woensdag 30 juni 2010

Het juiste woord

In De woorden van Wilders & hoe ze werken meldt Jan Kuitenbrouwer dat dit boek completer had uitgepakt, indien het kabinet niet was gevallen. De ‘beperkte tijd’ die hij zich met zijn uitgever vanwege de vervroegde verkiezingen had gesteld, maakt het geheel inderdaad wat teleurstellend. Herhalingen en slordigheden drijven de lezer die ik ben geregeld naar het voorportaal van de ademnood, maar de materie is te interessant (en de stijl te innemend) om al die aanzetjes weg te wuiven.
Ik val vooral voor Kuitenbrouwers opsommingen van hoe Geert Wilders koffie en thee als argumenterend beeld inzet. De taaldeskundige concludeert dat de PVV ‘een echte koffiepartij’ is, ‘[t]hee is níet PVV’. Ik tracht te specificeren wat er in het pakket zit. Wie dat idioot vindt, verwijs ik naar ons taalkundig genie S. die, hoewel ze een verbijsterend vrolijk kind is, soms zware uren doormaakt indien het juiste woord niet strookt. Zo heeft ze winkelend Brussel eens platgelegd toen we haar een paar nieuwe laarzen (botjes) wilden geven, tot we ons realiseerden wat we, geheel volgens de pedagogische theorie, beloofd hadden te gaan doen: schoenen kopen.
De kiem van Wilders’ theeaversie moet liggen bij Job Cohen, die als ‘multiculti-knuffelaar’ een theedrinker blijkt. Kuitenbrouwer wijdt aan thee dan ook een apart lemma, waarbij deze drank verbonden wordt met ‘linkse hobby’s’. Een bepalend voorbeeld is in dit discours het uitdelen van subsidies. Omdat het door en voor vriendjes geschiedt, representeert thee geregel door smoezen. Kuitenbrouwer: ‘thee is eromheen draaien, thee is pappen en nathouden, thee is woenstijncultuur [sic]’. Hij hint met dat laatste naar Arabische gewoontes op een tapijtje, mogelijk met veel suiker.
Thee staat haaks op zero tolerance. Dat laatste zou op soortgelijk metonymische wijze op te wekken zijn met koffie. Bij dat lemma connoteren vervolgens meer voorbeeldzinnen deze drank positief. Kuitenbrouwer verbindt als gezegd koffie zelfs expliciet aan Wilders’ partij, waarbij aangetekend moet dat de bakermat voor dit genotvocht Afrika is, een werelddeel dat met zijn onbedaarlijke emigratieneigingen uit sociaaleconomische achterstand niet de hoogste PVV-vreugde losmaakt. Laat de mythe onbeslist of Ethiopië dan wel Jemen het koffie-oerland is, in Mekka, standplaats van de islam, stond het eerste typevoorbeeld van het koffiehuis, de Kaveh kane(s); in 1530 was er eentje te Damascus en in 1532 te Aleppo. En de variant die wij kennen verbreidde zich vanuit Constantinopel, 1554. Dat koffiehuizen als waarlijk Europese uitvindingen bezien worden, getuigt dus van Europese bijziendheid.
Bovenal associëren we koffiehuizen met debatten tussen onthechte intellectuelen, bohemiens en anarchisten. Koppel ik dat niet direct met Wilders’ alleenheerschappij over de PVV, de topos knipoogt wel naar een revolutie in de dop die dan een contrarevolutie behelst, back to the national basics. Niet voor niets bouwt Kuitenbrouwer vanuit Wilders’ fameuze kreet ‘Het moet niet gekker worden’ een identificatie met de archetypische (tot Riek Schagens reclame voor Sorbo volgehouden) huishoudster juffrouw Saartje in Swiebertje. Er is al gezegd dat die vergelijking dodelijk is, maar ze heeft ook, misschien is dat onvermijdelijk, iets zelfvoldaans. In elk geval mengt het bedoelde wereldbeeld monterheid met mopperzucht. Ten slotte legde Saartje zich bij de status quo neer. Er zou toch niet naar haar geluisterd worden. Ik betwijfel dat, met mijn geheugen als feilbare bron. Van alle personages staat me de juffrouw bij als de moreel meest superieure en onbetwistbare.
Kuitenbrouwer signaleert dat Wilders in 1963 geboren is, en dus in Swiebertje dé prent van zijn jeugd moet hebben gehad (de serie liep van 1960 tot 1975). Ten minste zij vastgesteld dat Saartje weinig streetwise is en dat Wilders tragischerwijze permanent door bewakers wordt afgeschermd. Anderzijds is de samenleving dermate complex geworden dat uitspraken over wereldvreemdheid ijdel zijn; doordat iedereen handelt naar zijn eigen overwegingen lijken er evenveel universa te ontstaan, wat empirisch toch een wankele observatie is. Vaker is opgemerkt, eveneens door Kuitenbrouwer, dat Wilders zich als buitenstaander presenteert terwijl hij, om te beginnen als speechschrijver voor Bolkestein, grote politieke ervaring heeft – en de lieve Saartje hoort er evengoed bij, ze krijgt ook geen kwaad woord van Swiebertje, Bromsnor of de burgemeester. Maar zijn PVV-kiezers en hun voorman uiteindelijk zo inschikkelijk als zij, wier biotoop slechts huiselijke interferenties kende? Of wil Kuitenbrouwer zeggen dat de koffie als het ware niet zo heet gedronken wordt?
Ik heb me afgevraagd of Saartje nooit thee schonk, zoals De woorden van Wilders & hoe ze werken pertinent weet. Is die drank niet minstens zo oubollig als het boekje over zijn object wil laten uitschijnen? Een fansite hangt de serie deze steekwoorden om: ‘De sfeer van 1900, van kattekwaad. Van koffie met koekjes. Gezelligheid’. Die koekjes intrigeren, omdat Wilders ze volgens Kuitenbrouwers opsommingen op de agenda heeft gezet, als uitstervend ras bij klaarblijkelijk van buitenaf geïnjecteerde gewoonten. Dan doemen er twee archetypen: mevrouw Drees die in 1947 Amerikaanse diplomaten voor het Marshallplan trakteerde op een mariakaakje en de identiteiten die prinses Máxima in haar nieuwe vaderland proefde, waaronder ‘één koekje bij de thee’. Maar da’s dus geen koffie, al werd het dat in de loop van de verontwaardiging stilzwijgend wel – over landskarakteristieken gesproken.
Tevens blijkt dat Swiebertje in de aflevering ‘Koffiepraatjes!’ te midden van drie nieuwe vriendinnen ‘de meeste koppen koffie had gedronken’. Een andere episode begint zo: ‘Het is een tijdlang erg rustig geweest in het dorp van de Burgemeester, Saartje en Luie Loodje. Ook Bromsnor had een gemakkelijk leven, want Swiebertje was in geen velden of wegen te bekennen. Maar nu is hij weer teruggekomen. Waarschijnlijk vindt hij de koffie nergens zo lekker als bij Saartje.’ Ten slotte wordt de in het revolutiejaar 1968 ontworpen figuur Malle Pietje gekarakteriseerd ‘met zijn eigen taaltje’ in het voorbeeld: ‘Nou gane we effe een koppie koffie drinken’.
Natuurlijk zijn het allemaal flat characters, en Kuitenbrouwer demonstreert ook dat Wilders bewust in essentialia spreekt en dus overdrijft. Zelden zijn meningen zo hardnekkig als feiten gepresenteerd. Dat maakt Wilders’ multiculti theedrinker ook zo onwerkelijk. Sterker, Cohen heeft heel literair een reïficatie ondergaan. Dat is niet zo bijzonder. Ik wil geen boekje maken over het patois van het taalkundig genie, maar mij staat bij me dat ze, nog geen drie, tijdens ijskoude winterdagen eerst iemand verbijsterd aankeek die liep op bontlaarzen en dat er even later een man naast ons in de trein ging zitten van wiens gezicht amper iets te zien was vanwege een gigantische baard – en een bontmuts. En door de coupé klonk de vraag: ‘Wa’s dat hier nu?’

maandag 21 juni 2010

Hollands Glorie

Zaterdag 12 Boeken hebben weinig draagwijdte, laat staan literaire boeken, om nog te zwijgen van poëzie, waarin ‘hermetische’ gedichten zelfs ridicuul worden, helemaal van een onbetekenende. Is het dan een extra groot genoegen een week op een internationaal poëziefestival te mogen spelen, de associatie met een economische vluchteling dringt zich op. Inburgeringscursussen kunnen worden vervangen door een verblijf van zeg drie dagen op station Roosendaal. Het regent er zelden nooit, omroepberichten in vier talen worden zo vaak afgespeeld dat wijzigingen in tijd of perron onuitgesproken blijven en de kleinste koffie heeft er de kwantiteit van vijf espresso’s en de sterkte van een vijfde espresso (bij de voormalige kiosk was er in de hoek op een plank boven roerspatels, tinnetjes melk en zakjes suiker het opschrift ‘kleine deksels’). Zondag 13 Bestaat er een code voor liftgedrag? Het schijnt internationaal de gewoonte op roltrappen rechts te houden voor spoedeisende personen met koffertjes en nu ik met een ongetwijfeld luid spelende iPod in de lift sta terwijl er iemand tussen de deuren glipt, zou het vriendelijk van mij kunnen wezen de muziek stop te zetten. Ik doe het en dan hoor ik muzak. Of stel ik de vraag omdat ik de uitslag van de verkiezingen ducht die nu in het woonland plaatsvinden? Zeker is dat deze drie liften erg efficiënt en ruimhartig werken. Wie ze met een druk op de knop roept, kan zien dat er één zich voor dat verzoek beschikbaar stelt. Maandag 14 Het taalkundig genie S. wil dat ik naast haar aan de ontbijttafel ga zitten, zodat de bejaarde dichter niet meer zijn vinger naar haar kan uitsteken waarin ze mag knijpen. Gisteren had ze hem bij het diner ademloos gadegeslagen, af en toe ging er een hap en een slok naar binnen, en sporadisch verlieten er enige, naar verluidt goed in een Kirgizië-discussie gemikte, woorden zijn mond. De meeste tijd soesde hij, kin op de borst. Straks gaat S. naar Blijdorp neushoorns kijken. Dinsdag 15 Het is geen retorische figuur dat ik nu schrijf ‘met alle respect’. Dus: met alle respect voor de ongeveer 3000 slachtoffers en ook wil ik de impact in de representatie niet betwisten, maar ik twijfel of het pas geeft 9/11 te vergelijken met de ramp die BP in de Golf van Mexico heeft aangericht. Van mijn part mag de verhouding inderdaad 40% Britse en 39% aandeelhouders zijn, samen zitten ze aantoonbaar ruim boven de 71% die water op de aarde heeft. Dat schept toch wat verantwoordelijkheid, die niet op een vuvuzela kan worden uitgeduid. Woensdag 16 Bij de inzwering blijkt dat Tweede Kamerleden, geheel conform ‘de diplomademocratie’, bijna allen een academische achtergrond hebben. Wel wat anders dan de onderwijzers van weleer. Toch hadden die intellectuele standing. Wie zou er inmiddels niet op de universiteit gestudeerd hebben? Geen idee, maar doctorandus betekent: ‘hij die doctor moet worden’. Dit meen ik me te herinneren, terwijl ik, vechtend tegen een deadline voor een literair tijdschrift, het uitzicht bewonder van de plots fallisch aandoende torenflat waarop staat: ‘De tour win je in bed. Joop Zoetemelk’. Gelukkig weet ik dan nog niet dat ik voor de derde nacht op rij geen Febo open zal treffen voor een heerlijk gore satékroket. Donderdag 17 Naar mijn smaak net iets te fijntjes memoreert Tony Judt dat in Italië ooit studerende zonen uit de betere middenklasse in naam van de revolutionaire rechtvaardigheid onderbetaalde agenten in elkaar sloegen; verderop meldt Het land is moe dat in Engeland en Spanje kunst wordt gefinancierd uit particulier uitgebate loterijen, ‘gelegaliseerd gokken’, noemt Judt dat, met geld uit het armere segment van de samenleving. Win for life? Maar ik wil niet lezen. En ondertussen, in Nederland was het ‘echt waar?’, in België ‘serieus?’ – verbasteringen van het Amerikaans, begrijp ik nu, terwijl ik mijn moed bijeenraap en poog praatjes uit te slaan met een meninkje hier en daar, en daarop verneem: ‘really?’. Natuurlijk niet, it’s the ontology, stupid. Vrijdag 18 Het museum biedt plaats aan interventies. Fotograaf Hans Wilschut heeft in het trappenhuis een panorama van de megacity Nanjing, waarop geen mens te ontwaren valt maar dat wel laat uitschijnen dat zelfs op de recentste noden aangepaste architectuur razendsnel veroudert. Wat een beroeste airco’s in wolkenkrabbers! Op weg naar de schouwburg zie ik de vrouw van de wereldberoemde dichter foto’s nemen van een rij fietsen. Begin van de week overviel me spijt geen toestel bij me te hebben, na wat rationalisaties, toen er bij de tramhalte een man stond te wachten die geheel in een oranje konijnenpak was gehuld. Zaterdag 19 Hopelijk liet ik me bij het afscheidsprogramma niet te zeer kennen in mijn begeestering voor de entr’acte: het saxofoonkwartet dat een flard uit ‘Song To The Pharoah Kings’ van Return To Forever speelde. Aan het ontbijt zegt een Hollandse krant dat Bart De Wever zijn studie afbrak om zijn passie voor politiek te volgen, dat hij momenteel veel Latijn spreekt en dat hij, oud nieuws, de harten van heel veel kijkers won door zijn imago van ‘grijze muis’ bij een televisiequiz te verwisselen voor dat van de geestigste thuis, inclusief zelfspot. Wat mij was ontgaan: op hetzelfde medium zou hij zijn blijkbaar meetikkende ‘meedogenloosheid’ hebben gerelativeerd door in een passage over het royeren van Jean-Marie Dedecker uit de partij natte ogen te hebben gekregen. Zondag 20 Bij alle verwennerij vanonder de stolp steeds de sensatie: is dit waar? Ik doel niet op reflexen over subsidie (Wilders had met zijn kersverse fractie eens moeten komen kijken wat voor een toegankelijk buitengewoons dit oplevert), noch op een zekere angst voor reacties uit media (‘parallel universum ontdekt in hartje Rotterdam’), maar op een verschil met buitenlandse collega’s, wier bestaan in armoede is gedrenkt, wier leven soms gevaar loopt, wier woorden bijv. door de censuur, zoals iemand schreef, ‘tot gedicht veroordeeld’ zijn. Bevreemdend om ten slotte samen op het podium, terwijl confetti daalde als in een heuse tickertapeparade, onder applaus te worden bedankt. Ramptoerisme? Ik snapte de collega die de scène op zijn mobiele telefoon vastlegde en feitelijk het publiek tot subject maakte. Dit is werkelijk gebeurd.

