vrijdag 19 april 2013

Nee, de zijne


‘Vrees de macht en wens haar niet. Wie haar heeft, kan haar niet meer ontlopen.’ Dat schreef ooit Leonard Nolens. De eerste zin lijkt een selffulfilling prophecy die de tweede zin wil schetsen, ware deze niet, tonen heel wat bankiers, nogal onmogelijk.
(Mij lijkt, toont Syrië al een hele tijd, onmacht moeilijker te ontlopen.)
En dan de schrik wanneer iemand zegt of schrijft vaarwel. Maar het betekent: ‘Het ga je goed.’ Of komt de schrik voort uit ongeloof dat tot later wil pareren?
Al jaren zit er een foto in mijn digitale archief, maar ik weet niet wat erbij te schrijven. Mijn eerste singletje heette ‘Stay With Me’ en ik denk dat de foto uit die tijd dateert. Er is een type cabaretier dat er met geprangd gelaat bij zou zeggen: ‘O, ooit lid te mogen zijn van een Commissie Billijke Verzoeken.’
Het gebeurt. Hoe ontkom ik met jaarlijkse verschuivingen ontkenningen?

Lopen twee mannen door Zuid-Limburg. Zegt de ene: ‘Ik ruik de mijnen’. Zegt de andere:

woensdag 10 april 2013

Soothsaying


Victor Klemperer boekstaafde: ‘Er bestaat geen vox populi, alleen maar voces populi, en welk van die verschillende stemmen nu de ware is, ik bedoel: de stem die de gang der gebeurtenissen bepaalt, is alleen maar achteraf vast te stellen.’ Zelf ben ik opgegroeid in een tijd waarin beugeldragers, lang voordat de marktwerking naar het vasteland van Europa werd gestuwd, losers heetten. Eenmaal volwassen zong het dan weer rond dat zo’n buitenboordding onwijs hip was.
Ik geloof dat het me allemaal lauwig liet en dat ik een ongearticuleerde voorkeur had voor schots en scheve gebitten (uitzonderingen bevestigen de regel). Over een facet daarvan, het spleetje tussen de voortanden, ben ik op een goed moment aantekeningen gaan maken. Dat begon hartstochtelijk en, zoals dat met vele projecten gebeurt, door de jaren heen temperde de vaart. Pas onlangs realiseerde ik me dat daar ook een niet egogerelateerde reden voor kan zijn: het spleetje dreigt bij jongere laaglandse generaties uit te sterven.
In België staat het gebit onder permanente esthetisering. Het start met educatieve toestanden voor de beste hygiëne, waarbij de spiegeltjes en kralen ingewisseld zijn voor borstels en brevetten en waarbij ‘leuk’ en ‘gezond’ (zelfs bij snoepjes die knabbels heten) sleutelwoorden zijn. Op de achtergrond doemt dan al een onwaarschijnlijk geavanceerd systeem van verzekerde en tegemoetkomende vergoedingen. Vroegtijdig als ‘preventie voor anterieure traumata’, en wie zich voor de vijftiende verjaardag aanmeldt, al dan niet geholpen door een sociaal-cultureel milieu dat daar heil in ziet, staat nog een heel orthodontisch pakket te wachten.
Men heet wel gek om daar geen gebruik van te maken. En zo ontstaat een dubbelzinnigheid waarvan ik niet weet of ze landsgebonden is: gemeenschapsgeld verdwijnt met een bijna vanzelfsprekende noodgang in een duistere muil (dat vond ik ook zo geestig aan de heftige reacties op de offshoreconstructies in den lande – mij zijn termen als arrangeren en foefelen uitgelegd die te maken bleken te hebben met een specifiek verdriet van België inzake de belastingen). Wel beginnen al die rechtgezette jeugdige gebitten verregaande gelijkenissen te vertonen. Er zou iets kunnen ontstaan als de confectiemond, waarvan de mensenkop een tikje minder karakteristiek wordt.
Afgelopen weekend was op het Nederlandse journaal een ongeveer halfjaar oud nieuwtje over Israëlische kinderen. Ze hadden stamboeknummers van hun grootouders, in kampen door nazi’s verstrekt, in de arm laten tatoeëren. Een meisje verklaarde dat ze dit had gedaan om de herinnering aan haar opa levend te houden en zijn verhaal voort te vertellen. Op een of andere manier verbaasde het me niet dat ze een spleetje had.
Amper bekomen was er nog een toonbeeld. Na de dood van Thatcher was het op significante plekken feest. Er dook een oudere dame op met onderscheidend kenmerk. Zij zal beseffen dat louter dankzij solidariteit propere gebitten niet slechts voor marktgetrouwe individuen zijn weggelegd.
Volgens de conventies van het bloggenre zou ik nu iets resoluuts moeten zeggen over die doodsfuiven. Vanuit een hedendaagse ontluistering dunkt het me allemaal echter te heftig en ingewikkeld om daarover te oordelen. Wel verheugt de rol van popmuziek in de recente geschiedenis. Media gaven reeds in hun kieteling van een groepsidentiteit lijsten met liedjes, maar iedereen lijkt geneigd Thatcher van een soundtrack te voorzien, zowel daar als hier.
Kennelijk valt de dame, en ik kopieer slechts een gemeenplaats, niet anders te herdenken dan vanuit een private invalshoek. Daar zit ik dan met mijn spleetjesperspectief. Ben ik nog niet wat jong om een potje te gaan sublimeren? Misschien is vragen stellen een leuk en gezond spel. Kun je door een stiff upper lip wel een spleetje zien? Is de prijs die men voor solidariteit betaalt per definitie het inleveren van distinctie? Mocht het spleetje wederkeren in de Lage Landen, verraadt dat dan iets over afnemende of toenemende sociale cohesie?
En dan nu de één-miljoen-euro-vraag: is het onder vuur nemen van de tijdgeest een bijproduct van de tijdgeest? In dat geval zijn er verregaander consequenties te trekken uit Klemperer en behoren de meest elitaire kritieken tot de voces populi.

vrijdag 5 april 2013

Het gebloemde schortje


Leefde Frans Kellendonk nog maar! Een sloganeske, gratuite wens die mij nochtans vaker in bezit neemt. Maar ik zie patentschisma’s en verslindende hilariteit al aankomen indien de auteur, die toen de dood hem bij zijn lurven greep de zaak-Duinmeijer aan het onderzoeken was, de samenleving van nu met zichzelf zou confronteren. Toch wordt hij bij alle gezangen van juf Hosanna over de Nederlandse literatuur node gemist.
Ditmaal was de aanleiding voor mijn verlangen Vader van God van Martin Michael Driessen. Eindelijk kon ik die roman tot mij nemen. Ik wilde dat vanwege berichten over de thematiek, een innemend interview met de auteur, maar ook, voor zover ik de penose in mij kan inschatten, om de juichende reacties te toetsen uit zowel Nederland als België. Amusant boek inderdaad, buitengewoon vaardig gestileerd, met kennis en eruditie, schitterend onderwerp – en tot op de laatste seconde ironisch.
Is er na Kellendonk een of ander taboe op ernst ingetreden? Opgave van mij, meligmaker, zonder twijfel behept met het virus van de Hollandse lulligheid. Zou ironie een handje helpen bij het wegpoetsen van etnie? Dat men er voor alles de ingebakken moralist mee tracht kwijt te spelen? De laatste tijd beseft het taalkundig genie dat ze onderdeel is van een familie, waarin ieder een mama en papa, opa en oma heeft (gehad). Ook stelt ze zich om de haverklap voor met een handdruk, een ‘aangenaam’ en het uitspreken van haar hele naam. De gourmande treedt in haar voetspoor door te verklaren wie ‘ikke bent’, en spreekt het allemaal nog niet perfect uit – maar goed genoeg om mij in te wrijven dat beiden mijn achternaam dragen, met alle reflexen van dien.
Mogelijk is me iets ontgaan, maar ik raak niet verontrust door Vader van God, waar slapstick zich doorlopend uit de groteske inborst lijkt los te willen worstelen. Daarom beviel me de armetierige seksscène tussen God en de prostituee Rachab heel goed, en komt ze allerminst in aanmerking voor een longlist op dat vlak. Er strijden dan even twee christelijke uitersten tegen elkaar, mededogen en leedvermaak.
Onbedaarlijk weet Driessen te vertellen met de formule ‘Dit is wat er gebeurde:’. Ik stel me voor dat dit in vertaling zo’n boek is waarom juf Hosanna met reden van een internationale bestseller zou spreken.
Het relatief hoge leestempo hangt behalve van de vaardigheid van Driessen af van de zich bij mij opdringende kwestie: wanneer begint hij nou? Wanneer geeft hij gevolg aan de eenmalige interpunctie in zijn formule: ‘Dit is, wat er gebeurde:’(p. 41)?
Het is lastig de vinger te leggen op wat mij, zoals dat in België zo fraai heet, op mijn honger laat zitten. Laatst zag ik de film La Luna uit 1979. Daarin balanceert Roberto Benigni als gordijnophanger onweerstaanbaar lollig op een trapje. Een cameo, dacht ik, tot het besef daagde dat dit een van zijn allereerste films was. Toch prettig dat de clownacteur het uiteindelijk gedurfd heeft als regisseur zijn punt te maken.
Waar aan kunst ethiek en esthetiek verklonken zijn geraakt doordat, uitzonderingen niet te na gesproken, voorlopigheid, voorbehoud en onbeslistheid er aangenaam geuren, heeft ironie speciale geloofsbrieven. Kan in Nederland cultuurkritiek nooit iets anders zijn dan een afgeleide van satire? Ik meen dat dit tot heden een punt van discussie blijft, waarbij Gerard Reve de stamvader is van een ironie die alles vrij lijkt te willen laten. Diens zware meningsverschil met Mulisch rakelde Eep Francken kortelings in de bundel Strijd! op, met als conclusie dat de afstand door overdrijving en stijl zo groot is dat men gewraakte passages nooit serieus kan nemen. De kwestie is dan wat er overblijft.
Op zichzelf breekt Driessen mogelijkheden open, door (volgens het interview vanwege een voorval in eigen leven) de schijnwerpers te richten op Jozef, het wat onderbelichte personage dat in de Bijbel onder Hoger geweld de berustende ambachtsman mag uithangen. Nadat hij zijn intro bij wijze van kadervertelling langs het personage God heeft laten gaan om dan het relaas van Jezus en Jozef te doen, stapt Driessen terug. Een niveau hoger, om met God de cirkel rond te maken. Het gemelijke oordeel van de protestantse krant, ‘meer slim dan spiritueel’, wordt dan even komisch is als de stoere garantie van katholieke zijde dat er geen blasfemie te bespeuren valt.
Naar mijn idee vernietigt de ironie weer alles. Dat is des te opmerkelijker omdat conform het interview de auteur juist radicaliteit nastreeft en mij een Kellendonk deed beloven, die over de opzichtige vertelcapriolen in Mystiek lichaam zei: ‘Echt het achterste van je tong laten zien kun je nooit, maar ik heb ’m in dit boek wel een flink eind uitgestoken’.
Proef desgewenst zelf Driessens slotscène met de huishoudster die ook nog Bartje heet:

(…) ‘Weet je trouwens dat dat gebloemde schortje je erg leuk staat?’
‘Meneer Adonai’, antwoordde zijn huidhoudster, ‘voor dit soort frivoliteiten ben ik te oud.’
Maar Hij niet.
‘Ik niet!’ lachte God.
Ik niet.


Beroepsdeformatie wellicht, maar technisch intrigeert de slotzin me nogal. De verteller zit oncontroleerbaar dicht op de huid van de concrete auteur. Dat gebeurt vaker, zonder dat het zeker is of het achterste van de tong zich toont of dat die tong juist wordt uitgestoken.
Misschien komt het doordat ik onlangs Panorama Mesdag heb bezocht (die van nok tot vloer de illusie van kunst overigens hoger dan hoog houdt), dat ik bij de slotzin van Vader van God moest denken aan een roman over Mesdags neef Gerrit van Houten. Zo besluit immer de epiloog van Het dikke hart van Tonnus Oosterhoff:

‘Veel feiten zijn verdraaid, verzonnen en verzwegen: de personen in deze geschiedenis hebben niet of heel anders bestaan. De ware historie en dit verhaal zijn van elkaar gescheiden door een dikke wolk leugens.
Waarom dit zo is weet ik niet.’


Niet.

zaterdag 30 maart 2013

Wederopstand

In Filosofische onderzoekingen beweerde Ludwig Wittgenstein: ‘We hebben het gevoel alsof de ontkennende zin, om een zin te ontkennen, deze eerst in zekere zin waar moet maken.’ Bij offshorebelastingconstructies lijkt die missie geslaagd, maar wat moet iemand uitrichten met bedrijfsmededelingen van een computer als: ‘Er is mogelijk geen antivirussoftware niet geïnstalleerd.’ Het Lam Gods kan zichzelf tenminste nog bereiden in de universele potgrond van het geloofsgevoel.

dinsdag 26 maart 2013

Ga ik, omdat de klank die ik zie mij eindelijk hoort (no flutter)


Topnieuws bestaat: er blijkt een virtuele plek voor oude en nieuwe geluiden. Ze hielp mee aan de realisatie van de akoestiek op de Dam anno 1895, zoals afgebeeld op een schilderij van Breitner. Daartoe moest onder meer een paardentram rijden, waarvoor de juiste condities gevonden werden in het Oost-Duitse plaatsje Döbeln. Er lag rails op de correcte breedte, er waren kasseien (en er was een wagon).
Ik ben niet de enige die hierdoor gefascineerd is geraakt, nadat erover te lezen viel. Natuurlijk is zo’n enscenering nep, maar ze zegt iets over de kracht van de verbeelding en de nooit belangenvrije rol van techniek. Bovenal zet ze een streep onder een onblusbaar verlangen naar werkelijkheid dat niet per definitie hoeft samen te vallen met nostalgie.
Uit het artikel bleek verder dat er onderzoek voor het NWO wordt gedaan naar de sociale rol en betekenis van geluid. De onderzoeker benoemt twee soorten geluid, die het gevolg zijn van een voortschrijdende ontwikkeling. In de geschiedenis was er eerst een hi-fi omgeving, en toen lo-fi. Oorspronkelijk waren geluiden van elkaar te onderscheiden, maar in de moderne lo-fi omgeving, zeker die van een stad, is er meer ruis en loopt van alles door elkaar heen.
Nu dan interferentie, waarvan de particulariteit open ligt. Geluid is veel, zoniet alles. Het feit dat ik in deze lente genoeg krijg van de winter, heeft te maken met de sporadische momenten dat er nog ijs ligt. Het geluid van krakend ijs vind ik althans onovertroffen. Een van de erg aardige dingen aan de zomer is vervolgens dat door de betamelijke temperatuur ramen open kunnen blijven staan. Zo kun je op elk moment van de dag meeleven met de lo-fi buitenwereld, die soms hi-fi wordt. Door het pand waar ik nu een paar jaar woon, besefte ik althans pas dat ik een decennium in de nabije omgeving geen vogels had gehoord – een bijna beschamende constatering, dunkt me, zonder het minste talent te hebben voor arcadisme of enigszins ruraal existeren. Ook vrees ik iets te veel te hebben gelezen over het authentieke, met name over de hang daarnaar.
Onlangs dacht ik aan een geluid, dat voortkwam uit een hilarische combinatie van ijdelheid, nieuwsgierigheid en argwaan. Het klonk bij het programma Raden maar wanneer presentator Kees Schilperoort aan de beller moest verzoeken de radio wat zachter te zetten: de gelukkige wou er zeker van zijn dat hij door de hele natie te horen was. Overigens bestond dat geluid uit niet meer dan een beetje gepiep en gefluit, maar het had in zijn afstotendheid zo zijn charme. Surfend op een mij wat minder himmelhoch stemmende site over jeugdsentiment begrijp ik dat Schilperoort bijdroeg aan een groter programma van de KRO, Tussen Twaalf en Twee.
Ja vroeger, beste gerontomanen, toen waren er nog eens pauzes (waarin samen met de vers belegde broodjes kaas de karnemelk zo uit de koe kon worden getrokken).
Vermoedelijk geïnspireerd door Raden maar organiseerde mijn geboorteplaats, iets voorbij de helft van de jaren zeventig, om het eind van de lagere-schoolloopbaan te vieren een quiz. Er was splinternieuwe muziek bij, die wellicht (nog) niet helemaal op onze situatie van toepassing was, en er klonk een geluid dat niemand kon thuisbrengen. Volgens de jongen die het met zijn cassetterecordertje opgenomen had omdat er geen bonen inzaten en het geluid dus niet volledig natuurgetrouw was, volgens mij omdat het geluid voor mijn generatie in statu nascendi onherkenbaar was geworden omdat geen van onze ouders het apparaat nog gebruikte.
Het moet nogal wat zijn geweest, de introductie van snelfiltermaling in de jaren zestig. Ze gaf vaart aan wat toch een van de meer cruciale bezigheden des levens is. Inmiddels zouden we doorgeslagen zijn naar het andere uiterste, van het gedachteloze gemak, waarbij Nescafé en Moccona een tussenstadium waren van een race die met de Senseo en de Nespresso het tempo heeft zien exploderen en zogenaamd personaliseren. Als reactie daarop is de slowgedachte op vele vlakken het pleit aan het winnen. Exclusief voor fijne luiden? Stemt het geërgerd ratelen van de koffiemolen hen mild of weekhartig? Laten ze het er na gelegitimeerde consumptie bij zitten?
Destijds waren gezinnen groter en het aantal hulpstukken kleiner, zodat drukte ook iets moet zijn geweest dat in zijn volle letterlijkheid bestond. De snelfiltermaling kan aan de niet per se door de paus ingezegende verlossing hebben bijgedragen. Doordat er ongeveer simultaan elektrische koffiezetapparaten op de markt kwamen, verdubbelde het voordeel zich: er hoefde niet meer gemalen, maar ook niet meer opgeschonken. Wel bracht deze uitkomst een eigen akoestiek. Wat zeg je? Waar ben je nu helemaal mee bezig? Volgens mij zijn koffiezetapparaten tegenwoordig nogal stilletjes. Maar van de eerste types herinner ik me een gargantuesk gegorgel – iets moest het werk doen.

donderdag 21 maart 2013

Open brief (7)

Amice,

Ter info: bij de lenteschoonmaak van de taalgrens is mij gebleken dat u andermaal de barabarber welig heeft laten tieren.

Vale,
Casio Pollux

woensdag 20 maart 2013

Open brief (6)

Waarde zoekrobot,

In antwoord op uw vraag kunnen wij helaas slechts meedelen dat zij voor het laatst is gesignaleerd bij zijn rechteroksel. In de hoop dat u, enz

Een cliënt (i.o.)

maandag 18 maart 2013

Open brief (5)

Geachte vip,

Bij het nalopen van uw biografie zijn kruitsporen gevonden. Wij zien het alibi met vertrouwen tegemoet.

vzw In tempore non suspecto

zondag 17 maart 2013

Open brief (4)

Beste collega’s,

Tijdens het instuderen van het Adagio van Brahms’ Clarinet Quintet in B, Opus 115 hebben wij met onze handen in het haar gezeten. Gelieve uw zagen in het vervolg elders te smeren.

Sans rancune,
Het strijkkwartet

vrijdag 15 maart 2013

Open brief (3)

Hoogste bieders s.s.t.t.,

Wegens doublure en tijdgebrek te koop: charisma’s. Zelden ingezet, bijna onberispelijk. De aannemelijkheid van uw daad zal zonder meer worden gewaardeerd.

Een hyperactivist die liever anoniem wil blijven

donderdag 14 maart 2013

Open brief (2)

Nobele onbekende,

Bij een controle van onze boeken bleek dat ze verdwenen zijn. Kunt u ons vertellen of we schulden hebben uitstaan?

De voorhoede minus het middenveld

woensdag 13 maart 2013

Open brief (1)

Beste leden-metaforisten,

Gelieve in uw missives over de pausverkiezingen geen melding te maken van een ‘Vaticaanse roulette’. Dank u.

Het Bestuur i.o.

P.S. We willen de dipsaus terug in het centrale vriesvak.

maandag 11 maart 2013

Koffiesofismen



Vandaag een bijdrage van Nico Krols, uitgesproken op 17 februari 2013, bij het Belgische luik van de presentatie van Koffie. Een doeboek. Brute pech dat die tekst daar niet in staat.
Nico Krols (1971) is hoofdredacteur van Weliswaar, het welzijns- en gezondheidsmagazine van Vlaanderen. Hij schrijft over film voor onder meer De Morgen. Als onderzoeksjournalist maakte hij samen met Marleen Teugels een dossier over asbest voor Knack, waarvoor zij de Dexia Persprijs kregen.


Waartoe inspireert koffie? Behalve tot het schrijven van een boek? Romcom, musical, opera? Ik denk graag in termen van sprookjes, omdat er altijd gratis horror bij komt. