Haal gauw die rosjfoe-ko erbij –‘vaak is men standvastig uit zwakte en moedig uit bedeesdheid’. Ontnuchterend onderzoek uit Nederland. Zowel volgens Gabriël van den Brink als volgens Mark Bovens zoekt de middenklasse sinds enige tijd via ‘opleidingshomogamie’ niet alleen intern soelaas, maar selecteert daarbij ook etnisch. Verse gettovorming: autochtone ‘hooggeschoolden’, wat dat nog moge betekenen, scheppen hun eigen universum.
Het afzetpunt moet snel veranderd zijn. In 2000 kon Meindert Fennema empirisch bewijzen dat bij politici de integratie bijna was gepiept. Van samenwonende allochtone raadsleden had een derde een Nederlandse partner, en bijna de helft had één tot zes familieleden met een Nederlandse partner.
Ik heb reeds mijn ten berge rijzende haardos trachten te evoceren bij de muiterij tegen de eerste versie van het regeerakkoord, het Telegraaf-Wiegel-oproer voor eigen geldelijke glorie zeg maar. Dit zou nu plausibel zijn: men verdedigde veroverde posities. Ongemakkelijk is dan dat mijn eigen beroepsgroep in België zich niet meer tevreden stelt met de status van ‘arm maar sexy’ (Klaus Wowereit, geciteerd uit Koen Haegens’ Neem de tijd) maar zich deze week betuigd liet na de nakende verhoging op de ‘bevrijdende roerende auteursrechtenvoorheffing’. Voor ons maandinkomen, uitzonderingen daargelaten, kan een consultant nog geen halve sheet out of zijn box toveren. Toch zal een werknemer van een ngo in ontwikkelingswerk nooit bij elkaar gelobbyd krijgen wat kunstenaars wisten te bereikten. Ik vrees wel dat ze gratis stemmen hebben binnengehaald voor de N-VA door Lampedusa in Artistikistan te situeren. Het is dan ook niet voor iedere sterveling weggelegd om in een verstandshuwelijk met de media via het sjibbolet ‘creatief’ weer een antagonisme te scheppen met barbarisme – het besparingsplan was in drie dagen van de baan.
Bovenal heb ik met mijn open mind, desnoods te legitimeren met dikke boeken in meer talen waaronder soms Frans zonder Google Translate (‘on est souvent ferme par faiblesse, et audacieux par timidité’), bemerkt dat ik aan het nieuwe middenklassenprofiel voldoe. Ook de kennissenkring blijkt, even empirisch gestaafd, keurig opgeleid en in melk gedoopt. Bankiers ken ik dan weer niet. Kleurlingen met wie ik geregeld contact heb, zijn winkeliers, schoonmakers of crèchepersoneel.
Nog treuriger. Het taalkundig genie zit op een gemengde kleuterschool en begint zich wat te vervelen. Daarom mag ze meedoen aan een zogeheten kangoeroegroepje, met nog vier kindjes uit haar jaar – allen blank, allen van hoogopgeleide ouders. Hopelijk ervaart het peloton schooltaal niet als berg.
Hoe overleeft dan mijn medium, altijd in voor iets?
Een bekend programma op Poetry International, een festival dat zeker geen xenofobie celebreert, heet Het juiste woord. Daarin gaat het om interpretatieproblemen en oplossingen bij het omzetten van poëzie uit de hele wereld naar het Nederlands. Maar wacht even, dan spreken vertalers, over hún vondsten, vaak wel met bereidwillige medewerking van de maker van het origineel.
In een ander succesnummer, Doorfluisteringen, wordt een gedicht van een deelnemer door collega’s omgezet in telkens een andere taal, totdat de oorspronkelijke taal terug is en het ontstane verschil blijkt. Maar wacht, dan blijven de beslissingen in het proces onbelicht en is het louter lachen om het resultaat, vaak wel onder een vriendelijke blik van de bedenker van het origineel.
Misschien iets neutralers, een interview. Dan zit de dichter gewoon achter een tafel en kan hij vertellen over zijn praktijk in het land van herkomst. Maar dan moet er een bemiddelende taal worden gesproken, bij voorkeur Engels, voor het publiek natuurlijk én omdat er in dit format meestal twee dichters tegelijk aan de tand worden gevoeld, over een thema als ‘humor’ of ‘nieuwe media’. Wel luisteren ze vaak beleefd naar elkaar.
Afgelopen jaar kon ik op de openingsavond ternauwernood voorkomen dat achter de naam van Jan Lauwereyns behalve zijn geboorteland België ook zijn huidige woon- en werkland Japan op het meeleesscherm werd geprojecteerd. Waarom was een collega-emigrant als Leo Vroman (of desnoods ik) dan exclusief een Nederlander? Beheerste Lauwereyns de uitheemse taal beter? In De smaak van het geluid van het hart vertelde hij te ploeteren met kanji’s, de voor westerlingen extreem ingewikkelde ideogrammen. Om Lauwereyns’ publicaties in het Engels, waarin hij het kangoeroestadium al heeft bereikt, zouden zijn vorige pleisterplaatsen de Verenigde Staten of Nieuw-Zeeland passender geweest zijn.
Dat de rest van de week de fout in ere werd hersteld, had ik kunnen weten. Eens mochten voor een programma over Herman Gorter buitenlandse dichters in vijf minuten hun mening geven over een vertaald fragment uit Mei. Eigenlijk viel het mee dat dit culmineerde in een door publiekshandgeklap ondersteunde rappoging van een zestigjarige dichteres. Op basis van het aangeleverde materiaal viel immers niets te zeggen. Het ging om de daad van het zeggen, over een streekproduct.
De schermprojectie bij Lauwereyns zei onbeschroomder dat ‘Japan’, veel meer dan ‘Nieuw-Zeeland’ of ‘de Verenigde Staten’, zelfgecertificeerde ontvankelijkheid voor andere culturen behelst. Bij Franse dichters uit (half-)Afrikaanse ouders wordt het betreffende land van dat niet-westerse continent eveneens vermeld.
Rond dergelijk narcistisch exotisme zijn in België onlangs ferme uitspraken gedaan, ook naar aanleiding van literatuur. Rachida Lamrabets debuut zou veel verzet hebben ontmoet in de kritiek omdat daar een oude masculiene blanke overmacht zou zijn. Ik keek daar een beetje van op. Ten eerste denk ik dat dit getalsmatig onwaar is, ten tweede lijkt in de Lage Landen juist exotisme cultureelindustrieel rendabel, en ten derde leid ik uit lezing van de betreffende roman af dat die mannen als poëticaal ideaal nog immer het modernisme zouden voeren. Gelukkig is Lamrabet nu breed geaccepteerd en boekt ook iemand als Chika Unigwe triomfen.
Misschien was mijn verlangen te groot iets geweldigs te ontdekken in hun romandebuten. Bij veel Afrikaanse en soms Zuid-Amerikaanse poëzie ben ik op dezelfde barrière gestuit. In elk geval overtuigt bij westerse schrijvers een soortgelijke stijl me als teken van een beperkte ambachtelijkheid.
Is er een punt denkbaar, waarop een middenklasse ‘open kan staan’? Komt het ‘downdaten’ vanzelf terug? Of kangoeroes nu ver- of hoogspringers zijn, eens landen ze (daar weet ik een leuke studie over, met een lapjesdier in de hoofdrol).
zondag 2 december 2012
zondag 25 november 2012
Halleluja
Het beest is onder ons. Dit weekend heeft het taalkundig genie Kikker te logeren, die ik ken als een frappant op zijn schepper gelijkend fictioneel wezen, maar die uiteraard ook te verkrijgen is als gadget, met een handige gleuf onder zijn nek voor het poppenspel. Als mascotte van de klas verblijft Kikker elk week ergens anders. Hij heeft een rugzak bij zich, met onder meer een knuffel, een groene handdoek, een groene washand, shampoo (van Jip en Janneke), tandpasta (aardbeiensmaak) en een tandenborstel.
Iedereen wil natuurlijk het beste voor zijn kroost, da’s altijd zo geweest, en we willen ons absoluut niet laten voorstaan op een legendarische Vlaams-Hollandse gastvrijheid, maar we zijn al wel wat gewend, ook betreffende het mee-eten. Aan onze tafel is naast de plaats van de gourmande permanent een vijfde stoeltje aangeschoven, waarop een kale babypop zit en een teletubbie.
Samen met het taalkundig genie heb ik Kikker daarstraks in zijn pyjama gehesen en verder. Ze had me meer dan eens op het hart gedrukt dat we bij het tandenpoetsen moesten doen alsof. Maarten had dit namelijk niet begrepen en sindsdien heeft Kikker een verbeten trek om zijn mond. Inmiddels slapen ze al – kikker, zijn knuffel en het taalkundig genie, bedoel ik. Ik vermoed dat zij, gestoken in haar nieuwe slaapshirt met het opschrift ‘TOUCH ME (and I’ll kill you)’, droomt over morgen.
Bolkestein heeft gezegd dat ouderen niet alleen vanwege de pensioenen en gezondheidskosten duurder zijn maar ook minder geneigd tot ‘innovatie’ dan jonge mensen die eerder bereid zijn ‘risico’s te nemen’. Inderdaad zal Kikker vanaf morgen te bewonderen zijn in een revolutionair fluorescerend hesje, zodat hij net als het taalkundig genie beter zichtbaar is in het verkeer. Redelijkerwijs gaat haar dit bij de juf een beloning opleveren die bij mijn weten nog niet onderhevig is aan inflatie: een stempel.
Dat het beest waarlijk onder ons is, ervoeren op een oneindig grimmiger niveau omwonenden in de zaak-Vaatstra. Hoe absurd het ook klinkt (‘Een Nederlander snijdt geen keel door, hij wurgt liever’), de dader blijkt echt geen asielzoeker. En dat zo kort na de ontdekking van een splinternieuw dier, de junglepoes: ‘Hoge jukbeenderen, ravenzwarte haren en een brede lach die een gebit blootlegt dat wijst op een afkomst waar de orthodontist een mensenrecht is.’
Wel gaat het om een beest dat van oorsprong een mens was, uit Denekamp, maar in Colombia een lichtelijk andere aard begon te vertonen: ‘de kille guerrillastrijdster voor wie executies even normaal zijn als het drinken van ochtendkoffie in de jungle.’ Zou Starbucks ook daar een nieuw filiaal hebben geopend, inclusief belastingomleidconstructie, via Denekamp dan?
Naar het stuk dat deze primeur uitserveerde, waarin het alsof verzonk, verwees Arnon Grunberg gisteren in zijn Voetnoot op de voorpagina van de Volkskrant:
In een groot interview door Robbert-Jan Friele dat afgelopen zaterdag in de Volkskrant stond, zei Tanja Nijmeijer dat de FARC wapens had opgepakt ‘ter verdediging van een groep mensen die altijd enorm is mishandeld en misbruikt.’
Sommige mensen noemen Nijmeijer een terroriste, maar in Zuid-Amerika doen de methoden van de staat niet onder voor de terroristische methoden van de vijanden van de staat.
Verder kunnen we ons het onrecht voorstellen als inbreker. Nijmeijer wil die inbreker doodslaan, iets wat de heer Teeven en driekwart van de Nederlanders toejuichen. Toegegeven, de meeste Nederlanders zijn alleen bereid hun eigen inbreker dood te slaan. Nijmeijer wil ook andermans inbrekers doden, maar dat is naastenliefde.
Ook brengt zij haar idealisme in praktijk in de periferie en niet in Nederland, geheel conform de westerse strategie oorlogen in de periferie uit te vechten (Afghanistan, Irak).
Kortom, Nijmeijer verdient een lintje van onze koningin.
Wat willen deze 147 woorden? Ik heb de indruk dat hier het wat-je-zegt-ben-je-zelfargument weer eens van stal wordt gehaald. Het is vooral populair op internet, dat de ontmaskering wil laten zien, omdat alles te reduceren blijkt tot een pakketje schroot met een dun laagje chroom. Daarmee citeer ik Het Goede Doel, een fenomeen waar ook, conform de regels van de onbegrensd geliefde sport meelopen en zeker sinds het regeerakkoord, steeds vaker het banale en blinde egoïsme van wordt onthuld.
Het alsof in het algemeen en dat beschaving evengoed een dun laagje vernis is (bij de ander?), schijnen thema’s in het werk van Grunberg waarin ik nog niet verder ben, maar volgens mij gebruikt hij de woorden ‘wij’ en ‘onze’ ironisch, en de woorden ‘idealisme’ en ‘naastenliefde’ cynisch. Wat zegt dat binnen een maatschappij die nivelleren en solidariteit als pejoratieven ging beschouwen? Is het een idee wanneer Grunberg zijn embedded reportages eens uitprobeert aan de zijde van Nijmeijer, in de gerieflijke jungle van Colombia?
Ondertussen wil het alsof er bij de gourmande niet echt in. Nu de herfst definitief lijkt ingetreden, hebben we tegen de tocht voor een paar deuren van die langwerpige kussens gelegd, in de vorm van dieren. Twee muizen, om precies te zijn, en nu durft de gourmande daar niet meer naar binnen of buiten en moeten we haar telkens over de muizen heen tillen.
Al onze pogingen om haar angst te bezweren mislukken. Vermoedelijk speelt de geschiedenis hier tegen ons. Hoe vaak heb ik de gourmande niet gezegd dat ik haar zo lief vind dat ik wel een stukje van haar zou willen opeten? Hoe vaak heb ik haar niet voorgelezen uit Roodkapje (de integrale hap van de boze wolf valt wel integraal te repareren)? Vanmiddag heb ik mijn beide voeten op een muis gezet, eentje op zijn kop en eentje op zijn staart, en verzekerd dat er nu dus geen enkel gevaar meer was om eroverheen te stappen. Puur logisch bezien was dat misschien niet zo slim. Net als een eerdere, geruststellend bedoelde uitspraak mijnerzijds: ‘Wees maar niet bang, de muis slaapt.’
Wat zou er gebeuren wanneer de junglepoes zich tegen de tocht voor de deur zou posteren? Ik weet bijna zeker dat, uiteraard nadat de objectieve internationale pers vertrokken zou zijn, de gourmande met liefde over de drempel zou stappen. Hopelijk had ze daarbij te horen gekregen dat ze niet bang hoeft te zijn.
Iedereen wil natuurlijk het beste voor zijn kroost, da’s altijd zo geweest, en we willen ons absoluut niet laten voorstaan op een legendarische Vlaams-Hollandse gastvrijheid, maar we zijn al wel wat gewend, ook betreffende het mee-eten. Aan onze tafel is naast de plaats van de gourmande permanent een vijfde stoeltje aangeschoven, waarop een kale babypop zit en een teletubbie.
Samen met het taalkundig genie heb ik Kikker daarstraks in zijn pyjama gehesen en verder. Ze had me meer dan eens op het hart gedrukt dat we bij het tandenpoetsen moesten doen alsof. Maarten had dit namelijk niet begrepen en sindsdien heeft Kikker een verbeten trek om zijn mond. Inmiddels slapen ze al – kikker, zijn knuffel en het taalkundig genie, bedoel ik. Ik vermoed dat zij, gestoken in haar nieuwe slaapshirt met het opschrift ‘TOUCH ME (and I’ll kill you)’, droomt over morgen.
Bolkestein heeft gezegd dat ouderen niet alleen vanwege de pensioenen en gezondheidskosten duurder zijn maar ook minder geneigd tot ‘innovatie’ dan jonge mensen die eerder bereid zijn ‘risico’s te nemen’. Inderdaad zal Kikker vanaf morgen te bewonderen zijn in een revolutionair fluorescerend hesje, zodat hij net als het taalkundig genie beter zichtbaar is in het verkeer. Redelijkerwijs gaat haar dit bij de juf een beloning opleveren die bij mijn weten nog niet onderhevig is aan inflatie: een stempel.
Dat het beest waarlijk onder ons is, ervoeren op een oneindig grimmiger niveau omwonenden in de zaak-Vaatstra. Hoe absurd het ook klinkt (‘Een Nederlander snijdt geen keel door, hij wurgt liever’), de dader blijkt echt geen asielzoeker. En dat zo kort na de ontdekking van een splinternieuw dier, de junglepoes: ‘Hoge jukbeenderen, ravenzwarte haren en een brede lach die een gebit blootlegt dat wijst op een afkomst waar de orthodontist een mensenrecht is.’
Wel gaat het om een beest dat van oorsprong een mens was, uit Denekamp, maar in Colombia een lichtelijk andere aard begon te vertonen: ‘de kille guerrillastrijdster voor wie executies even normaal zijn als het drinken van ochtendkoffie in de jungle.’ Zou Starbucks ook daar een nieuw filiaal hebben geopend, inclusief belastingomleidconstructie, via Denekamp dan?
Naar het stuk dat deze primeur uitserveerde, waarin het alsof verzonk, verwees Arnon Grunberg gisteren in zijn Voetnoot op de voorpagina van de Volkskrant:
In een groot interview door Robbert-Jan Friele dat afgelopen zaterdag in de Volkskrant stond, zei Tanja Nijmeijer dat de FARC wapens had opgepakt ‘ter verdediging van een groep mensen die altijd enorm is mishandeld en misbruikt.’
Sommige mensen noemen Nijmeijer een terroriste, maar in Zuid-Amerika doen de methoden van de staat niet onder voor de terroristische methoden van de vijanden van de staat.
Verder kunnen we ons het onrecht voorstellen als inbreker. Nijmeijer wil die inbreker doodslaan, iets wat de heer Teeven en driekwart van de Nederlanders toejuichen. Toegegeven, de meeste Nederlanders zijn alleen bereid hun eigen inbreker dood te slaan. Nijmeijer wil ook andermans inbrekers doden, maar dat is naastenliefde.
Ook brengt zij haar idealisme in praktijk in de periferie en niet in Nederland, geheel conform de westerse strategie oorlogen in de periferie uit te vechten (Afghanistan, Irak).
Kortom, Nijmeijer verdient een lintje van onze koningin.
Wat willen deze 147 woorden? Ik heb de indruk dat hier het wat-je-zegt-ben-je-zelfargument weer eens van stal wordt gehaald. Het is vooral populair op internet, dat de ontmaskering wil laten zien, omdat alles te reduceren blijkt tot een pakketje schroot met een dun laagje chroom. Daarmee citeer ik Het Goede Doel, een fenomeen waar ook, conform de regels van de onbegrensd geliefde sport meelopen en zeker sinds het regeerakkoord, steeds vaker het banale en blinde egoïsme van wordt onthuld.
