zondag 3 maart 2013

Leuker kunnen we het niet maken


Hallo beste mensen. Europarlementariër Bart Staes zette onlangs in een interview vraagtekens bij machtsconcentraties. Aanleiding was zijn bezwaar tegen genetisch gemanipuleerde organismen, die zijns inziens de biodiversiteit tegengaan en die boeren verder afhankelijk maken van een beperkt aantal multinationals: ‘Als die technologie wordt ingevoerd, zullen de Monsanto’s van deze wereld alles in handen krijgen.’
Memorabel was het antwoord van de journalist: ‘Bijna de hele Vlaamse pers is in handen van een paar families, maar daarom schaffen we de kranten toch niet af?’ Dit verklaart alvast waarom hij, zoals veel van zijn collega’s, binnen de branche smetteloos van de ene concurrerende werkgever naar de andere was overgestapt: verschil, en helemaal ideologie, is onder het tapijt geveegd.
Afgelopen weekend droeg de glossy bij dezelfde krant de kop De nieuwe revolutionairen. Dit verwees naar een groot interview, waaruit bleek dat het hip is om niet alleen te vinden dat de wereld moet worden verbeterd, maar daar ook een daad bij te stellen. Het was geschreven door een journalist die diverse printmedia had gediend én speechschrijver was geweest van de sp.a, de voormalige socialistische partij die in Nederland haar evenknie heeft in de PvdA.
Grappig dus dat uitgerekend in een lifestylebijlage, met zijn programma van een ironisch-pastoraal ‘wij’, uitgerekend deze man over activisme berichtte. Zijn partij beleefde een ontideologisering in de jaren negentig, en schurkt – men zou het door het martelaarschap van de door de N-VA verdreven Antwerpse zogeheten socialistische burgemeester Patrick Janssens bijna vergeten – inmiddels aan tegen de neoliberalen.
Kan de boog altijd gespannen zijn?
Mijn aandacht voor het artikel was gewekt doordat op het glossyomslag Barbara Van Dyck genoemd werd. Haar zaak is op deze blog meermaals aan de orde geweest, mede vanwege de berichtgeving erover. De bezorgdheid van Staes refereerde nota bene aan de gevangenisstraf die haar en medeactivisten is opgelegd. Het medium van dienst leek zich pas afgelopen week te realiseren wat er gebeurd was en, naast de reguliere site die voor kwesties met maatschappelijk belang onmisbaar is (wat van blogs op zich ook de invloed en toekomst moge zijn), het kanaliseerde alsnog een opinievloedje.
Waarom toch mensen? In zijn duizelingwekkende studie Schuld diept David Graeber Chinese boeddhisten op, bij wie het getal 180 peck (1632,2 liter) canonieke proporties aangenomen had. Dit zou de hoeveelheid melk wezen die elke boreling van zijn moedertje krijgt en die moet worden terugbetaald. Onmogelijk uiteraard, maar de melkschuld zou eveneens door boeddhistische liefdadigheid kunnen worden afgelost.
Ook met de beste bedoelingen blijkt het lastig, zo niet ondoenlijk eigen referentiekaders te doorbreken. Het is zondag, jongens, we zullen altijd plaatselijke goden blijven.
In het lange stuk over activisme spraken een paar mannen, maar Barbara Van Dyck kwam niet aan het woord. Wel gingen twee halve bijzinnen en twee hele hoofdzinnen over haar lot. Dat haar naam desalniettemin pontificaal op het omslag van de glossy stond vermeld, kan niet anders betekenen dan dat ze een unique selling point is geworden. Of dat een nieuw plaatje schetst van haar of van het activisme of van de betreffende krant of van ‘de media’ is mij niet echt duidelijk, maar redelijkerwijs duurt het niet lang meer of de nieuwe Antwerpse burgemeester krijgt een verzoek om de naam te veranderen van de Antoon van Dyckstraat.
Dag allemaal.

vrijdag 1 maart 2013

De open bibliotheek van morgen


Vandaag een bijdrage van Saskia Scheltjens. Ze bewerkte haar toespraak bij het Belgische luik van de presentatie van Koffie. Een doeboek, op 17 februari 2013. De tekst had op deze blog evengoed gepast in de reeks ‘Coreferenties’ uit 2010. Toen vertelden gastauteurs vanuit hun expertise iets over een facet van de leescultuur die ik had verkend aan de hand van het fenomeen literair tijdschrift.
Saskia Scheltjens (1970) is faculteitsbibliothecaris Letteren en Wijsbegeerte aan de Universiteit van Gent. Ze werkte eerder onder meer als kunstbibliothecaris bij het Museum voor Moderne Kunst in Oostende en bij het Rijksmuseum in Amsterdam. Ze is ook actief op Twitter.


Een bibliotheek gaat voor mij niet in de eerste plaats over boeken. Of over een gebouw. Als ik dat zeg, dan reageren velen eerder verbaasd. Een bibliotheek gaat voor mij over delen en verbinden. Of dat nu coherente verzamelingen boeken zijn, mensen, computerkabels, kunstobjecten of bij elkaar geschraapte data, dat maakt mij eerlijk gezegd niet zo veel uit. En ook niet waar dat precies gebeurt. Een groot deel van het plezier zit ’m in het koppelen van dingen.
Om te kunnen delen heb je iets nodig dat je wilt en mag delen. Het moet dus iets interessants zijn, en je probeert het zo goed mogelijk te bewaren zodat je het kan blijven delen. Duurzaamheid, openheid en herbruikbaarheid zijn voor een bibliotheek geen holle woorden.

Momenteel werk ik als faculteitsbibliothecaris in de Faculteit Letteren en Wijsbegeerte van de Universiteit Gent. Ik ben daar sinds vier jaar bezig met een hele groep mensen om 49 vakgroepbibliotheken om te vormen tot één Faculteitsbibliotheek. Die komt in een gerenoveerd negentiende-eeuws gebouw tegenover de Boekentoren.


Rozier, Gent – Foto: Torsade de Pointes (CC BY-NC-SA)

De boeken bevinden zich nu op 222 verschillende locaties in Gent, in en rond de Blandijn. Ze staan in leslokalen, afgesloten gangen, oude conciërgewoningen, bureaus van professoren en assistenten, secretariaten, kelders en kleine seminariebibliotheken met allemaal verschillende openingsuren. Het is chaos. En absoluut niet open voor iedereen.
Al die bibliotheken – en het geld en de mensen die daaraan vasthangen – brengen we tegen 2015 samen. In totaal zullen we dan ongeveer 1 miljoen boeken hebben verhuisd, waarvan sommigen meer dan één keer. Dat is veel werk. Des te meer als je beseft dat slechts 52% in de catalogus stond. Dus registreren we deze bulk eerst zodat nadien ook deze boeken kunnen worden opgezocht en uitgeleend. Heel veel werk dus, dat wel wat brandstof kan gebruiken.


Foto: Saskia Scheltjens (CC BY-NC-SA)

Dit is een foto van onze voorlopige personeelskeuken. Bijna het hele team in de bibliotheek is verslaafd aan koffie. En aan chocolade. Maar dat is een ander verhaal.

Op 17 februari 2012 opende de eerste fase van de Faculteitsbibliotheek. Dit is een poster over de huisregels die daar nu uithangt.


Foto: Geert Roels, Lay-out: Gitte Callaert (CC BY-NC-ND)

Als ik die hordes studenten zie die de afgelopen maand uitgeput zaten te studeren in de bibliotheek, kan ik me levendig voorstellen hoe welkom koffie zou zijn.
Ik vind het steeds moeilijker uit te leggen waarom niet. Maar hier komt mijn armzalige reden. Omdat we er momenteel niet voor zijn uitgerust, niet fysiek en niet mentaal. Omdat het in deze fase van de Faculteitsbibliotheek niet past. Nu geopend is een deel van de eerste verdieping van het hele complex, waar het gros van de boekencollecties in open kasten staat. De balies, de studieplaatsen, de administratie, vergaderzalen en personeelskeuken zijn er voorlopig bij geplaatst. Op termijn verhuizen al deze zaken naar de begane grond waar ook andere, meer flexibele ruimtes zullen komen zodat we de huisregels kunnen aanpassen.
En dat is nodig. Tot nog toe hebben we boeken uit een negentiende-eeuwse opstelling gehaald en er een mooie twintigste-eeuwse wetenschappelijke bibliotheek van gemaakt.


Faculteitsbibliotheek LW, UGent – Foto: Thomas Smolders (CC BY-NC-SA)

Deze stap is nodig voor iedereen binnen de faculteit die moet wennen aan het idee van één grote gemeenschappelijke bibliotheek. Maar als we het daarbij laten, gaan we het in de eenentwintigste eeuw niet redden.
Meer nog dan in openbare bibliotheken, voelen we bij wetenschappelijke bibliotheken de invloed van de digitalisering en de impact van technologische veranderingen door het internet. Niet alleen onze collectie wordt onder onze handen virtueler. Ook het onderwijs en het wetenschappelijk onderzoek dat we als Faculteitsbibliotheek willen ondersteunen wordt minder statisch en – intrigerend genoeg – veel minder afgebakend. Iets is nu nooit meer af. Waardoor de noden van de bibliotheekbezoekers verschuiven en we ons als bibliothecarissen dienen af te vragen of ons werk nog zinnig is. Zijn we niet bezig om een fossiel in stand te houden, ten koste van buitengewoon veel gemeenschapsgeld? En hoe verhuizen we onszelf met ons hele hebben en houden naar een nieuwe eeuw, met nieuwe premissen? Zitten niet al onze potentiële bibliotheekgebruikers thuis of in de Mokabon in Gent, met hun eigen kop koffie voor hun eigen laptop of iPad? En blijven dan enkel de studenten over die enkele maanden per jaar de bibliotheken overrompelen omdat ze nood hebben aan een offline omgeving waar zoveel groepsdruk is, dat ze zich wel moeten losrukken van alle online verstrooiing opdat ze zich eindelijk kunnen concentreren?


