zondag 24 april 2011

Brecht zegt (2)

In haar ijzingwekkend mooie herinneringen aan Robert Mapplethorpe vertelt Patti Smith over een visioen waarvan Jimi Hendrix haar bij een eenmalige ontmoeting deelgenoot gemaakt had. In Woodstock zouden zich muzikanten uit de hele wereld verzamelen en dan in een kring gaan zitten spelen. Tempo, toonsoort noch melodie deed ertoe – op termijn zou die ‘discordance’ moeten leiden tot een ‘abstract universal language’. 
Alhoewel niet wordt vermeld of het Pinksteren is en evenmin, zoals naar verluidt vandaag, Pasen dat daarmee spreekwoordelijk slechts op een utopisch punt samenvalt, is het duidelijk dat Smith wel oren heeft naar Hendrix’ visioen. Ze was een Brechtadept. En de auteur zelve? Zijn Herr Keuner heeft zich in elk geval, op zijn manier, uitgelaten over nationalisme. Geen affiniteit heeft hij ermee, tot in een onbekende bezette stad een vijandige officier hem dwingt van het trottoir te gaan. Dan wordt hij verzengend boos op het land van de officier én wordt voor dat moment nationalist: ‘men moet de domheid immers uitroeien, omdat zij dom maakt wie haar ontmoet.’
In het verlengde hiervan dunkt me eveneens interessant, en een poginkje tot vertaling van een fragment hieronder duidt dat verder uit: de notie ‘volks’. In het onvoltooid gebleven Me-ti. Boek der Wendingen zegt Brecht dat het begrip kritiekloos en neerbuigend wordt gebruikt, door heldere uitdrukkingen te verrompelen om veronderstelde luiheid te behagen. Dat noemen we nu populisme. En het treft pijnlijk dat verderop in dit boek aanleidingen voor oproepen tot een grote orde worden gevonden in honger, koude en onzekerheid – slechts het laatste bestaat waarlijk in ons Westen. 
Maar dan moet er misschien simultaan een grote hedendaagse zekerheid bij, waarvan Bertolt Brecht alleen al met zijn basaalste verwachtingen zou gruwen: dat het maakbaarheidsidee failliet is, voorbij, finito. Of, eh, ideologisch verworpen door geen ideologie? In een poging te stijgen tot helikopterperspectief valt mij op dat maakbaarheid praktisch met grote vanzelfsprekendheid voortgaat. Dat geldt reeds voor reclame-uitingen die de lifestylemens tot in detail blijven vormen, en daar doet ons voedsel, ook op kerkelijke feestdagen tot in het DNA op maat, evengoed aan mee
Of leg ik die focus na afgelopen week van een angstig afstandje te hebben kennisgemaakt met de snackhybride de krokidel? De heer heet waarlijk verrezen te zijn, dus laat ik het woord vooral afgeven. 

Volksliteratuur 

Of een literair werk volks is of niet, is geen formele kwestie. Het is in geen geval zo dat men, om door het volk begrepen te worden, ongewone uitdrukkingen moet vermijden en slechts gangbare standpunten moet innemen. Het is niet in het belang van het volk om aan zijn gewoonten (hier leesgewoonten) hegemoniaal gezag te geven. Het volk begrijpt boude uitdrukkingen, billijkt nieuwe standpunten, overwint formele moeilijkheden indien zijn belangen meepraten. Het begrijpt Marx beter dan Hegel, het begrijpt Hegel indien het marxistisch is geschoold. Rilke is niet volks; om dat te zien hoeft men niet zijn ingewikkelde, formeel overdreven gedichten te lezen; ook elk van zijn gedichten die de toon van een volkslied hebben, zijn niet volks. Lukács laat dat zien aan de hand van een zeer pregnante strofe (‘Und wenn ihn Trauer überkam’); ze is formeel te begrijpen, veel begrijpelijker dan Majakovski’s strofen. Maar er zit geen greintje in van wat het volk het verstand zou noemen. Ze is formalistisch omdat er op een medelijdende cadans over beestachtigheden gesproken en het medelijden op de misdadiger wordt afgeschoven. Aldus wordt leed zo vertolkt, alsof iedereen het kan delen, wat niet het geval is. Er wordt, op papier, formeel, door een simpele vormkeuze, door een esthetische truc, de indruk gewekt dat het volk zoiets zouden kunnen zingen, dus bedoelen en voelen. Wanneer het volk aldus zou voelen en bedoelen, dan zou het verraad plegen aan zijn waarden. Bij de ‘ingewikkelde’, ‘gesublimeerde’ gedichten van dezelfde man zou men dezelfde vijandschap tot het volk kunnen bespeuren, in een andere vorm. Dat is de vlucht uit de banaliteit in het snobisme. Daar wordt iets gemaakt uit niets. Vanuit de inhoud is het niets, vanuit de vorm is het iets. Vanuit de inhoud is het oud, vanuit de vorm is het nieuw. Deze gedichten ‘laten het volk koud’, gedeeltelijk op begrijpelijke, gedeeltelijk op onbegrijpelijke wijze. 
[eind jaren dertig]

Het schrijven van gedichten in Californië 

Hier gedichten schrijven, zelfs actuele, betekent: zich in de ivoren toren terugtrekken. Het is alsof men goudsmeedkunst bedrijft. Dat heeft iets buitenissigs, snaaks, geborneerds. Zulke lyriek is flessenpost. De slag om Smolensk gaat ook om de lyriek. [april 1942] 

Formalisme en nieuwe vormen 

De leegloop in de literatuur van de laatkapitalistische epoche toont zich zoals bekend hierin, dat dichters met vertwijfelde transformaties van de oude burgerlijke inhoud onafgebroken proberen nieuwe horizonten te bereiken. Zo treedt een eigenaardige vorm van verval op, namelijk de scheiding tussen vorm en inhoud van een kunstwerk, omdat de vorm, die nieuw is, zich afzet tegen de inhoud, die oud is. Met andere woorden: louter nieuwe inhouden verdragen nieuwe vormen. Ze eisen die zelfs op. Indien men namelijk de nieuwe inhouden in oude vormen zou dwingen, dan was meteen de noodlottige scheiding tussen vorm en inhoud van een kunstwerk weer een feit, omdat ditmaal de vorm, die oud is, zich afzet tegen de inhoud, die nieuw zou zijn. Het leven dat zich overal bij ons, waar de maatschappij tot op haar grondvesten trilt, in nieuwe vormen afspeelt, kan door een literatuur met een oude vorm niet worden verbeeld of beïnvloed. 
[jaren vijftig]

vrijdag 15 april 2011

Absoluut ultieme supertoptelevisie


Onlangs at ik een sinaasappel van kraakbeen. Elk partje dat ik naar binnen werkte, leek meer sap te ontberen. Natuurlijk kon dat niet, maar dat een vrucht die er geweldig vers uitzag zo smaakte was al een onbegrijpelijke ervaring.
Een echt beeld, uit het leven gegrepen! Dit ga ik toch niet in een boek gebruiken, bijvoorbeeld over koffie? Laat ik deze sinaasappel uitknijpen boven, eh, toepassen op een recent fenomeen dat geen mens onberoerd zou hebben gelaten.
Nederlanders zal het weinig zeggen, maar in België heeft de televisiereeks De Ronde onlangs een complete kritische journalistiek op de banken gekregen. De gulle publiciteit richtte zich in eerste instantie op de logistiek, omdat de reeks integraal was gefilmd tijdens de vorige editie van de Ronde van Vlaanderen – door de begeesterde schetsen van het draaiboek schemerde het heldschap van de regisseur. Ook werden talloze acteurs die aan De Ronde meewerkten over hun huidige projecten geïnterviewd, met een naturel zijsprongetje naar de fameuze reeks die zijn weerga niet bleek te kennen in de geschiedenis van de Belgische televisie.
Het is dat het zo’n beladen term is geworden, anders zou je zonder verpinken kunnen beweren dat de Vlaamse pers zich ‘gelijkgeschakeld’ betoonde. Nu repte men vrij snel over ‘hypen’, waar vervolgens ook over geschreven werd, hetgeen dan weer, als de wortel uit een kwadraat, stof blijkt voor analyse.
Een serieuze factor bij deze teksten was de producent van de reeks, Woestijnvis, die weggezet werd als een mediamagnaat avant la lettre. Als immigrant is het lastig de weg te vinden in die complotsfeer. Wel viel me op dat zich hier de omgekeerde waardering aftekende van die van Joop van den Ende. Nadat die vanwege zijn musicalbarbarij bakken dedain over zich kreeg kreeg, mecenaseert hij nu dingen waar operalievend Nederland niet aan kan tippen. Woestijnvis had bij mijn weten in den beginne juist een goede naam, als kwaliteitsleverancier.
Van De Ronde is de helaas genoegzaam bekende representatie van ‘de West-Vlaming’ (Da meen dje nie) eveneens te vertalen voor Nederland. Hier lijkt althans de vergelijking met de perceptie van ‘de Limburger’ op zijn plaats, overigens niet alleen vanwege het dialect en de ritselreputatie, maar ook omdat enkele geborenen van die provincie momenteel in de landelijke politiek nogal wat in de pap te brokkelen hebben. Een andere karikatuur die De Ronde uitserveerde was een schier nazistisch nationalisme bij een Vlaamsgezind personage.
In de kritiek klonk er immense lof voor de wijze waarop de reeks maatschappelijke thema’s in de dampkring van het debat had gebracht. Zo handelde er een verhaallijn over euthanasie waarbij het, in het licht van wat er decennialang stilzwijgend dagelijks in de westerse wereld gebeurt, louter vijf afleveringen lang het punt was wat nu precies het punt was. Misschien dat een broer van de overledene in het scenario fungeerde als priester?
Curieus dunkt me dat Woestijnvis zo een zeker kosmopolitisme wenst uit te stralen, maar dat de herkenning daarvan iets uitgesproken knus heeft. Totaal verrast was ik ook weer niet door deze paradox, omdat het productiehuis eveneens tekende voor misschien wel de hoogste eigenhaardheid: De allerslimste mens . Scoringsdrift voor open doel kan doen terugdeinzen.
Een andere paradox, die mij werkelijk rillingen geeft, is dat mijn indrukken, voor zover ze interessant of relevant zijn, misbruikt kunnen worden in ideeënstelsels die nou niet direct de mijne zijn.
Dit laat onverlet dat ik me bij De Ronde geen moment heb verveeld. Voor mij was dit nog eens verstrooiing, al was het door het veelbesproken lage tempo dat mij, als wanbegrijper van spanningen binnen relaties en familieverhoudingen in het algemeen, een beetje bij de les hield. Ook leek me de reeks inderdaad ‘technisch knap’. En dus domweg amusant, met als hoogtepunt de afpersing in een bordeel door types die Zizek lezen (een scène waarop ik wellicht gewoon jaloers ben, arbeidend aan een boek over koffie dat woord en daad met elkaar wil verbinden). Over een langere spanne van afleveringen bijzonder, vermoedelijk door de knappe acteursprestaties, dunkt me de intermenselijke ontwikkeling tussen een neutraal personage en ‘de West-Vlaming’ die heel subtiel Dieter De Leus heette.
Behalve de bekroning ervan dan. Zoals de hele slotaflevering, waarover de regisseur zelfs na afloop publiciteit wist te krijgen omdat hij er Fabio Cancellera in tot een cameo had weten te verleiden, bij mij alle twijfel wist weg te nemen. De vele verhalendraden moesten er namelijk in worden afgewikkeld.
Onder een Mantovani-achtige begeleiding geschiedde zoal dit:

- De (gescheiden) nationalist blijkt een pistool te hebben waarmee zijn kind en een logeetje van de buren op een onbewaakt moment schieten
- Niet de kinderen zijn daarvan de klos, maar de zorgzame opa die er een hartaanval van krijgt
- Diens dochter annex alleenstaande moeder is regisseuse en heeft onverwacht de hele Ronde van Vlaanderen mogen coveren en meldt die prestatie aan haar in coma liggende vader, waarna deze teken van leven geeft
- De aanrichters van een ongeluk met vluchtmisdrijf komen in een ziekenhuis oog in oog met de (om onnaspeurlijke redenen: alcoholistische) vader van het slachtoffer, krijgen zelfs koffiegeld van hem, en ontdekken spoedig wie hij is
- De zus van het slachtoffer is rondemiss en wordt gebeld met het goede nieuws dat het levensgevaar geweken is op het moment dat ze de prijs moet uitreiken aan Cancellara
- De ware veroorzaker van het ongeluk, een gescheiden vader, wordt in de arrestatieauto gebeld door zijn dochtertje met de vraag wanneer hij haar op komt halen

Is de verzamelnaam voor zulke plotwendingen niet: kitsch?

