zondag 8 mei 2016

Nina’s


Als eerste wereldstad heeft Londen een moslimburgemeester. Nieuws dat klinkt als een heuse paradigmawisseling. Valt het te vertalen naar mijn branche?

Een lofzang op het essay sprak op zodanige wijze over een laaglands romandebuut, dat ik het, mijns ondanks, wilde lezen. De bibliotheek bood uitkomst. Na enige tientallen pagina’s snapte ik werkelijk niet wat het essay trachtte te beweren, en sloeg het erop na. Aha. De romanauteur heette dan wel Nina, maar dit bleek een andere.

En zo kwam ik alsnog bij De consequenties van Nina Weijers. Wat een knap boek! De macho in de lezer die ik ben, vond de toon wel wat ouwelijk tegenover de jeugdige leeftijd die deze auteur volgens de achterflap had. Weijers zette ook nadrukkelijk een verteller in, die veel wereldwijsheid debiteerde (mede over zoiets complex als kunstkritiek).

Een rijpe of gerijpte tekst? Anders dan of juist in het verlengde van overwegend introspectief Nederlandse proza? Onderzoekers van een databank weten beter wat de gemiddelden zijn bij man-vrouwverhoudingen en beroepsempathie; daarbij mag misschien verdisconteerd dat experimentele teksten niet mikken op identificatie.

De consequenties deed me denken aan de paar boeken die me van Milan Kundera bekend zijn. Daar moeten lezers verdragen dat de verteller het beter weet en de plot in soms curieuze richtingen stuurt. Destijds had ik er geen problemen mee, en stond versteld van de negatieve kritiek die Vogelaar erop formuleerde.

Dat ik inmiddels meer begrip heb voor Vogelaars standpunt, komt misschien door het andere Nina-debuut. Na De consequenties heb ik de lectuur hervat van We zullen niet te pletter slaan, door Nina Polak. Dit vond ik een groots boek. Polak vertelt vanuit elk personage afzonderlijk, en kan niet uit de voeten met systematiek.

We zullen niet te pletter slaan brengt de taal tot leven. Met metaforen, neologismen (‘thuisheid’), maar ook met muzikale middelen als tempo en ritme. Het boek valt per alinea te genieten, zij het niet snobistisch, maar als uit zichzelf brekende kunst. Op een of andere manier zit er een generatieroman in, temeer daar Polak niet mikt op representatieve objecten.

Weijers kan een smalle uitsparing in een wegdek én in een lichaam binnen een halve pagina een ‘geul’ noemen. Bij Polaks gulzige beschrijvingen lijkt me dat ondenkbaar, wegens de veelkantigheid van ervaringen. De consequenties onderwerpt die dan weer aan analyse, zodat ‘geul’ daar zeker volstaat.

In We zullen niet te pletter slaan wordt het apollinische gedomineerd door het dionysische. Ik besef door de ongeplande vergelijkende lezing dat van dat laatste Nederlandstalige literatuur wel wat kan gebruiken.

Ik moest denken aan nog een essay, ‘Onze cultuur wurgt ons’. Daarin wijst Gerrit Komrij op de schaduwzijden van al dan niet zelffeliciterend kunstgenot. Bijvoorbeeld dat Goebbels die voor het Derde Rijk op cultuur wilde schieten, een westerse traditie hooghield. Uitdagend (in de voorbije betekenis) stelt Komrij dat wiegeliedje en antisemitisch pamflet uit dezelfde bron komen.

Helaas kan Komrij het aan het eind niet laten vrij baan te geven aan zijn schimpscheuten, door officiële beoordelingsorganen van kunst  een ‘bezoldigend bedisselapparaat’ te noemen. Toch is zijn conclusie de moeite van het overdenken waard. Er is smaak, zegt hij, en er is geluk bij afwezigheid daarvan.

Zo voedt We zullen niet te pletter slaan volgens mij De consequenties. Het is goed dat er Nina’s zijn. En je hoeft er de deur niet voor uit. Honkvast als Kant! Over hem is opgemerkt dat hij een dermate verwoed lezer van reisverslagen was, dat Britse gasten na zijn verhalen niet konden geloven dat hij nooit in Londen was geweest.

maandag 2 mei 2016

Tell the world (deel 2, peripetie)


De inkt van mijn vorige posting is als het ware amper droog, of het proces-Hermans wordt in herinnering geroepen! In de NRC stond een ‘onthulling’ dat achter de obscure anti-EU-roman Oneigentijds (2010) van een zekere Vossius niemand minder dan Pepijn van Houwelingen schuilging, medeorganisator van het anti-EU-referendum.

Voor zover ik het vanuit het verre België overzie, sprongen er verontwaardigerds en likkebaarders bovenop. Tot de eerste groep behoorde de complete, nochtans in de ik-vorm schrijvende, ‘redactie’ van de website OpinieZ die in literatuur als vorm van onderzoek ziet, en als voorbeeld dan met Willem Frederik Hermans komt. De redactie citeert uit diens verdediging voor de rechtbank:


‘Aangezien ik in de eerste plaats literator ben, meen ik de literatuur, die mijn levenswijze en levensmogelijkheid is, met alle middelen te moeten beschermen tegen iedere aanslag op haar ontplooiingsmogelijkheden, hoe ook de wetgeving van Nederland moge wezen en hoe ook deze wetten à la rigueur kunnen worden toegepast en uitgelegd. Dat zij door u dusdanig zullen worden toegepast dat er voor de vrijheid van meningsuiting geen voetbreed gronds meer overblijft, ik hoop niet zulks te moeten ondervinden.’