dinsdag 8 juni 2010

Stemadvies

Maken verkiezingen inderdaad nerveus? Nu België en Nederland bijna simultaan hetzelfde lot ondergaan, inclusief doorlopende opiniepeilingen die dito geïnterpreteerd worden en debatten die onderbroken worden voor een blik op wat Twitter ervan vindt, frappeert me vandaag een kort lontje bij iets wat vermakelijk is. Dan doel ik niet op een bewust ranzige verkiezingsspot die persiflerend zou zijn bedoeld – met zo’n verklaring vergaat me elke lust te kijken. Nee, de Volkskrant kreeg een fake-editie, en misschien omdat dit laatste woord een koppelteken behoeft had de titel ervan er ook eentje: de Volks-krant.
Toegegeven, ik zou ondertussen vaten met radicaliteit op kunnen maar volgens mij kwam het niet door de lol die ik beleefde dat het gemekker erbij extra opviel. Ik zou eerder denken dat dit initiatief van allerlei maatschappelijke belangengroepen een grote stap voorwaarts was vergeleken bij de reputatie van zuurderigheid en betweterij die 'links' geniet. In de berichten waren de absurditeiten daartoe te groot, en de positieve grondhouding werd gekwadrateerd. Gespitst op efemerismen in het mondelinge taalgebruik, waar ik geen voorbeelden van wil geven omdat ik er laatst bij herhaling zelf eentje uitsprak, kan het zijn dat ik er overgevoelig voor ben geraakt. Anderzijds zag ik in de fake-editie ook iets dat mijn even politieke thema koffie onderstreepte, zonder er confuus van te worden.
Mij verbaasde vooral een argument tegen de zeg maar ludieke actie die als bedrog aangevoeld werd: ‘Zonder credits, zonder colofon, helemaal anoniem? Jullie durven wel zeg! Neem eens verantwoordelijkheid voor je eigen lastercampagne.’ Hier wordt namelijk een kern van de democratie ontbloot als het gaat om nieuwsverbreiding. In België toont men zich daarin zelfs voorlijk: elke publicatie, inclusief poster, vermeldt altijd ergens de ‘v.u.’ (verantwoordelijk uitgever). Dit onderstreept dat we deel uitmaken van een systeem dat niet vrijblijvend is en gelukkig zo werd opgezet dat een mens onschuldig is zolang zijn schuld niet is bewezen. Da’s toch vrijheid van meningsuiting? Kwestie van de context bewaken waarin informatie wordt aangeboden?
In dit geval van de Volks-krant zou het effect echter tenietgedaan zijn. Juist anonimiteit kan blijde boodschappen bekrachtigen, zo’n rilling die veranderingsgezindheid niet ‘achterhaald’ maakt, omdat de bekende *** zus of zo beweert… Of zou het ergens anders aan te wijten zijn dat ik schrok toen ergens ooit een lijsttrekker aan mijn favoriete trainer in facsimile berichtte: ‘Politiek, linkse politiek, draait om kansen geven aan mensen om het beste uit zichzelf naar boven te halen. Dat doe jij ook met AZ. Petje af!’
Een v.u. geeft onderwijl evenzeer bescherming aan de privacy. Op dat vlak werd ik door een ander wereldnieuws beproefd vandaag, waarvoor ik evenmin het huis uit moest. In de bus viel een geadresseerde brief van een politica uit de stad. Met een echte postzegel! Op een sober A-4tje verzocht ze me in het belang van de toekomst en van de welvaart, die op het spel zouden staan, te stemmen op haar partij, met het curieuze slotargument: ‘Je doet er mij een plezier mee’. Wel netjes dat boven haar heuse handtekening in ballpoint stond: ‘Alvast bedankt’. Er was ook een foto op de A-4 geprint, en die kwam me bekend voor uit een krant die haar als opiniemaker heeft.
Dit is niet de eerste keer dat hier in België politieke partijen quasi-persoonlijke epistels laten binnenvallen, ondanks het feit dat er een sticker op de bus prijkt tegen ongevraagde reclame – waarnaar door deze constructie een lange neus wordt getrokken. Ik weet niet of het aan de postzegel ligt dat ze anders ogen dan zeg maar banken die je op soortgelijke wijze als klant willen ronselen. Telkens erger ik me er even hard aan als dat ik het vergeet. Het valt me van mezelf tegen dat ik er noch om kan lachen noch de vermoeidheid van me af kan schudden en erop te reageren – de achterkant van de envelop geeft nota bene een adres dat volgens het internet van de politica is.
Meer tuk ben ik dan weer op het toneel dat werd gemaakt van een collega-opiniemaker van haar, die in de Volks-krant opriep voor deze stiel ‘misschien zelfs eens Naar Buiten te gaan’. En privacy bleek pas echt geschonden door een blogger die kritische uitroepen van een zeer geroutineerd journaliste over de Palestijnse kwestie op het net had gezet, zodat deze 89-jarige dame van haar werkgever nu met pensioen mag. Praat anderen dan ook naar de mond! Maar da’s mijn mening zeg maar.

woensdag 2 juni 2010

Dus


Beside the stream there is a parking lot.

Yet there is no road into the
parking lot.
(Juliana Spahr)