Naschriftje
In één week ging ter zuiderzijde Woestijnvis samen met Sanoma en Corelio, en ter noorderzijde John de Mols Talpa met SBS en, opnieuw, Sanoma. Komen de Finnen? Een fictiereeks over het langeafstandslopen binnen handbereik?

zondag 10 april 2011

Van WC eend naar topkunst (3)

John F. Kennedy’s inaugurele uitsmijter luidde ‘ask not what your country can do for you, ask what you can do for your country’. (Wie het vergat werd er vijftig jaar na dato aan herinnerd.) Met 1651 woorden zou deze ‘historische’ rede nu een extremistische recensie zijn. Machinaal leg ik weer een verband met het literaire klimaat. Daarop lijkt noch een economisch noch een autonoom-geprivilegieerd perspectief relevant. Het blijft balanceren op het slappe koord tussen realiteitsprognose en zelfoverschatting. Daarom zou ik Kennedy’s slotwoorden wel eens willen zien toegepast op de heikelste aller kunstkwesties. 
Want waarom blijft het subsidiedebat uiteindelijk intern, doordat er van buitenaf naar de zede vooral wordt geroepen en de kandidaten zelf al geen consensus bereiken? Onlangs las ik binnen een halfuur diametrale visies van twee Nederlandse auteurs. De ene, die hooguit drie echte lezers van haar oeuvre ontwaarde maar ook besefte dat de verkoop moeilijk achteruit kon, was ‘ontzettend blij’ met een werkbeurs. De andere vond dit fenomeen, waar hij zelf geen aanspraak op hoefde te maken maar dat hij collega’s van harte gunde, slechts uitlokken tot grote kwantiteit
Wat kan een betoelaagde auteur doen voor zijn land, en dan zo vanzelfsprekend dat niet smadelijk wordt? 
H.C. ten Berge oppert in zijn nawoord bij Een verhaal over het lichaam (2010) van Robert Hass een verwantschap van die dichter met Mark Strand. Een voetnoot meldt dan: ‘Voor Nederlandse poëzievertalingen zie onder meer: H.C. ten Berge, Op een mat van gele veren. Poëzievertalingen 1968-2003 (2005) en Een lakse bries. Vijfentwintig gedichten van Mark Strand (1983). Frank Despriet publiceerde een complete vertaling van Strands Dark Harbour (1994).’ 
In deze opsomming is volgens mij woede nog niet bekoeld, doordat het laatste jaartal 1993 moet zijn – gelukkig staat het correct in Ten Berges genoemde anthologie. Een beetje volger van poëzie weet dat de Lage Landen in 2006 werden verblijd met een bloemlezing uit Strands werk, Gedichten eten, vertaald door Wiljan van den Akker en Esther Jansma. Volgens de achterflap van dat boek liet het de Nederlandse lezer voor het eerst kennismaken met deze dichter. En hoewel het gedetailleerde opsommingen bevatte, ontbrak elke referentie naar eerdere vertalingen. 
Als ontdekker van Strands werk voor de Lage Landen voelt Ten Berge zich zo gekrenkt dat hij op zijn beurt Van den Akker en Jansma verzwijgt. Begrijpelijk, temeer daar Gedichten eten meer aandacht kreeg dan de vele vertaalexploraties van Ten Berge bij elkaar. Maar hij handelt hetzelfde als zijn antagonisten. Is dat ‘typisch Hollands’? De uitgevers hadden hun auteurs erop kunnen wijzen, dat bestaande inspanningen mogen gerespecteerd. Toegegeven, het gaat hier om concurrerende bedrijven, maar dat feit verdient hilariteit: de markt voor poëzie is miniem. Dat het prestige van dat genre nog groot is, bewijst de toe-eigening van Strand dan weer wel. Tevens onthullen de diverse boeken hun financiële basis. 
Een verhaal over het lichaam kwam mede tot stand dankzij een werkbeurs. Voor Gedichten eten is een vertaal- en reisbeurs verstrekt. En een deel van de beloning voor zijn P.C. Hooft-prijs moest Ten Berge besteden aan een publicatie met promotionele en informerende waarde – een lofwaardige regel, met Op een mat van gele veren leidend tot een fraai staaltje hoogwaardige arbeid. Alle hier ten tonele gevoerde boeken werden kortom gemaakt met steun van de gemeenschap. Mag die weten waaraan ze heeft bijdragen en daarvan profiteren, ergens tussen extase en walging? Het vermelden van elkaars daden hoeft geen proeve te zijn van eng nationalisme maar berust op gedeelde verantwoordelijkheid
Ten Berge somt in Op een mat van gele veren redenen op voor het vertalen. ‘Overwegingen van materiële aard zijn zelden of nooit in het geding. Wat dat aangaat is er zelfs sprake van een bijna masochistische activiteit die tegen beter weten in wordt volgehouden. Een drijfveer van algemene aard is de overtuiging dat het (tegen alle negatieve en destructieve krachten in) nog altijd de moeite waard is de cultuur te verdedigen en, waar mogelijk, uit te dragen, zelfs al is de reikwijdte beperkt.’ Afhankelijk van je standpunt is dit te bestempelen als retoriek of als tragiek. 
Jansma werd ondertussen ampel geïnterviewd voor De kunst van het dichten, een vakboek. Daarin kon ze zonder tegenvraag een heel hypothetisch verhaal doen over hoe poëtica’s van de jaren tachtig Strand in Nederland zouden percipiëren – terwijl dat verhaal aan de hand van feiten verteld had kunnen worden. Waren interviewers Henk van der Waal en Erik Lindner niet op de hoogte van Ten Berges vertalingen? Door Nederlandse versies van hetzelfde Strand-gedicht te vergelijken had in een kwart eeuw taalontwikkeling het algemeen belang kunnen worden geconcretiseerd. 
Ask what you can do for your country?! Hoe is het mogelijk dat Kennedy, blijkt uit een andere moderne klassieker, nog geen anderhalf jaar na zijn rede, dus ruim vijfentwintig jaar voor Fukuyama, het einde van de ideologie afkondigt? Bij een persconferentie zegt Kennedy althans dat de meeste problemen waarvoor men wordt gesteld zo technisch zijn dat ze, als voer voor deskundigen, voorbij een politiek standpunt gaan. 
De schijn van onpartijdigheid die dit wekt, is bavianenkul, maar hoe actueel! Mij staat niet bij hoe vaak politici worden overruled door een werkelijkheid waarop ze, zeker nationaal, amper grip hebben. Tevens wordt de laatste jaren eenieder die, om het woord ideaal dan maar niet te bezigen, iets zinvols in stand tracht te houden, beticht van ‘politiek’, die de klagers uiteraard niet onder de leden hebben. Inzake de gedichten van Mark Strand is het alvast zo dat Henny Vrienten in Zwaan kleef aan, een boek dat zijn urgentie vond in de wens voorbij poëticale complexen te raken, de Amerikaan citeerde uit de recentste vertaling. De kasseien van de geschiedenis geasfalteerd, cultureel geheugenverlies geïnstalleerd. 
Koop nu, betaal later? Geen politicus zal dat willen verdedigen.

vrijdag 1 april 2011

Van WC eend naar topkunst (2)

Pleit ik subsidiegewijs werkelijk voor meer elitaire literatuur? Ja. Omdat alle aandacht naar het kunstwerk moet uitgaan, gemaakt met maximale pretentie. Ik besef dat dit begrip negatief geconnoteerd is. 
Tweemaal had ik door een juryschap het voorrecht overzicht te krijgen van een jaarproductie. De sensatie drong zich op: waarom zoveel van hetzelfde? Het was niet slecht – maar bijna alles bleef gemiddeld. Auteursintenties lagen ook niet daar waar ik ze graag hebben wil. Maar net als voor Žižek blijft het alternatief voor mij nog abstract: ‘De uiteindelijke waarheid van de terugtrekking in de privé-sfeer is de publieke bekentenis van intieme geheimen in een tv-show. Tegenover dit soort privacy moeten we benadrukken dat het uitvinden van een nieuwe collectiviteit vandaag de dag de enige manier is om uit de ketenen van “vervreemde” verdinglijking te breken.’ 
Laat letterenfondsen dan maar investeren in afgewogen beoordelingen. En daarbij niet langer zoveel mogelijk auteurs van zoveel mogelijk gezindten iets geven, wat berust op gekwadrateerde inheemsheid. Op defensiviteit ook, waarbij de waarheidservaring verder weg ligt dan een onberedeneerde ‘diversiteit’. Wat voor verdunde toestanden levert dat postmulticulturalisme nu immers op? De Canadese dichteres Erín Moure ondervond bij het vertalen wat literatuur behelst: ‘to invite others to join it, not as foreign but as different, as glad bearers of a difference which strenghtens, in the paradoxical way that difference does have of bringing strength. To me, part of nurturing poetry in a national literature is welcoming a voice from another language into our own, and letting it change our own language.’ Die eetmetafoor herken ik. Alle lekkernijen die mijn kinderen nu als vanzelfsprekend eten, kon ik pas als gediplomeerd academicus proeven. Mijn enthousiasme voor die verrijking en progressie lijkt me niet automatisch verblind of schamper. 
Multiculturalisme heette naïef omdat het verschillen wel propageerde, maar er in de praktijk onverschillig tegenover zou staan en de gevolgen niet wilde onderkennen. Daarom reguleerde het postmulticulturalisme verschillen tot economische grootheden en verwijst ‘diversiteit’ niet naar alles, maar naar de selectie eruit die bruikbaar is. Met een zo dominant neoliberalistisch verhaal, opgedist door alomtegenwoordige media die op hun beurt verschillen marketen, is het vanuit subsidieoogpunt zinloos nog zelfbevestigingen te onderschrijven. Dan sponsor je staatskunst. 
Niet dat er kritiese toestanden vol eigen ervaring betreffende ‘relevantie’ een wederkeer behoeven, maar de staat zou het lef mogen hebben om, juist om niets uit te sluiten, tegengeluiden te bevorderen die dermate structureel zijn dat ze zich niet laten absorberen. Die verandering herbergen. Indien de indruk rijst dat ik het oude avant-gardistische criterium van vernieuwing naar voren schuif, dan klopt dat niet helemaal. De door mij beoogde literatuur zal nadruk op haar taalgebruik leggen, maar niet ter ‘ontregeling’. Ze wil de ideologische premissen van het bestaande oprakelen en dus ook redenaties die leiden tot etiketten als ‘gedateerd’. Want die verstikken alles wat niet tot efficiency valt te reduceren, inclusief zij die hun leven en lijden weigeren te exposeren. Ik prefereer een stelsel met een ander eigenbelang. Door alternatieven kan de staat zich perfectioneren. Er is ruimte voor tests, en aldus draait het alom gevraagde rendement richting vooruitgang. 
Nu zetten de letterenfondsen door hun wens niet ‘politiek’ te zijn op bizar veel auteurs in en geven hun daarmee veeleer een kans op falen. Want hoe moeten uitgevers de talloze hieruit voortkomende teksten adequaat begeleiden en promoten, hoe kunnen media in hun met tanende plaatsruimte samenhangende simplificaties aan al die schrijvers aandacht geven en wat moeten boekhandels met overdoses onbekendheden? Het huidige subsidiebeleid heeft in Nederland ook iets pervers: in projectbeurzen wordt een eenmalig bedrag uitgekeerd, zodat auteurs overhaast hun boeken voltooien ten behoeve van een nieuwe aanvraag. Evenmin hoeven stimuleringsregelingen van mij steun te bieden aan de strategie van soms toch al surreëel door gemeenschapsgeld gedekte uitgevers om debuten op de markt te plempen. Statistisch is er kans dat daar wat bijzonders tussen zit, maar vooral dat 95% dat niet is. 
Het dunkt me nobel om subsidies gelijk te verdelen, maar kunst is niet democratisch. Het begrip ‘kwaliteit’ verdient nieuwe operationalisering, van verinheemsing naar een voorstel tot verandering. Daarbij zal de lezer zijn rol van consument kunnen afleggen; gesubsidieerde literatuur is een aanvulling en correctie. De markt laat zich kennen door een onophoudelijk gespui van superlatieven en werkt derhalve tot in zijn poriën competitief. Bijna elke prijs maakt ‘nominaties’ bekend waaruit, steevast paginagroot bediscussieerd, een ‘winnaar’ moet komen. Moge de lat dan maar eens waarlijk hoog komen te liggen, in het besef dat het al heel mooi is voor de Lage Landen indien er van één eeuw drie titels overblijven. Het mooiste zou uit wereldse overwegingen zijn dat auteurs al dan niet parttime werken buiten hun schrijfpraktijk, maar anders zou een uitkering passen, ook tegenover de obsceen verbreide illusie van volledige werkgelegenheid. 
Zo’n 25 echte topauteurs (nee, daar reken ik mezelf niet toe) zouden ondersteuning hoeven krijgen. Op dit punt wordt de afstand tot de gemeenschap alsnog verkleind, doordat een werkbeurs moreel verplicht, ook jegens collega’s. Mij is het altijd een raadsel gebleven waarom auteurs zo op hun eigen hachje gericht zijn dat ze de context waarin ze arbeiden versmaden – en daarmee het restantje van de mensheid in het gezicht spugen. Is men te druk met competitie, wat al helemaal niet te verenigen valt met de voorstelstatus die literatuur ten hoogste kan bereiken? 
Een verplichting mag eruit bestaan mee te doen aan educatie voor alle geledingen van het onderwijs. Zo brengen gesubsidieerde auteurs ten minste één direct nut. In het verlengde kan eventueel resterend geld besteed aan de professionalisering van een platform voor literaire kritiek waarin veel is geïnvesteerd. Dit ter demonstratie van het eveneens onloochenbare gegeven dat door scrupuleuze aandacht voor een boek werelden zich kunnen openen.

vrijdag 25 maart 2011

Van WC eend naar topkunst (1)

Weinig onderwerpen worden zo gegijzeld door animositeit als cultuurpolitiek. Bij haar aantreden als Vlaams minister van allerlei portefeuilles waaronder cultuur stond Joke Schauvliege geen grootse toneeltitel bij die ze bezocht had, waarna Erwin Mortier haar onbekwaamheid diagnosticeerde – de eerste beleidsdaad moest nog verricht. Nederland gonsde al van de verontwaardiging over bezuinigingen voor er een staatssecretaris voor cultuur was. Sinds Halbe Zijlstra die functie bekleedt zijn er manifestaties tegen ‘de kaalslag’. 
Toen hij daarna zijn plannen op de televisie ontvouwde, wist theatermaker Erik Vos zich gekwetst door diens arrogantie. ‘Laat deze staatssecretaris van Cultuur Sophocles’ toneelstuk Antigone er maar eens op nalezen, of een voorstelling daarvan proberen bij te wonen.’ Had Vos zijn slotwoorden evengoed tot Schauvliege kunnen richten, de teneur was helder: hoge kunst verdraagt geen barbaren. Maar mogelijk is deze evenmin gediend bij mensen die termen als ‘diepgang’ en ‘zinnelijk genot’ uitstoten, en berust kennis van het veld veiliger bij ambtenaren. 
Andersom valt op dat de maatschappij zich incompetent verklaart die kunst te begrijpen, en ermee gemoeide subsidies veroordeelt. Ze worden niet ervaren als ontwerpen voor bruggen waarover burgers en kunstenaars elkaar kunnen ontmoeten, maar als explosieven voor intellectuelen annex academici die op een eiland soortgenoten willen treffen. Even vicieus heten argumenten pro hun unieke kunstenaarschap die, en op dit aambeeld hamert Geert Wilders’ PVV, slechts toetsing binnen de eigen kring velen, conform de reclame Wij van WC eend adviseren WC eend. Bovendien vertrekken ze bij dit hovaardige complot tegen het volk vanuit een illusie als ‘kwaliteit’. Lollig dat die geloofskwestiebevinding een wetenschappelijk fundament heeft (Bourdieu, bepaalde typen postmodernisme). 
Minder lollig dunkt me niet-aflatende kritiek op subsidiebeleid via het internet. In theorie is dat de juiste plek omdat iedereen daar zich kan uitspreken, ware het niet dat er vooral collateral damage aangericht wordt. Het bulkt er van de zogenaamd compromitterende feiten over tot achter de komma onthulde wereldvreemde linkse zakkenvullerij, inclusief namen van ongetalenteerd geachte gesubsidieerde kunstenaars ofwel van vermeend corrupte commissieleden. Zelden geeft het onderbouwde betogen of exploten van, ja, kennis. Van politici kun je nog volhouden dat ze als publieke figuren slachtpartijen mogen slikken, van privé-personen niet. Volgens mij volstaan beroepsprocedures om te protesteren – wie de openbaarheid misbruikt, mag uitgesloten worden van subsidies. 
Dit laat onverlet dat het complottheoretische gamma van ‘belangenverstrengeling’ tot en met ‘nepotisme’ glinstert; het Nederlandse taalgebied is klein en de incrowd te Vlaanderen neigt naar het claustrofobische (en kan zowel terecht bij het letterenfonds als de minister). Eigenlijk zouden functionarissen computers moeten laten combineren uit een poule van specialisten, voor wie een burgerplicht geldt in voortdurende roulatie. Zij vormen teams met uiteenlopende achtergronden en leeftijden. Eén wetenschapper, een vertaler, één auteur die al subsidies heeft gehad, enz. Louter recensenten zouden niet voor de functie in aanmerking hoeven te komen, omdat zij in een literaire klimaat dat van representaties en overaanbod aaneenhangt al hun stem laten horen. Bij dit alles kan de wederzijdse onwetendheid van Nederland en Vlaanderen worden benut door uitruil, om bij gelijke competentie een bevooroordeeldheidspercentage te verlagen. 
Ondanks discutabele trekken van het internet als medium is het leerzaam kennis te nemen van reacties op stukken die een zeker kosmopolitisme bepleiten. Ik herinner me een kunstenares die verklaarde de dag na de geboorte van haar kind met het hele gezin trots alweer het vliegtuig naar New York te hebben genomen. Mijn triestheid vervloeide in verbazing over de comments. Ze wasemden afkeer: belastinggeld gaat op aan toestanden waaraan binnen de landsgrenzen amper lol wordt beleefd – en de betalers zijn slachtoffer. Wel hebben zij kennelijk alle tijd om luiwammesen van repliek te dienen. In België gloort dit sfeertje steeds scherper na elke kanttekening bij het separatisme van Bart De Wever. Het betoog van dienst ontvangt niet alleen een vloed aan verontwaardigd commentaar en blijkbaar bedreigingen, het zou ook accentueren dat Vlamingen altijd het onderspit delven. 
Toch snap ik die reflex: amper bekomen van rooms-katholieke bemoeizucht wordt de massa nu gezalfd door seculiere paters. Deze keer is alles ‘oubollig’ en ‘eng’ in vergelijking met hun ‘open vizier’. Dit steekt helemaal indien een fils à papa of een kabinetsveteraan de nog te bekeren provincialen uitnodigt in hun comfortabele tempel, die immers volledig wordt bekostigd door hen. 
Dat de zich slachtoffer wanende aanklagers economisch in een gunstige orde vertoeven, zeker in verhouding tot ‘de kunstenaar’, hoeft niet gezegd. Ze beleven het anders. En ook daarvoor valt begrip op te brengen: zoals er een benepen aantal, gedragsverwante Bekende Laaglanders is in televisieprogramma’s, zo regeert het Matteüseffect in de kritiek-, opinie- en voordrachtsbranche. Dat er onderwijl algemene desinteresse heerst voor heel wat kunstvormen, is wel degelijk iets om zich zorgen over te maken, temeer daar dit niet per definitie aan ‘de massa’ ligt. Het schijnt tot sommigen maar niet door te dringen dat het algemene misprijzen voor hun daden niet wijst op kritische prikkels die van hun kunst uitgaan. 
Anderzijds is zwelgen in een flagrant gebrek aan Anklang evenmin goochem. Men zou zich juist aangespoord mogen voelen het kunstwerk scherper te positioneren. Dit moet misschien inhouden: meer elitair. Afstand tot de gemeenschap is geen probleem, wanneer het kunstwerk die afstand legitimeert in plaats van het onbegrepen genie. Maar aan bakkers vraagt niemand wat het nut is van brood bakken, dus waarom aan schrijvers wel waarom ze schrijven? Vanwege hun voorrecht, dunkt me, dingen te maken die rechtstreeks nut ontberen. En als tegenwicht voor collega-flapdrollen die bijdragen aan ‘het publieke debat’ door op opiniepagina, radio of televisie of – laat ik mezelf niet wegvegen – op een blog zelfs over de prijs van het brood meningen te plengen. 
Het zou van realiteitsbesef getuigen indien auteurs zich niet zozeer defensief als wel bescheiden opstellen. De wereld draait heus door zonder hen. Dat nare zinnetje moet, met respect voor hun families, neergeschreven tegen mythes van ‘beschaving’ en ‘verdieping’ dat auteurs visionairs zijn met bovengemiddeld empathisch vermogen.

