Heinrich Böll bundelde in de jaren zeventig opiniestukken in Einmischung erwünscht. Klinkt die titel nu bespottelijk? Böll vestigde onder meer aandacht op bizarrerieën en consequenties van de voedselmarkt. Met name dat er voor de productie van vlees veel graan nodig is, omdat dieren eerst moeten groeien. De ratio herkennend van een toespraak uit 1974 door Schmidts voorganger Willy Brandt, beroept Böll zich op een tijdschriftartikel met dit voorbeeld: 8 pond graan is nodig voor 1 pond vlees. Dat lijkt een conservatieve schatting. Of ga ik te veel uit van het heden, waar de verhoudingen tot het niet echt rijkelijk beschikbaar blijvende water zijn: een kilo rundvlees op 15.000 liter water? Door omstandigheden ken ik ook cijfers van een ander product: voor 1 kopje koffie (20 centiliter) moet 140 liter water vloeien. Maar ik vrees dat zulke getallen weinig indruk maken, helemaal op een CEO: ‘In het bedrijfsleven kennen we leugens, grote leugens en statistieken.’ En het middenkader?
Vooral schetst Böll een ongebroken historische lijn van ongerijmde in- en export. Tijdens de Ierse hongersnood, midden in de negentiende eeuw, voerde het geplaagde land zoals bekend boter, vlees, graan en gerst uit, niet het minst naar Engeland, eigenaar. Vervolgens zaten de meeste vleeseters in de jaren zeventig nog exclusief in het rijke Westen. Voor de aanbouw van hun genot werden veevoer en kunstmest binnengehaald uit arme landen, liefst tegen afbraakprijzen. Bij wijze van ontwikkelingshulp gaat, smaalt Böll, een miniem deel van de winst retour – ware caritas.
Tegenwoordig is, tussen aanhoudende gevechten om het pre- of postkapitalistische been, de tegenstrijdigheid in de verhoudingen nog overzichtelijker. Er leven bijna 1 miljard mensen in extreme armoede, van wie meer dan twee derde boeren en boerinnen zijn.
Zulke feiten sterken mijn hereditair moralisme, waarmee ik regels van Koen Peeters over een fietstocht langs de Ruhr melancholiek kan vinden, maar jeukend:
Forellen die zwommen om gegeten die worden. Hoe ze die
doden: scheppen, een doek erom en zacht met een houten
knuppel slaan. Zacht maar hard.
Het is niet goed om alles te zien en te weten, te eten.
Allicht stuurt mijn moralisme mijn waarnemingen en relazen. Kwestie van Zuordnungsvoraussetzungen. Dit super-Duits jat ik uit Staande receptie. Daarin constateert Jos Joosten verrassend dat het mythische succes van Nederlandse literatuur in Duitsland ‘consumptievertalingen’ geldt – werk uit de canon is er goeddeels afwezig. Een bij de oosterburen succesvol auteur als Nooteboom had zich ook op het land gestort, terwijl Nederlandse auteurs zich van oudsher meer op de eigen cultuur zouden richten.
Joosten stelt de vraag of die houding provinciaal is. Zo geredeneerd zou, hoewel onderzoek naar de Celan-vertering in de Lage Landen een balans laat zien, België aantrekkelijker zijn wegens kosmopolitisme (uit zelfhaat). Daarnaast mag Staande receptie naar aanleiding van kritieken op Günter Grass’ Im Krebsgang introspectie en debat in de Nederlandse pers missen, het signaleert er wel een Europese gerichtheid. Volgens mij wil kaaskopkunde zelfs de toestand in de hele wereld bestrijken.
Onlangs zag ik in een koelkast een schaaltje afgedekt door een kliekjesbadmuts, een rond stuk plastic waarvan door de omtrek een elastiek loopt. In mijn ouderlijk huis kon zo, als restant van de maaltijd, een gekookte aardappel dagenlang bewaard blijven. Soms aten we die op, nevenschikkend (nooit conform de huidige recycling verwerkt in een ander gerecht), maar vaker vond de kliek, zeker in een volgestouwde koelkast, alsnog de weg naar de vuilnisbak.
De actie-in-tweede-instantie bevestigde het sexy instinct dat bewaren idioot was. Toch cirkelde ergens een besef dat, al was het omdat, hoe basaal routineus ook, geen van de gezinsleden had omgekeken naar de materie onder de kliekjesbadmuts, weggooien niet betaamde. Verder staat mij in deze categorie het gorgelen van de gootsteen bij, wanneer melk werd weggegoten omdat hij over de datum was. Dit gegeven – een van de meer of minder kwestieuze verschillen – is in pasteuriserend én steriliserend België onalledaags. Nu weet ik binnen een straal van dertig kilometer twee automaten aan boerderijen waar die verse waar kan worden getapt. De analoog aan het populaire ‘hoeveijs’ verwachte naam ‘hoevemelk’ zwicht onder ‘rauwe melk’.
Is dit de zoveelste aflevering van Opa vertelt? Je hoeft geen Feuerbach-pagina open te slaan om te beseffen dat eten de sleutel is bij vragen van micro- tot macroniveau. Onlangs was er een documentaire over jonge vrouwen ‘in een zoektocht naar wat hen gelukkig maakt’. Ik vond de ene nog innemender dan de andere maar kon geen toegang krijgen tot wat ze beweerden, zodat ik een relaps kreeg naar mijn tienjarigheid bij het aanschouwen van het nummer ‘Girls’ door Moments and Whatnauts. Twee beelden uit de documentaire deden mij echter opveren. Eerst was er de vrouw die dineerde achter de schermen van haar laptop en smartphone. Daarna was er de vrouw die boven haar bord een hardplastic verpakking opentrok en daaruit een salade kieperde, een potje met kruiden en een flesje met dressing.
Beide activiteiten hebben een rendement dat de kliekjesbadmuts ambieerde. Maar zij zijn existentieel, terwijl ik verkleefd geraakt ben met het potentiële. Een briljante variant daarop leek me te worden gepresenteerd door een ecologisch zelfbedieningsrestaurant, dat klanten liet betalen naar rato van het gewicht dat ze op hun bord schepten. Wel was het brute pech dat bijna niets mij smaakte. Dan wordt de prijs ook voor mij een bezwaar, benevens de vreugdeloze aanblik van voedsel met de aantrekkelijkheid van gegratineerd krantenpapier.
Dan mag men mij Mac noemen. Hopelijk wordt de drie keren per week dat de momenteel geplaagde clarissen vlees op hun brood schijnen te mogen eten, opperkeurslagerkwaliteit geserveerd. Als ons eerste gerecht na de Belgische grens gepasseerd te zijn: tongrolletjes in mousselinesaus, waar wat garnalen doorheen zwommen.
‘Maar daar zit toch helemaal geen vlees in?’
‘Snap je nu hoe fantastisch het was?’
dinsdag 21 augustus 2012
maandag 13 augustus 2012
Gutbürgerlich (3)
Geloof boeken niet. Na Jeroen Kuipers’ Het andere Duitsland. De voormalige DDR, 20 jaar na de val van de Muur had ik me op het ergste voorbereid. Hij vermeldt iemand die een held en pionier was met een fietstocht door het voormalige Oostblokland (toen ontwikkelingshulp nog niet zo ter discussie stond). Paden bleken echter aardig bewegwijzerd, er was redelijk wat accommodatie en, natuurlijk, het eten viel best mee. Zijn dat nuances, te vinden in de bundel van Niemöller, die brede assortimenten verse westerse waar citeert én de klacht Oost-Duitse mosterd niet meer te kunnen vinden en het te moeten stellen met chemische smaak? Ligt de waarheid in het midden? Het wemelde van de koffiezaken, waar tot aan de tuitjes opgepoetste machines je in de verchroming van je portemonnee aanstaarden en een bestelling in het ‘to go’-genre werd beantwoord met een schenking uit een warmhoudkan.
Ook de rondgetoeterde, door statistieken nochtans tegengesproken waarschuwing voor het gevaarlijke alledaagse leven op straat viel in Duitsland lastig te bevestigen. Maar mogelijk zullen medeburgers op hun beurt roepen: geloof statistieken niet. In zijn studie Wat een hufter! die hier al eens ter sprake kwam, legt Bas van Stokkom uit dat bij hoger opgeleiden ‘vervaging van normen’ en bij lager opgeleiden ‘criminaliteit’ een item is. Hij schreef dit voor de inburgering van Twitter dat, zoals reacties op Zomergasten onderstrepen, het verschil tussen die groepen onklaar heeft gemaakt.
Feiten ruimen bij de trending topics van het gemoed snel het veld voor beleving. Zo schijnen ouderen en vrouwen zich het onveiligst te voelen, terwijl jongeren en mannen het vaakst slachtoffer zijn van criminaliteit, en dan niet in slaapsteden waar de grootste angst zou heersen. (Volgens Brinkgreve en Van Stolk hadden wat in de jaren negentig ‘kansarmen’ heette, angst en wantrouwen voor wat zich buitenshuis afspeelde. Men plooide zich terug op het gezin.)
‘Criminaliteit’ blijkt bovenal een metafoor voor ellende en geklungel, zeker in tijden van verkiezingen gretig gebruikt in partijprogramma’s. Buitentekstueel wel toegenomen is nochtans agressie, vooral in de vorm van bedreigingen. Zou tegen dat geweld wegkijken nog immer de remedie zijn? Een bezoek aan Duitsland kan heilzaam wezen. Vriendelijk dat men daar is! Vaker is gesignaleerd dat je nog geen twee seconden op je kaart kunt turen, of je wordt al aangesproken met een waarachtig hulpaanbod.
De werkelijkheid is wellicht ook een kwestie van geluk: in hartje Berlijn vergat ik mijn fiets op slot te zetten, merkte ik na twee uur. Maar geluk is met de domme, weet het spreekwoord. Of dwing je geluk af, volgens meritocratische wetten? (Van huis uit signaleert, dus nog geen twintig jaar geleden, ontwikkelingen in Amerika waar huiver voor sociale daling heerste. Ook al had men betamelijk gestudeerd, deze investering hoefde geen vruchten af te werpen. De dwang tot presteren groeide, maar Brinkgreve en Van Stolk verzekeren dat er in de Lage Landen wel een vangnet is bij werkloosheid en ziekte.)
Terug thuis bood een glimp op de toekomst een jochie dat in de slagerij zijn gratis plakje vlees naar zijn moeder bracht die er uit haar tas een sandwich mee belegde. Is dat milieubewust, slim en hoort zo’n moeder tot hen die Van Stokkom tot hoger opgeleiden rekende? Of wordt juist van de nood een deugd gemaakt? Er zijn steeds meer statistieken te geloven of te verwerpen, in een keten van te financieren fenomenen. De glimp kan refereren aan het gewicht van ‘kinderen van werkende ouders’, aan kosten van de gezondheidszorg en het type verzekering…
Hegeliaan Feuerbach schijnt aan de basis te hebben gestaan van de niet te ontlopen these dat man ist was mann isst. En wat men er zoal omheen bedenkt? Zelden zo’n voorbeeld van een postideologische naam getroffen als in de Nederlandse website frietopia. Ik stuitte erop bij een winkel in Vlaamse Friet, verkocht in de gewichtsklassen Schanulleke, Urbanus en Obelix. De laatste figuur stamt inderdaad uit een gebied ten zuiden van de grote rivieren, maar ik denk dat Vlamingen vreemd opkijken wanneer ze voor een grote portie meer dan 4 euro moeten neertellen.
Ik snap dat het product Vlaamse Friet de laatste decennia nogal wat betekent te Nederland, en het een markt- en smaakcorrectie wil zijn op de ‘patat’ die onder een rode lamp vandaan gehaald werd. Die past niet meer bij de huidige lifestyle. ‘Patat’ valt onder hetzelfde gamma als het ‘broodje kroket’ (persoonlijk eet ik bij wijze van homeopathie liever satékroketten uit de muur). Of als de ‘appeltaart’ uit de diepvries, op gezicht gebracht door een spuitfles slagroom.
Wat willen we zien? Door Niemöllers boek loopt bij de geïnterviewden een dubbele constante: een aversie van het naziverleden die zich uit in de benaming van de Muur als Antifaschistische Schutzwall, plus de bewering dat ze al het gruwelijks dat in DDR gebeurde ‘niet hadden geweten’. Zeker in het kluwen van de hereniging moeten gevoelens complex zijn geweest. Tegenover het communisme signaleert Niemöller een soortement ondanks-alles-principe: amper uit te bannen geloof in de idee, waarbij een structureel bedrijfsongeval heeft plaatsgevonden tijdens het ‘overplanten in de werkelijkheid’. De constatering dat theorie en praktijk niet echt parallel liepen gaat een paar fases voorbij de dialectiek. Maar zelfs door de dag waren er gunstige voorwaarden: vakantiekampen vanuit het bedrijf, vast werk voor iedereen en, opmerkelijk, een ecologisch aandoende recycling tot en met vuilverwerking van andere landen.
Vergelijk dat laatste eens met een – voor Twitter te lange en genuanceerde – uitspraak van de West-Duitse bondskanselier Helmut Schmidt uit 1976: ‘Niemand zou zich moeten laten beïnvloeden door de geleerden van de Club van Rome die ons verteld hebben dat we allemaal weer terug moeten naar het eenvoudige bestaan. Daar zijn we niet voor gekomen, en daar werken we ook niet voor. Diogenes kon in zijn ton leven en was daarmee tevreden. Maar hij was een filosoof, en dat zijn wij allen meestal niet.’
Geloof rapporten niet, zei Schmidt feitelijk. Geen wonder dat hij tegenkanting kreeg.
Ook de rondgetoeterde, door statistieken nochtans tegengesproken waarschuwing voor het gevaarlijke alledaagse leven op straat viel in Duitsland lastig te bevestigen. Maar mogelijk zullen medeburgers op hun beurt roepen: geloof statistieken niet. In zijn studie Wat een hufter! die hier al eens ter sprake kwam, legt Bas van Stokkom uit dat bij hoger opgeleiden ‘vervaging van normen’ en bij lager opgeleiden ‘criminaliteit’ een item is. Hij schreef dit voor de inburgering van Twitter dat, zoals reacties op Zomergasten onderstrepen, het verschil tussen die groepen onklaar heeft gemaakt.
Feiten ruimen bij de trending topics van het gemoed snel het veld voor beleving. Zo schijnen ouderen en vrouwen zich het onveiligst te voelen, terwijl jongeren en mannen het vaakst slachtoffer zijn van criminaliteit, en dan niet in slaapsteden waar de grootste angst zou heersen. (Volgens Brinkgreve en Van Stolk hadden wat in de jaren negentig ‘kansarmen’ heette, angst en wantrouwen voor wat zich buitenshuis afspeelde. Men plooide zich terug op het gezin.)
‘Criminaliteit’ blijkt bovenal een metafoor voor ellende en geklungel, zeker in tijden van verkiezingen gretig gebruikt in partijprogramma’s. Buitentekstueel wel toegenomen is nochtans agressie, vooral in de vorm van bedreigingen. Zou tegen dat geweld wegkijken nog immer de remedie zijn? Een bezoek aan Duitsland kan heilzaam wezen. Vriendelijk dat men daar is! Vaker is gesignaleerd dat je nog geen twee seconden op je kaart kunt turen, of je wordt al aangesproken met een waarachtig hulpaanbod.
De werkelijkheid is wellicht ook een kwestie van geluk: in hartje Berlijn vergat ik mijn fiets op slot te zetten, merkte ik na twee uur. Maar geluk is met de domme, weet het spreekwoord. Of dwing je geluk af, volgens meritocratische wetten? (Van huis uit signaleert, dus nog geen twintig jaar geleden, ontwikkelingen in Amerika waar huiver voor sociale daling heerste. Ook al had men betamelijk gestudeerd, deze investering hoefde geen vruchten af te werpen. De dwang tot presteren groeide, maar Brinkgreve en Van Stolk verzekeren dat er in de Lage Landen wel een vangnet is bij werkloosheid en ziekte.)
Terug thuis bood een glimp op de toekomst een jochie dat in de slagerij zijn gratis plakje vlees naar zijn moeder bracht die er uit haar tas een sandwich mee belegde. Is dat milieubewust, slim en hoort zo’n moeder tot hen die Van Stokkom tot hoger opgeleiden rekende? Of wordt juist van de nood een deugd gemaakt? Er zijn steeds meer statistieken te geloven of te verwerpen, in een keten van te financieren fenomenen. De glimp kan refereren aan het gewicht van ‘kinderen van werkende ouders’, aan kosten van de gezondheidszorg en het type verzekering…
Hegeliaan Feuerbach schijnt aan de basis te hebben gestaan van de niet te ontlopen these dat man ist was mann isst. En wat men er zoal omheen bedenkt? Zelden zo’n voorbeeld van een postideologische naam getroffen als in de Nederlandse website frietopia. Ik stuitte erop bij een winkel in Vlaamse Friet, verkocht in de gewichtsklassen Schanulleke, Urbanus en Obelix. De laatste figuur stamt inderdaad uit een gebied ten zuiden van de grote rivieren, maar ik denk dat Vlamingen vreemd opkijken wanneer ze voor een grote portie meer dan 4 euro moeten neertellen.
Ik snap dat het product Vlaamse Friet de laatste decennia nogal wat betekent te Nederland, en het een markt- en smaakcorrectie wil zijn op de ‘patat’ die onder een rode lamp vandaan gehaald werd. Die past niet meer bij de huidige lifestyle. ‘Patat’ valt onder hetzelfde gamma als het ‘broodje kroket’ (persoonlijk eet ik bij wijze van homeopathie liever satékroketten uit de muur). Of als de ‘appeltaart’ uit de diepvries, op gezicht gebracht door een spuitfles slagroom.
