Geen beschouwing over laaglandse papieren literaire tijdschriften is compleet indien niet het muizenaantal abonnees van Forum vermeld wordt. Wanneer is die kleinschaligheid van het medium gaan gelden als probleem? Ik vermoed: toen de niet geringe subsidies van binnenuit bij het betoog betrokken werden.
Daarmee bedoel ik dat het item ‘subsidie’ steevast aantijging, hoon en spot heeft gegenereerd – terecht of niet: veelal door lui die de poet waren misgelopen – maar dat die emoties altijd afketsten. Bij de vele voorbeelden daarvan moet je bedenken dat conform de zede het protest werd genegeerd of gepareerd. Het verstrekte geld bleef aldus niet eens zozeer onomstreden als wel legitiem.
Volgens mij zijn er twee taboedoorbrekende momenten geweest. In 2002 was er De waarde van woorden, waarin Lisa Kuitert op grond van ervaringen als Fondsbeoordelaar een soort subsidieproza viseerde dat een comateus bestaan leidde. Dat haar tekst een inaugurele rede behelsde, zal de steen in de vijver van autoriteits- en kwaliteitsaanspraken hebben verzwaard. Vervolgens liet de tijdschriftencommissie van het Productiefonds, met onder meer Kuiterts confrater Dorleijn, weten dat literaire bladen onderhand de publicatie-optie van internet mochten overwegen.
Het voor het medium heilige ‘laboratorium’, waar experimenten de literatuur verder zouden helpen, was ontwijd. Dat dezelfde Kuitert later het literaire blad vergeleek met een ‘speeltuin’ verbaasde niet. Van bovenpersoonlijk ontmoetingspunt ten bate van de kunst was de aandacht allang verschoven naar de beoefenaars, wier geloofwaardigheid taande.
Daarbij had een ander medium, dat fenomenaal is voor de enkeling die het intelligent gebruikt, als katalysator gefungeerd. Met een fijne onbevangenheid is het internet, dat zich grofweg vanaf 1995 als gemeenschapspodium aandiende, elke hiërarchisch gefundeerde aanspraak ter discussie gaan stellen. Inmiddels is een prijs voor een literaire prestatie ondenkbaar zonder een publieksstem, hetzij aanpalend bij een uitreiking, hetzij in de persoon van één ‘gepassioneerd’ jurylid. Dit is echt een recente ontwikkeling.
Aangezien literaire tijdschriften met hun ambitieuze redacteuren het gezag verpersoonlijkten, kregen zij het extra voor hun mik. Zeker van jongere auteurs, die met het nieuwe medium waren opgegroeid en voor wie pen en tikmachine een museale status hadden. In 2004, bij het wegvallen van Bzzlletin (dat in zijn hoogtijdagen meer dan 10.000 abonnees had), ontwaarde Ingmar Heytze amper ‘hemelbestormende intenties’ in het ‘traditionele literaire tijdschrift’, en des te meer tekenen van overbodigheid. Hij repte van ‘een papieren ego’ en een ‘intellectueel masturbatie-object’. De toekomst was volgens hem aan een ‘cyber-ego’, waarmee het internetblad een immens bereik zou krijgen, immer actueel en goedkoop ook.
Heytze zei dat in een krantencolumn die daags daarna op internet stond – bijna intimiderend. Dergelijke kritiek was naar oude maatstaven ook onbesmuikt. Ze werd voordien uitgeoefend entre nous. Zo’n toon en publiekelijkheid wekten wrevel bij Kees Fens, die overigens dan wel een autoriteit mocht zijn maar niet de reguliere weg door de instituties had bewandeld. Het ‘autobiografisch geschrijf van het weblog’ noemde hij in een bijzin ‘dat elektronische openbaar toilet’. Gelet op de stront die hij vervolgens van het internet over zich heen kreeg was dat een correcte vaststelling.
Eveneens opgemerkt werd een essay van Hans Groenewegen over het overzien en beoordelen van recente poëzie, in het besef ‘dat er in de papieren wereld van dag- en weekbladen nauwelijks nog serieus te nemen critici zijn’. Ook het aantal besprekingen zag hij afnemen, zodat hij een internetinitiatief als Poëzierapport, met accenten op kleine uitgevers en Vlamingen (!), toejuichte. Toch plaatste Groenewegen literaire bloggers tussendoor in een onderwereld: ‘Uit weblogs spreekt vaak verontwaardiging over de boze bovenwereld. Die stelt de normen. Men voelt zich buitengesloten. Maar wat daar gebeurt en welke boeken er verschijnen lijkt grotendeels aan hen voorbij te gaan. Er wordt geen kennis van genomen. Tegelijk is men voortdurend op die bovenwereld gericht.’
Hoewel ik Groenewegens observaties deel, al was het vanwege de commentmantra ‘Ik heb het nog niet gelezen, maar ik vind…’ heeft die opstandige onderwereld mijn sympathie gehad, van nature bijna. Een aantal van die mannen – vrouwen zijn er beduidend minder – opereerde ook bij voorkeur in het holst van de nacht. Echt illegaal of zo werd het niet, hun discussies bleven naspeurbaar (de echte onderwereld zit inmiddels op sociale netwerken als Facebook, dat meer mensen in de greep krijgt en waarop, onbereikbaar voor zoekmachines, daverend schijnt te worden gediscussieerd).
Grappig was dat betrokkenen telkens ontkenden dat er zoiets als een onderwereld bestond en door discussies het bestaan ervan bevestigden. Al was het door in van minachting druipende zinnen over subsidies ‘belangenverstrengeling’ te ontwaren, via de topos ‘wij van WC-eend adviseren WC-eend’ die wel vaker opduikt schande en andere banvloeken uit te spreken, en voor alles de gedateerdheid te diagnosticeren van de Ander die zich dus wel in de bovenwereld bevinden moet.
Die paradox liet zich bijvoorbeeld kennen bij een publiek gemaakte ‘masterscriptie’ over Noord-Nederlandse literaire tijdschriften die, met de door een andere nobele onbekende in een dagblad al geponeerde stelling dat het medium in papieren vorm zijn langste tijd had gehad, een ware commentexplosie teweegbracht. Ze toonde het internet op zijn grootst en zijn benepenst, het leek wel of elkeen zich het centrum van de wereld wist. De kloof tussen believers (‘idealisten’, boven) en non-believers (‘realisten’, beneden) gaapte.
Mij is er vooral een afgrondelijk wederzijds wantrouwen van bijgebleven. Al het gepalaver suggereerde namelijk ook iets curieus in argumentatie en mensbeeld. Ik heb het pas kunnen begrijpen na lectuur van het boek Geweld door Slavoj Zizek. Daarin staat een anekdote over een boer die van een goede heks mag kiezen: of ze geeft hem één koe en zijn buurman twee, of ze neemt van hem één koe en van zijn buurman twee. Terstond kiest de boer voor de laatste optie.
Dit ondervond het recensieplatform De Reactor. Voor het startgesubsidieerd het web opging, waren de meningen erover reeds panklaar. En het was niet eens een literair tijdschrift. Maar da’s een verhaal apart.
dinsdag 9 februari 2010
Wat nu? (2)
Geen beschouwing over laaglandse papieren literaire tijdschriften is compleet indien niet het muizenaantal abonnees van Forum vermeld wordt. Wanneer is die kleinschaligheid van het medium gaan gelden als probleem? Ik vermoed: toen de niet geringe subsidies van binnenuit bij het betoog betrokken werden.
Daarmee bedoel ik dat het item ‘subsidie’ steevast aantijging, hoon en spot heeft gegenereerd – terecht of niet: veelal door lui die de poet waren misgelopen – maar dat die emoties altijd afketsten. Bij de vele voorbeelden daarvan moet je bedenken dat conform de zede het protest werd genegeerd of gepareerd. Het verstrekte geld bleef aldus niet eens zozeer onomstreden als wel legitiem.
Volgens mij zijn er twee taboedoorbrekende momenten geweest. In 2002 was er De waarde van woorden, waarin Lisa Kuitert op grond van ervaringen als Fondsbeoordelaar een soort subsidieproza viseerde dat een comateus bestaan leidde. Dat haar tekst een inaugurele rede behelsde, zal de steen in de vijver van autoriteits- en kwaliteitsaanspraken hebben verzwaard. Vervolgens liet de tijdschriftencommissie van het Productiefonds, met onder meer Kuiterts confrater Dorleijn, weten dat literaire bladen onderhand de publicatie-optie van internet mochten overwegen.
Het voor het medium heilige ‘laboratorium’, waar experimenten de literatuur verder zouden helpen, was ontwijd. Dat dezelfde Kuitert later het literaire blad vergeleek met een ‘speeltuin’ verbaasde niet. Van bovenpersoonlijk ontmoetingspunt ten bate van de kunst was de aandacht allang verschoven naar de beoefenaars, wier geloofwaardigheid taande.
Daarbij had een ander medium, dat fenomenaal is voor de enkeling die het intelligent gebruikt, als katalysator gefungeerd. Met een fijne onbevangenheid is het internet, dat zich grofweg vanaf 1995 als gemeenschapspodium aandiende, elke hiërarchisch gefundeerde aanspraak ter discussie gaan stellen. Inmiddels is een prijs voor een literaire prestatie ondenkbaar zonder een publieksstem, hetzij aanpalend bij een uitreiking, hetzij in de persoon van één ‘gepassioneerd’ jurylid. Dit is echt een recente ontwikkeling.
Aangezien literaire tijdschriften met hun ambitieuze redacteuren het gezag verpersoonlijkten, kregen zij het extra voor hun mik. Zeker van jongere auteurs, die met het nieuwe medium waren opgegroeid en voor wie pen en tikmachine een museale status hadden. In 2004, bij het wegvallen van Bzzlletin (dat in zijn hoogtijdagen meer dan 10.000 abonnees had), ontwaarde Ingmar Heytze amper ‘hemelbestormende intenties’ in het ‘traditionele literaire tijdschrift’, en des te meer tekenen van overbodigheid. Hij repte van ‘een papieren ego’ en een ‘intellectueel masturbatie-object’. De toekomst was volgens hem aan een ‘cyber-ego’, waarmee het internetblad een immens bereik zou krijgen, immer actueel en goedkoop ook.
Heytze zei dat in een krantencolumn die daags daarna op internet stond – bijna intimiderend. Dergelijke kritiek was naar oude maatstaven ook onbesmuikt. Ze werd voordien uitgeoefend entre nous. Zo’n toon en publiekelijkheid wekten wrevel bij Kees Fens, die overigens dan wel een autoriteit mocht zijn maar niet de reguliere weg door de instituties had bewandeld. Het ‘autobiografisch geschrijf van het weblog’ noemde hij in een bijzin ‘dat elektronische openbaar toilet’. Gelet op de stront die hij vervolgens van het internet over zich heen kreeg was dat een correcte vaststelling.
Eveneens opgemerkt werd een essay van Hans Groenewegen over het overzien en beoordelen van recente poëzie, in het besef ‘dat er in de papieren wereld van dag- en weekbladen nauwelijks nog serieus te nemen critici zijn’. Ook het aantal besprekingen zag hij afnemen, zodat hij een internetinitiatief als Poëzierapport, met accenten op kleine uitgevers en Vlamingen (!), toejuichte. Toch plaatste Groenewegen literaire bloggers tussendoor in een onderwereld: ‘Uit weblogs spreekt vaak verontwaardiging over de boze bovenwereld. Die stelt de normen. Men voelt zich buitengesloten. Maar wat daar gebeurt en welke boeken er verschijnen lijkt grotendeels aan hen voorbij te gaan. Er wordt geen kennis van genomen. Tegelijk is men voortdurend op die bovenwereld gericht.’
Hoewel ik Groenewegens observaties deel, al was het vanwege de commentmantra ‘Ik heb het nog niet gelezen, maar ik vind…’ heeft die opstandige onderwereld mijn sympathie gehad, van nature bijna. Een aantal van die mannen – vrouwen zijn er beduidend minder – opereerde ook bij voorkeur in het holst van de nacht. Echt illegaal of zo werd het niet, hun discussies bleven naspeurbaar (de echte onderwereld zit inmiddels op sociale netwerken als Facebook, dat meer mensen in de greep krijgt en waarop, onbereikbaar voor zoekmachines, daverend schijnt te worden gediscussieerd).
Grappig was dat betrokkenen telkens ontkenden dat er zoiets als een onderwereld bestond en door discussies het bestaan ervan bevestigden. Al was het door in van minachting druipende zinnen over subsidies ‘belangenverstrengeling’ te ontwaren, via de topos ‘wij van WC-eend adviseren WC-eend’ die wel vaker opduikt schande en andere banvloeken uit te spreken, en voor alles de gedateerdheid te diagnosticeren van de Ander die zich dus wel in de bovenwereld bevinden moet.
Die paradox liet zich bijvoorbeeld kennen bij een publiek gemaakte ‘masterscriptie’ over Noord-Nederlandse literaire tijdschriften die, met de door een andere nobele onbekende in een dagblad al geponeerde stelling dat het medium in papieren vorm zijn langste tijd had gehad, een ware commentexplosie teweegbracht. Ze toonde het internet op zijn grootst en zijn benepenst, het leek wel of elkeen zich het centrum van de wereld wist. De kloof tussen believers (‘idealisten’, boven) en non-believers (‘realisten’, beneden) gaapte.
Mij is er vooral een afgrondelijk wederzijds wantrouwen van bijgebleven. Al het gepalaver suggereerde namelijk ook iets curieus in argumentatie en mensbeeld. Ik heb het pas kunnen begrijpen na lectuur van het boek Geweld door Slavoj Zizek. Daarin staat een anekdote over een boer die van een goede heks mag kiezen: of ze geeft hem één koe en zijn buurman twee, of ze neemt van hem één koe en van zijn buurman twee. Terstond kiest de boer voor de laatste optie.
Dit ondervond het recensieplatform De Reactor. Voor het startgesubsidieerd het web opging, waren de meningen erover reeds panklaar. En het was niet eens een literair tijdschrift. Maar da’s een verhaal apart.
vrijdag 5 februari 2010
Wat nu? (1)
Rond de jaarwisseling verscheen van Revolver het slotnummer. Toen het tijdschrift aankondigde na meer dan 40 jaar te stoppen, waren de reacties voorspelbaar. Verdrietig dat zo’n mooi eenmansproject ophield, misnoegd omdat extra administratieve rompslomp de aanleiding was. Die papierwinkel kwam nota bene voort uit een licht kakelverse professionalisering: sinds 2006 is er in Vlaanderen een auteursvereniging en die was bij het ministerie gaan vragen om een gepaste regeling voor honoraria. Dit pakte al te ingewikkeld uit voor contribuanten uit het buurland waarmee Vlaanderen in de taal verbonden heet te zijn; de porto voor een zending ernaartoe van meer dan 350 gram die een literair tijdschrift algauw is, overtreft overigens de winkelprijs van zo’n nummer.