maandag 21 maart 2011

Lente (goe poeier)


Een gedicht dan maar? Voor een muziekfanaat als ik is de verleiding te groot geworden louter nog Marvin Gaye’s What’s goin’ on af te spelen, bij voorkeur in de liveversie van Donny Hathaway omdat die de frase ‘Don’t you punish me with brutality’ het meest pregnant vertolkt. Ditmaal is Libië het toneel waar in naam van de vrijheid geweld gebruikt wordt, waar burgers zowel slachtoffer als levend schild kunnen zijn – en waar de bestaande situatie evenmin om te lachen was. En altijd zweemt het allerhoogste eigenbelang: de olie, brandstof voor consumptie.
Voor of tegen wat met de poëzie van deze gelegenheid Odyssee Dawn heet? Langer nadenken helpt mij niet. Anderen erover horen? Mwah. Stof voor ergernis soms, zeker indien pacifisme in de hoek kan worden gezet als ‘naïef’, inclusief een decennium waaruit zijn gedateerdheid moet blijken.
Heeft zelfs in expliciet ideologische tijden overzichtelijkheid ooit bestaan? Er was eens een sprookje dat begon met de woorden ‘er was eens’. Toen kwam er een olifant met een lange snuit en toen hij daarmee bijna al die woorden weg had gespoten werd hij weggeroepen voor een vergadering.
Wellicht is het zich onthouden van een standpunt evengoed gratuit. Net als vergelijkingen trekken met enig toen waar ook op de wereld. Of gradaties aanbrengen in de ernst van het hier (dichtbij, Japan, Golf van Mexico).
Alle ballen maar op ietsje echtere poëzie, waar kogels in een handomdraai vogels worden. In het besef dat het ook in Libië is begonnen met dumping van raketten uit die gemechaniseerde dieren. Wat zouden ze er zelf van vinden?

Vogels horen de dingen die over hen worden gezegd.
Ze vliegen heen en weer en vangen transparante woorden.

Vogels houden van woorden die ze niet kunnen verstaan.
Over zulke woorden spreken ze met andere vogels.

De veren van vogels zijn gemaakt van die gesprekken.
Vogels houden van de dingen die over hen worden gezegd.

Ze willen niet weten wat transparante woorden betekenen.
Over hun veren weigeren ze een gesprek te voeren.

Ze houden van transparante dingen die ze niet kunnen zien.
Vogels vliegen heen en weer en vangen zichzelf.

Een prijs naar eigen idee voor wie weet wie de auteur van dit gedicht is en in welke bundel het stond. En waarop deze kennis berust.
Over de prijs en over de uitslag kan worden gecorrespondeerd. Ik zeg dat mede omdat de titel van het gedicht is ‘De noodzakelijkheid van een vogelboek’. Het op de valreep genoemde medium spreekt me des te meer aan door twee recente pleidooien voor toepassingen van het internet, met buitenstudeerkamerigheid weer eens als keurmerk.
In het ene pleidooi werd onder meer met Twitter gedweept, via welk een slachtoffer van een verkeersongeluk meteen handige tips kreeg. Het andere verklaarde Facebook heilig, via welk een netwerk van gelijkgestemden ontstond.
Heeft olie virtuele gedaantes aangenomen? Indien ik me goed begrijp, dan ben ik meer dan ooit geporteerd voor valse noten en nog meer ongevallen. Maar dan vanaf een overeen te komen punt van tweedracht dat het gedrag van vogels ook legitimeert.

vrijdag 18 maart 2011

Dinges



Jaloezie
Blijkens aantekeningen achter in zijn bundel, een genre waar ik sowieso knap zenuwachtig van kan worden, is een gedicht van een collega verspreid op bierviltjes (in een oplage van 500.000).

Verstomming
Over België wordt vaak gesproken in termen van in-zichzelf-gekeerdheid. Zo raken brede oratoren behalve zeldzaam per definitie bevlogen. Voor Holland zou deze verhouding precies andersom liggen.
Het Belgische televisiejournaal van de publieke omroep bracht een item over een landgenoot op de WK afstanden, 5000 meter. Achter in het klassement geëindigd was hij maar een halve seconde boven zijn persoonlijk record gebleven, wat toch knap was omdat hij nog niet zo lang aan schaatsen deed. Einde bericht. Zou het echt heel Hollands van mij zijn ook iets van het kampioenschap te willen weten en, bijvoorbeeld, wie er deze afstand het podium gehaald hadden? Ik vroeg me dat af voor opzoekwerk leerde dat de winnaar was: Bob de Jong uit Leimuiden.

Innemendheid
Oké, het is altijd wat met België, maar het gezondheidsstelsel loopt vergeleken bij de wachtlijstenlitanie in het Noorden geolied. Ik vind het zelfs instructief, doordat je voelt wat geneeskunde ook is: na elk consult moet je de arts contant betalen. Voor de gedeeltelijke schadeloosstelling hiervan zijn er ziekenfondsformulieren, waarop je een gele sticker (‘klever’) met je gegevens bevestigen moet. Helaas geen kwestie van knippen en plakken, de namenvellen zijn voorgestanst en aan de achterzijde voorzien van een gomlaag. Wel staat me een recent bezoek aan het ziekenfonds de schouderophalende irritatie bij dat men gigantische partijen geel stickerpapier besteld had, waarop de fabrikant louter vergeten bleek de gomlaag aan te brengen.

Vertrouwen
Is Berlusconi het niet aan zijn stand verplicht elke no-fly zone te onthalen als een enorm goed idee? En sinds wanneer treden conducteurs getweeën een coupé binnen, stellen ze zich ieder aan een uiteinde op en beginnen dan, de gezichten naar elkaar toe, de kaartjes te controleren?

Begrip
Kon het gekker? We aten vlees. Toen het op het bord lag, kreeg ik de aanvechting jus te maken, een handeling van minstens twee decennia her. En het smaakte inderdaad super tussen de geprakte aardappelen en de bloemkool. Ik vertelde ons taalkundig genie dat papa zijn eerste achttien jaren bijna dagelijks zulke kost had gekregen. ‘Kun je je dat nu indenken?’ Misschien was ze nog immer aan het recupereren van de mededeling op school dat haar term citodeetje voor een dvd niet bestond (dat gaat nog wat geven met bodyverwarmer), maar ze keek dermate glazig dat ze elk moment naar omi leek te kunnen emigreren.

Deceptie
Toen ik opgroeide kwam er een bakker, melkboer, groenteboer, schillenboer, scharenslijper en voddenman aan de deur. En, eens per jaar, een schrijver. Immer regende het als hij zijn in prut gebonden boeken uit zijn groeiende oeuvre trachtte te verkopen. De op A5-formaat gekopieerde tikmachinevellen hadden een rode kaft. In één titel stond een verhaal over een erfenis van 17 dieren, tussen drie broers die elk een zoveelste deel kregen, een som die louter opgelost kon worden door er één dier bij te doen. Na verdeling kon dat terug naar de eigenaar. Ik stond paf van die wiskunde, de schrijver moest wel een genie zijn. Later kwam ik het verhaal tegen bij Brechts meneer Keuner. Onlangs bij herlezing vreemd genoeg weer.

Ongeloof
De huidige posttarieven zijn niet van gisteren. Maar wie voor een zending binnen Europa een A4 doormidden vouwt voor een passende envelop betaalt nog altijd 3 euro meer dan hij die dat vel tot een derde van de hoogte vouwt – voor een ‘genormaliseerd formaat’.

Doorzicht
Tijdens de week van de garagepoort bericht een wijze vrouw mij, toch enigszins opgeleid en redelijk fanaat bezig met het vak: ‘Er zijn nu eenmaal mensen, fietsbellen en potloodpuntjes, nietwaar’. Ook na veel naspeuringen blijft de bron onbekend, net als de betekenis, maar mijn geloof is bij elke herlezing onvoorwaardelijk.

Twijfel
De documentaire over 150 jaar Max Havelaar was van de omroep MAX. Het zou toch niet waar zijn? Magnifiek eigenlijk, en weer eens wat anders dan een verantwoorde banaan. Maar de naam lijkt te refereren aan de omroepleden, die ouder dan vijftig zijn. Wel zat ik nog in mijn maag met de uiteraard opgevoerde hertaling. Arrogant en fatalistisch, om jeugd incapabel te achten een voorbije eeuw te betreden. De hertaler die een spleetje tussen zijn voortanden had, zei echter dat Multatuli literatuur als middel had gezien. Daar had hij toch een punt. Dan is het alleen nog de vraag of het beter moorden is met een bot of met een scherp mes.

Onverbeterlijkheid
‘We tellen het grootste deel van ons hernieuwbaar energiegebruik (zoals daglicht, ventilatie dankzij de wind, warmte van de zon) niet mee omdat we er niet voor betalen. In onze bekrompen visie is energie een wereld van geld en macht. Voorlopig wel. Natuurlijk las u dat goed: atoomenergie levert slechts een schamele 2 procent van de eindenergie voor onze apparaten. Waarom dan al dat gedoe erover?’ Zoiets publiceren met mogelijkheid tot reageren, is bijna smeken om comments tegen de wetenschap. Maar dat het er ook vlak na de nog immer durende ramp in Japan zoveel zijn, en zo heftig, stelt teleur.