Wat willen we zien? Door Niemöllers boek loopt bij de geïnterviewden een dubbele constante: een aversie van het naziverleden die zich uit in de benaming van de Muur als Antifaschistische Schutzwall, plus de bewering dat ze al het gruwelijks dat in DDR gebeurde ‘niet hadden geweten’. Zeker in het kluwen van de hereniging moeten gevoelens complex zijn geweest. Tegenover het communisme signaleert Niemöller een soortement ondanks-alles-principe: amper uit te bannen geloof in de idee, waarbij een structureel bedrijfsongeval heeft plaatsgevonden tijdens het ‘overplanten in de werkelijkheid’. De constatering dat theorie en praktijk niet echt parallel liepen gaat een paar fases voorbij de dialectiek. Maar zelfs door de dag waren er gunstige voorwaarden: vakantiekampen vanuit het bedrijf, vast werk voor iedereen en, opmerkelijk, een ecologisch aandoende recycling tot en met vuilverwerking van andere landen.
Vergelijk dat laatste eens met een – voor Twitter te lange en genuanceerde – uitspraak van de West-Duitse bondskanselier Helmut Schmidt uit 1976: ‘Niemand zou zich moeten laten beïnvloeden door de geleerden van de Club van Rome die ons verteld hebben dat we allemaal weer terug moeten naar het eenvoudige bestaan. Daar zijn we niet voor gekomen, en daar werken we ook niet voor. Diogenes kon in zijn ton leven en was daarmee tevreden. Maar hij was een filosoof, en dat zijn wij allen meestal niet.’
Geloof rapporten niet, zei Schmidt feitelijk. Geen wonder dat hij tegenkanting kreeg.
dinsdag 7 augustus 2012
Gutbürgerlich (2)
Helga Aufschrey arriveert na een omweg in haar geboortestad Dülmen. Als gezegd schrijven we 1962, de Muur stond er net, en vaderlief haalt haar van het station. Volgens hem worden de aanhoudende rellen tussen jeugd en politie in Helga’s schier immense studiestad München veroorzaakt door ‘tuig’ en ‘nozems’. Helga weet dat Hermann Simon er iets mee te schaften heeft, een muzikant op wie ze half en half verliefd is.
Ze zwemt met twee jeugdvriendinnen, gaat met hen naar de film, eet in hetzelfde koesterende gezelschap een broodje brat- of bockwurst en loopt, in dit gat te Westfalen, Hermann tegen het lijf. Al liftende naar Sylt is hij gestrand in Dülmen, waar hij een slaapplaats zoekt. Hij is reeds de deur gewezen door Helga’s inwonende grootmoeder.
Boven een banketbakkerij waar een van de vriendinnen werkt, mag ‘het verfijnde heerschap uit München’ verblijven. De drie vrouwen voeren hem slagroomtaart en wijn, terwijl hij piano speelt en, om de bewijzen van de politionele interventies te balsemen, van zijn bovenkleding wordt ontdaan. (Door te eten stijgt de stemming werkelijk, net als in Schultze Gets the Blues , waar de uitheemse muziek des hoofdpersoons Oost-Duitse vrienden pas overtuigt na het eten van jambalaya ‘uit Louisiana’). Voordat het tafereeltje trekken krijgt van een orgie, valt Helga flauw.
Daags erna wordt ze 23, wat in familiekring wordt gevierd. Bij een etentje is het voedsel zo traditioneel dat de à l’improviste de politesse uitgenodigde Hermann diep moet nadenken wanneer hij het voor het laatst, tot genoegen, gegeten heeft. In een domesticatiepoging wordt hij geacht ook hier piano te spelen. Van een van Helga’s vriendinnen krijgt Hermann een seksueel aanzoek.
Het sfeertje komt DDR-achtig over. Dan baseer ik me op de oral history die Joost Niemöller vlak na de hereniging bedreef in Over de Muur. Oostduitse levensverhalen. Een deel van ‘het systeem’ wordt er onder meer aldus uitgeduid, dat eten existeert bij de gratie van een beperkte kring, ofwel het werk ofwel de familie. Memorabel aan het interviewboek, en te verbinden met zeker deze Heimat-aflevering, is eveneens de schaamte van de partijen voor elkaar, drüben.
De feestmaaltijd wordt gedomineerd door een demonstratief alcoholzuchtige grootmoeder. Doordat Helga even vulgair haar familie voor bekrompen uitmaakt, komt het gezelschap niet toe aan de koffie, die geen overlap vertoond zou hebben met het brouwsel uit de vakliteratuur op basis van stro, drop en geblakerde bonen. Ze vlucht naar de bovenverdieping, vastbesloten zich te laten ontmaagden door Hermann. De kamer van Helga, enig kind, is intact gebleven, en de fauna aan knuffels contrasteert met het lingeriesetje dat ze, tot verbazing van Hermann, aangetrokken heeft. De prominente aanwezigheid van de grootmoeder frustreert een intiem samenzijn.
Buiten lijkt een zondvloed gaande. Desalniettemin vlucht Hermann, die met het vrouwenaanbod kop of munt heeft gespeeld, en gaat in op de avances van Helga’s vriendin. Zij was verpleegster, ontmoette een gynaecoloog en maakte met hem een tweeling. Behalve ervaren is ze elf jaar ouder dan Hermann. Na de daad bakt ze varkenslapjes en wordt melancholiek.
De aflevering heet Das Spiel mit der Freiheit. Ze is in mijn herinnering gegrift als twist tussen eigenmachtigheid en noodlot. Voor mij lokaliseert Dülmen claustrobisch falen en willekeur.
Voor de vakantie werd ik eraan herinnerd – lezen is composteren – door Christine Brinkgreve en Bram van Stolks Van huis uit. Een onderzoek naar sociale erfenissen. De groepsverhalen zullen schematisch zijn, maar details dochten me geloofwaardig. Bijvoorbeeld het blinde arbeidsethos bij gereformeerden, met de hypothese dat er significant veel inwoners van het zwartbekousde Putten in het concentratiekamp stierven omdat ze niet wisten wat rusten was. Of het beheersingsideaal bij communisten, waarbij emotie als een luxe gold – een vrouw die ook anti-zielig, anti-angst, anti-zwak, anti-gezellig, anti-onmacht was…
En nu staat, nog voordat de burgemeester van Londen had beweerd dat er op de Olympische Spelen meer gouden, zilveren en bronzen medailles gewonnen gingen worden dan de bailout van Griekenland en Spanje samen, Dülmen op onze palmares! Door dezelfde Romeinse poort waar zowel Helga als Hermann de stad binnenkwam, fietsten wij in de nota bene stromende regen, op zoek naar een bakker. Die was niet snel gevonden, in tegenstelling tot boekhandels. Uiteindelijk vonden we twee bakkerijen naast elkaar.
De ene was een broodjeszaak van het type waar sommige jongeren ontbijten op chocopasta met cola. Gelet op het helse weer kozen we voor de biowinkel ernaast, die einfach genießen propageerde. Bij die leuze schoot me een lucide bewering van Helmut Lotti te binnen: dat zakenlunches onbegrijpelijk zijn, omdat eten iets is waarnaar slechts volle concentratie kan uitgaan.
Het einfach genießen kostte vanzelfsprekend wat, het dubbele ongeveer van wat de buurman aanrekende. Mij lijkt deze realiteit op termijn problematisch. Hoe kan het gezondste voedsel het duurste zijn? Economisch en productietechnisch is dat evident, maar bestaat er niet zoiets als een overheid om zaken recht te trekken? Ik ben geen principiële pragmatist en gehoorzaam evenmin beeldvorming, maar zoals het lastig uit te leggen valt dat op containerparken allerlei afval gratis mag gebracht en voor de aangifte van asbest betaling noodzakelijk is, zo hoort gezond voedsel goedkoop te zijn.
De ironie is nogal apart dat sinds Kim Jong-un aan de macht is, verbreding van het gamma in Noord-Korea bestaat uit friet en hamburgers. Als het nu nog ging om spek en bonen… À propos, gaat die goedbedoelende uitdrukking vervangen worden, nu de wereld zich aan het opwarmen blijft?
Voltooi de verhalen. Ik dacht de biowinkel te slim af te zijn door voor dat grove geld een enorm glinsterend baksel aan te schaffen, maar het bleek een (als ‘politiek correct’ aan te duiden?) fruitpourri die een nacht had geweekt in een bepaald graan met bier en yoghurt. De naam heb ik verdrongen, maar anders dan het taalkundig genie en de gourmande vond ik het heerlijk. En mijn papillen kunnen het weten, na door tabak en allergiebedwingende medicijnen jarenlang sprakeloos te zijn gemaakt.
Bijna transcendent interessant. Wat was het eerste gerecht terug in België?
Ze zwemt met twee jeugdvriendinnen, gaat met hen naar de film, eet in hetzelfde koesterende gezelschap een broodje brat- of bockwurst en loopt, in dit gat te Westfalen, Hermann tegen het lijf. Al liftende naar Sylt is hij gestrand in Dülmen, waar hij een slaapplaats zoekt. Hij is reeds de deur gewezen door Helga’s inwonende grootmoeder.
Boven een banketbakkerij waar een van de vriendinnen werkt, mag ‘het verfijnde heerschap uit München’ verblijven. De drie vrouwen voeren hem slagroomtaart en wijn, terwijl hij piano speelt en, om de bewijzen van de politionele interventies te balsemen, van zijn bovenkleding wordt ontdaan. (Door te eten stijgt de stemming werkelijk, net als in Schultze Gets the Blues , waar de uitheemse muziek des hoofdpersoons Oost-Duitse vrienden pas overtuigt na het eten van jambalaya ‘uit Louisiana’). Voordat het tafereeltje trekken krijgt van een orgie, valt Helga flauw.
Daags erna wordt ze 23, wat in familiekring wordt gevierd. Bij een etentje is het voedsel zo traditioneel dat de à l’improviste de politesse uitgenodigde Hermann diep moet nadenken wanneer hij het voor het laatst, tot genoegen, gegeten heeft. In een domesticatiepoging wordt hij geacht ook hier piano te spelen. Van een van Helga’s vriendinnen krijgt Hermann een seksueel aanzoek.
Het sfeertje komt DDR-achtig over. Dan baseer ik me op de oral history die Joost Niemöller vlak na de hereniging bedreef in Over de Muur. Oostduitse levensverhalen. Een deel van ‘het systeem’ wordt er onder meer aldus uitgeduid, dat eten existeert bij de gratie van een beperkte kring, ofwel het werk ofwel de familie. Memorabel aan het interviewboek, en te verbinden met zeker deze Heimat-aflevering, is eveneens de schaamte van de partijen voor elkaar, drüben.
De feestmaaltijd wordt gedomineerd door een demonstratief alcoholzuchtige grootmoeder. Doordat Helga even vulgair haar familie voor bekrompen uitmaakt, komt het gezelschap niet toe aan de koffie, die geen overlap vertoond zou hebben met het brouwsel uit de vakliteratuur op basis van stro, drop en geblakerde bonen. Ze vlucht naar de bovenverdieping, vastbesloten zich te laten ontmaagden door Hermann. De kamer van Helga, enig kind, is intact gebleven, en de fauna aan knuffels contrasteert met het lingeriesetje dat ze, tot verbazing van Hermann, aangetrokken heeft. De prominente aanwezigheid van de grootmoeder frustreert een intiem samenzijn.
Buiten lijkt een zondvloed gaande. Desalniettemin vlucht Hermann, die met het vrouwenaanbod kop of munt heeft gespeeld, en gaat in op de avances van Helga’s vriendin. Zij was verpleegster, ontmoette een gynaecoloog en maakte met hem een tweeling. Behalve ervaren is ze elf jaar ouder dan Hermann. Na de daad bakt ze varkenslapjes en wordt melancholiek.
De aflevering heet Das Spiel mit der Freiheit. Ze is in mijn herinnering gegrift als twist tussen eigenmachtigheid en noodlot. Voor mij lokaliseert Dülmen claustrobisch falen en willekeur.
Voor de vakantie werd ik eraan herinnerd – lezen is composteren – door Christine Brinkgreve en Bram van Stolks Van huis uit. Een onderzoek naar sociale erfenissen. De groepsverhalen zullen schematisch zijn, maar details dochten me geloofwaardig. Bijvoorbeeld het blinde arbeidsethos bij gereformeerden, met de hypothese dat er significant veel inwoners van het zwartbekousde Putten in het concentratiekamp stierven omdat ze niet wisten wat rusten was. Of het beheersingsideaal bij communisten, waarbij emotie als een luxe gold – een vrouw die ook anti-zielig, anti-angst, anti-zwak, anti-gezellig, anti-onmacht was…
En nu staat, nog voordat de burgemeester van Londen had beweerd dat er op de Olympische Spelen meer gouden, zilveren en bronzen medailles gewonnen gingen worden dan de bailout van Griekenland en Spanje samen, Dülmen op onze palmares! Door dezelfde Romeinse poort waar zowel Helga als Hermann de stad binnenkwam, fietsten wij in de nota bene stromende regen, op zoek naar een bakker. Die was niet snel gevonden, in tegenstelling tot boekhandels. Uiteindelijk vonden we twee bakkerijen naast elkaar.
De ene was een broodjeszaak van het type waar sommige jongeren ontbijten op chocopasta met cola. Gelet op het helse weer kozen we voor de biowinkel ernaast, die einfach genießen propageerde. Bij die leuze schoot me een lucide bewering van Helmut Lotti te binnen: dat zakenlunches onbegrijpelijk zijn, omdat eten iets is waarnaar slechts volle concentratie kan uitgaan.
Het einfach genießen kostte vanzelfsprekend wat, het dubbele ongeveer van wat de buurman aanrekende. Mij lijkt deze realiteit op termijn problematisch. Hoe kan het gezondste voedsel het duurste zijn? Economisch en productietechnisch is dat evident, maar bestaat er niet zoiets als een overheid om zaken recht te trekken? Ik ben geen principiële pragmatist en gehoorzaam evenmin beeldvorming, maar zoals het lastig uit te leggen valt dat op containerparken allerlei afval gratis mag gebracht en voor de aangifte van asbest betaling noodzakelijk is, zo hoort gezond voedsel goedkoop te zijn.
De ironie is nogal apart dat sinds Kim Jong-un aan de macht is, verbreding van het gamma in Noord-Korea bestaat uit friet en hamburgers. Als het nu nog ging om spek en bonen… À propos, gaat die goedbedoelende uitdrukking vervangen worden, nu de wereld zich aan het opwarmen blijft?
Voltooi de verhalen. Ik dacht de biowinkel te slim af te zijn door voor dat grove geld een enorm glinsterend baksel aan te schaffen, maar het bleek een (als ‘politiek correct’ aan te duiden?) fruitpourri die een nacht had geweekt in een bepaald graan met bier en yoghurt. De naam heb ik verdrongen, maar anders dan het taalkundig genie en de gourmande vond ik het heerlijk. En mijn papillen kunnen het weten, na door tabak en allergiebedwingende medicijnen jarenlang sprakeloos te zijn gemaakt.
Bijna transcendent interessant. Wat was het eerste gerecht terug in België?
maandag 30 juli 2012
Gutbürgerlich (1)
Welja, schuif het op Goethes bordje. Hij schijnt de bedenker geweest van de ‘tedere empirie’, die zich zo innig met het onderwerp vereenzelvigt dat ze de eigenlijke theorie wordt. Want hoe stond de Nederlandse keuken er ook alweer voor? Over dit item met onkinderachtige consequenties rezen vragen, terwijl ik fietste door een fameus mooi Duits landschap. Misschien is het een broodje aap (met een gevoelige prijs-kwaliteitsverhouding) dat in de negentiende eeuw in de voornoemde keuken de saus afgeschaft werd omdat de bereiding te veel tijd kostte. Zou er een verband bestaan met de mare dat ramen in panden van de Amsterdamse School miniem zijn opdat huisvrouwen niet eventjes naar buiten konden leunen voor een buurbabbeltje?
Tamelijk zeker dunkt me dat het tussen Nederland en sauzen niet botert. Ik schrik nog wakker wanneer ik terugdenk aan medebewoners uit het ‘vrije huis’ die in recordtempo een maaltijd bereidden waar steevast een poedertje in verdween dat aangelengd moest met water, melk of een combinatie daarvan en een specifieke mix beloofde. Inmiddels schijnt het aan de absolute top goed te zijn in culinair Nederland, bestrooid met sterren van Michelin en andere guides, maar de basis heeft mij zo argwanend gemaakt dat ik er het liefst een Chinees aandoe.
Door de opkomst van de ampersandeconomie hebben naar mijn indruk boven-Moerdijkse koks spatjes gekregen. Indien er echt niet aan te ontkomen valt, weet ik in hun opvallend schaars verlichte gastronomische centra één ding zeker: nooit salades, vleesbereidingen of desserts ‘van de chef’ bestellen.
Wij kennen elkaar door wat wij doen, want daaruit wordt tevens duidelijk wat wij niet doen, door onze keuze in gedragsmogelijkheden, want daaruit wordt tevens duidelijk welke mogelijkheden we niet kiezen, door wat wij zeggen, want daaruit wordt duidelijk wat wij niet zeggen (wat iets anders is dan verzwijgen).
Misschien staat eten in Nederland in het teken van iets anders, ooit functionaliteit en nu blingblingkwaliteit? Mij schoot die hypothese te binnen na een schitterende uitspraak in het boek Verlangen naar vernieuwing van Maarten van den Bos, als anno 1964, tijdens debatten in de Nederlandse katholieke kerk vanwege het Tweede Vaticaans Concilie, een pater het verschijnsel transsubstantiatie toelicht:
Wanneer wij ergens op bezoek gaan, zal de vrouw des huizes haar welkom uitdrukken in het aanbieden van thee met een koekje, dus in het algemeen menselijke symbool van spijs en drank. Tot dusver hadden dit koekje en deze thee slechts betekenis als middel tot onderhoud van de lichamelijke functies. Op het ogenblik echter dat het koekje en de thee worden aangewend als gaven, veranderen zij: zij zijn tekenen van vriendschap geworden.
Nee, dan Duitsland. Een ongrijpbare pretentieloosheid heeft de keuken daar in bezit. Het idee dat men in Nederland gutbürgerlich een aanprijzing zou achten! Maar het klopt en, gewend geraakt zijnde aan ietwat uitbundige spekjestoevoegingen en paneerdrift, het smaakt. De porties laten tenminste geen ruimte voor trek en ze zijn vers bereid, met een overijverige kwantiteit groentes. Mooi vond ik het respect voor de ui, in autonomie. Regelrecht ontroeren deed me zelfs de rehabilitatie van het blaadje kropsla. Sinds de introductie in Nederland van de ijsbergsla – feitelijk een soort geelgroene waterbom – en een industrie aan voorgewassen rucola’s en lollo rosso’s lijkt het fini met die sympathieke delicatesse.
(Wat is dat toch dat ik me met gulzige essentialismen steeds weer wil verhouden tot een land waar ik niet meer woon? Heimwee kan zo dikwijls en zo stormachtig zijn opgestoken en weer gedoofd dat hij door herhaling betekenisloos wordt, een routineheimwee. Er kan, als je niet goed uitkijkt, iets van heimwee naar het heimwee zelf ontstaan. Wil je ergens zijn omdat je er juist niet bent of wil je ergens zijn omdat je er graag bent?)
Bovenal is het eten in Duitsland betaalbaar. Voor de prijs van een gemiddelde dagschotel valt in Nederland nog geen kindermenu te krijgen. Van laatstgenoemd fenomeen ben ik sinds deze vakantie eveneens beter op de hoogte, alsook van enige gevoeligheden ter zake.
Nu ze bijna twee is, stelt de gourmande er een eer in om, het liefst in recordtempo, de spaghetti bolognese eigenhandig op te eten: het meeste raakt zelfs amper haar slab voor het onder tafel verdwijnt. En hoewel het taalkundig genie zegt dat ‘het onbeleefd is je tong uit te steken maar bij ijs niet’, houdt ze haar mond plots veelal dicht indien er gegeten moet.
Er verstilden nogal wat kindermenu’s. Aldus geschiedde het dat vader bord na bord in zijn kanis leegschepte en tussendoor zalvend sprak over ‘kindjes in Afrika en China’ en zijn eigen ouders terughoorde. Elk gezin zijn geplogenheden, maar vermoedelijk was mijn geboortehuis niet het enige waar er nooit ofte nimmer eten mocht worden weggegooid. Vanzelfsprekend kwam deze overtuiging voort uit de oorlog. Er was dan ook een keldervoorraad waarop kon worden geteerd. Blikken met erwtjes, sperzieboontjes, bruine bonen, leverpastei, corned beef en smac (visionaire Amerikaanse betiteling: spam) kregen hooguit elk halfjaar controle op de houdbaarheidsdatum.
Van dat standpunt, dat desastreus aan actualiteit heeft gewonnen, moet ik een tic hebben meegekregen. Nu ja, na de middelbare school dan, toen boterhammen vooral in en rond nog druk door het insectenwezen in plaats van The Muffinman bezochte vuilnisbakken lagen. Een begrip als ‘ramadan’, in welke variant ook, was nagenoeg onbekend, terwijl ‘vasten’ al uit de mode was geraakt. En het andere ethische eetargument, dat er dieren moeten lijden om de mens aan zijn gerief te helpen, daarom bekreunden mijn ouders zich niet.
Is het standpunt dus niet generatiegebonden? Het meest fascinerende personage van Edgar Reitz’ epos Heimat is Helga, die als twintiger anno 1962 prevelt:
Hartes Brot ist nicht hart.
Nur kein Brot ist hart.
Is dit een tedere empirie – van welk begrip ik niet het origineel heb maar wel de vindplaats: Werke. Weimarer Ausgabe. Abt. 2, Deel II, 128-129? Hoewel Helga ambities heeft in de dichtkunst (en terroriste zal worden), poneert ze waarschijnlijk een mantra van haar ouders, die bijna zeker ook door de oorlog wordt gelegitimeerd. Maar da’s een ander verhaal.
Tamelijk zeker dunkt me dat het tussen Nederland en sauzen niet botert. Ik schrik nog wakker wanneer ik terugdenk aan medebewoners uit het ‘vrije huis’ die in recordtempo een maaltijd bereidden waar steevast een poedertje in verdween dat aangelengd moest met water, melk of een combinatie daarvan en een specifieke mix beloofde. Inmiddels schijnt het aan de absolute top goed te zijn in culinair Nederland, bestrooid met sterren van Michelin en andere guides, maar de basis heeft mij zo argwanend gemaakt dat ik er het liefst een Chinees aandoe.
Door de opkomst van de ampersandeconomie hebben naar mijn indruk boven-Moerdijkse koks spatjes gekregen. Indien er echt niet aan te ontkomen valt, weet ik in hun opvallend schaars verlichte gastronomische centra één ding zeker: nooit salades, vleesbereidingen of desserts ‘van de chef’ bestellen.
Wij kennen elkaar door wat wij doen, want daaruit wordt tevens duidelijk wat wij niet doen, door onze keuze in gedragsmogelijkheden, want daaruit wordt tevens duidelijk welke mogelijkheden we niet kiezen, door wat wij zeggen, want daaruit wordt duidelijk wat wij niet zeggen (wat iets anders is dan verzwijgen).
Misschien staat eten in Nederland in het teken van iets anders, ooit functionaliteit en nu blingblingkwaliteit? Mij schoot die hypothese te binnen na een schitterende uitspraak in het boek Verlangen naar vernieuwing van Maarten van den Bos, als anno 1964, tijdens debatten in de Nederlandse katholieke kerk vanwege het Tweede Vaticaans Concilie, een pater het verschijnsel transsubstantiatie toelicht:
Wanneer wij ergens op bezoek gaan, zal de vrouw des huizes haar welkom uitdrukken in het aanbieden van thee met een koekje, dus in het algemeen menselijke symbool van spijs en drank. Tot dusver hadden dit koekje en deze thee slechts betekenis als middel tot onderhoud van de lichamelijke functies. Op het ogenblik echter dat het koekje en de thee worden aangewend als gaven, veranderen zij: zij zijn tekenen van vriendschap geworden.
Nee, dan Duitsland. Een ongrijpbare pretentieloosheid heeft de keuken daar in bezit. Het idee dat men in Nederland gutbürgerlich een aanprijzing zou achten! Maar het klopt en, gewend geraakt zijnde aan ietwat uitbundige spekjestoevoegingen en paneerdrift, het smaakt. De porties laten tenminste geen ruimte voor trek en ze zijn vers bereid, met een overijverige kwantiteit groentes. Mooi vond ik het respect voor de ui, in autonomie. Regelrecht ontroeren deed me zelfs de rehabilitatie van het blaadje kropsla. Sinds de introductie in Nederland van de ijsbergsla – feitelijk een soort geelgroene waterbom – en een industrie aan voorgewassen rucola’s en lollo rosso’s lijkt het fini met die sympathieke delicatesse.
(Wat is dat toch dat ik me met gulzige essentialismen steeds weer wil verhouden tot een land waar ik niet meer woon? Heimwee kan zo dikwijls en zo stormachtig zijn opgestoken en weer gedoofd dat hij door herhaling betekenisloos wordt, een routineheimwee. Er kan, als je niet goed uitkijkt, iets van heimwee naar het heimwee zelf ontstaan. Wil je ergens zijn omdat je er juist niet bent of wil je ergens zijn omdat je er graag bent?)
Bovenal is het eten in Duitsland betaalbaar. Voor de prijs van een gemiddelde dagschotel valt in Nederland nog geen kindermenu te krijgen. Van laatstgenoemd fenomeen ben ik sinds deze vakantie eveneens beter op de hoogte, alsook van enige gevoeligheden ter zake.
Nu ze bijna twee is, stelt de gourmande er een eer in om, het liefst in recordtempo, de spaghetti bolognese eigenhandig op te eten: het meeste raakt zelfs amper haar slab voor het onder tafel verdwijnt. En hoewel het taalkundig genie zegt dat ‘het onbeleefd is je tong uit te steken maar bij ijs niet’, houdt ze haar mond plots veelal dicht indien er gegeten moet.
Er verstilden nogal wat kindermenu’s. Aldus geschiedde het dat vader bord na bord in zijn kanis leegschepte en tussendoor zalvend sprak over ‘kindjes in Afrika en China’ en zijn eigen ouders terughoorde. Elk gezin zijn geplogenheden, maar vermoedelijk was mijn geboortehuis niet het enige waar er nooit ofte nimmer eten mocht worden weggegooid. Vanzelfsprekend kwam deze overtuiging voort uit de oorlog. Er was dan ook een keldervoorraad waarop kon worden geteerd. Blikken met erwtjes, sperzieboontjes, bruine bonen, leverpastei, corned beef en smac (visionaire Amerikaanse betiteling: spam) kregen hooguit elk halfjaar controle op de houdbaarheidsdatum.
Van dat standpunt, dat desastreus aan actualiteit heeft gewonnen, moet ik een tic hebben meegekregen. Nu ja, na de middelbare school dan, toen boterhammen vooral in en rond nog druk door het insectenwezen in plaats van The Muffinman bezochte vuilnisbakken lagen. Een begrip als ‘ramadan’, in welke variant ook, was nagenoeg onbekend, terwijl ‘vasten’ al uit de mode was geraakt. En het andere ethische eetargument, dat er dieren moeten lijden om de mens aan zijn gerief te helpen, daarom bekreunden mijn ouders zich niet.
Is het standpunt dus niet generatiegebonden? Het meest fascinerende personage van Edgar Reitz’ epos Heimat is Helga, die als twintiger anno 1962 prevelt:
Hartes Brot ist nicht hart.
Nur kein Brot ist hart.
Is dit een tedere empirie – van welk begrip ik niet het origineel heb maar wel de vindplaats: Werke. Weimarer Ausgabe. Abt. 2, Deel II, 128-129? Hoewel Helga ambities heeft in de dichtkunst (en terroriste zal worden), poneert ze waarschijnlijk een mantra van haar ouders, die bijna zeker ook door de oorlog wordt gelegitimeerd. Maar da’s een ander verhaal.
maandag 2 juli 2012
Vijf pils voor de houthakkers
Joseph Brodsky beweerde ooit: ‘De samenleving is een organische eenheid, ze schept haar eigen organisatievormen zoals bomen hun afstand tot elkaar scheppen, en een voorbijganger noemt dat een “woud”. De idee macht, ofwel staatsbeheersing van het sociale weefsel, is een contradictio in terminis en komt alleen op bij een houthakker.’ Saillant natuurlijk voor iemand die onder een communistisch bewind is opgegroeid en die allicht wat te behappen kreeg van de Kritische Theorie.
De uitspraak ademt een type opluchting dat heden nog te voelen valt. Men weet zich voorbij het stadium dat alles nog politiek was, of ideologisch – en in een soort selffulfilling prophecy doorgevlooid door humorloze geleerden op symptomen van die macht, uiteraard versluierd. Maar valt aan dat pandemonium van systemen en aanklachten daartegen wel te ontkomen? Ik weet het niet. Men wenst in ieder geval geen slachtofferschap meer, roept eindelijk een volle verantwoordelijkheid uit voor elkeens levenspad en acht zich aldus veeleer praktisch. Toch is de overtuiging niet-politiek te zijn ideologisch. Dat lijkt een beginnersles van de notoire houthakker Antonio Gramsci, in wiens werk ik voor het eerst van mijn leven zit te lezen. Hij stelt dat iedereen een filosoof is, en iedereen een intellectueel en dat er hooguit van afhangt wat je daamee doet.
In Brodsky’s vormende jaren was er vanzelfsprekend propaganda en alles wat daar zoal aan vast hing, maar het lijkt me onwaarschijnlijk dat hij had kunnen bevroeden hoe bepalend media zijn geworden. Of dat nog valt onder de term macht weet ik ook al niet. Wel dat er misschien nu pas werkelijk een getal aan kleeft. Van het populisme bijvoorbeeld dat, om de beeldspraak te bewaren van Brodsky die van migratiestromen onkundig moet zijn gebleven, achter elke boom het establishment ziet.
Macht in boskwantiteit ontplooit zich op het internet, vaak vergeleken met een schandpaal. Hoe moet de geprivatiseerde variant beschouwd worden die Facebook heet? Dat dit sociaal netwerk een ongebreidelde macht bezit, bleek weer eens uit het verhaal over het gepeste meisje wier moeder het bijbehorende filmpje had gepost, zodat in een mum van tijd de pesters moesten worden beschermd tegen grosbedreiging. Eerlijk gezegd vrees ik in termen van macht een beetje voor alle betrokkenen, afroependerwijs, gelet op namen als Kayleigh en Kacey.
Een vertrouwde factor bij macht biedt de meidoorn die de ambtenarij is en waartegenover iedereen passant is. Aan de vervroegde verkiezingen in het vaderland wil ik meedoen, al was het omdat voor mij het argument niet opgaat van ‘de belastingbetaler’ (dat doe ik al jaren in België) zodat mijn eventuele stem, zonder dat ik reeds heb beslist waarop, redelijkerwijs wat minder belangenverstrengeld zou zijn. Een aanvraag om aan de verkiezingen mee te doen werd echter geweigerd, omdat mijn paspoort op eenduizendste dag verlopen bleek te zijn.
Toch eens naar het consulaat getogen, waar binnen beperkte openingsuren een nummertje valt te trekken voor de bevestiging van een bestaan. Plaats van handeling: een verdieping in een kantoorgebouw aan een rondweg. Ik was al er eens om dezelfde reden geweest, een lustrum geleden, ook met het taalkundig genie dat toen nog geen ‘I follow you tipsy baby’ zong maar lag te slapen in de kinderwagen terwijl ik hoopte dat ze geen kaka zou gaan doen. Nu hoefde ze slechts pipi, wat kon op de begane grond waar meerdere collega-ouders zich beklaagden over de verstopte wc.
Geen van allen verstond ik, en dat was het grootste verschil met weleer. Was er iets grondig veranderd of zat ik destijds nog te zeer in een prille vadertrots die het onmogelijk maakt ook maar iets te zien behalve roze? Grandioos toonde zich het multiculturalisme: er was bijna geen kaaskop te bekennen. Een kleurige bedoening, veeltalig tot en met een Chinese krant (een slimme tijd is op haar toekomst voorbereid). En ik wist snel zeker dat er ook Hollanders tussen zaten uit de tijd dat geluk nog heel gewoon was (en humor om te lachen: ‘Zie je dat bos daar?’ ‘Nee, want er staan bomen voor’). Keurig uitgedoste enkelingen, ongetwijfeld niet in Brasschaat wonend, trachtten met praatjes aan het loket voor te kruipen. Hun aanblik gaf me meteen een tip voor de nog onwennige omgang met een leesbril: permanent aan een halskoord laten hangen en steeds opzetten wanneer je bijna gaat spreken en afzetten op het moment dat je een woord zegt.
Bottleneck zat toen in de foto, die onder een bepaalde hoek moet zijn genomen en waarop je niet mag lachen – bij niet-seculiere overtuigingen mag een hoofd bedekt zijn. Aandacht gaat heden vooral naar vingerafdrukken. Vergelijkbaar met de onvergetelijke uitspraak door een West-Vlaming op de radio van het woord hangar? Ik vond het allemaal fantastisch.
Het was bijna afkicken toen er nog wel degelijk voorbereidend ambtelijk handwerk bleek te bestaan. Hier in de stad kun je een aanvraag doen voor een speelstraat. Dan gaan er hekken omheen, zodat er geen auto’s rijden en kinderen voor de deur hun arcadia kunnen opbouwen. Dit is natuurlijk van een gierende ironie tegenover de globalisering van de kleinste eenheid. In wijkvergaderingen die ik althans heb meegemaakt, was er één topic: meer parkeerplaatsen. Was het nu Hippocrates of Hepie & Hepie die zei: ‘Democratie of dictatuur, standaardwerk of blog, het zal mij een Frankfurter Worst wezen, zolang ik maar kan kwijten’?
Ter beoordeling van de aanvraag mogen alle straatbewoners op een formulier aanduiden of ze voor of tegen zijn. Ik stond het in een trappenhuis allemaal uit te leggen aan een vriendelijk lachende allochtoon, zo te zien een Aziaat, die het een tamelijk geweldig plan vond. Tot zijn autochtone buurman aangestiefeld kwam en siste: ‘Nooit iets ondertekenen’. En de allochtoon vloog de trappen op.
