niet. Ongetwijfeld zitten er dingen in mijn hoofd die maken dat ik dit of dat zeg en dit of dat doe, maar opvattingen... Rekenkunde is uitdagender.’ Verderop komt Mettes’ essay ter sprake, waarvan de kritiek wordt samengevat als ‘vlucht uit het leven’. Getuige zijn reactie hierop blijkt Duinker veranderd in een preses: ‘Het is me verboden hier grappen over te maken.’
Misschien voelde Duinker zich teruggepropt. Precies aan het kikkerland heeft Mettes, in de nagelaten documentatie ‘Politieke poëzie’ over zijn eigen N30, de verwondering immers verklonken: ‘een codewoord, een sjiboleth [sic] voor een kleinburgerlijke verbeelding (ik herken mezelf in de meest vreemde dingen, een pratende hond, een grachtengordel, een rechtopstaande vijver – hé – goh). Nee. De wereld is een sociale wereld, niet JOUW wereld, dichter. Op één staat macht. Wat macht ontkent noem ik “Nederlands”, of “Lullig”.’ De hond zal naar een gedicht van Oosterhoff verwijzen, de vijver naar Michel, maar hoe ook, zulke bezwaren slikken, in historisch beladen termen als ‘burgerlijk’, is geen voorrecht.
Het Duinker-essay zet de verwonderingskritiek in het teken van de ervaring. Mettes corrigeert het idee dat in het dagelijks leven chaos heerst:

‘Er heeft zelden zo’n geadministreerde, gereguleerde en gecontroleerde samenleving bestaan als de huidige, en nergens is dat duidelijker dan in de alledaagse sleur. Het dagelijks leven is niet iets “natuurlijks”, een soort ongevormde, chaotische materie; het ontleent zijn alledaagsheid, zijn triviale ritme, aan maatschappelijke structuren en krachten, nu meer dan ooit. Dat zou je niet raden als je door de ogen kijkt van het abstract, wereldloos subject van de verwonderingspoëzie; dat subject ziet scherp, maar wat het ziet zijn schimmen van een sociale wereld. De dingen die een werktuigelijke functie hebben worden van die functie ontdaan, geabstraheerd, zodat ze nutteloos, waardeloos en “mooi” zijn. Ascese en estheticisme grijpen ineen en het effect doet denken aan de doelstelling van een reclamespotje: de idealisering van het alledaagse.’

Eens of oneens, zulke beweringen verklaren de oorlog aan een recensiecultuur zoals die in de postideologie is geworden. Ik snap dat de termen waarin Mettes bevindingen giet weerstand oproepen, maar zijn onverzettelijkheid, een vorm van optimisme, doet recht aan wat poëzie kan zijn:

‘Een verwonderingsgedicht is een ideologische fetisj bij de zogenaamde noodzakelijkheid van de marktmaatschappij, een poëtisch “bewijs” hiervan, of liever gezegd: een quasi-spiritueel supplement bij de noodzakelijkheid, een soort happy pill om haar draaglijk te maken. Deze noodzakelijkheid is echter volkomen contingent; zij is op arbitraire en gewelddadige wijze afgekondigd. Als men zegt dat de samenleving niet maakbaar is, dan bedoelt men in feite: “De samenleving is niet maakbaar door jullie. Laat ons het werk maar doen: bureaucraten, kapitalisten, specialisten (…)”. En als een gedicht zegt: “Hoe verwonderlijk dat er dingen zijn en niet eerder niets”, dan zwijgt het over hoe onverdraaglijk de dingen wel niet zijn, en mystificeert bovendien zijn eigen verlangen naar het Niets zoals dat concreet gestalte krijgt in de uitgestalde waar van de epifanie. Met andere woorden: het gedicht bevestigt een maatschappij waarin vrijheid wordt geïllustreerd door het op de knieën vallen voor een showmodel.’

Dit zal zelf allemaal ‘heel Hollands’ zijn, maar de Elfstedenkoorts heeft nu toch postgevat. Is het niet zo dat ijs veilig is wanneer het kraakt? Iedere poëzieliefhebber zou Mettes’ Nagelaten werk mogen lezen. Buitengewoon, zei ik al, maar vooral treurig stemmend. Ook omdat zulke teksten surfers en lezers doen beseffen wat er sindsdien ontbreekt (omdat ze confronterend zijn).