dinsdag 17 juli 2018
Harentare
1.
Nahijgend van een Slovaakse afscheidswals zien we op de grens met Polen een reclamebord voor warenhuis Kaufland. Er wordt een vestiging beloofd, dertig kilometer verderop! We verbazen ons nog zo dat we bijna een ander bord missen: kemping. En rechtsaf gaan we, een dertig meter lang kiezelweggetje op, vinden in een hypermodern gebouw de ingang en daarna een telefoonnummer.
Aan de andere kant van de lijn biecht de eigenaar op elders te vertoeven, maar om zes uur zal er iemand langskomen voor onze betaling. Geen probleem dat we nog geen zloty’s hebben, in euro kan evengoed. Helaas kan hij ons bij ontstentenis van zijn eigen persoon geen wifi bieden. We mogen staan waar we willen.
Die middag, de avond en de nacht brengen we met ons vieren door. De betalingspersoon blijkt de jonge poetsvrouw, een overboerin die enkel Pools spreekt. Haar vijf kinderen heeft ze mee, die chips eten.
Het campinggebouw is behalve hypermodern volledig toegankelijk. Er is onberispelijke sanitair en een zespits gasfornuis. Vanuit door driedubbel glas omgeven picknickbanken openbaart zich een overweldigend zicht op alle denkbare kleuren groen. Wel kamperen we dus zonder toezicht, aan de onverlichte asfaltweg waarover we zijn gekomen. In de slaapzak zijn mijn oren dubbelgespitst. Maar op een sporadische auto na horen ze slechts de uiteenlopendste dieren die me in slaap zingen.
De volgende morgen is de boerin er nog even. Behalve haar kinderschaar heeft ze haar man mee, die het gras doet met een zeis. De gourmande wil haar oude badpak, dat nog perfect is maar knelde, aan een dochtertje schenken. Ik help haar bij die gift en de ouders knikken effen.
Op een plaquette ontdek ik dat de camping zeer pril is, gemaakt met een EU-subsidie uit de Interreg-pot. Een geestig idee bij alle stringente landsopinies over vluchtelingen. Rond het terrein ontbreekt iets wat zelfs maar doet denken aan een omheining.
2.
Op een langere reis zoals wij die maken, neemt elk gezinslid ongevraagd taken op ten gunste van het geheel. Ze slijten even ongevraagd in, bij het besef waarvan soms een crescendo gekibbel ontstaat over patronen waarvoor niemand heeft gekozen en waarvoor de ander beter ook, enz.
Zo hoorde ik mezelf bezig tegen de wegkapitein die schier retorisch toon uitviel: ‘En weet wat ik zou willen zijn?’ Vanuit mijn onbewustste onbewuste antwoordde ik spontaan: ‘Een bloemetjesgordijn’.
Ik citeerde! Voor de hoi barbaroi even het refrein memoreren van de carnavalshit die Oeteldonker Wim Kersten had in 1980:
Weet je wat ik wel zou willen zijn
Een bloemetjesgordijn, een bloemetjesgordijn
Van het plafond tot op het raamkozijn
Een bloemetjesgordijn, een bloemetjesgordijn
En alle dagen hangen lekker in het zonnelicht
Met bloemen op m'n hele lijf en ook op m’n gezicht
Weet je wat ik wel zou willen zijn, een bloemetjesgordijn
De heremitische verleiding! De enige keer in zijn leven dat Kersten in het buitenland was, werd hij bestolen. En indien die e in ‘zonnelicht’ niet net te opzichtig was toegevoegd voor het metrum, was dit fragment van een volmaaktheid die poëzie ondraaglijk zou maken.
Komt het doordat ik van beneden de rivieren ben, dat ik carnavalsregels in me meedraag? Ik kan dat niet geloven. Als geboren Bredanaar kreeg ik wel met de paplepel ingegoten dat Polen oorlogshelden zijn. Voor het Onze Lieve Vrouwe Lyceum stond een tank van deze door Engelstalige luidruchtigheid wat weggedrukte Geallieerden.
In Polen rijden we de Green Velo-route, zo ver naar het oosten dat ze soms tegen Oekraïne, Wit-Rusland en Litouwen aan leunt. De route bleek langs Sobibor te voeren. Toevallig wisten we dat de herdenkingsplaats gesloten was.
Na een ochtend in door zon verlichte hoosbuien, moesten we het laatste stuk over een onverhard pad waar de regen in de vorm van plassen hielp kuilen aan te wijzen – overal. Nabij de herdenkingsplaats was een keurig vormgegeven en geïllustreerd bord geplaatst met informatie over wat was en wat zou komen. Een nieuw museum, met steun van landen die er de meeste slachtoffers hadden te betreuren.
Het beloofde iets. Opgravingen, die tevens een exacter beeld gaven over de gaskamers, hadden al materiaal laten vrijkomen. Zo gaf het identificatieplaatje van Deddie Zak, geboren 23 februari 1935, als adres de Amsterdamse Uiterwaardenstraat (waar taalexperimentspecialist Rein Bloem woonde).
Zulke beloften druisen in tegen recente Poolse wetten, die medewerking van het land aan de Holocaust ontkennen. Dan zwemen hooguit nog frases als ‘Ik bedoelde het goed’ en ‘Ik kon er toch niets aan veranderen’. Beloften, in laatste instantie van zelfonderzoek, werden in Sobibor evengoed geblust door de ingang, waar rood-wit lint was gespannen en een A4’tje meedeelde dat het terrein sinds maart 2017 dicht was ‘until further notice’. Ruwbouw op tien meter afstand wekte niet de indruk aan veel werkzaamheid onderhevig te zijn.
Zo’n gevoel van achterstalligheid bekruipt me in Polen vaker. Het metamorfoseerde in weemoed bij wat ik, nochtans te laat geboren, niet anders kon zien dan als een communistische camping vol eigele vakantiehuisjes, van elkaar te onderscheiden door hun droombeluste opschriften: Hawaj, Egipt. Er waren metalen speeltuinapparaten die, net als de donkerrode gazeuse Oranzada, herinneringen poogden los te weken (Galderse Meren, Drunense Duinen, Baarle-Nassau?). De kinderen verzekerden dat de draaimolen was vastgeroest.
Tegelijk heeft Polen dus de Kaufland binnen de landsgrenzen, met een aanbod dat van de Delhaize en de Albert Heijn kleingrutters maakt. Maar wie koopt die doorgeselecteerde waar, gewend als men is aan supermarktjes die veredelde biermagazijnen zijn, met verder soep- en sauspoeders, ijs en koekjes? Lopen die megavestigingen niet ver voor de troepen uit?
Misschien is Polen voor Kaufland een lagelonenland. Een burendienst. Gelet op de openingstijden op vrijdag en zaterdag, van 7 tot 23 uur, biedt de keten in elk geval werkgelegenheid.
3.
De eigenaar van de Egipt-camping en zijn vrouw spraken uitsluitend Pools. Ze hadden een papier, in plastic beschermhoes, met enige vragen over omvang van het gezelschap en lengte van het verblijf, die van elementaire Engelse vertalingen voorzien waren. Daarna schreef hij me handmatig in, in een logboek waar hij verse kolommen trok met zijn liniaal. Na bestudering van mijn identiteitskaart noteerde hij mijn doopnamen.
Ons schuchter polsen naar wifi had hij brommerig weggewuifd. En eigenlijk had hij daar gelijk in. Als bepakte fietsers maken we reeds deel uit van een gemeenschap. Enkelingen of groepjes die passeren steken altijd de hand op en soms roepen ze er wat bij (Nederlanders zeggen ‘hoi’). Ook hieruit blijkt dat Radfahrer schon Brüder geworden sein.
Oeps, in de vorige alinea gebruikte ik het woord ‘eigenlijk’. Dat tekent de nepschrijver, meende Frans Kellendonk, volgens wie het woord altijd geschrapt kon worden. Hij had gelijk. Wie ‘eigenlijk’ invoegt, zeker na ‘maar’, demonstreert het voorafgaande niet afgewogen te hebben en poogt de balans te herstellen met overgewicht.
Toch zie ik een functie voor dit woord weggelegd, als minimale bevestiging van onwetendheid. Ik ben op dat vermoeden gekomen door het taalkundig genie die jaren geleden al kon vragen wat ‘eigenlijk’ het verschil is tussen gesteenten en mineralen, tussen het heelal en de melkweg. Dat legde ze ons bij voorkeur achter op de fiets voor, tijdens beklimmingen.
Onlangs had ze het woord weer nodig: ‘Wat is eigenlijk kut met peren?’
Misschien is ‘eigenlijk’ ook de meest Kellendonkse aller woorden, omdat het in de schaduw leeft van diens centrale concept oprecht veinzen. Daarin doe je alsof je gelooft, terwijl je eigenlijk weet een droombeeld te voeden.
Nog zo’n woord dat gonst dunkt me het pleonamse ‘veranderingsproces’. Het oogt dynamisch voor allen, en is consoliderend voor enkelen. Verse krachten in een personeelsorganisatorisch kader brengen dat woord binnen een grote groep werknemers in omloop, met de bedoeling onterende maatregelen als noodzakelijk voor te stellen.
Met zulke operaties en hypotheses raak ik in een domein dat bij gebrek aan afbakening ‘literatuur’ heet. Taal regeert er doordacht, zodat het onmogelijk wordt om een toegeschoven sleutelpost, zonder bijtende ironie, ‘een boeiende uitdaging’ te noemen.
Zou het dan een voor- of nadeel zijn om meertalig te zijn? Ik vrees dat op termijn de diepste tweedeling in de wereld binnen de communicatie zal liggen die de breedte van kennis bepaalt. En dan helpt het in Polen niet, dat ook daar op televisie nasynchronisatie heer en meester is (één stem vertolkt zelfs alle rollen, inclusief de vrouwelijke, bij films).
In een hotel vroeg een ongeveer twintigjarige mevrouw me iets, waarna ik wedervroeg of ze English, Deutsch of Français sprak. Ze deinsde letterlijk achteruit. De Poolse campingeigenaar en zijn vrouw kwamen dan weer op me over als gelukkige overlevers.
In Slovakije, dat we in luttele dagen doorkruisten, reserveerden we, om de match tegen de Japanners te zien, een kamertje bij een pension in de toeristische klapperstad Bardejov. Het duurde even voor de eigenares opendeed omdat ze eerst, bewust van haar capaciteiten, pro-activiteit had ontplooid die we in Polen nog vaak zouden ervaren: ze had haar zoontje erbij gehaald. In dit geval was het een Harry Potter-achtige jongen van hooguit dertien die ons in redelijk Engels uitleg gaf. Ook over een zwembad in de kelder. De wegkapitein kapte hem af toen hij de geheimen van de sauna wilde onthullen.
Een paar uur daarna aten we bij een half voltooide bar in de kelder, toen een Russisch gezin binnenkwam, in een geanimeerd gesprek met de eigenaresse. Met handgebaren polste ik haar over het enorme flatscreen dat er hing, innemend haalde ze haar schouders op en duwde de Russen voor zich uit, de trap op. Even later waren ze terug, handdoeken omgeslagen, om een duik te nemen en de sauna te bezoeken. Ik vond hen luidruchtig, de man te oud voor zijn echtgenote.
Al die tijd was de gourmande stil geweest. We weten dit aan een zwemsessie die wel erg kortstondig was geweest wegens de lage watertemperatuur en een knellend badpak. Toen bekende ze doodsbang te zijn. Tegenover haar hing een respectabel aantal geweien. Nadat we van plaats gewisseld waren en zij met de rug naar de trofeeënwand zat, keerde de rust weer.
Gelukkig werkte de wifi wel. Op de kamer zagen we de match via een livestream. Het beeld lag zo’n vijf minuten achter op de tekstupdates. Een opluchting, omdat de Rode Duivels in de tweede helft een achterstand van 0-2 moesten goedmaken. Eerst lazen we dat het goed kwam, daarna volgden de bewijzen.
woensdag 27 juni 2018
Par excellence
1.
Aan de telefoon had hij gestotterd dat hij wel naar ons toe kwam. Bij de kerk wachtten we, tot dichtbij in de verte een man verscheen die bijna capitulerend zwaaide, zijn blote voeten in slippers.
Dit was Slovenië, bereikt na een druk bemountainbiket klimmetje op kiezels in een niemandsland achter Italië.
Hij liet ons het appartement zien, dat we voor een nacht hadden gehuurd. Ik vroeg hem naar een apparaat, Bialetti of percolator voor de koffie. Ze bleken alle onnodig omdat er een elegant getuit pannetje was voor bereiding op Turkse wijze. In onberispelijk maar dus wel wat traag Engels deelde hij mee dat we elke verder nog opdoemende vraag hem onmiddellijk konden voorleggen, want hij woonde boven.
Op tafel stonden twee flesjes likeur voor de wegkapitein en mij, en twee weckpotjes zelfgemaakte confituur voor het taalkundig genie en de gourmande.
Lachend stelde hij ons gerust dat we de zoveelsten waren die het appartement niet hadden kunnen vinden én het bordje met de straatnaam hadden gedetecteerd. Het stond namelijk een kwartslag de verkeerde kant op.
2.
Slovenië, ons nieuwe begin van een reis, ditmaal door wat Donald Rumsfeld niet eens zo lang geleden het nieuwe Europa noemde – het toeristische wij zou dan bestaan uit oude Europeanen. Ik werd aan die bizarre uitspraak herinnerd door een boek met de verrukkelijke titel In Defense of Lost Causes, van de Sloveen met de misschien wel bekendste bierbuik van het land: Slavoj Žižek.
Ooit had ik de pdf op de e-reader gezet na een tip van mijn Heidegger-informant, nu was de tekst de perfecte aanleiding voor een eerste snuif van een onbekende natie die onze schakel moest zijn tussen Italië en Hongarije. Meteen golfde het landschap er groen en vruchtbaar, vol herhaling (‘repetitief’).
Sommige passages kwamen me bekend voor uit Pleidooi voor intolerantie en ik mocht andermaal meespringen op Žižeks stokpaardjes van de decafé en de groepsmasturbatie, die zich met hun nobele bedoelingen in het ravijn werpen – vlak bij Budapest zag ik op een affiche nog een kandidaat voor deze categorie: triphop-yoga.
Niet dat ik, in Hongarije dus inmiddels, het boek uit heb. Het vraagt om interferentie en adempauze van andere teksten. In Defense of Lost Causes is namelijk het tegendeel van een pageturner, hoewel ook deze Žižek-bundel vol relevante inzichten staat. Ze zijn alleen zoals de supermarkt Aldi in Slovakije gecompartimenteerd: in de Hofer (variatie, breed assortiment) en de Eurospin (gering aanbod van grosverpakkingen).
Zelfs zo’n lijvig boek toont behalve de extraverte drive de meest notoire gedaante van Žižek: van opiniegranaat. De fragmentatie verhuist vervolgens naar de lezer.
Dat In Defense of Lost Causes me een echte Žižek dunkt, betekent ten slotte dat erg veel toestanden weer een ‘exces’ verraden en de kwalificatie ‘obsceen’ verdienen. Enfin, taal die sinds de jaren negentig bij een deel van de Vlaamse intelligentsia valt te genieten.
Toch denk ik de leestip te begrijpen. Niet omdat ik in Slovenië een plaatsje ben tegengekomen dat Terapija heet, maar omdat Žižek mogelijke motieven nevenschikt van ware radicale intellectuelen als Heidegger en Michel Foucault. In hun bewogen tijd, jaren dertig en zeventig, maakten deze filosofen immers keuzes voor gruwelijke regimes die zich net aan het ontplooien waren, respectievelijk het nazisme en het Iran van Khomeini.
Volgens mij poneert Žižek dat de twee collega-filosofen een hypergevoelige antenne hadden voor systemische veranderingen, maar afstemden op de verkeerde zender. Daarmee betoonden ze zich zowaar echte, om niet te zeggen voorbeeldige mensen. In iedereen schijnt diep een wens verborgen te zitten dat alles anders wordt, om precies te zijn: rechtvaardiger. Maar bijna niemand durft de consequentie uit zijn verlangens te trekken, en pendelt dus tussen woord en daad.
De Sloveen zegt het zo: ’Logically, it all began with the Word; the Act that followed was a flailing outburst that bore witness to the deadlock of the Word. And the same goes for the Act par excellence, the divine act of Creation: it also signals the impasse of Gods ratiocinations.’
Bravoure of niet?! Ik moest denken aan een schisma dat me overviel nadat ik van Nederland in het begin van de eeuw naar België was gevlucht. Opgegroeid was ik met een protestdiagnose van Armand uit 1972:
De Nederlander is een meelzak
je kunt er op blijven slaan
hij gaat toch nooit staan.
De Nederlander is een meelzak
die niet reageert want dat is verkeerd
en bovendien hebben ze 'm dat nooit geleerd.
Armand nuanceerde zo de spreekwoordelijke grote bek van Nederlanders, die als het erop aankwam bij de grote, onmachtige meerderheid gesloten bleef. Toen viel de Muur en deed Fortuyn voor een groot publiek zijn intrede, en werd reageren het summa summarum. Verdroeg ik het niet langer dat anderen in mijn vaderland steeds luider ‘profiteur’ heetten, dergelijke expliciete omgangsvormen bleken in België eigenlijk best te worden gewaardeerd.
De omgang bestond er namelijk niet alleen uit zwijgen dat goud heet te zijn boven het zilver van het spreken, maar vooral uit een soort poëzielezen tussen de regels. Hoe vervolgens te handelen? Na enige jaren stond ik er nog verwonderd bij toen een koffieliefhebber een Senseo kreeg aangeboden, daarop antwoordde ‘Dat is heel vriendelijk’ en er niets gebeurde. Dit antwoord bleek Vlaams voor: ‘Nee, bedankt.’
Later leerde ik dat sollicitatiebrieven nooit de woorden ‘maar’ of ‘niet’ mogen bevatten. Zoiets kende ik alleen van literaire uitgeverijen, die uitsluitend afwezen met stilte annex onbereikbaarheid bij pogingen tot contact.