De uitspraak ademt een type opluchting dat heden nog te voelen valt. Men weet zich voorbij het stadium dat alles nog politiek was, of ideologisch – en in een soort selffulfilling prophecy doorgevlooid door humorloze geleerden op symptomen van die macht, uiteraard versluierd. Maar valt aan dat pandemonium van systemen en aanklachten daartegen wel te ontkomen? Ik weet het niet. Men wenst in ieder geval geen slachtofferschap meer, roept eindelijk een volle verantwoordelijkheid uit voor elkeens levenspad en acht zich aldus veeleer praktisch. Toch is de overtuiging niet-politiek te zijn ideologisch. Dat lijkt een beginnersles van de notoire houthakker Antonio Gramsci, in wiens werk ik voor het eerst van mijn leven zit te lezen. Hij stelt dat iedereen een filosoof is, en iedereen een intellectueel en dat er hooguit van afhangt wat je daamee doet.
In Brodsky’s vormende jaren was er vanzelfsprekend propaganda en alles wat daar zoal aan vast hing, maar het lijkt me onwaarschijnlijk dat hij had kunnen bevroeden hoe bepalend media zijn geworden. Of dat nog valt onder de term macht weet ik ook al niet. Wel dat er misschien nu pas werkelijk een getal aan kleeft. Van het populisme bijvoorbeeld dat, om de beeldspraak te bewaren van Brodsky die van migratiestromen onkundig moet zijn gebleven, achter elke boom het establishment ziet.
Macht in boskwantiteit ontplooit zich op het internet, vaak vergeleken met een schandpaal. Hoe moet de geprivatiseerde variant beschouwd worden die Facebook heet? Dat dit sociaal netwerk een ongebreidelde macht bezit, bleek weer eens uit het verhaal over het gepeste meisje wier moeder het bijbehorende filmpje had gepost, zodat in een mum van tijd de pesters moesten worden beschermd tegen grosbedreiging. Eerlijk gezegd vrees ik in termen van macht een beetje voor alle betrokkenen, afroependerwijs, gelet op namen als Kayleigh en Kacey.
Een vertrouwde factor bij macht biedt de meidoorn die de ambtenarij is en waartegenover iedereen passant is. Aan de vervroegde verkiezingen in het vaderland wil ik meedoen, al was het omdat voor mij het argument niet opgaat van ‘de belastingbetaler’ (dat doe ik al jaren in België) zodat mijn eventuele stem, zonder dat ik reeds heb beslist waarop, redelijkerwijs wat minder belangenverstrengeld zou zijn. Een aanvraag om aan de verkiezingen mee te doen werd echter geweigerd, omdat mijn paspoort op eenduizendste dag verlopen bleek te zijn.
Toch eens naar het consulaat getogen, waar binnen beperkte openingsuren een nummertje valt te trekken voor de bevestiging van een bestaan. Plaats van handeling: een verdieping in een kantoorgebouw aan een rondweg. Ik was al er eens om dezelfde reden geweest, een lustrum geleden, ook met het taalkundig genie dat toen nog geen ‘I follow you tipsy baby’ zong maar lag te slapen in de kinderwagen terwijl ik hoopte dat ze geen kaka zou gaan doen. Nu hoefde ze slechts pipi, wat kon op de begane grond waar meerdere collega-ouders zich beklaagden over de verstopte wc.
Geen van allen verstond ik, en dat was het grootste verschil met weleer. Was er iets grondig veranderd of zat ik destijds nog te zeer in een prille vadertrots die het onmogelijk maakt ook maar iets te zien behalve roze? Grandioos toonde zich het multiculturalisme: er was bijna geen kaaskop te bekennen. Een kleurige bedoening, veeltalig tot en met een Chinese krant (een slimme tijd is op haar toekomst voorbereid). En ik wist snel zeker dat er ook Hollanders tussen zaten uit de tijd dat geluk nog heel gewoon was (en humor om te lachen: ‘Zie je dat bos daar?’ ‘Nee, want er staan bomen voor’). Keurig uitgedoste enkelingen, ongetwijfeld niet in Brasschaat wonend, trachtten met praatjes aan het loket voor te kruipen. Hun aanblik gaf me meteen een tip voor de nog onwennige omgang met een leesbril: permanent aan een halskoord laten hangen en steeds opzetten wanneer je bijna gaat spreken en afzetten op het moment dat je een woord zegt.
Bottleneck zat toen in de foto, die onder een bepaalde hoek moet zijn genomen en waarop je niet mag lachen – bij niet-seculiere overtuigingen mag een hoofd bedekt zijn. Aandacht gaat heden vooral naar vingerafdrukken. Vergelijkbaar met de onvergetelijke uitspraak door een West-Vlaming op de radio van het woord hangar? Ik vond het allemaal fantastisch.
Het was bijna afkicken toen er nog wel degelijk voorbereidend ambtelijk handwerk bleek te bestaan. Hier in de stad kun je een aanvraag doen voor een speelstraat. Dan gaan er hekken omheen, zodat er geen auto’s rijden en kinderen voor de deur hun arcadia kunnen opbouwen. Dit is natuurlijk van een gierende ironie tegenover de globalisering van de kleinste eenheid. In wijkvergaderingen die ik althans heb meegemaakt, was er één topic: meer parkeerplaatsen. Was het nu Hippocrates of Hepie & Hepie die zei: ‘Democratie of dictatuur, standaardwerk of blog, het zal mij een Frankfurter Worst wezen, zolang ik maar kan kwijten’?
Ter beoordeling van de aanvraag mogen alle straatbewoners op een formulier aanduiden of ze voor of tegen zijn. Ik stond het in een trappenhuis allemaal uit te leggen aan een vriendelijk lachende allochtoon, zo te zien een Aziaat, die het een tamelijk geweldig plan vond. Tot zijn autochtone buurman aangestiefeld kwam en siste: ‘Nooit iets ondertekenen’. En de allochtoon vloog de trappen op.
woensdag 20 juni 2012
Nou hoor je het eens van een ander

‘Afscheidsdiner’, het openingsgedicht van Ilja Leonard Pfeijffers debuut van de vierkante man uit 1998, heeft een merkwaardige status verworven. Als drager van ressentimenten jegens ‘hermetische’ poëzie die destijds gemeengoed waren, werd het enigszins beroemd. Tegelijk is wel vastgesteld dat Pfeijffers hekelende toespeling op het chrysantengedicht van de toen al gestorven Hans Faverey niet helemaal klopte en dat de onaantastbare Gerrit Kouwenaar het eigenlijke doelwit zou zijn.
De kritieken beperkten zich hoe dan ook tot de literaire biotoop, dus kon iedereen rustig blijven slapen. Tot het jongste zomernummer van EVA-Magazine, het blad voor Vlaamse vegetariërs. Het besprak zeer kort Pfeijffers recentste boek, om terug te kunnen keren naar diens eerste gedicht. In deze context worden bepaalde strofes ineens vreemd reëel:
laat met de lardeerpriem doorregen goed gevulde
wildbraad aanrukken en op een rondborstig banket
van dansend vlees zappen naar glimmend wellustig vlees
als een clip in grootbeeld kleur
serveer mij in roomboter gebakken beelden
en verzen met boulemie
Aldus mag het logisch zijn dat de dichter een afkeur uitsprak voor ‘vegetarische stilleventjes’, in EVA-Magazine klinkt hierin niet de historische kritiek op vermeend hermetisme en/of academisme door uit de inleiding van de bloemlezing Maximaal uit 1988 (‘het figuurzagen van fletse stillevens, die geen enkele aantrekkingskracht bezitten’). Heden evoceert Pfeijffer onbedoeld een dagelijkse werkelijkheid, waarbij de recensent besluit dat de auteur laat zien niets ‘van eten te weten’.
Des te grappiger wordt het, voor mij althans, dat in hetzelfde nummer de Londense hoogleraar voedselbeleid Tim Lang beweert dat vleeseters in met name Nederland, Engeland en Amerika de planeet in gevaar brengen. Ze bedrijven hogere carnivoristiek. Om hun consumptiedrift te bevredigen, moeten dieren ‘eten als prinsen’, en graan, soja en land opsouperen dat de wereldbevolking van pas zou komen. Nu lijden bijna 1 miljard mensen honger en zijn 1,3 miljard lui zwaarlijvig. Laat vooral aanrukken, dat rondborstig banket, voedingsmultinationals horen de kassa al rinkelen!
Tim Lang steekt overigens de hand in eigen boezem. Terwijl sinds de eerste kredietcrisis van 2008 de voedselprijzen alleen maar stijgen, zouden maatregelen voor beter voedsel hem niet deren, omdat hij zich als goedbetaalde prof niet druk hoeft te maken over hoeveel iets kost. Juist mensen die het nu al moeilijk hebben en ongezond eten, zouden met doordacht beleid gestraft kunnen worden. Want, beweert Lang, wat mensen eten heeft weinig te maken met een vrije keuze. Het wordt bepaald door sociale klasse en inkomen, en bespeeld door reclamecampagnes die hooguit laten selecteren uit gecoiffeerde rommel.
Een keuze kan ook negatief zijn. Wil een voedingssysteem bijdragen aan het behoud van de planeet, dan zou een minder eenzijdig menu helpen. Ik weet niet of Lang bekend is met het oeuvre van Ria Valk, maar in de jaren zeventig, toen de Club van Rome uit het industrieel beleid in De grenzen aan de groei apocalyptisch aandoende consequenties voor het klimaat had geschetst, gaf zij reeds enige suggesties:
Ik heb worstjes op mijn borstjes
Preitjes op mijn dijtjes
Karbonade en salades op mijn bil
Ja, worstjes op mijn borstjes
Bietjes op mijn knietjes
En op mijn hoofd een haantje uit de grill
Wel speelde Valk de chef om de liefde van de man via zijn maag te winnen, een serviele manoeuvre die zeker in die tijd niet onproblematisch was – de wellicht belangrijkste feministe heette Kool. En heden begint de overtuiging post te vatten dat de achterliggende politiek-economische ideologie van de groei, Operatie Obesitas in termen van Willem Schinkel, geen zoden aan de dijk zet.
Dat vergt een grote aanpassing in denken en doen, omdat we van jongs af aan met allerlei geplogenheden van groei raken doordrenkt. Zo zei het taalkundig genie in een speeltuin onlangs tegen een door testosteron aangevallen jongetje dat ze vijf jaar is, waarop hij beweerde: ‘Ik ben al meer dan een jaar zes.’ Maar omdat in de evolutie de fittest overleven zal, dringt de noodzakelijke aanpassing aan een postgroeipraxis vroeg of laat heus door. Nog minder of helemaal geen vlees meer eten getuigt dan pas waarlijk van verantwoordelijkheidsgevoel en visie. Het zou het veelgebruikte begrip ‘duurzaamheid’ ook een buitentekstuele betekenis geven.
Is Ilja Leonard Pfeijffers gedicht nu ineens een aanfluiting omdat het een puberaal pleidooi is voor een grotere ecologische voetafdruk? Natuurlijk niet, en het zal toeval zijn dat ‘hermetici’ zich veeleer willen wegschrijven. Pfeijffer verkoos slechts een metafoor en zijn onderwerp was literatuur. Daarmee diende hij een oertype van de gedichtenlezer: de jager op poëticale diepvriesmaaltijden.
Dat die reductie, en de laaglandse commotie eromheen, ten slotte iets onnozels heeft, bewijst een derde, Wikipedia-achtig stukje in het betreffende EVA-Magazine. Het gaat over Rainer Maria Rilke. Dit twintigste-eeuwse icoon van poëzie die Pfeijffer zal aanspreken, werd vegetariër en beschouwde dat als een levenswijze – waarvan de kosten lager lagen.
maandag 11 juni 2012
Master Blaster
Charles Bernstein schreef dit:
Don't Be So Sure
(Don't Be Saussure)
My cup is my cap
& my cap is my cup
When the coffee is hot
It ruins my hat
We clap and we slap
Have sup with our pap
But won't someone please
Get me a drink.
Niet te doen, zoals ze in Vlaanderen zeggen.
Da’s niet niets zunne
(Da’s niet Nietzsche)
Mijn mok is mijn mik
& mijn mik is mijn mok
Als de koffie warm is
Kraakt hij m’n darmnis
We plakken en plukken
Temmen kak tot drukken
Maar kan iemand niet
Wat te leuten halen.
dinsdag 15 mei 2012
Het onvoltooide: een uitnodiging
Beste bezoeker van deze blog,
Dikke miserie, ik zeg het maar eerlijk. Bij Poetry International ontstond een klein jaar geleden het plan een festival te wijden aan het onvoltooide. Het leek mij handig ideeën daarover eerst een beetje te inventariseren.
Het was een heerlijke onderneming, waarnaar ik steeds kon terugkeren. Denken en lezen werd een gelegitimeerd hobbyisme, en door er aantekeningen over te maken rolde er een soort rode draad uit die wel steeds moest worden verlegd en uitgetrokken. Op een gegeven moment gaat de lol daar een beetje van af, zeker wanneer de indruk rijst dat die draad zich om mij aan het winden is.
Hoewel ik van nature, al zeg ik het zelf, ijskonijnerig ben tegenover deadlines, miste ik de ene na de andere. Buiten mijn schuld, leek het, omdat het bestuderen van de ene tekst een andere in het vooruitzicht stelde. Complicaties vlogen me om de oren. Ik kon me identificeren met de gourmande die bijna dag en nacht haar fietshelm wil ophouden. Maar aldus uitgedost rent ze nu zelfs achter zeepsopbellen aan.
Het is welletjes, ik kap d’r mee, van mijn erf, enz. Mijn voorlopige bevindingen zijn hier op mijn digitale archief te vinden. U bent bij dezen welkom mijn voorlopige overzicht van het onvoltooide door correcties en suggesties in de comments bij dit bericht naar een goed einde te voeren. Ik zal de namen van eventuele medewerkers, tenzij ze niet met mij willen worden geassocieerd, onder aan de verbeterde versie vermelden.
Momenteel, in een eerste openbare versie dus, telt de tekst ruim 20.000 woorden. Zelfs voor mijn doen is hij namedroppend, dus nuances zouden op prijs worden gesteld.
Kan ik mijn uitnodiging ook aanbevelen uit eigen ervaring? De materie dunkt me enerzijds een fijn gekwadrateerde naturel dat van onvoltooide kunstwerken waarlijk hoogstandjes kan maken. Anderzijds heersten er banale noties van, die vervaarlijk neigen naar snobisme. Het meest interessant vond ik het om het onvoltooide door te denken naar een maatschappelijke toepassing, wat historisch gezien weinig monter stemt, maar het einde geeft hoop.
Alvast heel bedankt voor de medewerking.
marc
woensdag 9 mei 2012
Oude ambachten
Ooit vroeg Francis Ponge – op wat voor moment is misschien juist de kwestie: ‘En wat is denken anders dan je gedachten zoeken?’ De persoon die ik ben begrijpt dat niet en bewaart zo’n citaat dan, met de vage intentie er een ingang toe te vinden.
Afgelopen maandag zag ik die, in de kop van het bericht ‘Belg presenteert Zomergasten’. En daar begon mijn brein nog meer te zoeken. Dat gebeurde in een sessiesfeer en dit was het resultaat:
Pinpas berooft twee voorbijgangers
Tapir bereidt lasagne
Van der Borgt alsnog in EK-selectie
Barbertje had helemaal geen lusje
Satan heeft nieuwe hobby
Zon dreigt met vertrek naar Bahama’s
Olifant valt in eigen neusgat
IQ onbeheerd achtergelaten op A12
Ik doel met deze voorbeelden natuurlijk op de legendarische andere blik, die in mijn vak als vanzelfsprekend aan goede poëzie verbonden wordt. Maar wat betekent zoiets? Ik meen dat niet zozeer de verwoording als wel de opgeroepen wereld voor een doorbraak zorgt. Ponge’s ‘gedachten zoeken’ kan neerkomen op het verscheuren van een vlies dat vertrouwde data bijeen bleek te houden.
Als je het tenminste goed doet (met middelen als ‘durven loslaten’, die in verband worden gebracht met het zogenaamd tegenovergestelde, voelen).
Door echt te denken zou men telkens onderhevig raken aan wat heet een paradigmawisseling. Het persoonlijke frame, nog zo’n term, moet lichtelijk rigoureus worden bijgewerkt. Telkens het slot van The Truman Show. Een wereld die bij echt denken steeds werkelijker wordt of juist onwerkelijker?
Mijn tekstje tot nu toe overgelezen. Een stapel vergelijkingen! En dat terwijl er alledaags kan worden ervaren, niet eens geïllustreerd, wat ik beoog. Het taalkundig genie heeft sinds een paar weken de indruk dat er niet op de hele aarde Nederlands wordt gesproken. Bij nogal wat woorden vraagt ze nu hoe ze in het Engels luiden en, een examenopgave voor een Hollander, in het Frans.
Ook kon ze al heel aardig tellen, zonder dat mij precies duidelijk was tot hoeveel. Tot ergens midden in de dertig, bleek. Wat er is gebeurd dat ze vermoedde dat er meer is, weet ik niet. Maar op schoot heeft ze doorgeteld. Ik moest alleen telkens de naam van het nieuwe tiental noemen, en dan ging ze verder. En zo bereikten we honderd. Ze was stomverbaasd, denk ik.