Foto: Elizabeth Thomsen (CC BY-NC-SA)

Bij bibliotheken doet zich een buitengewoon interessante identiteitscrisis voor – die al een paar decennia bezig is. Maar het is ook een tijd waarbij de oplossingen die worden aangedragen meewaaien met alle denkbare hypes. En sommige bibliotheken waaien daarin meer mee dan andere.
Maar dan denk ik terug aan dat delen en verbinden. En aan de onwaarschijnlijk prachtige collecties waar generaties en generaties van onderzoekers en verzamelaars hun ziel en zaligheid in hebben gelegd en nog steeds leggen. Waar de geschiedenis in zit vervat van alles wat mij dierbaar is aan een universiteit. Maar ook aan bedrijven zoals Google en JSTOR die immense digitaliseringsprojecten opstarten waarbij ze de inhoud van publieke wetenschappelijke bibliotheken gratis digitaliseren. En daarbij en passant het recht verwerven om die inhoud nadien te verhandelen, en – in het geval van JSTOR en anderen – deze voor veel geld terug te verkopen aan diezelfde bibliotheken. Dat is waanzin. Of ik denk aan Aaron Swartz, een internetactivist die onlangs zelfmoord pleegde, en die inzag dat data die tot kort daarvoor nog ‘vrij’ toegankelijk waren via bibliotheken, of op eigen lokale harde schijven, nu in een ijltempo geprivatiseerd worden. Waarbij de toegang beheerd wordt door corporaties die zo onzichtbaar zijn dat ze nauwelijks of niet ter verantwoording kunnen worden geroepen. En dan denk ik: hoe dat zo, bibliotheken en bibliothecarissen niet meer nodig?

Wat deze tijd verder razend interessant maakt, is dat er andere initiatieven ontstaan die de uitgangspunten van de bibliotheek zoals mij die dierbaar is, helemaal herdenken.
Bijvoorbeeld de Occupy-bibliotheken die overal opdoken waar mensen bij elkaar kwamen om te protesteren. Ik ben er zeker van dat er daar, net buiten beeld, koffie wordt gedronken door rogue librarians die vinden dat bibliothecaris-zijn een attitude is, een mindset waarvoor ze niet eens een collectie nodig hebben. Die de wereld tot hun collectie verklaren.


Peoples Library Occupy Wall Street - Foto: Thomas Shankbone (CC BY-NC-SA)

Of zoals een prachtig initiatief in Rotterdam, waarbij buurtbewoners als reactie op de schandalige beslissing van de Nederlandse overheid om blind te snoeien in de culturele sector – en dus ook om een heleboel openbare bibliotheken te schrappen – een eigen Leeszaal hebben opgestart.


Foto: Leeszaal Rotterdam West (2013)

Ingericht in een leegstaand buurtlokaal waar iedereen welkom is. Gratis gebruikmakend van de Wi-Fi van de bovenbuur, met afgevoerde meubels en tweedehandsboeken van de deelnemers zelf. En natuurlijk met koffie.


Foto: http://www.facebook.com/leeszaalrotterdamwest

Maar tussen droom en daad… Dus krijg je ook dit.


Foto: http://www.facebook.com/leeszaalrotterdamwest

Waar dan bijna niemand op reageert…. En heimelijk vraag ik me af hoelang die bovenbuurman het nog prettig gaat vinden dat er lustig wordt meegelift op zijn Wi-Fi zodat hij geen stream tv meer kan kijken wanneer hij dat wil.
Ik wil me niet vrolijk maken over zoiets. Of het bekijken met leedvermaak. Maar als bibliothecaris weet ik wel dat een dienst leveren niet eenvoudig is. Dat het geld en moeite kost. Waarvan ik vind dat de kosten daarvoor gedragen moeten worden door een gemeenschap die het belang inziet van een publieke ruimte waar iedereen toegang krijgt tot informatie en informatiebemiddeling. Waar men kan lezen of studeren als men dat wil. Waar men zorg draagt voor de sporen uit het verleden die ons iets vertellen over onszelf. En maakt dat de wegen naar de toekomst voor iedereen toegankelijk blijven.

En dus zijn we binnen de Universiteit Gent van plan om die mooie twintigste-eeuwse Faculteitsbibliotheek Letteren en Wijsbegeerte die er nu is, binnenkort een eenentwintigste-eeuwse doorstart te laten maken.


Fases Faculteitsbibliotheek LW UGent - Beeld: Mira de Winne (DGFB- UGent)

Met vijf extra verdiepingen buiten die ene die er nu al is. Met een rustige tweede verdieping waar ruimte is voor onderzoekers en mensen die zich voor langere tijd willen concentreren. Maar ook met een begane grond en zelfs een overkapte binnenplaats voor ontmoetingen. Met een digitale werkplaats waar studenten en onderzoekers samen met bibliothecarissen kunnen werken aan projecten en zaken die de collecties van overmorgen zullen worden. Of dat nu databases zijn, websites, geannoteerde gedigitaliseerde manuscripten en kaarten of multimediale boeken zoals wij die ons nu niet eens kunnen voorstellen, dat maakt mij niet uit. Maar waarbij wij als bibliothecarissen hen er wel van trachten te overtuigen dat de zaken die we samen maken het best zo open mogelijk zijn. Met open software en open licenties. Zodat ook anderen na hen de kennis kunnen hergebruiken, en delen en verbinden tot iets nieuws. En bij zulk een dynamiek hoort

Foto: onbekend (CC BY-NC-SA)

vrijdag 22 februari 2013

Geef ons heden

Zo’n tweeduizend jaar geleden – Christus was net aan een pelgrimage door de eeuwen begonnen om in Aleppo mee te dingen naar een stageplaats in een koffiehuis, de voorwaarde immers om tegen de millenniumwisseling in Triëst toegelaten te worden op de Università del Caffè van Ernesto ‘Espresso Evangelist’ Illy – zei Quintilianus tegen redenaars: ‘Het betoog moet meebuigen met de wendingen die de omstandigheden nemen, vooropgesteld dat de intenties eerzaam blijven.’
Ongetwijfeld doen woordvoerders, advocaten en ministers van Informatie met dat advies nog steeds hun voordeel, maar wat met sprekers in hun algemeenheid, mensen van vlees en bloed dus? Ik ervaar dat op dat taalvlak, mijn professie eigenlijk, van alles uit mijn geheugen valt. Zo vergeet ik telkens het toch potentieel allerminst te pureren verschil tussen very interesting klinkende woordjes als ‘releveren’ en ‘reveleren’.
Onlangs begreep ik uit een opfrisboek dat zelfs een basale spellingstruc me aan het ontglippen is. De passage ging over werkwoordsverbuigingen met een t, dankzij het kofschip. Bleek het gatverpielekes al jaren ’t kofschip te zijn! En uitgerekend die apostrof t, waarvan werd erkend dat die het ezelbruggetje wankel maakt, is alweer passé. Door voortschrijdende ontwikkeling in het gebruik, dat op zich het smeltkroes geheten resultaat is van invloeden, is er althans een stuk aangebouwd. Het blijkt nu kofschiptaxietje te zijn. Quintiliaans opgevat geen probleem, dunkt me.
Met die aanbouw is de loshangende t wat vaster komen te zitten. En bovendien kunnen zo twee medeklinkers die de laatste jaren het werkwoordsgebruik zijn komen versterken, een plaats krijgen: de j en de x. Wel vraag ik me af welke die nieuwe werkwoorden zoal mogen zijn. Bij de j kom ik niet veel verder dan ‘roetsjen’ en, uiteraard, ‘ramsjen’. De x stremt bij mij zelfs al na ‘faxen’. Het zou toch niet zo zijn dat het vreselijke werkwoord ‘seksen’ met een x wordt gespeld? (Een nabijgelegen uitspanning adverteert op bezoekersluwe tijden met ‘gratis pannenkoek bij eerste consommatie’.)
Indien de spelling zich aanpast aan de wendingen der omstandigheden, raken bijvoorbeeld ezelsbruggen dan geprivatiseerd? Wordt het kofschiptaxietje gesponsord door Smit Tak?

donderdag 14 februari 2013

Stigma


Vandaag werd aan de deur een pakje aangeboden voor Marc Kregting. Ik mocht het hebben op vertoon van een identiteitsbewijs – een aangename sensatie die ik laatst ook had bij het betalen van strafporto om een brief alsnog toegestuurd te krijgen. Het besef daagde dat ooit berichten konden worden geweigerd. Wie ze wilde hebben, moest ervoor dokken. Ondoenlijk om dat met de huidige kwantiteit en levensgewoontes te realiseren, maar als prototype van communicatie inzichtelijk, zeker sinds de geruchtmakende oproep van Jelle Brandt Corstius per Twitter om mails te sturen naar een falende SNS-baas ter terugstorting van een bonus.
Brandt Corstius legde op zijn site in 507 woorden en een handjevol hyperlinks uit waarom de conclusie was: ‘Kom in opstand.’ De mails moesten de topman aanzetten tot een gewetensonderzoek. Maar deze kon geen nee zeggen tegen ongevraagde post. Terecht, zou men denken, het is de zoveelste proeve van een cynisch bankwezen dat indien het al te veel geld vermorst aanklopt bij de overheid die door het dominante Men normaliter op afstand wordt gehouden. De bonus is drager van een systeem.
Toch berust Brandt Corstius’ burgerinitiatief, dat concreter wilde zijn dan gepraat bij Occupy (of reëel bestaand activisme?), op het idee dat sympathisanten het gewetensonderzoek bij zichzelf al hadden verricht. Anders had men niet zo overtuigd door verontwaardiging op de muisknop gedrukt. Daarbij gaat het mij niet om het kwikzilveren balletje dat ‘fatsoen’ heet of om de Bijbelse wisecrack dat wie zonder zonde is de eerste steen mag werpen. Mij is het te doen om het feit dat de ontvanger onbekend is als persoon, en des te bekender als type, trouwens onontkoombaar mannelijk.
Op dat ogenblik wordt hij niet afgerekend als individu van vlees en bloed, zoals Brandt Corstius het voorstelde, en kan hij als onbetwiste dader geen gewetensonderzoek verrichten. Daarnaast is het clicktivisme, hoe oprecht de woede ook, nogal sedentair. Men kan er veel vervaarlijke helmen en gasmaskers bij opzetten, de muisklik behelst een handeling van niks, terwijl activisten hun huis moeten verlaten. In vergelijking met het oude poststelsel, waar de zender tot op de drempel van de potentiële ontvanger verantwoordelijk bleef, is de muisklik zelfs een gevalletje van illegaal lozen. Mocht Brandt Corstius de term ‘opstand’ zorgvuldiger hebben gehanteerd!
Deze redenering, stoelend op willekeur die willekeur bestrijdt, is reeds gedaan, onder referte aan schandpalen, pek en veren. Er valt ongetwijfeld meer droevigs bij te noteren, bijvoorbeeld over hoe gepersonaliseerd en populistisch de representatie van de actualiteit geworden is. Bij een complexe journalistiek heeft het voor het burgerinitiatief ingezette medium daarnaast natuurlijk ook zijn mores, waaronder het programma Opsporing Verzocht 2.0 hoge cijfers haalt.
Een andere zaak onderstreept het blatende onrecht in de logica van Brandt Corstius misschien. Het werkt nu eenmaal zo dat het oneindige aantal commentatoren – voor wie ik huiver terwijl ik op het onmogelijke medium van de weblog hetzelfde doe – met historische parallellen een gelijk prangender maken. Zo’n parallel is bij Brandt Corstius al getrokken, met een nabije geschiedenis, maar volgens mij groeit het inzicht wanneer men een paar decennia verder teruggaat.
Ik doel uiteraard op ‘de affaire-Buikhuisen’. Ze speelt eind jaren zeventig, wanneer de gelijknamige wetenschapper, bedenker van de naam ‘provo’, aan de universiteit Leiden onderzoek doet naar andere dan maatschappelijke oorzaken waarom mensen crimineel worden. Erfelijkheid bijvoorbeeld. Het is goed voor te stellen dat die hypothese gevoelig lag, mede wegens associaties met de oorlog. Minder empathie valt op te brengen voor de toenmalige columnist die onophoudelijk de wetenschapper voor alles uitmaakte wat vies en voos was, culminerend in een bundeling met de titel Buikhuisen, dom én slecht. Twee jaar later begon hij een nieuwe ronde verdachtmakingen en sprak van fascisme. Commentaar overwoekerde weer eens de hoofdtekst.
De zaak wil ik niet oprakelen, er bestaat voldoende documentatie over, ook overigens vanuit het orgaan dat de beschadigingsoperatie faciliteerde, maar tijdens inleidende leesschermutselingen over ‘de jaren zeventig’ is ze mij reeds vaak onder ogen gekomen als zijnde symbolisch voor een tijd waarin het onderscheid tussen goed en kwaad dermate scherp was dat het aanpalende moralisme voor velen, zeker achteraf, ondraaglijk werd. Ook wil ik het pad niet op dat deze columnist weinig later de P.C. Hooft-prijs kreeg toegekend maar niet uitgereikt, omdat hij volgens de regering kwetsen tot instrument gemaakt had. Daarmee werd literatuur opmerkelijk serieus genomen bij zijn beroep op de esthetische autonomie.
Bas Heijne bestempelde de huidige SNS-actie als ‘virtuele stalking onder de dekmantel van een moreel appèl. Het zit in de familie, maar voor zover ik weet heeft Piet Grijs nooit het telefoonnummer van professor Buikhuizen [o, digitaal rood potlood] gepubliceerd.’ Da’s voor zijn doen vilein en entre nous geformuleerd, met mogelijk een scheve voorstelling van de effecten. Maar het klopt, de columnist van weleer is de vader van Jelle Brandt Corstius. Ik vind dat onfijn om te zeggen, omdat junior zich blijkens zijn Twitterupdates, gesteund door weinig Occupy-genegen mediumexperts, inmiddels een martelaar lijkt te wanen.
De zegswijze ‘Hoge bomen vangen veel wind’ was van toepassing op de SNS-baas, die de asymmetrische christelijke notie van medelijden niet direct verdiende. Na alle reacties komt enig medelijden inderdaad eerder Brandt Corstius toe, die per saldo een mediafiguur is. Dat maakt mijn kwalificatie ‘burgerinitiatief’ voor zijn Twitteractie tegelijk onprecies, en dat is tragisch getuige zijn allerminst cultuurindustriële bedoelingen.
Bovenal zou ik met het leggen van een familieverband hem stigmatiseren door een guilt by association, waarbij makkelijk zaken opdoemen als nepotisme, Grachtengordel, fakenieuws… In mijn terugdeinzen zie ik een tastbaar bewijs voor mijn overtuiging dat ik JBC dan precies zo behandel als hij de bankier heeft behandeld. Maar ik heb het al gedaan, zonder een steen te hebben hoeven werpen.
Proost dan (met het bloed dat is vergoten ter vergeving van onze zonden).

zondag 10 februari 2013

Zeven

Dat David Cameron de marathonvergadering over de EU-begroting doorbracht op een fond van Nespresso en Haribo wil ik aannemen. Ook andere feiten schijnen waar te zijn, maar erg veel peilloos geloof valt er ook weer niet aan te hechten. Een hit in mijn vormende era, eind jaren zeventig, was ‘Black Betty’ van Ram Jam. Ik kan me niets van die groep herinneren, vermoedelijk een one-hit wonder, maar het nummer schurkte onlangs tegen mijn actualiteitenkwab toen ik bij het zoveelste nagekomen onderzoek naar het begin der muzikale tijden stuitte op het nummer ‘Looky Looky Yonder’ van Lead Belly.
Wat is het origineel, en waar is het te vinden? Het nummer gaat dus over Loeki de Leeuw, aka de zwarte Betty Stöve.
Dat feitje moet weinig bekend zijn geweest destijds, gespitst als ik was iedereen de loef af te steken (daar heeft het potjeslatijn een fijne diagnose voor: nihilitus chronica). Werd het feitje onder de pet gehouden, zoals dat later zou worden genoemd? Ik begrijp dat er op zichzelf al twee Black Betty’s waren, omdat er een eerdere opname begin jaren zeventig was geweest, inclusief het historische coverfragment, door de band Starstruck.
Waar doet die klinkende naam me dan weer aan denken? Zeg maar evenveel aan Drees als Samsom? Voor de beantwoording van die vervaarlijk tegen het autobiografische keffende vraag ben ik met mijn alter ego’s geneigd eerst eens iets te drinken, maar wat?
De afgelopen zin vormde zich een hulpmiddel dat door presentatoren en andere favorite strangers wel ‘een bruggetje’ genoemd wordt.
Er was eens een Nederlands bandje dat Bots heette. De naam maakte zijn belofte waar. Het was een protestgroep vanuit linkse hoek die, zoals dat hoort in de genre-indeling der clichés, rock koppelde aan folk. Een picollofluit klinkt ook door hun beroemdste liedje, waaraan ik, andermaal tuimelend in mijn vormende era, trachtte te refereren: ‘Zeven dagen lang (Wat zullen we drinken)’. Dat daarvan versies zijn gemaakt in het Engels en Duits, wist ik ergens wel. Maar voor mij is het een revelatie dat bij ‘Sieben Tage Lang’ de hulp was ingeroepen van Günter Wallraff.
Voor de geboren kleurenkijkers onder ons: dit is ‘Germany’s equivalent of Michael Moore, but without the populist polemic.’
Natuurlijk, sinds de val van de Muur gaart door alles en iedereen dat voordien een linkse signatuur droeg het röntgenlicht van de verdachtmaking. Ze krijgen aldus een koekje van eigen deeg (gebakken uit 100% natuurlijke morele verontwaardiging). Aldus is Wallraff reeds gespot als prototypische Stasi.
Het feit dat hij popteksten hertaald heeft, neemt hem hoe dan ook voor mij in. Iets moeilijkers dan lyrics verzorgen, bestaat bij mijn weten in de schrijverij niet.
Sloeg het ook ergens op, raakte Wallraff snaren en zo, buiten uiteraard de parochianen? Ik lees, en voeg er redelijkheidshalve de muziek aan toe:

Was wollen wir trinken,
Sieben Tage lang,
Was wollen wir trinken,
So ein Durst.

Es wird genug für alle sein,
Wir trinken zusammen,
Roll das Fass mal rein,
Wir trinken zusammen,
Nicht allein.

Dann wollen wir schaffen,
Sieben Tage lang,
Dann wollen wir schaffen,
komm fass an.

Und dass wird keine Plackerei,
Wir schaffen zusammen,
Sieben Tage lang,
Ja schaffen zusammen,
Nicht allein.
Jetzt müssen wir streiten,
Keiner weiss wielang,
Ja für ein Leben
ohne Zwang.

Dann kriegt der Frust
Uns nicht mehr klein,
Wir halten zusammen
Keiner kämpft allein
Wir gehen zusammen
Nicht allein.


Een oordeel laat ik liever nog een bepaald aantal dagen wachten. Rijpen, heet dat. Overigens was ‘Zeven dagen lang’ gebaseerd op een Bretons volksliedje dat begin jaren zeventig door de harpist Alan Stivell opnieuw in de aandacht was gebracht.

vrijdag 1 februari 2013

Ontmoeting (3)

Gisteren kwam ik Eduard Douwes Dekker tegen bij de wereldwinkel.
‘Ha Marc, mag ik je wat vragen?’
‘Jij altijd, Douwe. Of mag ik Dek zeggen?’
‘Gatsie Marc, niet zo old fashioned.’
‘Douwe, we zijn hier in een wereldwinkel.’
‘Ja, dus die onbespotenheid mag je gelijk vergeten’.
‘Douwe!’
‘Spiegeltjes en kralen blijven voorradig, meneer.’
‘Dat blijft wel voor de goede zaak, met keurmerken ook, van het type dat naar jouw kroonstuk is vernoemd.’
Max Havelaar, bedoel je? Allemachtig, wat is dat boek een pain in the ass geworden.’
‘Een blok aan je been?’
‘Multatuli had beter Nihil Gegeten kunnen wezen. Weet jij wat het Latijnse woord voor eten is, Marc?’
‘Ik? Zie je me aan voor een Chinees?’
Don’t bother, er zijn jaren geweest dat ik geen kruimel te eten had.’
‘Ja hoor.’
‘Ik raapte het fruit en de groenten dat boeren na de oogst hadden laten liggen.’
‘Daar is volgens mij een Bijbelse term voor, Douwe.’
‘Ach, je zou het eens niet over taal hebben, kommaneukertje.’
‘Dat rapen zou je een vroege variant kunnen noemen op de journalistiek die zijn nieuws haalt uit vuilniszakken van bekendheden.’
‘Ongepaste vergelijking. Het laatste ontkomt nooit aan een schending van de privacy.’
‘Tenzij er een algemeen belang mee is gemoeid.’
‘Pas jij maar op je tellen, meneer.’
‘Dat doe ik sowieso, als vader van producties die het stadium van kabar angin verre voorbij zijn.’
‘Aan het telraam, Marc? Omdat je nooit weet hoe een balletje rolt?’
‘Zoiets. De minister heeft zelf gezegd dat het in plaats van onderhandelen tijd is geworden weer te waarschuwen.’
‘Minister, een mooie positie.’
‘Dus zeg ik, inderdaad old fashioned, ik tel tot drie. Maar ja, bij tweezevenachtste weten mijn bloedjes niet meer waar ik het over heb.’
‘Dan zou je eens naar de dvd van Jacobse & Van Es moeten kijken. Ze tellen in een mooie boog terug: twee, tweeënhalf, twee-en-een-kwart’.
‘Jacobse? Door die man heb ik de naam van Roman Jakobson steevast gespeld als Jacobson.’
‘Tja Marc, dan zit er maar één ding op: minder luisterend lezen, en meer knippen en plakken (op de syntagmatische as)’.
‘Asjeblief Douwe, don’t fancy a senior fellow, het gaat hier om poëzie. Maar die Wawe- of Havelaar van jou vindt verzen een leelyk ryglyf. Des te treffender dat door te knippen en te plakken artikelen ontstaan die exclusief van bovenaf citeerbaar zijn, volgens Nick Davies als dames in een strak korset – alle details puilen er van de onderkant uit.’
‘Marc, stop daarmee!’
‘Luister, Douwe, het heeft te maken met een combinatie van bezuinigen en outsourcen, zodat de return on investment niet naar het product gaat maar naar de aandeelhouders. Al die verhalen worden onder een voor de waarheidsvinding fataal gebrek aan tijd geschreven. Volgens een andere ter plekke aangehaalde kenner vertonen ze een gepasteuriseerde wereld.’
‘Geen idee, altijd een theedrinker geweest en in mijn tijd was er geen pasta.’
‘Niet slim.’
‘Of innig.’
‘Maar nu ik je toch spreek, mag ik jou ook eens bepaalde dingetjes vragen, Douwe?’
‘Ik weet niet, zie supra, gaat dat nog lang duren?’
‘Hangt er een beetje van af, van de receptuur bedoel ik. Bijvoorbeeld van de sjaalmaneske kwestie Over het azyn maken. Ik wil daar na mijn tragisch ongeluk op de Nürburgring een geschiedenis over schrijven namelijk.’
‘Marc, stop daarmee.’
‘Maar ik moet nog beginnen!’
‘Met die wondere wereld van de literatuur, bedoel ik.’
‘Och Douwe, ga met Plato of andere christenen spelen, dan lezen we het over een paar eeuwen wel weer terug.’
‘Lezen, over een paar eeuwen?’
‘Tuurlijk, Douwe, je weet: elke crisis is een uitdaging.’
‘Dat zei Charlie Chaplin achteraf ook tegen mij.’
‘Wat bedoel je?’
‘Kom op, Marc, je hebt toch wel The Great Dictator gezien?’
‘Onlangs, ja.’
‘Dan zal het je niet zijn ontgaan dat het slot van de film min of meer gepikt is van Max Havelaar.'
‘Haha, van dat boek van jou?'
‘Een sommatie, heer Kregting.’
‘Zeg maar Heini.’
‘Och ja.’
‘Wat ik wel opmerkelijk aan de film vond, vanuit hedendaags standpunt dus, is Chaplins door het internationalisme van de sovjets geïnspireerde pleidooi om grenzen tussen naties te laten vervallen. De met recentere beelden versneden youtube-versie geeft op dat moment de val van de Muur.’
‘Tja.’
‘Verder vertelt niemand mij iets.’
‘Dat zijn de wetten van de kenning, Marc.’
‘Maar Douwe, wat wou je mij nu eigenlijk vragen.’
‘Wie?’
‘Nou, jij dus.’
‘Wie ben ik om dat alsnog te proberen?’
‘O. Lust jij trouwens grapefruit met zout?’
‘Die heet hier pompelmoes.’

woensdag 23 januari 2013

Drempeltje op, drempeltje af (3)

Nu we weten welke biografie van Marc Kregting uit de vacuüm verpakking rond Koffie. Een doeboek floept terwijl het aroma je tegemoet komt, wordt het tijd zijn schrijverschap te wegen. Is het uniek, gewoon hysterisch, of kan iedereen het? Zijn nogal specifieke stijl laat vermoeden dat imitatie niet heel erg moeilijk is.
Eigenlijk komt dat mooi uit, voor wat nieuwe accenten. Van deze auteur zijn enige boeken op de markt gebracht. Zo groeit de kans op de hoofdzonde van deze tijd: dat hij gedateerd raakt, een leugenaar voor de omgeving. En terwijl ik, lid van de zoveelste verloren generatie in de geschiedenis, zelf meende richting de vijftig te lopen, riep onlangs, toen ik hen op de slee voorttrok, een colporterende Jehova het taalkundig genie en de gourmande toe: ‘Fijn hè, zo’n ritje met je opa’. Het zou best een goede zaak zijn, wanneer opa de realiteit inziet en een stap terug doet en, reeds voor de finale pirouette, plaatsmaakt voor jongeren van wie er nota bene velen helaas werkeloos zijn. Maar juist omdat het tegenwoordig, getuige het duizelingwekkende aantal faillissementen, lastig is zomaar als ondernemer van start te gaan, kan het verstandig zijn dit schrijverschap uit te bouwen.
Ik bied mij bij dezen te koop aan.
Dit is geen offergave, al was het omdat ik meer geïnteresseerd zou zijn in de kant van de beul. Het bod moet wel aannemelijk zijn. Het lijkt in eerste instantie raadzaam globaal kennis te nemen van wat mijn boeken zoal hebben beweerd, waartegen ze hebben geageerd, en hoe daarop is gereageerd. Een muisklik op de respectievelijke omslagen hier rechts volstaat om die informaties over presentatie en representatie te verkrijgen.
Vervolgens dunkt het me het meest rechtvaardig om een proef voor te leggen van een boek over koffie, ‘in de geest van de meester’. Voor het mijne heb ik namelijk de nodige teksten doorgewerkt en uit die groslijst een keuze gemaakt met knippen en plakken. Omdat de meeste beschikbaar zijn op het web, is het vermoedelijk doenbaar om daadwerkelijk gebruik te maken van mijn bij dezen publiek te raadplegen koffiegerelateerde groslijst, waarin vele hyperlinks worden geserveerd.
Problematisch? Multatuli had er dit ideetje over: ‘Schep ’n individu op de volgende wyze. Neem de hoedanigheden van veel menschen by elkaar, tel ze samen op, en deel door ’t getal personen. Van dat individu denk ik me een geschiedenis: “Aventuren van’'t gemiddelde, of Leven en daden van ’n extrakt-mensch.”’Degene die het meest revitaliserende koffieboek weet te componeren, mag – als het ware in een nieuwe ambtstermijn – mijn schrijverschap overnemen. Vervolgens staat het hem of haar uiteraard vrij er voortschrijdende inzichten op los te laten, desgewenst met een ‘wending in het oeuvre’, zodat Marc Kregting een huis van vertrouwen wordt aka een place to be.
Dag vogels dag bloemen.

dinsdag 15 januari 2013

Drempeltje op, drempeltje af (2)

Nu we weten welk triumviraat voor pre-emptive strikes er uit de vacuüm verpakking rond Koffie. Een doeboek floept op de achterflap, is het tijd voor de bio. Gewichtiger dan de tekst is immers de persoon die hem wereldkundig maakt. Voordat een ideetje post kan vatten, moeten zich identificaties voltrekken met de mens achter het kunstwerk. En ook hier heeft de historie toegeslagen in het maatschappelijk-literair klimaat.
Grilligheid en absenties van een schrijverscarrière, zoals opgetekend in boekjes die op zich al een verfilming zijn, behoren tot een standenmaatschappij waarin geboortegaven de richting van de wind bepalen. Binnen een curriculum is succes nu een kwestie van objectief kiezen en investeren. Meritocratisch heeft iedere handeling een effect, hetgeen kan worden voorzien van een fikse psychologische verklaring die ooit causaal heette. Dat schrijvers inmiddels meer onverhuld ondernemer zijn, valt toe te juichen. Of dat de kwaliteit van hun producten ten goede komt, moet nog even worden afgewacht – buiten de schijnwerpers.
Biotoop is wat ik ooit de postnostalgie heb genoemd. Daarin serveert het neoliberalisme zijn producten uit. Van door absint benevelde types op zolders of kelders kan geen sprake meer zijn, tenzij de camera 24 uur per dag op hen mag staan gericht. Ten overvloede onderstreepte onlangs een uitleg bij de verkiezing van de nieuwe Dichter des Vaderlands wat dat zoeklicht behelst. Het ging ‘niet om de poppetjes, maar om de inhoud’. Inderdaad is ‘inhoud’ een gebaksdoos geworden, die deskundig geachte buitenstaanders moeten vullen met lekkernijen voor bij de koffie.
Aldus kreeg de Dichter een ‘profiel’ met ‘competenties’, waaraan hij behoorde te voldoen in de ogen van een ‘commissie’. Dat deze literator onder meer ‘initiatieven [moest nemen], communicatief [zijn], enthousiasmerend en gedreven’, lag voor de hand.
Niet door persoonlijke of politieke agenda’s bezoedelde criteria moeten afgevinkt. Men hoeft geen spot te drijven met het feit dat zulke taal poëzie zegt te begunstigen, zodat de uitverkorene van zo’n ‘procedure’ bijna niet anders kan dan zeggen dat hij of zij ‘enorme zin heeft de uitdaging aan te gaan’. Noch is het ter zake om te tetteren over de aanwezigheid van een politica in de commissie. Zij hoort tot een partij die het volk wilde verheffen, en die nu een engagement met de markt is aangegaan en daarbij de hoogste verantwoordelijkheid ervaart – de politica specialiseerde zich in zzp’ers en flexwerkers.
De dichter is bovenal Dichter, een merk dat iets vertegenwoordigt. Met zijn verschijningen stimuleert hij via het evenement poëzie de uitruil van ‘hartstocht’.
Zoiets moet ik vertalen in een handschrift, dat de code van het hoogsteigen leven laat kraken. Dan metamorfoseert de publicist in mij tot Publicist. Zijn curriculum moet laten zien dat hij beproevingen heeft doorstaan en, ondanks doorgaand heimelijk gedragen lijden net als de rest van de mensheid, steeds steeds bovenkomt in zijn keuze voor kwaliteit. Koffie. Een doeboek dient de authentieke ervaring van het drinken te delen, zodat auteur en lezer hun allerindividueelste smaak kenbaar kunnen maken. Men moet zich de flexibiliteit getroosten daar zijn handel en wandel op aan te passen. Daarom heb ik uit Marc Kregtings Koffie, en nog wat van zijn werken, drie biografieën gedestilleerd, waarvan er eentje de achterflap mag sieren:

Marc Kregting kon op zijn zesde het Latijnse werkwoord nespressare verbuigen. Daarna werd hij opgeroepen voor de restauratie van de ‘Madonna degli occhi grossi’ in de Dom van Siena en was hij materiaalknecht van Gianni Bugno (bij team Nescafé Gold) en van de dochter van Augusto Pinochet (op locatie). Alles voor Kregting, gezegend met ogen als oesters, leek vanzelfsprekend te gaan. Na beeldredacteur te zijn geweest bij Het inzwevend kameren en tekstassistent bij Ga je mee (als Jezus roept)?, benaderde hij Bill Haley met de oerversie van ‘See you later percolator’. Na een historische afwijzing annexeerde hij zowel Kanis als Gunnink omdat hij het gat in de markt had ontdekt van de paardenmelklikeur. Vervolgens kwam hij, pal voor de finish waardoor hij de jongste Brabantse wereldkampioen Grand Prix zou zijn geworden, bij een tragisch ongeluk op de Nürburgring om het leven. Kregting ging toen theologie studeren in Kampen en Boston, waar hij zich in de avonduren toelegde op een carrière in de topsport. Zijn wetsvoorstel tegen filotirannieke intellectuelen haalde net geen kamermeerderheid. Het is een goed bewaard geheim dat Kregting niet opgewassen bleek tegen de druk die een liggend bestaan met zich meebrengt. Hij probeerde het nog met de verkoop van tweepersoons banjo’s maar moest uiteindelijk bokken ontvellen in de dierentuin van Hamburg, New York.

Marc Kregting is de broer van Egbert Kregting. Met zijn rustelozebenensyndroom was hij bekendheid aan het verwerven voor het radioprogramma Opsporing gezocht, toen de provincie Brabant hem riep voor een vredesmissie naar Nieuw-Guinea. Daar maakte hij Als het kriebelt, moet je krabben, een voorlichtingsfilm die inmiddels een cultstatus heeft. Het medium beviel Kregting zo goed dat hij de catering verzorgde van Boer zoekt Vrouw. Zijn pincode is 1789. Een tijdlang breide hij truien van echte angora voor het geval Lodewijk de Veertiende de boot zou nemen naar Martinique. Ongewis is of er een verband bestaat met een goed bewaard geheim: dat op de Olympische Spelen een zekere Paola bij hem, terwijl hij warmliep voor het speerwerpen (hij kwam uit voor Suriname), twee kinderen verwekte: Senseo en Sarista. Evenmin werd opgehelderd of Kregting zijn ervaringen sublimeerde in het kookboek Van haver tot gort, waarvan alleen al in Frankrijk 100.000 exemplaren werden verkocht. Zeker is dat hij boete heeft gedaan als undercoverjournalist op de postafdeling van het koffiebrandersbedrijf sinds 1866 J.J. Darboven. Op rijpere leeftijd reisde Kregting met zijn zelf voor Bialetti ontworpen Moka Elettrika Travelset in opdracht van Amnesty International af voor een lokaal onderzoek tijdens de halfjaarlijkse moesson naar wat Idi Amin Dada ooit heeft bezield. De neerslag daarvan is te vinden in Hoe kan dat?, een explosief rapport dat ook als e-book spoorloos raakte.

Marc Kregting studeerde economie aan de universiteiten van Hasselt en Harvard, waar hij als gouvernant met het TAS1R3-gen moest voetballen tegen Cruz Beckham. Voor Heimwee naar het heden ontving hij de Nobelprijs van de Vrede en hij droeg de tas van de lijkschouwer die Bird minstens 25 jaar ouder schatte. Na zijn sportcarrière, waarin hij bij de verplichte figuren onder meer een tien scoorde voor het cafeïne-enjambement en per week soms 2500 kroketten uit de muur trok, viel Kregting in een zwart gat. Daar kwam hij Harry Mulisch tegen. Deze beklaagde zich op Facebook dat het kleine oeuvre van Kregting, die ondertussen strooide met Haagse hopjes terwijl hij bijkluste als Espresso Evangelist, buffetbediende en geurmarketeer, klaarblijkelijk al was voltooid. Negen maanden later verscheen Beloof je me dat je diep zult bukken?, een drieakter die werd geëerd met het Gouden Uil Stipendium. Nadat Kregting was uitgeroepen tot Grootste Brabander van de Eenentwintigste Eeuw bracht een onderzoeksjournalist aan het licht dat hij geboren was in Wijlre, Limburg. Een jarenlange juridische strijd culmineerde in een generaal pardon, maar Kregting had zich verbitterd teruggetrokken in Schengen, waar hij eredoctoraten louter per aangetekende brief aanvaardde. Het is een goed bewaard geheim dat hij zich op hoogtijdagen verkleedt als hulpspeculaas.

maandag 31 december 2012

Drempeltje op, drempeltje af (1)

Laatste correcties, schrapsels en aanvullingen doorgevoerd in het essay over Het Onvoltooide voor Poetry International. Ik kwam nog gruis tegen, dus een zindering doortrekt de tekst dat hij zelfs eindredactioneel niet perfect is. Rijmt dat met het idee? Wat is me bekend? Nog achterhaalbaar is dat het begon met 21.447 en eindigde met 26.614 woorden. Eigenlijk vatte het festival zelf dit proces fenomenaal samen in één woord, toen uit het Duits Friederike Mayröckers bouwprincipe van de montage in Engelse vertaling op het scherm verscheen: mondays.
Nogmaals warme dank aan degenen die hebben geholpen met comments en mails.
Terzijde heeft de ontvangst van de proef me verbaasd. Ik pleng geen hemelschokkendheden voor de duidingsindustrie maar de kennisname van het coöperatieve essay stond in een scheve verhouding tot het verzoek eraan mee te werken. Die uitnodiging was binnen drie dagen vaker bezocht dan de bijna tweehonderd andere postings op dit blog. De verhouding tekst-metatekst lag ongeveer 1 op 3.
Voor een boek over recente poëzie heb ik eens de berekeningen losgelaten op De Contrabas. Conform de pageviews van toenmalige rubrieken verhield de belangstelling voor gedichten ten opzichte van dichtersinterviews en literair nieuws zich als 1: 2: 20. Die getallen zijn extremer dan bij mij, maar hun interpretatie lijkt verwant.
De interesse lag vooral in comments die het essay ter discussie stelden. Daarbij was het ook nog zo dat de verwijzingslinks naar de uitnodiging, met alle respect voor een signalement op Ooteoote, van socialenetwerksites kwamen, waar niet-vrienden van mijn onbekende weldoeners geen toegang toe hebben. Wel heb ik eindelijk ontdekt wie de bron is van al die duimen bij het Facebook-liken.
Moet ik begrijpen dat een bezoek aan dit weblog een vorm is van ramptoerisme? Dat dunkt me invoelbaar. Maar echt zeker is niets, blijkt ten overvloede uit de vraag van het taalkundig genie of bomen kunnen hoesten. In een soortgelijk kader heeft de gourmande een favoriete uitlating, wellicht haar talismanisering van spreuken uit de human-resourcebranche, die de omgeving naar haar doet plooien: ‘Mamadoetta’.
Al zal er sprake zijn van assimilatie, het blijft voor de aangesprokenen ongewis of er een beschrijving of een gebod werkzaam is:

Mama doet dat
Mama, doe dat

Op deze contextafhankelijke basis gaat het nieuwe jaar van start. Hoewel het op een bepaalde manier altijd maandag zal blijven, heb ik een punt gezet achter mijn koffieboek. Er verschenen nog fijne berichten, over koffie als zoete wraak, als beleggingobject, als filterinhoud, als alternatief voor babyvoeding, als aanjager van hygiëne en als politiek uithangbord. Dat laatste is het meest evident, omdat koffie diverse maatschappelijke verhalen en consequenties uitserveert.
Daar heb ik naar mijn idee dus vooralsnog genoeg over opgetekend. Het heeft er vervolgens alle schijn van dat, waarschijnlijk al met carnaval, mijn koffieboek verschijnt.
In de huidige constellatie is dat een ijdele daad. Uitgevers saneren, boekhandels raken verdeeld over niches waarna ze scherpere keuzes uit het geheel maken, media blijven zoeken naar formats, terwijl het internet nog te weinig souplesse vertoont bij het opvangen van steken die de papieren kritiek heeft laten vallen. (Het wegdeemsteren van literaire kritiek hangt vermoedelijk samen met een historische atomisering, waarin ‘passie’ en ‘goede naam’ de autoriteit hebben vervangen die in de persoon van allerhande poortwachters gemeenschappen representeerde. In het vacuüm van de idee dat die lui louter eigenbelang nastreefden en dat ‘kwaliteit’ niet bestaat, vestigde zich de neoliberale site LinkedIn, met als meest opmerkelijke optie ‘deskundigheidsverzoeken’.) Bij dit proces als geheel is er het nodige gesneuveld, blijft niets per definitie gespaard en halen lezers, niet eens onterecht, hun schouders op.
Daarom begint hier meteen een publiciteitscampagne, in drie delen. Nu volgt deel één.
Gangbaar bij de lancering van boeken is de pre-emptive strike van de aanbeveling. Ik heb daartoe een aantal citaten verzameld, waaruit er drie over mogen blijven op de achterflap van Koffie. Een doeboek door Marc Kregting:

‘Hij is intelligent, maar geschoold door het leven.’
(Rik Torfs, De Standaard)

‘Hij heeft de behoefte om de Ander cafeïnevrij te maken.’
(Slavoj Zizek, Geweld)

‘Hij verzekert je van de wieg tot het graf.’
(Vadertje Staat, I Love Lucy)

‘Na een herbeluistering hebben we inderdaad vastgesteld dat de uitwerking niet goed zat.’
(Ingrid Lieten in het Vlaams parlement)

‘De sfeer van 1900, van kattenkwaad. Gezelligheid.’
(Website under construction voor de filmversie van Koffie)

‘De letter is gemaakt onder eerlijke arbeidsomstandigheden voor een faire prijs en belast het milieu niet.’
(De Groene Sint, Tony’s Chocolonely)

‘Hij dicht pas werkelijk de kloof met de burger.’
(Politicus die liever anoniem wil blijven)

‘He was the artist of my life.’
(Patti Smith, Just kids)

‘Je moet durven evolueren.’
(Peter Vandermeersch, De Standaard)

‘When you’ve been making the coffee forever, it’s nice to imagine leading the free world.’
(Naomi Wolf, Project Syndicate)

‘Evenwichtig en rond.’
(Douwe Egberts, Blend 1753)

‘No other Dutch poet can write a caffeine enjambment the way he does.’
(Ron Silliman, Universe)

‘Een stem die je verwelkomt als een beker warme chocola op een winterse namiddag.’
(Auke Kok, Geschiedenis van een piraat)

‘In het donker kun je er beter van genieten.’
(trad.)

‘Anders gaan leven staat niet meer voor beter gaan leven, maar voor minder gaan leven.’
(Yves Desmet, De visie van een Wetstraatrat)

‘Koffie is voor door status gedreven, geestelijk idiote leeghoofden.’
(Tom Hodgkinson, Lof der luiheid)

‘We moeten die betrokkenheid koesteren en honoreren.’
(Oxfam Novib, interne notitie)

‘Jij hebt ons geleerd om nooit onze droom op te geven; dat die ooit op een dag zal uitkomen.’
(Michael Gates Gill, Hoe Starbucks mijn redding werd)

zaterdag 22 december 2012

Crisisprijs

Pieter Boskma: ‘Karig de lente voor wie niet blij is het lijkt wel alsof wij / de toedracht vergaten van elke gelukkige toekomst: / de hiaten in het brein te stoppen met idyllisch dwaallicht / en realistisch op de rode loper koers te houden naar het al’. Deze strofe komt uit een gedicht dat lijkt te beweren dat heil valt te verwachten van het schaarsteartikel optimisme, opdat ‘witgelakte genezers werkeloos’ blijven.
De medische stand zal toe zijn aan vakantie. In de week dat het taalkundig genie na vijf jaar en tien maanden het woord cool uitsprak, raakten breinen oververhit. Ze hadden op basis van de Maya-kalender de wereld buiten Bugarach en Kootwijkerbroek zien vergaan, wat liveblogs van ook de meest gezaghebbende media niet konden bevestigen. De winter mocht beginnen. Intussen klopte in rompen onder de breinen het hart dat slechts door ultieme inspanning niet kon kennisnemen van barre economische tijden.
Een paar maanden geleden viel in de bus een foldertje met het opschrift ELKE GRAM TELT. Ik dacht al aan de toenemende drugshandel bij de speeltuin, toen ik las over goud: ‘U wordt betaald aan de dagkoers’. Ik was dit al bijna vergeten – nog niet de meest kiese retoriek kan mij ervan overtuigen dat België Griekenland is waartegen slechts proactief is te reageren – toen deze week een papiertje binnenkwam van het formaat waarop normaliter een helderziende met een Indiaas klinkende naam zijn diensten aanbiedt, ‘ook in de meest hopeloze gevallen’. Ditmaal was het een familiebedrijf in dakwerkzaamheden dat een maandactie aankondigde met 10 tot 20 procent korting, ‘crisisprijs’.
Hangt er iets boven ons hoofd? Onze correspondent Albert Camus wist: ‘Leed is nooit tijdelijk voor wie niet in de toekomst gelooft.’
De moeder van de kindermoordenaar in Newtown bleek te behoren tot zogeheten preppers. Volgens hen blijft het einde der tijden nabij. Men hamstert voedsel en wapens. Toch zijn ze te talrijk en te divers om te kunnen worden afgedaan als een sekte. Want uiteraard is er al onderzoek op hen losgelaten. Het zou, voor de verandering, gaan om een middenklasse. Men schijnt wat vaker militair te wezen – en christen, wat gezien de none-trend een veeg teken is. Maar er zitten ook ecologisten tussen, die een klimaatramp verwachten, en ze worden geduid vanuit een hippietraditie.
Wat hen bindt is niet een overheid, maar het wantrouwen daarin.
Valt in zo’n diagnose evengoed een einde van de wereld te zien? Zelfs onderzoek naar Nederlandse poppodia wist uit te wijzen dat in Venlo, door een gemiddeld grotere liefhebberij in rock en een kleinere in klassiek, de smaak ‘iets minder subtiel’ zou zijn dan landelijk – Wilders op microniveau verklaard.
Misschien is het interessanter om in benarde toestanden juist te ontkennen dat er iets loos is. Afgelopen jaar waarschuwde de burgemeester een ongekend omvangrijke Facebookpopulatie dat er in zijn gemeente Haren geen feest zou komen. Was hij in de leer geweest bij Mohammed Saïd al-Sahaf A.K.A. Comical Ali, de minister van Informatie onder Saddam Hoessein, die live on location beweerde dat er helemaal geen invasie plaatsvond terwijl tanks nog net niet in zijn kraag reden?
Dergelijke metaobservaties worden snel hogere heemkunde, van het type dat door ampel gebruik van de iPad op het strand het aantal vermiste kinderen toeneemt – het armageddon van de technologie. Laat ik liever heemkunde bedrijven in mijn vak: bestaan er nog mensen die met hun tong de top van hun wijsvinger natmaken om de pagina om te slaan?
Aan natte vingers doet mij sowieso de perceptie van het verschijnsel Lance Armstrong denken. Jarenlang collectief vereerd, daarna ritueel geslacht. Ook commentatoren, die nu geïllustreerde studies over het dopingbedrog publiceren die zelfs de krantenwinkel halen, hebben de wielersport het graf in betoogd, om hem er dan uit te laten herrijzen.
Hier thuis, selectief waarnemend, verwijst de naam Maya naar een bij, maar in andere gezinnen naar het Aquariustijdperk. Ik heb daar louter over gelezen, in Unfinished Animal van Theodore Roszak. Dit boek uit 1975 is dan wel kritisch verbaasd dat niemand overtuigingen van confraters en zusters uit de beweging in twijfel trekt en tegelijk andersdenkenden uitsluit, de grondtoon is hoopvol en weerspiegelt aldus vermoedelijk de tijdgeest.
Op zich zou het de stemming in de wereld bevorderen om – conform spreuken en liedjes – elke dag door te brengen alsof het de laatste is. Maar met een Apocalyps op de rug zou niet altijd te vermijden zijn dat optimaal plezier ten koste gaat van derden. Verandert het onderwerp nu in bankiers? Waarom niet, indien bonussen het beloofde land kunnen zijn. Bij zijn blog voor The Guardian waarin hij inzicht probeert te verwerven in motieven voor hun transacties, zei Joris Luyendijk over politici die banklui met regelgeving wellicht zouden kunnen betomen: ‘Zij hebben liever ongelijk in een groep, dan gelijk in hun eentje.’
Als ik vroeger op een zaterdag met fris gekamde haartjes en een glaasje gazeuse op de bank Ria Bremer, bij het nogal bonte programma Stuif es In dat om mysterieuze reden ook Stuif es Uit kon heten, vanuit de Meerpaal in Dronten allerlei kaartjes uit de balk zag trekken en een hele kinderschare hoorde zingen ‘Dit is het einde van deze middag’, was ik dan verdrietig, bang, verwachtingsvol? Geen idee, maar ik vermoed dat ik wist dat het belangrijk was en probeerde daar vermoeid en uit alle macht een gevoel bij te zoeken.
Of hoe zei Michel Foucault dat zo mooi: ‘Zelfs vóór het enig voorschrift formuleert, een toekomst uitstippelt, zegt dat er gedaan moet worden, ja zelfs vóór het tot iets aanzet of zelf maar voor een eis waarschuwt, is het denken, al bij de wortel van zijn existentie en, vanaf zijn allervroegste vorm, op zichzelf reeds een daad – en een gevaarlijke daad.’
Probeer dan nu een definitie. (Het ziekenhuis is een gebouw voor de ingang waarvan mensen in badjas staan te roken aan een infuus.)

vrijdag 14 december 2012

Je schrijf Hank

‘Elio Di Rupo en het Nederlands. Wie niet in een taal woont, maar haar enkel hanteert, wint nooit het hart van wie hij toespreekt.’ Deze tweet kwam nadat de premier de Belgische begroting had verdedigd. Daarbij introduceerde hij Kevin en Fréderic, terwijl in mijn woonplaats het Vlaams Belang bij Mark en Maria alarm geslagen had over Ali en Fatima.
Ik zal het gepsychologiseer rond Di Rupo’s taalbeheersing, dat zich bij dezelfde gelegenheid in de armen van de lezer aanbeval met een heus hoofdcommentaar, nimmer kunnen aanvoelen. In mijn geboorteland heetten Henk en Ingrid ooit Henk en Anja, toen ze het moesten opnemen tegen Ahmed en Fatima. In een grijzer verleden was er het personage Den Drijver, ‘je zeg Henk maar je schrijf Hank’.
Ach.
Onlangs zei ik iets over de commotie rond de sociolinguïstische studie De manke usurpator. Over Verkavelingsvlaams, mede doordat er – ongetwijfeld op aanvraag wegens goed Italiaans sprekend – flinke meningen over waren zonder de teksten te lezen. In de tussentijd heb ik dat zelf gedaan, en nu vind ik die meningen nog vreemder. Al blijft standaardtaal juist in de praktijk een topic zonder eind, enige verbijstering is gepast.
De samenstellers moesten door te weerleggen wat ze niet hadden gezegd herhalen wat te lezen viel. Zou olie op het vuur zijn gegoten door een verschijningssignalementje van hun bundel, die mogelijk een academische belettercijfering had ondergaan? Ook was het boek de neerslag van een congres, waarvoor het publiek warm was gemaakt met een blog en een prijs inclusief nominaties, culminerend in de aanwezigheid van Roos Van Acker.
Wraakroepende popularisering? Inmiddels snap ik, tevens uit reacties op verwante stukken, dat bij de casus taal afkoelen beter werkt dan opwarmen, maar dat verklaart niet de minachting en de agressiviteit onder het motto ‘Waar staat geschreven dat ik altijd redelijk moet blijven?’ bij een naam als Kevin, al voor deze door Di Rupo was geannexeerd.
Alleen al wat ‘wetenschapper’ als pejoratief heeft teweeggebracht (mijn Wordprogramma weet bij het woord ‘theorie’ dat het ‘Belgisch-Nederlands’ is) illustreerde de vaak in het boek geciteerde negativiteit en blinde woede rond het fenomeen tussentaal, dat een symptoom zou zijn van luiheid, imbecilisme en tekort aan cultuur.
Die pertinente afwijzing ontkent de realiteit waarin door schaalvergrotingen op universiteiten en hogescholen in enige steden gigantische studentenpopulaties, ‘de spraakmakende gemeente van morgen’, het Verkavingsvlaams exploreren en zogenaamd fictieve soaptaal zogezegd referentialiseren. Jongere leerkrachten spreken – in het algemeen, want onderzoeken, en de bundel laat dat zien, sluiten niet precies op elkaar aan wat betreft leeftijdsgewoontes – nu al meer tussentaal dan oudere. De landsafbakening van commerciële televisiezenders, waarbij aparte elektronische toegangskaarten in juridische schemerzones de segregatie tussen Nederland en België moeten opheffen, bevordert deze ontwikkeling.
Hilarisch dat, zonder commentaar, een strenge taalkundige werd geciteerd: ‘For the record, een student die bij ons examen komt afleggen in tussentaal wordt wandelen gestuurd.’
De congresbundel heeft voor de ontkenning een vakterm: deletie. Dat is een proces waarbij ‘ideologie het sociolinguïstische veld vereenvoudigt en daarbij sommige personen of activiteiten (of sociolinguïstische fenomenen) onzichtbaar maakt. Feiten die niet passen in het ideologische schema worden dan niet opgemerkt of ze worden geminimaliseerd. Zo kan een sociale groep of een taal als homogeen voorgesteld worden, terwijl de interne variatie wordt genegeerd.’ Daarbij is voor alle gebruikers nog niet eens een hele mikmak aan twittertaal, sms en chat verdisconteerd.
Kan iemand ontsnappen aan deletie? Tussentaal komt in alle geledingen voor, standaardtaal blijkt vooral een mediataal. Onder het laatste gesternte huist de Wet van Engel: hogere sociaal-economische posities geven een vrijere omgang met taal, ook via ‘opzichtige ontspanning’. Zou de stijl van Humo daar een voorbeeld van zijn?
De manke usurpator memoreert dat, na de gezagsondermijning met nadruk op communicatie, in de Thatcher-periode de klassieke grammaticales in het Britse onderwijs terugkeerde. De werkelijkheid van de onzuivere taal werd bevochten met dril en herhaling – het socialisme moest in het hart getroffen. Zelf heb ik aan taaldiscipline warme herinneringen, meer in het bijzonder aan lessen Latijn, een zalig gepuzzel met naamvallen en bijzinnen waarvoor een mij verder vreemde volharding nodig was. Ik wist daar zelfs mijn weerzin voor wiskunde – het ‘snap ik toch niet’ dat ‘hermetische’ poëzie ook ten deel is gevallen – mee te rechtvaardigen.
In voorbeeldland Nederland schijnt overigens bij hoogopgeleiden eveneens geringschatting voor een ander accent te heersen. Ironisch dunkt me dan weer dat bij alle bekommernis om een Standaardnederlands in België, de vorige hegemoniale tegenstrever zijn peren heeft gezien (‘Belgisch-Nederlands’). Het Frans was een wereldtaal met cultureel prestige, en heeft een terugval een jewelste gekend. Zelfs in de Europese Unie moest het Frans nederlagen tegen de realiteit slikken.
Ambtenaren bezigen er nu franglais of frenglish, maar het is duidelijk in welke richting de wereldeconomie zich ontwikkelt. Met name door Aziatische groeistaten zal het Esperanto van de toekomst Globish zijn, ofwel ‘cafeïnevrij Engels’, waarbij vergeleken het Verkavelingsvlaams zo ongeveer Latijn is.
Abram de Swaan beweerde in Woorden van de wereld dat koloniale talen hun macht behouden, doordat het onderwijs elites kan blijven kweken. De ouders die hun inheemse kinderen naar zulke scholen sturen, doen aan collusie. En de gemarginaliseerden steunen – De Swaan gebruikt de term ‘medeplichtig’ – die status quo van uitsluiting nota bene, door het cynische principe van de taaljaloezie waarin etnische groepen elkaars dialect niet gunnen een alternatief voor anderen te zijn, laat staan voor het geheel.
De begunstigde gebruikers kennen op hun beurt het spreekwoord: ‘Engels is de taal voor de airco, de inheemse taal is voor de veranda.’
Een quizvraag tot slot, mede vanwege het nakende kerstmenu. In De manke usurpator schrijft Kevin Absillis dat in Vlaanderen de zegswijze ‘vlees noch vis’ regeert en boven de Moerdijk ‘mossel noch vis’ (2012: 88). Maar Johan De Schryver citeert uit een schoolboek iemand die de in dezen geloofwaardig klinkende achternaam Taeldeman draagt en volgens wie tussentaal ‘noch mossel noch vis’ is (2012: 144). Wie wint nu wiens hart?

Naschriftje 16 december
Vandaag meldt de dagkalender van Loesje: ‘Kleur in je leven hoeft niet per se binnen de lijntjes’. Dit Noord-Nederlandse product met verfrissende perspectieven krijgt zijn teksten overal vandaan. Ook uit België, vermoed ik, waar de uitspraak, die natuurlijk refereert aan kindertekeningen, niet de meest originele is in het dagelijks spraakgebruik.


donderdag 6 december 2012

Misschien een heel stom vraagje

Marc Hooghe zette onlangs de kunstenaarsprotesten tegen een percentageverhoging op hun ‘bevrijdende roerende auteursrechtenvoorheffing’ in een breder perspectief. Hij ontwaarde draaicirkels van belangenverenigingen die, ook met erkenning van de crisis, voor zichzelf een uitzondering willen. Hieruit vallen twee zaken af te leiden. Het resultaat staat of valt met de mondigheid van de belangengroep, en het algemeen belang blijft buiten zicht.
Ironischerwijs publiceerde Hooghe, socioloog in Brussel, op dezelfde dag nog een opiniestuk, bij de concurrent. Daarin plaatste hij kanttekeningen bij de afschaffing van de Beneluxtrein op 9 december: ‘De Belgisch-Nederlandse grens is 450 kilometer lang. Het is schokkend vast te stellen dat er over heel die afstand slechts drie plaatsen zijn waar je via het spoor de grens kunt oversteken. West-Berlijn was ten tijde van de blokkade nog gemakkelijker te bereiken dan Nederland nu.’
Het is het zoveelste artikel dat, nadat een petitie meer dan 15.000 handtekeningen opgeleverd heeft en de deadline begint te naderen, is geschreven over dit besluit. Elke tekst verstrekt andere valabele argumenten. Erg moeilijk is dat niet, omdat er weinig voor de afschaffing pleit. Ja, de financiën, zij het niet van regeringen maar van bedrijven die treinreizigers en belastingbetalers koud laten.
Dat tevens een politicus een zinnig woordje meesprak, was nog het ergste. Bij ontstentenis van rationele redenen voor de liquidatie van de Beneluxtrein staan, na de privatisering van de publieke dienst die openbaar vervoer is, ook landsbesturen er als kleine kinderen bij te kijken.
Maar wat zeur ik, nu dezelfde politici, ongetwijfeld vanwege ‘geplande werkzaamheden’ al op 3 december, hebben onthuld dat ‘het spoorconflict tussen Nederland en België opgelost’ is?
De capitulatie voor de vrije markt hebben ze bijgebogen langs Breda (als hommage aan de fameuze bouwer van de Fyra?), en daarna wordt het weer overstappen en reserveren en extra betalen. Nog een geluk dat zo’n schijnverbetering maar acht keer per dag haar beslag krijgt. En dat ze ingaat vanaf april, zodat de reizigers nog maar vijf maanden in de regen hoeven te zitten om dan in de drup te komen.
Dat aan een omweg geen extra kosten zijn verbonden, is geen argument maar een evidentie. Net als een overgangsregeling voor abonnementhouders. En dat anderen meer moeten betalen omdat ze sneller in Brussel of Amsterdam zijn, is misschien gunstig voor declaratievirtuozen en transcontinentale toeristen die in een week Europa doen. Veel wordt ook verwacht van het eens per uur tuffende boemeltreintje tussen Roosendaal en Antwerpen waar ‘aansluiting is voorzien’. Dat regeren ondertussen vooruitzien blijft, toont deze suboplossing ter zake: ‘Vervoerders zullen proberen deze stoptrein een kortere reistijd te geven met ingang van dienstregeling 2014.’ Dan blijkt het te gaan om ‘meer dan 5 minuten’ winst.
De meerderheid van mensen op het traject komen uit allerlei tussenliggende plaatsen, en hebben een simpel doel: de grens oversteken. In dat licht is deze redenatie acrobatisch: ‘Door het vervallen van de Beneluxtrein kan NS een tweede intercityverbinding tussen Zeeland en Amsterdam via Roosendaal opzetten, waardoor de binnenlandse reizigers van de Beneluxtrein een betere treinverbinding krijgen.’ Geen wonder dat het papieren spoorboekje terugkomt! En dat bij de geplande vaart der volkeren tussen Brussel en Amsterdam in de laatstgenoemde plaats de trein binnen een kwartier tweemaal stopt.
Er is de befaamde grap over de twee mannen die naar Parijs gingen – eindelijk een variant. Arme conducteurs, amper bekomen van de innovatie van de ‘persoonlijke assistentietoeslag’ op dit nochtans eerbiedwaardige traject.
Als het niet zo treurig was, zou het humor om te lachen worden. Twee landen die ongeveer dezelfde taal spreken, in het Verenigd Europa. Die zeker na de Bolognaverklaring vele armlastige studenten binnen de grenzen hebben gekregen en die vanwege het klimaat het openbaar vervoer aanbevelen (en de fiets). Nu mensen vanwege de huidige oplossing massaal van plan blijken te zijn dan maar de auto te nemen, liggen er extra stroken asfalt in het verschiet.
Deze minachting voor de democratie is een schitterende gelegenheid om de indrukken van Marc Hooghe logenstraffen.
Mijn beroepsgroep van literaire auteurs zou zelfs kunnen aantonen dat ze in de wereld staat. Afgelopen week heeft ze er voor warmgelopen. Een door de gemeenschap gesteund bedrijf voor literatuurpromotie wilde conform zijn core business de naam van haar vestigingsplein in Antwerpen veranderen en beloofde daar een stevig dossier over. En natuurlijk reageerde toekomstig burgemeester Bart De Wever en het is zo mogelijk nog geloofwaardiger dat Tom Lanoye vervolgens van beide Vlaamse kwaliteitskranten een podium kreeg om zijn mening over de naamkwestie te geven. In tweemaal 1250 woorden, op de huidige schaal dus ter grootte van tweemaal tien boekrecensies.
De honderden comments op Lanoye toonden een identieke verbondenheid als, dezelfde dag, in Nederland de website GeenStijl bij een inspectie van de interne literaire keuken.
Deze synergie zal de Beneluxtrein redden. Want de verontwaardiging blijft, ook van het Twitterfront en van het gemeenschapsmedium Facebook. Of is het middel van de staking door de spoorwegen zelf uitgehold? Dan kan de klant-is-koning-retoriek dienen.
Wat zou er gebeuren indien men 9 december de Fyra neemt zonder te reserveren, laat staan te betalen?
Ik kan me ook voorstellen dat er, juist op die zondag, een eredienst wordt gehouden voor het boemeltreintje tussen Roosendaal en Antwerpen waarin zoveel reizigers hun hoop hebben gesteld – wie zou er iets willen missen van staties als Essen, Wildert, Kalmthout, Kijkuit, Heide, Kapellen, Sint-Mariaburg, Ekeren, Antwerpen-Noorderdokken en Antwerpen-Luchtbal? Gelet op de voorspelde sneeuw en zon, hetgeen vast niet leidt tot een ‘aangepaste dienstregeling’, zou de trein mogen worden ingepakt in zilverpapier, op een wijze waar Christo niet van terugheeft. Maar wees er tijdig bij, want zoals bekend zijn de plaatsen beperkt.
Wat ik me niet kan voorstellen is, dat mensen zich neerleggen bij besluiten waar met kracht van argumenten tegen is bewezen dat niemand ermee gediend is. Zou Marc Hooghes diagnose geen uitzondering mogen krijgen, voor het algemeen belang, zonder opgestoken duimen en vooral zonder woorden?

Naschrift
Nog meer woorden.
De juichende reactie van de spoorwegautoriteiten op het feit dat er binnen een uur al 3000 reservaties waren, is cynisch. Het feit tekent niet het succes van de Fyra, maar de nood van reizigers hun kosten zo min mogelijk extra te laten oplopen.
Dat er bovendien een flexibele kortingsregeling is getroffen met ambtenaren van het Europees parlement, verraadt niet alleen hoe dubieus het nieuwe product is, maar schaadt het imago van ‘de politiek’ in het algemeen en ‘die zakkenvullers in Brussel’ in het bijzonder.
Dat voor het radioprogramma Joos schrijfster Margot Vanderstraeten overigens een sentimentele laatste reis op de Beneluxtrein maakte en daarbij mijmerde over creatieve impulsen die uit traagheid zouden voortkomen, was evenzeer naast de kwestie. De kleine drie uur die de oude trein nodig had om van Brussel naar Amsterdam te raken, behelst alleen een slakkentempo in de perceptie van iemand voor wie alles altijd sneller moet. Maar is daar eigenlijk behoefte aan?
In jaren zeventig heeft als experiment om de trein aantrekkelijker te maken de ‘Intercity Plus’ gereden. Voor zes gulden extra, best veel voor die tijd, kreeg je dan krant en koffie erbij. Ook was het interieur dermate gemoderniseerd dat de associatie opdoemde met ‘vliegtuigen maar dan groter’. Onder meer was aan de stoel voor zich een ‘lectuurnet’ aangebracht.
De nieuwe monopolisten op dit traject, de Fyra en de Thalys, hebben behalve hun duurdere prijs gemeen dat ze zelden op tijd rijden (als ze niet uitvallen).


Tussenbalans
Na een week valt over het voorspelde fiasco de combinatie van leedvermaak en berusting op. Het is heel passend dat de Nederlandse premier Rutte per auto naar België komt, om na overleg met collega’s te zeggen dat het aan de spoorwegen zelf is om kinderziektes op te lossen. Dit na doldrieste eisen achteraf uit zijn eigen parlement.
Dat de meeste Fyra’s, net als hun minstens zo prijzige alternatief de Thalys, vertraagd zijn of helemaal niet rijden, is geen verrassing. De daarop volgende klachtencascade evenmin. Wel dat media en aparte twitterkanalen dag na dag een onduidelijke hetze aan het ontketenen zijn, die redelijkerwijs leiden tot het lynchen van conducteurs. Helemaal bizar is dat na het gejuich over het aantal reservaties, de geplaagde woordvoerder weigerde te antwoorden op de vraag hoeveel passagiers de (altijd bomvolle) Beneluxtrein had vervoerd: de vergelijking was zijns inziens oneerlijk omdat voor die laatste mogelijkheid niet hoefde worden gereserveerd. Ook bleek het in Nederland, met zijn louter door economen te verklaren dynamiek, onmogelijk geld terug te vragen wanneer de aansluiting op de Fyra werd gemist doordat een andere hogesnelheidstrein vertraging had: dit zijn twee aparte ondernemingen.
De nieuwe tussennepoplossing dat er onder de noemer jump-on niet meer hoeft gereserveerd te worden tot over vijf maanden de officiële nepoplossing van de trein Antwerpen-Breda van kracht is, zij het tegen betaling van 15 euro extra, volgt een perverse logica waarin ofwel reizigers ofwel bedrijven moeten buigen.
Vooralsnog biedt de internationale Fyra een aanblik die in Nederland bekend was: grotendeels onbezet. Daartegenover staat dat het boemeltje tussen Roosendaal en Antwerpen afgeladen vol is, wat leidt tot treurige verhalen, onder meer van een politicus en een auteur.
En iedereen blijft erbij staan en kijkt ernaar, terwijl er simultaan berichten hier en daar bovenkomen over verontwaardigde consumenten in Engeland die het niet accepteerden dat Starbucks belasting ontdook – en het megabedrijf om kregen. Toch is er een verschil: de koffieketen is nooit in handen geweest van de overheid.