Het alsof in het algemeen en dat beschaving evengoed een dun laagje vernis is (bij de ander?), schijnen thema’s in het werk van Grunberg waarin ik nog niet verder ben, maar volgens mij gebruikt hij de woorden ‘wij’ en ‘onze’ ironisch, en de woorden ‘idealisme’ en ‘naastenliefde’ cynisch. Wat zegt dat binnen een maatschappij die nivelleren en solidariteit als pejoratieven ging beschouwen? Is het een idee wanneer Grunberg zijn embedded reportages eens uitprobeert aan de zijde van Nijmeijer, in de gerieflijke jungle van Colombia?
Ondertussen wil het alsof er bij de gourmande niet echt in. Nu de herfst definitief lijkt ingetreden, hebben we tegen de tocht voor een paar deuren van die langwerpige kussens gelegd, in de vorm van dieren. Twee muizen, om precies te zijn, en nu durft de gourmande daar niet meer naar binnen of buiten en moeten we haar telkens over de muizen heen tillen.
Al onze pogingen om haar angst te bezweren mislukken. Vermoedelijk speelt de geschiedenis hier tegen ons. Hoe vaak heb ik de gourmande niet gezegd dat ik haar zo lief vind dat ik wel een stukje van haar zou willen opeten? Hoe vaak heb ik haar niet voorgelezen uit Roodkapje (de integrale hap van de boze wolf valt wel integraal te repareren)? Vanmiddag heb ik mijn beide voeten op een muis gezet, eentje op zijn kop en eentje op zijn staart, en verzekerd dat er nu dus geen enkel gevaar meer was om eroverheen te stappen. Puur logisch bezien was dat misschien niet zo slim. Net als een eerdere, geruststellend bedoelde uitspraak mijnerzijds: ‘Wees maar niet bang, de muis slaapt.’
Wat zou er gebeuren wanneer de junglepoes zich tegen de tocht voor de deur zou posteren? Ik weet bijna zeker dat, uiteraard nadat de objectieve internationale pers vertrokken zou zijn, de gourmande met liefde over de drempel zou stappen. Hopelijk had ze daarbij te horen gekregen dat ze niet bang hoeft te zijn.
zondag 18 november 2012
Langsam, schleppend
Frank Zappa liet het in het midden. Terwijl een markt afbrandde, nam iedereen ‘a turn to stomp & smash & bash & crash & slash & bust & burn’. Maar dat zong hij al ‘watching and waiting’. Iemand schreef ooit dat de meeste muzikanten illusieloos zijn wegens een gekoesterde, heilige weerzin van de ongeneeslijke snotneus in de mens. Je weet dat Zappa, over dat tafereel solerend op zijn gitaar, met gilletjes opgezweept werd door zijn toetsenwonder George Duke (zeker op de versie van Roxy & Elsewhere, een elpee die bekend raakte bij een breed publiek, zij het door de kwinkslag ‘Jazz is not dead, it just smells funny’). Is toekijken hetzelfde als getuige zijn?
Momenteel worden we overspoeld door berichten uit Amerika, over een generaal en nog een generaal en vrouw en nog een vrouw – iets waarvan mij, niet als enige, de portee ontgaat, behalve dat me wetenswaardigheden in de maag worden gesplitst die ik niet wil weten. Tegelijk speelt een toonaangevende Vlaamse krant het klaar om een wisseling van hoofdredacteurschap te begeleiden door een interview dat op zichzelf een nieuwe vrijetijdsbesteding introduceerde, een combinatie van sport en muziek: het aanfluiten. Het leidde tot een interview bij de concurrent:
Kan u iets zeggen over het vertrek van uw voorganger?
‘Neen, dat moet u aan mijn uitgever vragen.’
Die verwijst me door naar u.
‘Dan blijven we in kringetjes draaien, maar toch ga ik er niet op antwoorden.’
Snap jij zulke bescheidenheid? De journalist die een klein uur meeluisterde met het genezingsgesprek tussen Michele Martin en de vader van Julie omdat de gsm van een bemiddelaar op de grond was gevallen en toen automatisch contact maakte met het nummer van die journalist, liet de veroorzaker van dit ongelukje tenminste opdraaien voor de kosten, interlokaal maar misschien tegen dalurentarief.
Er viel een folder in de bus met als opschrift ELKE GRAM TELT. Ik dacht, ja, da’s waar, hier met die toenemende drugshandel bij de speeltuin. En las over oud goud. ‘U wordt betaald aan de dagkoers’. Would ya like some mora?
Een naar een vrouw vernoemde storm legde Wall Street lam, en meer? Waar Zappa heterogeniteit wist te schakelen, verwekte deze Sandy een tweesporenbeleid in de wederopbouw: bankierachtigen eerst, dan de Dickens-personages.
Elk op de Gazastrook van zijn geweten zoekend naar een dynamo of naar familiebetrekkingen?
Stel dat een bankier die onwel wordt op straat een behandeling krijgt die hij zijn klanten geeft. Op het hoogtepunt van de hypotheekbubble heeft een CityBanks-topman verordend: ‘As long as the music is playing, you’ve got to get up and dance.’ Nee, zeg dan liever achteraf: ‘Ik ben nooit bankier geweest en mijn begrip van die materies is relatief oppervlakkig.’
Hopelijk heb ik dat oordeel, nu je me aanbeveelt nooit meer kwaad te worden, niet te scherp uitgesproken. Iemand schijnt, als ik het me blootshoofds goed herinner, geschreven te hebben: ‘Schelden is een vorm van Hollandse wijsbegeerte’.
Ik knipte de televisie aan. Het zal je wel niet interesseren, maar het ging over literatuur! Nu ja, over een sponsorprijs, die zich ‘de belangrijkste’ wist. De voorzitter uit het maatschappelijke veld legde net zijn decorum af om een cliffhanger van één minuut lang op te zeggen inzake de bekendmaking na het journaal. Toen bleek dat ‘de winnaar’, maar dit bleek uit de vakpers, te verklaren viel uit het feit dat hij ‘vaker was genomineerd’.
Buitel ik weer in een atavisme? Iemand schreef: ‘Calvinisme is niet dood, het ruikt alleen anders’.
Naast calvinisten stonden ook andersgelovigen, weet je nog, op het kantelpunt van de jaren zestig naar zeventig aan de wieg van Solidaridad. Deze interconfessionele organisatie doet aan armoedebestrijding in wat de Derde Wereld heette maar waartussen inmiddels een paar grootverdieners zitten (Argentinië, Brazilië), die door de crisis op hun kantelpunt balanceren. Uit Solidaridad kwam, vlak voor de val van de Muur, Stichting Max Havelaar voort, een zogezegd seculiere tak.
Laatst was het bal. Fair trade cacaoboeren in Afrika zouden van Havelaar geen hogere prijs ontvangen dan uit het reguliere inkoopvoorgeborchte. Het zou hun zelfs ontgaan dat ze fair trade zijn. Volgens de hedendaagse zede bleek Havelaar degene bij wie het geld aan de strijkstok hangt en kregen aantijgingen van ‘legale corruptie’ en ‘smerig neo-imperialistisch altruïsme’ weerwoord van de baas. Volgens hem gingen opbrengsten naar coöperaties waarbij boeren, van wie een gedeelte niet kan lezen en schrijven, zich hebben aangesloten om sterker te staan, en probeert de stichting in hun belang volumegroei te realiseren. Wat jij?
De medeoprichter van Max Havelaar en huidig directeur van Solidarad, dat het keurmerk Utz in petto heeft, snapte met pijn in het hart de kritiek. Mij lijkt dit soort berichten koren op de molen van lui die geageerd hebben tegen mogelijke gevolgen van de inkomensafhankelijke zorgpremie voor hun portemonnee. Liefhebbers van Radiohead schijnen te bewijzen dat de jaren zeventig nog massaler worden verdrongen dan aangenomen, maar voor onverhoopte bekommernis om de gevolgen voor de teruggedrongen ontwikkelingshulp, was hier het ultieme tegenbewijs.
Berlusconi (76) kent tenminste geen weggegooid geld. Heb je meegekregen wat hij riep na zijn veroordeling tot vier jaar cel wegens fraude? ‘Als je er in een land niet van mag uitgaan dat de rechters onpartijdig zijn, dan wordt dat land onciviel, barbaars en onleefbaar, dan houdt zo’n land op een democratie te zijn.’ Nog een geluk dat hij een wet had uitgevaardigd dat politici boven de zeventig straffen thuis mogen uitzitten, en dat hij dan om dezelfde reden na één jaar amnestie krijgt. Mocht het ondenkbare gebeuren en de man overlijdt, liggen er hopelijk genoeg standbeelden voor hem klaar. Op elk daarvan zal een bepaald stukje zijn gepolijst, met de geheel vrijblijvende suggestie Kiss my aura.
Nooit meer aanfluiten dus? Bij een bericht over iemand constateer ik dat deze gaande de jaren uit mijn gedachten is geraakt, terwijl ik, vanuit een ander land, zijn postcode nog kan opzeggen. Daarom spelen we een liedje.
Momenteel worden we overspoeld door berichten uit Amerika, over een generaal en nog een generaal en vrouw en nog een vrouw – iets waarvan mij, niet als enige, de portee ontgaat, behalve dat me wetenswaardigheden in de maag worden gesplitst die ik niet wil weten. Tegelijk speelt een toonaangevende Vlaamse krant het klaar om een wisseling van hoofdredacteurschap te begeleiden door een interview dat op zichzelf een nieuwe vrijetijdsbesteding introduceerde, een combinatie van sport en muziek: het aanfluiten. Het leidde tot een interview bij de concurrent:
Kan u iets zeggen over het vertrek van uw voorganger?
‘Neen, dat moet u aan mijn uitgever vragen.’
Die verwijst me door naar u.
‘Dan blijven we in kringetjes draaien, maar toch ga ik er niet op antwoorden.’
Snap jij zulke bescheidenheid? De journalist die een klein uur meeluisterde met het genezingsgesprek tussen Michele Martin en de vader van Julie omdat de gsm van een bemiddelaar op de grond was gevallen en toen automatisch contact maakte met het nummer van die journalist, liet de veroorzaker van dit ongelukje tenminste opdraaien voor de kosten, interlokaal maar misschien tegen dalurentarief.
Er viel een folder in de bus met als opschrift ELKE GRAM TELT. Ik dacht, ja, da’s waar, hier met die toenemende drugshandel bij de speeltuin. En las over oud goud. ‘U wordt betaald aan de dagkoers’. Would ya like some mora?
Een naar een vrouw vernoemde storm legde Wall Street lam, en meer? Waar Zappa heterogeniteit wist te schakelen, verwekte deze Sandy een tweesporenbeleid in de wederopbouw: bankierachtigen eerst, dan de Dickens-personages.
Elk op de Gazastrook van zijn geweten zoekend naar een dynamo of naar familiebetrekkingen?
Stel dat een bankier die onwel wordt op straat een behandeling krijgt die hij zijn klanten geeft. Op het hoogtepunt van de hypotheekbubble heeft een CityBanks-topman verordend: ‘As long as the music is playing, you’ve got to get up and dance.’ Nee, zeg dan liever achteraf: ‘Ik ben nooit bankier geweest en mijn begrip van die materies is relatief oppervlakkig.’
Hopelijk heb ik dat oordeel, nu je me aanbeveelt nooit meer kwaad te worden, niet te scherp uitgesproken. Iemand schijnt, als ik het me blootshoofds goed herinner, geschreven te hebben: ‘Schelden is een vorm van Hollandse wijsbegeerte’.
Ik knipte de televisie aan. Het zal je wel niet interesseren, maar het ging over literatuur! Nu ja, over een sponsorprijs, die zich ‘de belangrijkste’ wist. De voorzitter uit het maatschappelijke veld legde net zijn decorum af om een cliffhanger van één minuut lang op te zeggen inzake de bekendmaking na het journaal. Toen bleek dat ‘de winnaar’, maar dit bleek uit de vakpers, te verklaren viel uit het feit dat hij ‘vaker was genomineerd’.
Buitel ik weer in een atavisme? Iemand schreef: ‘Calvinisme is niet dood, het ruikt alleen anders’.
Naast calvinisten stonden ook andersgelovigen, weet je nog, op het kantelpunt van de jaren zestig naar zeventig aan de wieg van Solidaridad. Deze interconfessionele organisatie doet aan armoedebestrijding in wat de Derde Wereld heette maar waartussen inmiddels een paar grootverdieners zitten (Argentinië, Brazilië), die door de crisis op hun kantelpunt balanceren. Uit Solidaridad kwam, vlak voor de val van de Muur, Stichting Max Havelaar voort, een zogezegd seculiere tak.
Laatst was het bal. Fair trade cacaoboeren in Afrika zouden van Havelaar geen hogere prijs ontvangen dan uit het reguliere inkoopvoorgeborchte. Het zou hun zelfs ontgaan dat ze fair trade zijn. Volgens de hedendaagse zede bleek Havelaar degene bij wie het geld aan de strijkstok hangt en kregen aantijgingen van ‘legale corruptie’ en ‘smerig neo-imperialistisch altruïsme’ weerwoord van de baas. Volgens hem gingen opbrengsten naar coöperaties waarbij boeren, van wie een gedeelte niet kan lezen en schrijven, zich hebben aangesloten om sterker te staan, en probeert de stichting in hun belang volumegroei te realiseren. Wat jij?
De medeoprichter van Max Havelaar en huidig directeur van Solidarad, dat het keurmerk Utz in petto heeft, snapte met pijn in het hart de kritiek. Mij lijkt dit soort berichten koren op de molen van lui die geageerd hebben tegen mogelijke gevolgen van de inkomensafhankelijke zorgpremie voor hun portemonnee. Liefhebbers van Radiohead schijnen te bewijzen dat de jaren zeventig nog massaler worden verdrongen dan aangenomen, maar voor onverhoopte bekommernis om de gevolgen voor de teruggedrongen ontwikkelingshulp, was hier het ultieme tegenbewijs.
Berlusconi (76) kent tenminste geen weggegooid geld. Heb je meegekregen wat hij riep na zijn veroordeling tot vier jaar cel wegens fraude? ‘Als je er in een land niet van mag uitgaan dat de rechters onpartijdig zijn, dan wordt dat land onciviel, barbaars en onleefbaar, dan houdt zo’n land op een democratie te zijn.’ Nog een geluk dat hij een wet had uitgevaardigd dat politici boven de zeventig straffen thuis mogen uitzitten, en dat hij dan om dezelfde reden na één jaar amnestie krijgt. Mocht het ondenkbare gebeuren en de man overlijdt, liggen er hopelijk genoeg standbeelden voor hem klaar. Op elk daarvan zal een bepaald stukje zijn gepolijst, met de geheel vrijblijvende suggestie Kiss my aura.
Nooit meer aanfluiten dus? Bij een bericht over iemand constateer ik dat deze gaande de jaren uit mijn gedachten is geraakt, terwijl ik, vanuit een ander land, zijn postcode nog kan opzeggen. Daarom spelen we een liedje.
zondag 11 november 2012
Hier blijven half alle oogenblikken
Hoewel er met Obama’s herverkiezing en het Chinese partijcongres grote slachtpartijen op de wereldagenda stonden, was ik afgelopen week vooral wat ontdaan door twee sterfgevallen. Misschien juist omdat het twee heren op zeer respectabele leeftijd betrof – danig veel oudjes zullen lang leven zonder dat de meerderheid van hen over voldoende middelen beschikt (gaan kippen tzt wraak nemen door in bejaardenfabrieken bij de populatie het dagelijkse eet- en geneespilletje weg te pikken?).
Dankzij de taaltrendantenne van Van Kooten en De Bie bestaat er zoiets als een krasse knar, maar de invulling daarvan is velerlei. Het fysieke aspect valt te aanschouwen bij Grace Jones die, voorbij haar zestigste, als een routineoefening gedurende de volledige lengte van ‘Slave to the Rhythm’ de hoelahoep (het taalkundig genie zegt: helahoep) rond haar heupen laat draaien.
Minstens zo bewonderenswaardig is het vermogen alert te blijven. Dat toonde Elliott Carter. In het laatste interview voor zijn dood staat zijn teller op 103 jaar en hij is volop in de weer met celliste Alisa Weilerstein. Niet alleen charmeert hij haar. Wanneer ze uit zijn werk begint te spelen, uit hij detailcommentaar terwijl hij met zijn ogen zowat in de partituur moet kruipen. Mij dunkt dat Weilerstein geïnspireerd raakt. Carter krijgt extra glans in combinatie met die andere avant-gardist, Anton Webern. De een stierf door een onnozel misverstand vroegtijdig en de ander leek, tot deze week althans, niet te kunnen vergaan.
Mijn tweede betreurde is Clive Dunn. Voor mij is hij verbonden met de comedyserie Dad’s Army. Daarin speelt hij met zoveel panache een van de oudsten dat hij, natuurlijk, een van de jongste acteurs is geweest (heden leeft louter private Pike nog). Hij blijkt uit dat type eveneens winst te hebben gepeurd als zelfstandige. Zijn hit ‘Grandad’ uit 1971 werd bedacht door Herbie Flowers, bassist op Lou Reeds weinig later verschenen Transformer. Op die elpee arrangeerde Flowers het oubollige ‘Goodnight Ladies’ en speelde er tuba op, een fremdkörper dat met de kennis van Dunns hit, voor mij na vier decennia, alsnog begrijpelijk wordt.
Wie zelden of nooit Dad’s Army heeft gezien, kent mogelijk toch twee zinnetjes die door Dunn in zijn rol van korporaal werden uitgesproken: ‘Permission to speak, sir’ en ‘Don’t panic’. Beide zijn performatieve boemerangs. Het laatste zinnetje bezigt de korporaal tegen ondergeschikten en heeft het tegenovergestelde effect, en met het eerste eist hij aan hoger geplaatsen iets op wat het zojuist had geannexeerd. Ik lees nu dat Dunn een overtuigd socialist was en zijn captain Mainwairing in werkelijkheid een conservatief.
De serie is in die zin Engels dat er standsverschil wordt uitgespeeld. Het is de sergeant die de klasse bezit (met bijbehorend succes bij vrouwen, inclusief zweem dat private Pike zijn kind is). Dad’s Army blijft waarschijnlijk herkenbaar, omdat de hoogste in rang alleen formeel de baas is. Hij bekrachtigt besluiten die anderen, al dan niet brutaal, genomen hebben. Soms lijkt het zelfs of Mainwairing pas als laatste de regie krijgt. Uitgerekend hij moet zich het meest aanpassen aan de omstandigheden, en vanuit deze basis, gevoegd bij zijn achterafpraatjes dat alles gepland zou zijn, werkt het effect van deze reeks. Het kan evengoed tragisch heten. Zo toont het zich althans, oneindig subtieler, in de Deense prachtserie Borgen, momenteel op de Vlaamse televisie, waarin een premier, die wel zelfkritiek heeft, zich hoofdzakelijk bezighoudt met het ruimen van puin dat door voorgangers, collega’s en journalisten wordt geschapen.