Met deze posting komt een eind aan een reeks over het literaire tijdschrift, deels door mijzelf gemaakt, deels door gastauteurs. De reeks was een testje voor twee projecten waarop ik al een paar jaar broed: over de gevolgen van internet voor de ethiek en voor literaire hiërarchieën, en over auteurs als publieke intellectuelen. In ‘het literaire tijdschrift’ meende ik een onderwerp gevonden te hebben waaraan ik wat interesse en ervaring en kennis kon koppelen (het enige opiniestuk dat ik ooit, zo’n vijftien jaar geleden, heb proberen te schrijven ging erover) én dat door zijn lange traditie en tanende gezag verschillende meningen verwekte. Mijn hoop was dus dat hier een ‘debat’ ontstond, te toetsen aan mijn voorlopige bevindingen en waarmee de zin en onzin van een weblog als dit kon worden achterhaald.
Natuurlijk is een debat wel het minste waar een publieke intellectueel op uit is. Hij geeft zijn visie opdat lezers de hunne kunnen herzien of bevestigen. Hetzij expliciet hetzij stilzwijgend is er dan in de kern een debat geweest – maar louter het zichtbare krijgt die benaming. Ik ben momenteel vooral geïnteresseerd in deze variant, te vinden op de opiniepagina’s van dag- en weekbladen. De auteur heeft daar de rol van een door de secularisering bijna weggevaagd type van de pastoor of dominee, en moet door de printmediale economie acteren in formats.
Of het een oorzaak of een gevolg van dat laatste is blijft mij onduidelijk, maar het bedoelde type auteur lijkt mijlenver van de wereld geraakt, conform een imago van ‘de literatuur’ als leverancier van doorzicht en diepzinnigheid waar stervelingen niet bij kunnen. Nu mag op columns van zulke opinisten veel reactie uit het ondermaanse komen, het zal aan hun status liggen dat de nieuwe pastoors van dienst daar nooit op ingaan. Veeleer worden ze bijeen in de biotoop gehouden en reageren ze louter op elkaar. Bij hoge uitzondering krijgt een criticus van buitenaf kans als antagonist te fungeren, maar dat lijkt ook een format, dat de rite in stand houdt.
Lezers van dit weblog zal het niet verbazen dat ik weinig tuk ben op dit opinisme. En sinds ik er voor mijn project stelselmatig op ben gaan letten, lijkt de branche te expanderen, wat dan weer oefening geeft aan mijn incasseringsvermogen. Lang heb ik getracht het fenomeen ten minste sociologisch boeiend te vinden, maar het beroep op uitgerekend de literaire stiel en op de redelijkheid van het standpunt, dat zich naar mijn indruk vaker in het Interbellum waant, maakt dat steeds lastiger – geregeld verslindt opinisme het schrijverschap dat het pretendeert te vertegenwoordigen. Van oudsher wordt op dit spel als geheel het label ‘circus’ geplakt, maar de dieren hoeven niet beledigd: zij kiezen er niet voor om een strandbal op hun neus te balanceren. Sommigen opinisten lijken zich daarvan bewust, thematiseren het, maar men kan of wil zich niet bevrijden uit de cultuurindustriële ketens waarvan ‘de literatuur’ slechts een schakeltje is. Afgaand op de naakte resultaten uit dat discours vervalt men bijna nog in een gerieflijk cultuurpessimisme dat op dit front domweg het gelijk aan zijn zijde heeft.
Telkens wanneer ik denk dat het dieptepunt is bereikt, blijkt het erger te kunnen. Dit weekend had De Standaard in samenwerking met Le Soir een aparte bijlage met 50 x 5 minimeningen over België op 5 vragen. Natuurlijk, de verkiezingen zijn in aantocht, maar daar zit nog een heel weekend tussen. Dus de bijlage kan niet anders willen dan ‘de concurrentie te snel af zijn’. Maar met wat? Vond ik het in de Voetbal International altijd leuk een rubriek uit te vlooien met vragen als ‘Favoriete boek? De ontvoering van Freddy Heineken’, hier begint het me te duizelen of er iets anders dan zelfoverschatting en ijdelheid is dat die stamgasten, onder wie als ‘schrijver’ aangemerkte lieden, beweegt inzichten te ventileren over zaken als ‘Welke popsong zou volgens u een goed volkslied zijn voor de andere taalgemeenschap?’
Op het internet ogen de commentatoren juist aanraakbaar. En omdat het debat op dat medium de modus vivendi is, wordt het begeerlijk, mede daar ook niet-opinisten hun lezers zelden direct bereiken. Literaire boeken bewaren haast per definitie afstand, terwijl het web, hoe oneindig ook, geschapen lijkt voor allerlei netwerken die het voor kunst zo precaire idee van een gemeenschap, of noem het altruïsme, in de verf zetten. De theorie is alvast geweldig. Zelf ben ik daar dan nog extra op gespitst vanuit een hang naar confrontatie ten behoeve van dissensus, waar een politiek idee over democratie aan kleeft.
En ik moet zeggen: de eerste signalen waren hoopvol. Mensen die ik vroeg mee te werken toonden zich bereidwillig en, een enkele uitzondering daargelaten, allerminst terughoudend, laat staan bokkig over het ontbreken van een honorarium. Voor mij was het een verademing andere teksten dan van mezelf op mijn blog te lezen. Er viel nieuwe kennis op te doen en de begeleiding in die ongrijpbare virtualiteit was spannend. Want er kwamen reacties. Wellicht is het symptomatisch dat ze mij niet alleen als comments bereikten, maar ook per mail. Vallen er uit die onzichtbaarheid voor het publieke oog diverse verklaringen te verzinnen, eentje ervan zal zijn dat de omgang op het medium internet angst inboezemt. Daar kan ik me inmiddels iets bij voorstellen.
Mijn verlangen naar verse ideeën maakte gaandeweg plaats voor huiver om mijn eigen blog te bezoeken. Ik vond dat een ontluisterende ervaring.
De dialoog die ik hoopte te vinden bleek soms een opeenstapeling van monologen, die mij nu juist van printmedia zo tegenvallen. Misschien was het dan niet eens zozeer de bijkomende agressiviteit die mij terneersloeg als wel de afwezigheid van argumenten en feiten. Ze werden op schier triomfantelijke wijze overvleugeld door bashing van niet-gelezen auteurs, bladen of sites, waarmee een amorfe tegenstander, die steevast met zijn eigen carrière bezig is en daarin schaamteloos van hogere pipo’s steun krijgt, een naam kon krijgen. Zodat mijn blog een schandpaal werd, als ik niet ingreep.
Ik besloot wel in te grijpen, wat een weinig verheffend schouwspel opleverde – dat ik maar laat staan om mezelf scherp te houden. Mijn interventie bestond eruit te vragen naar bewijs voor de geuite beschuldigingen. Complex is dan dat die niet als zodanig werden ervaren. Ik besef dat mijn vraag geënt was op een journalistieke principe van hoor en wederhoor, terwijl hier als waarheden geponeerde stellingen rondgingen waar geen onderzoek naar was gedaan. Wilde worden gedaan. Simultaan maakte door mij dan gezochte informatie geen indruk omdat ze sowieso niet zou kloppen, en aangeleverde getallen toonden hooguit de gerenommeerde onbetrouwbaarheid van statistieken.
Door zo’n aanpak worden termen als ‘misschien’ en ‘de schijn van’ het hoogst haalbare, een offensief waar een defensieve houding bij hoort. De afkeer van een empirisch fundament maakt van uitspraken insinuaties, tot in het oneindige te herhalen en te reproduceren. Zoiets tergt mij: internet is dan toch individueel, en een gemeenschap, laat staan waarheidsvinding, vindt geen toegang. Ongetwijfeld word ik dan veel te opstandig en, vooral, onverbiddelijk in tegenredeneringen, alsof ik de openbaarheid wil laten straffen. Maar of daarover ook kan worden gerept in termen van ‘censuur’? Laat ik het zo uitdrukken dat ik loze beschuldigingen niet duld en desnoods verwijder om iedereen aan het woord te kunnen laten. Onthulde een erg respectabele autoriteit ooit dat de leugen regeert, dit lijkt me even beroerd als dat de angst dat zou doen. (Wie wil zij doorverwezen naar een andere kant van het verhaal; uiteraard houd ik er rekening mee gebeurtenissen en mensen verkeerd in te schatten.)
Of het nu toevallig is of niet, na mijn ingreep werden de discussies veel meer open en leek er echt iets plaats te vinden als een gedachtewisseling, een wegen van argumenten en aanvoeren van alternatieven, herzieningen… Commentplegers durfden zich in elkaar te verplaatsen. Wat in printmedia onmogelijk schijnt te zijn geworden, kan dus toch! Wel is het me niet ontgaan dat dit volkomen anders wordt gepercipieerd: op De Honingpot spreekt men louter voor een ‘eigen kringetje’. Dat verwijt rijmt met de uitsluitingsdrift die papieren literaire tijdschriften vaak aangewreven werd – en die bevestiging kreeg door hun met veel publiciteit omgeven samenkomst Tegen de barbaren, waarbij het aanpalende medium internet wel aangeroerd maar niet uitgenodigd werd. Ingang kregen evenmin vele, niet oninteressantere collega-bladen. De conclusies uit het onderonsje waren dan ook mager tot nietszeggend; overigens heb ik van de vele, op zich eervolle signalementen van en commentaren op deze reeks door het internet zelf ook maar van welgeteld één posting iets opgestoken. En mocht het zo zijn dat ‘het debat’ zich inmiddels heeft verplaatst naar sociale netwerken, dan wordt dit ook al voor eigen kring, formeel daar zelfs bekrachtigd met de vriendenstatus.
Als een donderwolk boven dit verwijt hing het fenomeen subsidie. Een oneindig, permanent geactualiseerd aantal van zulke misprijzende oordelen is te vinden op De Contrabas. Geld scheidt dan goed van slecht. Meest in het oog springend was het in mijn reeks geregeld aan de orde gekomen recensieplatform De Reactor, dat al voor het in de lucht ging tegen de vlakte gescholden werd omdat het subsidie had gekregen; mysterieus daarbij is het verband dat tekst en gelinkt beeld blijft leggen tussen het platform en moslims. Notoir bij schier iedere op De Reactor verschenen posting is het bezwaar dat ze lang en saai zou zijn, en in een belabberde stijl gebracht. Zoiets kun je ook zeggen van de stukken die Achille van den Branden met een geducht uithoudingsvermogen dagelijks post; maar zijn blog is ongesubsidieerd en heeft ‘dus’ de wind mee. Wel bejegent De Contrabas (en het evenzeer op weggegooid belastinggeld vittende Knack) het keizerlijk betoelaagde Ons Erfdeel dan weer dociel.
Het fenomeen subsidie lijkt op De Contrabas ook de reden voor vaste hoon aan de dichters Huub Beurskens en Erik Spinoy. Ze worden immer opgevoerd als ‘commissielid’ en in die functie verantwoordelijk gehouden voor klaarblijkelijk niet aan deze site toegekend geld. Dit wordt persoonlijk opgevat, als een drama, en krijgt represailles voor hun poëzie. Bij Spinoy verloochent men dan zichzelf: hij kreeg in een bloemlezing van zijn nu dus vijandige circuit het maximale aantal gedichten. Als vermeld doen feiten er in deze contreien niet erg toe, maar mochten onder meer deze twee auteurs dat negatieve subsidiebesluit inderdaad genomen hebben, dan werd het met terugwerkende kracht als correct bevestigd. Da’s wel spijtig voor de informatieve kant aan De Contrabas: links naar allerlei buitenlands poëzienieuws (een prachtig initiatief voor een overzicht van alle reguliere verschijnende dichtbundels werd narrig ontvangen en snel gestaakt). Je zou wensen dat die ontzagwekkende drive voor woede en haat gekanaliseerd raakt ten bate van de poëzie waaraan de bedenkers wel degelijk verslingerd lijken: wat een grandioze site zou er ontstaan!
Het voorbeeld van de twee over de hekel gehaalde dichters gaf ik mede, omdat het iets aan het item debat verheldert, namelijk zoals het op het internet gevoerd kan worden – met wat ik zou willen noemen de wraak van de openbaarheid. De theorie van het altruïsme gaat kopje-onder in narcisme. Een milde variant is aan te treffen in claims op de eindeloze ruimte. De Papieren Man heeft er onder het mom van bronvermelding een handje van bij derden nijdig te melden dat die zijn bij vierden gevonden berichten over vijfden zouden hebben gepikt; De Reactor kan sowieso niks goed doen omdat het een annexator blijkt. Doen zulke uitvallen vermoeden dat er schier permanent wordt gesurft naar eigen bezit van iets principieel fluïdes, er blijkt ook een extreme variant van virtueel narcisme te zijn. Men zwelgt in een slachtofferrol, van waaruit men quasi-monddood alsnog zijn waarheid kan vertellen. Zo ontstaan redenaties als dat onbezoldigde internetredacteuren werken uit liefde voor de literatuur, en onbezoldigde gesubsidieerde-tijdschriftredacteuren om de macht. Daarmee wil ik niet suggereren dat de zogeheten bovenwereld vrij van misbruik zou zijn, wel dat eigen internetgedrag niet in de beoordeling wordt betrokken. Sinds ik zoveel mogelijk laaglandse literaire sites voor mijn projecten volg, een jaar of vier nu, vallen me evengoed tactische strategieën op – alleen al de gedurige verschijningen en verdwijningen in blogrolls tonen gemanoeuvreer met vermeende mede- en tegenstanders.
Wel blijft het verbazingwekkend wat papieren literaire bladen aan bruutheid oproepen. Het is daarbij handig te beseffen dat er ooit anthologische ofwel programmatische waren; de eerste variant bestaat met het verdwijnen van Revolver niet meer in de Lage Landen, al is de claim op pluriformiteit er nog wel, meer dan ooit misschien. Daarbij hoort de enorme pretentie van de bescheidenheid, die aan de vermeende antagonist van het programmatische een hovaardig karakter geeft. Anders snap althans ik niet hoe een gelouterd bladenmaker anno 2010 zonder blozen nog wist te spreken over ‘de gebruikelijke zelfvoldaanheid van het literaire tijdschrift’.
Een andere reden voor de kritiek op literaire tijdschriften is ondertussen dat papier een wel erg gedateerde tekstdrager is in vergelijking met de virtualiteit, enerzijds omdat het een geringer publieksbereik heeft, anderzijds omdat het internet de kunstvorm an sich kan verrijken. Indien dat zo is, dan zouden sites, zoals programmatische tijdschriften, de oude avant-gardestrategie van de breuk met het bestaande kunnen realiseren. Nieuw was inderdaad flarf, maar daaraan lijkt een geestige paradox te kleven: door integrale citaten krijgt het auteurschap een andere status – de teksten horen niet per se op een gefixeerde plek. En dat bleek ook wel: (prachtige) principeteksten stonden her en der op het web en een bloemlezing, bekend instrument voor het scheppen van ruimte voor iets nieuws, verscheen bij een huis dat ook absolute tegenpolen in het fonds heeft. Daarnaast zijn er interessante dichters die vooral op hun eigen blogs bezig zijn, waaraan vanuit het internet zelf niet overdadig veel aandacht wordt besteed.
En dit is slechts een fractie van wat er op sites gebeurt. Hetgeen mij daarvan onder ogen is gekomen, maakte geen onvergetelijke indruk. Toch is alvast op het literaire deel van het web de traditie van de breuk op een curieuze manier voortgezet: object is niet langer poëticaal onwelgevallig werk, maar de integriteit van als ‘machthebbers’ gepercipieerde auteurs en mensen uit de infrastructuur van deze kunstdiscipline. Dan kan de wraak van de openbaarheid een concrete klacht meetorsen: ‘belangenverstrengeling’. Indien De Contrabas die uit, is het de pot die de ketel verwijt – maar dit zal niet snel gezegd worden, vanwege het vermoeden who cares?
Vaak mist de aanklacht elke andere grond dan een particuliere aversie of hebben internauten er domweg niets mee te maken, evengoed wanneer regels van privacy aan de laars gelapt zijn. Het ligt voor de hand niet te reageren, en dat gebeurt ook vrijwel altijd. Sterker, het is, logisch vanuit het individualisme dat de gemeenschapsoptie in de praktijk overschaduwt, normaal om op het internet, analoog aan opinisten, mechanisch een mening te droppen en reacties daarop niet te antwoorden. Maar als men conform prille internetmores zogeheten trollen uithongert en dus zwijgt op de wraak van de openbaarheid, dan blijven onwaarheden onweerlegd. Vertrouwen in het veelgeprezen zelfcorrigerend vermogen van internet, of in de interpretatieantenne van surfers, doet daar niets aan af. Terzijde groeit bij zwijgen de kans op aanvullende aantijgingen van ouderwetsheid en superioriteit. Indien er geen openlijk verzet komt op de wraak van de openbaarheid, dan wordt de exploitatie van internet als breekijzer voor het eigen gelijk getolereerd en gesanctioneerd. Wat haalt men daarmee binnen? De wraak van de openbaarheid draagt tevens toekomst in zich mee voor de omstanders: behandel mij als een koning, want bij teleurstellingen kan wat je ooit aan mij hebt meegedeeld tegen je gebruikt worden. Dan raakt het debat heel ver weg, want dit heet volgens mij ook wel intimidatie.
Tot slot. Het literaire tijdschrift heeft als weinig andere instituties de naam poortwachter te zijn door ‘kwaliteit’ te selecteren. Ik voel me genoopt aanhalingstekens te gebruiken omdat uit comments hier en postings elders op het internet moet worden afgeleid dat kwaliteit een verzinsel is van dat betwiste ‘eigen kringetje’ om een hegemonie te vestigen en vervolgens te behouden door elkaar de poet toe te schuiven. Het behoort tot een van de meer ingewikkelde grappen van de geschiedenis dat uitgerekend na het postmodernisme, dat autoriteitsschillen wilde afpellen, onder meer het begrip ‘kwaliteit’ door en door geperverteerd is geraakt. George Steiner zal nooit hebben voorzien dat zijn hypererudiete en humanistische exposés tegen postmodernisme in pletvorm virtueel zouden voortbestaan. Wie zijn Real Presences leest, uit het bange jaar 1989, waant zich op het executieterrein van een blog: de allergie voor gewild hermetisme dat slechts ten behoeve van gestanste vakgroepen gemaakt lijkt, het daar gebezigde obscure en onleesbare jargon voor een theorie van gebakken lucht, de literaire kritiek als parasiet…
Dank aan de gastauteurs en aan alle mensen die hier hebben gereageerd.