Is het toevallig dat dit het enige fragment uit die rede is dat op internet staat? Hier schakelt Hermans van een technische identificatiekwestie over naar een abstracter, maatschappelijker niveau: de vrijheid van meningsuiting. Gelukkig liet het Sociaal Cultureel Planbureau, de dagelijkse werkgever van Van Houwelingen, in een reactie op de scoop weten dat de onderzoeker kon voortgaan met zijn activisme – geen ebru-emarrerij.

De vraag blijft natuurlijk of het meningsuitingsargument ook plausibel is. Ofwel: kan een auteur in literatuur alles beweren?

Mensen die hier ‘ja’ op antwoorden, is door Van Houwelingen inmiddels een heel rijtje namen met illustere voorgangers gegeven. Daar staan behalve Hermans ook Reve, Céline en De Sade bij, van wie bij mijn weten De Sade martelaarsaura geniet wegens langdurig verblijf in de gevangenis.

Mensen die op de vraag of alles in literatuur gezegd mag worden ‘nee’ antwoorden, kunnen dat ironischerwijs doen op basis van het onderzoeksmotief. In een goed laboratorium heersen immers ethische standaarden.

Geëngageerde literatuur die eruit tevoorschijn komt, hoeft zelfs niet de meest toegankelijke te zijn. In de anthologie Vuur! van A.H.J. Dautzenberg, die een mooi overzicht geeft van twee eeuwen ‘bezieling en betrokkenheid in de Nederlandstalige letteren’, ontbreekt elke wereldverbeterende experimenteel van Vogelaar tot en met Van Bastelaere.

Verontwaardigerds over de scoop zien een gebrek aan manieren bij de NRC. De term ‘karaktermoord’ valt. Of zoals Van Houwelingen het uitdrukt: ‘Van Powned had ik dit misschien verwacht – niet van een “kwaliteitskrant”.’

Ik ben teleurgesteld in dat ‘misschien’ en eveneens in die aanhalingstekens. Maar ze zijn klein bier vergeleken bij OpinieZ die NRC zag terugslaan wegens bedreigingen van een D66-achtig ‘kosmopolitisme’ en bij ThePostOnline die twijfelde aan de verstandelijke vermogens van de hoofdredacteur onder wiens verantwoordelijkheid het artikel verscheen.

Van Houwelingen lijkt vooral ontluisterd door de fysieke handelwijze. Als ik het goed begrijp, stonden de journalisten voor zijn deur. Dat is inderdaad onnozel, en wordt mogelijk gestimuleerd door een andere recente auteurskwestie, die zelfs Teletekst haalde: ‘Wie is Hendrik Groen?’

Bij de Vossius-affaire zijn de belangen groter, gedacht vanuit gemeenschappen die tegenwoordig vanuit het concept natiestaat ter discussie staan. Maar die belangen interfereren hier tragisch met human interest.

Tegelijk dunkt me Van Houwelingens verdediging moeilijk te volgen door zijn grillige niveau van pretentie. Hij noemt Oneigentijds een ‘boekje’ dat hij ‘in een aantal vakantieweken’ maakte. Toch karakteriseert hij de betreffende 220 pagina’s in de zin erna als ‘een filosofisch-literaire dialoog-roman, in de traditie van De Maistre, Maurice Joly, Nietzsche, Gabriele d’Annunzio, Dante, Adorno en Foucault – met een vleugje Malaparte en Norbert Elias’.

Wat is Vossius nu? Een frietenbakker of een driesterrenkok?

Wel vind ik het prachtig dat van Houwelingen in zijn dialoogidee fictie beschouwt als een strijdtoneel van opvattingen, conform de agonistische overtuiging van Chantal Mouffe die politiek hoogstwaarschijnlijk aan de overzijde van het spectrum zal staan.

Ook mooi dat NRC voor een eerste ontrafeling van de romantekst een paginagroot podium biedt, naar aanleiding van een boek bij een weinig verbreide uitgever, in plaats van de reguliere, door de geringe omvang al samenvattende esthetische recensies van voorspelbare titels.

Des te spijtiger lijkt me dat Van Houwelingen een relaps beleeft door louter het technische argument in de strijd te gooien. Net als Hermans stelt hij het veiligheidsslot in werking dat opvattingen van personages niet samenvallen met die van de auteur.

Dat veiligheidsslot respecteert de complexiteit van literatuur. In de stelligheid waarmee elk verband tussen auteur en personage wordt opgezegd, raakt deze opvatting echter alsnog eendimensionaal – en tekent, als gezegd, het morele failliet van kunst.

Wat vervolgens mijn wantrouwen aanwakkert, is dat Van Houwelingen verder gaat. Om het verschil tussen auteur en personages te accentueren, blijkt hij altijd onder pseudoniem te publiceren. Waarna zijn conclusie: ‘Mijn schrijverschap staat volledig los van mijn eigen (al dan niet politieke) opvattingen.’

De toevoeging tussen haakjes maakt de auteur voor mij waarlijk een Comical Ali. Had ik al onthuld dat deze Irakees een typetje van André van Duin is? Het is gafferpielekes altijd hetzelfde liedje.

woensdag 27 april 2016

Tell the world



Als juridische leek zal ik er te simpel tegen aankijken, maar geredeneerd uit mijn literairhistorische kennis zou alles wel eens met een sisser kunnen aflopen. Jan Böhmermann hoeft zich geen zorgen te maken te worden veroordeeld. Hans Teeuwen en Theo Maassen kunnen zelfs rustig slapen. Bij Ebru Umar staat de kwestie me nog niet helemaal helder voor ogen.


Op welke jurisprudentie beroep ik me? In 1951 kreeg Willem Frederik Hermans een proces aan zijn broek omdat hij in zijn roman Ik heb altijd gelijk katholieken zou hebben beledigd. De auteur werd vrijgesproken omdat de tirades kwamen uit de mond van zijn personage. Dat kon niet zomaar gelijkgesteld worden aan zijn schepper. En daartussen zat bovendien een vertellende instantie, die in- en uitzoomde: 


Hij beefde zo sterk in zijn kaken, of zijn wangen bezig waren te bevriezen. Maar hij bewoog zijn kin op en neer en de woorden sprongen over zijn tanden en werden door iedereen verstaan die zich in de gestadig groeiende menigte om hem heen bevond.
‘De katholieken! Dat is het meest schunnige (…) en rotte kiezen van het ouwels vreten!’
Hij wilde lachen maar het leek alsof hij kokhalsde. Niemand is het met mij eens, niemand, niemand. Zij kunnen mij overwinnen, zij kunnen mij vermoorden. Maar ik heb gelijk!

Het vonnis was een triomf voor de autonomie van kunst en een nederlaag voor de maatschappelijke waarde van kunst.

De belediging die Böhmermann zou hebben gericht aan het adres van president Erdogan, heeft technisch een soortgelijk fictief gehalte. Aanstootgevendheid zat in een gedicht dat testmateriaal vormde binnen een gesprek over de juridische status van schimpkritiek.

Dat metabewustzijn raakt nog een tikje verder ingezwachteld door Erdogans aanklacht – en nogmaals door Merkels erkenning daar weer van.

Uit de uitgeschreven tekst van de scène blijkt ten overvloede dat Böhmermann het gewraakte gedicht als illustratie gebruikte in een op zichzelf al geënsceneerd gesprek. Uiteindelijk valt er dus niet anders over te oordelen dan dat het zich op een ander vertelniveau bevindt, met een ander werkelijkheidsgehalte: 

JB: Laten we het eens met erg kort voorbeeld uitleggen. Ik heb een gedicht, dat heet schimpkritiek. [...] Wat nu komt, dat mag men niet doen.
RK: Dat mag men niet doen.
JB: Het zou in Duitsland verboden zijn dat in het openbaar op te voeren.
RK: Dat niet.
JB: Dat niet. Het gedicht heet schimpkritiek.
Sackdoof, feige und verklemmt,
(…)
das ist Recep Erdogan, der türkische Präsident
JB: En dat zou in Duitsland nu mogen....
RK: Vreselijk. [Tegen het publiek:] Niet klappen!
JB: Niet klappen. Dat is me wat. Wat zou er nu kunnen gebeuren?

Hans Teeuwen borduurde vervolgens voort op de seksuele insteek van het gedicht en bedde de ingebedde belediging verder in. Doordat Theo Maassen daar op zijn beurt op reageerde en dat verhaal dus herschrijvend voortvertelde, raakte hij alleen maar verder verwijderd van de belediging.

Waarom hierover gesproken wordt in termen van gewaagdheid, ontgaat me.

Daarbij kan de perverse geslotenheid van het kunstuniversum al worden aangetoond met een termpje als ‘geiteneuker’. Iedereen die het nu gebruikt, kan het verantwoorden als een citaat (uit het oeuvre van Theo van Gogh).

Sterker nog, het liedje ‘Erdowie, Erdowo, Erdowan’ waarmee de confrontaties hun aanvang namen, knipoogt naar Nena’s ‘Irgendwie, Irgendwo, Irgendwann’, maar roept bijvoorbeeld in mij een andere referentie op, ‘Alexandrie Alexandra’ van Claude François.

Om die vroegpostmodernistisch te noemen impasse te doorbreken, zou je nog gaan snakken naar een draconisch proces waarin woorden iets mogen betekenen.

Bij Ebru Umar verkeer ik in twijfel, omdat ik de geplogenheden van Twitter niet ken. Ze plaatste haar krachttermen in eerste instantie richting Turkse president. Toen dit een trending topic werd, kreeg dat de verwijzing @umarebru. Natuurlijk is dat haar twitternaam, maar daarmee treedt, net als bij Hermans, onderscheid op met de mens van vlees en bloed.

Misschien moet die door een apenstaart geflankeerde naam opgevat worden als ‘dubbele punt, aanhalingsteken openen’. Dan lijkt Umar met terugwerkende kracht niet-ontvankelijk voor welke klacht dan ook.

Dat ze gevangen heeft gezeten en vooralsnog Turkije niet kan verlaten, is bitter. Maar dat ze haar eigen personage lijkt geworden, heeft ronduit iets tragisch. Daar is geen gesneer vanuit de ‘policorwatch’ tegen opgewassen.

Of hoeft het paradoxale lot van Hermans niet gedeeld te worden door opinisten?

Vooralsnog moet ik bij al deze teksten denken aan een carnavalsliedje van André van Duin uit de jaren zeventig. Het heet ‘Ta-ta-ta’ en hij schreef het als vervolg op ‘Willempie’, waarover hem was verweten er ‘gehandicapte mensen’ mee te beledigen.

In ‘Ta-ta-ta’ bestaat de tekst louter uit klanken, alsof Van Duin de mogelijkheid wou uitsluiten dat hij nog naar de wereld verwees. Maar in de internationaal begrijpelijke slotzin, die overigens een citaat uit eigen werk was, kon hij het toch niet laten:

I’m invisible
Tell the world you want to know that I’m invisible 


P.S. Uit een interview met Böhmermann blijkt dat hij het gedicht van internet had geplukt. Zijn ingebedde belediging was dus een citaat.

vrijdag 22 april 2016

Een loopje


 

Hoe goed moet een musicus wel niet zijn dat twee mensen een televisieoptreden van hem op honderden kilometers afstand van elkaar hebben gezien, in hun jonge jaren, en twee decennia later, als ze elkaar ontmoeten en het gesprek er toevallig op komt, simultaan lyrisch worden over één pianoloopje van een paar seconden?


Volgens mijn handschrift op mijn cassettebandje speelde de gedenkwaardigheid zich op 9 september 1988 af  in Düsseldorf, maar ze blijkt in Dortmund te hebben plaatsgehad.

Ik vond er in eerste instantie op YouTube niets van terug, behalve een drumsolo van Sheila E., in een arrangement dat laat beseffen hoe dicht Prince aan lag tegen dat andere genie: Frank Zappa (de link zal diens toetsenman George Duke zijn die de percussioniste had opgeleid).

Wel blijkt er zoiets als YouKu te bestaan, een Japans filiaal, en daar is het hele concert terug te zien

Het fragment dat aan mij en tenminste één ander is blijven kleven begint op 93:06. De zanger-gitarist-pianist beweegt zich achter een lichtblauwe vleugel. Dat bewegen mag letterlijk worden genomen, want even later voert hij wat ballet uit en een grand écart.

Ook herinterpreteert hij in dat fragment eigen muziek. Het dienstdoende nummer ‘Strange Relationship’ vond ik zelf althans een minpuntje op Sign O' The Times, te rechttoe, maar nu wordt het echt en denk ik het te begrijpen.

Prince heeft daar trouwens nog het meest weg van Mozart. Cliché!

De huiskamervraag: dat de musicus nogal goed in zijn vak was, lijkt onbetwist. Maar kan een effect als hier vermeld, dat op delen berust, van alle kunsten louter worden voortgebracht door muziek? En hoe komt het dat de herinnering een gevoel van, ahum, dankbaarheid verwekt?

De sensatie iets te hebben meegemaakt?

P.S. Twee stervelingen bleken niet de enigen, et voilà: YouTube (aldaar vanaf 5:47). 

dinsdag 19 april 2016

De kneep zit ’m erin de kluts kwijt te raken zonder aanleiding (Don Quichote)


 

Volgens Mineke Schipper hangt het gevoel voor eigenwaarde in hoge mate af van de ander. Goedkeuring en waardering, bewonderende blikken en complimenten – welkom! Misschien is dat de reden, vervolgt ze, ‘waarom we ons vaak houden aan regels die we niet zelf bedacht hebben en waar we als individu lang niet altijd belang bij hebben’.

Heet zo’n conclusie niet ontnuchterend?

Na zo’n vijftien jaar België en ontelbare glazen daagt me dat een alcoholpercentage anders wordt uitgedrukt dan in Nederland. Hier spreekt men van ‘graden’, in de geboortenatie van ‘procent’. Ook bij wielerreportages waar serieuze cols in betrokken waren, moet ik het lang niet hebben willen weten. Nederland heeft het over het ‘stijgingspercentage’, terwijl dat bijna zeker slaat op een ‘hellingshoek’.

Belangrijker dan het raadsel hoe ik zo lang aan dat taalverschil ben ontsnapt, dunkt mij de vraag of mijn particuliere beleving valt te abstraheren. Dan hoop ik dat het antwoord nee wordt, en ik hum voorbij de anekdote een liedje mee met de trompet.

Hevig rondjes lopend gaat de gourmande rijmen. Onlangs berichtte ze:
 
De scheet was te warm
Toen ging het alarm
 
Het taalkundig genie vertelde dat op het internet een opgestoken middelvinger valt te vinden. En dat deze fuck you betekent. Ik schrok de uitdrukking plots uit haar mond te horen, maar ze zei zelf dat die woorden naar klinken. En was ik in mijn reflex calvinistisch geworden of gewoon roomser dan de paus – die tegenwoordig veeleer communistisch lijkt?

dinsdag 12 april 2016

Is it me you're looking for?


Vandaag misschien over achterafvoorspellingen. Er is al even geleden vastgesteld dat John Lennon zeker Twitter zou hebben gebruikt. Onlangs las ik dat Walter Benjamin dat, volgens Grunberg, ook zou hebben gedaan. En blijkt, volgens Tim Parks, dat Giacomo Leopardi een blogger zou zijn geworden.

Nee, dan W.F Hermans. Hij viel bij leven terug in mythische tijden. Dat maak ik op uit onofficiële foto’s van het koninklijk huis die zijn vrijgegeven door Vincent Mentzel. Ik raakte geboeid door een actiefoto uit 1985 van de huidige koning en toenmalige kroonprins terwijl hij De donkere kamer van Damokles leest. Bijna dan, het kan elk moment gebeuren. Met zijn vingers is hij al op de helft van Hermans’ meesterwerk.

Zichtbaar in de eigen, lichte kamer van de prins zijn onder meer woordenboeken van Wolters-Noordhoff voor Nederlands (Koenen) en Engels (Ten Bruggencate). Die hadden wij thuis ook! Maar we hadden geen hond. Als meelezer neemt de hond van Oranje driekwart van Willem Alexanders fauteuil in beslag en heeft zich in de Hoogheid genesteld die op zijn beurt goedmoedig en voorzichtig een flank als leuning gebruikt.