Dit gegeven vreet aan de autonomie en wordt saillanter met de discussie over de vrije wil, die door hersenonderzoek is herontbrand. Het schijnt business as usual dat mensen fabuleren om andermans gedrag en oordeel tot dat van zichzelf te maken. Dat kunnen Obama – voor zover hij dat al niet ervaren had door de republikeinse meerderheid in het Huis van Afgevaardigden – en de partijbonzen te China alvast in hun zak steken!
Nu ik het er toch over heb. Dezer dagen stond de omgeving in het teken van Sinte Metten of Maarten, zoals hij in Nederland heet. Voor diens glorie zingen kinderen aan de deur, in ruil voor zoetigheden die zich volgens het oorspronkelijke lied, nog door Wannes van de Velde gezongen, beperken tot een appel of een peer. Of een koek of een pastilleke, dat in dit zorgstelsel van chocola is. Gisteren heb ik een Sinte-Metten-avondoptocht gezien. Zacht gezang en lampiongeflakker langs deuren. Soms gingen ze open, vaker bleven alle rolluiken dicht.
Vandaag was het een rare dag.
Ondertussen hebben in mijn geboorteland, ver weg binnenkort, de verse regeringsbazen in zichzelf de captain Mainwairing ontwaard. Doordat ze de zorgpremie inkomensafhankelijk wilden maken, begon niet alleen de onvermijdelijke Hans Wiegel te roepen dat dit ‘nivellerender dan Den Uyl’ is, maar haakten vele VVD-stemmers af. Het is me niet ontgaan dat door de melkkoe van de kenniseconomie het klassenonderscheid van Dad’s Army vervaagde en dat overal ter wereld de middenklasse de klos is en wellicht heb ik de laatste tijd te veel teksten gelezen waarin ondernemers klagen over hoge kosten en waarin ‘overleg met sociale partners’ wordt geëist omdat de banenmarkt ‘rigide’ is en ‘flexibeler’ moet voor ‘de concurrentiekracht’ – maar ik word langzamerhand moe van vingers die bij het geringste plan dat in de ether komt op de eigen knip gaan.
Ditmaal sputterden inkomens vanaf tweemaal modaal: zo’n 66.000 euro of hoger dus… Mij is onbekend wat Sint Maarten opstreek in de tijd dat hij zijn overjas doormidden hieuw voor een blote bedelaar, maar tegen nivelleren maakte hij in elk geval niet bij voorbaat bezwaar. Sterker, volgens een voornaamgenoot was hij schrieperig geweest: ‘Aan u naaste in nood / Gaaft gij een helft, geen ganschen mantel.’
Maar misschien had de bisschop in de vierde eeuw na Christus nog niet uit de vakliteratuur begrepen dat zijn daad een geïnternaliseerd voorschrift van een Derde was. In hoeverre kan Die zich eigenlijk vrijwaren van invloed? Ondermaans waagt de naar verluidt machtigste man ter wereld niet verder te kijken dan ‘four more years’. En elders?
Dankzij de taaltrendantenne van Van Kooten en De Bie bestaat er zoiets als een krasse knar, maar de invulling daarvan is velerlei. Het fysieke aspect valt te aanschouwen bij Grace Jones die, voorbij haar zestigste, als een routineoefening gedurende de volledige lengte van ‘Slave to the Rhythm’ de hoelahoep (het taalkundig genie zegt: helahoep) rond haar heupen laat draaien.
Minstens zo bewonderenswaardig is het vermogen alert te blijven. Dat toonde Elliott Carter. In het laatste interview voor zijn dood staat zijn teller op 103 jaar en hij is volop in de weer met celliste Alisa Weilerstein. Niet alleen charmeert hij haar. Wanneer ze uit zijn werk begint te spelen, uit hij detailcommentaar terwijl hij met zijn ogen zowat in de partituur moet kruipen. Mij dunkt dat Weilerstein geïnspireerd raakt. Carter krijgt extra glans in combinatie met die andere avant-gardist, Anton Webern. De een stierf door een onnozel misverstand vroegtijdig en de ander leek, tot deze week althans, niet te kunnen vergaan.
Mijn tweede betreurde is Clive Dunn. Voor mij is hij verbonden met de comedyserie Dad’s Army. Daarin speelt hij met zoveel panache een van de oudsten dat hij, natuurlijk, een van de jongste acteurs is geweest (heden leeft louter private Pike nog). Hij blijkt uit dat type eveneens winst te hebben gepeurd als zelfstandige. Zijn hit ‘Grandad’ uit 1971 werd bedacht door Herbie Flowers, bassist op Lou Reeds weinig later verschenen Transformer. Op die elpee arrangeerde Flowers het oubollige ‘Goodnight Ladies’ en speelde er tuba op, een fremdkörper dat met de kennis van Dunns hit, voor mij na vier decennia, alsnog begrijpelijk wordt.
Wie zelden of nooit Dad’s Army heeft gezien, kent mogelijk toch twee zinnetjes die door Dunn in zijn rol van korporaal werden uitgesproken: ‘Permission to speak, sir’ en ‘Don’t panic’. Beide zijn performatieve boemerangs. Het laatste zinnetje bezigt de korporaal tegen ondergeschikten en heeft het tegenovergestelde effect, en met het eerste eist hij aan hoger geplaatsen iets op wat het zojuist had geannexeerd. Ik lees nu dat Dunn een overtuigd socialist was en zijn captain Mainwairing in werkelijkheid een conservatief.
De serie is in die zin Engels dat er standsverschil wordt uitgespeeld. Het is de sergeant die de klasse bezit (met bijbehorend succes bij vrouwen, inclusief zweem dat private Pike zijn kind is). Dad’s Army blijft waarschijnlijk herkenbaar, omdat de hoogste in rang alleen formeel de baas is. Hij bekrachtigt besluiten die anderen, al dan niet brutaal, genomen hebben. Soms lijkt het zelfs of Mainwairing pas als laatste de regie krijgt. Uitgerekend hij moet zich het meest aanpassen aan de omstandigheden, en vanuit deze basis, gevoegd bij zijn achterafpraatjes dat alles gepland zou zijn, werkt het effect van deze reeks. Het kan evengoed tragisch heten. Zo toont het zich althans, oneindig subtieler, in de Deense prachtserie Borgen, momenteel op de Vlaamse televisie, waarin een premier, die wel zelfkritiek heeft, zich hoofdzakelijk bezighoudt met het ruimen van puin dat door voorgangers, collega’s en journalisten wordt geschapen.
Dit gegeven vreet aan de autonomie en wordt saillanter met de discussie over de vrije wil, die door hersenonderzoek is herontbrand. Het schijnt business as usual dat mensen fabuleren om andermans gedrag en oordeel tot dat van zichzelf te maken. Dat kunnen Obama – voor zover hij dat al niet ervaren had door de republikeinse meerderheid in het Huis van Afgevaardigden – en de partijbonzen te China alvast in hun zak steken!
Nu ik het er toch over heb. Dezer dagen stond de omgeving in het teken van Sinte Metten of Maarten, zoals hij in Nederland heet. Voor diens glorie zingen kinderen aan de deur, in ruil voor zoetigheden die zich volgens het oorspronkelijke lied, nog door Wannes van de Velde gezongen, beperken tot een appel of een peer. Of een koek of een pastilleke, dat in dit zorgstelsel van chocola is. Gisteren heb ik een Sinte-Metten-avondoptocht gezien. Zacht gezang en lampiongeflakker langs deuren. Soms gingen ze open, vaker bleven alle rolluiken dicht.
Vandaag was het een rare dag.
Ondertussen hebben in mijn geboorteland, ver weg binnenkort, de verse regeringsbazen in zichzelf de captain Mainwairing ontwaard. Doordat ze de zorgpremie inkomensafhankelijk wilden maken, begon niet alleen de onvermijdelijke Hans Wiegel te roepen dat dit ‘nivellerender dan Den Uyl’ is, maar haakten vele VVD-stemmers af. Het is me niet ontgaan dat door de melkkoe van de kenniseconomie het klassenonderscheid van Dad’s Army vervaagde en dat overal ter wereld de middenklasse de klos is en wellicht heb ik de laatste tijd te veel teksten gelezen waarin ondernemers klagen over hoge kosten en waarin ‘overleg met sociale partners’ wordt geëist omdat de banenmarkt ‘rigide’ is en ‘flexibeler’ moet voor ‘de concurrentiekracht’ – maar ik word langzamerhand moe van vingers die bij het geringste plan dat in de ether komt op de eigen knip gaan.
Ditmaal sputterden inkomens vanaf tweemaal modaal: zo’n 66.000 euro of hoger dus… Mij is onbekend wat Sint Maarten opstreek in de tijd dat hij zijn overjas doormidden hieuw voor een blote bedelaar, maar tegen nivelleren maakte hij in elk geval niet bij voorbaat bezwaar. Sterker, volgens een voornaamgenoot was hij schrieperig geweest: ‘Aan u naaste in nood / Gaaft gij een helft, geen ganschen mantel.’
Maar misschien had de bisschop in de vierde eeuw na Christus nog niet uit de vakliteratuur begrepen dat zijn daad een geïnternaliseerd voorschrift van een Derde was. In hoeverre kan Die zich eigenlijk vrijwaren van invloed? Ondermaans waagt de naar verluidt machtigste man ter wereld niet verder te kijken dan ‘four more years’. En elders?
zondag 4 november 2012
Something to be sure
Nu de Vlaamse Boekenbeurs bezig is, kun je er vergif op innemen dat hoon uitgaat naar successchrijvende televisiekoks. Je kunt je echter afvragen hoeveel procent van de literaire populatie de spirit heeft om aan het bestaande meer toe te voegen dan designconformisme. Een mespuntje respect lijkt op zijn plaats. Ik meld me voor vergelijkend warenonderzoek. Helaas, in tijden van het Noord-Nederlandse regeerakkoord biedt mijn voornaam zelfs foutief gespeld louter een platform voor guillotinaire toestanden. Een ander voorbeeld kan gelukkig volstaan: zelfs in de beste families, weet ik toevallig, verwijst de zonder blikken of blozen over tafel gaande ‘Jeroen’ niet naar Brouwers noch naar Mettes noch naar Olyslaegers.
Dat mijn bijnavoornaamgenoot in het defensief zit, komt natuurlijk door mogelijke gevolgen van het regeerakkoord, getiteld Bruggen slaan. Uiteindelijk lijkt voor stemmers de portemonnee nog meer een graadmeter dan een krantenkop. Dat onder de bevolking spijt afgetast wordt voor steun aan een partij terwijl de formatie nog aan de gang is, en dat de officiële opiniepeiler op ditzelfde item doorgaat na het regeerakkoord, dus nog altijd voordat het kabinet is begonnen, vind ik nogal luguber. Wel amusant dunkt me dat amice Bolkestein de term ‘linkse broeders’ al uit de mottenballen gehaald heeft.
Het zijn feestelijke, maar prangende tijden. In het banenbijvoegsel bij de weekendkrant vertelde een columnist dat het dermate rustig was op zijn werk dat hij het koffiezetapparaat niet had aangesproken en uit een Senseo had genomen – voor consumptie moest alleen het schuimslib nog weggeschept. De index van het bijvoegsel die normaal een dubbele, meerkolommige pagina nodig heeft voor een overzicht van de vacatures, was deze week zelfs met grotere regelafstand miniem, omdat er vier (4) banen te besolliciteren waren.
Een reden te meer dat literaire auteurs als bekendheden meedoen aan vakantieprogramma’s, zelfs in de zuurste lucratieve worsten happen die hun voorgehouden worden, en dat televisiekoks boeken zijn gaan publiceren: iedereen kent het recept van een appeltje voor de dorst. Of zou het publiek niet capabel zijn om werkelijkheidniveaus te onderscheiden? Vanmorgen speelde het taalkundig genie poppenkast met haar handdieren achter de stoel van de gourmande die ademloos toekeek totdat de draak de rugspijlen begon aan te vreten.
Wel heb ik inmiddels een aantal afleveringen van Dagelijkse kost gezien en steevast refereerde ‘Jeroen’ aan gewoontes van zijn ‘grootmoeder’. Is over literair auteur Willem Wilmink, die zich positioneerde als gewone man, beweerd dat hij op basis van zijn verhalen een grote familie moet hebben, bij ‘Jeroen’ heb ik het vermoeden dat hij het grootste aantal grootmoeders van de hele wereld heeft. Dit bezit kan renderen. Mij bleek de afgelopen jaren uit de koffiebranche dat alles wat met oma’s te maken heeft staat voor betrouwbare kwaliteit en authenticiteit. Hoewel mij is verteld dat de mijne zich vooral bezighielden met kwijnen, moeten grootmoeders uitzonderlijk druk en bekwaam zijn geweest. Ook op culinair vlak. En ik beken, in mijn bezit zijn meerdere recepten van hachee en hangop, maar op het moment suprême zoek ik altijd mijn heil bij Grootmoeders grote keukenboek. Nostalgische recepten en praktische tips.
Waren grootmoeders ook beter in taal? Theoretisch gezien konden ze in dat geval helderder denken. Ik ben retrospectief benieuwd wat ze zouden vinden van de openingszin van Bruggen slaan: ‘VVD en PvdA delen een onverwoestbaar geloof in de toekomst, een rotsvast vertrouwen in wat Nederlanders samen voor elkaar kunnen krijgen en de diepe overtuiging dat ons land de komende jaren een stabiel en daadkrachtig kabinet nodig heeft om hiervoor kracht en energie vrij te maken.’ De vetjes heb ik zelf toegevoegd, ter overweging, gesteld dat een agent het regeerakkoord aanbiedt bij een literaire uitgeverij. Ik acht dat denkbaar vanwege de personificatie in de titel, die duidelijk de tweede regel wil vervangen van het extreemlinkse canongedicht dat begint met ‘Rozen verwelken’.
Het zal deze ambitie zijn die de bepaling in het regeerakkoord heeft veroorzaakt waardoor immigranten, willen ze in aanmerking komen voor een uitkering, het Nederlands moeten beheersen. Aan die eis kleeft wel nog een technisch bezwaartje, plus wat ideologisch basaals. Maar daarna zijn we allemaal familie, waarschijnlijk met muziek en zonder poespas.
Door Beertje Pippeloentje had ik ontdekt dat het taalkundig genie het woord ‘visite’ nog niet kende.
Mijn respect voor televisiekoks is ondertussen aangezwollen. Een gemarineerde rodekool van 'Jeroen', of van één van zijn grootmoeders, liet zich uitstekend combineren met falafel in een pitabrood, zodat de schijnbaar oer-Vlaamse keuken een mediterraan tintje kreeg waarbij het spreken van Nederland en Nederlands doofde.
Uiteraard kan ik het me als zelfverklaard kritisch schrijver niet permitteren me slechts inlands te laten inspireren.
Toen ik onlangs op een pompoen bij uitzondering niet ‘het recept van Jamie’ losliet, wiens roostervariant in die zin very cunning is dat er niet voor hoeft te worden geschild, merkte ik bij een andere, niet eens volledig geslaagde bereidingstip dat, terwijl schillen normaal mijn raison d’etre is, bij deze polyvalente vrucht ontspanning een serieuze en imperfecte inspanning kan worden.
Is daarom ook mijn ontzag gegroeid voor de Amerikanen? Ik bedoel, wat die deze weken zonder taalbarrières, too big to fail, ter gelegenheid van Halloween aan pompoensnijwerk in Europa hebben weten te introduceren, grenst aan het onwaarschijnlijke. Nog even, en ik word echt bang geen mening te hebben.
Update
De cascade van bijvoeglijke naamwoorden in Bruggen bouwen blijkt door formateur Bos al te zijn ingedamd, vergeleken met Samsoms origineel – eat your pie!
Dat mijn bijnavoornaamgenoot in het defensief zit, komt natuurlijk door mogelijke gevolgen van het regeerakkoord, getiteld Bruggen slaan. Uiteindelijk lijkt voor stemmers de portemonnee nog meer een graadmeter dan een krantenkop. Dat onder de bevolking spijt afgetast wordt voor steun aan een partij terwijl de formatie nog aan de gang is, en dat de officiële opiniepeiler op ditzelfde item doorgaat na het regeerakkoord, dus nog altijd voordat het kabinet is begonnen, vind ik nogal luguber. Wel amusant dunkt me dat amice Bolkestein de term ‘linkse broeders’ al uit de mottenballen gehaald heeft.
Het zijn feestelijke, maar prangende tijden. In het banenbijvoegsel bij de weekendkrant vertelde een columnist dat het dermate rustig was op zijn werk dat hij het koffiezetapparaat niet had aangesproken en uit een Senseo had genomen – voor consumptie moest alleen het schuimslib nog weggeschept. De index van het bijvoegsel die normaal een dubbele, meerkolommige pagina nodig heeft voor een overzicht van de vacatures, was deze week zelfs met grotere regelafstand miniem, omdat er vier (4) banen te besolliciteren waren.
Een reden te meer dat literaire auteurs als bekendheden meedoen aan vakantieprogramma’s, zelfs in de zuurste lucratieve worsten happen die hun voorgehouden worden, en dat televisiekoks boeken zijn gaan publiceren: iedereen kent het recept van een appeltje voor de dorst. Of zou het publiek niet capabel zijn om werkelijkheidniveaus te onderscheiden? Vanmorgen speelde het taalkundig genie poppenkast met haar handdieren achter de stoel van de gourmande die ademloos toekeek totdat de draak de rugspijlen begon aan te vreten.
Wel heb ik inmiddels een aantal afleveringen van Dagelijkse kost gezien en steevast refereerde ‘Jeroen’ aan gewoontes van zijn ‘grootmoeder’. Is over literair auteur Willem Wilmink, die zich positioneerde als gewone man, beweerd dat hij op basis van zijn verhalen een grote familie moet hebben, bij ‘Jeroen’ heb ik het vermoeden dat hij het grootste aantal grootmoeders van de hele wereld heeft. Dit bezit kan renderen. Mij bleek de afgelopen jaren uit de koffiebranche dat alles wat met oma’s te maken heeft staat voor betrouwbare kwaliteit en authenticiteit. Hoewel mij is verteld dat de mijne zich vooral bezighielden met kwijnen, moeten grootmoeders uitzonderlijk druk en bekwaam zijn geweest. Ook op culinair vlak. En ik beken, in mijn bezit zijn meerdere recepten van hachee en hangop, maar op het moment suprême zoek ik altijd mijn heil bij Grootmoeders grote keukenboek. Nostalgische recepten en praktische tips.
Waren grootmoeders ook beter in taal? Theoretisch gezien konden ze in dat geval helderder denken. Ik ben retrospectief benieuwd wat ze zouden vinden van de openingszin van Bruggen slaan: ‘VVD en PvdA delen een onverwoestbaar geloof in de toekomst, een rotsvast vertrouwen in wat Nederlanders samen voor elkaar kunnen krijgen en de diepe overtuiging dat ons land de komende jaren een stabiel en daadkrachtig kabinet nodig heeft om hiervoor kracht en energie vrij te maken.’ De vetjes heb ik zelf toegevoegd, ter overweging, gesteld dat een agent het regeerakkoord aanbiedt bij een literaire uitgeverij. Ik acht dat denkbaar vanwege de personificatie in de titel, die duidelijk de tweede regel wil vervangen van het extreemlinkse canongedicht dat begint met ‘Rozen verwelken’.
Het zal deze ambitie zijn die de bepaling in het regeerakkoord heeft veroorzaakt waardoor immigranten, willen ze in aanmerking komen voor een uitkering, het Nederlands moeten beheersen. Aan die eis kleeft wel nog een technisch bezwaartje, plus wat ideologisch basaals. Maar daarna zijn we allemaal familie, waarschijnlijk met muziek en zonder poespas.
Door Beertje Pippeloentje had ik ontdekt dat het taalkundig genie het woord ‘visite’ nog niet kende.
Mijn respect voor televisiekoks is ondertussen aangezwollen. Een gemarineerde rodekool van 'Jeroen', of van één van zijn grootmoeders, liet zich uitstekend combineren met falafel in een pitabrood, zodat de schijnbaar oer-Vlaamse keuken een mediterraan tintje kreeg waarbij het spreken van Nederland en Nederlands doofde.
Uiteraard kan ik het me als zelfverklaard kritisch schrijver niet permitteren me slechts inlands te laten inspireren.
Toen ik onlangs op een pompoen bij uitzondering niet ‘het recept van Jamie’ losliet, wiens roostervariant in die zin very cunning is dat er niet voor hoeft te worden geschild, merkte ik bij een andere, niet eens volledig geslaagde bereidingstip dat, terwijl schillen normaal mijn raison d’etre is, bij deze polyvalente vrucht ontspanning een serieuze en imperfecte inspanning kan worden.
Is daarom ook mijn ontzag gegroeid voor de Amerikanen? Ik bedoel, wat die deze weken zonder taalbarrières, too big to fail, ter gelegenheid van Halloween aan pompoensnijwerk in Europa hebben weten te introduceren, grenst aan het onwaarschijnlijke. Nog even, en ik word echt bang geen mening te hebben.
Update
De cascade van bijvoeglijke naamwoorden in Bruggen bouwen blijkt door formateur Bos al te zijn ingedamd, vergeleken met Samsoms origineel – eat your pie!
zondag 28 oktober 2012
Verraad
Over de Spaans-Catalaanse dichter Joan Margarit heb ik elders al eens geprobeerd op mijn manier kritisch te wezen, maar vergat daarbij de fundering (van mijn elixer). Een bundel gewijd aan het overlijden van zijn dochter Joana, schreef ik, gaat wel sterk over hem zelf. Is dat eigenlijk een zonde?
Spannend vond ik het toch worden aan het slot, als Margarit bekent niet altijd meer aan haar te denken. Ietsje minder, leek me zo, dat hij daarvoor vergeving vraagt. Een andere bundel meldt, wellicht ten overvloede, dat verraad een vorm van liefde is.
Het verhaal van het vergeten moet uitverteld. Margarit, of zijn lyrische ik, heeft zijn besef ’s morgens vroeg en gaat dan koffiezetten. Waarna zijn vrouw uit de slaapkamer komt en, nogal onmisbaar, zegt dat het lekker ruikt.
Een omkering van een van de beroemdste gedichten uit de Nederlandse literatuur, ‘Impasse’ door M. Nijhoff. Daar mag de vrouw dan wel eveneens het laatste woord hebben, zij is er ook degene koffiezet voor hem, die verlegen zit om stof.
Maar onderwerpen hebben de Margarits genoeg. Bij benadering ongeveer evenveel als het aantal zekerheden over het aards bestaan, waarover Epicurus zich eens heeft uitgelaten, bijna net zo schrander als zijn collega Haas in een boek van de immer melancholieke – en uiterlijk sterk op zijn schepper lijkende – Kikker, ten overstaan van een onbeweeglijk vogeltje:
‘Iedereen gaat dood.’
‘Wij ook?’ vroeg Kikker verbaasd.
Dat wist Haas niet zeker.
‘Als we oud zijn misschien.’
Overigens zag ik laatst in de stad een gemeentewerker met een nieuwe schoonmaakmachine inclusief grote slurf een regenplas wegzuigen.
Spannend vond ik het toch worden aan het slot, als Margarit bekent niet altijd meer aan haar te denken. Ietsje minder, leek me zo, dat hij daarvoor vergeving vraagt. Een andere bundel meldt, wellicht ten overvloede, dat verraad een vorm van liefde is.
Het verhaal van het vergeten moet uitverteld. Margarit, of zijn lyrische ik, heeft zijn besef ’s morgens vroeg en gaat dan koffiezetten. Waarna zijn vrouw uit de slaapkamer komt en, nogal onmisbaar, zegt dat het lekker ruikt.
Een omkering van een van de beroemdste gedichten uit de Nederlandse literatuur, ‘Impasse’ door M. Nijhoff. Daar mag de vrouw dan wel eveneens het laatste woord hebben, zij is er ook degene koffiezet voor hem, die verlegen zit om stof.
Maar onderwerpen hebben de Margarits genoeg. Bij benadering ongeveer evenveel als het aantal zekerheden over het aards bestaan, waarover Epicurus zich eens heeft uitgelaten, bijna net zo schrander als zijn collega Haas in een boek van de immer melancholieke – en uiterlijk sterk op zijn schepper lijkende – Kikker, ten overstaan van een onbeweeglijk vogeltje:
‘Iedereen gaat dood.’
‘Wij ook?’ vroeg Kikker verbaasd.
Dat wist Haas niet zeker.
‘Als we oud zijn misschien.’
Overigens zag ik laatst in de stad een gemeentewerker met een nieuwe schoonmaakmachine inclusief grote slurf een regenplas wegzuigen.
zondag 21 oktober 2012
Vrij
Is het een sign of the times dat er in Antwerpen een rouwstoet is geweest voor zeventig jaar socialistisch beleid, of dat aan dat publiek vertoon, nadat er Project X-gelijk een oproep op Facebook over was uitgegaan, zestig deelnemers waren of dat reacties op dat aantal smaalden?
Mij interesseert het dat definities kunnen worden opgerekt, maar ook aan de postideologische rekbaarheid van ‘socialisme’ komt een eind. Maar wat is dat voor een woord?! Ik was het juist eens geworden met Alain Badiou die in een Affirmationistisch Manifest voor het einde van de eindes is, en voor het maken van een begin. Misschien is het aardiger te kijken naar het doel van de onderneming, zodat er evengoed liberalisme bij betrokken kan worden: vrijheid.
Op dat idee ben ik mede gekomen door een particulier initiatief. Mijn dames wou ik namelijk zo vroeg mogelijk lijfliederen geven voor een onderdak. Na enig heen-en-weer-getest werd het bij het taalkundig genie ‘Mijn tante heeft een olifant’ van Jan Blaaser en bij de gourmande de tune van Swiebertje. Dat laatste nummer is nogal bijzonder.
Zoals bekend heeft Jan Kuitenbouwer een link gelegd tussen de serie en het gedachtegoed van Wilders, maar ik vind het fijner iets concreets bij de hand te hebben. Welnu, op tekst van Johan uit den Boogaard en muziek van Harry de Groot zong Joop Doderer samen met kinderkoor De Damrakkertjes het volgende:
Daar komt Swiebertje
Rare Swiebertje
Onze Swieber met zijn ingedeukte hoed
Daar komt Swiebertje
Rare Swiebertje
Onze Swieber die steeds malle dingen doet
Hij leidt een vrolijk leven
Hij luistert nooit naar raad
Om zijn brutale grappen
Maakt Bromsnor zich vaak kwaad
Daar komt Swiebertje
Rare Swiebertje
Onze Swieber met zijn uitgestreken snoet
(…)
“Ik hou van lekker eten
Dus ga ik vaak naar Saar
Kom ik daar op visite
Nou, dan staat de taart al klaar”
Dat zegt Swiebertje
Rare Swiebertje
(…)
“Ik hou van lekker slapen
Liefst in een berg hooi
Daar leg je lekker warm en
Daar droom je toch zo mooi”
Dat zegt Swiebertje
(…)
“Ik hou veel van mijn vrijheid
Die raak ik niet graag kwijt
Maar één man die bedreigt me
Dat is Bromsnor zogezeid”
(…)
Vrijheid staat hier diametraal op gezag, zodat de titelzwerver en de veldwachter Bromsnor antipoden worden. Iedereen die wat van de serie heeft gezien, weet echter dat het conflict altijd binnen de grenzen van de gemoedelijkheid blijft. Ook zijn de wensen of dromen van Swiebertje weinig radicaal, veeleer basaal. De term ‘mal’ leeft voort in een ongevaarlijk soort amusement en humor van spelletjesprogramma’s.
Swiebertjes bescheiden vrijheidsdrang valt te dateren op beginjaren zestig, terwijl de fameuze jongerenprotesten uit dat decennium mogelijk blinken in een citaat van Kris Kristofferson dat door Janis Joplin postume verbreiding kreeg: ‘Freedom’s just another word for nothing left to lose’. Het tegenwicht van gezag is dan aanzienlijk uitgebreid, beperkt zich amper nog. Persoonlijke en culturele verledens mogen worden afgeschud voor het genot van de vrijheid in een permanent heden.
Met terugwerkende kracht krijgt het woord ‘ballast’, dat Herman Brood geregeld gebruikte, een programmatische betekenis. Een volstrekt andere invulling daarvan – en dus ook van het concept vrijheid – zag ik afgelopen zomer, op de wellicht warmste dag van het jaar, fietsend in the middle of nowhere langs een Vlaams kanaal. Daar marcheerden in het tenue van een jeugdbeweging lagere scholieren, begeleid door twee pubers. Ze droegen een volle bepakking onder de brandende zon, wat het toch al niet korte kanaal onafzienbaar maakte. De kleinste van het stel, nog geen tien, liep voorop met een vaandel.
Als Nederlander beleefde ik de dooddoener dat tolerantie verdwenen is in angst om ergens wat van te vinden. Dus fietste ik door, met mijn kinderen, narationaliserend over een marge van onduidelijkheid hoe principieel principes zijn. Onloochenbaar is dat ik aan het kanaal vrijheid negatief zag ontspringen: in banden van een voorgeformuleerde gemeenschap.
Hier moet ik verder over denken, omdat duidelijk is dat er makkelijke reflexen opspelen. Dat weet ik ook als immigrant, die in de Lage Landen de onhoudbaarheid van zekerheden over de achterhaaldheid van nationale verschillen ondervond. En die met een gezin, hoe klein ook, evengoed een gemeenschap vormt. ‘Men deelde met elkaar wat er was: het deelbare en het ondeelbare’, schrijft Pol Hoste in 99 (help, een boek dat niet overbodig is).
In de tussentijd teer ik op Le gamin au vélo van Jean-Pierre en Luc Dardenne, een van de mooiste films die ik in jaren heb gezien, al was het op dvd. Het verhaal draait om een jongetje dat er alles voor over heeft om bij zijn vader te zijn, waartegenover een nobele onbekende kapster een bijna onmenselijk goedheid vertoont om bij de jongen te zijn. Vrijheid schuilt in een verlangen naar een minigemeenschap.
Twee scènes heugen: een waarin de onverschillige vader, aan wie het jongetje steeds toevoegt dat hij hem niets kwalijk neemt, hem met twee pollepels laat roeren in sauspannen, en een waarin het jongetje dermate teleurgesteld is over hem dat hij in de kapsalon telkens de kraan van een wasbekken opendraait en de irritatie, ook bij de goede fee, aanzwelt.
De kijker heeft sensaties voorbij de identificatie met personages, richting solidariteit.
In een begeleidende documentaire lichtten de gebroeders Dardenne enige keeldichtknijpende scènes toe. Zij deden dit uiteraard door toelichtingen op camerabeweging en kadrering en stippen jakobsoniaanse equivalenties in het scenario aan.
Aan het slot is het jongetje, getroffen door een steen van een rancuneus slachtoffer, uit een boom gevallen en ligt voor dood op aarde. Dan staat hij op, negeert omstanders en pakt een zak houtskool onder de arm, hijst zijn fiets recht en rijdt in een lange boog de linkerhoek van de camera uit. Die boog gaf mij de indruk van optimisme – dat alle, tot dan toe schier onontkoombare, ellende valt te reguleren. Een événement zoals Badiou zich voorstelt als katalysator van een waarheidsproces?
Mij interesseert het dat definities kunnen worden opgerekt, maar ook aan de postideologische rekbaarheid van ‘socialisme’ komt een eind. Maar wat is dat voor een woord?! Ik was het juist eens geworden met Alain Badiou die in een Affirmationistisch Manifest voor het einde van de eindes is, en voor het maken van een begin. Misschien is het aardiger te kijken naar het doel van de onderneming, zodat er evengoed liberalisme bij betrokken kan worden: vrijheid.
Op dat idee ben ik mede gekomen door een particulier initiatief. Mijn dames wou ik namelijk zo vroeg mogelijk lijfliederen geven voor een onderdak. Na enig heen-en-weer-getest werd het bij het taalkundig genie ‘Mijn tante heeft een olifant’ van Jan Blaaser en bij de gourmande de tune van Swiebertje. Dat laatste nummer is nogal bijzonder.
Zoals bekend heeft Jan Kuitenbouwer een link gelegd tussen de serie en het gedachtegoed van Wilders, maar ik vind het fijner iets concreets bij de hand te hebben. Welnu, op tekst van Johan uit den Boogaard en muziek van Harry de Groot zong Joop Doderer samen met kinderkoor De Damrakkertjes het volgende:
Daar komt Swiebertje
Rare Swiebertje
Onze Swieber met zijn ingedeukte hoed
Daar komt Swiebertje
Rare Swiebertje
Onze Swieber die steeds malle dingen doet
Hij leidt een vrolijk leven
Hij luistert nooit naar raad
Om zijn brutale grappen
Maakt Bromsnor zich vaak kwaad
Daar komt Swiebertje
Rare Swiebertje
Onze Swieber met zijn uitgestreken snoet
(…)
“Ik hou van lekker eten
Dus ga ik vaak naar Saar
Kom ik daar op visite
Nou, dan staat de taart al klaar”
Dat zegt Swiebertje
Rare Swiebertje
(…)
“Ik hou van lekker slapen
Liefst in een berg hooi
Daar leg je lekker warm en
Daar droom je toch zo mooi”
Dat zegt Swiebertje
(…)
“Ik hou veel van mijn vrijheid
Die raak ik niet graag kwijt
Maar één man die bedreigt me
Dat is Bromsnor zogezeid”
(…)
Vrijheid staat hier diametraal op gezag, zodat de titelzwerver en de veldwachter Bromsnor antipoden worden. Iedereen die wat van de serie heeft gezien, weet echter dat het conflict altijd binnen de grenzen van de gemoedelijkheid blijft. Ook zijn de wensen of dromen van Swiebertje weinig radicaal, veeleer basaal. De term ‘mal’ leeft voort in een ongevaarlijk soort amusement en humor van spelletjesprogramma’s.
Swiebertjes bescheiden vrijheidsdrang valt te dateren op beginjaren zestig, terwijl de fameuze jongerenprotesten uit dat decennium mogelijk blinken in een citaat van Kris Kristofferson dat door Janis Joplin postume verbreiding kreeg: ‘Freedom’s just another word for nothing left to lose’. Het tegenwicht van gezag is dan aanzienlijk uitgebreid, beperkt zich amper nog. Persoonlijke en culturele verledens mogen worden afgeschud voor het genot van de vrijheid in een permanent heden.
Met terugwerkende kracht krijgt het woord ‘ballast’, dat Herman Brood geregeld gebruikte, een programmatische betekenis. Een volstrekt andere invulling daarvan – en dus ook van het concept vrijheid – zag ik afgelopen zomer, op de wellicht warmste dag van het jaar, fietsend in the middle of nowhere langs een Vlaams kanaal. Daar marcheerden in het tenue van een jeugdbeweging lagere scholieren, begeleid door twee pubers. Ze droegen een volle bepakking onder de brandende zon, wat het toch al niet korte kanaal onafzienbaar maakte. De kleinste van het stel, nog geen tien, liep voorop met een vaandel.
Als Nederlander beleefde ik de dooddoener dat tolerantie verdwenen is in angst om ergens wat van te vinden. Dus fietste ik door, met mijn kinderen, narationaliserend over een marge van onduidelijkheid hoe principieel principes zijn. Onloochenbaar is dat ik aan het kanaal vrijheid negatief zag ontspringen: in banden van een voorgeformuleerde gemeenschap.
Hier moet ik verder over denken, omdat duidelijk is dat er makkelijke reflexen opspelen. Dat weet ik ook als immigrant, die in de Lage Landen de onhoudbaarheid van zekerheden over de achterhaaldheid van nationale verschillen ondervond. En die met een gezin, hoe klein ook, evengoed een gemeenschap vormt. ‘Men deelde met elkaar wat er was: het deelbare en het ondeelbare’, schrijft Pol Hoste in 99 (help, een boek dat niet overbodig is).
In de tussentijd teer ik op Le gamin au vélo van Jean-Pierre en Luc Dardenne, een van de mooiste films die ik in jaren heb gezien, al was het op dvd. Het verhaal draait om een jongetje dat er alles voor over heeft om bij zijn vader te zijn, waartegenover een nobele onbekende kapster een bijna onmenselijk goedheid vertoont om bij de jongen te zijn. Vrijheid schuilt in een verlangen naar een minigemeenschap.