woensdag 5 mei 2010

Coreferenties (6)

Vandaag: literatuur- en boekwetenschapper Kevin Absillis (1980). Eind 2009 verscheen bij Meulenhoff/Manteau Vechten tegen de bierkaai. Over het uitgevershuis van Angèle Manteau (1932-1970), de handelseditie van zijn proefschrift. Eerder schreef hij het boekje Een kleine uitgeverij van stand (Demian, 2005) en redigeerde hij met Katrien Jacobs de essaybundel Van Hugo Claus tot hoelahoep. Vlaanderen in beweging, 1950-1960 (Garant, 2007). Hij is als postdoctoraal onderzoeker van het FWO-Vlaanderen verbonden aan de Universiteit Antwerpen en werkt rond (doorgaans op Vlaamse contexten toegespitste) thema’s als het denken over taal/literatuur, culturele identiteit en moderniteit en de geschiedenis van het gedrukte woord. Op internet zijn van hem stukken te vinden als deze, deze, deze, deze en deze. En dit is in opbouw.


De relevantie en de spreidstand 

Ooit stelden schrijvers het fenomeen subsidie ter discussie omdat ze het concept als zodanig ondeugdelijk vonden. Zo betoogde August Vermeylen in 1922: ‘De letterkundige, als persoonlijkheid, dient niet te worden aangemoedigd.’ Elke vorm van overheidssteun ontglansde de authenticiteit van het schrijverschap:

‘De scheppers zijn het zout der aarde, de trots, de onafhankelijkheid en, dikwijls, de opstand! Dat is de schoonheid van hun zending, en die moeten zij volledig aannemen. Zelfs moet men, meen ik, diegenen ontmoedigen die geen roeping hebben; en degenen die niet het voldoende heldhaftige temperament bezitten om aan de moeilijke toestanden te weerstaan.’ 

Na de Tweede Wereldoorlog veranderde het denken over schrijverschap op dit punt. De vooroorlogse economische crisis werd aanvaard als bewijs dat de meest drieste vormen van laissez-faire-kapitalisme niet vol te houden waren. Wie na 1945 nog de alleenheerschappij van vraag en aanbod verdedigde, had niet goed opgelet. Het ideaal was een staat die de markt laat floreren, maar zou ingrijpen als de algehele welvaart in gevaar komt. Welvaart had toen ook een immateriële component: een minimale voedselbedeling voor de geest werd noodzakelijk geacht om de beschaving op peil te houden. Nieuw aan dit cultuurbeleid was dat naast de (beoogde) verbruiker de producent duidelijker in beeld kwam. Hoe gehecht ook aan hun heldenstatus, schrijvers gingen geloven dat ze tegen het ‘schrikbewind’ van de vrije markt en de ‘bekrompen’ smaak van het publiek niet meer bestand waren, of alleszins niet zonder de hulp van een marktcorrigerende overheid. Deze ideeën ontwikkelden zich tot een doctrine.
De doctrine is nooit onweersproken gebleven, maar de laatste tijd lijkt de kritiek aan intensiteit te winnen. Wat mij in dit licht interesseert is een geschiedenis van de discursieve praktijk ‘maatschappelijke relevantie’. De inburgering van deze staande uitdrukking is lang met wantrouwen gadegeslagen door verdedigers van intellectuele en artistieke autonomie. (Het begrip kon toch alleen een verdere infiltratie van het nutsdenken betekenen?) Het streven naar die autonomie, dat in Vlaanderen pas na 1945 enige onvoorwaardelijkheid kreeg, was trouwens – dan is dat ook eens gezegd – geen op zichzelf staande ontwikkeling. Het was een onderdeeltje van het sinds de Verlichting haast allesoverheersende program van de moderniteit, waarin bovenal ‘functionele differentiatie’ als nastrevenswaardig werd voorgesteld (de verkaveling van de maatschappij in aparte domeinen waar met echte of symbolische diploma’s uitgeruste specialisten de plak zwaaien). 
Er bestaat dus een verband tussen de ideologie van de vrije (zo ongecorrigeerd mogelijke) markt en de ideologie van autonome kunst. Het komt onder meer tot uiting in denkpatronen (posthistoricistische bijvoorbeeld), argumentatieve strategieën en tot op zekere hoogte in poëticale opvattingen (o.a. de koestering van vernieuwing en subversiviteit). Toch blijft het vaak onbenoemd, omdat de vrije markt in het discours van culturele autonomisten, zeker sinds het einde van de verzuiling en de vermeende ontideologisering, als publieke vijand nummer één is bestempeld. Terwijl culturele autonomisten commerciële wetmatigheden als de motor van heteronomie bestreden, is de vrije markt in de ogen van haar advocaten echter eveneens een affirmatie van autonomie (wat van de staat afhangt is niet autonoom). Ieder zijn discursieve praktijk dus. Iemand als Pierre Bourdieu is daar vlotjes rondgedrenteld. Zeker in het postscriptum bij Les règles de l’art waarin hij de absolute onafhankelijkheid van kunst en literatuur zowat verheerlijkt, gaat hij ongebruikelijk weinig reflexief voorbij aan de beschavingsmythe waarop zijn betoog is geënt. 
De discursieve praktijk ‘maatschappelijke relevantie’ lijkt intussen buiten de oevers van mainstream media en ministeriële kabinetten getreden. Begrippen als relevantie, urgentie, engagement en betrokkenheid, niet verwisselbaar maar enigszins verwant, zijn ‘in’, ook in academische en in literaire literatuurkringen. Dit geeft aanleiding tot opmerkelijke spreidstandjes. Neem de vierde aflevering van het tijdschrift nY. Die was opgehangen aan de kwestie van het ‘opinisme’, een term die door mijn gastheer is gemunt. De redactie vroeg zich af waarom sommige auteurs tegenwoordig gretig ‘uit het literaire domein’ springen en via krant of weblog allerhande opinies openbaar maken. Schuilt daar een poëtica achter enzovoort?
In de inleiding onderstreepte de nY-redactie eerst dat ze zich ‘niet wenst op te sluiten in het strikt literaire’ en dat ze een literatuur verkiest ‘die zich niet vermeit ende verblijt in haar vanzelfsprekende waarde maar die zich afstelt op haar maatschappelijke context’. Het is toch nadenken geblazen over hoe deze uitgangspunten te rijmen zijn met de al gauw lichtjes kwalijke geur waarin de redactie de beoefenaars van het ‘opinisme’ zette. Want ‘opinisten’ zouden te weinig geloven in wat de literatuur met haar ‘specifieke vermogens’ vermag en het lezersvermogen om literatuur maatschappelijk te begrijpen ‘cynisch’ inschatten. Schat ik mijn eigen vermogen cynisch in als ik voorts lees dat de ‘opinisten’ stielbederf wordt aangewreven? Minstens gesuggereerd wordt alvast dat opinisten hun meningen ‘in kritische mindering [brengen] van hun ficties’ en door hun optreden niet-opiniërende auteurs een schijn van ‘autisme’ bezorgen. 
Verwante denkbeelden en veronderstellingen broeien in de door mijn gastheer op deze stek voorgepubliceerde en in het vermelde nummer van nY verschenen reeks ‘Spreektijd’, die ik overigens buitengewoon lezenswaardig vind en die knappe ontledingen bevat, net als, mmm, opinies. Toch staat naar mijn zin het talig spel, de gezochte betekeniswoekering en de cultivering van het meerstemmige onvoldoende in verhouding tot het netto inzicht. Het lijkt me intellectueel (niet financieel) te comfortabel om vanuit een wolk van literatuur teksten die naar rechtlijnigheid en helderheid streven, te bekritiseren, of schichten af te vuren op Tom Naegels (hij werd hier opgevoerd als een te weinig linkse populist die in dagbladen zijn ‘meninggevoeg’ doet). 
In de voorstelling van dat hele ‘opinisme’ zie ik toch weer een vorm van ‘autonomisme’ doorschemeren. Wat kan er immers worden bedoeld met die ‘specifieke vermogens van de literaire tekst’? Dat er vermogens bestaan die sommige teksten bezitten – de literaire – en niet-literaire teksten niet? Dat ruikt sterk naar, bijvoorbeeld, het Russisch formalisme. Het afwijkende, dat het literaire zou definiëren, heeft tot dusver niemand in de taal kunnen vinden, noch in narratologische en andere structuren – en jongens is er gezocht! Ik kan het literaire niet anders begrijpen dan als een sociale conventie. Ja ja, die deur staat al enige tijd wagenwijd te gapen, maar kennelijk zijn er gangetjes genoeg om ze te ontwijken. Vanzelfsprekend vormt het bovenstaande, gebaseerd op een krankzinnig klein corpus en veel intuïtie, nog geen aanzet voor iets definitiefs. Maar een werkhypothese zou deze kunnen zijn: het literaire spreken over literatuur lijkt de discursieve praktijk ‘maatschappelijke relevantie’ meer te tolereren, maar als punt bij paal komt wordt altijd weer een ‘specifiek’, en wellicht ‘authentieker’ schrijven geprivilegieerd. Het literaire spreken warmt zich aan idealen van een zuiverende differentiatie. 
De kloof met het academische spreken over literatuur oogt alvast verrassend klein. Ondanks een geproclameerde revanche van het engagement zetten op congressen zelfverklaarde saaie pieten de toon. En hun toon vormt een gebiedend wijsje: verwar uw Taak niet met uw hobby! Ook ‘authentieke wetenschap’ lijkt slechts te bestaan bij gratie van differentiatie. Het zal kortom wel even duren voordat niet-literaire literatuur niet alleen legitiem zal mogen heten, maar het ook zal mogen zijn.
Wat mij betreft? Het lijkt me raadzaam dat literaire en literair-wetenschappelijke spreekregimes ermee ophouden hun liefde te acteren voor de actief polyglotte wereld die Mikhail Bakthin een halve eeuw geleden in statu nascendi beschreef. Die liefde heeft behoefte aan geloofwaardigheid. Dat de literairen desnoods inspiratie putten uit het werk van Jeremy Rifkin. Deze econoom en bestsellerauteur (jakkes!) verkondigt overal dat we af moeten van het denkbeeld dat we rationeel, onthecht en autonoom zijn: ‘Die visie stamt uit de tijd van de verlichting. Ze werd 200 jaar lang gehanteerd en ligt aan de basis van de moderne markteconomie. De grote crisis is voor mij dan ook niet de financiële crisis, maar het feit dat wereldleiders twee eeuwen lang een verkeerde kijk op de mensheid hebben gehanteerd.’ 