vrijdag 11 maart 2011

Of-ie wors lus


Jean Améry maakte ooit gewag van een dubbelzinnige gewaarwording: ‘het gevoel aan de ander uitgeleverd te zijn en ons naar hem te moeten richten en het gevoel de ander nodig te hebben en de wil dat hij zich daarnaar richt’. Speelde zoiets bij het meisje dat niet meer mocht werken in de HEMA te Genk omdat het een hoofddoek droeg? Het was een Vlaamse van een uitzendbureau, en de Hollandse HEMA-bazen entten zich op de Belgische zede. In zo’n spiraal van projecties lijkt alles mogelijk, inclusief bevrijde Noord-Nederlandsheid achter de feiten.
Heb ik de 1001e mening over deze zaak met de Hollandsche Eenheidsprijzen Maatschappij Amsterdam? Mij intrigeert dat, ook na de opheffing van de ideologieën, het wij-zijdenken er weer uit opdoemt. Zou dat vermeden kunnen worden? Paul Scheffer heeft erop gewezen dat alleen al de notie ‘wij’ een taboe is, vanwege haar verleden in die vermaledijde ideologieën. Maar er valt niet aan te ontkomen, wanneer je nuchter in plaats van ijdel in de spiegel kijkt, zoals in het Beatles-liedje Nowhere man: ‘Isn’t he a bit like you and me?’ Ook kosmopolieten die zich, door opleiding of luxebiotoop, voorbij het wij-zijdenken achten, vormen schier onvermijdelijk een groep. Zeggen zij wanneer ze hun zelfverklaarde redelijkheid in stelling brengen zelfs niet evengoed Eigen volk eerst?
Het zijn rare tijden en dat zijn het. Mij dunkt dat vooral Nederland door de regeringskeuze kampt met een complexe actualiteit, waarin de leidraad foetsie is die door vermeende historische parallellen heropgepikt wenst. België lijkt een vrijblijvender radicalisme te geven, en door de zenuwen vanwege de vertrouwde maar erg lang durende impasse apprecieert het een rituele oorwassing net even wat meer misschien.
Als vader-in-opleiding bekruipt me de indruk dat het wij-zijdenken de opvoeding min of meer reguleert, doordat gaande de jaren telkens één aspect doorweegt. Voor de allerkleinsten is het wij-gevoel cruciaal (geborgenheid), even later schijnen ze op de gevaren van een zij gewezen te moeten (grenzen). Vervolgens creëren pubers desnoods een zij, waartegen ze zich kunnen afzetten, en daarna verleggen adolescenten het accent naar identificatie – en moet ik denken aan een prachtcitaat van Jacq Vogelaar: ‘Is buiten schot niet tevens buiten bereik van andere dan vijandige toenaderingen?’
Ook de werkkring heeft natuurlijk wij-zijtrekjes, zeker wanneer de concurrent bepalend is voor de strategie. Wanneer de belangrijkste aandacht echter aan de klant geschonken wordt, overweegt het scheppen van een wij-gevoel, al was het voor de buitenwereld. Een concern als Starbucks is daar handig in, maar politici behoren er uiteraard ook pap van te lusten. Na alle decentralisatie in West-Europa en de neoliberale bejegening van allochtonen, neemt de focus op wijken, buurten, straten toe. Daar kan een wij in de kleinst mogelijke, veilige gemeenschap op touw worden gezet.
In dezelfde periode nam het internet bezit van huishoudens. Dit medium biedt mogelijkheden te over voor identificatie; communities laten zelfs parallelle identiteiten toe, te voorzien van nicknames. Wellicht ben ik er overgevoelig voor, maar de identificatiedrang kan er even hysterisch zijn als, met het arrogantste woord mij bekend, burgerlijk. Non-stop constructies van een zij door verbale lynchpartijen op het randje van paranoia zullen allicht ook een wij veroorzaken, zij het labiel en zonder veel referenties aan de werkelijkheid.
Een specifiek project hierbij is Facebook. Ik heb vaker beweerd dat dit me voorkomt als een parochiale bouwtrant, waarbij uitverkorenen delen in de blijde boodschap van een ego, maar mogelijk is het leuk er een oudtestamentisch heerschap bij aan te halen: ‘De schrik voor mij stuur ik voor jullie uit, ik zal paniek zaaien onder elk volk waarmee jullie in aanraking komen, zodat al je vijanden op de vlucht slaan’. Dit citaat leende ik uit Rüdiger Safranski’s Hoeveel globalisering verdraagt de mens? Hij zei dat de God van dienst, voor zover Hij zich voor hoeder van de eenheid uitgaf, zelf het probleem was waarvoor Hij de oplossing meende te zijn, door zich af te scheiden van de goden van de andere stammen en volken.
Juist vandaag, nu in de niet-virtuele wereld een aardbeving, een tsunami en een brand in een kerncentrale kwesties van wij of zij ridicuul maken, bruuskeert Facebook; bij de revoluties in Noord-Afrika mag het algemene belangen gediend hebben, zijn narcisme overheerst. Ik zwijg nog over het door internet en mediatisering uitgegumde verschil tussen publiek en privé. Het verandert het wij in een zo dictatoriale categorie dat een verlangen naar onwetendheid zich opdringt.
Misschien kan het proces van gemeenschapsvorming authentiek gestalte krijgen door sport. Goed voor lichaam en voor geest, heet het, en het laatste artikel krijgt een extra dimensie als het in teamsport fungeert. Wel heeft het te maken met toestanden die het wij zo weerbarstig in de verf zetten dat er middelen van het zij nodig zijn om geen negatief saldo voor het totaal te boeken. Verhoudingsgewijs goedmoedige supporters hebben plaatsgemaakt voor zogeheten harde kernen.
Eveneens in de plaats waar de HEMA haar oorsprong vond. Daar serveert niet de oudste, wel de meest gerenommeerde voetbalclub een geprononceerd wij. Over de aanvallende speelstijl met vleugelspitsen waarbij de tegenstander moet worden vastgezet op de eigen helft oreert een Verlosser uit Barcelona soms zelfs evangelies. Ook de spelers hebben te gehoorzamen. Toen een van mijn helden, Winston Bogarde, verhaal wou halen bij etterbakkige fans van Sparta, werd hij berispt door de voorzitter: ‘Een Ajacied doet nooit zijn jasje uit.’ De supporters ventileren een in principe aanpalende identiteit. Ze noemen zich ‘joden’ en daarop spelen collega’s van rivaliserende clubs in. Dat zorgt ook weer voor tegenreacties; in laatste instantie bepaalt het zij de identiteit.
De laatste tijd kampt het sterrenelftal met interne twisten. Met name de voor veel euro’s aangekochte centrumspits gehoorzaamt niet, wat al onwaarschijnlijke motieven toebedeeld kreeg. De tekst waarmee de harde kern hem uitsloot was echter ronduit fabuleus: ‘El Hamdaoui is geen jood’. Eerdaags een spelersruil met KRC Genk?

zondag 6 maart 2011

Brecht zegt (1)

Volgens Hannah Arendt kwam de ironie van de Dreigroschenoper niet helemaal aan. Eerbare zakenlieden zagen in het stuk, dat hen als gangsters opvoerde, diep inzicht over henzelf en het reilen en zeilen in de wereld. Gepeupel ervoer een sanctionering van het gangsterdom, terwijl de elite juichte dat hypocrisie superieur werd ontmaskerd. Met ‘Erst kommt das Fressen, dan kommt die Moral’ als correcte samenvatting lag de weg naar het populisme open, suggereert Arendt. Van het épater le bourgeois werd haars inziens de elite de klos. 
Klinkt vertrouwd! Wel stamt Arendts opvatting uit de jaren vijftig en Bertolt Brechts gememoreerde totaaltheater uit 1928. 
De draaischijf is verandering op basis van gemeenschappelijkheid. Recent wist ik me toch gesterkt door een carnavalsdag op de school van ons taalkundig genie: iedereen was vrolijk uitgedost en in elkaar geïnteresseerd. Behalve één meester die zijn kloffie had aangehouden en alleen stond met zijn wereldwijze theorie. Juist inzake haalbaarheid had hij wat kunnen opsteken van een kind dat, vernam ik, een zeerover was nadat het inzag onmogelijk gekleed te kunnen gaan als iPhone. 
Veel is beweerd over carnaval, maar met het principe van de omgekeerde wereld toegepast op verandering raakt Arendts object nabij. Wat wou Brecht anders? Op het legendarische Parijse schrijverscongres in 1935 pleitte hij zelfs niet te ageren tegen nazistische barbarij zonder ‘de eigendomsverhoudingen’ intact te laten. 
Nu heeft Brecht teksten gezweet. Maar voor Hollanders is al lang geselecteerd in de Dagboeken, zodat snel blijkt dat hij collega’s niet moest die schreven uit zelfverklaarde wereldvreemdheid. In een naar verluidt secure arbeiderische coiffure en outfit stortte Brecht zich in het leven, omdat hij ‘weinig bekwaamheden voor de literatuur’ zou bezitten (dikwijls klaagt hij over zijn onkunde met werkwoorden en hij wil ‘moderne jamben’ leren). Maar heeft de techniek ook gevolgen voor het veranderingseffect?
Brecht vindt dat mensen, lezers, slaven zijn zolang ze vreugdeloos moeten arbeiden. Hun brein wordt dan het enige middel waarmee ze kunnen ontsnappen. Daar moet de auteur toe willen doordringen. Maar ‘zowel het standpunt van de schrijver als zijn pogingen die ook aan de lezer op te dringen, zijn doorzichtig als glas. Er zijn geen geheimen, en waar geen geheimen zijn, is geen waarheid.’ Ook koesterde het publiek liever de illusie dan de door de auteur geambieerde verfremdung, en namen uitgerekend de nazi’s hem wel serieus, door zijn Duitse nationaliteit in te trekken vanwege regels als:

Met tsjingboemsasa en tot wederziens! 
En vrouw en hond en paap! 
En tussen hen in de dode soldaat 
Als een bezopen aap. 
(vert. Martin Mooij

Die ambivalentie zit al vervat in de naam van Brechts fameuze (anti)personage Herr Keuner. Enerzijds is deze een ‘keiner’, anderzijds dient hij via de Griekse term ‘koinos’ het algemeen belang. Dit verzacht uit de lebmaag der receptie misschien zowel het zuur van de Leer als van salonsocialisme. In de laatste jaren klonk nog: ‘Principes worden in leven gehouden door ze te schenden.' 
Desalniettemin beoogde Brecht zelfs voor poëzie een breder verband. In september 1920, hij is dan 22 jaar, verzucht hij dat er geen taal is die iedereen verstaat. ‘Beïnvloeding gaat langs een andere weg: ze overmeestert (hypnose)’. Dezelfde maand verwijst hij naar Rodins Burgers van Calais waarin een offer voor de gemeenschap wordt uitgedrukt. Het beeldhouwwerk, zegt Brecht, had van de maker op dusdanig lage sokkel mogen staan dat de levende burgers niet kleiner geweest zouden zijn. Zodat het offer vanuit hun midden plaatsgrijpt. ‘Op zo’n manier dienen de gedichten tussen de mensen te staan.’
Ik kwam deze passage ook tegen in een zalig Duits syllabusboekje met Brechts verspreide teksten over poëzie die, vermoedelijk vanwege het heikele onderwerp, ietwat stroefjes zijn geformuleerd. Gewapend met een woordenboek heb ik geprobeerd er enige te vertalen. 

Over lyriek en de staat 

Destructieve en anarchistische lyriek weerspiegelt zeker een destructieve en anarchistische maatschappelijke orde, wordt daardoor ‘aangestoken’, getuigt ervan – maar tegelijk vernietigt ze vaak deze destructieve maatschappelijke orde, die er immers van afhankelijk is om zich als constructief te presenteren, en de roep om ‘geen heerschappij’ kan in zoverre het bestaande ondersteunen dat hij de roep om iets beters overstemt, hoewel dat in elk geval een slechte dienst is, en de heersers nemen hem met genoegen aan. 
Niet alle menselijke productiviteit wordt in de immers altijd beperkte productie opgenomen. De niet onmiddellijk binnenkomende elementen vallen niet ergens zo ongeveer ernaast, maar ze spreken tegen, zijn niet louter betekenisloos maar hinderlijk. Aldus kan alleen een erg ruim uitgemeten strijdperk rekening met hen houden, en voor het productieve zijn erg goede oren nodig. Het is een hele kunst om ze tegen vernietiging te beschermen, dus tegen dat ze vernietigen en tegen dat ze vernietigd worden.
De staat benadeelt de staatsvriendelijke literatuur, indien hij de staatsgevaarlijke literatuur onderdrukt, hij kortwiekt haar, maakt haar tandeloos, ontdoet haar van feiten. [jaren dertig] 

Uit: Realistische kritiek 

Het is helemaal verkeerd om kritiek als iets doods, onproductiefs, zogezegd langbaardigs te beschouwen. Deze opvatting van kritiek wenst de heer Hitler te verbreiden. In werkelijkheid is de kritische houding de enig productieve, menswaardige. Ze betekent samenwerking, verdergaan, leven. Echt kunstgenot zonder een kritische houding is onmogelijk. 