Twee scènes heugen: een waarin de onverschillige vader, aan wie het jongetje steeds toevoegt dat hij hem niets kwalijk neemt, hem met twee pollepels laat roeren in sauspannen, en een waarin het jongetje dermate teleurgesteld is over hem dat hij in de kapsalon telkens de kraan van een wasbekken opendraait en de irritatie, ook bij de goede fee, aanzwelt.
De kijker heeft sensaties voorbij de identificatie met personages, richting solidariteit.
In een begeleidende documentaire lichtten de gebroeders Dardenne enige keeldichtknijpende scènes toe. Zij deden dit uiteraard door toelichtingen op camerabeweging en kadrering en stippen jakobsoniaanse equivalenties in het scenario aan.
Aan het slot is het jongetje, getroffen door een steen van een rancuneus slachtoffer, uit een boom gevallen en ligt voor dood op aarde. Dan staat hij op, negeert omstanders en pakt een zak houtskool onder de arm, hijst zijn fiets recht en rijdt in een lange boog de linkerhoek van de camera uit. Die boog gaf mij de indruk van optimisme – dat alle, tot dan toe schier onontkoombare, ellende valt te reguleren. Een événement zoals Badiou zich voorstelt als katalysator van een waarheidsproces?
zaterdag 13 oktober 2012
Things don’t seem the same
De affaire-Armstrong werpt evengoed een licht over Bart De Wever. Afgelopen zomer hield de berichtgeving niet op over zijn dieet, en thans, in het laatste rechte eind naar de finish van de verkiezingen, blijkt dat N-VA staat voor Nieuw Vlaams Aspartaam. Om de voorsprong van de peilingen te behouden graait de man onbeschaamd uit suikervervangers.
Geef hem eens ongelijk. Getuige de televisiefictiereeks Deadline 14/10 over de verkiezingen in Antwerpen spannen pers, politiek en politie permanent samen. Etappewinst voor de ‘korte lijntjes’? De slotaflevering ruimde een open einde in voor de hoofdpersoon, een journaliste, a poor lonely cowgirl far away from home (Gent). Ze wist oprecht niet wat ze zou gaan doen in de toekomst, nadat ze de waarheid had onthuld. In plaats van foefelen wil de N-VA de hele koers nu herstructureren, wat tot uiting komt in de slogan De kracht van de verandering – het blijft wennen aan de verhuis van linkse eigenschappen.
Nu wil ik niet suggereren dat Canderel en EPO één pot nat zijn, maar toevallig heb ik deze week onder meer zitten lezen in Pleidooi tegen volmaaktheid van Michael J. Sandel. In dit boek over ethische marges bij gentechnologie gaat de aandacht meer naar de betrekkelijkheid van verschillen. De filosoof uit Harvard zegt inzake sport droog dat iedere atleet zijn erfelijk materiaal met zich meedraagt en de strijd altijd ongelijk is geweest.
Ook roept Sandel het momentum op dat atleten gymschoenen kregen en daarmee een onachterhaalbare voorsprong namen op alle voorafgaande ongeschoeide generaties. Hij memoreert de film Chariots of Fire, gesitueerd in het Engeland van de jaren twintig. Daar pleegden atleten al verraad aan de geest van de amateursport indien ze een coach hadden. Omdat de mening van bestuurders van de Universiteit van Cambridge er telde, kwam tevens een sociaaleconomische component bloot.
Nog immer kan niet iedereen zich gymschoenen permitteren, in wat voor een meer of minder gesofisticeerde uitvoering ook. En doping? Sandel vertelt over Amerikaanse farmaceutische firma’s die werken aan ‘cognitieverbeteraars’, waarmee eveneens natuurlijk geheugenverlies kan worden tegengegaan. Voor die innovatie bestaat een commercieel aantrekkelijke groep van babyboomers, die het ‘Viagra van de hersenen’ zonder een al te grote aanslag op hun budget kunnen inkopen.
Klassentegenstellingen kunnen vervolgens groeien, redeneert Sandel, doordat volgende bevoorrechte generaties ook toegang hebben tot deze middelen. Dan zouden er verbeterde en natuurlijke ondersoorten van de mens ontstaan. Het is fascinerend zulke argumentaties te volgen. En bijvoorbeeld te beseffen een sukkel te zijn als ouder, die zijn kinderen niet tot op de tanden bewapend aan de poort van de arbeidsmarkt brengt. Anekdotes van Sandel over bedragen die worden neergeteld voor testvoorbereidingen van kinderen op prestigieuze universiteiten, het liefst na ‘diagnose-shoppen’ voorzien van een gecertificeerde leerstoornis zodat ze bij de ultieme toelatingstest meer tijd krijgen…!
Kan het dopingschandaal dus worden gebagatelliseerd? Zeker niet. Maar juist in deze weken van de verkiezingen waarin reclamebudgetten wel degelijk een rol spelen, in deze weken van ontgroeningen ook waarbij studenten van elitaire clubs hun investering de stoepen met hun kots te schrobben hopen terug te krijgen, begin ik te snakken naar berichten van mensen die niet plots ‘schoon schip willen maken’, of die het niet ‘eigenlijk al altijd hadden geweten’, en niet naar programma’s die zulke uitingen op de snijplank van het achterafdebat leggen.
Zelfs met het honderdvoudige van Armstrongs EPO in mijn aderen kan ik nog niet de staart van het peloton bijhouden.
In het voorbijgaan dist Michael J. Sandel overigens interessante feiten op. Dat India een land is waar veel gebruikt wordt gemaakt van echo’s waarop het geslacht van baby’s in de dop zichtbaar wordt (en waarna meisjes vaak de sigaar zijn). En dat Mitt Romney bij het door Bush jr. gevetode stamcelonderzoek vond dat het mocht met embryo’s die overblijven van vruchtbaarheidsbehandelingen, maar niet met embryo’s die specifiek voor onderzoek zijn aangemaakt.
Sandel bepleit terughoudendheid, om te vermijden dat technologie en commercie gaan instrumentaliseren. Hij is dan weer niet bang voor het befaamde hellend vlak, waardoor steeds minder goed te definiëren valt wat acceptabel is of niet, al was het omdat een precedent zo is geschapen. Hierin ben ik minder optimistisch. Ik ben dan ook geen denker maar een zware taalgebruiker, die vastgelegde afspraken door curieuze interpretaties in rook kan zien opgaan.
Maakt dat bij mij professioneel ongekende krachten los door een bijwijlen tamelijk obstinaat perfectionisme, Sandel noemde zijn boek niet voor niets The Case against Perfection. Voor het leven koestert hij een blij soort verering, waarbij zijn niet-aflatende respect voor van alles en nog wat mij soms een beetje vermoeit. Betrekkelijkheid en nuances hebben ook weer geen alleenrecht, vind ik. Al was het simpelweg omdat er soms gekozen moet worden.
Toegegeven, dat laatste is precies wat Lance Armstrong ergens in zijn carrière gedaan heeft. Vervolgens heeft hij, in een heel spectrum tussen intimidatie en bevoorrechting, verbluffend veel mensen met zich mee weten te krijgen. Mij intrigeert de illusie die bij hem en de kringen eromheen ontstaan is, onkwetsbaar te zijn. Een aansprekend detail dunkt me wat ik op mijn beurt de Purple Haze-affaire noem. Even ter herinnering het eerste couplet van Jimi Hendrix’ origineel:
Purple haze all in my brain
Lately things don’t seem the same
Actin’ funny, but I don't know why
’Scuse me while I kiss the sky
Misschien had ik gewaarschuwd kunnen zijn door Sandel, volgens wie stimulantia in de jaren zestig en zeventig ‘recreatief’ bedoeld waren, om zich uit de wereld terug te trekken, terwijl nu producten als Ritalin en Adderall de wereld wensen om te vormen zodat de op competitie gestoelde ethische deviatie er naadloos in past. Toch was ik gechoqueerd dat het gevoel van onoverwinnelijkheid zo groot blijkt geweest, dat Armstrongs toenmalige ploeggenoot David Zabriskie een eigen versie had gezongen ten overstaan van de ploegleider:
EPO in all my veins
Lately things don’t seem the same
Actin’ funny, but I don’t know why
’Scuse me while I pass this guy
Geef hem eens ongelijk. Getuige de televisiefictiereeks Deadline 14/10 over de verkiezingen in Antwerpen spannen pers, politiek en politie permanent samen. Etappewinst voor de ‘korte lijntjes’? De slotaflevering ruimde een open einde in voor de hoofdpersoon, een journaliste, a poor lonely cowgirl far away from home (Gent). Ze wist oprecht niet wat ze zou gaan doen in de toekomst, nadat ze de waarheid had onthuld. In plaats van foefelen wil de N-VA de hele koers nu herstructureren, wat tot uiting komt in de slogan De kracht van de verandering – het blijft wennen aan de verhuis van linkse eigenschappen.
Nu wil ik niet suggereren dat Canderel en EPO één pot nat zijn, maar toevallig heb ik deze week onder meer zitten lezen in Pleidooi tegen volmaaktheid van Michael J. Sandel. In dit boek over ethische marges bij gentechnologie gaat de aandacht meer naar de betrekkelijkheid van verschillen. De filosoof uit Harvard zegt inzake sport droog dat iedere atleet zijn erfelijk materiaal met zich meedraagt en de strijd altijd ongelijk is geweest.
Ook roept Sandel het momentum op dat atleten gymschoenen kregen en daarmee een onachterhaalbare voorsprong namen op alle voorafgaande ongeschoeide generaties. Hij memoreert de film Chariots of Fire, gesitueerd in het Engeland van de jaren twintig. Daar pleegden atleten al verraad aan de geest van de amateursport indien ze een coach hadden. Omdat de mening van bestuurders van de Universiteit van Cambridge er telde, kwam tevens een sociaaleconomische component bloot.
Nog immer kan niet iedereen zich gymschoenen permitteren, in wat voor een meer of minder gesofisticeerde uitvoering ook. En doping? Sandel vertelt over Amerikaanse farmaceutische firma’s die werken aan ‘cognitieverbeteraars’, waarmee eveneens natuurlijk geheugenverlies kan worden tegengegaan. Voor die innovatie bestaat een commercieel aantrekkelijke groep van babyboomers, die het ‘Viagra van de hersenen’ zonder een al te grote aanslag op hun budget kunnen inkopen.
Klassentegenstellingen kunnen vervolgens groeien, redeneert Sandel, doordat volgende bevoorrechte generaties ook toegang hebben tot deze middelen. Dan zouden er verbeterde en natuurlijke ondersoorten van de mens ontstaan. Het is fascinerend zulke argumentaties te volgen. En bijvoorbeeld te beseffen een sukkel te zijn als ouder, die zijn kinderen niet tot op de tanden bewapend aan de poort van de arbeidsmarkt brengt. Anekdotes van Sandel over bedragen die worden neergeteld voor testvoorbereidingen van kinderen op prestigieuze universiteiten, het liefst na ‘diagnose-shoppen’ voorzien van een gecertificeerde leerstoornis zodat ze bij de ultieme toelatingstest meer tijd krijgen…!
Kan het dopingschandaal dus worden gebagatelliseerd? Zeker niet. Maar juist in deze weken van de verkiezingen waarin reclamebudgetten wel degelijk een rol spelen, in deze weken van ontgroeningen ook waarbij studenten van elitaire clubs hun investering de stoepen met hun kots te schrobben hopen terug te krijgen, begin ik te snakken naar berichten van mensen die niet plots ‘schoon schip willen maken’, of die het niet ‘eigenlijk al altijd hadden geweten’, en niet naar programma’s die zulke uitingen op de snijplank van het achterafdebat leggen.
Zelfs met het honderdvoudige van Armstrongs EPO in mijn aderen kan ik nog niet de staart van het peloton bijhouden.
In het voorbijgaan dist Michael J. Sandel overigens interessante feiten op. Dat India een land is waar veel gebruikt wordt gemaakt van echo’s waarop het geslacht van baby’s in de dop zichtbaar wordt (en waarna meisjes vaak de sigaar zijn). En dat Mitt Romney bij het door Bush jr. gevetode stamcelonderzoek vond dat het mocht met embryo’s die overblijven van vruchtbaarheidsbehandelingen, maar niet met embryo’s die specifiek voor onderzoek zijn aangemaakt.
Sandel bepleit terughoudendheid, om te vermijden dat technologie en commercie gaan instrumentaliseren. Hij is dan weer niet bang voor het befaamde hellend vlak, waardoor steeds minder goed te definiëren valt wat acceptabel is of niet, al was het omdat een precedent zo is geschapen. Hierin ben ik minder optimistisch. Ik ben dan ook geen denker maar een zware taalgebruiker, die vastgelegde afspraken door curieuze interpretaties in rook kan zien opgaan.
Maakt dat bij mij professioneel ongekende krachten los door een bijwijlen tamelijk obstinaat perfectionisme, Sandel noemde zijn boek niet voor niets The Case against Perfection. Voor het leven koestert hij een blij soort verering, waarbij zijn niet-aflatende respect voor van alles en nog wat mij soms een beetje vermoeit. Betrekkelijkheid en nuances hebben ook weer geen alleenrecht, vind ik. Al was het simpelweg omdat er soms gekozen moet worden.
Toegegeven, dat laatste is precies wat Lance Armstrong ergens in zijn carrière gedaan heeft. Vervolgens heeft hij, in een heel spectrum tussen intimidatie en bevoorrechting, verbluffend veel mensen met zich mee weten te krijgen. Mij intrigeert de illusie die bij hem en de kringen eromheen ontstaan is, onkwetsbaar te zijn. Een aansprekend detail dunkt me wat ik op mijn beurt de Purple Haze-affaire noem. Even ter herinnering het eerste couplet van Jimi Hendrix’ origineel:
Purple haze all in my brain
Lately things don’t seem the same
Actin’ funny, but I don't know why
’Scuse me while I kiss the sky
Misschien had ik gewaarschuwd kunnen zijn door Sandel, volgens wie stimulantia in de jaren zestig en zeventig ‘recreatief’ bedoeld waren, om zich uit de wereld terug te trekken, terwijl nu producten als Ritalin en Adderall de wereld wensen om te vormen zodat de op competitie gestoelde ethische deviatie er naadloos in past. Toch was ik gechoqueerd dat het gevoel van onoverwinnelijkheid zo groot blijkt geweest, dat Armstrongs toenmalige ploeggenoot David Zabriskie een eigen versie had gezongen ten overstaan van de ploegleider:
EPO in all my veins
Lately things don’t seem the same
Actin’ funny, but I don’t know why
’Scuse me while I pass this guy
zondag 7 oktober 2012
Vallende vrouwen 2.0
Zou Socrates beseft hebben dat het drinken van de gifbeker publicitair gunstig voor hem zou uitpakken? Na haar zelfgekozen ontslag lijkt fractieleider Sap – een curieuze naam ineens – bij GroenLinks populairder dan ooit. Da’s zuur. Collega’s die onvermoeibaar aan haar stoelpoten hebben gezaagd, prijzen haar de hemel in op een zo opzichtige wijze dat het grof is. Sap trok haar conclusies nota bene uit een krantenartikel over interne strubbelingen, dat was gemaakt op basis van anonieme bronnen.
Spreken over charisma.
Mij frappeert dat voor die handelwijze op meer plaatsen een vervaarlijke karakteristiek is opgedoken: een mes in de rug steken. Ligt dat dicht bij drinken uit de gifbeker? En betekent dat iets, in de wetenschap dat Nietzsche de waarheid een legertje metaforen noemde? Het ‘mes in de rug’ maakte zijn comeback toen Emile Roemer (die vlak voordien een dead body had opgelopen) bij zijn verkiezingsevaluatie in zijn vermeende ideologische medestander Samsom in plaats van de activist alsnog de survivallende leeuw ontwaarde.
De plots schijnbaar consensuele karakteristiek zit in het register van de Dolkstootlegende, maar wellicht zijn er evengoed termen uit het moderne Evangelie aan te verbinden. Dan gaat het niet meer om judaskussen, maar om wat Petrusgekraai.
Wrang voor Sap dunkt me ook dat die plotse steun wordt betuigd en over hetzelfde hoofd becommentarieerd per Twitter. Ik zou menen dat de boodschap en het medium elkaar bijten: persoonlijk is iemand buiten de openbaarheid. Ook de nog altijd immens populaire voorgangster van Sap twitterde voort. Bijvoorbeeld dat de partijtop haar even niet hoefde te bellen – fijnzinnige machtspolitiek, met bijna 200.000 followers. Het was ook niet direct echt haar enige tweet van de dag en ze volgt zelf bijna 500 accounts.
(In wat voor een wereld leven die mensen eigenlijk, zich dag en nacht op hun BlackBerry’s inspannend om maar te voorkomen geloofwaardig te kunnen worden? Ik ontdekte onlangs een account van iemand die zonder een teken afgescheiden te hebben tientallen followers had.)
Ook Tine Van den Brande loopt zich warm voor de rol van martelares. Het vertrouwelijke feit dat zij, Bekende Vlaming, met een te hoog promillage door een rood licht had gereden, werd door de plaatselijke korpschef per onnavolgbaar abuis niet alleen aan de burgervader maar in cc ook aan de pers gemaild.
Gij die ik aanspreek, gij enkelvoud tragisch
De eerste persoon geworden kelk
Der laatste verbeelding giftig verwant.
Ik draag het merg, met waanzin
De slijkgreep van Dood, en bij traditie
De vergeefse inhoud van een schepping.
(Pernath)
Redelijkerwijs mag verondersteld worden dat die pers haar eigen verantwoordelijkheid kent en het persoonlijke persoonlijk zou laten, maar zo werkt het blijkbaar niet. Weer eet in een rare spagaat de intentie van de handeling de handeling op. Wie althans oordeelt dat gevoelige informatie is geschonden, verveelvoudigt die niet buiten de beroepsgroep.
Er werd gecomplottheoretiseerd rond het gegeven dat Van den Brande kandidaat is voor de gemeenteraad namens de sp.a – een socialistische partij die, zoals PvdA en GroenLinks in Nederland, het neokapitalisme heeft omarmd. Zodat zij en haar geplaagde fractievoorzitter op de onvermijdelijke persconferentie naast de damage control een aanval lanceerden op de onzichtbare vijand die volgend weekend de verkiezingen wil winnen.
Is dat niet te veel eer voor zo’n korpschef? Kun je niet beter vaststellen dat het, met alle ontzag voor de multitasking, in de praktijk heel moeilijk is twee dingen tegelijk correct te doen? Is Twitter of mail dan niet een symptoom in plaats van een door het cultuurpessimisme te bepotelen grote oorzaak? Nu hij terug aan het front is bij Oranje, daagt het me dat het Louis van Gaal is geweest die de trend heeft gezet, door als coach in de dug-out tijdens de meest spannende wedstrijden doodleuk aantekeningen te maken. In werksituaties is het sindsdien courant om bij een overleg zo’n kek schriftje te vullen, wat, heb ik mogen meemaken, noch het gesprek noch de notitie, laat staan het verslag en andere teksten die er soms uit voortvloeien, ten goede komt.