Voor mij is het succes van Bart De Wever dan ook altijd te verklaren geweest uit een putdekseleffect: eindelijk iemand die het ondenkbare doet door onwelgevallige dingen ‘gewoon’ te zeggen.
Jeetje, door de (onvoltooide) lectuur van Žižek moet ik geloven dat het gevoel van burgers te België dan te vergelijken valt met dat in de Sovjet-Unie onder Stalin. Een ‘empire of signs’, waarin men elke formulering moet decoderen om de actuele partijlijn te achterhalen.
Zou het? Wat doet koffie in een land waar je eindeloos kunt fietsen tussen achterover hellende, om staketsels gewonden hop? Ten gunste van Duvel of Chimay of Westmalle, zoals we in Italië pomodori aten uit Nederland en in Hongarije paprika’s uit Marokko?
3.
Een tweede welsprekende compagnon de route – elk excuus om te lezen is er eentje - zocht ik in de historische laaglandse Balkannoloog A. den Doolaard, van wiens uitgebreide oeuvre ik alleen de vooroorlogse novelle Wampie ken. Maar die heb ik als puber dan ook verslonden. Als ik me niet vergis verving deze auteur volgens de geschiedschrijving de pen door de vuist.
Den Doolaard is minstens gaan gelden als man van de daad. Oei, mag dat wel van de afdeling reflectie? Voor zijn Europese boeken pleegde hij ter plekke vooronderzoek, zo gretig dat de kennis die hij opdeed een alibi werd voor zijn reisdrift.
Ik raadpleegde voor de gelegenheid zijn memoires Ogen op de rug waarin ook foto’s zijn opgenomen, bijvoorbeeld van Den Doolaard op de fiets van zijn tijd die paard heette. Hij ziet zijn calvinistische jeugd als reden voor fysieke uitbraken die een reis nu eenmaal vereist (Polet pleegde ze in de geest). In dit boek graaft Den Doolaard zich een kloof met onder meer de cerebrale Ter Braak, die op feestjes altijd in een hoek zou zijn blijven zitten.
Van ‘intellectuelen’ lijkt Den Doolaard überhaupt niets te willen hebben. Naar zijn overtuiging handelen ze niet alleen zelden, het ontbreekt hun bovenal aan empathie, zodat elke andersgezinde hun ‘blanke handjes’ ziet en niets openhartigs zal delen. Dat beweert Den Doolaard in een fragment over wat uiteindelijk de Deltawerken zouden worden waarvoor hij, vlak na de oorlog, beduidend minder ver van huis hoefde. Toch presenteert hij ook Zeeland als een buitenland.
Wat sprak Den Doolaard over de grens? Hij blijkt in elk geval het Frans goed te hebben beheerst. Op onze beurt passen we ons aan bij de tweede taal die onze gastbevolking spreekt. In Italië, waar de honderdduizenden televisienetten louter de landsspraak gaven en dus nasynchronisatie scheen te moeten, was dat heel soms Engels; in Slovenië, waar het Engels juist van het scherm spatte, voerde die lingua franca altijd de boventoon.
In Hongarije lijkt er zelfs bij jongeren niets te bestaan buiten de eigen taal. Een triomf voor Orbán? Er is sporadisch, in toeristische oorden, wat Duits voorradig. Maar het houdt niet over, uitgerekend bij zo’n unieke taal als het Hongaars, waar tej melk is en bor wijn. Wat te doen als supermarkt Penny drie soorten gehaktbrood verkoopt waarbij van geen enkel vermeld ingrediënt chocola te maken valt? Voor de zekerheid van de wanhoop vroeg ik aan de vakkenvulster of ze English spoke – en ze antwoordde in het Nederlands.
Wat ontwaarde Den Doolaard onderweg? Zelf weet de provinciestedeling in mij vanmorgen het gekwetter op een logement op de vierde verdieping aan ‘vogels in de bomen daar beneden’. Maar de wegkapitein wees een halve meter boven me, waar vijf zwaluwnesten waren. Bij de zogenaamde studeerkamergeleerde Ter Braak leidden buitenlandse verblijven dan weer tot cultuurfilosofie over de prijs van de koffie op toeristische pleisterplaatsen, terwijl wij hebben gezien dat je op het San Marcoplein in Venetië beter je wrap stevig vasthoudt tegen de meeuwen.
Ter Braak hoort vooralsnog bij de overwinnaars van de literatuurgeschiedenis, Den Doolaard niet en evenmin Dirk Coster, voor wie hij wel sympathie koesterde en wiens ethische aanblazingen reacties verwekten van Ter Braaks buddy Du Perron (vent) waarna Binnendijk (vorm) zoiets als moderne Noord-Nederlandse letterkunde deed ontstaan. Zichzelf presenteerde Ter Braak als het slimme jongetje dat slecht is in sport en hij rangschikte, laatdunkend, Den Doolaard bij veelgelezen verhalenvertellers zoals Antoon Coolen. Hun zwakke, vermeend reactionaire reputatie is nooit hersteld.
Heden leeft de plotvertelling vooral elders voort. Met de vraag “wat zou er nu weer gaan gebeuren” in betaaltelevisiereeksen, met de vraag “wat gebeurt er werkelijk in de wereld” in de journalistiek.
Van het laatste type bracht de e-reader me onlangs het boek Een jaar met Trump, waarin Ine Roox haar portret van de VS samenstelde op basis van losse reportages, met interviews op locatie. Een helaas nogal overbodig boek, mede omdat er niets aan veranderd is ten opzichte van de originele krantenstukken. Hun professionaliteit krijgt door de serieschakeling vol overlappingen iets machinaals.
Den Doolaard werkte eveneens als journalist, zonder Roox’ neiging tot exemplarisme van enkelingen. Hij schiep personages binnen een wens tot realisme, waarbij hij karakters zelfs poëticale gezichten wilde verlenen. Voor de spiegel van hun ziel wendde hij zich ironischerwijs tot historische schilderijen. Ik vind dat althans ironisch, omdat Den Doolaards vooronderzoek ook meer of minder roekeloze ervaringen verzamelde.
Voor De grote verwildering, een roman over de beklimmingsstrijd rond de Mont Blanc, ging hij zelf de recordhoogte in, zo bewust amateuristisch dat hij bij naderend onweer het gevoel krijgt alsof ‘een onzichtbare schoonheidsspecialiste mijn wenkbrauwen aan het epileren is’ en hij zijn pikkel hoort zoemen. Koket noemt hij zich dan ‘knettergek’, maar letterlijk klopt het natuurlijk wel.
Eigen ervaring deed Den Doolaard in zijn jonge jaren tevens op als boekhouder bij de Curaçaose Petroleum Maatschappij, die van de grootste winsten trachtte zo min mogelijk belasting af te dragen. Zo verklaart hij zijn weerzin tegen het kapitalisme – toch wat anders dan facebook-likers of twitterandi die een ‘goed kritisch stuk’ onder elkaar aanbevelen.
woensdag 6 juni 2018
Kostbaar
1.
Met een laattijdige
boeking hebben we de hand weten te leggen op de beste plaatsen voor de ferry
tussen Spanje en Italië. Hun prijs was zo hard gezakt dat ze de goedkoopste
bleken.
De oversteek duurt
bijna een dag en blijkt berucht omdat ze wordt bevolkt door scholieren op hun
jaarlijkse culturele uitje. Vooral ’s nachts, de zonnebril op het achterhoofd, maken
ze de stemming wat te weinig beschaafd, wil het gerucht, waartegen de
bootmaatschappij zich expliciet indekt.
Nadat we de fietsen
hebben mogen parkeren tussen vrachtwagens tillen we alle elf tassen plus tent
op onze vermoeide lichamen, waar de stuurtasjes met gewichtig materiaal al aan
bungelden.
Twee dekken hoger wacht
personeel, dat ongelovig kijkt naar ons team waar de
gourmande nauwelijks achter de tent te ontwaren is. Een
controle van onze tickets activeert drie gerants die het gerei van ons trachten
over te nemen. Het zijn Aziaten.
Ik verzet me,
beschaamd te worden aangezien voor een vermogende wereldburger of koloniaal.
Maar de gourmande en het
taalkundig genie worden onmiddellijk ontlast van hun draagwaar en
drentelen verbaasd achter de gerants van wie er een de tentzak zo onhandig
vastpakt dat deze valt.
Het trio vuurt in een
verstaanbaar Engels vragen op ons af. Ze gaan daar mee door als we in de suite
zijn aangekomen. Omringd door belachelijke luxe weten we niet meer te
antwoorden dan ja en nee, en mijn schaamte slaat om in boosheid over de
onvermijdelijke geste de gerants een fooi te geven. Ik zou hun bij wijze van
spreken alles willen schenken, maar niet voor het dragen van bagage.
2.
Het deel van de reis
dat we door Italië maken is tegelijk een tocht langs kunst. Namen, mythes en
commentaren omringen ons. Dit hadden we kunnen weten, maar niet dat er met ons
een camper- en caravan-nomadische populatie van gepensioneerde Nederlandse,
Duitse en Engelse koppels maandenlang vakantie houdt die de tijd voor zichzelf
hebben en voldoende geld om haar in zonniger oorden te spenderen.
Het zijn ten jongste
babyboomers, die de opleiding hebben gehad om, bijvoorbeeld, Italiaans-Nederlandse
literatuur naar waarde schatten. Ze zien de allusies. Het geheel van
westers-mythische verhalen die potsierlijk ‘de joods-christelijke cultuur’
wordt genoemd hebben ze op het gymnasium ingegoten gekregen. Zij hebben echt
bagage.
In de roman Spoo Pee Doo (2016) van Dimitri Verhulst
die ik gratis op de e-reader lees, zit een ander menstype verscholen. Het piept
aan de oppervlakte bij een meisje dat aan de ik-figuur haar nieuwe tatoeages
laat zien. Ze zegt dat dit Keltische tekens zijn, duidt hun betekenis maar zegt
ook dat er veel meer betekenissen in omloop zijn.
Op een of andere
manier link ik dat type aan de formatie van de nieuwe Italiaanse regering, waarbij
zich met de figuur van kandidaat-premier Conte, vijfsterrenist, een man opwierp
die beweerde afscheid van de oude politiek te gaan nemen. Van ‘de elite’ die,
corrupt als ze heet, alles zou laten zoals het is.
Ik meende meteen
Fortuyn te horen, en zag ijdele ministers al vechtend over straat gaan. Contes
woorden vatte ik op als populistisch. Alsof machthebbers vanzelfsprekend
moordenaars zijn!
Wel fietsen we door
Midden-Italië waar de wegen pericoloso
zijn (dit woord kent de liefhebber van Nederlandse bellettrie waarin een
internationale trein voorkomt). Ze lijken nog het meest op appelpannenkoeken
met rozijnen, ook in onverlichte tunnels waar fietsers samen met auto’s in gedreven
worden.
We horen dat iedereen
hier al sinds mensenheugenis over klaagt, maar dat er niets verandert. Tegelijk
kunnen ‘fietspaden’ die zijwegen of carports kruisen binnen vijf meter borden dragen
die hun eind aankondigt en daarna hun begin. Lucratieve overheidsopdrachten!
Toen Conte zijn
opdracht teruggaf omdat de president weigerde een minister van Lega Nord te
aanvaarden die luidruchtig tegen de EU is, zou ‘de elite’ zelfs zichtbaar zijn
opgestaan tegen ‘de’ democratie. Maar als het de kandidaat-minister ernst was
had hij die positie opgegeven. Politiek is toch gediend met een geloofwaardige
praktijk? Reden waarom het kiezers toch nooit om poppetjes mocht gaan?
Wellicht moet ik mijn verkeers-vergelijking
uitwerken. Er is niet alleen infrastructuur, ze wordt ook gebruikt. Er bestaat
zoiets als een elementaire verantwoordelijkheid van weggebruikers die burgers eveneens
zijn. Maar we ervoeren slechts automobilisten in een triomfale
onverschilligheid tegenover fietsers, voortdurend claxonnerend.
In Venetië had een kofferdrager
voor een ongetwijfeld prestigieus hotel op zijn steekkarretje een fietsbel
gemonteerd die hij driftig doorstappend over de stegen liet afgaan. Op
verkeerslichten is het rood beduidend groter dan oranje en groen, alsof de
bestuurder extra moeten worden geattendeerd op iets wat schier onmogelijk is:
even stoppen. Eigen ego immer eerst? Pas bij Ferrara ondervonden we hoffelijkheid
in het verkeer, toen ons voorrang werd verleend op een zebrapad.
Op de camping van datzelfde
Ferrara, waar mannen hun toilettassen staken in zakken van Albert Heijn,
maakten we meteen kennis met een heuse afsluitbare stalling voor fietsen. Zoals
dat gaat met vertalingen van vertalingen, lazen we daarover: ‘Fietsgarage is
vrij’.
Minder dan Italië-kenners
of economen als Paul De Grauwe vroeg de formatiecrisis om inzichten van schrijvers,
suggereerde
onlangs Salman Rushdie. Gegevens over de
aard van de mens en vertrouwen in de waarheid zouden een effectief tegengif
tegen cynisme kunnen bieden.
Terecht mopperde
Maxim Februari daarop dat literatoren en filosofen zo andermaal een
‘ons’ van betere mensen zouden doen ontstaan. Toch toonde Rushdie zich opgelucht
dat het negentiende-eeuwse exclusieve westerse wij, dat de waarheid in pacht
had, meerstemmiger en rijker is geworden door de Kelten van dienst, die
makkelijk allochtoon of derdewerelds heten.
Bovenal lijkt alles me
beter dan analyses van tactische steekspelen, waarin spelers niet eens integer
kunnen zijn. Zoiets verdient de waarheid niet.
3.
Roelof
ten Napel beweerde onlangs iets opmerkelijks. In de uitdrukking ‘Ik
vrees dat’ zag hij een proeve van koketterie. Maar ik hoor er Engels in,
beleefdheidsfrasering, zoals het taalkundig genie, haar ontbijtbuikje net vol,
tegen haar zus die de abrikozenjam zoekt: ‘Ik vrees dat je die niet meer gaat
vinden’.
Ten Napels bewering stond
in een lange verdediging van de geëngageerde dichteres Dominique De Groen tegen
recensent Willem Thies die haar, mede op basis van zelfportretten, had beticht
van narcistisch nepengagement. Een dolzinnig argument, dat zich ent op
auteursintenties en dat integriteit in de uitverkoop zet.
De dichteres reageerde zelf ook, in nog meer woorden, en bereikte een bij mijn weten zeldzaam
effect. Eerst werd mijn pijngrens bereikt door gul gebruik van (afleidingen
van) de term ‘misogynie’. Daarna vuurde De Groen meer semi-automatische begrippen
af die weinig meer betekenen.
Terwijl De Groen pleitte
voor een niet-algemeniserende beoordeling die zich verre houdt van ‘sterk
gegenderde aannames over mij’, toonde haar taal zich geleend
en onpersoonlijk. Er waren me althans te veel frases die ik ontelbaar vaak
elders heb gelezen:
Het ergste is nog dat hij zijn
lezing presenteert als objectief en vanzelfsprekend in plaats van de aannames
die zijn lezing informeren te expliciteren.
Met zijn giftige karikatuur van
een ijdele, pronkende, poserende jonge vrouw schrijft Thies zich in in een
lange, lelijke traditie waarin vrouwen systematisch worden aangevallen op basis
van hun uiterlijk en stijlkeuzes om zo gedelegitimeerd en op hun plaats gezet
te kunnen worden.
De vraag stelt zich waarom Thies
zich in zoveel bochten wringt om mij krampachtig te proberen ontmaskeren als
‘witte, gepriviligieerde westerling’, terwijl mijn bundel zelf mijn privilege
expliciet problematiseert. De ambiguïteit van mijn positie, mijn
medeplichtigheid en mijn verknooptheid met het systeem vormen net één van de
belangrijkste uitgangspunten van mijn bundel.
De enige levensvatbare vorm van
engagement is er daarom volgens mij één die de eigen positie expliciteert, die
de contradicties en ambiguïteiten die ieder van ons belichaamt onder ogen ziet,
en die iedere claim van onschuld of neutraliteit in vraag stelt.
En hoewel ik mijn eigen positie
problematiseer, betwijfel ik niet dat er geargumenteerd zou kunnen worden dat
ik de lijn af en toe overschrijd.
Eerder dan appropriatie aan de
kaak te willen stellen lijkt Thies het discours van social justice te
willen kapen voor zijn eigen doeleinden: om zijn onfrisse argumenten een
sociaal bewust laagje vernis te geven en ze zo te valideren.
Ik heb de hyperlinks
even niet bij de hand, maar er bestaan sites die op commando taal genereren. Er
vallen naar hartenlust onoriginele zinnen mee te maken door combinatie van
zinsdelen die clichés uit één register oplepelen.
Bij al die
goedbedoelde en sympathieke pogingen zich teweer te stellen met tweedehands
taal preekte de dichteres ook nog voor eigen parochie:
Het voordeel van dit gebruik van
paraleipsis, overigens ook een geliefde stijlfiguur in het discours van de alt
right-beweging, is natuurlijk plausible deniability. Thies heeft
me nooit écht beoordeeld op mijn uiterlijk, hij heeft louter op zeer gedetailleerde
wijze aangegeven hoe een hypothetische lezer dat mogelijkerwijs zou kunnen
doen. Om een zekere Donald J. Trump te citeren, die om de haverklap
gebruikmaakt van dit retorische trucje: (…)’
‘Preken voor eigen
parochie’ is een versteende metafoor, maar in dit volgens mij representatieve
citaat proef ik katholicisme. Ben ik door mijn tijdelijke gastland beïnvloed
(en door de e-lectuur van Van
der Plas’ Het Rijke Roomsche Leven)? Voor de crypte van de heilige Franciscus in Assisi kan men bij
de ingang kaarsen kopen die men ter plekke niet mag ontbranden maar tien meter
verderop moet deponeren in een kartonnen doos – en de dienstdoende non die maar
ongebruikte koopwaar aan het verplaatsen is.