Herman Brood beweerde altijd dat de kroonprins fan van hem was, maar daar biedt deze foto geen bewijs voor. Ik detecteer wel een prentje van een andere zanger (Duran Duran?) en, zeer groot, van Lionel Richie. Hij is zelfs is gekartonneerd. Naast zijn hoofd staat He does it all. Dat dunkt mij een toekomstvoorspelling, zij het over iemand anders.

zondag 10 april 2016

Footloose


Wat een week! Helpt het om te zoeken naar één noemer? Met de Panama Papers openbaarden zich vermogende types die de grenzen van de wettelijkheid hadden laten aftasten. De mannen van GeenPeil richtten een referendum aan over iets wat hun niet interesseert om een grotere gemeenschap te vernaggelen. En de meest gezochte terrorist van de westerse wereld, te herkennen aan een hoedje, zou dat hoedje doodleuk hebben doorverkocht.

Is het verband een zekere mentaliteit? Graag een alternatief voor mijn voorstel: footloose.

Mijn aantekeningen over dat begrip begonnen met een betekenis die aanschurkte tegen wat kosmopolitisch heet: ‘able to travel freely and do as one pleases due to a lack of responsibilities or commitments’. Mijn associatie kwam mede voort uit de voorbeeldzin: ‘I am footloose and fancy-free – I can follow my job wherever it takes me.’

Tegelijk zat in die zin, dankzij een koningskoppel, de titel besloten van een elpee van Rod Stewart uit 1977. Daaruit volgde in mijn brein een uitloper naar lichamelijkheid; het openingsnummer was ‘Hot Legs’. Of kwam die assocatie voort uit informatie over een trend in Amerika? Van Afro-Americans die bewust te veel eten en dik willen zijn, om ook hoogstpersoonlijk afscheid te nemen van de slavernij en welvaart uit te stralen?

Van die trend blijkt trouwens ook een tegendeel te bestaan, orthorexia nervosa, dat noopt tot een antoniem van footloose. Daarin zouden onvrijheid en afhankelijkheid moeten regeren, al kun je je natuurlijk afvragen hoe vrij en onafhankelijk bunkeren is.

Footloose heeft daarnaast een uitloper naar een kunstenaarschap dat zichzelf als antiburgerlijk beschouwt. Ilja Leonard Pfeijffers Brieven uit Genua lijken daar een lange afrekening mee. Het boulimisch ogende boek valt te beschouwen als poging om van een ‘beroepsbohemien’ te veranderen in kwetsbaar persoon die niet per definitie ‘alles in dienst van de kunst’ stelt. In de eerste helft presenteert Pfeijffer zichzelf als iemand met veel ideeën die geen aansluiting vindt bij ‘de praktijk’ van allerminst footloose burgerlijkheid:

vaste werktijden, hypotheeklasten, een gezinsleven, tarieven van energiebedrijven, persoonlijke hygiëne, huisartsenposten, recreatie, verhuizingen, ouderavonden, familiebezoek, halfjaarlijkse controles bij de mondhygiëniste, verzekeringen, belastingaangiften, gesorteerde was, groenten, stofzuigen, kerstversiering, notariële akten, gazonsproeiers, wachttijden voor kinderopvang of bejaardentehuizen, kortingskaarten, afvloeiingsregelingen, pensioengaten, bakfietsen, inentingen, afwas, fruit, inruilwaarde, overwerk, kappersbezoek, wasstraten, bezwaarschriften, verjaardagskalenders en winterschilders*

Omdat Pfeijffer steeds aankomt met voorbeelden, krijgt footloose bij hem evenzeer financiële betekenis. Hij noemt een kunstemployé die tot ‘de elite’ gerekend zal worden een virtuoos in het aanboren van fondsen, die hem in staat stellen om twee weken onderhouden te worden en ’s avonds voor te dragen à 5000 tot 8000 euro netto.

Of is dit juist niet footloose en genereert het oertype zelf inkomsten?

vrijdag 1 april 2016

De ware clash


 

Alweer een tijdje ondergaan de quicksteps van de laaglandse literatuurkritiek een prettige gesel: de Lezeres des Vaderlands. Alleen al die naam is een vondst, gelet op het inkapselend gehalte van de Dichter, Denker, enz. des Vaderlands – en juist nu de natiestaat haar ‘grondvesten voelt trillen’ door vluchtelingenstromen en de Europese Unie. En wat deze Lezeres uitricht is minstens zo actueel. Structureel gaat zij (hij?) na in hoeverre de literatuurkritiek, in de breedste zin, plaats heeft ingeruimd voor vrouwen.

Het gesneer op haar werkzaamheden is niet van de lucht. Doordat de Lezeres telkens begint met tellen, worden de resultaten van haar onderzoekjes per week meer ontnuchterend. Dus richt wederkritiek voorbij de getalletjes zich op haar uitgangspunt. Is dit een grap? Anno 2016 een focus op vermeende achterstelling van vrouwen? Blijkbaar wel. De gebelgde reacties bewijzen dat de verhoudingen omgekeerd worden. Dat slechts 12,5% van de Wikipedisten uit vrouwen bestaat, verklaarden ze eruit ‘zich er niet goed bij te voelen het werk van anderen aan te passen, iets waar mannen minder problemen mee hebben’.

Daarbij is het opmerkelijk dat in het omkaderende literaire bedrijf meer vrouwen werken dan mannen. De branche drijft op communicatieve arbeid, waarbij virtuoos representatief klanten (auteurs, en boekhandelaren en recensenten) tevreden moeten worden gehouden. Daar ligt zelfs op opleidingsvlak de m/v-verhouding scheef.

Bijna vilein versloeg Dubravka Ugrešić in 2012 haar optredens op fora en festivals. Ze wordt steevast begeleid door vriendelijk zwijgende en met de creditcard zwaaiende meisjes die ‘literaire kritiek en filosofie’ studeren – een stage die hen zal brengen tot de hoogste kringen. Hetzelfde jaar benoemt Ugrešić dat de boekenbranche een wereld is waarin vrouwen het werk doen en waarin mannen de haan uithangen in polemieken en paneldiscussies. Vrouwelijke auteurs worden volgens haar ook altijd naar persoonlijke zaken gevraagd, in combinatie met gezin, terwijl mannen grootse visies moeten ventileren.

Wat de professionele schrijfster daar met schwung doet, doet de Lezeres des Vaderlands wat verbetener. Dat maakt haar project gevoelig voor aantijgingen, en voor nieuwsgierigheid naar haar (zijn) identiteit. Nu ja, ik kan louter voor mezelf spreken. Normaliter laat het me koud wie ‘de mens achter de schrijver’ is; biografieën en interviews interesseren me matig. Toch schreef ik iemand aan die ik ervan verdacht de Lezeres te zijn.

Gelet op de breedte en historische uitdieping van haar onderwerpen dacht ik vervolgens aan Maaike Meijer. Sinds ik echter heb begrepen dat de Lezeres erg actief twittert, geloof ik dat het iemand anders moet zijn (al zegt deze hypothese vooral iets over mij en mijn beeld van Meijer). En deze week volgde dan de ‘onthulling’. Ik vond het een passend tijdstip, omdat toen in Trouw een sympathiek manifest verscheen van 182 academici, filosofen, schrijvers en kunstenaars over het vluchtelingenvraagstuk. De tekst had een betamelijke m/v-verdeling, maar ik verbind hem vooral met de Lezeres door de aanpak en door de reacties.

vrijdag 25 maart 2016

Pauzemomentje



Bij een boterham en een bordje vitaminenpap (om de overheersende smaak van de failed state te neutraliseren) lees ik op een Nederlandse nieuwsopiniesite: ‘Belgische politie geeft toe: epic fail bij zoektocht naar Salah Abdeslam. “Geen sprake van opzet”’ Als illustratie is een deel van het omslag gebruikt van Het verdriet van België.

Natuurlijk komt dit na het nieuws van het rituele ontslagaanbod door de federaal minister van Binnenlandse Zaken, dat door de premier niet werd aanvaard, wat de zondebok zelf verklaard had in termen van verantwoordelijkheid: In een oorlogssituatie kun je het terrein beter niet verlaten.

De website van The New York Times presenteert momenteel centraal een reportage over Brussel, waarin de dienstdoende getuigen op een of andere manier allemaal student zijn en de wettelijk volwassen leeftijd van 21 jaar niet hebben bereikt. Daarnaast is er een vrouw van 32 ‘who is of Moroccan origin and has three children but declined to give her last name for fear of reprisals’. En een man van 73 die demonstratief zijn boodschappen op de markt van Molenbeek blijft doen: ‘If Donald Trump calls us a hell hole, I feel proud.’ Zijn voornaam zou Leiven zijn.

Woon ik in dit land? En mijn kinderen? En hun vriendjes en vriendinnetjes? Waarom komen al die wereldwijsheden vandaan?

‘Voor onze naastenliefde gaan wij over lijken.’ Dat staat in een andere tekst waar Hugo Claus zijn naam aan verbond, Reconstructie, een moraliteit.

donderdag 24 maart 2016

Nietzien




Naar verluidt zijn de laatste uren in ijltempo gegaan, maar zou Johan Cruyff zich nog hebben uitgelaten over de aanslagen in Brussel? Had hij ze als ‘logisch’ kunnen bestempelen?

Een sportkenner heeft al berekend dat het legendarische rugnummer 14 de som is van de afzonderlijke cijfers in de definitieve leeftijd 68. Dat laatste getal geeft bij velen andere associaties, en het feit dat JC niet op Goede Vrijdag maar op Witte Donderdag het tijdelijke voor het eeuwige heeft verwisseld, zal allicht ook wat commentaar losmaken.

Mij schiet slechts te binnen dat zijn neutrale gelaatsuitdrukking een toets had die niet anders dan vriendelijk kan heten. En dat mij geen foto’s van hem voor de geest staan, waarop hij een zweem van ongeschorenheid vertoont (i.t.t. tot de vermeende voorganger, die altijd zoon is gebleven).

Wie geen woorden heeft, kan altijd nog beschrijven.

De ongelooflijke film Son of Saul houdt de camera bijvoorbeeld bij één personage. Dat geeft een betrokken standpunt, geen overzicht. Er is gerept van een ‘sensimotorische beproeving’ voor de kijker. Een ander gevolg is dat 107 minuten lang gebeurtenissen op enige afstand van het personage vaag worden, inclusief de geluiden die ze verwekken.

In het begin ziet de kijker de hoofdpersoon terwijl op de achtergrond gehijg klinkt. Seks? Het kan evengoed een worsteling zijn. Het enige wat op een gegeven moment zichtbaar wordt, is dat, na nadering van Duitse troepen, twee gestalten uit een soort kuil kruipen.

Het camerastandpunt heeft iets discreets in een film die expliciet is. De vele naakte lijken ziet de kijker nooit scherp. Behalve eentje, van een jongen die de gaskamer heeft overleefd en dan door een dokter wordt verstikt.

Ondanks andere prangende zaken voor hem en voor zijn mede-Kapo’s, wil de hoofdpersoon deze jongen op traditionele wijze begraven.