Overigens bleek bij Van den Brande mijn hoop ijdel dat ze haar renommee zou inzetten om die persconferentie te beperken tot: ‘Bemoeien jullie je met je eigen zaken.’ Ook gaf ze haar spijt geen contouren. Ze betreurde de minieme overschrijding van het toegestane promillage, maar het had veel mooier geweest wanneer ze had gezegd dat ze helemaal geen alcohol had moeten drinken voor ze achter het stuur kroop. (Ja, ik heb makkelijk praten bij gebrek aan rijbewijs. Maar ik ben wel vader van onvervangbare mevrouwtjes die zich in aubades introduceren als ‘piraten van de zee’.) Bovenal had Van den Brande van een partij als die van Sap kunnen opsteken dat het niet alleen hip is, maar ook beter voor het milieu om de fiets te pakken – waarmee ze door rood had mogen rijden.
Naschrift
Als het klopt dat de voorgangster van Sap de invloedrijkste Twitteraar van Nederland is, dan zou haar tweede Blackberry-pandoering van de partij, op het officiële afscheidsmoment (‘Zo, een fijne middag bij @jolandesap doorgebracht en een glas goede champagne gedronken’), hooguit harder zijn geweest. Van den Brande blijkt zich dan weer keurig aan een Belgische traditie te hebben gehouden die maar geen trendbreuk krijgt.
Spreken over charisma.
Mij frappeert dat voor die handelwijze op meer plaatsen een vervaarlijke karakteristiek is opgedoken: een mes in de rug steken. Ligt dat dicht bij drinken uit de gifbeker? En betekent dat iets, in de wetenschap dat Nietzsche de waarheid een legertje metaforen noemde? Het ‘mes in de rug’ maakte zijn comeback toen Emile Roemer (die vlak voordien een dead body had opgelopen) bij zijn verkiezingsevaluatie in zijn vermeende ideologische medestander Samsom in plaats van de activist alsnog de survivallende leeuw ontwaarde.
De plots schijnbaar consensuele karakteristiek zit in het register van de Dolkstootlegende, maar wellicht zijn er evengoed termen uit het moderne Evangelie aan te verbinden. Dan gaat het niet meer om judaskussen, maar om wat Petrusgekraai.
Wrang voor Sap dunkt me ook dat die plotse steun wordt betuigd en over hetzelfde hoofd becommentarieerd per Twitter. Ik zou menen dat de boodschap en het medium elkaar bijten: persoonlijk is iemand buiten de openbaarheid. Ook de nog altijd immens populaire voorgangster van Sap twitterde voort. Bijvoorbeeld dat de partijtop haar even niet hoefde te bellen – fijnzinnige machtspolitiek, met bijna 200.000 followers. Het was ook niet direct echt haar enige tweet van de dag en ze volgt zelf bijna 500 accounts.
(In wat voor een wereld leven die mensen eigenlijk, zich dag en nacht op hun BlackBerry’s inspannend om maar te voorkomen geloofwaardig te kunnen worden? Ik ontdekte onlangs een account van iemand die zonder een teken afgescheiden te hebben tientallen followers had.)
Ook Tine Van den Brande loopt zich warm voor de rol van martelares. Het vertrouwelijke feit dat zij, Bekende Vlaming, met een te hoog promillage door een rood licht had gereden, werd door de plaatselijke korpschef per onnavolgbaar abuis niet alleen aan de burgervader maar in cc ook aan de pers gemaild.
Gij die ik aanspreek, gij enkelvoud tragisch
De eerste persoon geworden kelk
Der laatste verbeelding giftig verwant.
Ik draag het merg, met waanzin
De slijkgreep van Dood, en bij traditie
De vergeefse inhoud van een schepping.
(Pernath)
Redelijkerwijs mag verondersteld worden dat die pers haar eigen verantwoordelijkheid kent en het persoonlijke persoonlijk zou laten, maar zo werkt het blijkbaar niet. Weer eet in een rare spagaat de intentie van de handeling de handeling op. Wie althans oordeelt dat gevoelige informatie is geschonden, verveelvoudigt die niet buiten de beroepsgroep.
Er werd gecomplottheoretiseerd rond het gegeven dat Van den Brande kandidaat is voor de gemeenteraad namens de sp.a – een socialistische partij die, zoals PvdA en GroenLinks in Nederland, het neokapitalisme heeft omarmd. Zodat zij en haar geplaagde fractievoorzitter op de onvermijdelijke persconferentie naast de damage control een aanval lanceerden op de onzichtbare vijand die volgend weekend de verkiezingen wil winnen.
Is dat niet te veel eer voor zo’n korpschef? Kun je niet beter vaststellen dat het, met alle ontzag voor de multitasking, in de praktijk heel moeilijk is twee dingen tegelijk correct te doen? Is Twitter of mail dan niet een symptoom in plaats van een door het cultuurpessimisme te bepotelen grote oorzaak? Nu hij terug aan het front is bij Oranje, daagt het me dat het Louis van Gaal is geweest die de trend heeft gezet, door als coach in de dug-out tijdens de meest spannende wedstrijden doodleuk aantekeningen te maken. In werksituaties is het sindsdien courant om bij een overleg zo’n kek schriftje te vullen, wat, heb ik mogen meemaken, noch het gesprek noch de notitie, laat staan het verslag en andere teksten die er soms uit voortvloeien, ten goede komt.
Overigens bleek bij Van den Brande mijn hoop ijdel dat ze haar renommee zou inzetten om die persconferentie te beperken tot: ‘Bemoeien jullie je met je eigen zaken.’ Ook gaf ze haar spijt geen contouren. Ze betreurde de minieme overschrijding van het toegestane promillage, maar het had veel mooier geweest wanneer ze had gezegd dat ze helemaal geen alcohol had moeten drinken voor ze achter het stuur kroop. (Ja, ik heb makkelijk praten bij gebrek aan rijbewijs. Maar ik ben wel vader van onvervangbare mevrouwtjes die zich in aubades introduceren als ‘piraten van de zee’.) Bovenal had Van den Brande van een partij als die van Sap kunnen opsteken dat het niet alleen hip is, maar ook beter voor het milieu om de fiets te pakken – waarmee ze door rood had mogen rijden.
Naschrift
Als het klopt dat de voorgangster van Sap de invloedrijkste Twitteraar van Nederland is, dan zou haar tweede Blackberry-pandoering van de partij, op het officiële afscheidsmoment (‘Zo, een fijne middag bij @jolandesap doorgebracht en een glas goede champagne gedronken’), hooguit harder zijn geweest. Van den Brande blijkt zich dan weer keurig aan een Belgische traditie te hebben gehouden die maar geen trendbreuk krijgt.
zondag 30 september 2012
How does it sound?
Dé Carl Anderson? Ik zag zijn naam pas in de aftiteling van Jesus Christ Superstar, voor de toch niet kinderachtige rol van Judas. Even surfen volstond om de identificatie tot stand te brengen. Ja, de acteur in de film van Norman Jewison uit 1973 is de zanger van ‘Can It be done’, het openingsnummer op Domino Theory door Weather Report uit 1984.
Zoals ik ten tijde van die elpee deze groep nauwlettend volgde om te snappen wat er gebeurde na het vertrek van ‘mijn’ Jaco Pastorius, zo zal de generatie voor mij de film buitengewoon gevonden hebben. Ik herinner me er weinig van, wat menselijk zal wezen.
Toch had de film residuen achtergelaten. Goede muziek kan penetreren in de gewelven van het gemoed, dus allicht had ik Andrew Lloyd Webbers melodieën weerloos opgeslagen. Als niet direct de grootste aanbidder van het genre musical (bracht ooit een videocassette terug naar de verhuurder, toen Madonna in Evita louter bleek te zingen) merkte ik Jesus Christ Superstar zelfs nogal knap te vinden.
In elk geval begrijp ik beter waarom dit project veel versies heeft beleefd, waarbij initieel Deep Purple-voorman Ian Gillan Jezus was. Het succes drong door tot in de poriën van de wereld en van sommige acteurs, die er een Swiebertje-effect van hebben ondervonden en hun oude rol maar oppikken. Jesus Christ Superstar blijkt werkgelegenheid te hebben geboden aan onder meer Alice Cooper, Agneta van ABBA, Irene Cara, Syreeta, Gary Glitter…
En aan Carl Anderson. Dat ‘zijn’ Judas zo’n groot aandeel in het verhaal heeft, rijmt met de tijdgeest, eind jaren zestig, waarin Tim Rice het script voor zijn kompaan Webber op poten zette. In het evangelie geldt het personage als een verrader en ik vermoed dat Vestdijk geen meerderheidsstandpunt huldigt door in zijn befaamde essay Judas te omgeven met heroïek en altruïsme.
Bij Webber & Rice is hij een klokkenluider. De discipel bepleit bij zijn meester een behoud van zuiverheid. Judas acht Jezus een improviserende superstar, een charlatan die genotzuchtig aanmoddert met het succes dat hem ooit terecht ten deel is gevallen maar hem nu overkomt. De meester baadt in decadentie, zodat Maria Magdalena nog een tikkeltje moedert, en al op weg is naar haar status van echtgenote, misschien. Zo’n principestrijd degradeert de andere notoire verrader, Petrus. In Jesus Christ Superstar vervult hij, anders dan in de Bijbel, een bijrolletje van een opportunist, of een reflexmatig lichaam – grondstof om een kerk op te bouwen.
Intrigerend is dat Jesus Christ Superstar ook een mediale context schept. Judas waarschuwt Jezus, een Bekende Wereldburger in de dop, dat zijn woorden verdraaid gaan worden. Aldus stelt hij dat aan status niet zozeer kracht valt te ontlenen, als wel onzekerheid die zich uit in een schijnbaar non-stop proces om te rechtvaardigen wat men doet en bedoelt met dit of dat gezegd zijnde amen. Slechts weinigen blijken die klus zelf te kunnen klaren, de meerderheid zoekt steun bij een spindokter. Maar van beeldvorming had Judas minder kaas gegeten.
Even glimpt de werkelijkheid als Jezus door de fameuze scène in de tempel ontdekt dat alles handel is geworden. Maar zijn reiniging, gelet op de tijdgeest een onmisbaar onderdeel van het script, behelst niet meer dan damage control. Wel komt hem door zijn dood de eeuwige roem toe, terwijl zijn scherpzinnige criticus zichzelf vernietigt in, zo laat Jewisons film haast wellustig zien, volstrekte eenzaamheid. Jezus hing tenminste nog aan het kruis in gezelschap van twee anderen.
Het cruciale onderdeel van het Bijbelverhaal, de wederopstanding, vertelt Jesus Christ Superstar niet. Webber & Rice stoppen bij de dood, alsof ze, conform de destijds gepropageerde gelijkheid voor iedereen, willen onderstrepen dat niemand aan een werdegang ontkomt.
Carl Anderson stierf in 2004. Twintig jaar eerder zong hij op ongeëvenaarde wijze ‘Can It Be Done’ voor Weather Report. Ik suggereer nu dat hij voor een band stond, terwijl hij slechts werd begeleid door Joe Zawinuls keyboards (misschien is het aardig te vermelden dat een van die apparaten de naam Prophet droeg). Wat daaronder de hi-hat van Omar Hakim lijkt, komt uit een drumcomputer. Bij herbeluistering vat ik eens te meer waarom Jaco in zijn vele post-Weather Report-formaties nooit meer een pianist gebruikte: die plaats, van de vader zogezegd, was al bezet. En na de opening komt de band er wel degelijk in, furieus, in ‘D-flat Waltz’.
‘Can It Be Done’ is nota bene een cover. Getuige een beschikbaar fragment van het origineel heeft Zawinul verbeteringen doorgevoerd met een reverence. Geënthousiasmeerd ben ik gaan zoeken naar meer werk van de componist, Willie Tee. Ik vond een heerlijke elpee, Wasted, die hij in 1970 had opgenomen met The Gaturs. New Orleans Funk zoals die sinds de overstroming niet meer wordt gemaakt?
Willie Tee, pseudoniem van Wilson Turbington, is op dezelfde dag gestorven als Joe Zawinul…
Mooi aan de titel Domino Theory vind ik trouwens het schampen aan het openingsnummer. ‘Can It Be Done’ stelt de kwestie of er iets volledig nieuws gemaakt kan, in de non-gecorrumpeerde zin die Jesus Christ Superstar eraan verleent. Velen beweren dat zoiets niemand kan bereiken omdat ‘onze’ referentiepunten dan ontbreken. Imre Kertész signaleerde over de schrijver: ‘Hij wil een revolutie ontketenen met wat hij schrijft, maar tegelijkertijd hoopt hij dat zijn boek zijn omgeving zal bevallen. Een revolutie gaat niet zonder bijval.’ Anderzijds sprak T.S. Eliot in ‘The Social Function of Poetry’ het vermoeden uit dat wanneer een dichter erg snel een groot publiek bereikt hij het alleen maar iets geeft waar het al aan gewend was. Tussen die uitersten pendelt een paradox, die Judas in Jesus Christ Superstar op scherp zet.
Met een dominosteen valt aan te sluiten bij een getal, waarna iets onbepaalds, zoals de blanco plek, verten opent. Tegelijk verwijst Domino Theory naar de werkelijkheid van Amerika’s politieke doctrine. Nadat daaraan talloze mensenlevens waren opgeofferd, kwam het besef dat die in elk geval not done was?
Zoals ik ten tijde van die elpee deze groep nauwlettend volgde om te snappen wat er gebeurde na het vertrek van ‘mijn’ Jaco Pastorius, zo zal de generatie voor mij de film buitengewoon gevonden hebben. Ik herinner me er weinig van, wat menselijk zal wezen.
Toch had de film residuen achtergelaten. Goede muziek kan penetreren in de gewelven van het gemoed, dus allicht had ik Andrew Lloyd Webbers melodieën weerloos opgeslagen. Als niet direct de grootste aanbidder van het genre musical (bracht ooit een videocassette terug naar de verhuurder, toen Madonna in Evita louter bleek te zingen) merkte ik Jesus Christ Superstar zelfs nogal knap te vinden.
In elk geval begrijp ik beter waarom dit project veel versies heeft beleefd, waarbij initieel Deep Purple-voorman Ian Gillan Jezus was. Het succes drong door tot in de poriën van de wereld en van sommige acteurs, die er een Swiebertje-effect van hebben ondervonden en hun oude rol maar oppikken. Jesus Christ Superstar blijkt werkgelegenheid te hebben geboden aan onder meer Alice Cooper, Agneta van ABBA, Irene Cara, Syreeta, Gary Glitter…
En aan Carl Anderson. Dat ‘zijn’ Judas zo’n groot aandeel in het verhaal heeft, rijmt met de tijdgeest, eind jaren zestig, waarin Tim Rice het script voor zijn kompaan Webber op poten zette. In het evangelie geldt het personage als een verrader en ik vermoed dat Vestdijk geen meerderheidsstandpunt huldigt door in zijn befaamde essay Judas te omgeven met heroïek en altruïsme.
Bij Webber & Rice is hij een klokkenluider. De discipel bepleit bij zijn meester een behoud van zuiverheid. Judas acht Jezus een improviserende superstar, een charlatan die genotzuchtig aanmoddert met het succes dat hem ooit terecht ten deel is gevallen maar hem nu overkomt. De meester baadt in decadentie, zodat Maria Magdalena nog een tikkeltje moedert, en al op weg is naar haar status van echtgenote, misschien. Zo’n principestrijd degradeert de andere notoire verrader, Petrus. In Jesus Christ Superstar vervult hij, anders dan in de Bijbel, een bijrolletje van een opportunist, of een reflexmatig lichaam – grondstof om een kerk op te bouwen.
Intrigerend is dat Jesus Christ Superstar ook een mediale context schept. Judas waarschuwt Jezus, een Bekende Wereldburger in de dop, dat zijn woorden verdraaid gaan worden. Aldus stelt hij dat aan status niet zozeer kracht valt te ontlenen, als wel onzekerheid die zich uit in een schijnbaar non-stop proces om te rechtvaardigen wat men doet en bedoelt met dit of dat gezegd zijnde amen. Slechts weinigen blijken die klus zelf te kunnen klaren, de meerderheid zoekt steun bij een spindokter. Maar van beeldvorming had Judas minder kaas gegeten.
Even glimpt de werkelijkheid als Jezus door de fameuze scène in de tempel ontdekt dat alles handel is geworden. Maar zijn reiniging, gelet op de tijdgeest een onmisbaar onderdeel van het script, behelst niet meer dan damage control. Wel komt hem door zijn dood de eeuwige roem toe, terwijl zijn scherpzinnige criticus zichzelf vernietigt in, zo laat Jewisons film haast wellustig zien, volstrekte eenzaamheid. Jezus hing tenminste nog aan het kruis in gezelschap van twee anderen.
Het cruciale onderdeel van het Bijbelverhaal, de wederopstanding, vertelt Jesus Christ Superstar niet. Webber & Rice stoppen bij de dood, alsof ze, conform de destijds gepropageerde gelijkheid voor iedereen, willen onderstrepen dat niemand aan een werdegang ontkomt.
Carl Anderson stierf in 2004. Twintig jaar eerder zong hij op ongeëvenaarde wijze ‘Can It Be Done’ voor Weather Report. Ik suggereer nu dat hij voor een band stond, terwijl hij slechts werd begeleid door Joe Zawinuls keyboards (misschien is het aardig te vermelden dat een van die apparaten de naam Prophet droeg). Wat daaronder de hi-hat van Omar Hakim lijkt, komt uit een drumcomputer. Bij herbeluistering vat ik eens te meer waarom Jaco in zijn vele post-Weather Report-formaties nooit meer een pianist gebruikte: die plaats, van de vader zogezegd, was al bezet. En na de opening komt de band er wel degelijk in, furieus, in ‘D-flat Waltz’.
‘Can It Be Done’ is nota bene een cover. Getuige een beschikbaar fragment van het origineel heeft Zawinul verbeteringen doorgevoerd met een reverence. Geënthousiasmeerd ben ik gaan zoeken naar meer werk van de componist, Willie Tee. Ik vond een heerlijke elpee, Wasted, die hij in 1970 had opgenomen met The Gaturs. New Orleans Funk zoals die sinds de overstroming niet meer wordt gemaakt?