Afgelopen maandag zag ik die, in de kop van het bericht ‘Belg presenteert Zomergasten’. En daar begon mijn brein nog meer te zoeken. Dat gebeurde in een sessiesfeer en dit was het resultaat:
Pinpas berooft twee voorbijgangers
Tapir bereidt lasagne
Van der Borgt alsnog in EK-selectie
Barbertje had helemaal geen lusje
Satan heeft nieuwe hobby
Zon dreigt met vertrek naar Bahama’s
Olifant valt in eigen neusgat
IQ onbeheerd achtergelaten op A12
Ik doel met deze voorbeelden natuurlijk op de legendarische andere blik, die in mijn vak als vanzelfsprekend aan goede poëzie verbonden wordt. Maar wat betekent zoiets? Ik meen dat niet zozeer de verwoording als wel de opgeroepen wereld voor een doorbraak zorgt. Ponge’s ‘gedachten zoeken’ kan neerkomen op het verscheuren van een vlies dat vertrouwde data bijeen bleek te houden.
Als je het tenminste goed doet (met middelen als ‘durven loslaten’, die in verband worden gebracht met het zogenaamd tegenovergestelde, voelen).
Door echt te denken zou men telkens onderhevig raken aan wat heet een paradigmawisseling. Het persoonlijke frame, nog zo’n term, moet lichtelijk rigoureus worden bijgewerkt. Telkens het slot van The Truman Show. Een wereld die bij echt denken steeds werkelijker wordt of juist onwerkelijker?
Mijn tekstje tot nu toe overgelezen. Een stapel vergelijkingen! En dat terwijl er alledaags kan worden ervaren, niet eens geïllustreerd, wat ik beoog. Het taalkundig genie heeft sinds een paar weken de indruk dat er niet op de hele aarde Nederlands wordt gesproken. Bij nogal wat woorden vraagt ze nu hoe ze in het Engels luiden en, een examenopgave voor een Hollander, in het Frans.
Ook kon ze al heel aardig tellen, zonder dat mij precies duidelijk was tot hoeveel. Tot ergens midden in de dertig, bleek. Wat er is gebeurd dat ze vermoedde dat er meer is, weet ik niet. Maar op schoot heeft ze doorgeteld. Ik moest alleen telkens de naam van het nieuwe tiental noemen, en dan ging ze verder. En zo bereikten we honderd. Ze was stomverbaasd, denk ik.
vrijdag 4 mei 2012
Tot slot nog dit
Het parcours dat Helmut Lotti door de instituties heeft afgelegd, bewijst dat zowel Heijne als ik uiteindelijk ridders van de droevige figuur zijn bij het vaststellen van de status van Ben Crabbé, van oorsprong drummer. Bij Lotti pikte ik in na een geestig verhaal over koffie, toen hij verkering kreeg met een literair journaliste. Maar haar krant verdrong mijn lach bij een artikel met de scoop dat Lotti een heel slimme man was. Niet alleen bleek dat uniek nieuws voor een charmezanger, het waren derden die hun visie op Lotti etaleerden zonder dat deze een woord hoefde uit te brengen.
Even ambivalent verging het Lotti daarna. Hij mocht op de opiniepagina afscheid nemen van de roddeljournalistiek én kon zijn nieuwe geliefde prime time in een televisieprogramma voor bon ton en aanverwanten op een oude naaktfoto bewonderen. Vergeleken bij voorlopers als recensent en essayist is ook haar functie delicaat, terwijl ze in de praktijk het rijk voor zich alleen heeft gekregen. In de teneur dat iets generalistisch moet zijn voor een breed publiek, ontmoet ze haar geliefde. Lotti uit inmiddels, naar verluidt met verve, tot in verantwoorde kringen zijn passie voor poëzie.
Het lollige is natuurlijk dat die in- en uitsluitingen tegelijk tijdgebonden zijn, net als de kritiek erop. En zo fluctueert de opvatting over wat respectabel of barbaars is als een aandelenbeurs. Tot de negentiende eeuw, laat Richard Sennett in The Fall of Public Man zien, was het de gewoonste zaak van de wereld dat theaterpubliek uit volle borst meedeed bij een voorstelling, zoals bij Lotti gebeurt (en in de dan symbolisch ogende arena van het Antwerpse Sportpaleis waar Night of The Proms gehouden wordt). Of het zetje van de geliefde nu oorzaak of gevolg is geweest voor al zijn zogenaamd verborgen kwaliteiten, de charmezanger gaat een tweede leven in met een vooralsnog duistere domesticatiefactor.
Wordt het heden dus telkens aangepast? Terugblikken op tien jaar na Fortuyn of een jaar na Bin Laden doen vermoeden dat vanuit de actualiteit – vanzelfsprekend politieke – voorwaarden geschapen worden die juist het verleden veranderen. Dat geschiedt nu wel wat sneller terwijl de hete hangijzers al jaren dezelfde zijn. Zoals de reductio ad Hitlerum, sinds Fortuyn aan ‘het populisme’ gelinkt. De variant hierop van het racisme, dat Ben Crabbé toebedeeld werd, is dezer dagen wat lauw, vermoedelijk doordat het lang is uitgesproken door mensen die nu in de touwen hangen. Het andere hangijzer van dienst blonk namelijk bij de commotie over een studie naar de literaire kritiek (die in de tweede druk mooi een appendix kan bijvoegen over haar eigen receptie). Inzake een plagiaat dat Elsbeth Etty gepleegd zou hebben, werd in de berichtgeving vermeld dat ze ooit bij De Waarheid zat. Vanuit het heden een krachtig detail: communisten deugen niet, dus Etty zal fout geweest zijn!
Voor Lotti lijkt hoe dan ook de artistieke elite veroverd. Heel de elite? Nee, een kleine factie bleef hardnekkig weerstand bieden en stelde Lotti’s deelname aan het notoire bluesfestival in Peer ter discussie. Toen was het de chef cultuur persoonlijk die, op de dag dat Joost Vandecasteele een trap na gaf aan Crabbé, zulk purisme per opiniestuk in de ban deed. Lotti had lang genoeg het ‘boetekleed aangetrokken’, heette het, en had het besef gekregen dat hij ‘iets eigens’ zou moeten doen ‘om een groter gevoel van eigenwaarde te krijgen’. Als klap op de vuurpijl was hét teken voor de gewonnen deugdzaamheid ‘dat Lotti niet komt als zichzelf’, maar als zanger bij een band van een gerenommeerde bluesgitarist die heus wel wist wat hij deed.
Een schrijnender voorbeeld zou ik niet gauw weten van Alain Badious ‘motto van de geciviliseerde veroveraar: “Word zoals ik, dan zal ik je verschil respecteren”.’ Brutaal dunkt me bovendien dat voor het binnentrekken in de eigen gelederen de autoriteit wordt uitbesteed. Hoe ook, indien een definitief oordeel over het rechtdoen aan Ben Crabbé zou moeten worden uitgesproken, dan bewijst de casus-Lotti dat zowel Heijne als ik in de rondte moeten blijven praten.
Gaat dit exclusief op voor Belgie, zoals antropologieën uit dat excentrieke Nederland graag willen? In zijn mooie boek Het aanzien van de politiek. Geschiedenis van een functionele fictie constateert Remieg Aerts dat de oude elites dan wel hebben afgedaan, en nog wel wat meer volgens mij, maar dat er, ook door internet (‘een zeer drukke publieke ruimte die vooral expressief gebruikt wordt’), nog steeds allerhande machtscircuits bestaan. Hiërarchieën zijn onuitroeibaar en komen tegemoet aan een behoefte. De samenleving erkent openlijk nieuwe statuselites, zegt Aerts, op basis van welstand, bekendheid, succes en macht.
Ondanks al het democratiserende, is de acceptatie van iets dat ‘kwaliteit’ zal blijven heten nog immer afhankelijk van afspraken, van efemere conventies. En van beroepsdeformatie, besefte ik bij een keten van lichaamsverzorgingsproducten, waar spul voor de gourmande moest worden ingekocht en het taalkundig genie mee op verkenning ging voor zoetige gezondheden voor tong en verhemelte.
Als rechtgeaard vader wachtend voor de ingang viel mijn oog op een affiche, waarvan het woordbeeld onmiddellijk de poëziemaniak in mij wakker riep. Gewend als ik ben dat er ook weer niet bijster veel tegemoetkomt aan mijn smaak, snapte ik pas bij de tweede regel in het derde couplet dat er iets niet klopte. Er zijn vervolgens altijd objectieve criteria, zoals een viervoudige alliteratie in de regel daarna, om een soort vonnis te vellen dat Ben Crabbé moet hebben gevoeld:
Kijk, dit gaat over jou
Jij. Je prachtige zelf.
Jij. Op je vrije dag, je geluksdag
of in de waan van alledag
Met een roze bril, rode koontjes
of zomaar een blauwe maandag.
Welke dag het ook is. Wij doen er alles aan
om jou het maximale uit jezelf te laten halen
Uit je lokken, je lippen, je lijf en je looks.
We begrijpen je en helpen je waar we kunnen.
Want bij ons draait het om jou.
Elke dag weer.
Even ambivalent verging het Lotti daarna. Hij mocht op de opiniepagina afscheid nemen van de roddeljournalistiek én kon zijn nieuwe geliefde prime time in een televisieprogramma voor bon ton en aanverwanten op een oude naaktfoto bewonderen. Vergeleken bij voorlopers als recensent en essayist is ook haar functie delicaat, terwijl ze in de praktijk het rijk voor zich alleen heeft gekregen. In de teneur dat iets generalistisch moet zijn voor een breed publiek, ontmoet ze haar geliefde. Lotti uit inmiddels, naar verluidt met verve, tot in verantwoorde kringen zijn passie voor poëzie.
Het lollige is natuurlijk dat die in- en uitsluitingen tegelijk tijdgebonden zijn, net als de kritiek erop. En zo fluctueert de opvatting over wat respectabel of barbaars is als een aandelenbeurs. Tot de negentiende eeuw, laat Richard Sennett in The Fall of Public Man zien, was het de gewoonste zaak van de wereld dat theaterpubliek uit volle borst meedeed bij een voorstelling, zoals bij Lotti gebeurt (en in de dan symbolisch ogende arena van het Antwerpse Sportpaleis waar Night of The Proms gehouden wordt). Of het zetje van de geliefde nu oorzaak of gevolg is geweest voor al zijn zogenaamd verborgen kwaliteiten, de charmezanger gaat een tweede leven in met een vooralsnog duistere domesticatiefactor.
Wordt het heden dus telkens aangepast? Terugblikken op tien jaar na Fortuyn of een jaar na Bin Laden doen vermoeden dat vanuit de actualiteit – vanzelfsprekend politieke – voorwaarden geschapen worden die juist het verleden veranderen. Dat geschiedt nu wel wat sneller terwijl de hete hangijzers al jaren dezelfde zijn. Zoals de reductio ad Hitlerum, sinds Fortuyn aan ‘het populisme’ gelinkt. De variant hierop van het racisme, dat Ben Crabbé toebedeeld werd, is dezer dagen wat lauw, vermoedelijk doordat het lang is uitgesproken door mensen die nu in de touwen hangen. Het andere hangijzer van dienst blonk namelijk bij de commotie over een studie naar de literaire kritiek (die in de tweede druk mooi een appendix kan bijvoegen over haar eigen receptie). Inzake een plagiaat dat Elsbeth Etty gepleegd zou hebben, werd in de berichtgeving vermeld dat ze ooit bij De Waarheid zat. Vanuit het heden een krachtig detail: communisten deugen niet, dus Etty zal fout geweest zijn!
Voor Lotti lijkt hoe dan ook de artistieke elite veroverd. Heel de elite? Nee, een kleine factie bleef hardnekkig weerstand bieden en stelde Lotti’s deelname aan het notoire bluesfestival in Peer ter discussie. Toen was het de chef cultuur persoonlijk die, op de dag dat Joost Vandecasteele een trap na gaf aan Crabbé, zulk purisme per opiniestuk in de ban deed. Lotti had lang genoeg het ‘boetekleed aangetrokken’, heette het, en had het besef gekregen dat hij ‘iets eigens’ zou moeten doen ‘om een groter gevoel van eigenwaarde te krijgen’. Als klap op de vuurpijl was hét teken voor de gewonnen deugdzaamheid ‘dat Lotti niet komt als zichzelf’, maar als zanger bij een band van een gerenommeerde bluesgitarist die heus wel wist wat hij deed.
Een schrijnender voorbeeld zou ik niet gauw weten van Alain Badious ‘motto van de geciviliseerde veroveraar: “Word zoals ik, dan zal ik je verschil respecteren”.’ Brutaal dunkt me bovendien dat voor het binnentrekken in de eigen gelederen de autoriteit wordt uitbesteed. Hoe ook, indien een definitief oordeel over het rechtdoen aan Ben Crabbé zou moeten worden uitgesproken, dan bewijst de casus-Lotti dat zowel Heijne als ik in de rondte moeten blijven praten.
Gaat dit exclusief op voor Belgie, zoals antropologieën uit dat excentrieke Nederland graag willen? In zijn mooie boek Het aanzien van de politiek. Geschiedenis van een functionele fictie constateert Remieg Aerts dat de oude elites dan wel hebben afgedaan, en nog wel wat meer volgens mij, maar dat er, ook door internet (‘een zeer drukke publieke ruimte die vooral expressief gebruikt wordt’), nog steeds allerhande machtscircuits bestaan. Hiërarchieën zijn onuitroeibaar en komen tegemoet aan een behoefte. De samenleving erkent openlijk nieuwe statuselites, zegt Aerts, op basis van welstand, bekendheid, succes en macht.
Ondanks al het democratiserende, is de acceptatie van iets dat ‘kwaliteit’ zal blijven heten nog immer afhankelijk van afspraken, van efemere conventies. En van beroepsdeformatie, besefte ik bij een keten van lichaamsverzorgingsproducten, waar spul voor de gourmande moest worden ingekocht en het taalkundig genie mee op verkenning ging voor zoetige gezondheden voor tong en verhemelte.
Als rechtgeaard vader wachtend voor de ingang viel mijn oog op een affiche, waarvan het woordbeeld onmiddellijk de poëziemaniak in mij wakker riep. Gewend als ik ben dat er ook weer niet bijster veel tegemoetkomt aan mijn smaak, snapte ik pas bij de tweede regel in het derde couplet dat er iets niet klopte. Er zijn vervolgens altijd objectieve criteria, zoals een viervoudige alliteratie in de regel daarna, om een soort vonnis te vellen dat Ben Crabbé moet hebben gevoeld:
Kijk, dit gaat over jou
Jij. Je prachtige zelf.
Jij. Op je vrije dag, je geluksdag
of in de waan van alledag
Met een roze bril, rode koontjes
of zomaar een blauwe maandag.
Welke dag het ook is. Wij doen er alles aan
om jou het maximale uit jezelf te laten halen
Uit je lokken, je lippen, je lijf en je looks.
We begrijpen je en helpen je waar we kunnen.
Want bij ons draait het om jou.
Elke dag weer.
zondag 29 april 2012
Marilyn & Paris
Het zit me niet lekker Bas Heijne in mijn vorige stukje – nu ja, ik ken de verhoudingen – op zijn nummer te hebben gezet. Niet dat oordeel, maar de vlotheid waarmee het tot stand kwam stemt me ongemakkelijk. Wat is er simpeler dan een kritisch iemand toe te voegen: ‘Kijk naar je eige’? Zoiets dooft elk vonkje waaruit een soms toch noodzakelijk hellevuur kan ontstaan. En de meer geavanceerde variant van die tegenreactie, door op te roepen tot een ‘onderzoek van de eigen vooronderstellingen’, heeft iets herderlijks en leidt eerder tot narcistische dan tot interessante resultaten.
Toch meen ik dat mijn kanttekeningen bij Heijnes gewraakte column inzake quizmaster Ben Crabbé ergens wel hout snijden (en die inzake de afkeer voor de jaren zeventig: gisteren zei minister Turtelboom nog een overtuigd feministe te zijn, maar geenszins een Dolle Mina). Omdat ‘intuïtie’ even grote beperkingen heeft als ‘een bewijs hardmaken’, leek het me een praktisch idee om, ver van het vaderlandse kabinet, mijn eigen kleine doorbraak te forceren. Ik heb een andere, mij nog onbekende tekst van Heijne doorgenomen, Echt zien. Literatuur in het mediatijdperk.
Over dat boek blijkt van alles te zeggen, maar ik beperk me tot een fragment waarin Heijne twee fameuze foto’s bespreekt. Daarop lezen respectievelijk Marilyn Monroe en Paris Hilton boeken (Ulysses en Oorlog en vrede). Kalm en inzichtelijk loopt Heijne de motieven na waarom deze twee dames zulke consumpties nemen. Mij frappeert dat bij hem zowel de twee boeken als de twee lezers iconisch worden. En dat bevalt mij niet. Ulysses en Oorlog en vrede als ultieme voorbeelden van highbrow literatuur is al rolbevestigend, maar bij Monroe en Hilton strekken de gevolgen van Heijnes benadering verder. Ze mogen en kunnen bij hem van alles doen en overwegen, maar één optie brengt hij niet ter sprake: dat de dames die twee boeken – gewoon, serieus, ‘echt’ – lezen!
Nu moet ik onmiddellijk bekennen niet te weten hoe reëel die optie is. Daarvoor zijn Monroe en Hilton ondanks een basale sympathie in mijn wereldje te weinig prominent. En dat er jaren na dato een boek verscheen waaruit Monroes grote literatuurliefde naar voren kwam, speelt al evenmin een rol in mijn indruk. Het gaat mij er slechts om dat Heijne er geen rekening mee houdt dat Monroe een ‘echte’ lezer kan zijn die voor mijn part doordringt tot in de diepste krochten en implicaties van een tekst.