In de eerste paragraaf parafraseer ik een en ander uit een tekst die ik vorig jaar in opdracht van Parmentier schreef. Mijn bedenkingen bij het ‘opinisme’-nummer van nY ontstonden toen ik eveneens in opdracht van Parmentier aan een tekst werkte voor een in juni te verschijnen dossier over de impact van verrechtsing op de Laaglandse letteren. Dank aan Arnoud van Adrichem voor de stimulans.

dinsdag 27 april 2010

Coreferenties (5)

Vandaag: literatuurdocent, auteur, vertaler en recensent Yves van Kempen (1944). Hij publiceerde, samen met Bert Bultinck, Querido’s leesclubgids. Romans uit Nederland en Vlaanderen (2006) en de roman-in-verhalen Koningin-moeder (Uitgeverij Bert Bakker, 1999). Voorts schreef hij, met Cyrille Offermans, Anthony Mertens en Frits Prior Materialistiese literatuurteorie. De literatuurteoretiese opvattingen van Herman Gorter, Franz Mehring, Henriëtte Roland Holst, Th.W. Adorno, Walter Benjamin, Bertolt Brecht en Georg Lukács (Uitgeverij SUN, 1973), en vertaalde onder meer Russische formalisten en Michel Foucault. Hij recenseerde voor De Groene Amsterdammer. Onlangs verzorgde hij, samen met Hafid Bouazza, Roes. Een bloemlezing over drank en drugs in woord en beeld (Uitgeverij Prometheus, 2010). In juli verschijnt van hem Querido’s klassieke leesclubgids


Over literatuuronderwijs aan jongeren 

Het is 2010 als literair agent Paul Sebes een nieuw tijdschrift op internet introduceert: Pulp Fictie. Daarop mogen ‘jonge Nederlanders en Vlamingen laten zien dat ze kunnen schrijven’. Hij vraagt om korte verhalen, confectiematen geven de omvang ervan aan. Maximaal 1500 woorden. Dat zijn dan wel hele grote broeken, XL. Kleiner mag ook: L (tot 500 woorden), M (tot 250 woorden), S (tot 100 woorden) en XS (tot 50 woorden). Jammer dat een eerste zinvolle begeleiding op zijn site ontbreekt.
Het is ook 2010 als schrijver Abdelkader Benali de betekenis van het literatuuronderwijs ontdekt. Beter laat dan nooit, zegt het clichémannetje in mij dan. Want dat onderwijs verkeert in een deplorabele toestand. In de literatuurlessen is bij de invoering van het studiehuis drastisch gesnoeid, op het vmbo is het geloof daarin vrijwel nul en geen leraar in Nederland loopt met het mobiel telefoonnummer van de inmiddels opgestapte onderwijsminister Plasterk op zak om daarin verandering te brengen. Benali wel. Je zou hopen dat zo’n interventie helpt, maar ik weet wel beter. 
Voor de Stichting CPNB mocht hij, geassisteerd door vier docenten Nederlands, ter gelegenheid van de 75e Boekenweek de bundel TXT. Alles is mogelijk in zestien verhalen samenstellen. Met prijsvraag, jubelt het omslag. Hij selecteerde verhalen die scholieren de wereld van de literatuur moeten binnenlokken. Of is het de bijgevoegde wedstrijdprijs die dat moet doen? ‘WIN: 4 kaarten voor 3 dagen A Campingflight to Lowlands Paradise’ verleidt een van de laatste pagina’s van het boekwerk. Wat je daarvoor moet doen? Een zelf gekozen verhaal amputeren op het procrustesbed van chirurg Twitter: ‘Vat het verhaal samen in minimaal 3 en maximaal 10 tweets, met je favoriete personage als ik-figuur, in maximaal 140 karakters per tweet’. Behalve dat identificatiemomentje met de favoriet is daar ook die vermaledijde samenvatting weer. Voor de gelegenheid in een modieus jasje gestoken, desalniettemin de herhaling van het misverstand dat een literaire tekst ongestraft gemillimeterd kan of om didactische redenen moet worden. Benali’s enthousiasme over zijn Twitterlatuur-vondst is ontwapenend: ‘Dat ze het in 140 woorden moeten doen, dat is wel lekker. Het is overzichtelijk, voordat ze moe zijn geworden zijn ze al klaar’, verduidelijkt hij in een interview. 
De meeste verhalen in TXT bevatten het hoogste soortelijk gewicht aan seks. Dat is regelmatig de honing waarmee te veel docenten de puberende leerlingen denken te kunnen verlokken. De vraag daargelaten of die truc werkelijk werkt, speelt ook hier een uitgekauwde traditie op: die van de thematische benadering. Vat samen, bepaal het thema, beschrijf de hoofdpersoon. Het is de vaste fantasieloze benadering van schoollezen, een waarvan leerlingen terecht gruwen en die de liefde voor boek of verhaal op afstand zet. Waarom die betutteling toch altijd? 
Onderwijs moet je niet overlaten aan de bureaucraten van pedagogische centra of samenstellers van schoolboeken. Leerplannen met hun bijbehorende curricula zijn evenals leerboeken keurslijven. Vitaal onderwijs komt altijd voort uit de actualiteit van wat er zich in de klas afspeelt tussen de docent en zijn leerlingen. Interessanter dan het voortdurend toetsbaar maken van leerstof is, naast het overbrengen van kennis over de geschiedenis van literatuur en in relatie daarmee cultuur, zoiets moeilijk definieerbaars als ontvankelijk maken, enthousiasmeren, nieuwsgierigheid uitlokken, bezielen. Het gaat erom een appèl te doen op de speelse, nog niet door conventies en allerlei mores aangetaste geest van jonge mensen. Scholen beschikken tegenwoordig over voldoende hulpmiddelen en apparatuur om lessen toe te snijden op het karakter van een klas – uiteraard mits de docent daartoe is geëquipeerd. Daar schort het nog wel eens aan. Oorzaak: de minimalistische programma’s op de lerarenopleidingen. Interne scholing, begeleiding van docenten in de klas door ervaren collega’s die speciaal daarvoor enkele uren zijn vrijgesteld van lesgeven, kan dat probleem oplossen. Op die manier werkten we in de Open Schoolgemeenschap Bijlmer te Amsterdam succesvol met het concept van een zichzelf vernieuwende school. 
Literatuurlessen en taalonderwijs moeten onverbrekelijk met elkaar zijn verbonden. Ze zijn dat niet meer als gevolg van de rigoureuze scheiding tussen taalbeheersing en literatuurstudie zoals die in de jaren zeventig door de lobby van taalbeheersers is doorgevoerd. Literaire tijdschriften waaronder Bzzlletin met zijn verklarende artikelen over literatuur verdwenen langzaam uit de schappen van de bibliotheek die mediatheek ging heten. Het lezen van boeken werd gemarginaliseerd. Afschaffen die tweedeling. De keuze voor een geformaliseerd begrijpend lezen en de dwingend geformuleerde eis om ‘functioneel’ en ‘gericht’ te schrijven, heeft te veel docenten Nederlands vervreemd van het reservaat waar de taal werkelijk wordt vernieuwd: de literatuur. Je kijkt er niet meer van op als collega-neerlandici je ronduit bekennen dat ze allang zijn opgehouden literatuur te lezen, of er zelfs nooit werkelijk aan zijn begonnen. 
Recht doen aan literaire teksten betekent allereerst in de huid van de taal kruipen, in de klanken van de woorden, de ritmes van de zinnen en opgaan in de opgeroepen beelden. De gulden regel: lezen is stillezen, is hardop lezen, is schrijven, imiteren, articuleren, is acteren, is avonturieren in de wereld van het woord. Van het meerduidige, het dubbelzinnige woord, want de literaire taal is op meer dan alleen communicatie ingesteld. Daarom zijn leesboeken geen leerboeken die je ongestraft kunt comprimeren, al kun je er veel uit leren, dichtregels nooit leefregels al kun je er soms naar leven en essays geen wetenschappelijke vertogen al zitten ze vol kennis. 
Inspirerende lessen ontstaan altijd tijdens het experimenteren en improviseren met de eigen ideeën en die van de leerlingen. Er is geen receptuur voor, het is en blijft een kwestie van zoeken en vinden. Bijvoorbeeld langs de weg van de imitatie. Haal uit een serie humoristische en absurde teksten de diverse stijlfiguren en zet daarmee vervolgens iedereen aan het werk. Orkestreer de diverse resultaten tot een cabaretavond waarin dat alles wordt opgevoerd: parodie, kolder, spot, bizarre woordstapelingen, slapstick, meligheid, boertigheid. Of neem een mythe als die over Icarus als uitgangspunt, de val, de minotaurus, het labyrint, de verbeelding ervan door schilders en dichters. Vergelijk de diverse poëtische commentaren op de beeldbewerkingen van het oeroude verhaal. Laat de hele klas Hanlo’s ‘Oote’ a capella zingen, het liefst door de muren van het lokaal heen. Zet de leerlingen op het podium en speel toneel met ze. Dan leren ze in de Oidipus de oude Grieken kennen, uit de Elckerlyc en de kluchtige uitsmijter De Buskenblazer de middeleeuwen en dankzij een toneelbewerking van Kees de Jongen het Amsterdam van eertijds. Het bijkomend effect is al even belangrijk: ze zullen bij elke repetitie de kracht moeten opzoeken waarmee de stem de ruimte moet veroveren, het nut van een goede articulatie onderkennen en het theatrale gebaar ervaren. Laat ze een verhaal of fragmenten uit een roman in de klas dramatiseren, tot luisterspel verwerken, verfilmen. Of stuur ze een literair tijdschrift in, een favoriet verhaal of gedicht daaruit voorlezen in de klas, laat ze kennismaken met de prestaties van beginnende schrijvers op de website van Sebes. Het zijn zomaar wat suggesties, alles is mogelijk. Verveel leerlingen vooral niet met getwitterde samenvattingen en uitgeloogde identificatievragen – hun creativiteit is XL.

maandag 19 april 2010

Coreferenties (4)

Vandaag: dichter, essayist en redacteur Hans Groenewegen (1956). Hij publiceerde bij Uitgeverij Wereldbibliotheek de poëziebundels lichaamswater (2002), en gingen uit sterven (2005) en zuurstofschuld (2008). Voor Historische Uitgeverij redigeerde hij artikelenbundels over Hans Faverey (1997), Lucebert (1999), Kees Ouwens (2002) en Karel van de Woestijne (2007), en schreef hij zijn recentste studie Het handschrift van Lucebert (2009). Hij stelde voor Uitgeverij Van Gennep een bloemlezing samen over oorlog in de Nederlandstalige poëzie na de val van de Muur: Vrede is eten met muziek (2005). Veel van zijn poëziekronieken, waaronder de selecties voor Uitgeverij Vantilt onder de titels Schuimen langs de vloedlijn (2002) en Overvloed (2005), zijn integraal te vinden op zijn website. 

Augustus 2005 verschijnt het eerste nummer van een nieuw literair internettijdschrift: Komkommer & Kwel. De redacteuren formuleren in het eerste redactioneel hun ambitie als volgt: ‘Een van de doelstellingen van Komkommer & Kwel is het presenteren van proza, poëzie en beschouwende teksten van ongekend talent. We bieden hen een podium in de hoop dat het een volgende stap is op weg naar een uitgeverij, erkenning en (uiteindelijk) wereldfaam.’ Ze weten dat tijdschriften traditioneel met iets van een beginselverklaring op de proppen moet komen. Zij doen dat ook, maar dan anders: ‘De motivatie om een literair tijdschrift op te zetten berust vaak op een gevoel van ontevredenheid. Ontevredenheid bijvoorbeeld over het heersende literaire klimaat van het moment. Provocatie, openbare executies en allesverwoestende bommentapijten zijn dan de middelen die het doel moeten heiligen. Wij keren al dat wapengekletter de wang toe.’ 
De geboorte van Komkommer & Kwel werd met ergernis geconstateerd door Jeroen Mettes op zijn weblog Poëzienotities. Die ergernis vormt een prima bijdrage aan de discussie over literaire tijdschriften. Ik bezondig me hier aan een gewoonte die ik op papier heb ontwikkeld en neem het citaat over: 

‘Nu vind ik het prettig dat niet iedereen in Nederland zo boos en uitgesproken is als ik of Geert Wilders, maar de vraag rijst: als ik een auteur was – bekend of onbekend –, waarom zou ik dan mijn werk gepubliceerd willen zien in Komkommer & Kwel? Waarom zou ik het niet gewoon op mijn eigen blog of website zetten? Ik bereik immers een even groot publiek. De enige legitieme reden om in een online literair tijdschrift te publiceren lijkt me de volgende: het tijdschrift biedt een bepaalde context voor mijn werk, een bepaalde visie op literatuur en een waardering voor bepaalde tradities die ik deel. Ik wil nl. niet alleen dat mijn werk gelezen wordt, ik wil ook dat het goed gelezen wordt en dat het de juiste lezers bereikt. D.w.z. een tijdschrift moet een bepaalde gemeenschap representeren. Zonder zo’n gemeenschap is het niets meer dan een publicatiemogelijkheid, een leeg podium, dat ik met digitale middelen in een kwartier voor mezelf heb gefabriceerd. Goed, ik kan na zes bundels zeggen: “Mijn debuut was destijds in Komkommer & Kwel.” Maar wie zal zich een tijdschrift herinneren dat bewust geen enkele indruk wil maken?’ 

Wat is er nieuw onder de zon? Al in 2005 lag het vraagstuk van de literaire tijdschriften en internet op tafel. Het aardige van het redactioneel van Komkommer & Kwel enerzijds en de reactie van Jeroen Mettes anderzijds is dat het helemaal niet om internet tegenover niet-internet gaat. De Komkommer&kwellisten geven duidelijk aan dat zij een digitale springplank (het woord ‘podium’ is wat onzorgvuldig gekozen) willen zijn naar papieren erkenning. Mettes maakt het niet uit of een tijdschrift alleen online bestaat of (ook nog) op papier. Een tijdschrift is voor hem onderdeel van dialogen – zowel de dialoog van de poëticale gemeenschap die het tijdschrift samenstelt, als de interventie die zo’n tijdschrift pleegt in het literaire en maatschappelijke debat. Hij verwacht antwoorden. 
Het vruchteloze van de tijdschriftendiscussie komt hier ook aan de oppervlakte. Er praten twee groepen langs elkaar heen die verschillende belangen hebben. 
Aan de ene kant zien we de avant-garde – Mettes noemde zichzelf, met restricties en toevoegingen die hier te ver voeren, een avant-gardist; hij liet zich enkele maanden na de start van Poëzienotities inlijven bij zowel Parmentier als yang. Zij wil literatuur vernieuwen. Internet biedt extra mogelijkheden om dat te doen. En internet vormt een ruimte, een gelegenheid voor gelijkgezinde nieuwsgierigen die elkaar op interessante boeken en blogs wijzen, elkaars begrippen begroeten of bevragen. Kijk maar eens naar de enthousiaste en vruchtbare discussies in de eerste maanden van het bestaan van Poëzienotities. De avant-garde verhoudt zich tot de mainstream literatuur. De mainstream literatuur verhoudt zich tot de avant-garde. De dominerende esthetica heeft altijd elementen en middelen opgepikt die elders zijn uitgeprobeerd. Het houdt de beweging erin. De literaire instituties zijn bereid voor deze bevruchtende functie te betalen, zowel aan personen als aan gemeenschappen zoals tijdschriften – of die nu online of offline functioneren. 
De gevestigde vertegenwoordigers van de mainstream literatuur voeren geen debatten. Ze houden zich al helemaal niet op internet op, anders dan als bijkomende marketingstrategie. Of voor individueel gemopper als ze zich miskend voelen (gevoelens van miskenning komen ook daar voor). Wie zich wel op internet ophouden zijn de Komkommer&kwellisten. Voor hen is internet niet een medium dat om nieuwe technieken vraagt, het is niet een ruimte voor debat, het is een pikordehok met daarin een springplank naar papier. Op dit niveau speelt de vraag naar kwaliteit. Is werk goed genoeg om bij een gevestigde uitgever uitgegeven te worden? Het fonds van De Contrabas levert geregeld dichters af bij gevestigde uitgeverijen.
De discussie over subsidies voor literaire tijdschriften lijkt me dan ook een valse discussie. Het weinige geld dat eraan wordt besteedt is een afkoopsom. Tijdschriften zijn voor de grootverdieners wat het Natlab (het Natuurkundig laboratorium) is voor Philips. Soms komt er iets uit waar iedereen van profiteert – maar daarvoor moeten de laboranten wel de vrije hand krijgen. Hier speelt allereerst de vraag naar kwaliteiten, en daarbinnen wordt de vraag naar kwaliteit weer actueel, net zoals tussen de springplankers en zij die zich al in het warme bad van papier bevinden. 
Vanuit De Contrabas zou de vergelijking op tafel moeten worden gelegd met andere uitgeverijen. Hoe financiert De Contrabas zijn poëzie-uitgaven en hoe doet Querido dat? Hoe financiert De Contrabas zijn weblog en hoe financiert Querido zijn promotieactiviteiten? Als Querido daar wel subsidie voor krijgt en De Contrabas niet, dan zou de vraag naar het waarom moeten worden beantwoord. Flagrant onrecht zou bestreden moeten worden.

zondag 11 april 2010

Coreferenties (3)

Vandaag: schrijver, vertaler en redacteur Piet Joostens (1972). Hij debuteerde met de roman Aladdin in Brussel (Manteau, 1998). Tot 2008 was hij redacteur van het literaire tijdschrift yang en momenteel is hij redacteur van de internetpoot van nY. Hij is bovendien een van de stichters van het platform voor literaire kritiek De Reactor en deeltijds medewerker van de literaire organisatie Het beschrijf. Als vertaler boog hij zich over essays, proza en gedichten van onder anderen Alain Badiou, Philippe Beck, Gilles Deleuze, Stéphane Mallarmé, Aldo Palazzeschi, Lisa Robertson en Gwenaëlle Stubbe.