Dergelijke treurnis spiegelt de tanende status van het medium, dat wel heel stringente pr kan gebruiken. Want voor zover er Revolver-rouw was, staken reflexen de kop op die het literaire tijdschrift an sich ter discussie stelden. Ze lijken gesneden koek. Zelfs een onderzoekje naar boekrecensies in Vlaamse media dat methodologisch, zonder badinerend te willen doen over de moeite van het tellen, bij een eerste blik al rammelt, weet een criticus zo te draaien dat hij kan uitvaren tegen ‘de literaire incrowd van tijdschriften’, twee keer zelfs. Met mogelijk nog minder aanleiding plengt een collega van hem iets identieks.
Wat is dat toch allemaal? Natuurlijk, ik houd meer van humor om te lachen en ook heb ik een bijna sentimentele band met het medium. Nog altijd kan er trots door mij varen als mensen wier oordeel ik hoogacht een tekst van mij willen plaatsen, en bespringt me frustratie indien ze het niet in me zien zitten. Dat wil niet zeggen dat volgens mij alles altijd even secuur wordt gelezen, laat staan dat mij de bijwagenpositie ontgaat die dit medium gekregen heeft. Ik heb het als redactiesecretaris meegemaakt dat door een communicatiefout een nummer een week bij abonnees en recensenten lag, toen een auteur pas het afgesproken interview aan een krant gaf waarin hij een tot in de titel van zijn bijdrage manifest gemaakte primeur wereldkundig maakte – en het nieuws zich begon te verspreiden.
Literaire tijdschriften krijgen sowieso geen structurele aandacht. Ooit lag mijn drive om het toch wat enge proces van beoordeling te ondergaan mede in het feit dat alle kranten wekelijks minstens twee bladen bespraken. Inmiddels hebben recensenten het veld geruimd voor literair journalisten. Het slotnummer van Revolver werd dan wel alom bijgezet in de urnen van de verslaggeving, dat het ook teksten bevatte leek bijzaak. Een enkeling die ze vermeldde deed een greep uit de inhoudsopgave, bijvoorbeeld ‘een dossier over Boon’. Is deze auteur pas nieuwswaardig indien er over zijn feminatheek opinies kunnen gespuid – door lieden die cv vermoedelijk niet als afkorting zien van centrale verwarming?
‘Toen ik begon’ was er tekstopslorpenderwijs weinig genotvollers dan eens per week in de bibliotheek nieuwe nummers doornemen. Die aberratie heeft mij nog in bezit. Toevallig kan ik al jarenlang de ontwikkeling van Vlaamse literaire tijdschriften op de voet volgen (ik vrees dat ik ze beter ken dan, en dat ze me zelfs een alibi geven voor het ongelezen laten van, boeken die er soms uit voortvloeien). Omdat bibliotheekbezoek inmiddels neerkomt op het achternalopen van iemand die voortdurend 'nee' roept, is mijn kennis van de Nederlandse bladen veel geringer; die toestand zou voor het algehele grensverkeer wel eens regel kunnen zijn.
Getuige hun uitspraken lijken fervente critici van literaire tijdschriften niet overmatig op de hoogte van het verfoeide medium. Scheppen ze daar genoegen in? Ze beroepen zich op het summiere dat internet ervan biedt en legitimeren zich desgevraagd verder met ‘doorbladeren’. Dit is voorbij een imagoprobleem en steunt de these van Henk Blanken dat de virtuele wereld aan het licht heeft gebracht dat we onvoldoende samen weten.
Kennelijk is blind al helder dat literaire bladen weg moeten, zeker in de vorm van papier. Die beginletter serveert meteen enige antagonisten, notoir uit elke branche waar besluiten worden genomen: pausen, poulains en paria’s. Weerkerend is namelijk een aantal verwijten. Papieren bladen bereiken een kleine kring van bekenden, hebben een sterk poëticale inslag en teren op subsidies die beter aan actuele ontwikkelingen besteed kunnen. Ze zijn dus ‘elitair’, waarbij nog net niet de suggestie rijst dat redacteuren, die op de secretaris na onbetaald werk doen, naar een perfide trend zich bonussen laten uitbetalen.
Nu snap ik best dat een dure en statische portaalsite voor het medium niet valt te verdedigen tegenover een beweeglijk en gratis blogwezen. Ook wekt het dompelen van nummers in een vloeistof, gevoegd bij een correspondentie ter plekke inclusief het bericht ‘Eind 2007 interviewden wij met zijn tweeën ***’, de associatie met een besloten feest.
Maar zelfs daar zijn, zeker vergeleken met festivals uit de 24 uurseconomie, belangwekkende dingen te beleven. Dat blijkt althans als ik me niet laat intimideren – en gewoon binnentreed! Wat ik in enige postings toch eens wens te onderzoeken is de vraag: waarom willen zoveel lezers zichzelf bij voorbaat dat allersimpelste recht ontzeggen, en daar met veel bombarie de gastheren en de wet voor aansprakelijk stellen?
zondag 31 januari 2010
Raatmoment (5)
Het overlijden van J.D. Salinger had een gouden randje: bij de talloze in memoriams werd telkens dezelfde foto afgedrukt – als verlegen, schijnbaar onbedorven jongeman. Dit scheelt nogal kiekjes waarop hij met zijn even talloze allerbeste vrienden (‘Ik mocht Jaydee zeggen’), stomtoevallig de auteur van het stukje, in een andere verlegenheid zou bevriezen.Ware er een stabiliteitspact met de ambtenarij mogelijk, die zulke efficiency niet hoeft te onderwerpen aan interne audits of andere vergeetputten die dossier heten, omdat ze middel en doel is! Maar wellicht ben ik verkneukelend bevooroordeeld als allochtoon te België die soms een instantie bezoeken moet.
Bij mijn initiële grensoverschrijding werd een voorlopige verblijfsvergunning afgegeven als er een ziekteverzekering was en er zou een ziekteverzekering komen indien er een voorlopige verblijfsvergunning was – het helpt ongeveer de taal te spreken en niet bij elk woord uitleg het geheugen te hoeven afgrazen naar de betekenis. En na een paar keer van het kastje naar de muur mocht ik gelijk naar het loket terwijl er velen wachtten wier huid minder bleek kleurde dan de mijne. Er was nog een artiest geweest en ineens was ik ook officieel Europees onderdaan.
Later wou ik een handig treinabonnement. Daartoe formulieren en een foto. Bij het afhalen geen foto maar een paspoort. Wat ik liet zien bleek een Nederlandse kaart, terwijl het pinpasje dat ik bij de volgende gelegenheid opdiepte een internationaal paspoort behelsde, ‘het staat er in vier talen op’. Maar het eerste heet Europese Unie Koninkrijk der Nederlanden PASPOORT, een internationaal ding dat op het consulaat is te verkrijgen. Het tweede noemt zich, inderdaad in vier talen, BELGIE E+ kaart, bij de gemeente te halen als ‘document ter staving van duurzaam verblijf’ – de update van het kreukgrage papiertje dat mijn verblijfsvergunning was. Thuis werd me voorts uitgelegd dat paspoort een synoniem is van identiteitskaart en dat het internationale ding reispas wordt genoemd.
(Zulke misverstanden zonder veel gentrification zijn ook lollig omdat zaken anders lopen dan gewenst. Een lach verdient sowieso de aanbeveling om je niet belangrijk te voelen dat een absurditeit precies jou treft. De natuurwet is immers: hoe groter de organisatie, hoe minder haar werknemers iets kunnen uitrichten. Wie zich dan tekortgedaan voelt mag protest aantekenen, voor de behandeling waarvan een wachtkamer het voorgeborchte is. Steevast herbergt dat een koffieautomaat. Zo’n ding staat tevens in ‘klantenservice’ genoemde ruimtes waar op de display nummers dermate traag verspringen, dat de koffie in haar vele varianten tot de tiende graad gratis wordt afgescheiden en nergens anders naar smaakt dan naar warm water – geen oppoking van toch al geënerveerde klanten door extra cafeïne, maar een poging tot vermoedelozen.)
Zeker is dat onbegrip op onregelmatige basis een intimiderend voorrecht kan zijn. Want hoe moet dat met allochtonen bij wie Nederlands niet de moedertaal is? Return to sender, om met Elvis te spreken? Of zou identiteit iets wezen wat men voor de duur van een procedure beter vergeet?
Uit levensbeschouwelijke artikelen snap ik inmiddels dat ‘ideologisch’ een eigenschap is bij mensen van ooit die de wereld indeelden vanuit een statische visie. Dat deze constatering evengoed ideologisch is blijkt hier ‘politiek’. Een residu van de val van de Muur? Eigenlijk ken ik deze quasi-onthechtheid annex autonomie al van punkerkrakers uit de vroege jaren tachtig, die er ‘hippies’ de oren mee dachten te wassen: Save the world, fuck the system.
Dus nu ik de taal ook op schrift aardig kan volgen en uit intermenselijk verkeer waardering heb ondervonden indien het reguliere Noord-Nederlandse spreekvolume wordt gedempt kan er eigenlijk weinig stuiken. Da’s in wezen jammer, omdat er iets prettig opstandigs zit in de sensatie tijd te vermorsen.
Onlangs stuurde de dienst Burgerzaken van mijn huidige woonplaats een verzoek om een geboorteakte ‘voor bestuurlijke inlichtingen’. Fabuleus hoe de techniek dan werkt: een mailtje naar het buitenland, een scan bijsluiten van mijn eh… paspoort en twee dagen later de akte, met een factuur à 12,35 euro, in de analoge bus. Mij ontroerde het de handtekening van mijn vader te zien, zijn beroep dat exact was omschreven en mijn moeder die dan zonder beroep was maar ‘uit’ wie ik geboren bleek.
Op het gemeentehuis maakte men er een kopie van en onderstreepte daarop de namen van mijn ouders. Van mij wou men hun geboortedata weten. Toen was alles in orde en stelde ik de journalistieke hoe-wat-wanneer-en-waarom-vraag (hoeveel was al bekend).
Er was de computermelding gekomen van een ‘onvolledig dossier’. Was dat al zo bij mijn aankomst, acht jaar geleden? Ja, ‘typisch Antwerpen’ om niet alle gegevens te verzamelen. ‘Meer Nederlanders klagen hier daarover.’ Hollandsachtig vroeg ik dat ik daar de rekening van mocht betalen? Jawel, maar dit lag niet aan de gemeente. Bepaald Hollands hoorde ik mijn stem schril zeggen dat men mij ook even had kunnen bellen voor de namen van mijn ouders? Nee, dat mocht alleen per document. Konden de gemeentes dat onderling dan niet (‘uit principe’, dacht ik erbij) kortsluiten? Nee, regels zijn regels en bovendien had ik bij het betreden van het land een geboorteakte moeten overleggen. Huh? Dat te weten was mijn verantwoordelijkheid.
Voor ik het wist hoorde ik me roepen dat ik er werk van ging maken. Dat het onaanvaardbaar was dat iedereen behalve de gemeente zelf de schuld kreeg van zoiets simpels dat zo kon worden opgelost. En trouwens, de geboortedata van mijn ouders had ik hier op eigen autoriteit gegeven!
‘Weet u wat, meneer? Ik maak van die getallen allemaal nulletjes! Maakt toch niets uit, want zij zijn geen Belg en hebben dus ook geen rijksregisternummer.’ Waarvan akte.
woensdag 27 januari 2010
Hélène
Voor de oplossing van menig vraagstuk acht ik me steeds vaker te jong. Vreemd, want als ik me niet vergis word ik dagelijks ouder. Of dat ook dom is, moet worden afgewacht – de top van het intellectueel vermogen schijnt iets voor de vijftig te liggen.Die leeftijd dunkt mij instapgeloofwaardig bij functies met immense verantwoordelijkheden. In het bedrijfsleven, maar zeker bij degenen die dat moeten representeren en repareren: politici. Hoop ik dan op wijsheid, drift tot verandering of geduld? Indien de laatste faculteit overheerst, komt er uithoudingsvermogen aan te pas en dan rendeert enige jonkheid.
Zo zouden van het kabinet-Den Uyl de broekies de eindeloze vergaderingen het best hebben verteerd. De premier had ministers als Pronk, Lubbers, Duisenberg, Van Kemenade, Boersma en Van Agt die, amper 40, niet snel omvielen. Bij de laatste was dit tegelijk een probleem, dat toesloeg op een moment dat zelfs de premier geen lust meer had in een debat.
Of het nu de fysiek is die wint, de invloedrijkste regering uit de afgelopen eeuw was bij het aantreden amper de luiers ontgroeid: Bormann 33, Goebbels 36, Göring 40, Hess 39, Himmler 33, Speer 28. Met zijn 43 was Hitler waarlijk een nestor. Deze cijfers haal ik bij Armando, die er verder op wees dat afgaand op de leeftijd het vak van generaal erg gezond blijkt.
Hoe anders ligt dat bij popidolen. Jimi Hendrix heeft niet eens de 30 gehaald, op welk kroonjaar Lennon & McCartney al zo’n beetje het hele Beatlesrepertoire gecomponeerd hadden. Pensioen kan in die branche maar beter snel komen.
Behalve voor Doe Maar. Elders heb ik uitgeweid over de even fascinerende als bizarre constellatie waarin die groep in de hoogtijdagen opereerde: de fans hadden hun kinderen kunnen zijn. Gelukkig raakte het babyboomergezelschap tekstueel de eigen sores aan, anders waren ze trendwatcher geworden, het treurigste beroep denkbaar.
Een intrigerend nummer is dan ‘Belle Hélène’ uit 1982. Levenslustig bezingt het de escapade van een oudere ik-figuur met de titelheldin. De crux ligt in de brug: ‘Je bent dezelfde maar toch anders / Zo heb ik jou nog nooit gezien / Je bent ineens geen kind meer / Maar zo mooi en minstens zeventien.’