Tegenwoordig, nu ons naakte bestaan lang en breed tot een vraag voor de politiek is geworden, kan er al helemaal geen lyriek bestaan, als het maken en lezen van lyriek afhangt van criteria die ver afliggen van het verstand. Onze gevoelens (instinct, emotie) slibben volkomen dicht, ze zijn in een voortdurende strijd verwikkeld met onze naakte belangen. 

De kritiek verhindert het genot geenszins, tenzij ze bestaat ze uit humeurige bedilzucht. Zonder de gave van het kritisch genieten kan het proletariaat al helemaal niet de nalatenschap van de burgerlijke cultuur aanvaarden. Historisch besef, waarzonder men niet kan genieten, drijft kritiek aan, zo zal duidelijk zijn. Daar moet de vroegere perfectie van een ding gevoeld worden die, ondertussen in een mindere veranderd, nergens meer in deze perfectie te aanschouwen is, voortaan ongenietbaar in de dodelijke betekenis van het woord geworden is. [eind jaren dertig]

vrijdag 25 februari 2011

Betrapt


Grace Jones zong ooit: ‘I’ll never write my memoirs / There’s nothing in my book’. Zo is het maar net. Wel verkeer ik de laatste tijd in een Duo Penotti van sensaties waar ik niks van moet hebben.
Ofschoon af en toe iemand wat over mijn boekjes zegt, slimmer soms dan ze zijn, bespelen ze een miniem publiek en blijven ze voor alles gehuld in anonimiteit. Dat gaat al dik vijftien jaar zo. Vervelend, maar ondoenlijk? Eigenlijk vind ik het wel leuk dat mijn naam vaak verkeerd wordt gespeld, dat een vertegenwoordiger die meerdere titels van mij in de boekhandel moest hebben aangeprezen nooit van mij had gehoord, dat ik op een prestigieuze beurs mee mocht doen aan een debutantenprogramma toen mijn vijfde boek verschenen was, bij het livebesef waarvan de gepokte presentator, die weinig later een pamflet tegen culturele vervlakking het licht liet zien, zei dat hij heel benieuwd was.
Ik vind het idee zelfs charmant dat ik alle kopers van mijn boekjes ooit zal hebben ontmoet.
Toegegeven, het dunkt me geen verdienste zoet te zijn , of als kunstenaar overal een mening over te hebben zonder over de eigen branche opvattingen van ‘kleinburgers’ te dulden. Het zal allemaal wel. Vroeger ging er iets door mij heen wanneer een artiest ter gelegenheid van een overzichtstentoonstelling alom exclusieve interviews gaf met als onderwerpen: ik, mijn werk, mijn perfectionisme, mijn lijden en cultuurfunctionarissen die ‘provinciale boeren’ zijn, ‘boeren van het platteland’. Of wanneer een kwaliteitskrant anderhalve opiniepagina inruimde over beschaving en burgerschap en sociaaldemocratie door een A-merk, nadat zijn trein 9 minuten vertraging had en hij de aansluiting naar Frankfurt had gemist.
Waar het mijn eigen onderneming aangaat is er tot nu toe altijd een uitgever zo stoutmoedig geweest zich aan mijn tekstjes te committeren. Indien dat niet meer het geval is, zal ik nog pogingen tot omkoping wagen maar als die mislukken is het ook best.
Misschien is het niet mooi dat ik weinig verwachtingen heb. Ik zal tot de laatsten behoren die bij de uitdrukking ‘dat staat goed op je cv’ aan een mooi porseleinen schoteltje denken, met water erop, zodat de luchtvochtigheid oké is. Cynisch zijn mijn verwachtingen hopelijk niet, wel realistisch. Omdat ik van dichtbij heb meegemaakt ‘hoe het wereldje werkt’ en uit een recent persbericht bij een dichtbundel snapte dat ‘meer informatie’ over dat genre te krijgen is bij een e-mailadres beginnend met ‘promotie.stage’? Zeker zijn er twee momenten geweest dat mijn verwachtingen torenhoog waren. Na mijn debuut heb ik ongeveer een jaar verwacht dat ‘volgende week’ er een ‘groot stuk’ in ‘de krant’ zou staan waarin haarfijn zou worden uitgeduid hoe vernieuwend mijn poëzie was. En een decennium geleden trok ik mede naar België, omdat zich er kiene mensen hadden verzameld die het ‘allemaal anders’ wilden gaan doen.
Mijn ongeloof geldt de superlatievenemissie die het boek monddood heeft gemaakt. Voor de bewijsvoering zij verwezen naar de laatste WK. Wesley Sneijder heette zo’n beetje ‘de beste van het toernooi’, maar behoudens enige gelukstreffers kreeg hij weinig voor elkaar (assistgewijs, zijn specialiteit, leek hij zich eerder aan het spel te onttrekken, om rivaal Van Persie niet in beeld te laten komen?). Wel kadert zulke gewelddadige performativiteit, die het etiket ‘beste’ waar maakt zodra het wordt opgeplakt, in een ideologische ontwikkeling. Acteerden er in de beginjaren van de pr four-minute men, die tijdspanne duurt nu een eeuwigheid. De soundbite wordt gerekend in seconden en aantal twittertekens.
Voor mijn branche van de literatuur word ik dus niet warm of koud van ‘de beste’. Bij al die vermeende hiërarchieën borrelt in mij de slappe lach op. Voor de groten der betreffende aarde lijkt de toekomst van het vak evenmin een prangend vraagstuk.
Mijn Duo Penotti bestaat er vervolgens uit dat ik er niet in slaag correct pathetisch te roepen ‘wat heb ik misdaan’, maar er domweg lol in heb voor het eerst van mijn schrijversleven te zijn opgenomen in zo’n bundel van de VSB Poëzieprijs, onder de titel De beste gedichten. Simultaan weet ik me een kruidenier, die het zus vindt dat in die bloemlezing A meer heeft dan hij en zo dat B minder.
Niet dat het verschiet vanaf nu is gedraaid richting wereldheerschappij, maar ik ducht het wel een beetje. Er is een passage van Chris Keulemans: ‘Ik beschouwde mezelf altijd als iemand die men niet onthoudt. Een naam die zilverachtig als een gezicht achter de bomen staat en dan weer verdwenen is. Ik stelde me zonder bijgedachte voor de vierde keer aan iemand voor. Na stampvolle dagen kon ik thuiskomen in de rustige wetenschap alweer vergeten te zijn.’ De receptie van mijn werk gaf een fijne prikkel. Druk van binnenuit zette een eigenschap als luiheid soms opzij – tussen zogeheten negatieve emoties blijkt het godswonder ‘instrumenteel woedend’ te bestaan. Bovenal ambieert mijn literatuur iets, nou ja, illegaals, een ingetogen maar gis knagen.
Gelukkig valt er te rationaliseren: mijn werk zal zijn uitgekozen omdat ik voor mijn dagelijks brood teruggekeerd ben naar de poëzie-instituties. Alleen weet ik niet of de samenstelster van de bloemlezing dat weet. Ook lijkt ze me geen type voor zulke dienstverlening. Veeleer snap ik dat in haar selectie ‘grote namen’ ontbreken. Dat gaf alsnog een motief. Mijn gedichten mogen meedoen met de kneusjes of, zoals dat in Hotel New Flandres heet, humus zijn voor bloeiende flora! Eerlijk gezegd lijkt die weg naar een staat van ontbinding mij wel wat. Dan kan ik meteen voortpiekeren over het discours rond de nominaties, die als cerebraal of zelfs gevoelloos golden, hetgeen verklaard werd uit het feit dat de meerderheid van de juryleden academisch is opgeleid. Geert Wilders had zoiets eens moeten zeggen!
Overigens zouden andere juryleden andere bundels genomineerd hebben, was daar minstens zoveel kritiek op losgekomen en had een andere bloemlezing evenmin recht kunnen doen aan de kwantiteit. (Slave to the rhythm.) Toch goed dat er muziek is.

woensdag 16 februari 2011

Overal waar de meisjes zijn

Kapitein Winokio behoor ik beter te vinden, maar beluistering van enige van diens educatief verantwoorde cd’s gaf de nasmaak dat de meeste artiesten – Fay Lovski, Eva De Roovere en Henny Vrienten niet te na gesproken – zichzelf erg tof vinden als ze iets mogen doen voor kinderen. Bovenal ís er voor de ware ervaringsdeskundige maar één groep: K3. 
Dit leerde andermaal een sessie ter gelegenheid van Valentijnsdag, waartoe we voor de juf een lijstje invulden met dingen waarvan ze houdt. Uiteraard kan onze ervaringsdeskundige nog niet lezen en schrijven, maar de K herkent ze moeiteloos. Op verpakkingen wijst ze hem sneller aan dan de S waarop ik haar een beetje heb getraind. 
Wel gebruikte ze als groepsnaam lang de titel van een liedje dat hier in huis, bracht Valentijn me ook te binnen, minstens een jaar minstens driemaal per dag heeft geklonken: ‘Mamasé’. Ons dametje lijkt er gelukkig mee, zingt en danst net als iedereen in haar klas. De overige tijd trekken, omgeven door goede bedoelingen, de witte kindjes naar elkaar toe en de zwarte ook – het besef amper allochtonen in de kennissenkring te hebben. 
‘Mamasé’ verenigt. Behoor ik het als een product van de kindernicheindustrie Studio 100 te verwerpen (‘geef Norah Jones onmiddellijk terug en voor de rest van de week is het Ornette Coleman’)? Nog immer bewonder ik dit liedje, vooral om de catchphrase ‘Mamasé! Mamasá! Mama saka mumba’. Het lijkt wel de instapversie van de these-antithese-synthese-gedachte. In België is ‘mama’ een volwaardig zelfstandig naamwoord, net als ‘de papa’. Wanneer ik me in een verstrooide bui Hollands voorstel als ‘de vader van’, vult de ruimte zich met dwaze almachtsfantasie. 
Mama is zo eigen dat het nooit dada lijkt. 
De lopende tekst gaat over een voorstel aan meisjes om te gaan dansen en springen in ‘een muziekregenboog / Die de wereld doet zingen’. Zo zou in gemeenschap ‘een keileuke zomer’ ontstaan, waarop de dames verliefd kunnen zijn. Het refrein is dan zo: 

Mamasé! Mamasá! Mama saka mumba 
Mamasé! Mamasá! Mama saka mumba 
Doe je mee allemaal 
In een keileuk verhaal 
Mamasé! Mamasá! Mama saka mu saka mu ma 

De zangeressen van dit gezelschap, elk met een eigen haarkleur, hebben al een zekere leeftijd bereikt, hebben zelf kinderen als ik het goed begreep. Toch weten ze, de camera een beetje uit close-up, een ‘jeugdige uitstraling’ te behouden. Soms blijken de omstandigheden echter te vragen om vers bloed. Indien ik beweer dat het liedje daar ook over gaat, suggereer ik een metalaag die voor de ervaringsdeskundige misschien niet bestaat. Maar ik heb me in deze materie moeten inwerken.
Eerst drong tot me door dat er met ‘Wie doet er mee / Is zo oya lélé’ werd verwezen naar een oud nummer, waarvan me de klankmantra net ietsje minder lijkt. Toen achterhaalde ik dat de hit ‘Mamasé’ de bekronende hit was van de televisieactie K2 zoekt K3, waar de Nederlandse Josje als de nieuwe blonde van het triumviraat uit de bus kwam. Dat gaf een extra draai aan ‘Duizenden mensen, sturen hun wensen / Van wie hou jij ’t allermeest’.
Op het spoor van zulke autoreferentialiteit en misschien te zeer geprogrammeerd door de quiz Wie van de drie hoor ik in ‘Mamasé’ ook Mama C, die als het ware naast Mama A en Mama B moest aangeworven. 
Het refrein kent een variant: 

Mamasé! Mamasá! Mama saka mumba 
Mamasé! Mamasá! Mama saka mumba 
Zing je mee allemaal
In een keigekke taal 
Mamasé! Mamasá! Mama saka mumba 

‘Keigekke taal’, fascinerend is dat toch. Onze ervaringsdeskundige verbond de tekst altijd met de melodie, paste nog geen fragment in het dagelijks spreken in – dat deed ik wel, exclusief in haar nabijheid, om een hopelijk wederzijdse liefde te bekrachtigen. Bestaat keigekke taal? Ik denk aan een scène uit Modern Times (1936), waarin Charlie Chaplin na twaalf ambachten en dertien ongelukken komt te werken als ober-chanteur in een restaurant. Hij dient een lied te zingen, en omdat hij de tekst niet kan onthouden en niet wil worden aangevlogen door wat de ultieme nachtmerrie zal wezen, schrijft zijn vriendin de tekst op zijn manchetten. Natuurlijk schieten die dingen bijna meteen van zijn polsen.
Begeleid door een aandringend orkest en voor een morrend publiek zit de zanger zonder tekst. Dan begint hij op de melodie naar Italiaans zwemende onzin zoals ‘Le jonta tu la zita’ uit te kramen. Is dat het nu? Ik bedoel niet zozeer keigekke taal als wel non-significatieve poëzie? Hoe ook, het succes blijkt onbedaarlijk. Heel eventjes dan, want rechtvaardigheid kent evengoed haar grenzen. Waarschijnlijk is het flauwekul, maar ligt het beginpunt van dit soort taal in de paradijsscène met slang? De woorden en dingen zijn al uiteengevallen, en dan doemt de intentieopgave. De slang zegt A (lekkere appel) en wil B (ambitie inplanten). Vervolgens zijn het religies geweest die enkelvoudige betekenissen aangebracht hebben, door hun fans oplossingen te bieden langs deductieve weg. 
Ook expliciet ideologische systemen konden dat. Zo ontspringen er narratieve patronen. In de roman Het Commissariaat voor Verlichting van Ken Kalfus wordt, ietwat voorspelbaar maar amusant, het communisme behandeld tegen een decor van nieuws- en overtuigingswaarde. Een filmkundige snapt al snel dat het onmogelijk is feiten tot een verhaal te smeden, als je geen betekenis aanbrengt. 
Onder een andere naam komt hij vervolgens als agitpropper te werken onder Stalin, die hem waardeert omdat hij de cinematografie beschouwt vanuit haar politieke bruikbaarheid. Feiten kunnen tot een nuttige samenhang worden geordend, doceert de dictator droog: ‘Beeldfeiten. Woordfeiten. Halve feiten. Toekomstige feiten. Non-feiten. Uit de lucht geplukte feiten. Feiten in wording. Feiten die puur toevallig tot stand komen. Feiten die geen feiten zijn, die in feite leugens zijn, tot ze dienstbaar worden gemaakt aan de revolutie’. 
Als de agitpropper echter moet omgaan met een experimenteel theatermaker treedt er paniek in en verwarring: ‘Je hebt de controle over het verhaal prijsgegeven! Dit is het tegendeel van een verhaal. Wat jullie hier zeggen kan álles betekenen.’ Geknipt voor Studio 100 of toch voor Kapitein Winokio?

zondag 6 februari 2011

Dienstijver

Van Walter Benjamin citeer ik met plezier dit, hoe bekend ook: ‘Citaten in mijn werk zijn als struikrovers langs de weg, die gewapend te voorschijn springen en de leegloper zijn overtuiging afnemen.’ Toch kan het snugger wezen kapingen eventjes te dimmen. Een blog dat mij fascineert heet De Amsterdamse Lezing en is opgezet door de vakgroep moderne letterkunde van de universiteit aldaar. Ooit moet in de rondvraag van een uitgelopen ochtendvergadering iemand, palaverend over ‘de vaart der volkeren’ en ‘studentenparticipatie’ en ‘eigen identiteit’, het idee ertoe hebben gelanceerd en van iedereen, bekropen door lunchvisioenen, het antwoord gekregen DOEN WE. De druk op het onderwijs is exponentieel toegenomen, terwijl het personeelsbestand krimpt en gatendichtende aanstellingen naar neoliberale traditie tijdelijk en wettelijk onbeschermd zijn. Chronische vermoeidheid schijnt de habitat. Zo doemen er op genoemd blog postings op die heel erg willen enthousiasmeren zonder daar tijd voor te hebben. Dit is des te treuriger omdat de auteurs zonder uitzondering knappe koppen zijn en hetgeen ze aan de orde willen stellen bijna altijd belangwekkend is. Maar ze leveren tekstjes die interessant hadden kunnen zijn. Vermoedelijk tracht men daarom een extraatje te bieden met elders te vinden overzichten van culturele happenings in de stad. Alles bij elkaar heerst een lauwheid zonder weerga, die mij bezighoudt. Misschien wel het mooiste woord dat ik ken is ‘dienstijver’. Natuurlijk speelt mee dat ik zelf Nederlands gestudeerd heb. Ik besef dat ik door dit openlijk te zeggen een x-rated homevideo verbreid met zwaar gymnastisch geschut. Gestudeerd heb ik namelijk amper, na de middelbare school wist ik gewoon niet wat voor een vak te kiezen en ben toen voortgegaan met wat ik graag deed: boeken lezen. De elementaire vraag was ook duizelingwekkend: waarom staat iets er zoals het er staat? Zonder ‘de diplomademocratie’ geweld aan te willen doen of ‘academici’ mee te demoniseren, had de dekmantel ‘Nederlandse taal- en letterkunde’ bovendien het voordeel dat ik mijn luiheid kon handhaven door op te letten in de les en de avond tevoren de aantekeningen na te kijken. En zo werd ik in een paar jaar, met eeuwige dank aan mijn vader die het zaakje bekostigde, doctorandus. Wel ging ik later serieus vakliteratuur lezen, in vertaling, toen mij verzekerd werd dat mijn boeken en ideeën aansloten bij het poststructuralisme, zoals dat met name uit Frankrijk kwam en waarover ik als rechtgeaarde Hollander wel een mening had (onzin). Ik poogde zelfs een proefschrift te maken, maar dat was, om met prinses Máxima te spreken, een beetje dom van mij. Gelukkig had het fiasco zin omdat door uitwisseling was gebleken dat in België – mede door een fantastisch maar eng onderwijsstelsel – een aantrekkelijk intellectueel klimaat heerste. Vermoedelijk ligt het aan de afstand in tijd, dat het vak neerlandistiek me vreemd geworden is. Nochtans tuk op dynamiek wordt door de vaste boodschap ‘de andere kant op’ of ‘terug’ het genot dat ik kan ontlenen aan fabuleuze analyses van teksten geblust door verbazing. Natuurlijk is geen wetenschap belangenvrij, maar door bij de duinkonijnen af naar een academisch cachet te zoeken oogt het vak als een protestants geloofsgeheel. Het is uiteengevallen in facties, en collega’s blijken concurrenten. Men is zeer vervuld om in metabeschouwingen andermans ‘vooronderstellingen’ aan te wijzen en meer van zulke beperkte poëticale stadsgezichten. Zou dat neerslaan op het dagelijks omgangs- en vermijdniveau? De laatste jaren hebben briljante jonge geesten er de brui aan gegeven, zodat het gevoel de overhand neemt dat de toekomst is aan hen die het meest plooibaar zijn. Of hoe zeg je dat, bamboeachtig. Op de dag dat ons bijna 4-jarig genie zowel het woord ‘keileuk’ als ‘afbeelding’ uitsprak, wist De Amsterdamse Lezing te melden dat er een nieuw peer reviewed tijdschrift is, in print en digitaal. Een blik op de lijst met redacteuren en redactieraadsleden leerde dat de richtingenstrijd nog gaande is: het geheel lijkt meer op een netwerk. Omdat heel wat grote neerlandici ontbreken, zal het zo wezen dat die in andere netwerken broedende zijn. Waar die peer review dient om werkgevers en overheden tevreden te stellen, volgens wie wetenschap anders niet serieus genomen kan worden, heeft het andere kenmerk van het blad, dat het in het Engels is, eveneens een politiek motief: internationalisering. Punt is alleen dat ook de basisteksten principieel vertaald zijn. Dat over dit ontegenzeglijke verlies met geen woord wordt gerept heeft iets koddigs en triests. Ik heb nu geleerd dat Droogstoppel in dit veld Drystubble heet, en dat een niet geheel onbetwiste, maar relatief zuivere en met gemeenschapsgeld gemaakte officiële editie van Max Havelaar voor deze academisering kan worden verzwegen ten faveure van een vroegere Engelse vertaling. Nederlands in de voetnoten: voor mij is dit veeleer provincialisering. Ik vrees dat wat hier tot nu toe is beweerd meesmuilend of vilein overkomt. Verrukt dat in Tunesië en in Egypte tegen schijnbaar onwrikbare structuren ‘het volk’ zijn wensen poogt te realiseren, lijkt me echter dat culminaties als dit Journal bestaan bij gratie van schaapachtig gedrag, desnoods met verwijzing naar een stripverhaal (‘Heel Gallië?'). Het zou me niet verbazen dat men elk voor zich het ideologische kader verwerpt. Nu zou ik het eerste nummer moeten bespreken, maar slechts van één onderwerp wist ik iets. Het trok me ook omdat het verzorgd werd door iemand die als eerste Multatuli vanuit het poststructuralisme zou hebben benaderd. Ditmaal ging het exclusief over Max Havelaar; zowel de abstract als, tweemaal, de conclusie meldde dat er nieuwe inzichten werden vertolkt. Geïmponeerd door de hoeveelheid secundaire literatuur én in mijn verlangen naar analyse, heb ik het artikel waarschijnlijk niet goed gelezen. Walter Benjamin poneerde ook: ‘Commentaar en vertaling verhouden zich tot de tekst als stijl en mimesis tot de natuur: hetzelfde fenomeen op verschillende wijze beschouwd. Aan de boom van de heilige tekst zijn beide slechts de eeuwig ruisende bladeren, aan de boom van de profane tekst de bijtijds vallende vruchten.’

vrijdag 28 januari 2011

Geruchten


Louis van Gaal en Leo Beenhakker, zegt een stielman, zijn onimiteerbaar (‘niet te schminken’). Zijn zij originals? In het geweld van de vrije markt hoeven ze ontslag dan nooit te duchten, omdat er altijd nog te verdienen valt in de reclamebranche, bijvoorbeeld in een enscenering van idylles waarin tijd geen geld is. Wellicht dat de stielmannen ondertussen hun vak vaarwel zeggen. Maar ja, welke pijp en wie is Maarten eigenlijk.
Moet de schoorsteen van de wandtegeltekstindustrie ook roken?
Obstinaat is de mare dat medelijden de belangrijkste brandstof is voor het liefdesleven. Ik meen dat nogal eens terug te horen bij Vlaamse dames die hun kind troosten: ‘Mazouteke’. Voorts schijnen zowel slechte als goede bakkers in Arnhem krooszands en krantenbollen verkopen.
Bart De Wever stelt voor de impasse te doorbreken te Bokrijk. Daar hebben ook zijn collega’s asiel aangevraagd, wat het volk via Facebook dankbaar heeft verleend. Wel is de bindende voorwaarde afgedwongen dat voor allen hetzelfde grafschrift komt: ‘Ik bedoelde het goed, maar de wereld begreep het niet (mais non)’. Het restantje België zal door de BRIC-landen met een iBrace worden bestuurd en Brussel krijgt een Amerikaanse, een Russische, een Franse en een Engelse sector; de koning gaat Franse conversatie geven aan Hollanders.
Naar nu blijkt heeft de bestelwagen met installatiespullen voor digicorders en live-televisie-kijken-op-je-slimme-telefoon moeten stoppen voor duiven die kruimels van de straat pikten.
Lee Harvey Oswald kan Kennedy niet hebben vermoord, want hij had koude kip gegeten en daar krijg je vette vingers van, hinderlijk bij het mikken van de zoveelste verdieping op een poppetje in een rijdende auto.
Hebben mensen die overal boven staan voor alles de beschikking over bovenmodale materiële middelen? ‘De machtige zwijgt, de onmachtige praat,’ zei Vogelaar in 1969.
Dr. Zamenhof zou niet in zijn onderneming zijn geslaagd omdat er al muziek was.
Funkbeest Bootsy Collins vertelde eens over zijn eerste ontmoeting met George Clinton. Deze zat immuun te wezen in lotuszit op een kamertje. ‘Er was niemand aanwezig in zijn hoofd, begrijp je. Bij mij trouwens ook niet, geloof ik. Ik voelde me direct bij hem thuis.’ Ik moest lachen om dit relaas, maar niet zo hard als Bootsy zelf. En kan het ontbreken van contact een band scheppen?
Heb ik wat gemist of bestaat er werkelijk alleen nog maar een linkse elite, en geen rechtse meer? Toch hoeft niemand zich te schamen een liberaal te zijn, dat komt in de beste families voor.
Een column repte van een ‘beroemde dialoog’ tussen Winston Churchill en een zekere Lady Astor: ‘Winston, als ik je man was, zou ik je thee vergiftigen.’ ‘Mevrouw, als ik uw man was, zou ik hem leegdrinken.’ Omdat ik de geslachtsthese in de eerste zin niet begreep, begon ik het internet af te zoeken. Om na drie seconden te vinden: ‘If I were married to you, I’d put poison in your coffee.’ ‘If I were married to you, I’d drink it.’ Is het web dus onbetrouwbaar of drinkt de columnist cocktails?
Alles gaat goed komen! Net toen ik van de literaire kritiek niets meer verwachtte, werd ik opgeschrikt door een zinnetje in een interview met een auteur op leeftijd die nog zeer kras bleek: ‘Hij stopt zijn pijp als nooit tevoren’.

vrijdag 21 januari 2011

Anders


Lucide gaf Jeroen Mettes ooit duiding aan het fenomeen van ‘de melancholie van de mode: het allernieuwste verschijnt in het licht van zijn toekomstige achterhaaldheid’. Dat verklaart gelijk de sommen geld voor reclame: het prille moet wel inslaan als een bom, voordat de consument in zijn vertrouwde shellshock steken blijft. Ik zie dat ook aan iets volstrekt onschuldigs als, zeg, koffie: de pr voor allerlei blitse machines, met pads of cups, heeft vruchten afgeworpen, maar een nagekomen bericht over hippe producten voor 2011 wist dan toch dat filterkoffie zijn comeback gaat maken: ‘We druppelen onze zelfgemaakte koffie door de papieren filter met een ouderwetse percolator’.
Op de kwalificatie ‘ouderwets’ kom ik nog terug, geinig is dat de dienstdoende trendwatcher niet lijkt te weten wat een percolator behelst – Mettes zou hier wellicht extra melancholie in aangetroffen hebben. Zijn observatie wordt trouwens onderstreept door Beroemde Doden. Denkend aan Bobby Farrell, bijvoorbeeld, zie ik pirouettes door mijn brein schoepen. De eerste keer dat mij dat in herinnering werd gebracht was toen ik een iets oudere vriend zag dansen, die evident door Boney M. was gegaan. Daardoor besefte ik meteen een paar jaar later in dat vak te zijn gekneed door Saturday Night Fever (door beelden van de hits uit die grootse film die destijds ordinair was, mede omdat de Bee Gees ‘commercieel’ geworden waren).
Modes komen en gaan, heet het. Vermoedelijk beweegt men vooral zijn dada’s, aangeleerd of onbewust gekopieerd. En omdat men eerder zal dansen dan creatief met technologie omgaan, kan ik vervolgens nog een voor mij bepalend beeldverhaal opdissen: The Singing Detective. Daar waren de jongste gadgets een walkman en een tekstverwerker, met een zwart scherm dat geelwitte letters weergaf, te bewaren op vijf-en-een-kwart inch floppies.
Pure prehistorie! Maar met de cruciale technologische vernieuwing, de computer, ben ik niet opgegroeid. Mij dunkt dat dit ervaringsfeit de perceptie stuurt. De televisie is mij wel van jongs af vertrouwd geweest, en Neil Postman, geboren in 1931, allerminst. Hij is ook bijna een generatie ouder dan de babyboomers, die dit medium zo aan het eind van hun puberteit gemeengoed zagen worden en wier kwantitatief prominente cultuurkritiek überhaupt weinig met ‘de treurbuis’ aan kon. Postmans legendarische Amusing Ourselves to Death. Public Discourse in the Age of Show Business, dichtkittend vertaald als Wij amuseren ons kapot. De geestdodende kant van de beeldbuis, loog er zo mogelijk nog minder om.
Postman ageert niet zozeer tegen televisiepulp, als wel tegen wat het medium zelf van waarde vindt. Bovenal acht hij de televisiecultuur geen mode, maar een ideologisch verschijnsel, een levenswijze. Hij benadrukt dat het nooit onderwerp was van discussie, laat staan dat erover gestemd is. De (westerse) wereldbevolking heeft domweg om te gaan met de structurele gevolgen. Zo’n contrast tussen de enorme invloed van een technologie en haar ‘verzwegen’ ideologische premissen detecteert ongeveer tezelfdertijd, maar wat introverter, Ulrich Beck voor het milieubeleid, kernenergie, et cet.
Zulk pessimisme, dat in modetermen ook ‘retro’ is omdat het bij alle veroordelingen van het heden simultaan vaak een historische periode idealiseert, verwekt zelden populariteit. Tenzij commercieel, bij een plotseling massale groep lezers die de auteur niet in eerste instantie wil bereiken. De beoogden proeven in het openbaar hooguit enige ridiculiteit, die een auteur, indien hij zijn nostalgie koppelt aan realisme, incalculeert. Da’s deprimerend, temeer daar er altijd een meer of minder expliciete oproep tot actie in de kritiek is vervat. Achteraf valt wel te zien in hoeverre deze voorliep op of deelde in een tijdgeest.
Het frappeert hoezeer Postmans afkeer, inclusief retoriek en dichotomie, raakt aan wat nu over het internet wordt gezegd. Maar wellicht denk ik dat mede vanwege mijn ambivalente omgang met ‘de computer’. Het ding is mij, inderdaad, zeer genegen als hulpmiddel bij het schrijven, meer dan als internetleverancier. Zo’n basis bevordert de wonderlijkste mentale stramheden. Amper ontsnapt bijvoorbeeld het naar eigen overtuiging hypercunning bedachte password aan het allerergste simplisme. Zelf vind ik het wel troostvol beperkt te zijn als elk ander. Het maakt de zo veelvuldig geworden toeschrijvingen van actualiteit radicaal relatief. Met speciale gevolgen voor de categorie En dan nog dit. Zo hoeft magische gebedsgenezing niet echt meer va banque de eigen doelmond te bewaken voor een brilstand tegen haar lifestylevariant.
Normaliter wordt deze gedragslijn verbonden met ‘openstaan voor’, maar mij lijkt ‘rekening houden met’ adequater. Zoals Bill Clinton, toen hij zei dat Sarah Palin als presidentskandidaat serieus genomen mag omdat we een politiek tijdperk betreden waarin regeringservaring een minpunt kan zijn. Dat is inderdaad niet onmogelijk, maar iets om niet graag te accepteren, al was het omdat men dan een vanzelfsprekendheid plots als mode moet erkennen. Het ambacht wordt ontdaan van zijn bestaansvoorwaarde, zelfs geen kwestie van economie maar van strategie.
Ik ervaar mezelf dan niet eens als een niche maar gewoon als een product dat shuffles met de tijdelijkheid serveert die niet te verklaren zijn vanuit de ballast van een referentiekader. Waar zijn we nou gebleven? Terloops zegt Postman dat grotschilderingen à la Altamira met jachttaferelen helemaal niet de praktijk lieten zien, maar een diepe wens tot uitdrukking brachten.
De laatste stap op dit gedachtepad dat zich verwijdert van de mimesis, doet mij suizelen. Wat te doen met de alledaagse omgang? Niet alles is verifieerbaar en gaat evenmin per definitie om uiterlijkheden met performatieve status? Wij denken met onze Verlichtingsachtergrond en -kritiek een zeker cultureel begrip opgebouwd te hebben, in de wetenschap van de dunheid van dat ‘laagje vernis’. Juist die overbewustheid demonstreert de afstand tot het barbaarse, een winst van de evolutie. Toch? ‘Aardigheid en vriendelijkheid zijn niet alleen aangeboren eigenschappen, zij moeten ook worden ontwikkeld en dat gebeurt alleen als zij in de mode zijn’, wist Nadjezjda Mandelstam.