woensdag 20 maart 2013

Open brief (6)

Waarde zoekrobot,

In antwoord op uw vraag kunnen wij helaas slechts meedelen dat zij voor het laatst is gesignaleerd bij zijn rechteroksel. In de hoop dat u, enz

Een cliënt (i.o.)

maandag 18 maart 2013

Open brief (5)

Geachte vip,

Bij het nalopen van uw biografie zijn kruitsporen gevonden. Wij zien het alibi met vertrouwen tegemoet.

vzw In tempore non suspecto

zondag 17 maart 2013

Open brief (4)

Beste collega’s,

Tijdens het instuderen van het Adagio van Brahms’ Clarinet Quintet in B, Opus 115 hebben wij met onze handen in het haar gezeten. Gelieve uw zagen in het vervolg elders te smeren.

Sans rancune,
Het strijkkwartet

vrijdag 15 maart 2013

Open brief (3)

Hoogste bieders s.s.t.t.,

Wegens doublure en tijdgebrek te koop: charisma’s. Zelden ingezet, bijna onberispelijk. De aannemelijkheid van uw daad zal zonder meer worden gewaardeerd.

Een hyperactivist die liever anoniem wil blijven

donderdag 14 maart 2013

Open brief (2)

Nobele onbekende,

Bij een controle van onze boeken bleek dat ze verdwenen zijn. Kunt u ons vertellen of we schulden hebben uitstaan?

De voorhoede minus het middenveld

woensdag 13 maart 2013

Open brief (1)

Beste leden-metaforisten,

Gelieve in uw missives over de pausverkiezingen geen melding te maken van een ‘Vaticaanse roulette’. Dank u.

Het Bestuur i.o.

P.S. We willen de dipsaus terug in het centrale vriesvak.

maandag 11 maart 2013

Koffiesofismen



Vandaag een bijdrage van Nico Krols, uitgesproken op 17 februari 2013, bij het Belgische luik van de presentatie van Koffie. Een doeboek. Brute pech dat die tekst daar niet in staat.
Nico Krols (1971) is hoofdredacteur van Weliswaar, het welzijns- en gezondheidsmagazine van Vlaanderen. Hij schrijft over film voor onder meer De Morgen. Als onderzoeksjournalist maakte hij samen met Marleen Teugels een dossier over asbest voor Knack, waarvoor zij de Dexia Persprijs kregen.


Waartoe inspireert koffie? Behalve tot het schrijven van een boek? Romcom, musical, opera? Ik denk graag in termen van sprookjes, omdat er altijd gratis horror bij komt. Dus steek het niet op de media, want ik heb u gewaarschuwd. Er komt, aan wat volgt, geweld te pas.

Als filmrecensent schuilt er vanzelfsprekend een gerateerd regisseur in mij. Hoe vaak ben ik in mijn hoofd niet aan een scenario begonnen over een moegetergde verkoper die door het lint gaat op die ochtend dat zijn koffie met een klontje suiker te veel geserveerd wordt?
Suiker in koffie, ik vind het maar niks, net zomin als koffie met zuivelwaren allerhande. In coffee, as black as my soul, ga ik op zoek naar de finesse in de puurheid. Witte additieven, laat het aan de Italianen.

Het scenario-idee berust op waar gebeurde feiten. Ik heb lang mijn werkplek in het groene, rustige Terhulpen gehad, niet ver van Overijse, met zicht op oude bomen en schichtige eekhoorns. Daar kreeg ik koffie geserveerd, per thermos van twee liter, met zo’n pompje, en waarmee normaal receptiepopulaties mee aan de waggel worden gehouden, zoals koeien aan een drinkbeugel in de wei. Ik kreeg geen bakje, maar een tank troost, elke dag opnieuw.

Dat zorgde ervoor dat ik ’s avonds als een gek de E19 afroste, op de gezwollen soundtrack van Gladiator, met getrokken zwaard en wapperende wimpel. Voorliggers moesten opzij want ik moest naar huis. Dringend. Geen idee wat er dringend was, maar het moest vooruit. Thuis aangekomen ging ik dan trillend op zoek naar iets, niet wetende wat, en langzaam sijpelde het besef door dat het de overdosis koffie was die me mijn eigen staart had doen najagen.

Alle goede dingen, zeggen wijzere mensen dan ik, moeten we, helaas, met mate consumeren. En hoe ouder we worden, hoe meer de maat zich opdringt. Tot dan was ik de koffieteit toegedaan die ik geleerd had in een Starbucks op de kruising van John en Water Street downtown Manhattan: ‘What goes well with coffee? More coffee!’ Schrandere jongens, die yanks, want het is waar.

Toch gaan koffie en beheersing ook goed samen. Een koffiedrinker laat zich zelden op zijn verslaving betrappen, zelfs niet wanneer hij zich zijn gebruikelijke dosis niet heeft toegediend.

Koffie drink je uit een kopje eventueel of zelfs bij voorkeur, maar uit een beker mag ook. Als hij maar uit porselein of glas is. Niet uit karton. Dat is voor hipsters on the go. De democratisering van het koffiedrinken heeft geen nivellering teweeggebracht, noch naakt een bekermatig einde van de beschaving. Lange tijd vond ik dat je beker mee naar je werk nemen een te huishoudelijke gezelligheid introduceerde die daar niet hoorde en zodoende de zakelijke sfeer verpestte. Je gaat toch ook niet in je pyjama naar je werk? Maar ik heb het tegendeel ondervonden. Vergaderen met een beker koffie geeft blijk van werklust en smeedt een onzichtbare band tussen discussiërende vergadergenoten. Sinds de mens koffie drinkt, is zijn evolutie vermoedelijk pas echt goed op gang gekomen, al moet dat nog bewezen worden.

Wat wordt er, behalve melk en suiker, allemaal niet bij de koffie gedaan? Onder gelijkgezinden geleuterd, onder vrienden per ongeluk geroddeld en onder collega’s, in een zeldzaam goede bui, nuttigheden uitgewisseld. Iedereen kan het over koffie hebben, omdat het zo evident tot ons leven en, voor de gelukkigen, ons werk is gaan behoren.

Pas op leeftijd, kunnen we ons veroorloven om het over koffie te hebben en erover te schrijven in plaats van er ons, zonder voor- of nabeschouwing, aan te goed te doen. Maar wijsheid komt met de jaren, zeggen, nog altijd, diezelfde mensen die wijzer zijn dan ik, en dan is het goed om voor het koffie gaan eerst ’t in eigen kopje te kijken. Al was het maar om dat ontsnapte stukje speculaas eruit te lepelen.

Als je sommige schrijvers en journalisten kan geloven hebben we aan koffie de beschaving te danken, wel, laat ons dan – zelfverklaarde koffie-ologen en barrista’s – ons gewichtige prietpraatje gunnen. Ik moet namelijk nog iets bekennen: ik ben een koffiebarbaar. Ik durf mijn namiddagkoffies al eens verdunnen met warm water. Of ik durf op een zwak moment wel eens voor een deca overstag gaan. Ik ben eigenlijk een theedrinker, altijd geweest, en nu meer dan ooit, sinds bij mij de cafeïnegeïnduceerde daver na de middag ongenadig toeslaat. Kan je beiden zijn? Ik drink thuis thee en op locatie koffie. Mijn profiel is bipolair: dat van een gedomisticeerd, sedentair theedrinker, en een nomadisch, avontuurlijk koffiedrinker. Ik voel je misprijzen, maar tot welke soort behoor jij? Mogelijk maak je je wel schuldig aan het posten van koffiestillevens op een van die talloze blogs met instagrams van lepeltje-in-kopje-op-schoteltje onder de juiste lichtinval?

Koffie staat beter dan thee. Toen ik nog rookte, was thee voor jeanetten, of hooligans. Het was de sigaret noch de koffie die voor de sublieme aha zorgde. Het was de combinatie van beide, zeker op vroege ochtenden. Sinds ik gestopt ben met roken is koffie niet meer hetzelfde. Alle eenzijdige sublimiteit van koffie zit nu in dat gelukzalige solomoment van de geur van koffie bij het ontwaken. Maar die vroege ochtenden mét sigaret, dat was toch anders. Om vijf uur, op een verre reis, buiten in de verfrissende dauw turen, over een voor een Belg ongeziene glorende horizon, met een gitanes zonder filter en slurpen uit een inox kop. Klaar was je dan, voor de rest van je leven, die dag.

Roken is verleden tijd, al ben je daar nooit zeker van, maar koffie zal zijn tijd voor mij wel blijven duren. En anders kan ik altijd nog wegdromen naar de tijd dat ik met vrienden koffie morste en dat die opneemvod van een ober ons toesnauwde dat hij extra zou aanrekenen voor de vlek op het witte tafellaken. We hebben dan het voorbeeld van Donald Barthelme’s dwergen in Snow White gevolgd en de rest van de koffie over het tafellaken gesmodderd. Vwalla. Geen vlek meer te bespeuren, enkel een bruin dampend laken. Ober, nog een koffie graag. More coffee. Koffie maakt slim en onoverwinnelijk, al heeft de rest van de mensheid dat niet altijd door.

Hou het glorieuze moment glimlachend voor jezelf, kwestie van koffiequette. Slurp in stilte verder, desnoods van een latté, en bij de geur van een aangebrand toastje.

zaterdag 9 maart 2013

Eat your pie


Maria Landis, de fameuze kokkin van Guy Verhofstadt, heeft de laatste maaltijd van Hugo Claus bereid. Dat onthulde vandaag Yves Desmet. Op het menu stond trippa alla parmigiana. Dit is het stuk van de rundermaag dat meestal als slachtafval in de vuilnisbak verdwijnt. Bij Claus niet, omdat hij genoot ‘van een sterrenkeuken, zeker, maar ook en vooral van de cucina povera, de arme plattelandskeuken die met twee keer niets een delicatesse in elkaar kan draaien.’
Valt deze keuze te vergelijken met lievelingskostjes van veroordeelden voor ze ter dood worden gebracht? (Van die menu’s, in ambachtelijker tijden wel galgenmaal genoemd, bestaan kunstfoto’s.) De Italiaanse keuken is er ver te zoeken, buiten pizza. Er overheerst vlees, met name kip en hamburgers van gerenommeerde ketens, soms in combinatie met ei, meestal met aardappelen in vaak gebakken vorm, begeleid door melkachtige dranken en ijs.
Enkele minimalisten en zelfkastijders niet te na gesproken is het vooral heel veel, zonder dat de associatie wil oprijzen met een verfijnde grande bouffe, zoals in de gelijknamige film of voor mijn part met Claus. ‘Honger als een paard’, dus. Maar wat hebben edele viervoeters uit te staan met kwantiteit of met de dood?

donderdag 7 maart 2013

Little stars, big stars (aanhalingstekens)

De dood van Hugo Chávez – geen gering nieuws, hoe je ook over hem denkt. Niet omdat hij naar eigen zeggen elke dag op cocabladeren kauwde. Evenmin, voor mij in de hoogstpersoonlijke privésfeer dan, omdat hij stierf op de dag dat het taalkundig genie ‘o my god’ is gaan zeggen, na een schoolreisje naar het dinosaurussenmuseum. Nee, Chávez belichaamt idealen, vuile handen en geweld. Hij verdient tenminste aanhalingstekens om zijn naam.
Bij wijze van herdenking beluisterde ik twee versies van een nummer van Charlie Haden. In de oorspronkelijke, met zijn Liberation Music Orchestra, heeft deze bassist zelf de hoofdrol, in de andere is Ornette Coleman de frontman. Ligt het aan mijn zwak voor een bepaald instrument dat de eerste me in de flora van een oordeel een pietsje beter bevalt (de term ‘authentieker’ durf ik niet te zaaien)? Er is strijdzang in gemonteerd.
Het betreft de Song for Che. Het object werd – als symbool voor verandering, voor ‘links’ – een zogeheten icoon op T-shirts en posters.
De dienstdoende muren en borstkassen, bakstenen en huiden, zullen vreemd opkijken. Inmiddels blijkt, met hetzelfde doel, Che’s beeltenis rechtsextremisten te inspireren. Voor die metamorfose bestaat een mooie score, die door de grote vrouw achter het Liberation Music Orchestra, Carla Bley, niet heel lang geleden is gevat in haar arrangement van Lost in the Stars.
Roept ‘Chávez’ een verleden op? ‘In het dichte weefsel van de geschiedenis zijn geen witte plekken. Ik bedoel: die zijn er wel, er is alleen geen manier om hun bestaan te bewijzen’ (Szymborska). Misschien valt er een vernietigend soort licht over een continent waar niet louter cocabladeren toch al geplaagd zijn.

dinsdag 5 maart 2013

Hola

Kan god een tactische blunder maken? Rüdiger Safranski noemde er eens eentje: ‘Na de exodus begint de verovering van het beloofde land met Gods bemoedigende woorden: “Mijn schrik zal Ik voor u uit sturen en alle volkeren waar u komt in verwarring brengen en Ik zal zorgen dat uw vijanden u de rug toekeren.” Deze God was, voorzover hij zich voor hoeder van de eenheid uitgaf, zelf het probleem waar hij de oplossing voor meende te zijn, want hij scheidde zich af van de goden van de andere stammen en volken.’
Had het opperwezen soms te weinig vertrouwen, in zijn collega’s of in wat zo hilarisch zijn missie is gaan heten? Of was hij reeds in het oude testament sadder and wiser over de wereld? Zelf betrapte ik me gisteren op enige euforie, die me bij nader inzien nogal dwaas voorkwam. Wanneer de winter namelijk ten einde lijkt omdat de zon begint te schijnen, heerst er weinig hoop inzake de gang der dingen.
En de eend die slobbert voort.
Het taalkundig genie kan onder het plots zo gulle licht en bij de gestegen temperatuur helemaal niet meer wachten op het eerste leerjaar en heeft zichzelf tot autodidactisch docent rekenen benoemd. Aan de keukentafel lost ze uit een boek sommen op, met alle vingers die ze kan vinden. Dat is vreemd, want ze kan ook nog niet lezen. Toch pakken haar profane berekeningen zelden fout uit, waarover ze afwisselend lyrisch is en verbijsterd. Bijvoorbeeld over de uitkomst van de met twee handen bedwongen som 0 + 8.
Kan men van de werkelijkheid de taal verleren?

zondag 3 maart 2013

Leuker kunnen we het niet maken


Hallo beste mensen. Europarlementariër Bart Staes zette onlangs in een interview vraagtekens bij machtsconcentraties. Aanleiding was zijn bezwaar tegen genetisch gemanipuleerde organismen, die zijns inziens de biodiversiteit tegengaan en die boeren verder afhankelijk maken van een beperkt aantal multinationals: ‘Als die technologie wordt ingevoerd, zullen de Monsanto’s van deze wereld alles in handen krijgen.’
Memorabel was het antwoord van de journalist: ‘Bijna de hele Vlaamse pers is in handen van een paar families, maar daarom schaffen we de kranten toch niet af?’ Dit verklaart alvast waarom hij, zoals veel van zijn collega’s, binnen de branche smetteloos van de ene concurrerende werkgever naar de andere was overgestapt: verschil, en helemaal ideologie, is onder het tapijt geveegd.
Afgelopen weekend droeg de glossy bij dezelfde krant de kop De nieuwe revolutionairen. Dit verwees naar een groot interview, waaruit bleek dat het hip is om niet alleen te vinden dat de wereld moet worden verbeterd, maar daar ook een daad bij te stellen. Het was geschreven door een journalist die diverse printmedia had gediend én speechschrijver was geweest van de sp.a, de voormalige socialistische partij die in Nederland haar evenknie heeft in de PvdA.
Grappig dus dat uitgerekend in een lifestylebijlage, met zijn programma van een ironisch-pastoraal ‘wij’, uitgerekend deze man over activisme berichtte. Zijn partij beleefde een ontideologisering in de jaren negentig, en schurkt – men zou het door het martelaarschap van de door de N-VA verdreven Antwerpse zogeheten socialistische burgemeester Patrick Janssens bijna vergeten – inmiddels aan tegen de neoliberalen.
Kan de boog altijd gespannen zijn?
Mijn aandacht voor het artikel was gewekt doordat op het glossyomslag Barbara Van Dyck genoemd werd. Haar zaak is op deze blog meermaals aan de orde geweest, mede vanwege de berichtgeving erover. De bezorgdheid van Staes refereerde nota bene aan de gevangenisstraf die haar en medeactivisten is opgelegd. Het medium van dienst leek zich pas afgelopen week te realiseren wat er gebeurd was en, naast de reguliere site die voor kwesties met maatschappelijk belang onmisbaar is (wat van blogs op zich ook de invloed en toekomst moge zijn), het kanaliseerde alsnog een opinievloedje.
Waarom toch mensen? In zijn duizelingwekkende studie Schuld diept David Graeber Chinese boeddhisten op, bij wie het getal 180 peck (1632,2 liter) canonieke proporties aangenomen had. Dit zou de hoeveelheid melk wezen die elke boreling van zijn moedertje krijgt en die moet worden terugbetaald. Onmogelijk uiteraard, maar de melkschuld zou eveneens door boeddhistische liefdadigheid kunnen worden afgelost.
Ook met de beste bedoelingen blijkt het lastig, zo niet ondoenlijk eigen referentiekaders te doorbreken. Het is zondag, jongens, we zullen altijd plaatselijke goden blijven.
In het lange stuk over activisme spraken een paar mannen, maar Barbara Van Dyck kwam niet aan het woord. Wel gingen twee halve bijzinnen en twee hele hoofdzinnen over haar lot. Dat haar naam desalniettemin pontificaal op het omslag van de glossy stond vermeld, kan niet anders betekenen dan dat ze een unique selling point is geworden. Of dat een nieuw plaatje schetst van haar of van het activisme of van de betreffende krant of van ‘de media’ is mij niet echt duidelijk, maar redelijkerwijs duurt het niet lang meer of de nieuwe Antwerpse burgemeester krijgt een verzoek om de naam te veranderen van de Antoon van Dyckstraat.
Dag allemaal.

vrijdag 1 maart 2013

De open bibliotheek van morgen


Vandaag een bijdrage van Saskia Scheltjens. Ze bewerkte haar toespraak bij het Belgische luik van de presentatie van Koffie. Een doeboek, op 17 februari 2013. De tekst had op deze blog evengoed gepast in de reeks ‘Coreferenties’ uit 2010. Toen vertelden gastauteurs vanuit hun expertise iets over een facet van de leescultuur die ik had verkend aan de hand van het fenomeen literair tijdschrift.
Saskia Scheltjens (1970) is faculteitsbibliothecaris Letteren en Wijsbegeerte aan de Universiteit van Gent. Ze werkte eerder onder meer als kunstbibliothecaris bij het Museum voor Moderne Kunst in Oostende en bij het Rijksmuseum in Amsterdam. Ze is ook actief op Twitter.


Een bibliotheek gaat voor mij niet in de eerste plaats over boeken. Of over een gebouw. Als ik dat zeg, dan reageren velen eerder verbaasd. Een bibliotheek gaat voor mij over delen en verbinden. Of dat nu coherente verzamelingen boeken zijn, mensen, computerkabels, kunstobjecten of bij elkaar geschraapte data, dat maakt mij eerlijk gezegd niet zo veel uit. En ook niet waar dat precies gebeurt. Een groot deel van het plezier zit ’m in het koppelen van dingen.
Om te kunnen delen heb je iets nodig dat je wilt en mag delen. Het moet dus iets interessants zijn, en je probeert het zo goed mogelijk te bewaren zodat je het kan blijven delen. Duurzaamheid, openheid en herbruikbaarheid zijn voor een bibliotheek geen holle woorden.

Momenteel werk ik als faculteitsbibliothecaris in de Faculteit Letteren en Wijsbegeerte van de Universiteit Gent. Ik ben daar sinds vier jaar bezig met een hele groep mensen om 49 vakgroepbibliotheken om te vormen tot één Faculteitsbibliotheek. Die komt in een gerenoveerd negentiende-eeuws gebouw tegenover de Boekentoren.


Rozier, Gent – Foto: Torsade de Pointes (CC BY-NC-SA)

De boeken bevinden zich nu op 222 verschillende locaties in Gent, in en rond de Blandijn. Ze staan in leslokalen, afgesloten gangen, oude conciërgewoningen, bureaus van professoren en assistenten, secretariaten, kelders en kleine seminariebibliotheken met allemaal verschillende openingsuren. Het is chaos. En absoluut niet open voor iedereen.
Al die bibliotheken – en het geld en de mensen die daaraan vasthangen – brengen we tegen 2015 samen. In totaal zullen we dan ongeveer 1 miljoen boeken hebben verhuisd, waarvan sommigen meer dan één keer. Dat is veel werk. Des te meer als je beseft dat slechts 52% in de catalogus stond. Dus registreren we deze bulk eerst zodat nadien ook deze boeken kunnen worden opgezocht en uitgeleend. Heel veel werk dus, dat wel wat brandstof kan gebruiken.


Foto: Saskia Scheltjens (CC BY-NC-SA)

Dit is een foto van onze voorlopige personeelskeuken. Bijna het hele team in de bibliotheek is verslaafd aan koffie. En aan chocolade. Maar dat is een ander verhaal.

Op 17 februari 2012 opende de eerste fase van de Faculteitsbibliotheek. Dit is een poster over de huisregels die daar nu uithangt.


Foto: Geert Roels, Lay-out: Gitte Callaert (CC BY-NC-ND)

Als ik die hordes studenten zie die de afgelopen maand uitgeput zaten te studeren in de bibliotheek, kan ik me levendig voorstellen hoe welkom koffie zou zijn.
Ik vind het steeds moeilijker uit te leggen waarom niet. Maar hier komt mijn armzalige reden. Omdat we er momenteel niet voor zijn uitgerust, niet fysiek en niet mentaal. Omdat het in deze fase van de Faculteitsbibliotheek niet past. Nu geopend is een deel van de eerste verdieping van het hele complex, waar het gros van de boekencollecties in open kasten staat. De balies, de studieplaatsen, de administratie, vergaderzalen en personeelskeuken zijn er voorlopig bij geplaatst. Op termijn verhuizen al deze zaken naar de begane grond waar ook andere, meer flexibele ruimtes zullen komen zodat we de huisregels kunnen aanpassen.
En dat is nodig. Tot nog toe hebben we boeken uit een negentiende-eeuwse opstelling gehaald en er een mooie twintigste-eeuwse wetenschappelijke bibliotheek van gemaakt.


Faculteitsbibliotheek LW, UGent – Foto: Thomas Smolders (CC BY-NC-SA)

Deze stap is nodig voor iedereen binnen de faculteit die moet wennen aan het idee van één grote gemeenschappelijke bibliotheek. Maar als we het daarbij laten, gaan we het in de eenentwintigste eeuw niet redden.
Meer nog dan in openbare bibliotheken, voelen we bij wetenschappelijke bibliotheken de invloed van de digitalisering en de impact van technologische veranderingen door het internet. Niet alleen onze collectie wordt onder onze handen virtueler. Ook het onderwijs en het wetenschappelijk onderzoek dat we als Faculteitsbibliotheek willen ondersteunen wordt minder statisch en – intrigerend genoeg – veel minder afgebakend. Iets is nu nooit meer af. Waardoor de noden van de bibliotheekbezoekers verschuiven en we ons als bibliothecarissen dienen af te vragen of ons werk nog zinnig is. Zijn we niet bezig om een fossiel in stand te houden, ten koste van buitengewoon veel gemeenschapsgeld? En hoe verhuizen we onszelf met ons hele hebben en houden naar een nieuwe eeuw, met nieuwe premissen? Zitten niet al onze potentiële bibliotheekgebruikers thuis of in de Mokabon in Gent, met hun eigen kop koffie voor hun eigen laptop of iPad? En blijven dan enkel de studenten over die enkele maanden per jaar de bibliotheken overrompelen omdat ze nood hebben aan een offline omgeving waar zoveel groepsdruk is, dat ze zich wel moeten losrukken van alle online verstrooiing opdat ze zich eindelijk kunnen concentreren?


Foto: Elizabeth Thomsen (CC BY-NC-SA)

Bij bibliotheken doet zich een buitengewoon interessante identiteitscrisis voor – die al een paar decennia bezig is. Maar het is ook een tijd waarbij de oplossingen die worden aangedragen meewaaien met alle denkbare hypes. En sommige bibliotheken waaien daarin meer mee dan andere.
Maar dan denk ik terug aan dat delen en verbinden. En aan de onwaarschijnlijk prachtige collecties waar generaties en generaties van onderzoekers en verzamelaars hun ziel en zaligheid in hebben gelegd en nog steeds leggen. Waar de geschiedenis in zit vervat van alles wat mij dierbaar is aan een universiteit. Maar ook aan bedrijven zoals Google en JSTOR die immense digitaliseringsprojecten opstarten waarbij ze de inhoud van publieke wetenschappelijke bibliotheken gratis digitaliseren. En daarbij en passant het recht verwerven om die inhoud nadien te verhandelen, en – in het geval van JSTOR en anderen – deze voor veel geld terug te verkopen aan diezelfde bibliotheken. Dat is waanzin. Of ik denk aan Aaron Swartz, een internetactivist die onlangs zelfmoord pleegde, en die inzag dat data die tot kort daarvoor nog ‘vrij’ toegankelijk waren via bibliotheken, of op eigen lokale harde schijven, nu in een ijltempo geprivatiseerd worden. Waarbij de toegang beheerd wordt door corporaties die zo onzichtbaar zijn dat ze nauwelijks of niet ter verantwoording kunnen worden geroepen. En dan denk ik: hoe dat zo, bibliotheken en bibliothecarissen niet meer nodig?

Wat deze tijd verder razend interessant maakt, is dat er andere initiatieven ontstaan die de uitgangspunten van de bibliotheek zoals mij die dierbaar is, helemaal herdenken.
Bijvoorbeeld de Occupy-bibliotheken die overal opdoken waar mensen bij elkaar kwamen om te protesteren. Ik ben er zeker van dat er daar, net buiten beeld, koffie wordt gedronken door rogue librarians die vinden dat bibliothecaris-zijn een attitude is, een mindset waarvoor ze niet eens een collectie nodig hebben. Die de wereld tot hun collectie verklaren.


Peoples Library Occupy Wall Street - Foto: Thomas Shankbone (CC BY-NC-SA)

Of zoals een prachtig initiatief in Rotterdam, waarbij buurtbewoners als reactie op de schandalige beslissing van de Nederlandse overheid om blind te snoeien in de culturele sector – en dus ook om een heleboel openbare bibliotheken te schrappen – een eigen Leeszaal hebben opgestart.


Foto: Leeszaal Rotterdam West (2013)

Ingericht in een leegstaand buurtlokaal waar iedereen welkom is. Gratis gebruikmakend van de Wi-Fi van de bovenbuur, met afgevoerde meubels en tweedehandsboeken van de deelnemers zelf. En natuurlijk met koffie.


Foto: http://www.facebook.com/leeszaalrotterdamwest

Maar tussen droom en daad… Dus krijg je ook dit.


Foto: http://www.facebook.com/leeszaalrotterdamwest

Waar dan bijna niemand op reageert…. En heimelijk vraag ik me af hoelang die bovenbuurman het nog prettig gaat vinden dat er lustig wordt meegelift op zijn Wi-Fi zodat hij geen stream tv meer kan kijken wanneer hij dat wil.
Ik wil me niet vrolijk maken over zoiets. Of het bekijken met leedvermaak. Maar als bibliothecaris weet ik wel dat een dienst leveren niet eenvoudig is. Dat het geld en moeite kost. Waarvan ik vind dat de kosten daarvoor gedragen moeten worden door een gemeenschap die het belang inziet van een publieke ruimte waar iedereen toegang krijgt tot informatie en informatiebemiddeling. Waar men kan lezen of studeren als men dat wil. Waar men zorg draagt voor de sporen uit het verleden die ons iets vertellen over onszelf. En maakt dat de wegen naar de toekomst voor iedereen toegankelijk blijven.

En dus zijn we binnen de Universiteit Gent van plan om die mooie twintigste-eeuwse Faculteitsbibliotheek Letteren en Wijsbegeerte die er nu is, binnenkort een eenentwintigste-eeuwse doorstart te laten maken.


Fases Faculteitsbibliotheek LW UGent - Beeld: Mira de Winne (DGFB- UGent)

Met vijf extra verdiepingen buiten die ene die er nu al is. Met een rustige tweede verdieping waar ruimte is voor onderzoekers en mensen die zich voor langere tijd willen concentreren. Maar ook met een begane grond en zelfs een overkapte binnenplaats voor ontmoetingen. Met een digitale werkplaats waar studenten en onderzoekers samen met bibliothecarissen kunnen werken aan projecten en zaken die de collecties van overmorgen zullen worden. Of dat nu databases zijn, websites, geannoteerde gedigitaliseerde manuscripten en kaarten of multimediale boeken zoals wij die ons nu niet eens kunnen voorstellen, dat maakt mij niet uit. Maar waarbij wij als bibliothecarissen hen er wel van trachten te overtuigen dat de zaken die we samen maken het best zo open mogelijk zijn. Met open software en open licenties. Zodat ook anderen na hen de kennis kunnen hergebruiken, en delen en verbinden tot iets nieuws. En bij zulk een dynamiek hoort