Veelzeggend vind ik dat hij wel Monroes bekentenis vermeldt niets van Joyce te begrijpen en te genieten van het taalspel. Kan dit niet evengoed een elegant excuus zijn om alle betwetende culturele haantjes om haar heen niet voor het hoofd te stoten en dan maar liever het niet al te intellectuele vrouwtje te spelen? En zo Heijnes conclusie te ondersteunen dat de foto ‘de kwetsbaarheid van haar overgave’ toont?
Bij Paris Hilton wordt Heijne nog rabiater. Hij betitelt de foto meteen als een opzichtige manipulatie en op dat vertrekpunt komt hij niet meer terug. Mocht Monroe bij hem nog een simulerende lezer zijn, voor Hilton is zelfs dat te veel eer. Heijne acht de combinatie Paris-boek ‘wezensvreemd’, dus onbestaande. Hoe dat? Susan Sontag las op haar zeventiende Oorlog en vrede met de aantekening ‘een weergaloze ervaring’. Mocht dat wel geloofwaardig zijn voor Heijne, komt dat dan door een soort hindsight, uit het grootse essayisme dat Sontag ontwikkelde (die op haar zevenentwintigste Anna Karenina herlas)? Er zijn anders actiefoto’s van haar beschikbaar.
Indien Hilton überhaupt geen compleet mens kan zijn voor Heijne, dan kan hij dat nergens anders op baseren dan op berichtgeving. Misschien moest hij voor haar zijn licht opsteken in Over rusteloosheid van Arjen van Veelen: ‘Gek genoeg voelen velen nog steeds minachting voor iemand die virtuoos is in precies de ambachten die onze samenleving als hoogste waardeert: sociale intuïtie en mediatalent.’ Dat lijkt me een adequate kanttekening, die ik me trouwens ook wel mag aanrekenen.
Mij verbaast deze reductie in Heijnes waarnemingen, vooral omdat het fantastisch is hem te volgen over de actualiteit. Ik ken weinig columnisten die ingewikkelde maatschappelijke processen zo schijnbaar redelijk weten te beschrijven en duiden. Tegelijk ontkomt niemand aan het besef nooit aan zijn eigen tijd te kunnen ontkomen. Ook de boek per boek gebundelde columns van Heijne, waarin hij de tijdgeest vastlegt, zullen sociologisch gelezen worden en door de toekomstige lezer(s) gewogen op de vraag: in welk punten was Heijne aan het eind van de twintigste en het begin van de eenentwintigste eeuw visionair dan wel blind?
Goed, vertrekpunt was zijn mening over Ben Crabbé. Toevallig kwam er dit weekend eentje bij van iemand die mogelijk een van de Vlaamse intellectuelen is op wie Heijne zich beriep. Joost Vandecasteele, eerst cabaretier en nu auteur, zei over de ongein van de quizmaster dat hij zich als humorist beledigd voelde: ‘Eigenlijk zijn die grappen de noodkreet van een psychopaat in wording.’ Verder liet Vandecasteeles optekenen dat zijn werk ambieerde ‘niet genegeerd kunnen worden’, dat hij daarom graag columns en opiniestukken schreef en dat hij een computergame even inspirerend vindt als een filosofisch essay omdat internet hem heeft geleerd dat ‘alles gelijkwaardig is’.
Dat laatste standpunt intrigeert me, omdat het medium mij het omgekeerde geleerd heeft. Genialiteiten staan nevengeschikt aan 1+1=3-wetenschap. Die indruk is tevens politiek en ik snap dat dit achterhaald overkomt. Toch zou ik Vandecasteele graag gelijk geven, ware het niet dat naast kennis ook concentratie en aandacht (basisingrediënten voor inspiratie) volgens mij niet aan periodes te hechten zijn maar louter aan personen. Een kwestie van empathie én van techniek.
In de verteltheorie is omstreeks de jaren zeventig het fenomeen ‘perspectief’ genuanceerd met het begrip ‘focalisatie’. Zo kon preciezer worden bekeken of degene vanuit wie een relaas (tijdelijk) met de lezer wordt gedeeld daadwerkelijk een stem krijgt. Of een object ook subject werd. Nu begrijp ik wat mij dwarszit bij het geoordeel over Ben Crabbé: hem wordt zowel woord als weerwoord ontnomen.
Toch meen ik dat mijn kanttekeningen bij Heijnes gewraakte column inzake quizmaster Ben Crabbé ergens wel hout snijden (en die inzake de afkeer voor de jaren zeventig: gisteren zei minister Turtelboom nog een overtuigd feministe te zijn, maar geenszins een Dolle Mina). Omdat ‘intuïtie’ even grote beperkingen heeft als ‘een bewijs hardmaken’, leek het me een praktisch idee om, ver van het vaderlandse kabinet, mijn eigen kleine doorbraak te forceren. Ik heb een andere, mij nog onbekende tekst van Heijne doorgenomen, Echt zien. Literatuur in het mediatijdperk.
Over dat boek blijkt van alles te zeggen, maar ik beperk me tot een fragment waarin Heijne twee fameuze foto’s bespreekt. Daarop lezen respectievelijk Marilyn Monroe en Paris Hilton boeken (Ulysses en Oorlog en vrede). Kalm en inzichtelijk loopt Heijne de motieven na waarom deze twee dames zulke consumpties nemen. Mij frappeert dat bij hem zowel de twee boeken als de twee lezers iconisch worden. En dat bevalt mij niet. Ulysses en Oorlog en vrede als ultieme voorbeelden van highbrow literatuur is al rolbevestigend, maar bij Monroe en Hilton strekken de gevolgen van Heijnes benadering verder. Ze mogen en kunnen bij hem van alles doen en overwegen, maar één optie brengt hij niet ter sprake: dat de dames die twee boeken – gewoon, serieus, ‘echt’ – lezen!
Nu moet ik onmiddellijk bekennen niet te weten hoe reëel die optie is. Daarvoor zijn Monroe en Hilton ondanks een basale sympathie in mijn wereldje te weinig prominent. En dat er jaren na dato een boek verscheen waaruit Monroes grote literatuurliefde naar voren kwam, speelt al evenmin een rol in mijn indruk. Het gaat mij er slechts om dat Heijne er geen rekening mee houdt dat Monroe een ‘echte’ lezer kan zijn die voor mijn part doordringt tot in de diepste krochten en implicaties van een tekst.
Veelzeggend vind ik dat hij wel Monroes bekentenis vermeldt niets van Joyce te begrijpen en te genieten van het taalspel. Kan dit niet evengoed een elegant excuus zijn om alle betwetende culturele haantjes om haar heen niet voor het hoofd te stoten en dan maar liever het niet al te intellectuele vrouwtje te spelen? En zo Heijnes conclusie te ondersteunen dat de foto ‘de kwetsbaarheid van haar overgave’ toont?
Bij Paris Hilton wordt Heijne nog rabiater. Hij betitelt de foto meteen als een opzichtige manipulatie en op dat vertrekpunt komt hij niet meer terug. Mocht Monroe bij hem nog een simulerende lezer zijn, voor Hilton is zelfs dat te veel eer. Heijne acht de combinatie Paris-boek ‘wezensvreemd’, dus onbestaande. Hoe dat? Susan Sontag las op haar zeventiende Oorlog en vrede met de aantekening ‘een weergaloze ervaring’. Mocht dat wel geloofwaardig zijn voor Heijne, komt dat dan door een soort hindsight, uit het grootse essayisme dat Sontag ontwikkelde (die op haar zevenentwintigste Anna Karenina herlas)? Er zijn anders actiefoto’s van haar beschikbaar.
Indien Hilton überhaupt geen compleet mens kan zijn voor Heijne, dan kan hij dat nergens anders op baseren dan op berichtgeving. Misschien moest hij voor haar zijn licht opsteken in Over rusteloosheid van Arjen van Veelen: ‘Gek genoeg voelen velen nog steeds minachting voor iemand die virtuoos is in precies de ambachten die onze samenleving als hoogste waardeert: sociale intuïtie en mediatalent.’ Dat lijkt me een adequate kanttekening, die ik me trouwens ook wel mag aanrekenen.
Mij verbaast deze reductie in Heijnes waarnemingen, vooral omdat het fantastisch is hem te volgen over de actualiteit. Ik ken weinig columnisten die ingewikkelde maatschappelijke processen zo schijnbaar redelijk weten te beschrijven en duiden. Tegelijk ontkomt niemand aan het besef nooit aan zijn eigen tijd te kunnen ontkomen. Ook de boek per boek gebundelde columns van Heijne, waarin hij de tijdgeest vastlegt, zullen sociologisch gelezen worden en door de toekomstige lezer(s) gewogen op de vraag: in welk punten was Heijne aan het eind van de twintigste en het begin van de eenentwintigste eeuw visionair dan wel blind?
Goed, vertrekpunt was zijn mening over Ben Crabbé. Toevallig kwam er dit weekend eentje bij van iemand die mogelijk een van de Vlaamse intellectuelen is op wie Heijne zich beriep. Joost Vandecasteele, eerst cabaretier en nu auteur, zei over de ongein van de quizmaster dat hij zich als humorist beledigd voelde: ‘Eigenlijk zijn die grappen de noodkreet van een psychopaat in wording.’ Verder liet Vandecasteeles optekenen dat zijn werk ambieerde ‘niet genegeerd kunnen worden’, dat hij daarom graag columns en opiniestukken schreef en dat hij een computergame even inspirerend vindt als een filosofisch essay omdat internet hem heeft geleerd dat ‘alles gelijkwaardig is’.
Dat laatste standpunt intrigeert me, omdat het medium mij het omgekeerde geleerd heeft. Genialiteiten staan nevengeschikt aan 1+1=3-wetenschap. Die indruk is tevens politiek en ik snap dat dit achterhaald overkomt. Toch zou ik Vandecasteele graag gelijk geven, ware het niet dat naast kennis ook concentratie en aandacht (basisingrediënten voor inspiratie) volgens mij niet aan periodes te hechten zijn maar louter aan personen. Een kwestie van empathie én van techniek.
In de verteltheorie is omstreeks de jaren zeventig het fenomeen ‘perspectief’ genuanceerd met het begrip ‘focalisatie’. Zo kon preciezer worden bekeken of degene vanuit wie een relaas (tijdelijk) met de lezer wordt gedeeld daadwerkelijk een stem krijgt. Of een object ook subject werd. Nu begrijp ik wat mij dwarszit bij het geoordeel over Ben Crabbé: hem wordt zowel woord als weerwoord ontnomen.
zondag 22 april 2012
Schandaal
Bas Heijne wijdt in NRC én De Standaard een heuse hele column aan een non-event. Zo mag volgens mij de zouteloze grappenmakerij van presentator Ben Crabbé in Blokken tegenover een Turkse quizdeelnemer toch wel bestempeld worden (hoewel mijn lach- en dichtspieren gevoelig zijn voor frases als ‘Als je vandaag wint, bestel je maar een bak lava’). Maar Heijne sluit aan bij een rij van beroepscommentatoren tot en met politici van het Vlaams Belang die allen hun zegje deden over racisme. Wel waren zij landgenoten van Crabbé, terwijl Heijne een Hollander is, net als degene die de quasi-zaak aan het rollen bracht.
En net als ik, die in dat tweetal ineens wat dingetjes meende te herkennen en die daardoor de meningenpudding verder laat lillen. Terwijl ik het nota bene eens ben met Angela Merkel toen ze bij een andere mediastorm zei dat er ook mogelijkheid mag zijn geen gebruik te maken van de vrijheid van meningsuiting.
Dat ik toch spreek, heeft te maken met geografie en tijdsbepaling van mijn diagnose. Anderen wordt de maat gemeten zonder dat eigen posities in de redenering betrokken raken. Dit blijkt namelijk de kern van de schier bodemloze bakken kritiek over een onderwerp waarin ik me een beetje aan het inlezen ben: Nederland in de jaren zeventig. Meer in het bijzonder gaat het dan om een morele superioriteit.
[Nu gaan wij er even uit voor de reclame. Blijf bij ons!]
Ben Crabbé kreeg als bekend het deksel op zijn neus in het voor mij nog immer onbegrijpelijk populaire programma DWDD. Een van de onderdelen is ‘opmerkelijke televisiemomenten’, waarbij een kekke montage de presentator binnen een minuut tot incorrecte boeman wist te metamorfoseren. Waarlijk frappant dunkt me echter de conclusie van de presentator van DWDD: dat Crabbé nog in het koloniale tijdperk leefde. Om te beginnen blinkt hij namelijk niet echt uit in interesse voor en kennis van zijn gasten – die hij veeleer exploiteert als, noem eens wat, olie, rubber, koffie, diamant… De montage van collega-programma’s kan zelf een vorm van kolonialisme heten.
Dit betekent ook dat België een kolonie van Nederland zou zijn. Dat rijmt met het belang dat in België kennelijk wordt gehecht aan DWDD en met het feit dat De Standaard de column van Heijne, nog net niet overkokend van minachting voor Crabbé, van NRC overneemt. Het rijmt zeker met een Hollandse houding die ik na een decennium immigratie helderder ben gaan ontwaren, maar dan weer minder met een alledaagse praktijk waarbij Nederlandse media grotendeels in Belgische handen zijn en waarin onlangs bleek dat het triomfalisme over die domme Belgen bij de aankoop van Fortis aan de voorbarige kant was.
[Het citaat van de dag is ingezonden door meneer Ter Braak uit Eibergen: `Gelukkig, dat vele dingen ons op plechtige momenten ontgaan; wij zouden anders ook zo wijs worden, dat wij onze overwinningen op de chaos als bijbels scheppingsverhaal zouden gaan vertellen.']
Crabbé als wraakobject voor gevoelde nederlagen? Ik kan het me gewoon niet indenken. Ook niet omdat hij dan als ‘de Belg’ zou figureren, die van ‘de Nederlander’ op zijn falie krijgt. Aan zulke essentialismen, die in multiculturele tijden toch nog volksaarden laten vermoeden, doet de kritiek niet. Ze vloeken zelfs met ideeën die Bas Heijne, wat dat betreft minstens zo vroom als zijn collega van DWDD, in zijn columns ventileert.
Ronduit bizar lijkt het me dat hij in zijn afschuw voor Crabbé bevestiging vindt: ‘Vlaamse intellectuelen stond het schaamrood op de kaken’. [Wie mogen dit zijn? Insinueer en win een geheel verzorgde reis naar Zuid-Utopia] Heijne komt ten slotte met een nogal krasse kwalificatie: ‘Het schandaal van Blokken zit ’m niet in het vermeende racisme van de presentator en ook niet in zijn tenenkrommende grapjes – het schandaal zit ’m in het feit dat hij zich van geen kwaad bewust is.’
O afgrondelijke jij-bak! Hollandser kan een eeuwenlang gekoesterd en ontkend domineeschap jegens de overige mensheid niet worden, tenzij misschien bij de meest Nederlandse Belg! Zou Heijne zich in tegenstelling tot de arme Crabbé wel bewust zijn van wat hij sinds jaar en dag doet? Behoren zijn columns dan niet tot een industrie waarin hij de quiz stilzwijgend opsluit? Zou het iets zeggen dat de publicatie van dit stuk op de Nederlandse website geen enkel comment ontlokte, alsof de communis opinio vroeg: ‘Waar heb je het eigenlijk over?’
Maar misschien is het een kenmerk van heiligen dat ze louter zenden, nooit ontvangen.
En net als ik, die in dat tweetal ineens wat dingetjes meende te herkennen en die daardoor de meningenpudding verder laat lillen. Terwijl ik het nota bene eens ben met Angela Merkel toen ze bij een andere mediastorm zei dat er ook mogelijkheid mag zijn geen gebruik te maken van de vrijheid van meningsuiting.
Dat ik toch spreek, heeft te maken met geografie en tijdsbepaling van mijn diagnose. Anderen wordt de maat gemeten zonder dat eigen posities in de redenering betrokken raken. Dit blijkt namelijk de kern van de schier bodemloze bakken kritiek over een onderwerp waarin ik me een beetje aan het inlezen ben: Nederland in de jaren zeventig. Meer in het bijzonder gaat het dan om een morele superioriteit.
[Nu gaan wij er even uit voor de reclame. Blijf bij ons!]
Ben Crabbé kreeg als bekend het deksel op zijn neus in het voor mij nog immer onbegrijpelijk populaire programma DWDD. Een van de onderdelen is ‘opmerkelijke televisiemomenten’, waarbij een kekke montage de presentator binnen een minuut tot incorrecte boeman wist te metamorfoseren. Waarlijk frappant dunkt me echter de conclusie van de presentator van DWDD: dat Crabbé nog in het koloniale tijdperk leefde. Om te beginnen blinkt hij namelijk niet echt uit in interesse voor en kennis van zijn gasten – die hij veeleer exploiteert als, noem eens wat, olie, rubber, koffie, diamant… De montage van collega-programma’s kan zelf een vorm van kolonialisme heten.
Dit betekent ook dat België een kolonie van Nederland zou zijn. Dat rijmt met het belang dat in België kennelijk wordt gehecht aan DWDD en met het feit dat De Standaard de column van Heijne, nog net niet overkokend van minachting voor Crabbé, van NRC overneemt. Het rijmt zeker met een Hollandse houding die ik na een decennium immigratie helderder ben gaan ontwaren, maar dan weer minder met een alledaagse praktijk waarbij Nederlandse media grotendeels in Belgische handen zijn en waarin onlangs bleek dat het triomfalisme over die domme Belgen bij de aankoop van Fortis aan de voorbarige kant was.
[Het citaat van de dag is ingezonden door meneer Ter Braak uit Eibergen: `Gelukkig, dat vele dingen ons op plechtige momenten ontgaan; wij zouden anders ook zo wijs worden, dat wij onze overwinningen op de chaos als bijbels scheppingsverhaal zouden gaan vertellen.']
Crabbé als wraakobject voor gevoelde nederlagen? Ik kan het me gewoon niet indenken. Ook niet omdat hij dan als ‘de Belg’ zou figureren, die van ‘de Nederlander’ op zijn falie krijgt. Aan zulke essentialismen, die in multiculturele tijden toch nog volksaarden laten vermoeden, doet de kritiek niet. Ze vloeken zelfs met ideeën die Bas Heijne, wat dat betreft minstens zo vroom als zijn collega van DWDD, in zijn columns ventileert.
Ronduit bizar lijkt het me dat hij in zijn afschuw voor Crabbé bevestiging vindt: ‘Vlaamse intellectuelen stond het schaamrood op de kaken’. [Wie mogen dit zijn? Insinueer en win een geheel verzorgde reis naar Zuid-Utopia] Heijne komt ten slotte met een nogal krasse kwalificatie: ‘Het schandaal van Blokken zit ’m niet in het vermeende racisme van de presentator en ook niet in zijn tenenkrommende grapjes – het schandaal zit ’m in het feit dat hij zich van geen kwaad bewust is.’
O afgrondelijke jij-bak! Hollandser kan een eeuwenlang gekoesterd en ontkend domineeschap jegens de overige mensheid niet worden, tenzij misschien bij de meest Nederlandse Belg! Zou Heijne zich in tegenstelling tot de arme Crabbé wel bewust zijn van wat hij sinds jaar en dag doet? Behoren zijn columns dan niet tot een industrie waarin hij de quiz stilzwijgend opsluit? Zou het iets zeggen dat de publicatie van dit stuk op de Nederlandse website geen enkel comment ontlokte, alsof de communis opinio vroeg: ‘Waar heb je het eigenlijk over?’
Maar misschien is het een kenmerk van heiligen dat ze louter zenden, nooit ontvangen.
woensdag 18 april 2012
’Cos too much is real
Komt punk terug? Een vermakelijke uitzending van Andere tijden, mede vanwege vers materiaal in een tentoonstelling en een boek, suggereerde het een beetje: nu de tijdgeest onmacht laat voelen, kan de wens postvatten het heft in handen te nemen. Altijd sympathiek natuurlijk, al weet ik niet goed waar het in dit geval, naast een verrijking van het straatbeeld, op uitdraait. Ik houd niet zo van cultuurpessimisme, dus no future zou niet direct mijn slogan geweest zijn, maar bovenal ontbrak destijds een alternatief. Da’s een milder woord voor utopie, zoals fuck the system, hoe aardig als uitgangspunt ook, een daadkrachtige variant wou zijn op als oeverloos ervaren hippiegeneuzel.
Het realiteitsgehalte van zulke gevoelens was wisselend. Terwijl de jeugdwerkeloosheid op de deur bonsde, golden die hippies, in de praktijk babyboomers, als verwende snotapen. Even makkelijk was het echter om hen te situeren in wat dan heet sektarische politieke bewegingen, vol zwaarwichtige taaluitstoot, terwijl punkers zogenaamd pretentieloos de praktijk voor hun rekening namen. In Andere tijden beweerde de zanger van de groep Panic: ‘Wij zijn niet van die theoretici’.
Het verbaasde me niet te horen dat hij toen een bijbaan had als leraar Nederlands. Misschien is de Feyenoord-mentaliteit van Geen woorden maar daden dieper doorgedrongen dan het lijkt, tot de poëzie aan toe. Het bespeuren van ‘ideologie’ bij onwelgevallige anderen strekt zich uit tot het aanwrijven van een ‘poëtica’ bij niet-gesmaakte dichters. Uiteraard staat men zelf neutraal in de maatschappij.
Evenmin verbaasde het me in Andere tijden te zien dat twee leden van de naast Ivy Green misschien wel meest roemruchte vaderlandse punkband, The Ex, getuige het interieur van het pand waarin ze hun terugblik deden, minstens zo’n lenige stijging op de maatschappelijke ladder leken te hebben gemaakt als hun antagonisten. Als ik het me goed herinner, zei een van de twee lachend dat het bekogelen van agenten op een motor nu eenmaal iets is wat je doet als je jong bent. Paul Valéry: ‘Heel wat zaken vergen meer moed om ze theoretisch te ontkennen dan ze in de praktijk te vernietigen. Dikwijls is er meer moed voor nodig om tegen een moraal in te denken en te spreken dan om deze te minachten en daadwerkelijk te schenden’.
Punkers durfden bloot te zijn en te beginnen door zich zonder oefening of les in de frontlinie te presenteren, maar ze volgden met hun liedjes popstramienen. Never Mind The Bollocks terugbeluisterend stelt de energie goddank gerust, maar valt de burgerlijkheid van het anarchisme op (in een amusementaire moest Lydon alle zeilen bijzetten om zich als arbeidersjongen voor te doen). Veel ‘I am not a…’ en ‘I don’t want…’. Wel realiseer ik me weer waarom jazz me dierbaar is: het versaagt nooit tegenover het onbekende en durft de luisteraar te tergen, waar virtuositeit geen vies woord hoeft te zijn, laat staan theorie.
Dit laat onverlet dat elke verdwaalde punker bij mij warme gevoelens losmaakt. Opa weet nog dat het leerlingenbestand van zijn doodbrave middelbare school in een gegoede buurt werd uitgebreid met twee echte punkmeisjes, zussen. Prachtige koppen waar dagelijks heel wat gel aan moest opgaan, zwaar beschilderd zoals het in de blaadjes stond, en de oudste kon zelfs spugen. Ze kwamen uit het Noorden, en waren verhuisd naar een rijtjeshuis in Prinsenbeek. Dat ontdekte ik op een verjaardagfeest – de zusjes hadden een reuzenaardige moeder die even verlegen als geamuseerd haar barbaarse dochters bezag.
Mij trok vanzelfsprekend hun onbereikbaarheid, die evengoed zweemde rond bijna net zo hemelsmooie meisjes tussen de alternativo’s. Maar waar ik voor hen te oppervlakkig was, besefte ik dat ik in verhouding tot de levenslust en vrolijkheid van de punkdames te saai en somber was. En heden, hoewel ze er geweldig uitziet in haar jurkjes, ontwapent het taalkundig genie mij nog het meest in haar camouflagebroek: klaar voor het oerwoud des levens. Wel zijn op de zakken rode bloemetjes geborduurd.
Wat kan punk nu betekenen? Goh. In een andere context is de jeugdwerkeloosheid terug. Het zou nogal een experiment zijn om een punker van weleer via de teletijdmachine in het heden te katapulteren. Wat zou hij gooien naar de unieke uitkering die bonus heet? Voor Twitter is zijn ongezouten oordeel mogelijk geknipt, maar wat met de getrapte privacy van Facebook? En plakt de taal nog voldoende om zich enemy of the state te noemen? Hoe verhoudt de punky faillissementsaanvraag van kapsones zich tot het populisme, en tot laagdrempeligheidseisen van de expanderende firma Toeten Noch Blazen?
Een grondhouding is al heel wat. De ongecompliceerdheid, de neiging nergens bij voorbaat ‘respect’ voor te hebben, blijft voor mij onweerstaanbaar. Een toepassing. Historisch wordt tegenover punk de hooggestemde harmonie en liefde van symfonische rock geplaatst, wat misschien niet helemaal terecht is, maar als het nieuws uit de boekenbranche komt dat de ketennaam Selexyz verdwijnt omdat die moeilijk te spellen is, dan denk ik: ja, dat is punk want Selexyz, dat is Emerson, Lake & Palmer. Alle ach en wee bij die breed uitgemeten berichten valt louter te legitimeren met het relatief grote verlies aan arbeidsplaatsen, niet in termen van aanbod. Selexyz was mogelijk zelfs een toto pro pars voor een vestiging in Maastricht, waar The Guardian de mooiste van de wereld in ontdekte. Maar in die stad is ook een cultureel belangrijke en zelfstandige boekhandel, De Tribune.
De humbug in zichzelf wegsnoeien (en dan toch iets vruchtbaarders proberen te zaaien zonder weer zalvend te worden).
Als het gaat om de programmatische, voor mijn part antisymfonische, zeggingskracht van punk, dan leert een beeldend kunstwerk erover van Daan van Golden mij het meest. Op zijn Sex Pistols uit 1979 is in een medaillonachtige vorm de silhouet van een koninginnehoofd afgebeeld, waar ter hoogte van het brein de naam van de groep overheen gekrast is. Zoals het een waar kunstwerk betaamt, bevat het een onwillekeurige verwijzing naar de toekomst, van de krakersrellen bij Beatrix’ inauguratie, maar op dat moment lijkt de referentie het liedje ‘God Save The Queen’. Omdat het geheel door de achtergrond het meest wegheeft van een tegelmuur, zou dit in een café een indicatie kunnen zijn voor een vrouwenwc.
Piss off?!
maandag 9 april 2012
Tot aan de voltooiing van deze wereld
Door de definitieve wederopstanding van Tom Boonen, minder dan twee maanden nadat hij definitief was afgeschreven omdat hij de sprint van Omloop Het Nieuwsblad verloor van een jongere landgenoot die dus door de natuur wreedheidshalve tot opvolger was gebombardeerd, zit er niets anders op dan de andere paasgaven te domesticeren. De link met wielrennen is naar mijn idee weinig vergezocht. Niet alleen omdat peuters ook een doelgroep zijn (waar nu de ouders nog voor betalen en er straks spaarvarkens leeggeschud worden), maar bovenal omdat ze soms, in niet nader te specificeren gevallen, een ‘wandelende reclamezuil’ zijn, vergeleken waarbij Jean-Marie Pfaffs fameuze overhemdboordje zo ongeveer het Etruskische stadium markeert.
Zoals Giorgos Hantzis schreef:
descriptions of obsolete emotions: poetry
whatsatstakeisthisss : the wagtail’s ssslithering
(which is non existent: the wagtail neither wags its tail nor slithers)
taken further the analogy between one oxymoron and another:
as an instrument to investigate the future:
a nice bench with an ancestor on it sitting cross-legged
[snedige vertalingen steeds welkom, dank u, MK]
Hantzis stelt mij overigens gerust dat uit Griekenland niet alleen onheilstijdingen verwacht blijven mogen worden, maar ook erg fijne poëzie. En om de voormalige natiekaders meteen maar te voltooien: bedoelde gaven worden in Nederland verzorgd door de paashaas en in België, iets metafysischer, door de paasklokken. Hun belangrijkste marktaandeel schuilt in snoep – het taalkundig genie gaf ’s ochtends vroeg aan het ouderlijk bed te verstaan dat ze de chocola van de eieren die misschien hopelijk afgeleverd waren, door de verdiepingen in het huis heen kon ruiken.
Haar zus kreeg onder meer zandbak- en strandbenodigdheden waarbij, zoals het een echte gourmande betaamt, uitsluitend de appelgroene zeef aandacht kreeg. Maar dan wel zoveel, dat ze het geval aan tafel wilde hebben en daartoe haar bord wegschoof. Voortaan moet het ding recipiënt spelen voor haar yoghurt met cassissiroop. Is dat een omgekeerde wereld? Wie wil er leven in een maatschappij waar zaken bij voorbaat onmogelijk worden verklaard?
Het taalkundig genie is dan weer in de ban van een wel erg curieuze vinding: een springtouw met teller. Ik blijf mezelf inprenten dat ze er dolgelukkig mee is, maar moet er eigenlijk niets van hebben dat ze nu voornamelijk bezig is records te breken en telkens ‘het touw even op nul’ zet. Mijn twijfel aan haar fanatisme komt voort uit een allergie voor kwantificeren dat stilzwijgend een teken van kwaliteit wordt. Uit Christine Brinkgreve en Bram van Stolks Van huis uit. Een onderzoek naar sociale erfenissen leer ik dat ik aldus wel eens een tik mee kan hebben gekregen van de mythische jaren zestig en zeventig waarin een ambitieverbod scheen geheerst, inclusief listige uitvluchten (kinderen aan sport en muziek laten doen).
Wel weet ik de herkomst van de touwtjespringmanie. Onlangs presenteerde der taalkundig genies school een circus – kindjes van hogere klassen vertoonden daarbij kunsten die in vaktermen onder ropeskipping vallen. En wellicht waren de verwachtingen gedurende de maanden die de schoolonderneming vergde tot onderschatte hoogtes gegroeid. Ongevraagd had het taalkundig genie geadviseerd de poster voor het hooggeëerde publiek met de tekst naar buiten op ons voorraam te plakken. Op de koer had ze met krijt genoteerd: ‘cricus’.
Zelf associeerde ik het fenomeen met bakken ellende. Dat is niet helemaal mijn schuld, maar ook die van boeken. Op de lagere school verkeerde ik wegens het aangehouden studietempo veelal in andere sferen maar was er geheel bij toen klassikaal een tekst werd voorgelezen waar ‘de zigeunerjongen Pedro’, nochtans een crack in trapeze, zijn einde vond in het zaagsel van de piste. Later werd ik van een circusrelaas in een van Gerard Reves allermooiste verhalen, ‘De acrobaat’ uit Vier wintervertellingen, niet bijster veel vrolijker.
Gelukkig corrigeert de werkelijkheid. Al beperkte het zich tot één school, het evenement had een gemeenschapsgevoel geschapen waar in de postideologische en -seculiere samenleving normaliter slechts voetbalwedstrijden of tragische doden zorg voor kunnen dragen.
Anderzijds bereikten mij liedjes die ik lichtjaren geleden voor het laatst had gehoord en toen al als kitsch van me afschoof: ‘The Final Countdown’, ‘Eye of the Tiger’…
Verreweg de grootste indruk maakten, goh, alle optredende kinderen. Niet door wat ze ten tonele voerden, maar door een simultaneïteitje daarbij: ze keken al kunstenmakend net zo lang in het publiek tot ze het thuisfront hadden gedetecteerd en er, steevast op het moment suprême van de act, gezwaaid kon worden. Deze dubbele blik, die als een heus verfremdungseffekt het fictiescenario doorkruisde, deed mij smelten. (Uiteraard was die van het taalkundig genie met afstand het mooist.)
In de professionele showbizz mag zoiets niet. Maar het is een type overtreding dat Orpheus ook maakte, en daar zijn toch een paar aardige dingetjes uit voortgekomen.
P.S. De dubbele blik wordt gebanaliseerd bij sportwedstrijden, wanneer toeschouwers zichzelf op een televisiescherm zien.
vrijdag 6 april 2012
Een bangalijstje of Hoe vers blijft de actualiteit (bibliofiel)

Prof.dr.ir. P. Akkermans
Bottom up
Conclavenphronesis
Dr. Mabuse
Eikeltjeskoffie
Flexibiliteitshegelianisme
Grootste deler
Hoge ballen voor het doel
Incentivessediment
Jezussandalisme (anti-)
Kruisigingsjournalistiek
Laïciseren bij vrijemarktmoraal
Maturiteitspoëzie
Nasi met augurk
Opt-out
Priemgetal
Qualitytimesharing
Rechts ***en, links ***en
Subsidiekritiekwegwuiving bij ingeweefdheid
Urker worst
Vestigingsfusies
Wetenschapsbashing
Xenofobieallergie
Yoghurtbacterie
Zeno
Of denk je dat dit slim is?
Of denk je dat dit maf is?
Of denk je dat dit gaaf is?
Of denk je dat dit fake is?
Of denk je dat dit leuk is?
Of denk je dat dit kul is?
Of denk je dat dit mal is?
Of denk je dat dit gal is?
Of denk je dat dit gaaf is?
Of denk je dat dit geil is?
Of denk je dat dit leip is?
Of denk je dat dit laf is?
Of denk je dat dit lof is?
Of denk je dat dit dol is?
Of denk je dat dit diep is?
Of denk je dat dit dof is?
Of denk je dat dit bof is?
Of denk je dat dit brol is?
Of denk je dat dit brak is?
Of denk je dat dit vlak is?
Of denk je dat dit vlug is?
Of denk je dat dit dus is?
Of denk je dat dit daas is?
Of denk je dat dit vaal is?
Of denk je dat dit laag is?
Of denk je dat dit gym is?
Voor een synthese kan men echter ook een lokale notitie maken.
zondag 1 april 2012
The Saulus-Paulus-thing
Bij het ontbijt meldt de krant van gisteren: ‘Ook wie helemaal niets heeft met glamour of licht amusement moet de voorbije jaren ergens elders in het sterrenstelsel hebben vertoefd om niet van Astrid Bryan te hebben gehoord.’ Dus dat was het!
Net nu De Ronde de hele middag op de buis zou komen.
We zijn al begonnen met inpakken. Hoe lang het duurt voor we landen is onbekend, maar dan zal hier meteen, in een eenmalige bibliofiele editie op 26 exemplaren, mijn Bangalijst worden geopenbaard.
Net nu De Ronde de hele middag op de buis zou komen.
We zijn al begonnen met inpakken. Hoe lang het duurt voor we landen is onbekend, maar dan zal hier meteen, in een eenmalige bibliofiele editie op 26 exemplaren, mijn Bangalijst worden geopenbaard.
woensdag 28 maart 2012
Ontmoeting (2)

Gisteren kwam ik Mahatma Gandhi tegen bij de slager.