Grandioos. De heilige
beheerste onder meer de taal van de vogels, zijn zelfbenoemde nazaten weten
vliegensvlug geld te verdienen.
donderdag 17 mei 2018
Ingrijpende
1.
De grens van Aragon naar
Catalonië staken we buiten medeweten over. Tot nog toe had een sterk gewijzigd wegdek
– zoals tussen België en Nederland – het sein gegeven in een andere provincie
te zijn beland. Wel frappeerde ons meteen een Ruta de Orwell, of was dat beroepsmisvorming.
We waren gewend
geraakt aan plukjes urbanizatión, wat
eufemistisch leek te duiden op gated communities. Al doorfietsend greep de verstedelijking
onmiskenbaar om zich heen. Catalonië leek vooral welvarender dan wat we in het
zuiden hadden gezien, meer geïndustrialiseerd ook.
Dus was het wachten op
het tegendeel. In Barcelona hield een man met boodschappenkarretje halt bij
elke afvalbak; hij leek tuk op bezems, moppen en borstels. In Sitges
inspecteerden een moeder en zoontje tegenover een verbluffend breed gesorteerde
supermarkt de vuilcontainers. Na een kreet zijnerzijds sprong het jongetje er
net niet helemaal in (mama hield zijn benen vast).
Een paar dagen eerder,
in een supermarkt van dezelfde keten, te Lleida, oogde ‘gaspacho’ plots krijgshaftiger
in het kostuum van ‘gaspatxo’.
Uiteindelijk hadden we
bijna bij het begin kunnen weten Aragon achter ons te hebben gelaten. Op de
huizen van elk dorp of iedere stad de menigvuldige vlaggen met het opschrift si.
2.
De camping van Sitges was
hyperverzorgd. Terrasjes en stoepjes werden meerdere malen per dag aangeveegd,
sanitair gepoetst: ‘Si us plau, ajudeu-nos a mantenir netes les nostres
instal.lations’. Op die inwendige punt na leek Catalaans wel Frans.
Doordat de camping zo
overgeorganiseerd was, waren we des te meer verbaasd dat er nergens een overkapping
of picknickbank te ontwaren viel. Een zachte manier om kampeerders zonder tafel
of stoel in de richting van het restaurant te manen? Het bleef regenen en we
hadden al eten gekocht, bederfelijke waar.
De wegkapitein
ontdekte op het terrein een onverhuurde ‘bungalow’, op
de overdekte voorplaats waarvan een plastic tafeltje stond. Daarop bereidden we
ons avondmaal. De gourmande keek van buitenaf toe, omdat ze zich ongemakkelijk voelde wegens
geen recht op de gelegenheidsruimte en de steeds dreigende mogelijkheid dat de
huurders kwamen. We begonnen te eten, gezeten op een vlondervloer.
In de motregen bleef de
gourmande, lepelend van het bordje in haar handen. Ze schaamde zich zo
zichtbaar dat het besmettelijk werd. Voor het eerst sinds onheuglijke tijden
voelde ik een zinnetje: ‘Wat zullen de mensen wel niet denken’. En hoewel ik weiger
te sneven onder de veronderstelde blik van de ander, moet ik erkennen dat al
tijdens het koken mijn bewegingen zich hadden verhaast en dat we nu sneller aten
dan gewoonlijk.
Terwijl de gourmande
koppig onoverdekt doorat, groeide onze genegenheid voor haar even exponentieel als
haar schaamte voor ons. We besloten ons dessert in de tent op te eten.
Weinig later kwam ik
in de afwasruimte. Door een wit behuifde poetsvrouw werd ik vriendelijk begroet,
wat zij en haar collega’s ’s ochtends eveneens hadden gedaan bij hun betreden
van de toilet- en doucheruimte. Het was dat ze bezems en emmers bij zich
droegen, hun hele voorkomen deed me veeleer denken aan dat van verpleegsters.
Maar wat zie ik
precies? Als witte man bijvoorbeeld, zoals Nadia
Fadil wil aantonen met een foto van Miroslava Duma:
Zie ik werkelijk,
zoals Fadil stelt, eerst wit dan zwart – en daarmee mijn eigen bevoorrechte positie
of zelfs superioriteit? Bedrieg ik mezelf of een verhoopte lezer als ik geloof dat
ik, in elk geval bij dit voorbeeld, beide non-kleuren tegelijk waarneem?
3.
De e-reader bracht me
twee geweldige Nederlandse boeken, waarin Curaçao een mentaal decor vormt. Beide
verschenen in de jaren zeventig, zijn ze zoals dat heet brandend actueel, in hun
demonstratie van verschillende maten van rechthebbendheid. Ze schreeuwen om een houding
en om oordelen die waarlijk onafhankelijk zijn. Bovendien wekken de boeken de
indruk uit de losse pols te zijn geschreven, zonder schema’s en
intertextualiteit. Maar waarom wil ik zoiets naïefs meedelen (achterop mijn
notitieblokje staat ‘contains recycled content and is recyclable’)?
Frank Martinus Arion
vertelt in Afscheid van de koningin (1975)
zijn verhaal grotendeels met dialogen. Vertellersteksten en personagegedachten
bevatten veel minder ‘ideologie’ dan de directe rede. In die technische bijslijping
zijn achtergrondartikelen verwerkt, wat tamelijk naturel kan omdat de
hoofdpersoon een geëngageerd journalist is.
Zo kan er uitgebreid
kritisch commentaar komen op de achtergestelde positie van en onwetendheid over
Afrika, op standbeelden voor koloniale helden als Coen,… Blanken blijken zich amper
bewust van beperkingen terwijl zij ze etaleren.
Afscheid van de koningin doet aan identiteitspolitiek
zonder de witte pedanterie van tegenwoordig. Het boek blijkt slecht
ontvangen, voelde juist te weinig aan als roman en veeleer als
pamflet.
Regelrechte antipathie
wasemde Kees Fens, onder de heeresmaïaanse titel ‘Tante Nel gaat in ontwikkelingshulp’ die, vrees ik, meer
zegt over de politieke inzichten van de recensent dan over zijn dan al
voltrokken afscheid van de autonomistische literatuurbenadering. Ik moet denken
aan een recent bericht over een beer
die door zijn dierentuin was meegenomen op een trip. Zou er in dit geheel van actoren (dier-bewakers-passanten) zich iemand
helemaal vrij hebben gewaand?
De Curaçaose auteur Frank
Martinus Arion is helaas louter bekend van zijn grootse debuutroman Dubbelspel, en bleef in de toch wat koloniale
Nederlandse canon ‘allochtoon’, hooguit iemand die je niet echt kunt weigeren.
Zoals Afscheid van de koningin zegt
van een oer-Hollands nevenpersonage: ‘Aangetrouwde familieleden kunnen bij
ingrijpende gebeurtenissen of de hoofdrol spelen, of ineens weer de vreemdeling
worden, die ze eigenlijk zijn’.
Het andere boek dat
mijn bewondering wekte was De dagen van Olim
(1971) door Miep Diekmann. Zij staat geregistreerd als jeugdauteur, met
ongenuanceerd linkse opvattingen die volgens die catalogisten horen bij die
tijd.
Door hedendaagse ogen
gaat De dagen van Olim over MeToo, en
dan nog in de etnische variant. Een Curaçaose bediende die blijkt aangerand
door een Nederlandse militair lacht, ‘de gemakkelijkste manier als je bruin was
om de mensen niet kwaad te maken en toch niks te hoeven zeggen.’ Zelfs
solidariteit door taal is lastig, scholieren die op school Papiamentu spreken
krijgen straf.
Ook Diekmann heeft
slecht nieuws voor makamba’s, maar
anders dan Arion was ze wit en sneed haar boodschap in eigen vlees. Mij bevalt
het verder dat zij, geboren in 1925, sympathiseert met de protestgeneratie.
De dagen van Olim heeft eveneens een
technisch aardigheidje, in het middenstuk. Het eerste deel is een jeugdroman,
vooruitstrevend voor zijn tijd wegens expliciet seksuele onderwerpen. Dan komt
het middenstuk dat documentair is, uit het archief van Diekmann. Het stelt met
terugwerkende kracht de
hoofdpersoon Josje van de jeugdroman laconiek gelijk aan de auteur.
Het derde en laatste
deel toont de auteur in de tegenwoordige tijd die, weergekeerd naar Curaçao,
politiek en relaties evalueert. Het maakt van het boek definitief een werk voor
volwassenen. Ben ik nu echt zo kinderachtig die correctie te willen plegen? Bij
de jaren zeventig horen voor mij de reeks Het
aanzien van, en ik weet bijna zeker dat precies in een deel over dit
decennium een geïllustreerd stukje staat over een Japanse soldaat, aangetroffen
in een oerwoud. Hij wist niet dat de oorlog al zo’n kwarteeuw voorbij was.
dinsdag 1 mei 2018
Grommende
1.