Het onderliggende skaritme maakt het liedje zelfs onbezorgd. Ik zie dat als goedmoedige spot (waar Doe Maar patent op had) met de moraal van hun jeugd. De titel verwijst naar een Offenbach-operette, een genre waarvan de Wiener variant in het nummer ‘Doris Day’ ook de lachlust opwekt en aan ouders kleeft. Voor hen zal een avontuurtje met een tiener niet comme il faut zijn geweest. Maar het kwestieuze onderwerp wordt zo slechts sterker gerelativeerd.
Vanuit hedendaags standpunt is dat kras. België kaart na over een zedenzaak, waarvan het land een explosieve geschiedenis kent. De wet laveert; het is sowieso de charme en de afgrondelijkheid van het land dat er, ondersteund door een ambtenarenapparaat dat decreten, koninklijke besluiten, ministeriële besluiten, toewijzingen, aanstellingen en ordonnanties spuwt, te raadplegen in het jaarlijks meer dan 50.000 bladzijden tellende Staatsblad, een helder doorzicht principieel onmogelijk is. Maar toch niet zodanig dat een dader zich ‘een tweederangs-Jood, een tweederangs-Dreyfus’ kan wanen?
Amerika spreekt van statutory rape, een godsdienst heeft terzake een twijfelachtige reputatie, en bovenal zijn er over de hele wereld zulke kwesties geweest. Complexe materie, waar bijna grimmig materiaal voor en tegen wordt vergaard: welke leeftijd mag, wat is toestemmen, autonomie, enz. Hoe ongemakkelijk ver de standpunten uiteenlopen, toonde de zaak-Polanski, en dan moet bij enkele opvattingen nog ijdelheid worden verdisconteerd.
Je hoeft niet eeuwen terug naar de pretieners van gearrangeerde huwelijken in hogere standen voor het besef dat met de praktijk de visies veranderd zijn of andersom. Zo gelden ‘de jaren zestig’ als omslag (en projectiescherm van alles wat vies en voos is: lollig hoe bij de herdenking van ‘mei ’68’ het nagestreefde egalitarisme van toen nu uniform hoon kon ontvangen). Dan ontstaat er context voor Doe Maar. Ook valt een Cohn-Bendit op te voeren, die in 1975 zijn aanpak in een Frankfurtse antiautoritaire crèche memoreerde, waarvoor hij vijfentwintig jaar later op zijn noten kreeg.
Wat een platitude te constateren dat de wereld is veranderd, net als de Belle Hélènes en hun grondslagen. Ik snap het niet, elke getuigenis is te recupereren. Kan het interessanter worden zich met alle ondubbelzinnige meningen te verplaatsen in het gelaakte?
Van ‘Belle Hélène’ is in 2000 een uitvoering gemaakt door Daryll-Ann, die trager is en bovenal melancholiek. Het perspectief lijkt verschoven naar twijfels bij de ik-figuur. Zo komt het accent op tweede couplet: ‘Ik weet niet of het goed of slecht is / Dat ik met je vrijen wou / En wat een ander ook mag zeggen / Ik vond het fijn bij jou’. Goh, daarop rijmt trouw.
Naschriftje
Uit de documentaire Dit is alles blijkt dat ‘Belle Hélène’ kandidaat voor een single is geweest, maar afgewezen werd door Vrienten en Hendriks. De reden was dat het nummer te weinig luchtig zou zijn, Jansz’ zoveelste ‘liefdesbrief aan één meisje in plaats van zeshonderd’. Getuige glunderende beelden van comebackconcerten uit 2013 is dat aantal alsnog gehaald – bij goed geconserveerde dames van respectabele leeftijd die de mijne zou kunnen zijn.
dinsdag 19 januari 2010
Ampersandeconomie
Wellicht raak ik door het onderwerp wat gedeformeerd, maar bij mijn recentste bezoek aan Nederland leek menige koffiebar door middel van een ampersand een aanvulling in de naam te dragen die het geheel wil opkloppen met luchtige gedegenheid. Het gaat om gelegenheden als Koffie & co, Koffie & zn, Koffie & zo… Ik vermoed dat ze een vrolijke chaos willen creëren die toch, of vooral, rendabel blijkt. Zoals het fameuze programma Koffietijd van de piraat Veronica, waar tussen beeldregerende anti-establishmentstoestanden als Joost mag het weten ook de niet echt kinderachtige doelgroep van huisvrouwen werd bediend ‘met praatjes en gezellige rubriekjes’. Het programma was vanaf februari 1961 van Tineke, volgens de biograaf gezegend met ‘een stem die je verwelkomde als een beker warme chocola op een winterse namiddag’ (bij haar confrater Gerard de Vries hoort hij dan weer een ‘koffiebruine stem’).
Knap van zo’n aanvulling in de naam is dat de niche zich er minder in opdringt. Er zijn immers veel meer winkels voor gespecialiseerde koffie en gebak/koek/broodjes, die al te cru Company heten – in de lingua franca van de globalisering, wier legitimatie overuren draait. Ik veronderstel dat een bewuste consument daar net iets minder achteloos zijn Bourgondische leven tentoonspreidt.
Bestudering van de menukaart leert dat de winkels in de &-variant vaak een koffie hebben die naar henzelf is vernoemd. Als beschrijving wordt vervolgens een zeer minieme tip van de sluier opgelicht: ‘verrassing van het huis’. Menigmaal wordt bij de koffie dan ‘een likeurtje’ geserveerd. Ik vrees dat men in Vlaanderen ervan zal opkijken wanneer dit als een innovatie geldt – een beetje café geeft hier bij de koffie een advocaatje of tenminste een pinkglaasje met sterk door die drank aangegrepen room.
Als het koningskoppel koffie & drank ter sprake komt, vallen mijn gesprekspartners ruwweg in twee groepen uiteen: traditionalisten van veelal mannelijke kunne die aan cognac denken, en jongeren van veelal vrouwelijk kunne die met Amaretto geuren. Wanneer de wind goed staat lukt het me zelfs zonder te spieken nog wat varianten te geven, die soms naar een land, plaats of heilige zijn vernoemd.
Op veel ervaring terzake kan ik me, überhaupt meer serieel dan multitaskend, niet beroemen. Wel is bekend dat Herman Brood in zijn finale jaar, waarin talloze doktoren hem elke alcohol ten strengste ontrieden, ‘zware koffie’ dronk die hij Prinsesje noemde: naast de ‘Kahlua, met de nodige Grand Marnier, een scheutje Bénedictine, met een toefje slagroom erop’. Daarmee voerde hij een consequente politiek, omdat hij ook dol was op Long Island Iced Tea: ‘Thee? Nee, dat heb ik er tot op heden niet in mogen aantreffen.’
Uiteraard is dit soort dranken evengoed thuis te nuttigen; alleen al mijn buurtsupermarkt biedt steevast afgeprijsde, omgerekend niet erg goedkope maar kant-en-klare flessen Irish Coffee, Rum Coffee en Hasseltse koffie (met jenever). De inhoud hoeft nog slechts opgewarmd in een pannetje – of in de magnetron die dan wel anglicistisch microgolf heet. Gemakswerk, waarbij vergeleken bisschopswijn pure ironie wordt. Veel gedachten wijd ik er echter niet aan, omdat mijn aandacht sinds kort opgezogen is door een andere fles op die schap.
Paardenmelklikeur.
Inmiddels bezig ik de term zonder braakstuipen maar blijf door mysteries omwonden. Geeft een paard melk? Waar precies? Leidt vrijwillige inname tot prestaties op de lange afstanden? Voltooit alcohol het tot the nose of the salmon? Of wil de naam langs het politiek-metaforisch onbewuste bepaalde associaties verwekken, zoals studentenhaver en walvistraan dat doen?
Ondermaans surfen leert dat paardenmelk al eeuwenoud is en in andere beschavingen, wel op aarde, een elixer geweest is waar nu een taboe op rust. Van de likeurvariant, meer in het bijzonder uit witte merries, lustte Kublai Khan pap. Net als Olivia Newton-John?
In het negentiende-eeuwse Rusland werd deze alcohol ingezet tegen tuberculose. Inmiddels is ze uiteraard alom verkrijgbaar, dus ook op gespecialiseerde boerderijen waar de dieren minder gestrest rondlopen en het onderlinge contact zelfs bij slecht weer goed is. Desgewenst kan de likeur worden gebotteld in leuke paardenflessen, naar keuze zwart of wit, en in de smaken cocos of Baileys – ook drop, karamel, sinaasappel, banaan, honing, ananas, advocaat, mokka, amandel, truffel en natuurlijk koffie trokken als hoofdtoon op mijn scherm voorbij. De indruk rijst dat het product een nieuwe trend van consumeren én ondernemen aan het artisanale licht brengt, tussen gezond en exquise in. Uitgebalanceerd, deze ampersandeconomie! Dagtrips worden er naar dergelijke hoeves ondernomen, met gratis proeven en bij één organisatie vervolgd door een ‘koffietafel met kroket’.
Zelf heb ik geen plannen eraan te beginnen. Maar als ik dat doe, dan gelijk in de alcoholische variant, ter desinfectie van het pure: ‘Het is belangrijk dat de melk elke dag gedronken wordt (opbouwen met 4 dagen een half potje te drinken). De eerste weken kan men ongemakjes voelen, meer uitslag of gerommel in de darmen. Daarna afbouwen (4 dagen een half potje te drinken), nooit van de ene dag op de andere stoppen. Het is belangrijk dat je geen enkele dag overslaat.’
Wellicht kan het ook door de koffie geroerd, opdat het ouderwetse reclamewoord vlees wordt: ‘de koffie staat bruin’.
Knap van zo’n aanvulling in de naam is dat de niche zich er minder in opdringt. Er zijn immers veel meer winkels voor gespecialiseerde koffie en gebak/koek/broodjes, die al te cru Company heten – in de lingua franca van de globalisering, wier legitimatie overuren draait. Ik veronderstel dat een bewuste consument daar net iets minder achteloos zijn Bourgondische leven tentoonspreidt.
Bestudering van de menukaart leert dat de winkels in de &-variant vaak een koffie hebben die naar henzelf is vernoemd. Als beschrijving wordt vervolgens een zeer minieme tip van de sluier opgelicht: ‘verrassing van het huis’. Menigmaal wordt bij de koffie dan ‘een likeurtje’ geserveerd. Ik vrees dat men in Vlaanderen ervan zal opkijken wanneer dit als een innovatie geldt – een beetje café geeft hier bij de koffie een advocaatje of tenminste een pinkglaasje met sterk door die drank aangegrepen room.
Als het koningskoppel koffie & drank ter sprake komt, vallen mijn gesprekspartners ruwweg in twee groepen uiteen: traditionalisten van veelal mannelijke kunne die aan cognac denken, en jongeren van veelal vrouwelijk kunne die met Amaretto geuren. Wanneer de wind goed staat lukt het me zelfs zonder te spieken nog wat varianten te geven, die soms naar een land, plaats of heilige zijn vernoemd.
Op veel ervaring terzake kan ik me, überhaupt meer serieel dan multitaskend, niet beroemen. Wel is bekend dat Herman Brood in zijn finale jaar, waarin talloze doktoren hem elke alcohol ten strengste ontrieden, ‘zware koffie’ dronk die hij Prinsesje noemde: naast de ‘Kahlua, met de nodige Grand Marnier, een scheutje Bénedictine, met een toefje slagroom erop’. Daarmee voerde hij een consequente politiek, omdat hij ook dol was op Long Island Iced Tea: ‘Thee? Nee, dat heb ik er tot op heden niet in mogen aantreffen.’
Uiteraard is dit soort dranken evengoed thuis te nuttigen; alleen al mijn buurtsupermarkt biedt steevast afgeprijsde, omgerekend niet erg goedkope maar kant-en-klare flessen Irish Coffee, Rum Coffee en Hasseltse koffie (met jenever). De inhoud hoeft nog slechts opgewarmd in een pannetje – of in de magnetron die dan wel anglicistisch microgolf heet. Gemakswerk, waarbij vergeleken bisschopswijn pure ironie wordt. Veel gedachten wijd ik er echter niet aan, omdat mijn aandacht sinds kort opgezogen is door een andere fles op die schap.
Paardenmelklikeur.
Inmiddels bezig ik de term zonder braakstuipen maar blijf door mysteries omwonden. Geeft een paard melk? Waar precies? Leidt vrijwillige inname tot prestaties op de lange afstanden? Voltooit alcohol het tot the nose of the salmon? Of wil de naam langs het politiek-metaforisch onbewuste bepaalde associaties verwekken, zoals studentenhaver en walvistraan dat doen?
Ondermaans surfen leert dat paardenmelk al eeuwenoud is en in andere beschavingen, wel op aarde, een elixer geweest is waar nu een taboe op rust. Van de likeurvariant, meer in het bijzonder uit witte merries, lustte Kublai Khan pap. Net als Olivia Newton-John?
In het negentiende-eeuwse Rusland werd deze alcohol ingezet tegen tuberculose. Inmiddels is ze uiteraard alom verkrijgbaar, dus ook op gespecialiseerde boerderijen waar de dieren minder gestrest rondlopen en het onderlinge contact zelfs bij slecht weer goed is. Desgewenst kan de likeur worden gebotteld in leuke paardenflessen, naar keuze zwart of wit, en in de smaken cocos of Baileys – ook drop, karamel, sinaasappel, banaan, honing, ananas, advocaat, mokka, amandel, truffel en natuurlijk koffie trokken als hoofdtoon op mijn scherm voorbij. De indruk rijst dat het product een nieuwe trend van consumeren én ondernemen aan het artisanale licht brengt, tussen gezond en exquise in. Uitgebalanceerd, deze ampersandeconomie! Dagtrips worden er naar dergelijke hoeves ondernomen, met gratis proeven en bij één organisatie vervolgd door een ‘koffietafel met kroket’.
Zelf heb ik geen plannen eraan te beginnen. Maar als ik dat doe, dan gelijk in de alcoholische variant, ter desinfectie van het pure: ‘Het is belangrijk dat de melk elke dag gedronken wordt (opbouwen met 4 dagen een half potje te drinken). De eerste weken kan men ongemakjes voelen, meer uitslag of gerommel in de darmen. Daarna afbouwen (4 dagen een half potje te drinken), nooit van de ene dag op de andere stoppen. Het is belangrijk dat je geen enkele dag overslaat.’