‘Hey Marc, mag ik je wat vragen?’
‘Jij altijd, ouwe vogel. Maar van cricket weet ik niets.’
‘En van politiek?’
‘Mahatma, ik heb een weblog!’
‘Goh, een have-not!’
‘Beetje bijblijven, Mahatma, dat noemen we een loser.’
‘Okay.’
‘Maar misschien mag ik erop wijzen onlangs een mail te hebben ontvangen van de zoon van Khadaffi om samsam te spelen met zijn tijdelijk geblokkeerde miljoenenkapitaal.’
‘Ah, dan begrijp jij dat in tijden van beurscrises de belangrijkste republikeinse kandidaat voor het presidentschap een speculant is?’
‘Kan niet beter!’
‘En dat in het Westen juist toplui, hun asociale beleid verdedigend dat ze via de economie de mensheid er weer bovenop helpen, de winsten niet herinvesteren in hun bedrijven maar in hun eigen portemonnee?’
‘Slim!’
‘En dat een miljardair verklaart te weinig belasting te betalen en vervolgens als belangrijkste aandeelhouder een CEO een zeer geinige bak extra geld geeft?’
‘Hij steekt het dan toch niet in eigen zak?’
‘En dat een extra gratificatie aan een topman berust op diens kostenbesparende maatregelen?’
‘Wie zonder bonuskaart is, werpe de eerste steen.’
‘En dat het eerder regel dan uitzondering is dat in het immer door begrotingstekort geplaagde België bedrijven überhaupt een belastingaangifte doen?
‘Correct!’
‘En dat een Australisch bedrijf Cherry Guevara-ijs op de markt gebracht heeft?’
‘Mahatma! Je leest toch geen Zizek?’
‘Nee joh, teletekst! Ik ben er helemaal crazy van, de laatste tijd.’
‘Met jou kan ik praten, Mahatma.’
‘Zo schijnen terdoodveroordeelden in China niet langer hun organen af te moeten staan omdat ze vaak enge ziektes hebben.’
‘Maar da’s discriminatie!’
‘Zullen we anders samen in hongerstaking gaan, Marc? Marc?
(…)
‘Zeg, Marc.’
‘Ja?’
‘Snap jij waarom een belangrijke presidentskandidaat politieke hypocrisie en inefficiëntie van de ambtenarij aanvalt, terwijl hij jaren in Washington, zoals dat heet, op het pluche gezeten heeft?’
‘Heel authentiek!’
‘Net als Wilders!’
‘Yep!’
‘Bernie Madoff was evenmin een groentje!’
‘No way.’
‘Zeg Marc, jij houdt toch van kruiswoordraadsels en cryptogrammen?’
‘Alleen als er niks op de televisie is.’
‘Nou, daarstraks vertelde een journalist op radio over een bundeling interviews die hij had gemaakt met filosofen.’
‘Echte? Met baarden en zo?’
‘Precies! En nu blijkt dat die mensen geen spijt hebben van al die tijd die ze in bibliotheken hebben doorgebracht.’
‘Niet?’
‘Nee, ze schijnen zelfs best tevreden te zijn met hun leven.’
‘Wat?’
‘Ja, sommigen van die mannen lachen zelfs regelmatig.’
‘Godverdomme!’
‘Maar echt slim of verstandig schijnen ze niet te zijn, vertelde die schrijvende journalist aan zijn radiocollega.’
‘Geen wonder!’
‘Nee, Heidegger en Sartre, om wat willekeurige voorbeelden te noemen, hebben faliekant verkeerde keuzes gemaakt.’
‘Wie?’
‘Martin Heidegger en Jean-Paul Sartre. De een was een nazi en de ander een stalinist.’
‘Wat? Waarom vertelt niemand mij ooit wat?’
‘Je surft te weinig, Marc, daar ben je te arrogant voor, dat is het.’
‘Right, zullen we het eens over jouw hairextensions hebben? Mahatma?’
(…)
‘Zeg, Mahatma, tsjakka.’
‘Wat?’
‘Ik rijm een beetje om in vorm te blijven, voornemens als ik ben een record te breken een gemiddelde lezer binnen 400 woorden te doen inslapen. Maar wat ik vragen wou: loop jij altijd zonder benen?’
‘Hahaha, dichtertje.’
‘Wat bedoel je?’
‘Tegenwoordig lees ik ook wel eens gedichten en opiniestukken in de krant.’
‘Hoe is dat mogelijk?’
‘En dan verwijt een en dezelfde mens in zo’n zogeheten essay cultuurbarbaren alles over één kam te scheren en typeert vervolgens in een gedicht het volk als zwijgend gangbangend voor een breezer.’
‘Niets menselijks is ieder mens vreemd.’
‘Haha, kunstenaartje.’
‘Wat bedoel je nu weer?’
‘Nou, behalve naar teletekst kijk ik ook naar herhalingen van het vernieuwde journaal. En daar was een item over een Spaans vliegveld dat voor veel projectgeld was neergezet en niet gebruikt werd.’
‘Ja en?’
‘Een gespecificeerd deel van de kosten zat in een beeldende installatie voor de ingang, en de maker daarvan werd geïnterviewd en kreeg daarbij het onderschrift “kunstenaar”, haha.’
‘Right. Wat doe jij eigenlijk in een slagerij, groenzoeter? Da’s toch niks voor jou?’
‘Nee, maar ik ben dan ook al jaren dood.’
‘Wat? Niemand vertelt mij echt niets.’
‘Dat zijn de wetten van de branding, Marc.’
‘O. Lust jij trouwens blinde vinken?’
‘Die heten hier loze vinken.’
woensdag 21 maart 2012
De waarheid
Een envelop volstaat. Althans een sticker erop, uit het buitenland: ‘WITHOUT COMMERCIAL VALUE / FOR CULTURAL PURPOSES ONLY’. Naar de onwrikbare eeuwigheid van de jaartelling na 9/11 ontving ik uit den verre ook een dichtbundel, met een door de afzender ondertekend: ‘I certify that this package does not contain any Dangerous or Prohibited Goods’.
Relativering van de dagelijkse moeite is een voorrecht en het idee dat niets enige zin heeft wellicht nog meer – maar soms mag de illusie postvatten dat het meetbaar effect van kunst boven nul ligt. Het is fijn zwelgen in onrechtvaardigheid en populisme en wanbegrip en zo, maar het kan niet zo zijn dat het tweeledige artikel 27 uit de Universele Verklaring Van De Rechten Van De Mens refereert aan een geintje:
Een ieder heeft het recht om vrijelijk deel te nemen aan het culturele leven van de gemeenschap, om te genieten van kunst en om deel te hebben aan wetenschappelijke vooruitgang en de vruchten daarvan.
Een ieder heeft het recht op de bescherming van de geestelijke en materiële belangen, voortspruitende uit een wetenschappelijk, letterkundig of artistiek werk, dat hij heeft voortgebracht.
Op zulke momenten ervaar ik de noodzaak tot minder ego en meer gezamenlijkheid. Dan sla ik Neem bijvoorbeeld graniet. De Europese grondwet in verzen op. Gaandeweg betrap ik me er echter op bij opmerkelijk krachtige en zwakke passages achter in de verantwoording te kijken wie de genius is. Ook blijken gedichten in stukken geknipt, wat mij een twijfelachtige eer zou zijn (omdat ik het zelf doe?). Dan ervaar ik noodzaak tot individualisme.
Gelijkaardig zwenkte ik bij een enquête over opvoeden, op basis van informatie uit Nederland en uit België. De bedoeling was als ouder uit een lijstje karaktereigenschappen er een paar te kiezen die jij het belangrijkste vindt om mee te geven. Gepresenteerd als een ‘denkoefening’, leek het me direct een heilloze onderneming. Ik wil hooguit dat mijn kinderen zelf hun weg zoeken. En al zou ik hen willen sturen, in de praktijk is de invloed van school en dergelijke veel groter – in plaats van ‘’s ochtends’ zegt het taalkundig genie nu reeds ‘in de morgend’.
Bij een tweede blik viel me op dat bij de opsomming onder Ik wil dat mijn kind ‘gelukkig is’ er niet bij stond. Net als het zich deze week her en der te West-Europa opdringende ‘veilig is’, beter ook eigenlijk in verband met het realiteitsbesef (en met proportionaliteit, vrees ik, in het Midden-Oosten en Zuid-Amerika zal zulke rampendichtheid hoger liggen). Dan maar ‘vrolijk is’? Deal! Hoewel, dag en nacht? De optie ‘spiritueel is’ mag uit eigen portemonnee gelicht.
In derde instantie deden enige keuzemogelijkheden mij nogal terugschrikken: ‘opkomt voor zichzelf’, ‘initiatief neemt’, ‘ambitieus is’… Zou het louter mijn hebbelijkheid zijn daar één ideologie in te proeven? Ooit golden deze vormen van assertiviteit als onfatsoenlijk, wat een even hovaardig oordeel lijkt. Nu tellen ze als een pre. Daarbij moet wel vanuit het betreffende ik gerekend, want de eigenschappen claimen meer of minder bewust uitsluiting. Bijvoorbeeld ambitie is prachtig, voor zover ze iemand zich intens in iets laat verdiepen. Maar dit ‘beste uit zichzelf halen’ berust veelal op ‘beter dan een ander’ zijn. Mogelijk hangt de gewildheid van een netwerk daarmee samen.
Kan geluk wel zijn autonomie bewaren? Plakt daar om te beginnen geen lifestyle-industrie aan vast? Voor zover ik het etappegewijs snapte, leerde de enquête dat de pursuit of happiness in mijn eigen ideologie doel mag zijn, maar met zo min mogelijk collateral damage. Eieren die voor het spreekwoordelijke omelet gebroken moeten worden, lust ik niet. Zonder anderen bestaat er toch amper geluk, dokter?
Uiteraard totaal onbevooroordeeld, fascineert het mijn kroost zich te zien bekwamen in het bereiken van hun doelen. De gourmande (1½) is volop bezig het vak te leren. Vooralsnog wil ze alles hebben wat haar zus heeft. Dat ging lang met totalitair geschreeuw, maar nu ze taal aan het ontwikkelen is heeft ze een extra wapen. Ik mag het woord ‘tafel’ niet ijdel gebruiken, omdat de gourmande dan meteen naar haar stoel loopt en op het woord begint te tikken voor het voorgerecht. Meer progressie bestaat eruit dat als zuslief bij een van haar ouders op schoot kruipt, de gourmande op haar buik gaat liggen en roept: ‘Au… valle… zootje’.
Aan het taalkundig genie (5) vertel ik dan weer graag een geheim. Voor haar omdat ze dat geweldig gewichtig vindt, en voor mij omdat ze, en ik moet het zo formuleren, nog niet kan liegen. Dus verklapt ze aan haar moeder dat die (moeder) niet mag doorvertellen dat zij (tg) een geheim met mij heeft. Adembenemend slim! Zoals ze erg vroeg in de weekendmorgends vraagt beneden televisie te mogen kijken en dan heus niet het keukentrapje voor een kast gaat zetten om op de eerste plank rechts koekjes te pakken.
Zelf legde ik ooit een vouwfiets in Nederland aan een ketting vast, om daarna te merken dat mijn sleutels thuis lagen. In Amsterdam, ver na middernacht, wist de baliemedewerker van het meest nabij gelegen politiebureau dat ik niet te helpen viel: grote scharen kwamen de deur niet meer uit, vertelde hij. Wel volgde ik zijn advies op om bij een fietsenmaker zo’n schaar te lenen. Maar ik had mijn verhaal niet eens helemaal gedaan toen die me benoemde tot vieze junk, ‘helemaal uit België, je moet toch echt betere smoesjes verzinnen’.
Ik wil dat mijn kind de kunst van de geloofwaardigheid machtig wordt.
Relativering van de dagelijkse moeite is een voorrecht en het idee dat niets enige zin heeft wellicht nog meer – maar soms mag de illusie postvatten dat het meetbaar effect van kunst boven nul ligt. Het is fijn zwelgen in onrechtvaardigheid en populisme en wanbegrip en zo, maar het kan niet zo zijn dat het tweeledige artikel 27 uit de Universele Verklaring Van De Rechten Van De Mens refereert aan een geintje:
Een ieder heeft het recht om vrijelijk deel te nemen aan het culturele leven van de gemeenschap, om te genieten van kunst en om deel te hebben aan wetenschappelijke vooruitgang en de vruchten daarvan.
Een ieder heeft het recht op de bescherming van de geestelijke en materiële belangen, voortspruitende uit een wetenschappelijk, letterkundig of artistiek werk, dat hij heeft voortgebracht.
Op zulke momenten ervaar ik de noodzaak tot minder ego en meer gezamenlijkheid. Dan sla ik Neem bijvoorbeeld graniet. De Europese grondwet in verzen op. Gaandeweg betrap ik me er echter op bij opmerkelijk krachtige en zwakke passages achter in de verantwoording te kijken wie de genius is. Ook blijken gedichten in stukken geknipt, wat mij een twijfelachtige eer zou zijn (omdat ik het zelf doe?). Dan ervaar ik noodzaak tot individualisme.
Gelijkaardig zwenkte ik bij een enquête over opvoeden, op basis van informatie uit Nederland en uit België. De bedoeling was als ouder uit een lijstje karaktereigenschappen er een paar te kiezen die jij het belangrijkste vindt om mee te geven. Gepresenteerd als een ‘denkoefening’, leek het me direct een heilloze onderneming. Ik wil hooguit dat mijn kinderen zelf hun weg zoeken. En al zou ik hen willen sturen, in de praktijk is de invloed van school en dergelijke veel groter – in plaats van ‘’s ochtends’ zegt het taalkundig genie nu reeds ‘in de morgend’.
Bij een tweede blik viel me op dat bij de opsomming onder Ik wil dat mijn kind ‘gelukkig is’ er niet bij stond. Net als het zich deze week her en der te West-Europa opdringende ‘veilig is’, beter ook eigenlijk in verband met het realiteitsbesef (en met proportionaliteit, vrees ik, in het Midden-Oosten en Zuid-Amerika zal zulke rampendichtheid hoger liggen). Dan maar ‘vrolijk is’? Deal! Hoewel, dag en nacht? De optie ‘spiritueel is’ mag uit eigen portemonnee gelicht.
In derde instantie deden enige keuzemogelijkheden mij nogal terugschrikken: ‘opkomt voor zichzelf’, ‘initiatief neemt’, ‘ambitieus is’… Zou het louter mijn hebbelijkheid zijn daar één ideologie in te proeven? Ooit golden deze vormen van assertiviteit als onfatsoenlijk, wat een even hovaardig oordeel lijkt. Nu tellen ze als een pre. Daarbij moet wel vanuit het betreffende ik gerekend, want de eigenschappen claimen meer of minder bewust uitsluiting. Bijvoorbeeld ambitie is prachtig, voor zover ze iemand zich intens in iets laat verdiepen. Maar dit ‘beste uit zichzelf halen’ berust veelal op ‘beter dan een ander’ zijn. Mogelijk hangt de gewildheid van een netwerk daarmee samen.
Kan geluk wel zijn autonomie bewaren? Plakt daar om te beginnen geen lifestyle-industrie aan vast? Voor zover ik het etappegewijs snapte, leerde de enquête dat de pursuit of happiness in mijn eigen ideologie doel mag zijn, maar met zo min mogelijk collateral damage. Eieren die voor het spreekwoordelijke omelet gebroken moeten worden, lust ik niet. Zonder anderen bestaat er toch amper geluk, dokter?
Uiteraard totaal onbevooroordeeld, fascineert het mijn kroost zich te zien bekwamen in het bereiken van hun doelen. De gourmande (1½) is volop bezig het vak te leren. Vooralsnog wil ze alles hebben wat haar zus heeft. Dat ging lang met totalitair geschreeuw, maar nu ze taal aan het ontwikkelen is heeft ze een extra wapen. Ik mag het woord ‘tafel’ niet ijdel gebruiken, omdat de gourmande dan meteen naar haar stoel loopt en op het woord begint te tikken voor het voorgerecht. Meer progressie bestaat eruit dat als zuslief bij een van haar ouders op schoot kruipt, de gourmande op haar buik gaat liggen en roept: ‘Au… valle… zootje’.
Aan het taalkundig genie (5) vertel ik dan weer graag een geheim. Voor haar omdat ze dat geweldig gewichtig vindt, en voor mij omdat ze, en ik moet het zo formuleren, nog niet kan liegen. Dus verklapt ze aan haar moeder dat die (moeder) niet mag doorvertellen dat zij (tg) een geheim met mij heeft. Adembenemend slim! Zoals ze erg vroeg in de weekendmorgends vraagt beneden televisie te mogen kijken en dan heus niet het keukentrapje voor een kast gaat zetten om op de eerste plank rechts koekjes te pakken.
Zelf legde ik ooit een vouwfiets in Nederland aan een ketting vast, om daarna te merken dat mijn sleutels thuis lagen. In Amsterdam, ver na middernacht, wist de baliemedewerker van het meest nabij gelegen politiebureau dat ik niet te helpen viel: grote scharen kwamen de deur niet meer uit, vertelde hij. Wel volgde ik zijn advies op om bij een fietsenmaker zo’n schaar te lenen. Maar ik had mijn verhaal niet eens helemaal gedaan toen die me benoemde tot vieze junk, ‘helemaal uit België, je moet toch echt betere smoesjes verzinnen’.
Ik wil dat mijn kind de kunst van de geloofwaardigheid machtig wordt.
Abonneren op:
Posts (Atom)