Reizen veroorzaakt bij de informatiejunk in mij een cold
turkey. Als smartphoneloos persoon ben ik plots verstoken van nieuws. Dat blijkt
telkens te wennen en richt waarschijnlijk koketterie aan. Ten tijde van Nine Eleven waren we in Toscane en zagen
pas ’s avonds, zappend op een hotelkamer, dat aan Amerika de oorlog verklaard
was. En sorry, de steeds herhaalde beelden van de omvallende WTC-torens stemden
ons in het geboorteland van Marinetti vooral lyrisch.
Toscane drong zich vandaag aan ons op, toen we het marktplein
van Almazán opfietsten. Het heeft ongeveer de vorm van een schelp en is
enigszins komvormig – hallo daar, Siena!
Ergens knaagt het natuurlijk aan mijn geweten dat de
belangrijkste en onbelangrijkste actuele gebeurtenissen aan me voorbijgaan.
Maatschappelijke onwetendheid past niet bij mijn ideaalbeeld van burgers. Maar
reizen doet kennelijk een beroep op andere faculteiten. Die van een
heremitische verleiding?
Op mijn e-reader consumeer ik nog schrijftaal,
geïnstitutionaliseerde zelfs omdat er vooral historische literatuur en essays
op staan. Maar, passanten en winkelpersoneel uitgezonderd, de gesproken taal
richt zich alvast tot het beperkte aantal betrokkenen dat mijn gezinnetje is.
Uitdrukkingen, zinswendingen, onafgemaakte anekdotes: aan het notoire halve
woord hebben we, zeker onderweg op de fiets, al bijna genoeg.
In het bergdorpje El Real de San Vincente, doorsneden
door plakken cement en waar werkelijk geen straat horizontaal loopt, zagen we een
jongen passeren op het meest passende vervoermiddel ter plekke: een paard, wit
ook nog. Wel had hij de teugels in één hand, omdat hij met de andere hand aan
het telefoneren was.
2.
Nieuws dringt af en toe alsnog door, wanneer er WiFi is,
het thuisfront is geïnformeerd en de koers van de dag wat energie heeft
overgelaten. Op zulke kwartiertjes surf ik in de rondte en dan kan ik blijven
hangen bij een artikel. Zo schreef Geert Buelens in De Groene Amsterdammer van 18 april, uit actualiteitsperspectief vermoedelijk
een eeuwigheid geleden, over Daniel
Cohn-Bendit, bijgenaamd Rode Dany.
Buelens beschikt over een fantastische eruditie en een dito
vermogen complexe zaken helder uit te leggen. Hij volgt de actualiteit in alle
internationale media denkbaar. Altijd heeft hij net een commentaartje in pakweg
de Seattle Chronicle meer gelezen dat
zijn informatie breder en neutraler laat ogen. Ditmaal schildert hij
Cohn-Bendit vanuit de meimaand van 1968, die deze Fransduitser als
studentenleider wereldberoemd zou maken.
Belangrijk vind ik Buelens’ aparte vermelding van onderzoek,
waarvan de conclusie luidt dat linkse babyboomers betrekkelijk trouw aan
zichzelf en hun idealen zijn gebleven. Dit vormt een tegenwicht voor helaas ook
door hem vermelde clichés: arbeiders die de theorie van studenten in de
praktijk brachten, activisten later die een maatpak gingen dragen,… Zeker op
internet heerst de topos dat idealisten hypocrieten zijn (linkse praatjes,
rechtse daden). Buelens zet Cohn-Bendit uiteindelijk neer als een mediamanipulator,
zonder dat hij hem veroordeelt. Constante in de optredens van de
studentenleider van weleer blijkt ‘realiteitszin’, die Rode Dany er zelfs toe
noopt een pact te sluiten met de neoliberale paling Macron, om Marine Le Pen
buiten de deur te houden.
Uit het artikel komt Cohn-Bendit te voorschijn als een pragmaticus.
Ik kan niet beoordelen of dat klopt op basis van mijn lectuur van het oeuvre,
die fragmentarisch is. Wel heb ik het pamflet Voor Europa (2012) bestudeerd en besproken. Cohn-Bendit bracht het
op de markt met Guy Verhofstadt. Daaruit kreeg ik het beeld van een idioot die
niet zozeer gevaarlijk is wegens zijn voorkeuren, die sympathiek zijn, als wel
wegens zijn sloganeske dedain voor andersdenkenden. Ook leek me dat zijn macht zo
gestaag is opgebouwd dat pijnlijk misplaatste uithalen naar als groep
gespecificeerde onbekenden niet eens meer weersproken worden.
Wat beweert Le Pen los van haar reputatie echter precies,
waar gaat ze over de schreef en op welke punten, die kennelijk een breed
publiek aanspreken, mogen we leren? Voor mij is het verschil tussen pragmatisch
en opportunistisch niet steeds duidelijk, terwijl men om laatstgenoemd label op
te spelden smetteloos moet zijn. Toch betreur ik het dat Buelens’ tekst kadert
in een tijdschriftdossier over mei 68, precies vijftig jaar na dato, zij het
vervroegd om collega-media voor te zijn. Het helpt niet dat hij opent met een
verwijzing naar die ‘commemoritis’. Bovendien publiceerde Buelens – het staat
keurig onder het artikel uitgeduid – net een eigen boek over de jaren zestig. Ik
zie er enorm naar uit het te lezen, maar de voorspelbaarheid dat het deelt in
de halve-eeuwhausse...
In de korte tijd tussen verschijning van Buelens’ studie en
het begin van onze Europa-reis kwamen me vier interviews onder ogen waarin hij steeds
hetzelfde zei. Ook over zijn eigen jeugd in ‘de jaren tachtig’, die hij verpakte
in gemeenplaatsen. Het ergste vind ik echter de parallellen en contrasten met
het heden, waarvan Buelens ook in De
Groene staaltjes geeft, zoals de bestorming van woonvertrekken van
studentes en het Me-Too-debat.
Grondig heeft Buelens een historisch tijdvak bestudeerd en
doet vervolgens mee aan debatten waarover het licht van het heden moet schijnen.
Zelfs vermeende overeenkomsten tussen mei 68’ers met IS-strijders zitten in het
pakket. Dit bevredigt het narcisme van de actualiteit, waarvan kennelijk
iedereen haar diepste kern ontbloot wil zien. Zo voegt Buelens zich naar de
cultuurindustrie.
Het deed me denken aan wat ik op mijn e-reader bij Paul Rodenko had herlezen over een
‘verbeten levenshouding’ bij Nes Tergast. Deze dichter liet zich niet van zijn
stuk brengen en putte steeds op het gepaste moment uit de geëigende poëtische
middelen. Dat zou Tergast volgens Rodenko in het gezelschap van Nijhoff brengen:
misschien experimenteel naar uiterlijk, niet naar ingesteldheid.
3.
Wat weet de blik van de ander? Afwisselend voor de brandende zon en
stortregens schuilden we onder het afdak van een soort crèche op onze camping.
We hadden een picknickkleed uitgevouwen, er waren dranken, brood, e-readers, kleurpotloden,
zonnepanelen. Plots kwamen allerlei ouders met kroost langs, alle kinderen
keken ons aan en niemand van de ouderen keurde ons een blik waardig. Ze gingen
de crèche binnen, daar openden zich de bovenramen, harde beats schalden over ons
negorijtje.
Natuurlijk is een camping evengoed een bedrijf dat zijn eigen ruimtes
voor derden exploiteert, bijvoorbeeld voor evenementen als een kinderfeestje,
inclusief animatoren. Van de ouders veranderden naar mijn indruk de blikken
zodra die ons alsnog betroffen. Ze werden vermanend. Omdat we ons zo dicht bij
hun nageslacht ophielden? Hielden ze ons voor vluchtelingen? Onderwijl
verveelden ze zich drie uur boven hun smartphones.
We wilden hen niet langer storen (of onszelf storen met onze
projecties). En ach, we moesten toch gaan eten. Dus verplaatsen we onze have naar
de rand van een aangrenzend plein, waar ik alvast de groente sneed – en waar even
later de animatoren dansten, met achter hen weer de meute. Oranje pionnen
werden over het plein neergezet en binnen een mum van tijd raasde het bij ons
tafeltje van beweging. We zaten net te eten toen het feestje werd beëindigd. De
kindjes cirkelden rond ons tafeltje. Honger konden ze onmogelijk hebben, gelet
op de grote puntzakken snoep die ze droegen. Of hun ouders voor hen, terwijl ze
naar de uitgang slenterden.
De camping lag ongeveer tien kilometer van Escorial. We
waren er naartoe gegidst door een man die ons bij een benzinetank had zien
vragen naar de weg (en de amateurdoping cola kopen). Hij had ons toegeroepen
dat we een momento moesten wachten en holde weg. Even later was hij terug onder
een zwart petje, met een racefiets waarvan hij de banden nog even oppompte. De
route voerde langs meerdere snelwegen en rotondes, niet simpel uit te leggen.
Tot we louter nog rechtdoor hoefden en de man zwaaide en beweerde dat we als
gezin ‘incredible’ waren en hij maakte een foto van ons terwijl we op ons
tandvlees wegreden.
Een uur tevoren had ik staan uitdruipen over mijn stuur
na een zonovergoten beklimming bij het fameuze klooster El Escorial. Twintig
meter voor me reed een hummer achteruit de heuvel af in mijn richting. Hij zou
toch wel stoppen? Ja toch? Eh? Ik schreeuwde en moest uit alle macht mijn fiets
onder me vandaan trekken. Het karretje stopte en wachtte. Toen ik passeerde, riep
de bestuurder iets naar me, ik weet niet of hij zich verontschuldigde of dat
hij mij uitschold.
Even
verderop, wachtend op verlossende signalen van de gps of van der wegkapiteins
smartphone,
zag ik dat er zich steeds meer auto’s op de steile helling verzamelden, de
motor stationair. Toen doken er allerlei kinderen in schoolkostuum op; in een
kaarsrechte lijn stapte een jongetje bij de hummer in en hij zoefde weg.
woensdag 18 april 2018
Jemig
1.
Volkomen verloren gereden door de hyperadequate fiets-gps vroeg
ik, aan de voet van Medina-Sidonia, in mijn beste gebarentaal aan de ober van
een wegrestaurant waar de camping lag. Eerste rotonde rechts, tweede rotonde
links, begreep ik. Maar hij bleef praten, met meer armbewegingen, waarop mijn
verwaande middelbareschoollatijn zo mogelijk nog minder vat kreeg.
Dat zijn antwoord op mijn vraag een dubbelspoor kende, daagde mij
pas echt toen we die eerste rotonde hadden bereikt. Er was een klim van
minstens vijftienhonderd meter aan voorafgegaan, met klassieke haarspeldbochten
die telkens de hoop lieten vervliegen. Ons bepakt gezin haalde een snelheid van
drie tot vijf kilometer per uur. Geregeld moesten we afstappen.
De ober had bij zijn antwoord dus een kritische repliek gevoegd:
waarom in hemelsnaam met de fiets naar de camping?
Dat kruisverkeer in de communicatie, bedacht ik later in vlakker
landschap, is voor mij poëzie. Gedichten lezen is niet alleen interpreteren,
maar zeker ook: op de proppen komen met een tegenoffensief.
Het is nodig. Mij heeft het altijd gehinderd, afhankelijk te zijn
van een taalgevoel dat zich tot mijn privéradar beperkt. Luisteren en lezen
heft dat tekort maar gedeeltelijk op. Luceberts
regels ‘maar mij het is blijkbaar is wanhopig / zo
woordenloos geboren slechts / in een stem te sterven’
worden volgens mij pas grafschriftwaardig wanneer ‘een’ als ‘één’ wordt
begrepen.
Wat een opluchting dat lezers te hulp kunnen schieten. Als het
goed is, bieden dichters bij hun stellingen voldoende ruimte om de opties van
alternatief door derden te wegen.
2.
Ik las op de e-reader Jemig
de pemig! van Ewoud Sanders, over de taalvernieuwing die Koot en Bie in het
Nederlands gebracht hebben. Van dit onderwerp, met name Jacobse en Van Es,
dacht ik uit mijn hoofd wat te weten, maar indertijd blijkt een kranslegging
bij monumenten van De Ruyter, De Witt en Van Oldenbarneveldt wegens hun
ondernemerschap, als collega-vrijejongens, me te zijn ontgaan.
De meest gebruikte frase in Jemig
de pemig! is ‘zoals al gezegd’ en demonstreert haar eigen redundantie.
Sanders betoont zich een brave studax. Onbedoeld schept hij een minder
florissant beeld van de heren Koot en Bie, in elk geval over mijn punt van
ruimte voor een alternatief. Wanneer zij eens tegenwind kregen, schoten ze in
de verdediging.
Met name Van Kooten stelt teleur in een afwerende reflex op
christelijk protest tegen het liedje ‘Stoned als een garnaal’,
of bij extreemrechtse sympathieën voor het politieke programma van Jacobse en
Van Es. Alsof alles wat onwelgevallig is aan de wereld principieel op afstand
moest blijven. Hij bestreed nota bene minderheidsstandpunten; de opinie van
Koot conformeerde zich aan verwachte visies.
Die onverwachte hautainiteit van een innemende persoonlijkheid
deed me denken aan Remco Campert, als Vijftiger nog zo’n prototypische
vernieuwer. De vroege bundel Dit gebeurde
overal is me dierbaar, maar ik vrees dat het ‘gemompel van bedelaars’ dat
Campert daar restloos afwijst ten gunste van zijn swingende wereld behoort tot
een even onontkoombare werkelijkheid als die Van Kooten niet verdraagt.
Die persoonlijkheid moet juist los van de wereld zelfs
authenticiteit garanderen. Een geruchtmakend vroeg gedicht van Campert bewijst
het:
Alles zoop en naaide
heel Europa was één groot matras
en de hemel het plafond
van een derderangshotel.
En ik bedeesde jongeling
moest nodig
de reine berk bezingen
en zijn bescheiden bladerpracht.
Merk op dat de dichter hier van zichzelf een publiekspresentatie
maakt, met een gevoel voor welke relativering wordt gewaardeerd.
Of is het flauw de ontwikkeling van Campert buiten beschouwing te
laten? De vraag is misschien of hij zich ontwikkeld heeft? Is ‘het café’ niet
altijd de habitat gebleven? Betaamt het daarom om burgers met milde maar
besliste spot uit die habitat te weren? Samen met selecte soortgenoten voor ons
eigen?
Ik weet niet of het aan ‘de poëziekritiek’ of aan de
voorleesvriendelijkheid ligt dat Camperts bekende
lange gedicht ‘Lamento’ zo’n grote reputatie heeft, maar voor mij is het
een overschatte tekst die met knipogen naar Van Ostaijens klassieke
‘Melopee’ zijn pretentie blootlegt. Campert toont hier hooguit dat van de
Vijftigers Lucebert wél een muziekdichter was. ‘Lamento’ verandert de
stijlfiguur van de ellips in een kant-en-klaar-saus uit de supermarkt. Het is
een als spiritual verkleed hoempawijsje en duldt geen tegengeluid. Welkom is
alleen sentiment, dat de verschijningsvorm heeft van verfijnde aarzeling.
Samen met onder meer Van Kooten is Campert vereeuwigd in
lolligheid op een foto bij een bezoek aan Hugo Claus, aan wiens talent ook zij
zich warmden. Diens misschien wel beroemdste vriend Guy Verhofstadt is onlangs
gekenschetst als liberale vernieuwer. Hoe moet ik dat plaatsen? Deze
politicus lijkt in vergelijking tot de andere twee een absolutist, zo fervent
hij alleen al Europa als zijn project voorstelt.
Alle drie hebben een radar voor de gevoeligheden en verlangens van
de tijdgeest en vertolken wat een gesettelde groep mensen graag hoort om het gevoel
te krijgen kritisch en smaakrijk te zijn. De term salonpopulisme is al gereserveerd voor een ander fenomeen. Elitebehagen dan, of anti-intellectueel intellectualisme? Hoe
dan ook is bij Verhofstadt voor een tegenoffensief geen plaats.
3.
Toen we, mede gegidst door een papieren kaart, in Mérida
aankwamen, belandden we in een optocht met vlaggen. Felle slogans stegen op uit
kelen die goed leken gesmeerd. Die avond begrepen we uit journaalbeelden dat er
in heel Spanje werd geprotesteerd voor waardiger pensioenen.
Hoe zou de oude dag zijn van Verhofstadt, Van Kooten en Campert?
Over de eerste hoeft niemand zich zorgen te maken; als Europapoliticus is zijn
kostje gekocht. De twee anderen hebben gewerkt in decennia dat de banen en
opdrachten voor het oprapen lagen, in een culturele sector waar de overheid
graag bijsprong, in een boekenmarkt die een hoogconjunctuur kende.
De journaalbeelden zagen we in een prachtig, net en goedkoop
hotel, met baliemedewerkers die reuzevriendelijk waren en opvielen door hun
beheersing van de Engelse taal. Volgens ons, want wat zegt dat over wie, waren
het hoogopgeleiden. Later bezochten we een weergaloos klooster in Guadalupe dat
op de Werelderfgoedlijst staat, en de rondleiding was exclusief in het Spaans
en werd afgesloten door een monnik zonder enige gelaatsuitdrukking die zijn
uitleg afsloot met een minutenlang gebed, zijn rug naar de bezoekers toe.
Met mijn gezin sta ik aan het begin van een fietstocht langs de
randen van Europa. Wat betekent dat cruciale project nu precies? En wat houdt
dat in voor het schijnbaar tegenovergestelde, de natiestaat die
voorbijgestreefd heet te zijn?
Daar hopen we een klein halfjaar het een en ander, hopelijk niet
te folkloristisch, bij te beleven. Ik durf te zeggen dat we redelijk ervaren
fietsers zijn internationaal. En dus ook heel wat mensen in allerlei
windstreken meegemaakt hebben. En vandaaruit kunnen beweren dat fietsers bij
route- of materiaalproblemen tot nog toe louter in België letterlijk de rug wordt
toegekeerd.
Uiteraard geven veralgemeniseringen geen pas. Toch staat het nog
op ons netvlies gebrand dat we door Hongarije fietsten in het jaar dat deze
natie een nieuwe lidstaat van de EU werd. Om elf uur ’s morgens bereikten we
een dorpje, waar we het café aandeden. Het zat vol, met uitsluitend mannen die
uitsluitend bier dronken. We vroegen om koffie, uit een kast werd een koffiezetapparaat
getrokken, de stekker ging in het stopcontact – en alle stroom viel uit.
Momenteel bevinden we ons, voor zover de plaatsnamen Medina-Sidonia
en Merida al geen licht hadden doen opgaan, in Spanje. Zo bar als het weer is,
zo warm is de ontvangst.
Tegenstellingen frapperen. Een enkel voorbeeld: we stoppen om
middagbrood te smeren op een speelpleintje. Er staan fitnesstoestellen (voor
het hoge percentage rokers?). Onze kinderen worden meteen benaderd door andere
kinderen die, net als wij gehuld in kleren van de Decathlon, zijn gewapend met smartphones.
Men verstaat elkaar niet, maar Google Translate en een spraakprocessor leggen
eigen contacten. Ondertussen zitten alle ouderen, onder wie de wegkapitein
en ik, op witte muurtjes bij het pleintje. Maar als de autochtonen opstaan,
nemen ze ieder voor zich een stuk dubbelgevouwen karton mee, dat ze al die tijd
onder zich hadden liggen.
Constant blijft de gewaarwording dat we stinkend rijk kunnen
worden, als we onze kleine karavaan kunnen verzilveren: 1 tandem met de mama en
de gourmande,
1 fiets met het taalkundig
genie, 1 fiets met de honingpottist. Al was het maar 1 euro per (verbaasde,
meewarige, enthousiaste, geïrriteerde, vertederde) blik: zouden we dan echte
ondernemers zijn, die werken aan een eigen pensioen? Een omgekeerd toerisme
komt naar je toe deze zomer.
maandag 2 april 2018
Het moment suprème
Begrijp ik dat
miljarden mensen zitten te zweten, nu een bedrijf met de door en door
betrouwbare naam Cambridge Analytica (niet te verwarren met het Oxford
Haarinstituut) iets heeft uitgespookt met privégegevens? Zou het de eerste en
enige speler op de markt zijn die interesse heeft in onze opvattingen – en in
consumptiepatronen?
Wij mensen, onschuldige
bloedjes, hebben op Facebook nota bene het beste van onszelf gegeven, tot en
met de overbodigste vakantiefoto. Kennelijk is de profileringsdrang nog even
groot als toen kolonialen zich met geweer en tropenhelm lieten portretteren
boven een gedood zeldzaam wild dier, één been losjes op de gevulde pels.
Ik las tijdens
deze zoveelste onthulling over Facebooks alomtegenwoordigheid toevallig de
studie Het
geheim van de laatste staat door Paul Frissen uit
2016. Hij zou heden onmiddellijk de zijde van de slachtoffers kiezen want kant
zich tegen algehele transparantie. Om goede redenen, zeker in een maatschappij
waarbij digitaal zoveel ongrijpbaars voorvalt. Toch ergerde Frissen me, doordat
hij transparantie steevast verbindt met utopieën, die per
definitie verwerpelijk zouden zijn want totalitair.
Wat een
populisme! Ook het dreigen met de gevolgen van technologie is natuurlijk vruchtbaar,
zeker wanneer Frissen er een term voor leent die schitterend is: ‘hersenvredebreuk’.
Maar hij betoont zich net iets te volgzaam aan Dave Eggers’ romanpamflet The Circle, en berispt me net iets te eenvoudig activisten
als Edward Snowden en Julian Assange die juist het gebrek aan transparantie
aanklaagden, en ook de democratische besluitvorming wilden verbeteren.
Bij de liberaal
in Frissen staat individuele vrijheid voorop, en heet kritiek uit gemeenschapsmotieven
paternalistisch.
Toch stemde zijn studie
me uiteindelijk redelijk mild wegens haar sterkste deel tegen het einde, dat met
‘Kleine antropologie van het geheim’ een wat wufte titel draagt. Dit hoofdstuk
bevat interviews met medewerkers van geheime diensten. Omdat ze alleen anoniem mogen
spreken, maken ze een komische indruk, die versterkt wordt doordat Frissen hun beweringen
tussen aanhalingstekens in zijn redenaties monteert.
Op die manier
wordt een bewering over de betrekkelijkheid van slimme analisten weergaloos:
‘als het erop aankomt, zijn het toch de mensen in de operaties die “op het
moment suprème de hete kooltjes uit het vuur halen”, helden die met “gevaar
voor eigen leven” het werk doen.’
Het heeft wel iets van
een subtiele onthulling dat deze medewerker licht op bezigheden gunt door het
circonflex-dakje boven suprême te halveren, maar bovenal charmeert de
aanschouwelijkheid van het citaat over de hete kooltjes. Er wordt aldus vuur
uit vuur gehaald, terwijl de getuige natuurlijk de spreekwoordelijke kastanjes bedoelde. Op hete kolen kun je in zegswijzenland louter zitten, wanneer je
geduld danig op de proef wordt gesteld. Bij veiligheidsdiensten kan men nu
eenmaal nooit zijn cool verliezen.
Misschien inderdaad maar
goed dat zoiets in het duister gebeurt, voor de personen in kwestie dan. De
burger heeft echter niet helemaal dezelfde belangen. Precies op dat snijvlak
tussen privaat en algemeen leverde de gevallen prins Laurent recent een open
brief, waarin hij zijn versie bracht over een niet-aangekondigd optreden in militaire kledij.
Hij beklaagde zich over
zijn lot van beroemde edelman. Nu krijgt zoiets, zeker in België, sneller het
odium van Calimero dan van Don Quichotte, maar Laurent deed iets groots. Hij
onderkende, zoals vermoedelijk
louter een prins kan, een heel leven lang te
worden ‘geïnstrumentaliseerd’.
Kijk, wanneer witte academici hun
engagement uitdrukken in verwante termen als ‘objectiveren’ en ‘dekoloniseren’ heeft dat iets potsierlijks. Maar een
Laurent die daar met ‘instrumentaliseren’ moeiteloos aan meedoet…?
Die witte academici bevestigen
met hun patois louter het systeem. Een kwestieus
begrip, uiteraard, maar in de protestjaren, toen het meer in de mond
genomen werd, legde Václav
Havel uit wat het inhield: ‘Wat
wij onder het systeem verstaan is geen maatschappelijk orde die door de ene
groep wordt opgelegd aan een andere, maar eerder iets waarvan de gehele
maatschappij is doortrokken, en een factor die daarvan vorm geeft, iets dat onmogelijk
is te begrijpen of is te definiëren kan lijken (want het is eigenlijk alleen
maar een principe), maar dat door de gehele maatschappij tot uitdrukking wordt
gebracht als belangrijk kenmerk van het leven.’
En Havel ondervond wat
het systeem ter plekke inhield, net als Laurent nu. Een belangrijk verschil,
denk ik, met spreken van buitenaf. Van witte academici die kritisch willen
zijn, wordt verondersteld dat ze woorden als ‘objectiveren’ en ‘dekolonaliseren’
bezigen!
Wie is immers onderwerp
en wie lijdend voorwerp?
Ik zou dat verder moeten
uitleggen, ware het niet dat ik in een staat van ontkenning verkeer. Mijn directe
omgeving is namelijk in de ban geraakt van The Sound of Music, een film die ik altijd ontlopen heb uit veronderstelde
zeemzoetigheid. Nu word ik tot aan tafel geconfronteerd met liedjes die zo’n
grote vanzelfsprekendheid hebben (‘Edelweiss’) dat ze uitmonden in een
huzarenstuk (‘Do-re-mi’).
Bij voorgerecht,
hoofdschot en dessert.
Hors concours blijft
‘My Favorite Things’ dat, biechtte ik al eens op, voor wijlen mijn poëzie van enig belang
geweest is. Bij die biecht pleegde ik wel geschiedvervalsing, omdat mij eerst
leek dat de invloed van elders kwam. Namelijk in de uiterste grenzen die bij
dat liedje de improvisator opzoekt op een basaal wijsje.
Veel zinnen om
te bekennen dat ik het liedje toeschreef aan John Coltrane. Een instrumentaaltje, luidde mijn overtuiging. Bij de
presentatie van mijn debuutbundel kwam het ter sprake, en werd er vanuit de zaal
terecht opgemerkt dat het uit The Sound
of Music was, met tekst. Daar wilde ik niet aan, maar zocht het thuis
zekerheidshalve na.
Verrek.
Hoewel.
Na kennisname van
de woorden had ik alsnog een alibi om het invloedsvermoeden te handhaven. Wat Hammerstein voor Rodgers aan heterogene elementen bij elkaar had
verzameld, kende louter het verband van het momentane. Een ervaring die zo
gelukkig kan stemmen dat ze geheimzinnig wordt.
En van ‘Do-re-mi ‘
blijken versies in allerlei talen te bestaan. Zodat de gourmande
en het taalkundig
genie me op lyrische wijze deelgenoot hebben gemaakt van het feit dat sol
Spaans is voor de zon.
Abonneren op:
Posts (Atom)