Wellicht kan het ook door de koffie geroerd, opdat het ouderwetse reclamewoord vlees wordt: ‘de koffie staat bruin’.
woensdag 13 januari 2010
Noten lezen
Zeker nu ten langen leste wetenschappelijk is bewezen dat muziek je een beter mens maakt, wordt de opinie dat deze discipline de hoogste der kunsten is helemaal mainstream. Ik onderschrijf haar dan ook van harte. Wel kost het moeite die opvatting te blijven huldigen als ik, om precies te zijn elke avond, ons taalkundig genie S. bezig zie met Het rode kippetje.Hoewel ze niet kan lezen, draagt ze er, het boek op schoot, bijkans in trance stukken uit voor. Ook lispelt ze zinnetjes als ze aan het spelen is. Ik was werkelijk geneigd om de auteur een dankbrief te schrijven en te signaleren wat een opzienbarend geluk hij teweeg had gebracht (met zijn woorden van de olifant-koper voor de schilder-krokodil: ‘Nu begrijp ik dat jouw meesterwerk mijn leven heeft verrijkt’). Maar hij bleek al gestorven en bovendien voer de twijfel door mij in hoeverre ons taalkundig genie werd gestuurd.
Eerst dacht ik dat het bijbehorende plaatje die taal losweekte, waar ze wel amper iets van zou begrijpen. Als de woorden haar even in de steek lieten, begon ze echter met haar armen te zwaaien. Normaal doet ze dat als ze iets te warms eet, hier leek beweging de spraak te maken. Volgens de jongste theorie zou ze dan tot de rechtshandigen behoren, bij wie het motorische en het taalsysteem in één hersenhelft zitten. Daarbij dringt zich de vraag op of gesproken taal voortgekomen is uit gebarentaal.
Gecharmeerd van het idee dat er de eerste keer dat een baby zijn mond dichtknijpt en nee schudt tegen de hem voorgehouden hap een politieke identiteit ontstaat, weet ik nu eigenlijk niet goed of beweging mag worden geschaard onder ritme en zelfs in verband kan gebracht met een liedstructuur. Want S. kent met name het titelverhaal van Het rode kippetje tot in haar vezels, en dat heeft een dermate repetitieve structuur, in een vraag- en antwoordspel, dat ik het, indien dat kon, eerder tussen de cd’s dan tussen de boeken zou opbergen.
En bij de imitatiedrang die ons taalkundig genie de laatste tijd ontplooit, vooral van meisjes tussen de 4 en 24, heeft ze door haar iets oudere verwekker van het andere geslacht ook het fenomeen van het sterke verhaal en de mop in de peiling gekregen. Ze vertelt er inmiddels heel wat, in verzonnen woorden of droedels van de tong, maar met de juiste dictie, snelheid en, vlak voor de clou, pauzes. Daarna lacht ze zeer smakelijk om de door haar aangerichte eenvoudige complexiteit.
Ik besef dat dit overkomt als snoeverij van een vader, maar tracht eens bescheiden te blijven als een aankleedhebbelijkheidje van je dochter wordt overgenomen in New York en zich nu over de wereldsteden verbreidt. Anderzijds zou S. op school iemand gebeten hebben, en omdat ze ‘charmant, aimabel en vriendelijk’ is, kan het niet anders of ze is, getuige de advocatuur die zich over het geestesleven van België ontfermd heeft, een seriekannibaal. De journalistiek die bij dit spiegelvoorhouden de concurrent is, weet bovendien dat ze in haar vermeende onschuld, bijna drie jaar en wonend in een provinciestadje waar het wiel nog moet worden uitgevonden, ‘het archetype van de donkerste angst van de Vlaming’ vormt.
Maar ja, c’est le ton qui fait la musique, ook voor wie gebeten is door het nieuws. Dus laat ik het inzake het hoofdlemma in de encyclopedie van de esthetische ervaring aldus zeggen: in de kamer waar ons taalkundig genie leest, staat een cd-wisselaar voor vijf schijfjes tegelijk. Als verantwoorde ouders verdelen we daar telkens wat genres over: klassiek, jazz, pop, latin en funk. Indien de cd-wisselaar onder het lezen nu toevallig overwipt naar het laatstgenoemde genre, dan gooit ons taalkundig genie het boek opzij en gaat ze dansen.
Toch kunstdisciplines in hiërarchieën doven? Al blijft muziek voor S. de alfa en de omega, uiteindelijk zijgt ze ineen, springt op de bank en vervolgt haar verhaal.
woensdag 6 januari 2010
Leerschool
Stationair draaiend tijdens het maken van een boek over koffie, leek het me listig om de kunst even af te kijken bij schijnbare verwante werken. Zo haalde ik Lelystad in huis, van Joris van Casteren. Ik had er goede dingen over gelezen, onder meer over de grenzen tussen fictie en non-fictie die ik zelf zou willen slechten. Andere boeken en journalistieke artikelen die me van Van Casteren bekend zijn ademen een nuchtere betrokkenheid – precies wat ik zoek.
Tegelijk interesseerde mij, als Hollandse emigrant misschien om sentimentele redenen, zijn onderwerp. Het prikkelde ook de fantasie, een nieuw te bouwen stad op land dat op zee is gewonnen. Dus ik verheugde me op Lelystad en ik moet zeggen: ik heb me bij het lezen geamuseerd. Wellicht wat te veel, want geconfronteerd met een monocausale verhandeling is het me nu helemaal een raadsel welke kant ik op moet.
Van Casteren heeft verbluffend veel achterafinformatie verwerkt over een stad die hij vanaf zijn prilste jeugd kent. De eerste beweger bij hem is de jaren zeventig. En daar zijn ze weer: de baarden! Ze hangen aan mannen die de wereld willen verbeteren, allereerst door te experimenteren met hun leven zodat ze hun ware zelf kunnen bereiken, zonder overgeërfde schuld. Zouden ze daar nu in zekere zin, bien etonné, een pluim voor krijgen van Bolkestein, het boek memoreert slechts ettelijke cursussen, en na minstens zoveel scheidingen worden in Lelystad vrouwen lesbisch. Volgens mij zijn ‘de jaren zeventig’ vaker zo beschreven, steevast met dezelfde vruchteloze uitkomst.
Een ander wereldbeteringsfacet dat Van Casteren oprakelt, houdt in dat men omstandigheden schept die een groter algemeen geluk verwekken. Ook hier komt niets van terecht – kritiek op Verlichtingspremissen is bon ton. Bijvoorbeeld in het werk van Grunberg, waaraan Lelystad me vooral deed denken wegens de stijl. Het zinloze detail van Reve is het badinerende detail geworden. Maar mogelijk vinden lezers het treffend om, na de spruitjesgeur van de jaren vijftig, een decennium getypeerd te zien met vegetarisme, en attributen als taaie aubergines of tofoe. Vanuit een ander perspectief keken sommigen verder dan de Hollandse pot en waren misschien zelfs hun tijd vooruit inzake een immens eenentwintigste-eeuws probleem: vleesconsumptie.
Het zal vanwege die optimale herkenningskarakteristiek zijn dat de auteur ‘in een stellingkast (…) de strijdbare lectuur van Hannes Meinkema en Anja Meulenbelt’ opmerkt, terwijl hij elders omstandig het begrip ‘groene weduwe’ uitlegt – een Meinkematitel. De denigrerende kwalificatie ‘lectuur’ zal ik niet proberen door te denken.
Van aanhalingstekens wemelt het overigens in Lelystad, alsof er geen misverstand over mag bestaan dat de auteur niets met die rariteiten van doen heeft. Die smetvrees maakt de literair bedoelde taal paradoxalerwijs eenvormig, waar de sobere, journalistiek geknede grammatica de tekst een dreun meegeeft. Soms leidt dit tot onnavolgbare associaties: ‘De Centrumpartij kwam in de gemeenteraad, een vader sloeg zijn baby dood.’
Van Casteren wil zijn informatiesurplus niet te zeer uitbuiten in de non-fictiehoofdstukken; de meer literair aandoende passages dringen voor. Tegelijk verantwoordt hij zijn hybride tekst als waar gebeurd. Misschien ben ik te gefixeerd op zijn methode, maar de moeilijkheid lijkt dan dat het afsluitende deel van Lelystad, een evaluerende terugblik met de personages, in een reportagevorm gegoten is. De auteur voelt zich genoodzaakt hen te herintroduceren via de details. Dus herinnert hij de lezers bijvoorbeeld zelf aan iemand van wie was verteld dat zijn baan bestond uit het leggen van takjes peterselie op huzarenslaatjes. Wie dat de eerste keer al niet grunbergiaans vond, haakt alsnog af. Ook ligt het te zeer voor de hand dat de verhalen uit het heden onflorissant zijn; de enige belangwekkende vraag, of dat exclusief aan Lelystad en de tijdgeest ligt, stelt Van Casteren niet omdat het antwoord kennelijk bij voorbaat ja luidt.
Komt die blikvernauwing voort uit een wens ervaringsgevoeligheid luchtig te etaleren? ‘Elke dag keek ik televisie, iedereen in Lelystad keek elke dag televisie.’ Behalve dat de scheidslijn tussen stijl en truc hier vaag is, doet de zin geen recht aan luttele inwoners die iets anders deden én aan nogal talrijke niet-Lelystadse Nederlanders die hetzelfde deden. Nu ik dat beweer, trek ik het boek uit het literaire domein – wat Van Casterens intentie lijkt.
Hij stelt dat in Lelystad ‘de dingen eenvoudig waren wat ze waren’. Die indruk verbindt hij met de these dat in principe ‘geen metafoor’ te vinden was in zijn plaats van handeling, ‘geen verbeelding’, ‘geen symboliek’: curieus, omdat Lelystad juist wordt gereduceerd tot clichés die een ideologische kritiek (op illusies, maakbaarheid et cet) demonstreren.
De poëticale passage valt onder een door de hoofdfiguur beleefde verlossing door gedichten. Positief benadrukt in Lelystad is bijvoorbeeld de poëzie van Kees Ouwens. Geciteerd worden diens mooie regels: ‘denk nu aan het licht dat de zeearmen het land in werpen verder dan / zij erin binnendringen’. Ze komen uit Afdankingen uit 1995. Maar bij kennisname ervan heeft Van Casterens hoofdfiguur nog even voor hij ‘in de herfst van 1994’ in Utrecht journalistiek gaat studeren.
donderdag 31 december 2009
Nee, de hare
Zoekend naar voorlopige constanten in de teksten hier, valt me de beeldvorming van ‘de jaren zeventig’ op. Vrijwel in het begin ontdekte ik dat die gepaard gaat met draderigheid in de metaforiek. Ik gaf ‘geitenwol’, maar ‘macramé’ had evengoed gekund. Ook in ‘sandalen’ zit dat gevlochtene.
Dat die beeldspraak tot aan het lichaam kan doorgevoerd, blijkt uit inzichten van de jongste autoriteiten in mijn vak. In een pamflet van de een viel er inzake mijn onderzoeksperiode te vernemen over ‘baardig engagement à la Vogelaar’, een column van de ander typeerde milieubewuste activisten van weleer als ‘baardige macrobioten’, en de derde wist in een opstel dat God gepersonifieerd werd als ‘oude man met baard’ vanwege de oikonomia: om voor het geloof zaken helder te maken waren grove simplificaties toegestaan.
Toch is die laatste topos revelerend voor de amplitude van de baard. Wie denkt god – of in hetzelfde decennium Jesus Christ Superstar – uiterlijk te kunnen evenaren, heeft pretenties. Verbetering voor gansch de menschheid! Dat daarbij, bijvoorbeeld door ontwikkelingshulp, het nodige wordt weggegeven, roept nog een fameuze baard op: van Sinterklaas.
Welke enigszins representatieve figuur voor de jaren zeventig had zulk haar op zijn kin? In het kabinet-Den Uyl niemand. Roel van Duyn wel, maar die lijkt principieel oppositioneel en tijdloos (net als Chriet Titulaer, die bovendien een onderlangsbaard had). Het andere geloofsitem kent evenmin significanties; van het roemruchte Oranje uit 1974 had louter Barry Hulshoff een baard en hij was reserve. En het stomme is: als ik iemand met ‘de jaren zeventig’ associeer, dan toch wel Telly Savalas, die niet direct bekendstaat om zijn weelderige haardos.
Wanorde tekent deze metaforiek. Draderigheid leent zich immers tot lastig te ontwarren knopen. Een equivalent kan dan gezocht in de toenmalige symfonische rock die verschillende genres en tempi inpaste. De musici van die dienst droegen inderdaad nogal eens uitbundige baarden à la Catweazle. Het braver exemplaar van een kalmer vertolker in deze discipline, volgens wie Den Uyl in de olie was (‘Hij moet ’t maar versieren bij al die Arabieren / Als haremmeisje met een blonde pruik / Ik zie hem daar al dansen, knipogen en sjansen / Jopie met z’n blote witte buik’), hing in de kapsalon waar mijn moeder zich onderwierp aan ‘wassenwatergolven’.
De dictator van het decennium, Pol Pot, was dan weer cleanshaven. Zijn drijfveren, en die van zijn snordragende voorgangers Hitler en Stalin, kunnen vermoedelijk grosso modo verklaard door de bebaarde eminenties Darwin en Freud, eventueel ondersteund met praktijkervaring van Raspoetin. Op hun beurt hadden zij geen klassieke ringbaard uit de asterixiaanse filosofie, waarin de oratorsmond blootlag. In de jaren zeventig moet men dan gezichtsoverwoekering diagnosticeren. De natuur kon zijn gang gaan in plaats van omheind en gesnoeid te worden. Onder zulke baarden droeg men volgens ingewijden een tuinbroek (vgl. Paulus de Boskabouter).
Oogt een baard te vrijblijvend en in laatste instantie dus onbetrouwbaar? Lubbers, die aanleg had voor gezichtshaargroei, scheerde zich naar verluidt tweemaal daags (en liet het spleetje tussen zijn voortanden dichten, maar da’s een ingewikkelder verhaal). We zijn dan echter een decennium later, wanneer Lech Walesa zich aandient met meer snor dan baard, zeldzaam voor een politicus. Er was een Castro, complex bevriend met Che, een Arafat, er zou een Lula da Silva komen, maar verder?
Na de val van de Muur trad de five-’o-clockshadow in werking waarbij, zie Danny Blind, ruwe stoppels zich decent presenteerden. Voor het bereiken en handhaven van die verzorgde onverschilligheid leek gedurig onderhoud noodzakelijk: het neoliberalisme in optima forma. Die ideologie toonde met de kredietcrisis haar ware gezicht en de behandelend econoom had dan ook een ouderwetse baard, net als dokter Pachauri die de aanpalende rest kan opruimen.