Misschien is het geen slecht idee om op deze plaats in te gaan op het interview dat Tom Van Imschoot onlangs voor Rekto:Verso had met Jos Geysels, de pasbenoemde bestuursvoorzitter van het Vlaams Fonds voor de Letteren. Het artikel lokte nog geen noemenswaardige reacties uit van de literaire tijdschriften in Vlaanderen, wat nogal merkwaardig is: Geysels stelde hier met name wat hen betreft een voor hem dringende zaak aan de orde. ‘Wat is de toekomst van de literaire tijdschriften?’ is nota bene een van de drie prioritaire vragen waarop hij nog tegen het einde van dit jaar een antwoord wil.
Het gaat voor alle duidelijkheid niét om een inhoudelijke kwestie. Auteurs en redacteuren zullen zelf wel bepalen wat er in de tijdschriften van de toekomst gepubliceerd wordt. En voor de inhoudelijke beoordeling waar de subsidies van afhangen is er de (door het Fondsbestuur benoemde) adviescommissie tijdschriften, die geregeld van samenstelling verandert. Terecht merkt Geysels op dat hij zich moet houden aan de strikte scheiding tussen bestuur en adviescommissies en dat hij zich niet kan inlaten met ‘de literatuur zelf’. Dat maakt hem natuurlijk nog niet tot een pure econoom, hetgeen blijkt uit de Twee Grote Doelstellingen die hij bij zijn aantreden formuleert: 1. ‘de democratisering van literaire kwaliteit, zowel op het niveau van de productie als op het niveau van de verspreiding*’, en 2. ‘het VFL niet alleen een payer te laten zijn, maar ook een centrale player’, namelijk ‘een orgaan dat het publieke debat over de letteren aanwakkert en dat de adviezen of eisen die daaruit voortvloeien assertiever communiceert richting overheid’. Doelstellingen die veelbelovend klinken. Het literatuurbeleid dat Geysels gevoerd wil zien komt misschien ooit in de buurt van het Powerplay waar we volgens sommigen al lang aan toe zijn. 
Wat is nu de tijdschriftentoekomst waar Geysels dringende vraagtekens bij plaatst? Aan het bestaansrecht van de literaire tijdschriften twijfelt hij geenszins: ‘Hun waarde staat met andere woorden voor mij buiten kijf.’ Dat literaire tijdschriften subsidies verdienen, stelt hij niet ter discussie, want hij is niet van plan om mee te huilen met het ‘koor van wolven voor wie literatuur een privé-zaak is en dus niet gesubsidieerd moet worden’. De tijdschriften mogen ook iets blijven kosten, want hij wil het beschikbare budget niet meer laten dalen (dat de voorbije jaren overigens al ferm gedaald ís, en dat per tijdschrift vaak kleiner uitvalt dan dat van een gemiddeld niet-literair cultureel tijdschrift dat via het Kunstendecreet wordt betoelaagd). Anders dan een ex-tijdschriftenmaker en would-be landschapsarchitect lijdt Geysels niet aan versmeltingsdrang: ‘Wat ik in mijn contacten in elk geval heb ontdekt, is dat eenmaking in een soort super-DW&B geen optie is, omdat iedereen graag zijn eigen ei legt.’ Juist in tijden van globalisering! voegt hij eraan toe. 
Geysels betwijfelt alleen ‘of alles van waarde nog werkelijk gedrukt moet worden’. Het is een vraag die blijkbaar weinig met zijn groene gedachtegoed te maken heeft, want verderop lezen we dat ‘een tijdschrift dat verspreid wordt op 20.000 exemplaren natuurlijk fantastisch [klinkt]’. Er mogen dus nog wel wat boompjes sneuvelen ter meerdere eer en glorie van het Vlaamse tijdschriftenlandschap. Geysels beseft hopelijk dat een Vlaams literair tijdschrift met zo’n oplage pure utopie is, maar het is duidelijk dat hij het op de allerkleinsten gemunt heeft: ‘als je een oplage hebt van 200 à 300 nummers, moet je dan werkelijk nog gedrukt worden? Misschien wel, maar daarover moeten we discussiëren, vanuit een kader dat niemand demotiveert.’ Geysels hoopt met andere woorden enigszins dat nieuwkomers en kleinen voortaan met de webmaster in plaats van met de drukker willen bellen. 
Welnu, dat klinkt misschien vriendelijk en voor sommige bladen nog het overwegen waard, maar er zijn wel een aantal serieuze problemen. Ten eerste zal Geysels niet veel gesubsidieerde literaire tijdschriften vinden die zo weinig exemplaren drukken (een betaalde afname van minimaal 250 exemplaren is ook een formele voorwaarde in het subsidiereglement). Ten tweede zou je vanuit dezelfde visie kunnen besluiten dat veel waardevolle en commercieel minder succesvolle gesubsidieerde poëzie en essayistiek dan ook maar niet meer in boekvorm hoeft te verschijnen. (Ik geloof niet dat hier bij auteurs, uitgevers, lezers én commissieleden poëzie en essay veel animo voor bestaat.) 
Ten derde en last but not least: betekent het drukken van kleinere oplages echt zo’n aderlating voor het budget, aka de Vlaamse belastingbetaler? Ter vergelijking: de opmaak- en drukkosten voor het tijdschrift nY (650 ex.) bedroegen in 2009 nog geen derde van de totale subsidie (53.000 van het VFL en 4.450 van de Provincie Oost-Vlaanderen). De verzendings- en distributiekosten werden volledig gedekt door het abonneegeld. De grootste hap van de nY-subsidies, zo’n 44 procent, ging naar de honoraria van (belastingplichtige) auteurs en literair vertalers. Het redacteurschap zelf wordt op geen enkele wijze gehonoreerd. Zou het geld dat de tijdschriften kunnen besparen door zich volledig over te geven aan het internet zoveel beter kunnen worden besteed voor de literaire zaak? Wie al eens een naar hedendaagse vormgeving en gebruiksvriendelijkheid geslaagde website heeft gemaakt en bestierd, weet dat het internet allesbehalve gratis is, en met een volledige digitalisering verlies je ongetwijfeld abonneegeld. 
Maar alles kan beter, dus ook de besteding van het tijdschriftenbudget van het VFL. Een budget dat overigens een stuk bescheidener uitvalt dan Geysels het in zijn interview laat uitschijnen. Hij spreekt van een ‘bijzonder groot bedrag’ en goochelt steeds met 600.000 euro, het tijdschriftenbudget van Vlaanderen en Nederland samen, waarmee je ‘veel kunt doen’. Ongetwijfeld, maar dat kan Geysels níét: tot nader order is hij bestuursvoorzitter van deel één. In werkelijkheid bedroeg het totale bedrag dat het VFL aan de realisaties van de tijdschriften besteedde 285.000 euro in 2008 (tien tijdschriften) en 222.500 euro in 2010 (zeven tijdschriften) – ik reken de bedragen die worden toegekend aan CeLT nu even niet mee (dat is de vzw die onder meer de distributie beheert en voor gezamenlijke promotie zorgt en waarvan de kunsttijdschriften mee profiteren: jaarlijks gemiddeld 30.000 euro). De vetpot waarmee Geysels literair kwalitatief en democratisch wil playen is met andere woorden behoorlijk virtueel — tot iemand decreteert dat er een Verenigde Groot-Dietsche Tijdschriftenpolitiek moet komen, wat nefast zal zijn voor de noodzakelijke heterogeniteit van het aanbod. 

*Als het gaat om ‘de democratisering van literaire kwaliteit’ zie ik voor literaire tijdschriften nog geen problemen. Een nummer van nY kost €7, een abonnement voor vier nummers €20. (In Nederland zijn ze iets duurder – Parmentier €9 per los nummer, De Gids €9,50, De Revisor €11, Tirade €12,50 – maar een legale cd kost nog altijd meer.) De tijdschriften en hun redacties zijn beschikbaar en bereikbaar voor wie maar wil, fysiek, telefonisch en mailgewijs. Je hoeft ook geen lidkaart of diploma te hebben om een tijdschrift te verkrijgen en je erin te verdiepen. Als het VFL er onder Geysels’ impuls in slaagt de literaire tijdschriften ook in de supermarkt aan te bieden, in navolging van het (gefaalde) Nieuw Wereldtijdschrift, des te beter. Beschikbaarheid is het enige criterium dat het VFL qua democratische literatuur legitiem kan hanteren. Democratische literatuur is bijvoorbeeld iets anders dan literatuur die van tevoren van zichzelf meent te weten dat ze door iedereen vlot begrepen en geliefd zal worden. Democratische literatuur is in eerste instantie literatuur die ervan uitgaat dat ze door iedereen gelezen kán worden. Dat is haar openheid. Ze heeft geen lage dunk van de lezer en voelt niet de noodzaak hem bij het handje te nemen. Geen nivellering, geen infantilisering in naam van een gedroomd ‘groot publiek’. In dat verband verwijs ik naar de opvattingen van Jacques Rancière over democratie en emancipatie (zie Le maître ignorant (1983) of zijn recente bijdrage in de reader L’idée du communisme (éd. Lignes, 2010)). Rancière verzet zich tegen een inegalitaire logica van de emancipatie die vertrekt van een ondergeschikte positie van wie die emancipatie kan gebruiken. Zo wordt de ongelijkheid immers alleen bestendigd in naam van een toekomstige gelijkheid die nooit komt. Rancière gaat uit van twee axioma’s: de gelijkheid als vooronderstelling die vervolgens geverifieerd kan worden (dus niet de gelijkheid als horizon), en de zekerheid dat ‘l’intelligence est une’ (dat het intellect op zich niet toebehoort aan bepaalde specialismen (schrijver-lezer, leraar-leerling, ingenieur-arbeider, politicus-kiezer…) maar van om het even wie kan zijn). Simpelweg: ‘L’hypothèse de l’émancipation est une hypothèse de confiance.’ Kom daar in onze door angst geregeerde tijden maar eens om.

donderdag 8 april 2010

Bij coreferenties (2)

Weer raakt ten minste één kwestie me dermate, dat ik haar wil expliciteren: het rotsvaste geloof in de ondergang van elk papieren literair blad. Mijn ideaal aan gruzelementen! Ton van ’t Hof verbrijzelt het nuchter, De Contrabas pontificaal. Omdat die site dat geloof de laatste week heeft uitgevent in een serie postings en door stichting van ‘HET LITERAIRE TIJDSCHRIFT’ op Facebook, met een als volstrekt ‘gedateerd’ op te vatten typemachine als beeldmerk, tracht ik te begrijpen wat deze zekerheden over de toekomst behelzen.
Eerst de motivatie voor die postings: een symposium van en over die papieren standbeelden. Wil de ironie dat die aandacht de te overbruggen kloof tussen een boven- en een onderwereld verwijdt? Omdat het hier een doorverwijssite betreft die terzijde meningen over afzonderlijke literaire bladen ventileert maar er volgens mij (bij ontstentenis van te hyperlinken teksten?) nog nooit eentje heeft besproken, was er zonder het symposium geen posting over het medium als fenomeen geweest. En omdat men het betreurde niet voor het symposium gevraagd te zijn, werd het ontologisch failliet dan maar vanaf het thuishonk opgetekend.
Welke onderzoeksresultaten brengen het paradepaardje van de bovenwereld in klaarblijkelijk eeuwig diskrediet? Euh, met een insidersdoorzicht in het nu en de nabije geschiedenis regeren vooral apodictische uitspraken. Daarbij vallen twee dingen op. Om te beginnen lijken de ferventste critici zelden in klassieke literaire tijdschriften te hebben gepubliceerd, laat staan dat hun boeken in de fondsen van eraan verbonden huizen te ontdekken zijn. Dat zal een principiële keuze wezen die op zich geen beletsel is voor genuanceerde oordelen, integendeel, ware het niet dat, ten tweede, de kennis van het gelaakte bijna nihil lijkt. Wie DWB en nY op één hoop veegt, kan van die tijdschriften hooguit hun inhoudsopgaven geconsumeerd hebben.
Aldus is het verstrekte alternatief van ‘polariseren’ een inkoppertje: door het gemis van een reële tegenstander en van een andere empirie dan privé-hebbelijkheden waar slechts nota van kan worden genomen, raken argumenten misplaatst. Dat verklaart wellicht waarom er helaas maar sporadisch afleveringen zijn in een geweldige rubriek over eerste gedichten van een bundel: op een goed moment zou de aandacht naar concrete teksten uitgaan.
Indien ik beweer dat het wel de moeite waard is de proef op de som nemen, door in het kader van de tijdschriftenproblematiek bijvoorbeeld te kijken hoe bijdragen op een speciaal weblog al dan niet kunnen wedijveren met poëzie in een literair blad, betoon ik me reactionair, omdat ik dan vis naar ‘kwaliteit’ – een verzinsel van mensen die zich verheven voelen en complotten beramen om, bijvoorbeeld met gesubsidieerde bladen, de massa buiten hun gesloten circuit te houden. Maar indien ‘kwaliteit’ niet bestaat, waarop zijn internetmeningen dan gebaseerd? Telkens blijkt A beter dan B, deugt C niet omdat D enz.
Mijn inzet zal ‘politiek’ zijn want mijn ‘belangen’ verdedigen: al die gebreken treft De Contrabas uitsluitend bij de ander aan. Dat boeit me, Fidel Castro vond al dat Che G. de belangeloosheid zelve was. De stelligheid waarmee de site papieren literaire tijdschriften ziet sneuvelen, doet vermoeden dat de wens de vader van die gedachte is: achter de dystopie gloort zelfbevrijding.
Toch kan iedereen vrij naar papieren literaire tijdschriften inzenden en zijn ze raadpleegbaar in bibliotheken. Die openbaarheid is logisch, omdat ze, en hun subsidies bekrachtigen dat louter, behoren tot de publieke ruimte. Daarentegen moet men zich voor ‘HET LITERAIRE TIJDSCHRIFT’ op Facebook inschrijven bij de groep – niet zozeer het explorerende netwerk waar Van ’t Hof naar streeft als wel een defensieve parochie.
Mogelijk getuigt dat van een jaloersmakend zelfbesef. Over het symposium, pertinent door één krant gemonopoliseerd trouwens, werd vooraf verslag gedaan: standpunten waren gefixeerd. Daarna werd niet de realiteit geverifieerd maar de berichten erover. Is dat de content waarop het wachten is geweest?

vrijdag 2 april 2010

Coreferenties (2)

Vandaag: internetpionier, dichter en uitgever Ton van ’t Hof (1959). Hij publiceerde drie dichtbundels in eigen beheer (Uitgeverij Stanza): Je komt er wel bovenop (2007), Chatten met Jabberwacky. Gedichten 2005-2008 (2008) en Aan een ster/ she argued (2009). Ook was hij de samensteller van Flarf, een bloemlezing (Uitgeverij De Contrabas, 2009). In 2005 stichtte hij samen met Chrétien Breukers het veelbezochte poëzieweblog De Contrabas, waaraan hij als redacteur ruim vier jaar verbonden zou blijven en waarop hij bijvoorbeeld schreef over printing on demand. In diverse literaire bladen en op sites verschenen gedichten, artikelen, essays en vertalingen van zijn hand. Zijn persoonlijke weblog is 1hundred1.