Het meest aangrijpende voorbeeld van een discrete camera zit aan het slot. Dan lijkt het onmogelijke gebeurd: de Kapo’s zijn het kamp ontvlucht. Ze rusten even in een houten barak. Als enige van het gezelschap ziet de hoofdpersoon, die de hele film een effen blik vertoond heeft, een jongetje voor de ingang verschijnen.

Voor het eerst lacht hij.

Dan breekt de camera met het vertrouwde perspectief en begint het jongetje te volgen. Deze rent weg en wordt gesnapt door een Duitse patrouille die zijn juist genomen pad inslaat. Maar de kijker gaat het jongetje achterna dat verder de andere kant op rent – en de kijker en het jongetje horen schoten.

Nu worden de Kapo’s dus afgemaakt, maar ook dat blijft onzichtbaar. Is dit wel discreet? Of efficiënt? Of onverschillig?

zaterdag 19 maart 2016

Schapen en herdershonden


Er zit iets treurigs in het detail dat elke tekst afstevent op een slotzin, een laatste woord. Als maaksel van een sterfelijk wezen moet het dat punt kunnen ontwijken. Daarom zal heel wat literatuur cyclisch zijn opgezet, bij wijze van haalbaar compromis: oké, we hebben het einde bereikt maar daarmee kunnen we meteen bij het begin beginnen.

Mij schiet dit floddertje mede te binnen na een vorsende blik op leesaantekeningen. Bijna alle heb ik in de steek gelaten. Een notitie van ongewisse datum gaat over de essaybundel Genieten voor miljoenen. Over populaire cultuur van Carel Peeters. Ik begrijp dat de uitkomst van zijn boek, dat mij heeft geamuseerd, daadwerkelijk op de slotpagina staat. Thans leven we in een ‘hysterische monocultuur. Een religie met één afgod’. Volgens de wetten van de goede smaak mag de lezer dan zelf de naam van die religie invullen: de vrije markt.

Waarom ben ik hier niet op doorgegaan? Vermoedelijk omdat die diagnose me even evident leek als het negatief ervan: voor wie wil, bestaan er meer culturen, waarheden, gedragslijnen, enz.

Een andere reden voor mijn onbepaalde pauze lijkt een citaat dat ik uit Peeters gevist had: ‘De remake is de populairste vorm van bedrijvigheid’. Ik vrees dat ik zo de pot de ketel wou laten verwijten, omdat Genieten voor miljoenen  – opgetrokken rond gebruiksvoorwerpen, kledingstukken e.d. – me vooral ingaf hoe geweldig Roland Barthes’ Mythologieën toch zijn.

Peeters’ klacht over de huidige maatschappij luidt dat ze op het verkeerde been is gezet door democratiseringstendensen in de jaren zestig en zeventig. Nepgelijkheid, commodificatie,… Maar waarschijnlijk is een reden waarom ik ‘de jaren zeventig’ onderzoek, mijn ongeloof in het idee dat een bepaalde tijd uniform beleefd is en uniforme gevolgen heeft. Er is terecht opgemerkt dat Engeland, dé wereldmacht van de negentiende eeuw, nauwelijks iets gevoeld heeft van twee nabije, allerminst geruisloze revoluties in 1789 en 1848.

Ook de cultuurkritiek doet volgens Peeters mee aan de vervlakking. Hij laakt de gevolgen van opgelegde creativiteit:
 
‘Kritiek is instemming geworden, verschillen zijn overeenkomsten. De superieure gedachte van Nietzsche dat men altijd wantrouwend moet staan tegenover al te veel instemming, is nog nooit zo afwezig geweest. De wereld bestaat uit kudden schapen die door de herdershonden van de commercie de gewenste kant op worden gedreven.’

De suggestie is onontkoombaar dat Peeters daar de uitzondering op is. Maar alleen al het citaat wasemt clichés en verraadt een wereldbeeld dat ik liever niet uit wil schrijven. Al was het omdat ik vermoed dat dan de container ‘humanistisch’ aan komt denderen, zoals alleen al afgelopen week een anti-vluchtelingenpartij zich de term ‘alternatief’ heeft toegeëigend, een politicus die voortdurend in het nieuws is kan beweren dat hij ‘monddood’ wordt gemaakt en de EU in naam van beschaving een akkoord sluit met een staat waar precies die vrijheid van meningsuiting een lachertje is.

Wat een überrealisme! Dokter, lijd ik echt aan de angst voor het einde?

donderdag 10 maart 2016

Stempelen tot onwaarheid


Eén van de leukste spelletjes die ik ken, is het woordenboekspel. Deelnemers schrijven ieder voor zich een definitie bij hetzelfde lemma uit Van Dale dat hun onbekend is. Voor het eerst deed ik dat als puber in een huiskamer vol mensen van wie ik vermoedde dat ze gestudeerd hadden. Mij staat bij dat ik me met schrandere zinswendingen wilde bewijzen en gaande de avond steeds vaker gehinderd werd door de slappe lach.

Het spel vormt de opening van Het nieuwe verdwijnwoordenboek van Ton den Boon, onder de naam verdwijnwoordenspel. Mij bekroop weemoed, die wegvloeide bij de kennisname van de lemma’s. De meerderheid ervan komt voort uit de betere klassen en suggereert een dubbele moraal.

Over hun onderbuikgevoelens, met talloze termen rond prostitutie en geilheid, uiteraard minachtend. Over hun minnaressen (later ‘hulpverloofden’ geheten) die ze ‘mainteneerden’, en bij wie zich een heel huisvestings- en financieringsgamma openbaart. Over hun personeel, dat in een onbeschermd soort loondienst de meest gedetailleerde deelfuncties uitoefende en van wie de vrouwen de vergaarnaam ‘meidengoed’ droegen.