Van de 25 geweldigste Vlamingen van het decennium geven de foto’s in Standaard Magazine een muzikant, een acteur, een atleet, een wetenschapper en een schilder als baarddrager. Bij die 20% openbaarde zich, de wetenschapper niet te na gesproken, ontluikend flos.
Volgens de jongste Noord-Nederlandse trend, die mijn gedachteleven retrospectief heeft bezet, is de baard terug. Twintigers en dertigers hebben hem ‘herontdekt. Onze generatie is informeel, maar niet hemelbestormend, heeft weinig achting voor gezag, maar houdt zich wel netjes aan de regels. (…) De baard is van iedereen geworden, van links tot rechts, van skater tot soldaat, van modenicht tot zorgboerderijbewoner’.
Deze revival heeft iets snaaks, getuige de dracht bij een alom gevreesde religie, waarvan de ene wereldlijke leider meer gezichtsflora heeft dan de andere. Ver weg ontstond wel doodleuk een shavebeweging. Op instigatie van een scheermessenmerk, maar ach, onbevangen redeneren wenst een logisch fundament – luidde Van Ockhams bijnaam niet Eerbiedwaardige Beginner?
Dat die beeldspraak tot aan het lichaam kan doorgevoerd, blijkt uit inzichten van de jongste autoriteiten in mijn vak. In een pamflet van de een viel er inzake mijn onderzoeksperiode te vernemen over ‘baardig engagement à la Vogelaar’, een column van de ander typeerde milieubewuste activisten van weleer als ‘baardige macrobioten’, en de derde wist in een opstel dat God gepersonifieerd werd als ‘oude man met baard’ vanwege de oikonomia: om voor het geloof zaken helder te maken waren grove simplificaties toegestaan.
Toch is die laatste topos revelerend voor de amplitude van de baard. Wie denkt god – of in hetzelfde decennium Jesus Christ Superstar – uiterlijk te kunnen evenaren, heeft pretenties. Verbetering voor gansch de menschheid! Dat daarbij, bijvoorbeeld door ontwikkelingshulp, het nodige wordt weggegeven, roept nog een fameuze baard op: van Sinterklaas.
Welke enigszins representatieve figuur voor de jaren zeventig had zulk haar op zijn kin? In het kabinet-Den Uyl niemand. Roel van Duyn wel, maar die lijkt principieel oppositioneel en tijdloos (net als Chriet Titulaer, die bovendien een onderlangsbaard had). Het andere geloofsitem kent evenmin significanties; van het roemruchte Oranje uit 1974 had louter Barry Hulshoff een baard en hij was reserve. En het stomme is: als ik iemand met ‘de jaren zeventig’ associeer, dan toch wel Telly Savalas, die niet direct bekendstaat om zijn weelderige haardos.
Wanorde tekent deze metaforiek. Draderigheid leent zich immers tot lastig te ontwarren knopen. Een equivalent kan dan gezocht in de toenmalige symfonische rock die verschillende genres en tempi inpaste. De musici van die dienst droegen inderdaad nogal eens uitbundige baarden à la Catweazle. Het braver exemplaar van een kalmer vertolker in deze discipline, volgens wie Den Uyl in de olie was (‘Hij moet ’t maar versieren bij al die Arabieren / Als haremmeisje met een blonde pruik / Ik zie hem daar al dansen, knipogen en sjansen / Jopie met z’n blote witte buik’), hing in de kapsalon waar mijn moeder zich onderwierp aan ‘wassenwatergolven’.
De dictator van het decennium, Pol Pot, was dan weer cleanshaven. Zijn drijfveren, en die van zijn snordragende voorgangers Hitler en Stalin, kunnen vermoedelijk grosso modo verklaard door de bebaarde eminenties Darwin en Freud, eventueel ondersteund met praktijkervaring van Raspoetin. Op hun beurt hadden zij geen klassieke ringbaard uit de asterixiaanse filosofie, waarin de oratorsmond blootlag. In de jaren zeventig moet men dan gezichtsoverwoekering diagnosticeren. De natuur kon zijn gang gaan in plaats van omheind en gesnoeid te worden. Onder zulke baarden droeg men volgens ingewijden een tuinbroek (vgl. Paulus de Boskabouter).
Oogt een baard te vrijblijvend en in laatste instantie dus onbetrouwbaar? Lubbers, die aanleg had voor gezichtshaargroei, scheerde zich naar verluidt tweemaal daags (en liet het spleetje tussen zijn voortanden dichten, maar da’s een ingewikkelder verhaal). We zijn dan echter een decennium later, wanneer Lech Walesa zich aandient met meer snor dan baard, zeldzaam voor een politicus. Er was een Castro, complex bevriend met Che, een Arafat, er zou een Lula da Silva komen, maar verder?
Na de val van de Muur trad de five-’o-clockshadow in werking waarbij, zie Danny Blind, ruwe stoppels zich decent presenteerden. Voor het bereiken en handhaven van die verzorgde onverschilligheid leek gedurig onderhoud noodzakelijk: het neoliberalisme in optima forma. Die ideologie toonde met de kredietcrisis haar ware gezicht en de behandelend econoom had dan ook een ouderwetse baard, net als dokter Pachauri die de aanpalende rest kan opruimen.
Van de 25 geweldigste Vlamingen van het decennium geven de foto’s in Standaard Magazine een muzikant, een acteur, een atleet, een wetenschapper en een schilder als baarddrager. Bij die 20% openbaarde zich, de wetenschapper niet te na gesproken, ontluikend flos.
Volgens de jongste Noord-Nederlandse trend, die mijn gedachteleven retrospectief heeft bezet, is de baard terug. Twintigers en dertigers hebben hem ‘herontdekt. Onze generatie is informeel, maar niet hemelbestormend, heeft weinig achting voor gezag, maar houdt zich wel netjes aan de regels. (…) De baard is van iedereen geworden, van links tot rechts, van skater tot soldaat, van modenicht tot zorgboerderijbewoner’.
Deze revival heeft iets snaaks, getuige de dracht bij een alom gevreesde religie, waarvan de ene wereldlijke leider meer gezichtsflora heeft dan de andere. Ver weg ontstond wel doodleuk een shavebeweging. Op instigatie van een scheermessenmerk, maar ach, onbevangen redeneren wenst een logisch fundament – luidde Van Ockhams bijnaam niet Eerbiedwaardige Beginner?
Naschrift
Misschien kan in tijden van economische crises deze mode nog wat opleveren voor de schatkist: onder Peter de Grote bestond er een baardbelasting van 100 roebel per jaar.
Misschien kan in tijden van economische crises deze mode nog wat opleveren voor de schatkist: onder Peter de Grote bestond er een baardbelasting van 100 roebel per jaar.
donderdag 24 december 2009
Cyclus
nu haas
haas
mijn naam is haas
james haas
woensdag 16 december 2009
Bekroning?
Het leek een logisch bericht vorige week: de Constantijn Huygens-prijs voor Arnon Grunberg. Vanaf zijn debuut Blauwe maandagen uit 1994 is hij bijna constant in het nieuws. Tegen het bezopen idee van de literator die eens in de tien jaar tussen ettelijke depressies een boekje afscheidt, produceert Grunberg de ene titel na de andere, in zo’n tempo dat hij er minstens één pseudoniem op nahoudt. Gelet op zijn marktwaarde is het hilarisch dat tussen de drie huizen die hij hiervoor koos, niet het voorspelbare zit. Kranten en tijdschriften zijn ook letterlijk vol van hem, met columns. En hij leverde een boekenweekgeschenk, was televisiepresentator enz.
Van stonde af kreeg Grunbergs werk tevens prijzen, waaronder de grote niet te vermijden sponsordingen. Genretechnisch was de auteur van alle markten thuis, hij toonde zich prettig nuchter tegenover reputaties, was geestig en belezen, geïnteresseerd in de hele wereld. Voor sommigen is Blauwe maandagen zelfs een historische maatstaf. En toen Grunberg 35 jaar was, viel zijn naam reeds in verband met Neerlands summa summarum dat de P.C. Hooft-prijs heet.
Pas na paar dagen rees bij mij het idee dat het bericht toch ongewoon was. De Huygensprijs is een oeuvreprijs, die in de correctie op de markt keynesiaans mag heten. Grunberg timmert nu vijftien jaar aan de weg en is 38 jaar, een leeftijd waarop Mutsaers, net omhangen met die P.C. Hooft-prijs, nog aan haar letterkundig oeuvre moest beginnen. Wel hadden voorgangers als Hermans, Reve en Wolkers in hun tijd grootse boeken gepubliceerd als Paranoia en De god Denkbaar Denkbaar de god, Werther Nieland en The Acrobat, Gesponnen suiker en Een roos van vlees – die gevolgd zouden worden door meer. Overigens kreeg van deze drie alleen de laatste de Huygensprijs, als 57-jarige (hij weigerde). Kanonnen uit het diepe zuiden als Boon en Claus waren bij dezelfde eer ook de vijftig gepasseerd.
Heeft Grunberg even hoge toppen geschoren? Ik weet het werkelijk niet. Om elk van zijn werken zit bij lancering meteen een ondoordringbare korst van commentaar. Hij is terstond even illuster gemaakt als de genoemde auteurs. Over die postnostalgie hoeft niet rabiaat cultuurpessimistisch gedaan te worden. Het literaire klimaat is domweg veranderd: Grunberg behoort tot de eerste auteurs die zonder papieren in de markt werden gezet. Hij had wel wat toneel geschreven, maar het traject van geleidelijke opgang en prestigegewin via literaire tijdschriften werd overgeslagen.
Die alomtegenwoordigheid herijkt de verhoudingen. Bijvoorbeeld de ook vaak onderscheiden Tonnus Oosterhoff, die ouder is en langer publiceert maar niet expliciet in de publieke opinie meedeint, zou voor de Huygensprijs een minder vanzelfsprekende gegadigde zijn. Deze kan ook niet bogen op akkevietjes met een collega, waarmee Grunberg het neoliberale beding van concurrentie bevestigde. Dat hij vervolgens wereldkundig maakte niet langer in de Lage Landen aanwezig te zijn bij branchefestiviteiten, liet meteen de ballon van de literatuurkritiek leeglopen: op een opiniepagina gepubliceerd haalde het als nieuwsfeit alle media.
Wie ben ik om zulke observaties te doen? Ik las slechts twee Grunbergboeken. Wel kreeg ik eens diachroon zicht op zijn confraters en -zusters. Stilistisch bleek er veel navolging. Komen al die epigonen niet voort uit uitgevershoop (op een kaskraker)? Verder was ik ooit beduusd van Grunbergs Tirza, dat een manuscript in statu nascendi leek. Daarvan heb ik er het laatste decennium meer gezien, niet het minst bij merknamen. Kennelijk noopt economisch belang tot haast in de afwerking, wat Grunbergs begaafdheid principieel onderdrukt.
Hier kleeft iets raars aan. Indien ik mijn Tirza-indruk had omgezet in een analyse (wat minder spannend is dan een bewonderend artikel schrijven), was ik in een zogenaamde polemiek getuimeld die elke verwachting bevredigt: meermaals bekroond boek van een succesvol auteur krijgt zurigheid van niet-verkopende betweter. Tegelijk zou zelfs de schijn van een ‘debat’ niet opgehouden kunnen worden. Er waren hooguit twee circuits zichtbaar geworden: van dag- en weekbladpers versus literaire tijdschriften, en zo van publieksschrijvers versus elitaire schrijvers, welke etiketten hier trouwens concreet kant noch wal raken.
Geldt het specifiek voor dit werk dat het elk commentaar absorbeert, ook datgene wat bestaande lagen tracht af te krabben en zo zelfvernietigende reclame wordt? Wellicht is strategisch handelen nog wel overbodig op het internet, waar kanttekeningen bij de stijl en bij de epistemologische context te vinden zijn. Misschien waren deze notities te soeverein dat ter plekke evenmin een discussie ontbrandde – in hun redelijkheid staan ze eenzaam en profaan te wezen.
Rest de vraag of de oeuvreprijs suggereert dat Grunberg zoetjesaan moet stoppen. Knipogend naar het conflict verklaarde de juryvoorzitter dat de auteur ‘naar verwachting zelf zijn prijs in ontvangst [zal] komen nemen’. Waar jury’s bij zulk rangordefetisjisme de geest van Hayek levend houden, stond het nieuws van de laureaten (er waren er in de slipstream nog drie) ten overvloede niet in een persbericht, maar werd het bekendgemaakt tijdens een radio-uitzending. De toekenning van deze prijs is zonder meer exceptioneel: de jury bekroonde zichzelf.
Update
Grunberg blijkt, evenals een andere laureaat, niet op de prijsuitreiking te zijn geweest; wel riepen deskundigen Tirza uit tot het beste boek van de eenentwintigste eeuw.
dinsdag 8 december 2009
Ars combinatoria
Nu alle ogen even gericht zijn op Kopenhagen, moet ik profiteren voor mijn zelfstudie in de koffiekunde met een stage bij het klimaat. Geweldige vooruitzichten! Indien op termijn Italië een woestijn wordt en West-Europa de mediterrane temperaturen en alles overneemt, gaan we hier een ware koffiecultuur beleven. Ik heb wel gedacht dat Senseo hierop speculeert. Door het gevoel van die naam zingt het beloofde land van de koffie, waarop kenners fehlleisten als ze weten: ‘’Senseo, dat staat voor Vinex, voor twee kinderen en een hond, voor bouwketen en wachtkamers: efficiënt en gemakkelijk’. Vinex klinkt namelijk ook al Italiaans. Zouden de bouwheren van Nederland de gondels door hun droevige slootjes zien gaan? Wel zal, om die pretentie waar te maken, de universalistische bestelling ‘koffie’, die Senseo per definitie is, op ongeloof stuiten. Zelfs in Holland kun je op de menukaart geen ‘warm eten’ aanwijzen.
Volgens mij heeft Starbucks dit risico gesmoord met al zijn doldwaze koffiebenamingen. Wie erop let, ontwaart in het jargon de globalisering van het Italiaans, een hang naar het singuliere. Niet alleen in termen van espresso e.t.q., maar ook inzake kwantiteit. Men rept niet meer van een gemiddelde hoeveelheid maar van een lungo, en evenmin van een grote hoeveelheid maar van een doppio.