Foto: onbekend (CC BY-NC-SA)

vrijdag 22 februari 2013

Geef ons heden

Zo’n tweeduizend jaar geleden – Christus was net aan een pelgrimage door de eeuwen begonnen om in Aleppo mee te dingen naar een stageplaats in een koffiehuis, de voorwaarde immers om tegen de millenniumwisseling in Triëst toegelaten te worden op de Università del Caffè van Ernesto ‘Espresso Evangelist’ Illy – zei Quintilianus tegen redenaars: ‘Het betoog moet meebuigen met de wendingen die de omstandigheden nemen, vooropgesteld dat de intenties eerzaam blijven.’
Ongetwijfeld doen woordvoerders, advocaten en ministers van Informatie met dat advies nog steeds hun voordeel, maar wat met sprekers in hun algemeenheid, mensen van vlees en bloed dus? Ik ervaar dat op dat taalvlak, mijn professie eigenlijk, van alles uit mijn geheugen valt. Zo vergeet ik telkens het toch potentieel allerminst te pureren verschil tussen very interesting klinkende woordjes als ‘releveren’ en ‘reveleren’.
Onlangs begreep ik uit een opfrisboek dat zelfs een basale spellingstruc me aan het ontglippen is. De passage ging over werkwoordsverbuigingen met een t, dankzij het kofschip. Bleek het gatverpielekes al jaren ’t kofschip te zijn! En uitgerekend die apostrof t, waarvan werd erkend dat die het ezelbruggetje wankel maakt, is alweer passé. Door voortschrijdende ontwikkeling in het gebruik, dat op zich het smeltkroes geheten resultaat is van invloeden, is er althans een stuk aangebouwd. Het blijkt nu kofschiptaxietje te zijn. Quintiliaans opgevat geen probleem, dunkt me.
Met die aanbouw is de loshangende t wat vaster komen te zitten. En bovendien kunnen zo twee medeklinkers die de laatste jaren het werkwoordsgebruik zijn komen versterken, een plaats krijgen: de j en de x. Wel vraag ik me af welke die nieuwe werkwoorden zoal mogen zijn. Bij de j kom ik niet veel verder dan ‘roetsjen’ en, uiteraard, ‘ramsjen’. De x stremt bij mij zelfs al na ‘faxen’. Het zou toch niet zo zijn dat het vreselijke werkwoord ‘seksen’ met een x wordt gespeld? (Een nabijgelegen uitspanning adverteert op bezoekersluwe tijden met ‘gratis pannenkoek bij eerste consommatie’.)
Indien de spelling zich aanpast aan de wendingen der omstandigheden, raken bijvoorbeeld ezelsbruggen dan geprivatiseerd? Wordt het kofschiptaxietje gesponsord door Smit Tak?

donderdag 14 februari 2013

Stigma


Vandaag werd aan de deur een pakje aangeboden voor Marc Kregting. Ik mocht het hebben op vertoon van een identiteitsbewijs – een aangename sensatie die ik laatst ook had bij het betalen van strafporto om een brief alsnog toegestuurd te krijgen. Het besef daagde dat ooit berichten konden worden geweigerd. Wie ze wilde hebben, moest ervoor dokken. Ondoenlijk om dat met de huidige kwantiteit en levensgewoontes te realiseren, maar als prototype van communicatie inzichtelijk, zeker sinds de geruchtmakende oproep van Jelle Brandt Corstius per Twitter om mails te sturen naar een falende SNS-baas ter terugstorting van een bonus.
Brandt Corstius legde op zijn site in 507 woorden en een handjevol hyperlinks uit waarom de conclusie was: ‘Kom in opstand.’ De mails moesten de topman aanzetten tot een gewetensonderzoek. Maar deze kon geen nee zeggen tegen ongevraagde post. Terecht, zou men denken, het is de zoveelste proeve van een cynisch bankwezen dat indien het al te veel geld vermorst aanklopt bij de overheid die door het dominante Men normaliter op afstand wordt gehouden. De bonus is drager van een systeem.
Toch berust Brandt Corstius’ burgerinitiatief, dat concreter wilde zijn dan gepraat bij Occupy (of reëel bestaand activisme?), op het idee dat sympathisanten het gewetensonderzoek bij zichzelf al hadden verricht. Anders had men niet zo overtuigd door verontwaardiging op de muisknop gedrukt. Daarbij gaat het mij niet om het kwikzilveren balletje dat ‘fatsoen’ heet of om de Bijbelse wisecrack dat wie zonder zonde is de eerste steen mag werpen. Mij is het te doen om het feit dat de ontvanger onbekend is als persoon, en des te bekender als type, trouwens onontkoombaar mannelijk.
Op dat ogenblik wordt hij niet afgerekend als individu van vlees en bloed, zoals Brandt Corstius het voorstelde, en kan hij als onbetwiste dader geen gewetensonderzoek verrichten. Daarnaast is het clicktivisme, hoe oprecht de woede ook, nogal sedentair. Men kan er veel vervaarlijke helmen en gasmaskers bij opzetten, de muisklik behelst een handeling van niks, terwijl activisten hun huis moeten verlaten. In vergelijking met het oude poststelsel, waar de zender tot op de drempel van de potentiële ontvanger verantwoordelijk bleef, is de muisklik zelfs een gevalletje van illegaal lozen. Mocht Brandt Corstius de term ‘opstand’ zorgvuldiger hebben gehanteerd!
Deze redenering, stoelend op willekeur die willekeur bestrijdt, is reeds gedaan, onder referte aan schandpalen, pek en veren. Er valt ongetwijfeld meer droevigs bij te noteren, bijvoorbeeld over hoe gepersonaliseerd en populistisch de representatie van de actualiteit geworden is. Bij een complexe journalistiek heeft het voor het burgerinitiatief ingezette medium daarnaast natuurlijk ook zijn mores, waaronder het programma Opsporing Verzocht 2.0 hoge cijfers haalt.
Een andere zaak onderstreept het blatende onrecht in de logica van Brandt Corstius misschien. Het werkt nu eenmaal zo dat het oneindige aantal commentatoren – voor wie ik huiver terwijl ik op het onmogelijke medium van de weblog hetzelfde doe – met historische parallellen een gelijk prangender maken. Zo’n parallel is bij Brandt Corstius al getrokken, met een nabije geschiedenis, maar volgens mij groeit het inzicht wanneer men een paar decennia verder teruggaat.
Ik doel uiteraard op ‘de affaire-Buikhuisen’. Ze speelt eind jaren zeventig, wanneer de gelijknamige wetenschapper, bedenker van de naam ‘provo’, aan de universiteit Leiden onderzoek doet naar andere dan maatschappelijke oorzaken waarom mensen crimineel worden. Erfelijkheid bijvoorbeeld. Het is goed voor te stellen dat die hypothese gevoelig lag, mede wegens associaties met de oorlog. Minder empathie valt op te brengen voor de toenmalige columnist die onophoudelijk de wetenschapper voor alles uitmaakte wat vies en voos was, culminerend in een bundeling met de titel Buikhuisen, dom én slecht. Twee jaar later begon hij een nieuwe ronde verdachtmakingen en sprak van fascisme. Commentaar overwoekerde weer eens de hoofdtekst.
De zaak wil ik niet oprakelen, er bestaat voldoende documentatie over, ook overigens vanuit het orgaan dat de beschadigingsoperatie faciliteerde, maar tijdens inleidende leesschermutselingen over ‘de jaren zeventig’ is ze mij reeds vaak onder ogen gekomen als zijnde symbolisch voor een tijd waarin het onderscheid tussen goed en kwaad dermate scherp was dat het aanpalende moralisme voor velen, zeker achteraf, ondraaglijk werd. Ook wil ik het pad niet op dat deze columnist weinig later de P.C. Hooft-prijs kreeg toegekend maar niet uitgereikt, omdat hij volgens de regering kwetsen tot instrument gemaakt had. Daarmee werd literatuur opmerkelijk serieus genomen bij zijn beroep op de esthetische autonomie.
Bas Heijne bestempelde de huidige SNS-actie als ‘virtuele stalking onder de dekmantel van een moreel appèl. Het zit in de familie, maar voor zover ik weet heeft Piet Grijs nooit het telefoonnummer van professor Buikhuizen [o, digitaal rood potlood] gepubliceerd.’ Da’s voor zijn doen vilein en entre nous geformuleerd, met mogelijk een scheve voorstelling van de effecten. Maar het klopt, de columnist van weleer is de vader van Jelle Brandt Corstius. Ik vind dat onfijn om te zeggen, omdat junior zich blijkens zijn Twitterupdates, gesteund door weinig Occupy-genegen mediumexperts, inmiddels een martelaar lijkt te wanen.
De zegswijze ‘Hoge bomen vangen veel wind’ was van toepassing op de SNS-baas, die de asymmetrische christelijke notie van medelijden niet direct verdiende. Na alle reacties komt enig medelijden inderdaad eerder Brandt Corstius toe, die per saldo een mediafiguur is. Dat maakt mijn kwalificatie ‘burgerinitiatief’ voor zijn Twitteractie tegelijk onprecies, en dat is tragisch getuige zijn allerminst cultuurindustriële bedoelingen.
Bovenal zou ik met het leggen van een familieverband hem stigmatiseren door een guilt by association, waarbij makkelijk zaken opdoemen als nepotisme, Grachtengordel, fakenieuws… In mijn terugdeinzen zie ik een tastbaar bewijs voor mijn overtuiging dat ik JBC dan precies zo behandel als hij de bankier heeft behandeld. Maar ik heb het al gedaan, zonder een steen te hebben hoeven werpen.
Proost dan (met het bloed dat is vergoten ter vergeving van onze zonden).

zondag 10 februari 2013

Zeven

Dat David Cameron de marathonvergadering over de EU-begroting doorbracht op een fond van Nespresso en Haribo wil ik aannemen. Ook andere feiten schijnen waar te zijn, maar erg veel peilloos geloof valt er ook weer niet aan te hechten. Een hit in mijn vormende era, eind jaren zeventig, was ‘Black Betty’ van Ram Jam. Ik kan me niets van die groep herinneren, vermoedelijk een one-hit wonder, maar het nummer schurkte onlangs tegen mijn actualiteitenkwab toen ik bij het zoveelste nagekomen onderzoek naar het begin der muzikale tijden stuitte op het nummer ‘Looky Looky Yonder’ van Lead Belly.
Wat is het origineel, en waar is het te vinden? Het nummer gaat dus over Loeki de Leeuw, aka de zwarte Betty Stöve.
Dat feitje moet weinig bekend zijn geweest destijds, gespitst als ik was iedereen de loef af te steken (daar heeft het potjeslatijn een fijne diagnose voor: nihilitus chronica). Werd het feitje onder de pet gehouden, zoals dat later zou worden genoemd? Ik begrijp dat er op zichzelf al twee Black Betty’s waren, omdat er een eerdere opname begin jaren zeventig was geweest, inclusief het historische coverfragment, door de band Starstruck.
Waar doet die klinkende naam me dan weer aan denken? Zeg maar evenveel aan Drees als Samsom? Voor de beantwoording van die vervaarlijk tegen het autobiografische keffende vraag ben ik met mijn alter ego’s geneigd eerst eens iets te drinken, maar wat?
De afgelopen zin vormde zich een hulpmiddel dat door presentatoren en andere favorite strangers wel ‘een bruggetje’ genoemd wordt.
Er was eens een Nederlands bandje dat Bots heette. De naam maakte zijn belofte waar. Het was een protestgroep vanuit linkse hoek die, zoals dat hoort in de genre-indeling der clichés, rock koppelde aan folk. Een picollofluit klinkt ook door hun beroemdste liedje, waaraan ik, andermaal tuimelend in mijn vormende era, trachtte te refereren: ‘Zeven dagen lang (Wat zullen we drinken)’. Dat daarvan versies zijn gemaakt in het Engels en Duits, wist ik ergens wel. Maar voor mij is het een revelatie dat bij ‘Sieben Tage Lang’ de hulp was ingeroepen van Günter Wallraff.
Voor de geboren kleurenkijkers onder ons: dit is ‘Germany’s equivalent of Michael Moore, but without the populist polemic.’
Natuurlijk, sinds de val van de Muur gaart door alles en iedereen dat voordien een linkse signatuur droeg het röntgenlicht van de verdachtmaking. Ze krijgen aldus een koekje van eigen deeg (gebakken uit 100% natuurlijke morele verontwaardiging). Aldus is Wallraff reeds gespot als prototypische Stasi.
Het feit dat hij popteksten hertaald heeft, neemt hem hoe dan ook voor mij in. Iets moeilijkers dan lyrics verzorgen, bestaat bij mijn weten in de schrijverij niet.
Sloeg het ook ergens op, raakte Wallraff snaren en zo, buiten uiteraard de parochianen? Ik lees, en voeg er redelijkheidshalve de muziek aan toe:

Was wollen wir trinken,
Sieben Tage lang,
Was wollen wir trinken,
So ein Durst.

Es wird genug für alle sein,
Wir trinken zusammen,
Roll das Fass mal rein,
Wir trinken zusammen,
Nicht allein.

Dann wollen wir schaffen,
Sieben Tage lang,
Dann wollen wir schaffen,
komm fass an.

Und dass wird keine Plackerei,
Wir schaffen zusammen,
Sieben Tage lang,
Ja schaffen zusammen,
Nicht allein.
Jetzt müssen wir streiten,
Keiner weiss wielang,
Ja für ein Leben
ohne Zwang.

Dann kriegt der Frust
Uns nicht mehr klein,
Wir halten zusammen
Keiner kämpft allein
Wir gehen zusammen
Nicht allein.


Een oordeel laat ik liever nog een bepaald aantal dagen wachten. Rijpen, heet dat. Overigens was ‘Zeven dagen lang’ gebaseerd op een Bretons volksliedje dat begin jaren zeventig door de harpist Alan Stivell opnieuw in de aandacht was gebracht.

vrijdag 1 februari 2013

Ontmoeting (3)

Gisteren kwam ik Eduard Douwes Dekker tegen bij de wereldwinkel.
‘Ha Marc, mag ik je wat vragen?’
‘Jij altijd, Douwe. Of mag ik Dek zeggen?’
‘Gatsie Marc, niet zo old fashioned.’
‘Douwe, we zijn hier in een wereldwinkel.’
‘Ja, dus die onbespotenheid mag je gelijk vergeten’.
‘Douwe!’
‘Spiegeltjes en kralen blijven voorradig, meneer.’
‘Dat blijft wel voor de goede zaak, met keurmerken ook, van het type dat naar jouw kroonstuk is vernoemd.’
‘Max Havelaar, bedoel je? Allemachtig, wat is dat boek een pain in the ass geworden.’
‘Een blok aan je been?’
‘Multatuli had beter Nihil Gegeten kunnen wezen. Weet jij wat het Latijnse woord voor eten is, Marc?’
‘Ik? Zie je me aan voor een Chinees?’
‘Don’t bother, er zijn jaren geweest dat ik geen kruimel te eten had.’
‘Ja hoor.’
‘Ik raapte het fruit en de groenten dat boeren na de oogst hadden laten liggen.’
‘Daar is volgens mij een Bijbelse term voor, Douwe.’
‘Ach, je zou het eens niet over taal hebben, kommaneukertje.’
‘Dat rapen zou je een vroege variant kunnen noemen op de journalistiek die zijn nieuws haalt uit vuilniszakken van bekendheden.’
‘Ongepaste vergelijking. Het laatste ontkomt nooit aan een schending van de privacy.’
‘Tenzij er een algemeen belang mee is gemoeid.’
‘Pas jij maar op je tellen, meneer.’
‘Dat doe ik sowieso, als vader van producties die het stadium van kabar angin verre voorbij zijn.’
‘Aan het telraam, Marc? Omdat je nooit weet hoe een balletje rolt?’
‘Zoiets. De minister heeft zelf gezegd dat het in plaats van onderhandelen tijd is geworden weer te waarschuwen.’
‘Minister, een mooie positie.’
‘Dus zeg ik, inderdaad old fashioned, ik tel tot drie. Maar ja, bij tweezevenachtste weten mijn bloedjes niet meer waar ik het over heb.’
‘Dan zou je eens naar de dvd van Jacobse & Van Es moeten kijken. Ze tellen in een mooie boog terug: twee, tweeënhalf, twee-en-een-kwart’.
‘Jacobse? Door die man heb ik de naam van Roman Jakobson steevast gespeld als Jacobson.’
‘Tja Marc, dan zit er maar één ding op: minder luisterend lezen, en meer knippen en plakken (op de syntagmatische as)’.
‘Asjeblief Douwe, don’t fancy a senior fellow, het gaat hier om poëzie. Maar die Wawe- of Havelaar van jou vindt verzen een leelyk ryglyf. Des te treffender dat door te knippen en te plakken artikelen ontstaan die exclusief van bovenaf citeerbaar zijn, volgens Nick Davies als dames in een strak korset – alle details puilen er van de onderkant uit.’
‘Marc, stop daarmee!’
‘Luister, Douwe, het heeft te maken met een combinatie van bezuinigen en outsourcen, zodat de return on investment niet naar het product gaat maar naar de aandeelhouders. Al die verhalen worden onder een voor de waarheidsvinding fataal gebrek aan tijd geschreven. Volgens een andere ter plekke aangehaalde kenner vertonen ze een gepasteuriseerde wereld.’
‘Geen idee, altijd een theedrinker geweest en in mijn tijd was er geen pasta.’
‘Niet slim.’
‘Of innig.’
‘Maar nu ik je toch spreek, mag ik jou ook eens bepaalde dingetjes vragen, Douwe?’
‘Ik weet niet, zie supra, gaat dat nog lang duren?’
‘Hangt er een beetje van af, van de receptuur bedoel ik. Bijvoorbeeld van de sjaalmaneske kwestie Over het azyn maken. Ik wil daar na mijn tragisch ongeluk op de Nürburgring een geschiedenis over schrijven namelijk.’
‘Marc, stop daarmee.’
‘Maar ik moet nog beginnen!’
‘Met die wondere wereld van de literatuur, bedoel ik.’
‘Och Douwe, ga met Plato of andere christenen spelen, dan lezen we het over een paar eeuwen wel weer terug.’
‘Lezen, over een paar eeuwen?’
‘Tuurlijk, Douwe, je weet: elke crisis is een uitdaging.’
‘Dat zei Charlie Chaplin achteraf ook tegen mij.’
‘Wat bedoel je?’
‘Kom op, Marc, je hebt toch wel The Great Dictator gezien?’
‘Onlangs, ja.’
‘Dan zal het je niet zijn ontgaan dat het slot van de film min of meer gepikt is van Max Havelaar.'
‘Haha, van dat boek van jou?'
‘Een sommatie, heer Kregting.’
‘Zeg maar Heini.’
‘Och ja.’
‘Wat ik wel opmerkelijk aan de film vond, vanuit hedendaags standpunt dus, is Chaplins door het internationalisme van de sovjets geïnspireerde pleidooi om grenzen tussen naties te laten vervallen. De met recentere beelden versneden youtube-versie geeft op dat moment de val van de Muur.’
‘Tja.’
‘Verder vertelt niemand mij iets.’
‘Dat zijn de wetten van de kenning, Marc.’
‘Maar Douwe, wat wou je mij nu eigenlijk vragen.’
‘Wie?’
‘Nou, jij dus.’
‘Wie ben ik om dat alsnog te proberen?’
‘O. Lust jij trouwens grapefruit met zout?’
‘Die heet hier pompelmoes.’

woensdag 23 januari 2013

Drempeltje op, drempeltje af (3)

Nu we weten welke biografie van Marc Kregting uit de vacuüm verpakking rond Koffie. Een doeboek floept terwijl het aroma je tegemoet komt, wordt het tijd zijn schrijverschap te wegen. Is het uniek, gewoon hysterisch, of kan iedereen het? Zijn nogal specifieke stijl laat vermoeden dat imitatie niet heel erg moeilijk is.
Eigenlijk komt dat mooi uit, voor wat nieuwe accenten. Van deze auteur zijn enige boeken op de markt gebracht. Zo groeit de kans op de hoofdzonde van deze tijd: dat hij gedateerd raakt, een leugenaar voor de omgeving. En terwijl ik, lid van de zoveelste verloren generatie in de geschiedenis, zelf meende richting de vijftig te lopen, riep onlangs, toen ik hen op de slee voorttrok, een colporterende Jehova het taalkundig genie en de gourmande toe: ‘Fijn hè, zo’n ritje met je opa’. Het zou best een goede zaak zijn, wanneer opa de realiteit inziet en een stap terug doet en, reeds voor de finale pirouette, plaatsmaakt voor jongeren van wie er nota bene velen helaas werkeloos zijn. Maar juist omdat het tegenwoordig, getuige het duizelingwekkende aantal faillissementen, lastig is zomaar als ondernemer van start te gaan, kan het verstandig zijn dit schrijverschap uit te bouwen.
Ik bied mij bij dezen te koop aan.
Dit is geen offergave, al was het omdat ik meer geïnteresseerd zou zijn in de kant van de beul. Het bod moet wel aannemelijk zijn. Het lijkt in eerste instantie raadzaam globaal kennis te nemen van wat mijn boeken zoal hebben beweerd, waartegen ze hebben geageerd, en hoe daarop is gereageerd. Een muisklik op de respectievelijke omslagen hier rechts volstaat om die informaties over presentatie en representatie te verkrijgen.
Vervolgens dunkt het me het meest rechtvaardig om een proef voor te leggen van een boek over koffie, ‘in de geest van de meester’. Voor het mijne heb ik namelijk de nodige teksten doorgewerkt en uit die groslijst een keuze gemaakt met knippen en plakken. Omdat de meeste beschikbaar zijn op het web, is het vermoedelijk doenbaar om daadwerkelijk gebruik te maken van mijn bij dezen publiek te raadplegen koffiegerelateerde groslijst, waarin vele hyperlinks worden geserveerd.
Problematisch? Multatuli had er dit ideetje over: ‘Schep ’n individu op de volgende wyze. Neem de hoedanigheden van veel menschen by elkaar, tel ze samen op, en deel door ’t getal personen. Van dat individu denk ik me een geschiedenis: “Aventuren van’'t gemiddelde, of Leven en daden van ’n extrakt-mensch.”’Degene die het meest revitaliserende koffieboek weet te componeren, mag – als het ware in een nieuwe ambtstermijn – mijn schrijverschap overnemen. Vervolgens staat het hem of haar uiteraard vrij er voortschrijdende inzichten op los te laten, desgewenst met een ‘wending in het oeuvre’, zodat Marc Kregting een huis van vertrouwen wordt aka een place to be.
Dag vogels dag bloemen.

dinsdag 15 januari 2013

Drempeltje op, drempeltje af (2)

Nu we weten welk triumviraat voor pre-emptive strikes er uit de vacuüm verpakking rond Koffie. Een doeboek floept op de achterflap, is het tijd voor de bio. Gewichtiger dan de tekst is immers de persoon die hem wereldkundig maakt. Voordat een ideetje post kan vatten, moeten zich identificaties voltrekken met de mens achter het kunstwerk. En ook hier heeft de historie toegeslagen in het maatschappelijk-literair klimaat.
Grilligheid en absenties van een schrijverscarrière, zoals opgetekend in boekjes die op zich al een verfilming zijn, behoren tot een standenmaatschappij waarin geboortegaven de richting van de wind bepalen. Binnen een curriculum is succes nu een kwestie van objectief kiezen en investeren. Meritocratisch heeft iedere handeling een effect, hetgeen kan worden voorzien van een fikse psychologische verklaring die ooit causaal heette. Dat schrijvers inmiddels meer onverhuld ondernemer zijn, valt toe te juichen. Of dat de kwaliteit van hun producten ten goede komt, moet nog even worden afgewacht – buiten de schijnwerpers.
Biotoop is wat ik ooit de postnostalgie heb genoemd. Daarin serveert het neoliberalisme zijn producten uit. Van door absint benevelde types op zolders of kelders kan geen sprake meer zijn, tenzij de camera 24 uur per dag op hen mag staan gericht. Ten overvloede onderstreepte onlangs een uitleg bij de verkiezing van de nieuwe Dichter des Vaderlands wat dat zoeklicht behelst. Het ging ‘niet om de poppetjes, maar om de inhoud’. Inderdaad is ‘inhoud’ een gebaksdoos geworden, die deskundig geachte buitenstaanders moeten vullen met lekkernijen voor bij de koffie.
Aldus kreeg de Dichter een ‘profiel’ met ‘competenties’, waaraan hij behoorde te voldoen in de ogen van een ‘commissie’. Dat deze literator onder meer ‘initiatieven [moest nemen], communicatief [zijn], enthousiasmerend en gedreven’, lag voor de hand.
Niet door persoonlijke of politieke agenda’s bezoedelde criteria moeten afgevinkt. Men hoeft geen spot te drijven met het feit dat zulke taal poëzie zegt te begunstigen, zodat de uitverkorene van zo’n ‘procedure’ bijna niet anders kan dan zeggen dat hij of zij ‘enorme zin heeft de uitdaging aan te gaan’. Noch is het ter zake om te tetteren over de aanwezigheid van een politica in de commissie. Zij hoort tot een partij die het volk wilde verheffen, en die nu een engagement met de markt is aangegaan en daarbij de hoogste verantwoordelijkheid ervaart – de politica specialiseerde zich in zzp’ers en flexwerkers.
De dichter is bovenal Dichter, een merk dat iets vertegenwoordigt. Met zijn verschijningen stimuleert hij via het evenement poëzie de uitruil van ‘hartstocht’.
Zoiets moet ik vertalen in een handschrift, dat de code van het hoogsteigen leven laat kraken. Dan metamorfoseert de publicist in mij tot Publicist. Zijn curriculum moet laten zien dat hij beproevingen heeft doorstaan en, ondanks doorgaand heimelijk gedragen lijden net als de rest van de mensheid, steeds steeds bovenkomt in zijn keuze voor kwaliteit. Koffie. Een doeboek dient de authentieke ervaring van het drinken te delen, zodat auteur en lezer hun allerindividueelste smaak kenbaar kunnen maken. Men moet zich de flexibiliteit getroosten daar zijn handel en wandel op aan te passen. Daarom heb ik uit Marc Kregtings Koffie, en nog wat van zijn werken, drie biografieën gedestilleerd, waarvan er eentje de achterflap mag sieren:

Marc Kregting kon op zijn zesde het Latijnse werkwoord nespressare verbuigen. Daarna werd hij opgeroepen voor de restauratie van de ‘Madonna degli occhi grossi’ in de Dom van Siena en was hij materiaalknecht van Gianni Bugno (bij team Nescafé Gold) en van de dochter van Augusto Pinochet (op locatie). Alles voor Kregting, gezegend met ogen als oesters, leek vanzelfsprekend te gaan. Na beeldredacteur te zijn geweest bij Het inzwevend kameren en tekstassistent bij Ga je mee (als Jezus roept)?, benaderde hij Bill Haley met de oerversie van ‘See you later percolator’. Na een historische afwijzing annexeerde hij zowel Kanis als Gunnink omdat hij het gat in de markt had ontdekt van de paardenmelklikeur. Vervolgens kwam hij, pal voor de finish waardoor hij de jongste Brabantse wereldkampioen Grand Prix zou zijn geworden, bij een tragisch ongeluk op de Nürburgring om het leven. Kregting ging toen theologie studeren in Kampen en Boston, waar hij zich in de avonduren toelegde op een carrière in de topsport. Zijn wetsvoorstel tegen filotirannieke intellectuelen haalde net geen kamermeerderheid. Het is een goed bewaard geheim dat Kregting niet opgewassen bleek tegen de druk die een liggend bestaan met zich meebrengt. Hij probeerde het nog met de verkoop van tweepersoons banjo’s maar moest uiteindelijk bokken ontvellen in de dierentuin van Hamburg, New York.

Marc Kregting is de broer van Egbert Kregting. Met zijn rustelozebenensyndroom was hij bekendheid aan het verwerven voor het radioprogramma Opsporing gezocht, toen de provincie Brabant hem riep voor een vredesmissie naar Nieuw-Guinea. Daar maakte hij Als het kriebelt, moet je krabben, een voorlichtingsfilm die inmiddels een cultstatus heeft. Het medium beviel Kregting zo goed dat hij de catering verzorgde van Boer zoekt Vrouw. Zijn pincode is 1789. Een tijdlang breide hij truien van echte angora voor het geval Lodewijk de Veertiende de boot zou nemen naar Martinique. Ongewis is of er een verband bestaat met een goed bewaard geheim: dat op de Olympische Spelen een zekere Paola bij hem, terwijl hij warmliep voor het speerwerpen (hij kwam uit voor Suriname), twee kinderen verwekte: Senseo en Sarista. Evenmin werd opgehelderd of Kregting zijn ervaringen sublimeerde in het kookboek Van haver tot gort, waarvan alleen al in Frankrijk 100.000 exemplaren werden verkocht. Zeker is dat hij boete heeft gedaan als undercoverjournalist op de postafdeling van het koffiebrandersbedrijf sinds 1866 J.J. Darboven. Op rijpere leeftijd reisde Kregting met zijn zelf voor Bialetti ontworpen Moka Elettrika Travelset in opdracht van Amnesty International af voor een lokaal onderzoek tijdens de halfjaarlijkse moesson naar wat Idi Amin Dada ooit heeft bezield. De neerslag daarvan is te vinden in Hoe kan dat?, een explosief rapport dat ook als e-book spoorloos raakte.

Marc Kregting studeerde economie aan de universiteiten van Hasselt en Harvard, waar hij als gouvernant met het TAS1R3-gen moest voetballen tegen Cruz Beckham. Voor Heimwee naar het heden ontving hij de Nobelprijs van de Vrede en hij droeg de tas van de lijkschouwer die Bird minstens 25 jaar ouder schatte. Na zijn sportcarrière, waarin hij bij de verplichte figuren onder meer een tien scoorde voor het cafeïne-enjambement en per week soms 2500 kroketten uit de muur trok, viel Kregting in een zwart gat. Daar kwam hij Harry Mulisch tegen. Deze beklaagde zich op Facebook dat het kleine oeuvre van Kregting, die ondertussen strooide met Haagse hopjes terwijl hij bijkluste als Espresso Evangelist, buffetbediende en geurmarketeer, klaarblijkelijk al was voltooid. Negen maanden later verscheen Beloof je me dat je diep zult bukken?, een drieakter die werd geëerd met het Gouden Uil Stipendium. Nadat Kregting was uitgeroepen tot Grootste Brabander van de Eenentwintigste Eeuw bracht een onderzoeksjournalist aan het licht dat hij geboren was in Wijlre, Limburg. Een jarenlange juridische strijd culmineerde in een generaal pardon, maar Kregting had zich verbitterd teruggetrokken in Schengen, waar hij eredoctoraten louter per aangetekende brief aanvaardde. Het is een goed bewaard geheim dat hij zich op hoogtijdagen verkleedt als hulpspeculaas.