Twee businessmodellen: Jacket Magazine en de Poetry Foundation 

Ik geloof dat drukwerk het binnen een à twee generaties moet afleggen tegen de elektronica. Mijn kleinkinderen zullen met een iPad of iets dergelijks in hun tas naar de middelbare school gaan. Internet 3.0 maakt tegen die tijd plaats voor 4.0 en de huidige businessmodellen die high-quality culturele content produceren zijn dan allang door efficiëntere modellen vervangen. 
In zijn boeiende reeks ‘Wat nu?’ vraagt Marc Kregting in feite naar hoe zo’n nieuw businessmodel voor hoogwaardige culturele content er in de nabije toekomst uit zou kunnen zien. Voor de beantwoording van deze vraag is onder meer, zo leert de moderne veranderstrategie, een beeld nodig van de toekomstige omgeving waarin men denkt te opereren. Even verderop in het verandertraject zal een brainstormsessie dan moeten leiden tot de eerste, lumineuze ideeën voor een nieuw businessmodel. Allemaal theorie. En garantie voor succes? Tot de voordeur. Maar wie niet waagt, die niet wint. Talloze pogingen brengen altijd wel enkele succesvolle modellen voort, die daarna door anderen geheel of gedeeltelijk kunnen worden gekopieerd. Maar stil blijven staan, hangen aan het verleden, zal killing blijken te zijn. 
In de Engelstalige poëziewereld zijn de afgelopen jaren twee verschillende nieuwe businessmodellen voor poëziecontent geïntroduceerd, die ik om uiteenlopende redenen als succesvol bestempel. Het eerste, al wat oudere model, is dat van het Australische Jacket Magazine, online sinds 1997. De Poetry Foundation uit de VS, opgericht in 2003, is het tweede model dat een aandachtige blik waard is.

Jacket Magazine is een ‘free internet literary magazine’ dat in het leven werd geroepen door de Australische dichter John Tranter. Zeven jaar lang was hij de enige redacteur. In 2004 schoot de Australische dichteres Pam Brown hem te hulp en sindsdien vormen ze samen de redactie. Het is net als bij traditionele bladen liefdewerk oud papier. Jacket Magazine wordt niet gesubsidieerd en genereert geen inkomsten. Auteurs vangen bijgevolg geen vergoeding voor hun bijdragen. Toch weten Tranter en Brown elk nummer te vullen met internationale auteurs van naam en heel veel inhoud van kwaliteit. Zo is het onlangs voltooide nummer 38 ruim 700 A-4tjes dik! De nummers worden langzaam gevuld, waardoor er online altijd wel wat nieuws te lezen valt. De vormgeving is eenvoudig, strak, prettig leesbaar.
Jacket heeft geleidelijk zijn goede reputatie opgebouwd. Het richt zich op de contemporaine poëzie en biedt, zonder daarbij stelling te nemen, ruimte aan allerlei stromingen: van het modernisme en postmodernisme tot de nieuwe avant-garde, zoals flarf, ecopoëzie, slow poetry, conceptuele poëzie en e-poëzie. Uit het feit dat Tranter vanaf het allereerste begin poëziekanonnen als John Ashbery, Marjorie Perloff, Ron Silliman, Juliana Spahr, Bob Perelman, Michael Heller, Lisa Jarnot, John Kinsella, August Kleinzahler, Charles Bernstein, Hans Magnus Enzensberger en Eileen Myles wist over te halen om in Jacket te publiceren, trek ik de conclusie dat hij over een groot netwerk beschikt, dat zich tot ver over de Australische grenzen uitstrekt. 
Ik zou het businessmodel van Jacket Magazine als volgt willen typeren: open-minded, onafhankelijk, gericht op kwaliteit, low budget, louter digitaal en werkend binnen een netwerkcultuur. Gecombineerd met de mogelijkheden van internet is zo een groot, vrij toegankelijk high-quality digitaal archief opgebouwd dat zijn weerga in de Engelstalige poëziewereld niet of nauwelijks heeft. 
Maar veranderingen zijn op til: vanaf 2011 geeft Tranter, bijna 70, Jacket uit handen. Het hele archief verhuist dan naar de servers van de University of Pennsylvania en een vijfkoppige redactie, onder leiding van de Amerikaanse dichter en hoogleraar Al Filreis (samen met Charles Bernstein oprichter van PennSound), zal Jacket voortzetten onder de naam Jacket 2

Het zal je maar gebeuren: een literair tijdschrift dat een gift van $200 miljoen ontvangt. Het overkwam Poetry uit Chicago aan het begin van deze eeuw en de gulle gever was filantroop Ruth Lilly. Het leidde tot de oprichting van een stichting, de Poetry Foundation, ‘to promote poetry in the wider culture’. Een explosie aan activiteiten volgde, waarvan het opzetten van een website, de Poetry Out Loud: National Recitation Contest (‘to encourage the nation’s youth to learn about great poetry through memorization and performance’) en de Harriet Monroe Poetry Institute (‘an independent forum created to provide a space in which fresh thinking about poetry can flourish’) de meest in het oog springende zijn. Alles groots en met veel bombarie ingezet. Ook geeft de stichting nog altijd het tijdschrift Poetry uit, dat momenteel circa 30.000 abonnees heeft. 
Opmerkelijk waren de aanstellingen in 2003: Poetry’s hoofdredacteur Joseph Parisi, die twintig jaar aan het roer had gestaan, werd vervangen door de jonge dichter en criticus Christian Wiman, en John Barr, dichter en succesvol zakenman, werd CEO van de stichting. Er is onder hun leiding een nieuwe koers ingeslagen, waarbij langzaam maar zeker afscheid wordt genomen van het brave en academische karakter van Poetry en meer ruimte komt voor debat en andere niet-academische poëziestromingen. Wiman en Bahr willen méér flair, méér variatie, méér entertainment. Er moet over Poetry en de Poetry Foundation publiekelijk gesproken worden. En dat is ze gelukt. 
Opvallend is dat elk nummer van Poetry ook direct en volledig online komt. Het heeft de oplage niet geschaad: die is sinds 2003 bijna verdrievoudigd. Ook ik bestel af en toe een gedrukt exemplaar, voor de heb, bijvoorbeeld het zomernummer van vorig jaar met het nu al historische dossier ‘Flarf and Conceptual Writing’. Daarnaast volg ik graag Harriet, het weblog van de Poetry Foundation, waar dichters van zeer divers pluimage als gastbloggers de gelegenheid krijgen om hun visie op poëzie kenbaar te maken. Het wordt, gezien de reacties, goed en kritisch gelezen. 

Het businessmodel van de Poetry Foundation verschilt duidelijk van dat van Jacket Magazine. Poetry Foundation beschikt over een professionele staf en betaalt auteurs voor hun bijdragen. Door de luxe van het geld hoeft de stichting minder te leunen op een netwerkcultuur. De overeenkomsten met Jacket zijn de open-mindedness en de exploratie van de mogelijkheden van internet. En met name deze twee overeenkomsten dienen volgens mij de kern te vormen van elk nieuw businessmodel dat succesvol poëziecontent wil genereren. 
Ik raad tot slot redacteuren van Nederlandstalige literaire tijdschriften aan om eens het onlangs door de Poetry Foundation gepubliceerde rapport Poetry and New Media: A Users’ Guide te lezen. Het eindigt onder andere met de volgende conclusies: ‘That access to poetry, being crucial to the development of and maintenance of cultural literacy and our cultural heritage, should therefore be considered a cultural imperative. That, over the long term, efforts to limit access to poetry and other important artistic and cultural works tend to have negative consequences that outweigh imagined positive consequences.’ Waarvan akte.

woensdag 31 maart 2010

Bij coreferenties (1)

Sorry dat ik toch even interfereer, maar de acquisitie via een literair agent als alternatief voor het literaire tijdschrift riep bij mij een vraag op die in de comments kennelijk niet viel uit te klaren: kan het feit dat deze twee bronnen langs elkaar heen werken met kwaliteitsmaatstaven te maken hebben?
Ik bedenk nu dat daar testmateriaal voor bestaat, namelijk de eerste alinea van een boek dat door bemiddeling van een agent verschenen is. Het nalezen zal niet erg representatief en rechtvaardig zijn maar, omdat zelfs redacteuren van niet-confessionele literaire bladen pro deo werken, redelijk waarheidsgetrouw – veel meer zal met een ongevraagde bijdrage in eerste instantie niet worden gedaan.
Daarom uit een acquisitie die in de hyperlinks van ‘Wat nu (5)?’ is opgedolven:

De voetstappen van mijn vader op de trap zijn de bezorgers van een dag die ik niet heb besteld. Het leven is een doorlopend abonnement op allerlei dingen die moeten. Je krijgt het, als een verjaardagscadeau dat niet op je verlanglijst stond, geschonken door mensen die zo nodig origineel willen zijn. En nu zit je eraan vast.

Hier wordt een heel wereldbeeld neergezet. Technisch staat de alinea in het teken van vergelijkingen, die eenmaal als zodanig worden onthuld (‘als een verjaardagscadeau’) en tweemaal met behulp van een koppelwerkwoord opdoemen. Hoewel ze in beginsel uitbreidend en ontdekkend zijn, perken ze hier nogal in: ze geven zekerheden die bovendien een fatalisme inhouden.
Wanneer ik inzoom op de vertolking van deze gedachten, dan valt in de openingszin de gelijkstelling van ‘voetstappen’ met ‘bezorgers’ op. Deze personificatie wordt verbonden met de daad van het ‘bestellen’, hetgeen het woordveld van posterijen o.i.d. aankondigt. Die verwachting wordt ingelost door ‘abonnement’. Wel is het de vraag waarom dat ‘doorlopend’ is; het hoeft dan niet te worden afgeleverd. Of wordt het vernieuwd? Ook lijkt ‘doorlopend’ een nagalm van ‘voetstappen’, wat misschien mede de schijnbaar wat overbodige toevoeging ‘allerlei’ verklaart.
Dat reeds de tweede zin van een boek een algemeengeldigheid verstrekt met een wandtegelformule die ‘Het leven is…’ mag heten, vind ik gedurfd. Het kan een indicatie zijn voor het – uitbundig stellingnemende, overstatement praktiserende et cet – vertellerspersonage, van wie de lezer deze wijsheid krijgt meegedeeld. Zat dit personage in de openingszin opgesloten in ‘mijn’, in de derde zin toont hij zich in ‘je’. Dat is wel een verhuld ik genoemd en doet het ook goed bij voetballers en hun coaches in de nababbel.
De vergelijking die de derde zin op touw zet, is wat minder verrassend: iets krijgen ‘als een verjaardagscadeau’ lijkt veeleer dubbelop. Zo verhevigt zich de tegenstelling die in ‘doorlopend abonnement’ leek te huizen. Wel geeft de als-vorm de gelegenheid er nog een werkwoord in hetzelfde sfeer tegenaan te gooien: ‘geschonken’ (dat bijna zeker een verleden deelwoord is en geen onhandig geplaatst voltooid deelwoord). Bij elkaar ontstaat er aldus een tweespalt in activiteit (‘besteld’) en passiviteit (‘krijgt’, ‘verjaardagscadeau’, ‘geschonken’).
Maar wat ik als activiteit presenteer wordt terzelfder plekke ontkend (‘niet besteld’). Dat er dingen zijn die ‘moeten’ wijst evenzeer op onwelgevallig handelen. Ook de principieel actieve daad van het schenken wordt door ‘zo nodig’ in combinatie met ‘origineel’ in die negativiteit betrokken.
Bij al die ongetwijfeld bewuste redundantie kan hooguit het oude instrument van de satire opluchting brengen. Maar ook dan is de wederom in de je-vorm gevatte slotzin van deze alinea, waarin het fatalisme definitief zijn beslag krijgt, meer een cliché in de richting van een binnenwereld dan een frase die een wereld of desnoods een ander patois en denken opent.