Tot die toekomstmuziek ook in de derde en vierde wereld klinkt blijft het Esperanto Engels. Dat had 1113 woorden veil voor het klimaat, die in 56 kranten over de hele wereld het voorpaginalicht zagen. Er was duchtig over onderhandeld, waarbij men hopelijk van de zenuwen niet meer koffie is gaan pakken. Natuurlijk, het verhoudt zich niet met een kilo rundvlees, voor de productie waarvan 15.000 liter water nodig is, maar het blijkt nog altijd minder verkwistend om dagelijks een bad te nemen dan een kopje koffie à 20 centiliter te drinken: daartoe heeft 140 liter water moeten stromen.
Dat de rangen worden gesloten om voor iets op te komen, geeft voorspelbare tegenkanting. Bijvoorbeeld het wat-je-zegt-ben-je-zelf-argument, het detecteren van historische tegenspraak of het wrikken aan details waaruit een samenzwering moet oprijzen omdat de toestand ook weer niet geheel apocalyptisch is. Defensieve reflexen, die destijds reeds tegen de Club van Rome ingang vonden – zodat nu de rapen gaar zijn en we alsnog ons milieu moeten koesteren.
Bij de koffiehandel wekken nobele intenties soortgelijke irritaties. Een fanatiek, niet zelden gesubsidieerd en met beroemdheden gelardeerd nastreven van respect en rechtvaardigheid wekt de indruk dat de Ander op uitverkorenheid zit te wachten. Het kan ook de directe behoeftebevrediging van mensen bedreigen. Met die bril op vindt men agitatie ongepast tegen handelaren uit de privésector die inmiddels keurmerken uitroepen. Want uiteraard bestaat er ook zoiets als een bioproductenlijn, waarvan een inventief bedrijf marktleider kan worden. Het woord ‘duurzaam’ is er even betekenisloos in geworden als een resem termen uit de klimaatzorg. Toch is het net zo demagogisch om, zoals de Tsjechische president Klaus, ‘milieuhysterie’ te diagnosticeren tegen de ‘waarheid’ uit de Verlichtingsratio, en in de ‘propaganda’ van groene bewegingen dictatoriale neigingen te zien die de na de val van de Muur moeizaam herwonnen persoonlijke vrijheid door middel van ‘centrale planning’ zouden bedreigen.
Even combineren. Koffieschillen van Braziliaanse plantages worden in Geertruidenberg als biobrandstof gebruikt. De lange weg naar Nederland kost dan wel energie, de klimaatwinst is er volgens het bedrijf van dienst. In Brazilië verpatsen plantagehouders de schillen om met de opbrengst kalium te kopen voor de bemesting. Dat betekent een CO2-verlies van 100 procent, terwijl verzamelen van de koffieschillen, tot brokken verwerken, vervoeren en opstoken in een Nederlandse centrale tegenover de gekende brandstoffen een CO2-reductie oplevert van meer dan 90 procent. De schillen worden bovendien opgehaald bij kleine boeren die koffie leveren aan notoire keurmerken, zodat stroom uit schillen naar verluidt een eerlijk karakter heeft.
Ook hebben volgens onderzoek klimaatveranderingen repercussies voor de koffieproductie. In tweederde van het teeltgrondtechnisch ideale Oeganda, waar 80% van de arbeidskrachten van koffiebouw leeft, dreigen de nuttige halfjaarlijkse periodes van regen om te slaan in droogte en maanden van onweer. Op dit moment zijn er echter andere problemen: ziektes aan de planten! Sowieso moeten milieuontwikkelingen nogal cynisch zijn voor eerstelijnsactoren van deze geweldige drank: nu voormalige arme landen eindelijk wat economische weelde binnenhalen, manen klimaatveranderingen hen tot voorzichtigheid. De nationale Reve zou er zijn slogan ‘Koopt Nederlandse waar/ Dan helpen wij elkaar’ lastig verkocht krijgen.
Tegen het feit dat onderwijl uitgerekend media ‘het klimaat’ deze week op de agenda zetten, zijn allerlei snuggere ideologische bezwaren aan te voeren. Dat is door de initiatiefnemers zelf trouwens gedaan – de immense belangen scheppen al genoeg verwarring. Zelf vind ik juist de perversiteit schitterend dat media uitkomen voor hun macht en druk uitoefenen voor een zaak waarvan het nut zelfs door de grootste zwartkijker uiteindelijk niet weerlegd kan. En schade kunnen ze er niet door oplopen.
Dat lag anders bij een grootverbruiker van koffie: Jean-Paul Sartre. Bij het mobiliseren van de publieke opinie stond hij pal. Er is berekend dat hij in tien jaar tijd eens eenennegentig Le Monde-petities ondertekende. Voorts bezocht hij alle denkbare buitenlanden tegen het onrecht ter plekke, als hij niet de zoveelste inleiding moest maken bij een sympathiek maar weinig wereldschokkend schotschriftje. En voor hij begon te voelen dat collega’s beter in de markt lagen, beklaagde Sartre zich er al over dat hij ‘een marionet was geworden, een schrijver-object, gevangen in zijn eigen beroemdheid’.
Om aan de vraag te kunnen voldoen moest hij, zoals bekend, permanent aan de praat worden gehouden met pillen, tabak, vet voedsel en dranken van uiteenlopende percentages. Het is dat zijn pijprokerij bewijst dat een open vuur bij de man kon, anders zou hij heus een beweegbare chemische fabriek zijn geweest – een te makkelijke en onbillijke prooi voor toekomstige milieufanaten.
Volgens mij heeft Starbucks dit risico gesmoord met al zijn doldwaze koffiebenamingen. Wie erop let, ontwaart in het jargon de globalisering van het Italiaans, een hang naar het singuliere. Niet alleen in termen van espresso e.t.q., maar ook inzake kwantiteit. Men rept niet meer van een gemiddelde hoeveelheid maar van een lungo, en evenmin van een grote hoeveelheid maar van een doppio.
Tot die toekomstmuziek ook in de derde en vierde wereld klinkt blijft het Esperanto Engels. Dat had 1113 woorden veil voor het klimaat, die in 56 kranten over de hele wereld het voorpaginalicht zagen. Er was duchtig over onderhandeld, waarbij men hopelijk van de zenuwen niet meer koffie is gaan pakken. Natuurlijk, het verhoudt zich niet met een kilo rundvlees, voor de productie waarvan 15.000 liter water nodig is, maar het blijkt nog altijd minder verkwistend om dagelijks een bad te nemen dan een kopje koffie à 20 centiliter te drinken: daartoe heeft 140 liter water moeten stromen.
Dat de rangen worden gesloten om voor iets op te komen, geeft voorspelbare tegenkanting. Bijvoorbeeld het wat-je-zegt-ben-je-zelf-argument, het detecteren van historische tegenspraak of het wrikken aan details waaruit een samenzwering moet oprijzen omdat de toestand ook weer niet geheel apocalyptisch is. Defensieve reflexen, die destijds reeds tegen de Club van Rome ingang vonden – zodat nu de rapen gaar zijn en we alsnog ons milieu moeten koesteren.
Bij de koffiehandel wekken nobele intenties soortgelijke irritaties. Een fanatiek, niet zelden gesubsidieerd en met beroemdheden gelardeerd nastreven van respect en rechtvaardigheid wekt de indruk dat de Ander op uitverkorenheid zit te wachten. Het kan ook de directe behoeftebevrediging van mensen bedreigen. Met die bril op vindt men agitatie ongepast tegen handelaren uit de privésector die inmiddels keurmerken uitroepen. Want uiteraard bestaat er ook zoiets als een bioproductenlijn, waarvan een inventief bedrijf marktleider kan worden. Het woord ‘duurzaam’ is er even betekenisloos in geworden als een resem termen uit de klimaatzorg. Toch is het net zo demagogisch om, zoals de Tsjechische president Klaus, ‘milieuhysterie’ te diagnosticeren tegen de ‘waarheid’ uit de Verlichtingsratio, en in de ‘propaganda’ van groene bewegingen dictatoriale neigingen te zien die de na de val van de Muur moeizaam herwonnen persoonlijke vrijheid door middel van ‘centrale planning’ zouden bedreigen.
Even combineren. Koffieschillen van Braziliaanse plantages worden in Geertruidenberg als biobrandstof gebruikt. De lange weg naar Nederland kost dan wel energie, de klimaatwinst is er volgens het bedrijf van dienst. In Brazilië verpatsen plantagehouders de schillen om met de opbrengst kalium te kopen voor de bemesting. Dat betekent een CO2-verlies van 100 procent, terwijl verzamelen van de koffieschillen, tot brokken verwerken, vervoeren en opstoken in een Nederlandse centrale tegenover de gekende brandstoffen een CO2-reductie oplevert van meer dan 90 procent. De schillen worden bovendien opgehaald bij kleine boeren die koffie leveren aan notoire keurmerken, zodat stroom uit schillen naar verluidt een eerlijk karakter heeft.
Ook hebben volgens onderzoek klimaatveranderingen repercussies voor de koffieproductie. In tweederde van het teeltgrondtechnisch ideale Oeganda, waar 80% van de arbeidskrachten van koffiebouw leeft, dreigen de nuttige halfjaarlijkse periodes van regen om te slaan in droogte en maanden van onweer. Op dit moment zijn er echter andere problemen: ziektes aan de planten! Sowieso moeten milieuontwikkelingen nogal cynisch zijn voor eerstelijnsactoren van deze geweldige drank: nu voormalige arme landen eindelijk wat economische weelde binnenhalen, manen klimaatveranderingen hen tot voorzichtigheid. De nationale Reve zou er zijn slogan ‘Koopt Nederlandse waar/ Dan helpen wij elkaar’ lastig verkocht krijgen.
Tegen het feit dat onderwijl uitgerekend media ‘het klimaat’ deze week op de agenda zetten, zijn allerlei snuggere ideologische bezwaren aan te voeren. Dat is door de initiatiefnemers zelf trouwens gedaan – de immense belangen scheppen al genoeg verwarring. Zelf vind ik juist de perversiteit schitterend dat media uitkomen voor hun macht en druk uitoefenen voor een zaak waarvan het nut zelfs door de grootste zwartkijker uiteindelijk niet weerlegd kan. En schade kunnen ze er niet door oplopen.
Dat lag anders bij een grootverbruiker van koffie: Jean-Paul Sartre. Bij het mobiliseren van de publieke opinie stond hij pal. Er is berekend dat hij in tien jaar tijd eens eenennegentig Le Monde-petities ondertekende. Voorts bezocht hij alle denkbare buitenlanden tegen het onrecht ter plekke, als hij niet de zoveelste inleiding moest maken bij een sympathiek maar weinig wereldschokkend schotschriftje. En voor hij begon te voelen dat collega’s beter in de markt lagen, beklaagde Sartre zich er al over dat hij ‘een marionet was geworden, een schrijver-object, gevangen in zijn eigen beroemdheid’.
Om aan de vraag te kunnen voldoen moest hij, zoals bekend, permanent aan de praat worden gehouden met pillen, tabak, vet voedsel en dranken van uiteenlopende percentages. Het is dat zijn pijprokerij bewijst dat een open vuur bij de man kon, anders zou hij heus een beweegbare chemische fabriek zijn geweest – een te makkelijke en onbillijke prooi voor toekomstige milieufanaten.
woensdag 2 december 2009
Raatmoment (4)
Nu het taalkundig genie S. de kaap van de dertig maanden al even heeft gerond, benoemt ze haar vermoedens ook als vermoedens. Het is heus niet omdat ik haar vader ben, en stomtoevallig geen Mesopotamiër of zo, dat moet worden vastgesteld dat ze dit op baanbrekende wijze doet.
Lichtenberg schijnt te hebben neergeschreven: ‘Es denkt in mir’. Da’s niet voor de poes, gelet op het krakkemikkige houvast dat we onze gedachten kunnen bieden – die van die nood maar een deugd maken. Ergens blijft dit inzicht echter veilig en heel.
S. hanteert nu de these: ‘Dat zit zus en zo, denk het’ (curs. MK). Hier twist het onderwerp in de derde persoon enkelvoud openhartig met het werkwoord voor de eerste persoon enkelvoud. Zo gaat dat.
Overigens vermoed ik dat ze de mosterd heeft gehaald uit haar lijfboek Het rode kippetje, meer bepaald uit het verhaal ‘De eend en de vos’. Daar weet de eend van de in het genre toch niet erg onsluwe vos uitstel van executie te krijgen: hij wil haar opeten, en dat wil zij niet. Wel beseft ze dat zijn verlangen allengs groeit.
Na twee listen graaft ze een kuil en bedekt die met takjes, bladeren en aarde. Als de vos dan tegenover haar staat en verklaart dat hij haar nu toch echt gaat opeten, zegt ze: ‘Ja vos, lieve vriend, ik sta al op je te wachten. Ik hoop dat het je zal smaken.’
Wederom is de cursivering van mij. Die toont aan dat empathie redding kan brengen. Juist doordat de eend zich in de vos heeft verplaatst, wordt ze, in zijn ogen, onschuldiger (dan wanneer ze, met reden, ik had gezegd). Dus stormt hij zonder verdere bedenkingen op haar af en valt in de kuil.
Identificatie was haar ondergang geweest.
Lichtenberg schijnt te hebben neergeschreven: ‘Es denkt in mir’. Da’s niet voor de poes, gelet op het krakkemikkige houvast dat we onze gedachten kunnen bieden – die van die nood maar een deugd maken. Ergens blijft dit inzicht echter veilig en heel.
S. hanteert nu de these: ‘Dat zit zus en zo, denk het’ (curs. MK). Hier twist het onderwerp in de derde persoon enkelvoud openhartig met het werkwoord voor de eerste persoon enkelvoud. Zo gaat dat.
Overigens vermoed ik dat ze de mosterd heeft gehaald uit haar lijfboek Het rode kippetje, meer bepaald uit het verhaal ‘De eend en de vos’. Daar weet de eend van de in het genre toch niet erg onsluwe vos uitstel van executie te krijgen: hij wil haar opeten, en dat wil zij niet. Wel beseft ze dat zijn verlangen allengs groeit.
Na twee listen graaft ze een kuil en bedekt die met takjes, bladeren en aarde. Als de vos dan tegenover haar staat en verklaart dat hij haar nu toch echt gaat opeten, zegt ze: ‘Ja vos, lieve vriend, ik sta al op je te wachten. Ik hoop dat het je zal smaken.’
Wederom is de cursivering van mij. Die toont aan dat empathie redding kan brengen. Juist doordat de eend zich in de vos heeft verplaatst, wordt ze, in zijn ogen, onschuldiger (dan wanneer ze, met reden, ik had gezegd). Dus stormt hij zonder verdere bedenkingen op haar af en valt in de kuil.
Identificatie was haar ondergang geweest.
woensdag 25 november 2009
Spreektijd (6)
Wel volgens de vroege Bart De Wever, van zijn eerste opinieperiode bij De Standaard: ‘Het is niet onze schuld dat de boeken van het progressieve schrijversgild, dat ons kennelijk uitspuwt, meestal een roemloos einde wacht bij De Slegte. Integendeel, de Vlaamse deelstaat zorgt voor een Fonds voor de Letteren waarvan de ons-kent-ons van het schrijversgild zich kan bedienen.’ Het idee is hier dat zulke auteurs een autonomie met een januskop verwierven: professionaliteit op kosten van de belastingbetaler, niveau volgens de peergroup. Ook uit menige literaire site stijgt deze visie op. Ze kent een rare kruising van frustratie (over de onbereikbaarheid van de happy few) met leedvermaak (over gebrek aan publiek succes). Ik zag haar eveneens in Gospels en psalmen:
je herkent de dichter aan zijn kwaliteitsjas en het brandgat
de schoft schiet sneller dan zijn subsidiegever
middenin een gesprek kan hij ineens gaan verzitten en een kattebel krabb’len op de rekening die jij
betaalt hij declareert
Dat Erik Jan Harmens in die bundel de naam van een ouderwetse wereldverbeteraar tot driemaal toe verkeerd spelt, zal opzet zijn. Want zulke spot ontspringt uit het gelijk van de vrije markt, waarop het subsidiestelsel een correctie wil zijn die voor criticasters een cadeautje voor arrogant en wereldvreemd gemompel is.
De vrije markt bepaalt het geüpdate schrijverschap dat De Wever, door de bundeling van zijn columns waaruit ik citeerde, evengoed ingesloten heeft. Het beantwoordt de vraag: doe iets balsturigs dat elitarisme met populisme vermengt en dat zich onderscheidt van wat er bij onze concurrent voor de doelgroep gebeurt. Daarbij doet het altijd wat potsierlijke onderschrift ‘schrijver’ een (vanuit de psychologische roman of de romantische kunstenaar geprojecteerd?) dieper menselijk doorzicht en ‘creatieve oplossingen’ vermoeden, én garandeert het dat het betoog niet serieus genomen hoeft. De G.B.J. Hiltermannen van vandaag compenseren het statusverlies van literatuur met hun imago; een mening van zo’n merknaam is pas compleet met een fotootje. ‘Hoe het werkt’ was laatst prachtig zichtbaar in een reportage over de Muur met Geert van Istendael. Tijdens interviews met betrokkenen maakte hij, zijn vingers in close-up, potloodnotities.
Zo valt er misschien nog iets te verhelderen aan het raadsel van de actualiteitswaarde. Door het charisma kan iets dan wel gedateerd worden verklaard, de aura moet die performatief conserveren. Voorbeeld: het wegzakken van de historische moord op Van Gogh vijf jaar na dato. Terwijl de politiek kan ‘zwichten voor de publieke opinie’, worden merknamen hooguit seculiere paters. Voor zover ‘het maatschappelijk debat’ bestaat, hebben zij er niets mee te maken. Opinisten die invitaties voor beleidsaanpassingen verwachten: het villakind dat niet begrijpt dat het van Sinterklaas geen zusje krijgt.
Kunst blijft een geloof, maar ook de hernieuwde interesse voor zingevingsvraagstukken laat het brood niet in het lichaam van Christus veranderen. Geëngageerde fictionele teksten, waar de spreekwoordelijke vis niet in verpakt wordt, zijn bij verschijning even doofstom. Door hun complexiteit is hun boodschap niet in de vereiste 750 woorden te proppen. Een uitgebreidere versie, in het onontkoombare interview, duwt de persoon van de auteur dan weer voor zijn tekst.
Deze ruwe bewegingen grijpen plaats tegen de achtergrond van een survival of the fittest in de uitgeverswereld. Met de literaire agent als outsourcekracht gaat aanwas gepaard met kaalslag in de oudere, minder marktconforme regionen. Het spectrum aan posities overziend kan er een natuurlijke censuur optreden. Daar is geen sprake van, stelde een opiniepaginacoördinator. Hij achtte het ‘intellectueel oneerlijk om te gewagen van een Berufsverbot. Ik ben er maar weinig tegengekomen met intellectuele kracht, stilistische brille, en doorzettingsvermogen die hun stukken niet kwijtraakten – ook in de traditionele media niet’.
Die pertinentie stond op een site die de op het publieksformat geschoeide literaire kritiek wil doorbreken. Het zal uit zijn functie voortkomen dat de coördinator dit platform ‘het belangrijkste project van het Vlaams-Nederlandse literatuurbeleid van de laatste vijf jaar’ noemde, zonder er meteen voor gewonnen te zijn: commentaar op krantenpraktijken wordt snel ‘gratuit’ en ressorteert dan onder naïef cultuurpessimisme. Bovenal leek hem, naar de logica van de vrije markt, het aantal hits op de site de graadmeter voor het succes.
Toch ontwaarde hij veranderingen in printmedia. Volgens hem zijn ‘beschouwers’ vervangen door ‘gidsen’. De laatste aanduiding lijkt rooskleurig. Een gids leidt in Parijs belangstellenden langs vele plaatsen. In printmedia gaat de tour echter exclusief naar Euro Disney. Uitgeverijen investeren tussen hun talloze producten in enkele dingen waarvan de kans op succes zonder return het grootst is. Media zijn dan niet alleen voor de advertenties hun verlengstuk; bij de vijf van de honderd auteurs die simultaan aandacht krijgen worden de ‘literair journalisten’, om de beeldspraak op te pakken, fellowtravellers.
Zelf zou ik trouwens evenmin vrolijk geweest zijn indien slechts het Louvre werd aangedaan. Mocht dat ooit zijn gebeurd, dan valt toe te juichen dat dat voorrecht opgeheven is. In de grote boze wereld was het al idioot genoeg dat deze vanuit Arabië gesponsorde instelling protest aantekende tegen de nieuwe buur McDonald’s. Eerder was ze overstuur geraakt van nog zo’n barbaar, wiens vestigingsplan een petitie wist te ontlokken en die op verzoek ruimhartig catalogi en dergelijke neerlegde in de gewraakte vestiging die er immers toch kwam. Maar ten slotte werd deze Starbucks ietsje minder barbaars bevonden.
zaterdag 21 november 2009
Spreektijd (5)
Tot nu toe lijkt de kwestie: hoe te voorkomen dat exclusief het eigen geloof opgeld doet? Is daartoe profanatie nodig? Ik raak mede tot die aan de beeldspraak schampende samenvatting doordat afwijkende meningen inmiddels wel erg snel ‘dogmatisch’ of ‘fundamentalistisch’ heten. En door een leep citaat van een katholiek, over de verbijstering dat zijn lotgenoten officieel zo aan de Paus hingen: ‘Wij katholieken geloven ten minste in de onfeilbaarheid van één en niet meer dan één persoon. Berust de democratie niet op de veel riskantere opvatting dat de meerderheid van het volk, die uit miljoenen mensen bestaat, onfeilbaar is?’ Hier doemt weer de outsourcingsproblematiek, waarvoor zich het alternatief aandiende van het referendum. Ja of nee kunnen zeggen is echter wat pover, terwijl het me evenzeer de hel lijkt overal vruchtbare visies op te hebben. Nu is dat ook een mening, maar Den Uyls idee van participatie, waarin ze passen, dunkt me veeleer galant dan werkbaar. Niet het minst omdat zwakkeren in de samenleving minder sluw participeren dan het bedrijfsleven, dat een ‘lobby’ tot zijn beschikking heeft, over wier ideologische reikwijdte Blokland, zijn onderzoek naar politicoloog Charles E. Lindblom voortzettend, in de recentste Witte Raaf een verbijsterend artikel publiceerde. Den Uyls participatie-idee raakt mogelijk aan de radendemocratie die in 1970 Roel van Duyn, getuige zijn – op voorspellingen over een vlotjes te leggen noord-zuidmetro na – visionaire protocollenboek Schuldbekentenis van een ambassadeur, in zijn provotijd had uitgedokterd. Daarbij zou het volk spreken in enquêtes, een middel dat thans slechts irritatie verwekt.
Hoe raken burgers wel betrokken? In 2007 heeft een dorp, gecoacht door het onvermijdelijke Motivaction, gepoogd met het project Aanhaken zijn ‘afzijdige’ bewoners te mobiliseren. Vergeefs, een ‘luisterende houding’ pakte niet. Dit fiasco gaf Bas Heijne simultaan op een Noord- en Zuid-Nederlands podium een inzicht: ‘Waar doet die softe, sentimentele, bevoogdend kinderlijke toon aan denken? Aan de hoogtijdagen van het multiculturalisme, toen er voor afzijdige allochtonen van overheidswege ook allerlei ludieke evenementen werden bedacht om elkaar te “ontmoeten”.’ Vervolgens holde Heijne naar Herman van Veens PVV-visie: ‘Wie een ander tegenwoordig voor fascist of NSB’er uitmaakt, verwijst helemaal niet naar de Tweede Wereldoorlog, maar naar de “linkse” jaren 60 en 70. Daar zit het trauma. Hetzelfde geldt voor woorden als extreemrechts, staatsgevaarlijk, enzovoort. Mijn woorden zijn het niet, er is al genoeg heilige verontwaardiging.’
Goh, hier zou ik Roel van Duyn wel eens over willen horen. Met zijn versie van participatie ambieerde hij zelfbestuur, dat Heijne – bij wie door het hoge karikatuurgehalte de poëtische functie de referentiële overvleugelt en die voor alles reageerde op een collega-opinist – toevertrouwd lijkt. En misschien galmt Van Duyns enquêtepleidooi na in niet-aflatende internetpolls. Deze zullen niet louter het idee van de democratische commercie steunen maar ook, getuige de aantallen reacties, enige bevrediging wekken. Of dumpen ‘afzijdige’ burgers louter hun ergernis?
Permanent ontevredenen vormen in het Nederland van Motivaction een kwart tot eenderde van de bevolking. De volgende stap lijkt logisch: die mensen gaan extreem stemmen, uit protest. Dit refreintje blijkt echter een illusie, die meer zegt over de politieke angehauchtheid van de logicus van dienst: men stemt in toenemende mate juist op ideologische voorkeuren. Maar ideologie was na de val van de Muur toch een gepasseerd station, in nostalgische buien aangedaan door brontosaurussen?
Er is en er blijft de werkelijkheid. Michael Dummet heeft gesteld dat geen enkele staat ras, religie of taal tot hoofdonderdeel van de ‘identiteit’ kan maken vanwege het simpele feit dat die artikelen in de loop van de tijd door alle landsgrenzen heen zijn gebroken – of, wegens penibeliteiten, moesten breken. Dat onderwijl aan iets eigens behoefte blijft, staat buiten kijf. Zelfs voetbalhaters voelen zich graag ergens thuis, waarop ze als minderheid evengoed recht hebben; een veerkrachtige cultuur kan hun dat bieden.
Mij ontgaat onderwijl wat links of rechts is aan het erkennen van de werkelijkheid. En wat principieel ‘gedateerd’ kan zijn aan overtuigingen. Momenteel behaagt iedere mogelijke parallel met ‘de jaren zeventig’ als negatief argument, maar de toen geuite visie dat je de Ander lastig kon verwijten in jouw land zijn eigen ding te doen als je zelf elders de kolonisator hebt uitgehangen blijkt dan weer niet valide.
Nu wil ik alledaagse problemen aan het multiculturalisme geenszins minimaliseren, laat staan ontkennen, maar: mij ontbreekt de oplossing. In tegenstelling tot de opinist heb ik er namelijk geen verstand van. Wel zijn al die historische vindplaatsen voor een gelijk broos. In Dood van een gezonde roker citeert Buruma een van de ‘Vrienden van Theo’ die ‘in een respectabel Amsterdams dagblad (…) uiting [gaf] aan iets wat in Nederland niet ongewoon is, namelijk agressiviteit als teken van oprechtheid, het ventileren van woede als bewijs van morele eerlijkheid’. Een specificatie laat weinig te raden over: ‘De onmiddellijke verwijzing naar de holocaust of de joodse diaspora is een bijna natuurlijke reflex geworden. Het is een morele maatstaf, en tegelijkertijd een uitvlucht.’ Of gelden voor kunstenaars andere wetten?
dinsdag 17 november 2009
Spreektijd (4)
Zowel in Nederland als in België luidt meestal het antwoord: nee, maar het gaat al beter. Vaak is boven de rivieren vastgesteld dat de media er in tekst, geluid en bewegend beeld ‘een links feestje’ vieren. Naar Belgische maatstaven blijkt het echter een walhalla omdat er ‘een radicaal nieuw geluid als dat van Fortuyn of Ali’ heeft geklonken; in eigen land is ‘het linkse eenheidsdenken bij opiniemakers uit de journalistieke en culturele wereld’ de maestro.
Bij die ondergangsgeluiden is het grappig dat men niet hoeft te vrezen voor verlinksing van jongeren, want die hebben zich van reguliere actualiteiteninformaties afgewend – internet is de bron. En mij lukt het nog niet, als in de tweede aflevering vermeld, in de ‘linkse maffia’ iets links te ontdekken. Onlangs biechtte opinieleider Tom Naegels aandoenlijk op te vrezen dat zijn leermeester Jan Blommaert hem te gematigd zou achten, hetgeen deze hoffelijk ontkende maar wat een correcte intuïtie leek.
Is Blommaert niet gauw op de wat sloganesk geworden opiniepagina’s te vinden, de lieden die nu here, there, everywhere and else hun meninggevoeg doen zijn legionair viraal. En doordat nog anderen bij specifieke aanleidingen hun expertise kunnen ontladen en Wilders’ ideeën even welkom zijn in de kwaliteitskolommen, zullen de diverse posities inmiddels toch aardig zijn gepresenteerd. Onder de Moerdijk is Bart De Wever in elk geval een gerespecteerde gast die naar eigen zeggen aan ‘de elitaire consensus’ én aan ‘de langzaam vollopende vergaarbak van het rechts populisme’ weet te ontsnappen.
Dat laatste vormde voor mij als Hollander destijds een reden om in den vreemde te gaan. Het bleef dermate ongrijpbaar dat ik vorig jaar een verlate poging tot inburgering heb gedaan door de reacties op de dood van Hugo Claus te bestuderen. Mij bleek dat het devies De mortuis nil nisi bene niet alleen leidde tot zelfcensuur, maar dat, ook na de opheffing van het cordon sanitaire, ongewenste stemmen het zwijgen werd opgelegd. Uitgerekend het land met al zijn deelbelangen klonk in zijn officiële media als een koor opgepoetste koorknapen – het werd in zijn tomeloos geëtaleerde ruimdenkendheid benepen. Als redacteur heb ik van betrokken intellectuelen eveneens wel adviezen gekregen om extremere standpunten af te stoppen.
Vooral het internet fungeert hier als de kwaaie pier. In zijn interessante boek Mediamores wijdde Henk Blanken er passages aan die tot nadenken aanzetten. Ingewikkeld dunkt me dat het kennelijk te democratische medium zelf evengoed neigt tot omheining, tegen op opportuniteiten beluste laatkomers, al legt het ook weer geen verbod op dat het kortelings van een babyboomer kreeg aangezegd. Zulke manoeuvres zijn mij niet bekend over papieren visies met een even gutturaal gelijk; wellicht indiceert de stroom comments erop vol massieve toorn hun succes. Misschien is de opiniepagina ook wel een gesloten podium geworden.
Stuart Hall schreef eens over de geëngageerde aandrift om van ‘de massa’ een abstractum te maken, zodat ze brandstof of fundament wordt van eigen uit te zetten posities. Aldus kan ‘de zwijgende meerderheid’ beschikken over een ‘vals bewustzijn’ en dergelijke. Dat betekent volgens Hall enerzijds dat die intellectuelen het lot nooit concreet hebben gedeeld van de velen voor wie ze beweerden op te komen en anderzijds dat die ‘zwijgende meerderheid’ stiekem best nagedacht kan hebben, maar ‘wij haar het spraakvermogen hebben ontnomen en van de middelen tot enunciatie hebben beroofd’.
Indien dat klopt, dan kunnen media zich wel eens evengoed grandioos verkeken hebben met hun smeuïge stukjes die ‘de onderste steen boven halen’ en ‘onthullen’ en ‘eindelijk durven de waarheid te vertellen’. Ze vertrekken in dat geval van een beeld over hun publiek dat erg denigrerend kan zijn. Dat is tot daaraan toe. Maar zijn uit het olijk gepresenteerde resultaat niet bewust zaken foetsie ten bate van soundbites bij de ‘strijd’ tussen de winnaars en de verliezers – die maar niet op een debat slaagt te lijken?
Is het afgeplatte participatiemodel van Den Uyl omgebogen tot een structuur van niet eens meer een piramide maar van een naald? Hé wacht: dat beeld ben ik ook ooit in de context van uitgeverspolitiek tegengekomen. Daarover binnenkort meer, omdat een andere parallel voordringt, en wel met de aanzet tot deze reeks postings: heette het multiculturalisme niet onder meer mislukt omdat de in de samenleving losgelaten islam een filter hanteerde voor wat strikt voor hen betamelijk was?
dinsdag 10 november 2009
Spreektijd (3)
De jongste cliffhanger was een inkoppertje: dat ze auteur zijn. Wel is, tenzij ik me vergis, de stiel sinds pakweg de jaren tachtig nogal veranderd. Aan de ene kant steeg in printmedia het aantal weekendbijlagen. De journalistiek verkende het grensgebied met literatuur, tussen lifestylereclames kregen reportages een plaats. Betere journalisten werden heuse auteurs. Aan de andere kant zagen uitgevers een gat in de markt voor non-fictie. Bij selecte onderwerpen wilden ze mensen met kennis van zaken die er smijdig over konden verhalen. Wetenschappers met ‘een vlotte pen’ vonden publiek. Door die tweezijdige instroom is om te beginnen in wat ‘literatuur’ heet de stijl aangepast. Het zal te goedkoop zijn om een verklaring te zoeken in compensatie, maar uiterlijk kan een gekatapulteerde auteur zich profileren. Enkelen simuleren dan ‘literatuur’ met veel sententies en meer beeldspraak, en ogen minder als Stravinsky dan als Mantovani. Maar zeker in België hanteren velen het HUMO-jargon, met bijbehorende drilboor voor het bashen – Holland laakt sinds Maximaal het figuurzagen. Hoe sluipend die evolutie postvatte én lezers eraan wennen, besefte ik toen me laatst een roman van Alstein onder ogen kwam. Mogelijk lees ik te weinig of te eenkennig, maar na een paar bladzijden wist ik weer wat fijnzinnigheid en humor inhouden. Die stijl, juist allerminst opvallend: métier, aandacht, tijd!
Een rechtstreeks gevolg dunkt me dat die nieuwe auteurs niet vanzelfsprekend bijdroegen aan literaire tijdschriften maar aan dag- en weekbladen. De gelegenheidscombinatie kwam beide partijen goed uit, vanwege hogere honoraria en de vraag om direct ophefmakende thema’s. Bij het opiniestuk bood de niet-literaire achtergrond zelfs voordeel: journalisten zijn met hun generalistische blik breed geïnformeerd, wetenschappers hebben ervaring in het ‘nuchter’, dus ‘tegendraads’ analyseren van fenomenen.
Nu schijnen opiniestukken, in tegenstelling tot columns, onbetaald te zijn. Dat wekt de vraag: waarom verkondigt iemand als de eerste de beste prediker in het openbaar zijn mening over zaken waar hij geen verstand van heeft? Een bewindsvrouwe die zich eerst wil verdiepen in haar beleidsmaterie, krijgt immers een draai om de oren; daarna wordt ze een running gag.
Het antwoord zal in de auratische sfeer liggen. Dat een opinie van een auteur altijd boeiend is (het Forum-idee van de dilettant boven de specialist). En wellicht doet het performatieve weer wonderen: doordat hij zich erover uitspreekt, wordt het onderwerp actueel. Die nieuwswaarde laat onverlet dat zeker bij opinies met een vaste frequentie de drijfveer gezocht moet worden in een uit de hand gelopen hobby. Daarom lijkt de term ‘opiniemaker’ abuis; analoog aan alpinisme door een alpinist rep ik van ‘opinisme’ door een ‘opinist’ – een ‘opinicus’ klinkt te veel naar de spasticus autisticus die intrinsiek controversieel was.
Het opinisme dat uit alle media gulpt lijkt een marathon waarbij de finish zich telkens verlegt en het dus ten slotte de toeschouwer is die hondsmoe afhaakt, omdat die meningen zelden bijdragen aan ‘het maatschappelijk debat’, veeleer aan elkaar. Geen woord deugt. In de mond van de tegenstander zijn ‘provincialisme’ en ‘essentialisme’ per definitie negatieve begrippen, zij het dat uit het bewijs hiervan af te leiden valt dat er tevens iets ronddart als provinciaal kosmopolitisme en essentialistische singulariteit of zo.
Aan die heisa doet deze posting mee; de marathon kenmerkt zich tevens hierin dat elkeen altijd een startschot mag geven. Wat was mijn aanleiding ook alweer? Inmiddels zegt de stamgast op het publieke forum die multicultureel België aan het tetsen kreeg, na een reactie van nog iemand die zich slagen in de rondte opinieert, te ervaren wat ‘verkrachte vrouwen soms te horen krijgen: ze hebben het zelf uitgelokt’. Dat het signaleren van aanpalende pingpongpartijen een ‘pikant detail’ blijkt op te leveren, verheldert weliswaar de uitdrukking ‘een gebed zonder eind’ maar zou ook kunnen uitnodigen de netto opbrengst eens te wegen.
Mijn these: in de industrie van het opinisme steekt men werktuiglijk een tandje bij. Toevallig zag ik de prachtfilm Tokyo Story en trof daarin het tegenovergestelde van wat me bij Kollwitz opviel. Quoi? Een bejaard echtpaar bezoekt hun kinderen in de grote stad. Zij blijken echter weinig tijd te hebben en sturen hun ouders naar een vakantie-eiland. Als het echtpaar daar niet aardt en voortijdig terugkeert in Tokio, gaan ze de kapsalon binnen van hun dochter. Die excuseert zich onmiddellijk bij haar klanten: ‘Oude kennissen uit de provincie’. Het eigene wordt vanzelf uitgesloten, met een aanpassing aan de veronderstelde omringende zeden.
Onderwijl bepalen opinisten en hun opdrachtgevers door hun lonten in het vuur de omtrek van ons denken, wat er aan verhalen uit mag oplichten. Maar onbetwistbare winnaars van vandaag kunnen morgen in de prak zitten en andersom. Ben ik terug bij af, als de vraag dan luidt: worden de diverse posities netjes verdeeld?
woensdag 4 november 2009
Spreektijd (2)
Na mijn ongelooflijke cliffhanger wou ik beginnen met eigen ervaringen als allochtoon. Maar iets weerhoudt me. Het werk van Käthe Kollwitz dat aan mijn blik voorbij is getrokken? Ik was verbluft door haar in memoriam voor Liebknecht, over wie ze verklaarde: ‘ich war politischer Gegner aber sein Tod gab mir den ersten Ruck zu ihm hin’. De kunstenares heeft dus allengs, door het maken van de houtsnede, het haar wezensvreemde tot in de iconografie trachten in te sluiten. Precies het tegenovergestelde geschiedde bij de drieslag die deze reeks postings instigeerde. Mij boeit het format waarin internationaal deksels van putten gelicht werden. Ze mogen een zondvloed ontketenen, stromen kunnen op diverse wijzen worden geleid. Toen na de moord op Van Gogh een school in Uden in de fik ging, ontwaarde Buruma alvast ‘het oeverloze commentaar van politici, columnisten in kranten, deskundigen op televisie, schrijvers van hoofdartikelen en wijsneuzen in de populaire pers’.
Een lustrumpje later betrof het in Engeland een praatprogramma met politici. Gewenst is dan niet mimicry, maar een kruidige bijdrage. Voor Duitsland was de bron een interview, in een ‘intellectuelenblad’ dat wel een SPD-politicus/bankier uitverkoren had die berucht was om zijn ontplofbare uitspraken. In België ten slotte betrof het een opiniestuk in een dagblad. Dat verdient wat context.
Volgens het zalig overzichtelijke standaardverhaal was voor de Lage Landen 1989 niet alleen het jaar van de val van de Muur. Commerciële televisie zag er eveneens het licht (in België hoefden kranten evenmin à la carte partijen te bedienen). In die postideologische constellatie betekende de ontzuiling in de berichten voor velen een bevrijding. Het agonisme van ‘wij’ versus ‘zij’, ingebakken in het conflictmodel van Den Uyl, leek overwonnen. Voorbij het blinde gelijk! Pluriformiteit zou groeien.
Wat mij vervolgens opvalt zijn niet de deprimerende feiten, ditmaal in Brussel, maar dat ze gelden als baanbrekend in hun openbaarmaking. Uit menig fictieboek, dat misschien niet even gerenommeerd was maar vanwege het genre wel genuanceerd, waren ze namelijk al bekend. Iets soortgelijks is gebeurd met De schaamte voor links van Joost Zwagerman. Dit pamflet baarde opzien terwijl het vaardig copy and pasten uit reeds gepubliceerd eigen werk behelsde.
Zoiets geeft te denken over het medium opiniepagina en/of pamflet. Het oogt als een rituele plek, met een sterk performatieve bodem waardoor de flora per definitie spraakmakend is en dus openbare antwoorden opeist. Binnen die circulaire logica klopt het dat Zwagermans titel verscheen met een door een literaire stichting georganiseerd debat en een door een opinieblad geëntameerde discussie met ‘socialistische’ politici in een kerk.
Anders gezegd serveren zulke bewegingen alsnog een ‘wij’, bestaande uit mensen die zich aangesproken moeten voelen – en die indien ze dat weigeren een ‘zij’ worden. Want dat frappeert mij eveneens: het medium lijkt persoonlijke oordelen te verheffen en schept een algemeengeldigheid. In het Belgische pièce de resistance werd in de verplichte bijschriftjes de auteur ook niet bij naam genoemd, maar in een functie gehesen: ‘Vlaams Parlementslid voor Groen!’. En alsof de duvel ermee speelde eindigde zijn opiniestuk, een aaneenrijging van anekdotes, in vergroting: ‘Het is de verdienste van links geweest om meer aandacht te vragen voor discriminatie en sociale achterstand. Het probleem ligt jammer genoeg dieper: we zijn bang geweest om onze waarden op te dringen aan allochtonen.’ Hoewel dat ‘we’ mij verzuild en pastoraal toeklinkt, zal de lezer dankbaar concluderen er getuige van te zijn geweest dat een groot taboe doorbroken was.
Bij de intrede van de postideologie was de Ander ook object zonder spreektijd. Toen school de vernieuwing erin dat door een soort actiejournalistiek in probleemwijken ‘de gewone man’ alleenrecht kreeg over ‘authenticiteit’ inzake het multiculturele schandaal dat altijd toegedekt was. Dit primaat maakte de grens met roddel poreus en resulteerde sowieso in een rendabele aversie tegen ‘het establishment’.
Curieus is dat precies die gewraakte hoge heren steeds schrillere geluiden uitslaan (allochtoon gevaar) vol eensnarige echo’s (ontkenning bij ‘links’). De tendens van Zwagermans pamflet en het Vlaamse opiniestuk was eensluidend, in het verlengde van ‘Het multiculturele drama’ door Paul Scheffer uit 2000. In die sfeer is ook Tom Naegels al een tijd bezig. Zij leggen – net als Barnard en Van Istendael, en Desmet en Pauli die al jaren ‘de linkse intellectuelen’ honen – hippies van weleer onder vuur, maar dan uit trouw.
Dat ik aarzel om te reppen van ‘een nieuw paradigma over links’ ligt aan de clichés waarmee ze het idealisme van weleer voorstellen en aan de neiging vooral elkaar vliegen af te vangen. Dus rangschik ik zo’n bejegening hooghartig onder de common sense. Bovendien fungeert, dan weer triomfaal dan weer deconfiturerend, bij dit anticultuurrelativisme in de bewijsvoering telkens een ander facet van ‘de Verlichting’; Sjoerd de Jong pelde deze topos in Een wereld van verschil.
Maffer is de vaststelling dat de minderheid van de hier genoemden voor 1955 geboren werd en weet wat die schimmige vijanden in welke biotoop uitspookten. Ze beroepen zich voor hun vonnissen op de overlevering, op papier. Of dit nu participatie in uyliaanse zin is of niet, hun mening is er niet minder vierkant van. Misschien een rare vraag daarbij: waarop berust hún autoriteit?
Abonneren op:
Posts (Atom)