Natuurlijk zijn er eveneens woorden die met andere uitgestorven beroepen te maken hebben, al dan niet wegens de voortschrijdende techniek. De ‘draaischijf’ van een telefoon uit het pre-gsm-tijdperk bijvoorbeeld. Den Boon bundelt logischerwijs ook zeer recente termen, feitelijk eendagsvliegen. Engels uit de computerbranche, die zich de laatste decennia spectaculair ontwikkelde en waarvan telkens de eindtijd voor de menselijke efficiency nabij leek.

Ik zou benieuwd zijn of de naam leppie die Mbark Boussoufa aan een laptop geeft verbreid is en zo ja, in hoeverre deze naam kans maakt op een plaats in een verdwijnwoordenboek van de nabije toekomst. Of dat de aandacht moet verlegd naar grotere eenheden, zegswijzen en grammaticale mallen, zoals in een uitspraak van een voetbalanalyticus over Davy Klaassen: ‘Die jongen heeft voetbalgogme van hier tot Tokio. We hebben het dus over de internationale top.’

Het nieuwe verdwijnwoordenboek serveert soms termen die me zijn bijgebleven uit het werk van J.B. Schuil en Multatuli. ‘Liplap’ bijvoorbeeld, de koloniale versie van ‘bastaard’. Verdwenen omdat we allemaal liplap geworden zijn, zeker na een gruwelijk nazi-intermezzo ten gunste van zogeheten raszuiverheid inclusief Sprachregelung?

woensdag 2 maart 2016

Ratiocinatie



Wat een bizar bericht van het Cubaanse communistische partijorgaan dat de Rolling Stones gaan optreden in Havana. Het paard van Troje, komt dat zien! Gratis nog wel. Handig dat deze pers onder de bijbehorende foto uitduidt hoe die vier mannen van links naar rechts heten.

Echt verbazen doet het bericht natuurlijk ook weer niet. Zoals de koninklijke medaille voor de anti-esthablishmentjournalist toch eventjes op zich liet wachten na zijn ereonderscheiding uit België. Maar zou bij de dooi in de betrekkingen met Cuba, waarschijnlijk voorbereid door Harry Mulisch, het besef doordringen dat die vier arenden van het kapitalisme buiten de foto worden omringd door vele musici die het werk doen? Dat bleek ten overvloede uit een film van een Stones-concert. Voordien kwam senator Hillary langs om haar moeder aan de mannen voor te stellen.

Alles heeft zijn logica, desnoods door een beetje tegen die logica aan te tikken. Van de Duitse kunstenaar Jan Pieter Hammer bestaat een geënsceneerd interview met een CEO. Het serveert het format van persoonlijkheden tegenover elkaar, de een gesticulerend, de ander met peinzende blik, beiden een glaasje water erbij. En de CEO krijgt langzaam wat zweet op de bovenlip, als hij uitlegt dat zijn bonus een daad van anarchisme is, de welvaartstaat het tegendeel van vrijheid en de vrije markt het begin van de heilstaat.

Een verhaal zonder einde, lijkt het, maar het bleek onversneden fictie. De bron was Fernando Pessoa. Hij publiceerde in mei 1922 in het tijdschrift Contemporanea het verhaal ‘De anarchistische bankier’, inderdaad een tweegesprek, om precies te zijn tussen twee vrienden, waarbij de ene de rol van journalist vervult om de motieven scherp te krijgen van de titelheld.

De anarchistische bankier onderscheidt zichzelf nadrukkelijk van anarchisten omdat zij het slechts in theorie zijn, terwijl hij er de praktijk bij neemt. Een anarchist definieert hij als iemand die in opstand komt tegen de onrechtvaardigheid dat door afkomst niet iedereen in sociaal opzicht gelijk is.

Om die reden strijdt hij tegen conventies die ongelijkheid mogelijk maken: gezin, geld, geloof, staat. Dit zijn sociale ficties, die hij perfide acht wegens hun onnatuurlijkheid. Het zuivere anarchisme wil ze niet vervangen – dan komt er een ander systeem – maar afschaffen. De man ziet kansen om dit uit te voeren, alleen niet abrupt.

Verder betoogt hij dat altruïsme en zelfopoffering evenmin natuurlijk zijn. Hij zegt veeleer in superioriteit en ondergeschiktheid iets spontaans en instinctmatigs te proeven. Dan komt hij tot het nietschzeaanse inzicht dat hulp neerkomt op incapabel verklaren: beknotting van de vrijheid of verachting van de te helpen persoon.

Hulp verwekt dus een nieuwe tirannie, die hij onaanvaardbaar vindt voor de onderdrukten. Deze tirannie zou zich voegen bij de bestaande sociale ficties en aldus belemmeren wat ze wenst te bevorderen.

Zodoende is volgens de anarchistische bankier één mogelijkheid onontkoombaar: zich gemeenschappelijk inzetten voor hetzelfde doel, zij het afzonderlijk. Door apart te opereren leert men bovendien meer in zichzelf te vertrouwen, niet op een ander te hoeven steunen en zelfs vrijer te worden.

Met eigen middelen en geloof, verstoken van geestelijke steun, bereidt men zich voor op de toekomst. Het ideaal van de te bestrijden sociale ficties volstaat. Plus directe actie, gericht op de praktijk van het leven. De daad bestaat eruit sociale ficties te overwinnen door ze ondergeschikt te maken, ze te manen tot actieloosheid.