Willie Tee, pseudoniem van Wilson Turbington, is op dezelfde dag gestorven als Joe Zawinul…
Mooi aan de titel Domino Theory vind ik trouwens het schampen aan het openingsnummer. ‘Can It Be Done’ stelt de kwestie of er iets volledig nieuws gemaakt kan, in de non-gecorrumpeerde zin die Jesus Christ Superstar eraan verleent. Velen beweren dat zoiets niemand kan bereiken omdat ‘onze’ referentiepunten dan ontbreken. Imre Kertész signaleerde over de schrijver: ‘Hij wil een revolutie ontketenen met wat hij schrijft, maar tegelijkertijd hoopt hij dat zijn boek zijn omgeving zal bevallen. Een revolutie gaat niet zonder bijval.’ Anderzijds sprak T.S. Eliot in ‘The Social Function of Poetry’ het vermoeden uit dat wanneer een dichter erg snel een groot publiek bereikt hij het alleen maar iets geeft waar het al aan gewend was. Tussen die uitersten pendelt een paradox, die Judas in Jesus Christ Superstar op scherp zet.
Met een dominosteen valt aan te sluiten bij een getal, waarna iets onbepaalds, zoals de blanco plek, verten opent. Tegelijk verwijst Domino Theory naar de werkelijkheid van Amerika’s politieke doctrine. Nadat daaraan talloze mensenlevens waren opgeofferd, kwam het besef dat die in elk geval not done was?
woensdag 19 september 2012
Touché
Had Jacques Derrida het maar makkelijk, zoals van filosofen beweerd wordt, afgaand op de kleur hunner handpalmen? Hij verklaarde altijd te hebben ‘geloofd in de noodzaak om allereerst de aandacht te richten op dit fenomeen van de taal, van het benoemen en dateren’. Dat zei hij bij de term 9/11, vrij kort na de aanleiding, die alweer een week geleden herdacht is en die ik nu dus, temeer daar er intussen nog het een en ander is gebeurd, ongegeneerd kan vergeten om met Derrida op te kijken van ‘deze (tegelijkertijd retorische, magische en poëtische) dwang tot herhaling’ die van dergelijke uitdrukkingen uitgaat.
‘Het telegram van deze metonymie – een naam, een getal – wijst op het onkwalificeerbare’, zei hij in 2001, ‘door te erkennen dat er hier geen sprake is van een herkennen of ook maar een kennen, dat we nog niet weten hoe te kwalificeren.’
Voila. Wel vrees ik dat onder mijn dak een minimale variant van zo’n 9/11 werkzaam is. Wie nu ‘hieperdepiep’ tegen de gourmande roept, krijgt volautomatisch als antwoord ‘toeja’. Indien je dat antwoord herhaalt, schreeuwt ze ‘nee’. Indien je dan vraagt ‘hoera’, zegt ze ‘ja’.
Kortsluiting of zogeheten koortsachtige activiteit? Derrida wilde zielsgraag ‘proberen te begrijpen wat er nu precies aan gene zijde van de taal gaande is en wat ons drijft tot dat eindeloos herhalen zonder dat we weten waarover we het hebben, precies daar waar de taal en het begrip op hun grenzen stuiten’. Maar mijn eigen brein heeft daar geen tijd meer voor, sinds het taalkundig genie het van nature toch niet heel erg onsympathieke woord ‘training’ bezigt. Da’s volgens mij al iets meer dan een week geleden.
Een paar keer heb ik gemeend dat ik de clou in mijn vingers had, maar telkens smeerde ze hem. Sinds vandaag weet ik eindelijk dat ik de klinkercombinatie die het taalkundig genie in de eerste lettergreep aan de dag legt, slechts eenmaal eerder heb horen uitspreken. Het was in een reclame uit de jaren zeventig, meer in het bijzonder door Rijk de Gooyer, om precies te zijn in het laatste mespuntje van de kaas ‘Paturain’.
‘Het telegram van deze metonymie – een naam, een getal – wijst op het onkwalificeerbare’, zei hij in 2001, ‘door te erkennen dat er hier geen sprake is van een herkennen of ook maar een kennen, dat we nog niet weten hoe te kwalificeren.’
Voila. Wel vrees ik dat onder mijn dak een minimale variant van zo’n 9/11 werkzaam is. Wie nu ‘hieperdepiep’ tegen de gourmande roept, krijgt volautomatisch als antwoord ‘toeja’. Indien je dat antwoord herhaalt, schreeuwt ze ‘nee’. Indien je dan vraagt ‘hoera’, zegt ze ‘ja’.
Kortsluiting of zogeheten koortsachtige activiteit? Derrida wilde zielsgraag ‘proberen te begrijpen wat er nu precies aan gene zijde van de taal gaande is en wat ons drijft tot dat eindeloos herhalen zonder dat we weten waarover we het hebben, precies daar waar de taal en het begrip op hun grenzen stuiten’. Maar mijn eigen brein heeft daar geen tijd meer voor, sinds het taalkundig genie het van nature toch niet heel erg onsympathieke woord ‘training’ bezigt. Da’s volgens mij al iets meer dan een week geleden.
Een paar keer heb ik gemeend dat ik de clou in mijn vingers had, maar telkens smeerde ze hem. Sinds vandaag weet ik eindelijk dat ik de klinkercombinatie die het taalkundig genie in de eerste lettergreep aan de dag legt, slechts eenmaal eerder heb horen uitspreken. Het was in een reclame uit de jaren zeventig, meer in het bijzonder door Rijk de Gooyer, om precies te zijn in het laatste mespuntje van de kaas ‘Paturain’.
zondag 16 september 2012
De enige partij die niet aan uw Koninklijke hoofd zeurt
Robert Musil tekende in De ervaringen van de jonge Törless deze ervaring op: ‘Maar altijd is het zo dat datgene wat wij op het ene ogenblik als een ondeelbaar geheel kritiekloos ervaren, onbegrijpelijk en verward wordt zodra wij proberen het met de ketenen van onze gedachten te binden om het tot ons onvervreemdbaar eigendom te maken.’ Als in het buitenland wonende stemmer, die Nederland in een mal van herinneringen zijn vorm laat verliezen, had ik me nooit gerealiseerd een voordeel te genieten. Normaliter wordt in een stemlokaal een biljet overhandigd om snel in te vullen. Wat je kleurt en waar, weet je vaak al. Desgewenst heb je op internet in digitale partjes alle namen kunnen bekijken, die in de Staatscourant worden gepubliceerd.
De gelegenheid om het stembiljet thuis te ontvangen, greep ik aan om eens ongestoord kennis te nemen van een prachtig uitgespeld overzicht van twintig partijen.
Het biljet uitvouwend, besefte ik een bijzonder moment te beleven, zeker in het licht van wat in mijn branche van het boek usance is. Lezers kunnen zich op basis van een bezoek aan de boekhandel, laat staan van het lezen van een letterenbijlage, nog niet het begin van een beeld vormen van het geheel. (Bij die kapitaalafbraak kwam afgelopen week de jobstijding dat, vanwege het faillissement van boekendistributeur en -groothandel Libridis, de kans groot is dat meer dan een miljoen boeken uit het magazijn op verzoek van hun eigenaars vernietigd gaan worden: ‘Formeel kan iedere uitgever beslissen over zijn eigen boeken. Maar het is een heel uitzoekwerk om die eruit te vissen. Alles ligt door elkaar. Er is ook helemaal geen personeel meer in Sittard. Dat gaat heel veel kosten. Daarbij heeft een uitgever vaak zelf nog voorraden van die titel of kan hij die tegen een schappelijke prijs laten herdrukken. Het is een puur bedrijfseconomische keuze.’) Terwijl lezers permanent kampen met selectie, hebben kiezers door zo’n biljet het totaalplaatje. Voor de duur van het uitvouwen en bekijken natuurlijk – en in de voorafgaande debatten heeft selectie evenzeer een rol gespeeld: louter lijsttrekkers, en dan niet eens van alle partijen.
Ik heb bijvoorbeeld kunnen vaststellen:
- dat GroenLinks een Amsterdams overwicht had;
- dat er bij de SGP geen Amsterdammer te vinden was;
- dat elitecultuursnijder Zijlstra in Wassenaar woonde;
- en grachtengordelbasher Martin Bosma in Amsterdam;
- dat de lijsttrekker van de Anti-Europa Partij in Moskou woonde (Friesland?);
- dat bij de lijstduwers van de PvdA maar liefst tweemaal een Den Uyl stond;
- dat slechts één van de twintig partijen, die van H. Brinkman, van kandidaten niet de voornaam gaf (zou het restant ook zijn verkocht op Marktplaats?);
- dat twee partijen het geslacht van de kandidaten niet vermeldden (die voornaam zal volstaan);
- dat er in de Noordelijke Nederlanden iemand bestaat die door zijn ouders Pallieter is genoemd.
Voor mij zijn dit onderscheidende kenmerken, maar ik snap dat mijn gevoeligheden hier een rol spelen. Ik heb anders ook weinig grip. Op basis van wat ik voor de verkiezingen zoal las en hoorde van diverse politici, onderscheidden hun registers zich niet van elkaar. Hun taal wemelde van de superlatieven en lijkt, bewust, gericht op problemsolving. Zelfs de soms gebezigde term ‘ideaal’ moest zich aan als realistisch gepresenteerde regels houden.
Op een zonovergoten autoloze zondag als vandaag, in het gezelschap van duizenden fietsers en skaters over de avenues van Brussel, kreeg ik meer dan ooit de behoefte door politici een visionair perspectief geschetst te krijgen.
Natuurlijk is het mij niet ontgaan dat er inmiddels volkomen andere parameters dienst doen, in verband met samen met media mee veranderende presentaties. Maar ook aan zichtbaarheid blijken grenzen. Figuurlijk doordat de tot slogan gereduceerde taal veeleer versluierend uitpakt. En letterlijk omdat de hier onlangs gememoreerde verkiezingsposter van de PSP in de jaren zeventig, op een bizarre manier een mythe geworden, geen vervolg mocht krijgen.
Ik houd me beter bij mijn leest. Op de oranje retourenvelop voor het stembiljet stond het apostrofje in de bestemmeling Burgemeester van ‘s-Gravenhage andersom in vergelijking tot die van de bestemmelingsplaats ’s-Gravenhage. Dat ik dit opmerk is beroepsdeformatie en heeft ongetwijfeld te maken met een eigenschap, die door Louis van Gaal gelukkig al geduid is. Mogelijk hintten de haaks op elkaar staande apostroffen echter – in de beste traditie van Cassandra en haar vakgenoten – op de verkiezingsuitslag. De twee winnaars zijn immers tot elkaar veroordeelde tegenstanders. Afgaand op de dissensustheorieën van Chantal Mouffe kan dit iets opleveren!
Volgens de spellingscontrole is het woord theorie ‘Belgisch Nederlands’, dus misschien zou Mouffes agonistische model ook iets kunnen zijn voor Antwerpen (waar de verkiezingen zijn gereduceerd tot een strijd tussen zittend burgemeester Patrick Janssens en de landelijke afgod Bart De Wever, en waar de krant meewerkt aan een televisieserie die toevallig Deadline 14/10 heet)? Mij zou het wel een voorbeeldfunctioneel en bovenal constructief idee lijken, een duoburgemeesterschap van parttimers die elkaar scherp houden. Maar helaas, mijn invloed is ditmaal zelfs officieel nihil. Met mijn status van inwijkeling ben ik vergeten, denkelijk te nijver hakkend aan Jantje Beton, bij de Dienst Bevolking een stemaanvraag te doen voor de lokale en provinciale verkiezingen – en toch, belastingaanslagen vallen wel automatisch in de bus.
De gelegenheid om het stembiljet thuis te ontvangen, greep ik aan om eens ongestoord kennis te nemen van een prachtig uitgespeld overzicht van twintig partijen.
Het biljet uitvouwend, besefte ik een bijzonder moment te beleven, zeker in het licht van wat in mijn branche van het boek usance is. Lezers kunnen zich op basis van een bezoek aan de boekhandel, laat staan van het lezen van een letterenbijlage, nog niet het begin van een beeld vormen van het geheel. (Bij die kapitaalafbraak kwam afgelopen week de jobstijding dat, vanwege het faillissement van boekendistributeur en -groothandel Libridis, de kans groot is dat meer dan een miljoen boeken uit het magazijn op verzoek van hun eigenaars vernietigd gaan worden: ‘Formeel kan iedere uitgever beslissen over zijn eigen boeken. Maar het is een heel uitzoekwerk om die eruit te vissen. Alles ligt door elkaar. Er is ook helemaal geen personeel meer in Sittard. Dat gaat heel veel kosten. Daarbij heeft een uitgever vaak zelf nog voorraden van die titel of kan hij die tegen een schappelijke prijs laten herdrukken. Het is een puur bedrijfseconomische keuze.’) Terwijl lezers permanent kampen met selectie, hebben kiezers door zo’n biljet het totaalplaatje. Voor de duur van het uitvouwen en bekijken natuurlijk – en in de voorafgaande debatten heeft selectie evenzeer een rol gespeeld: louter lijsttrekkers, en dan niet eens van alle partijen.
Ik heb bijvoorbeeld kunnen vaststellen:
- dat GroenLinks een Amsterdams overwicht had;
- dat er bij de SGP geen Amsterdammer te vinden was;
- dat elitecultuursnijder Zijlstra in Wassenaar woonde;
- en grachtengordelbasher Martin Bosma in Amsterdam;
- dat de lijsttrekker van de Anti-Europa Partij in Moskou woonde (Friesland?);
- dat bij de lijstduwers van de PvdA maar liefst tweemaal een Den Uyl stond;
- dat slechts één van de twintig partijen, die van H. Brinkman, van kandidaten niet de voornaam gaf (zou het restant ook zijn verkocht op Marktplaats?);
- dat twee partijen het geslacht van de kandidaten niet vermeldden (die voornaam zal volstaan);
- dat er in de Noordelijke Nederlanden iemand bestaat die door zijn ouders Pallieter is genoemd.
Voor mij zijn dit onderscheidende kenmerken, maar ik snap dat mijn gevoeligheden hier een rol spelen. Ik heb anders ook weinig grip. Op basis van wat ik voor de verkiezingen zoal las en hoorde van diverse politici, onderscheidden hun registers zich niet van elkaar. Hun taal wemelde van de superlatieven en lijkt, bewust, gericht op problemsolving. Zelfs de soms gebezigde term ‘ideaal’ moest zich aan als realistisch gepresenteerde regels houden.
Op een zonovergoten autoloze zondag als vandaag, in het gezelschap van duizenden fietsers en skaters over de avenues van Brussel, kreeg ik meer dan ooit de behoefte door politici een visionair perspectief geschetst te krijgen.
Natuurlijk is het mij niet ontgaan dat er inmiddels volkomen andere parameters dienst doen, in verband met samen met media mee veranderende presentaties. Maar ook aan zichtbaarheid blijken grenzen. Figuurlijk doordat de tot slogan gereduceerde taal veeleer versluierend uitpakt. En letterlijk omdat de hier onlangs gememoreerde verkiezingsposter van de PSP in de jaren zeventig, op een bizarre manier een mythe geworden, geen vervolg mocht krijgen.
Ik houd me beter bij mijn leest. Op de oranje retourenvelop voor het stembiljet stond het apostrofje in de bestemmeling Burgemeester van ‘s-Gravenhage andersom in vergelijking tot die van de bestemmelingsplaats ’s-Gravenhage. Dat ik dit opmerk is beroepsdeformatie en heeft ongetwijfeld te maken met een eigenschap, die door Louis van Gaal gelukkig al geduid is. Mogelijk hintten de haaks op elkaar staande apostroffen echter – in de beste traditie van Cassandra en haar vakgenoten – op de verkiezingsuitslag. De twee winnaars zijn immers tot elkaar veroordeelde tegenstanders. Afgaand op de dissensustheorieën van Chantal Mouffe kan dit iets opleveren!
Volgens de spellingscontrole is het woord theorie ‘Belgisch Nederlands’, dus misschien zou Mouffes agonistische model ook iets kunnen zijn voor Antwerpen (waar de verkiezingen zijn gereduceerd tot een strijd tussen zittend burgemeester Patrick Janssens en de landelijke afgod Bart De Wever, en waar de krant meewerkt aan een televisieserie die toevallig Deadline 14/10 heet)? Mij zou het wel een voorbeeldfunctioneel en bovenal constructief idee lijken, een duoburgemeesterschap van parttimers die elkaar scherp houden. Maar helaas, mijn invloed is ditmaal zelfs officieel nihil. Met mijn status van inwijkeling ben ik vergeten, denkelijk te nijver hakkend aan Jantje Beton, bij de Dienst Bevolking een stemaanvraag te doen voor de lokale en provinciale verkiezingen – en toch, belastingaanslagen vallen wel automatisch in de bus.
vrijdag 7 september 2012
Kans schroeit lonkende vlinders
Wacht gespje met het iets om het gaas
met de roes broes broes wacht vloer
laat de blaren wacht rooi op de blaren
wacht gilletje gil met de zijg en wacht
gilletje gil met de step step en zijg van
het gilletje gil koele wacht wacht nu gil
wacht zie de gil wacht fijn gilledijn zijn
met de roes broes broes wacht vloer
laat de blaren wacht rooi op de blaren
wacht gilletje gil met de zijg en wacht
gilletje gil met de step step en zijg van
het gilletje gil koele wacht wacht nu gil
wacht zie de gil wacht fijn gilledijn zijn
maandag 3 september 2012
Wadde?
John Berger houdt me recht. ‘Eén moment van zelfbeschouwing toont aan dat een groot deel van onze ervaring niet goed onder woorden te brengen is: het verblijft in afwachting van een beter begrip van het mens-zijn in zijn totaliteit. In bepaalde opzichten zijn we waarschijnlijk begrijpelijker voor hen die na ons komen dan voor onszelf. Daar staat tegenover dat hun betere begrip zal worden uitgedrukt in termen die ons nu niets zeggen.’
De afgelopen dagen heb ik de indruk gekregen dat ik in zo'n toekomst leefde, geconfronteerd met het geheel vanzelfsprekend ingezette begrip standaardtaal. Misschien doordat ik in Nederland zowel boven als onder de grote rivieren gewoond heb en me inmiddels meer dan een decennium in België bevind, is die taal in mij een ratjetoe. De digitale spellingscontroleur heeft het maar makkelijk met ‘Nederlands (standaard)’ of ‘Nederlands (België)’. In mij tiktakken geheugen en dagelijksheid, waardoor ik op kritische momenten eerst navlooi en dan uitstoot. Mede door mijn hoop niet als Hollander het plaatselijke Vlaams te imiteren? Landgenoten die dat doen zijn zelden genietbaar.
Dat neemt niet weg dat ik wanneer iemand in de weg staat roep: ‘uit mijn garla’. Maar wie of wat garla mag wezen, een staatssecretaris, een schroevendraaier? Ook is me verzekerd dat degene die allerminst mijn bartype is, een ‘kloefkapper’ mag heten (in de zin van houwer, geen barbier). Wie kloef echter is, blijft een raadsel. In mij als redacteur rinkelt nog een belletje bij de ‘typische Vlaamse’ volgorde in constructies met twee hulpwerkwoorden. Maar als auteur moest ik er bij de eindredactie van mijn nieuwe boek (ja, ik durf er eentje toe te voegen) op worden gewezen, dat het hulpwerkwoord liever niet achter het voltooid deelwoord komt, da’s zo germanistisch.
We spreken dus over realiteiten, meervoud. Op mijn tongval worden al pastiches uitgesproken door het taalkundig genie: ‘Hei jai daar, ga jai auk mei?!’ Haar dictie is in de vakantie, terwijl ze redelijk gevrijwaard leek van dialect, Vlaamser geworden. Ze zegt aan het eind van een zin ineens ‘zunne’, normaliter een Hollands cliché in de imitatiedrang.
Standaardtaal van boven de rivieren, waarmee ik ben opgegroeid, is veranderd. Op vroege opnames leest de zogeheten arbeidersjongen Lucebert gedichten op een toon die in mijn jeugd al bekakt heette. Jarenlang sprak voor de radio Jan Starink ook zo’n geciseleerd Nederlands. In België, waar de discussie over standaardtaal oplaaide, wijzen beschuldigende vingers naar de commerciële omroep, maar indien in Nederland één zondebok aangewezen zou moeten worden, dan is dat de VARA. Deze toen socialistische publieke omroepvereniging verbreidde hoger Goois. Haar programma Kinderen voor kinderen heeft een ander patois aangericht, nog te horen bij iemand als Paul de Leeuw en bij provincialen die hogerop willen in de Randstad.
Spraakuitzondering door tijdelijkheid is regel. Ik snap de zorgen over de gevolgen. Moge er dan in de spiegel gekeken. Vooralsnog zijn essentialismen over ‘beschaving’, ‘cultuur’, ‘ideologie’ en ‘academici’ die met de publicatie van een studie de aanstichters van zijn geweest, griezelig vertrouwd in het debat. Taalkundige Marc van Oostendorp was bovendien verontwaardigd dat kritieken door literatoren er blijk van gaven het gewraakte boek niet te hebben gelezen. Maar daar gaat het niet om bij uitgeversinclusief opinisme. Hooguit frappeert dat Pol Hoste niet werd gevraagd. Zijn teksten hebben standaard- versus tussentaal gethematiseerd.
Zelf ken ik de studie des aanstoots evenmin (deed lang geleden slechts een acquitstootje). Beroepshalve ben ik meer geïnteresseerd in de praktijk. Vier prominente pleidooien vóór standaardtaal wil ik daarom bekijken op hun monolingualie.
Geert van Istendael maakt die poging bij voorbaat onmogelijk, omdat hij zich schijnbaar integraal van tussentaal bedient. Ik beperk me tot één zinnetje, dat op de opiniepagina in een kader werd herhaald: ‘Seg, gijle daar aan dunief, waar zijde gijle med u gedachte?’ Er lijken hier twee spellingen te wrikken: over ‘seg’ valt te twisten, maar ‘med’ is tussentaliger gemaakt dan nodig. Het persoonlijk voornaamwoord ‘gijle’ (dat voor de consequentie ‘geile’ had kunnen worden) is even overdreven. En waar ‘u’ fout is, betoont ‘gedachte’ zich weer correct standaardtalig, terwijl mijn geringe ervaring met het Vlaams suggereert dat het ‘gedacht’ zou zijn. Ik ontwaar kortom vooral interferentie.
Met, keurig gearceerde, tussentalige zinsneden begint ook Stefan Hertmans zijn verdedigingsrede. Vervolgens gebruikt hij bij ironische uitdrukkingen hoofdletters zoals Humo dat doet, zet de kwalificaties ‘fier’ en ‘tof’ in zoals dat in Olland nooit zou gebeuren, de frase ‘om maar iets te zeggen’ (die boven de rivieren zou afsluiten met ‘noemen’), ‘van thuis uit’ in plaats van ‘van huis uit’, ‘geplogenheden’…
Bij Dimitri Verhulst is het Zuid-Nederlands amper te turven (‘vijgen na Pasen’, ‘per malheur’, ‘humaniora’, ‘jota noch tittel’, ‘malgré’, ‘ik wou alleen hebben geïllustreerd’, ‘staat mij voor geen vijf cent aan’, ‘ha ja?’, ‘tiens’, ‘zotter, ‘de zogeheten volksmens’, ‘compromissoire’). Dat rijmt met zijn literatuuropvatting, die hem belet dat een grachtengordelredacteur uit een tas koffie een kopje koffie brouwt. Indien ik het goed begrijp, moet een jat koffie nu wel verbeterd.
Erwin Mortier ten slotte beheerst dialect én een geschreven taal, die hij geconstrueerd acht. Zij is inderdaad een opgeblonken Nederlands, tussen Bomans en Lampo. Mij boeit dat omdat een facet bloot komt dat geen van de literatoren benoemde: taal als koopwaar en lifestyle.
Zoals Mortier beantwoordt aan een verheven voorstelling van literariteit en per zin te marketen is, zo wekt Emile Roemer bij verkiezingen sympathie (en huiver) door zijn Brabants, waarin goedmoedigheid (en naïviteit) te beluisteren is. En zo ziet de Brusselse dependance van het datingbureau Berkeley International (lidgeld 4000 euro, jaarlijkse bijdrage 2000 euro) onder de wensen van haar niche ‘dezelfde status en financiële onafhankelijkheid, die ook na de uren uitdaagt’. Het standaardtaalwoord ‘uitdaging’ heeft nogal een context gekregen, die er tussentaal van maakt.
Goed blijven opletten dus, zoals het ultieme onderwijsboek Woutertje Pieterse wist: `Overal zal de oplettende waarnemer blijken dat het begrijpen van eenvoudige waarheden tot de zeldzaamheden behoort, en zelfs dat het niet berusten van sommigen hun door vakmensen wordt aangerekend als onpraktische buitensporigheid.’
Naschrift
Nu het aantal bezoekjes aan deze blog plots toeneemt en reacties gewoontegetrouw per mail komen, stel ik vast dat ironie niet het meest praktische voertuig is, en al helemaal niet bij een onderwerp dat zo gevoelig ligt. Misschien is het daarom goed nog even expliciet te zeggen dat ik wegens niet-aflatende veranderingen – en eigen ervaringen – onmogelijk kan geloven in ‘het’ Nederlands, ‘het Vlaams’ of ‘de tussentaal’. Ik trachtte in pleidooien voor zo’n standaard, gehouden door mensen wier toegeschreven stijl het argument is voor hun aanwezigheid op de opiniepagina, te laten zien dat ze ondergraven werden door hun eigen praktijk. Daarmee wou ik voor een keertje dus niet de imperialistische Hollander uithangen (en blunderen bij mijn perceptie van ‘gedachte’ versus ‘gedacht’). Naar mijn overtuiging is de homo sapiens, aangedreven door heterogene prikkels uit amper nog te ontlopen media tot en met de gsm, meer dan ooit een wandelende hybride.
Verder hebben teksten bij het begin van het nieuwe schooljaar mij de indruk gegeven dat zeg maar neoliberaal gedachtegoed zijn tentakels steviger om het spraakgebruik heeft geslagen: mensen die hun carrière een nieuwe wending hebben gegeven, die er hopelijk klaar voor zijn en er vervolgens voor gaan. Het is eenvoudig amerikanismen te onderscheppen, maar het zou spannender zijn te bedenken op welk moment ze niet meer als zodanig / dusdanig herkend worden. Uitdrukkingen als ‘je hebt aangegeven dat’ in plaats van ‘je hebt gezegd dat’ lijken ingeburgerd. Dan behoren ze niet meer tot de vorige toevloed uit een specifiek jargon, van het welzijnswerk.
In de muziek hebben op hun beurt acts als Flip Kowlier of Normaal dialect tot product weten te maken. Tegelijk dunkt me de ene tussentaal, met daaraan gekoppeld een geboortegrond, de andere niet. Limburgs in Nederland en West-Vlaams in België lijken toch wel een aparte status te hebben. Volgens mij hadden Wilders en Leterme nooit zo veel minachting in de media ondervonden, wanneer ze uit randstedelijke en Antwerpse contreien afkomstig waren geweest. En vergis ik me nu of exploiteert de sportjournalistiek regionale clichés? Ik heb het gevoel dat een ‘Kempense/Achterhoekse boerenzoon’ eerder een karakter is dan een mens.
Enfin, afijn.
De afgelopen dagen heb ik de indruk gekregen dat ik in zo'n toekomst leefde, geconfronteerd met het geheel vanzelfsprekend ingezette begrip standaardtaal. Misschien doordat ik in Nederland zowel boven als onder de grote rivieren gewoond heb en me inmiddels meer dan een decennium in België bevind, is die taal in mij een ratjetoe. De digitale spellingscontroleur heeft het maar makkelijk met ‘Nederlands (standaard)’ of ‘Nederlands (België)’. In mij tiktakken geheugen en dagelijksheid, waardoor ik op kritische momenten eerst navlooi en dan uitstoot. Mede door mijn hoop niet als Hollander het plaatselijke Vlaams te imiteren? Landgenoten die dat doen zijn zelden genietbaar.
Dat neemt niet weg dat ik wanneer iemand in de weg staat roep: ‘uit mijn garla’. Maar wie of wat garla mag wezen, een staatssecretaris, een schroevendraaier? Ook is me verzekerd dat degene die allerminst mijn bartype is, een ‘kloefkapper’ mag heten (in de zin van houwer, geen barbier). Wie kloef echter is, blijft een raadsel. In mij als redacteur rinkelt nog een belletje bij de ‘typische Vlaamse’ volgorde in constructies met twee hulpwerkwoorden. Maar als auteur moest ik er bij de eindredactie van mijn nieuwe boek (ja, ik durf er eentje toe te voegen) op worden gewezen, dat het hulpwerkwoord liever niet achter het voltooid deelwoord komt, da’s zo germanistisch.
We spreken dus over realiteiten, meervoud. Op mijn tongval worden al pastiches uitgesproken door het taalkundig genie: ‘Hei jai daar, ga jai auk mei?!’ Haar dictie is in de vakantie, terwijl ze redelijk gevrijwaard leek van dialect, Vlaamser geworden. Ze zegt aan het eind van een zin ineens ‘zunne’, normaliter een Hollands cliché in de imitatiedrang.
Standaardtaal van boven de rivieren, waarmee ik ben opgegroeid, is veranderd. Op vroege opnames leest de zogeheten arbeidersjongen Lucebert gedichten op een toon die in mijn jeugd al bekakt heette. Jarenlang sprak voor de radio Jan Starink ook zo’n geciseleerd Nederlands. In België, waar de discussie over standaardtaal oplaaide, wijzen beschuldigende vingers naar de commerciële omroep, maar indien in Nederland één zondebok aangewezen zou moeten worden, dan is dat de VARA. Deze toen socialistische publieke omroepvereniging verbreidde hoger Goois. Haar programma Kinderen voor kinderen heeft een ander patois aangericht, nog te horen bij iemand als Paul de Leeuw en bij provincialen die hogerop willen in de Randstad.
Spraakuitzondering door tijdelijkheid is regel. Ik snap de zorgen over de gevolgen. Moge er dan in de spiegel gekeken. Vooralsnog zijn essentialismen over ‘beschaving’, ‘cultuur’, ‘ideologie’ en ‘academici’ die met de publicatie van een studie de aanstichters van zijn geweest, griezelig vertrouwd in het debat. Taalkundige Marc van Oostendorp was bovendien verontwaardigd dat kritieken door literatoren er blijk van gaven het gewraakte boek niet te hebben gelezen. Maar daar gaat het niet om bij uitgeversinclusief opinisme. Hooguit frappeert dat Pol Hoste niet werd gevraagd. Zijn teksten hebben standaard- versus tussentaal gethematiseerd.
Zelf ken ik de studie des aanstoots evenmin (deed lang geleden slechts een acquitstootje). Beroepshalve ben ik meer geïnteresseerd in de praktijk. Vier prominente pleidooien vóór standaardtaal wil ik daarom bekijken op hun monolingualie.
Geert van Istendael maakt die poging bij voorbaat onmogelijk, omdat hij zich schijnbaar integraal van tussentaal bedient. Ik beperk me tot één zinnetje, dat op de opiniepagina in een kader werd herhaald: ‘Seg, gijle daar aan dunief, waar zijde gijle med u gedachte?’ Er lijken hier twee spellingen te wrikken: over ‘seg’ valt te twisten, maar ‘med’ is tussentaliger gemaakt dan nodig. Het persoonlijk voornaamwoord ‘gijle’ (dat voor de consequentie ‘geile’ had kunnen worden) is even overdreven. En waar ‘u’ fout is, betoont ‘gedachte’ zich weer correct standaardtalig, terwijl mijn geringe ervaring met het Vlaams suggereert dat het ‘gedacht’ zou zijn. Ik ontwaar kortom vooral interferentie.
Met, keurig gearceerde, tussentalige zinsneden begint ook Stefan Hertmans zijn verdedigingsrede. Vervolgens gebruikt hij bij ironische uitdrukkingen hoofdletters zoals Humo dat doet, zet de kwalificaties ‘fier’ en ‘tof’ in zoals dat in Olland nooit zou gebeuren, de frase ‘om maar iets te zeggen’ (die boven de rivieren zou afsluiten met ‘noemen’), ‘van thuis uit’ in plaats van ‘van huis uit’, ‘geplogenheden’…
Bij Dimitri Verhulst is het Zuid-Nederlands amper te turven (‘vijgen na Pasen’, ‘per malheur’, ‘humaniora’, ‘jota noch tittel’, ‘malgré’, ‘ik wou alleen hebben geïllustreerd’, ‘staat mij voor geen vijf cent aan’, ‘ha ja?’, ‘tiens’, ‘zotter, ‘de zogeheten volksmens’, ‘compromissoire’). Dat rijmt met zijn literatuuropvatting, die hem belet dat een grachtengordelredacteur uit een tas koffie een kopje koffie brouwt. Indien ik het goed begrijp, moet een jat koffie nu wel verbeterd.
Erwin Mortier ten slotte beheerst dialect én een geschreven taal, die hij geconstrueerd acht. Zij is inderdaad een opgeblonken Nederlands, tussen Bomans en Lampo. Mij boeit dat omdat een facet bloot komt dat geen van de literatoren benoemde: taal als koopwaar en lifestyle.
Zoals Mortier beantwoordt aan een verheven voorstelling van literariteit en per zin te marketen is, zo wekt Emile Roemer bij verkiezingen sympathie (en huiver) door zijn Brabants, waarin goedmoedigheid (en naïviteit) te beluisteren is. En zo ziet de Brusselse dependance van het datingbureau Berkeley International (lidgeld 4000 euro, jaarlijkse bijdrage 2000 euro) onder de wensen van haar niche ‘dezelfde status en financiële onafhankelijkheid, die ook na de uren uitdaagt’. Het standaardtaalwoord ‘uitdaging’ heeft nogal een context gekregen, die er tussentaal van maakt.
Goed blijven opletten dus, zoals het ultieme onderwijsboek Woutertje Pieterse wist: `Overal zal de oplettende waarnemer blijken dat het begrijpen van eenvoudige waarheden tot de zeldzaamheden behoort, en zelfs dat het niet berusten van sommigen hun door vakmensen wordt aangerekend als onpraktische buitensporigheid.’
Naschrift
Nu het aantal bezoekjes aan deze blog plots toeneemt en reacties gewoontegetrouw per mail komen, stel ik vast dat ironie niet het meest praktische voertuig is, en al helemaal niet bij een onderwerp dat zo gevoelig ligt. Misschien is het daarom goed nog even expliciet te zeggen dat ik wegens niet-aflatende veranderingen – en eigen ervaringen – onmogelijk kan geloven in ‘het’ Nederlands, ‘het Vlaams’ of ‘de tussentaal’. Ik trachtte in pleidooien voor zo’n standaard, gehouden door mensen wier toegeschreven stijl het argument is voor hun aanwezigheid op de opiniepagina, te laten zien dat ze ondergraven werden door hun eigen praktijk. Daarmee wou ik voor een keertje dus niet de imperialistische Hollander uithangen (en blunderen bij mijn perceptie van ‘gedachte’ versus ‘gedacht’). Naar mijn overtuiging is de homo sapiens, aangedreven door heterogene prikkels uit amper nog te ontlopen media tot en met de gsm, meer dan ooit een wandelende hybride.
Verder hebben teksten bij het begin van het nieuwe schooljaar mij de indruk gegeven dat zeg maar neoliberaal gedachtegoed zijn tentakels steviger om het spraakgebruik heeft geslagen: mensen die hun carrière een nieuwe wending hebben gegeven, die er hopelijk klaar voor zijn en er vervolgens voor gaan. Het is eenvoudig amerikanismen te onderscheppen, maar het zou spannender zijn te bedenken op welk moment ze niet meer als zodanig / dusdanig herkend worden. Uitdrukkingen als ‘je hebt aangegeven dat’ in plaats van ‘je hebt gezegd dat’ lijken ingeburgerd. Dan behoren ze niet meer tot de vorige toevloed uit een specifiek jargon, van het welzijnswerk.
In de muziek hebben op hun beurt acts als Flip Kowlier of Normaal dialect tot product weten te maken. Tegelijk dunkt me de ene tussentaal, met daaraan gekoppeld een geboortegrond, de andere niet. Limburgs in Nederland en West-Vlaams in België lijken toch wel een aparte status te hebben. Volgens mij hadden Wilders en Leterme nooit zo veel minachting in de media ondervonden, wanneer ze uit randstedelijke en Antwerpse contreien afkomstig waren geweest. En vergis ik me nu of exploiteert de sportjournalistiek regionale clichés? Ik heb het gevoel dat een ‘Kempense/Achterhoekse boerenzoon’ eerder een karakter is dan een mens.
Enfin, afijn.
Abonneren op:
Posts (Atom)












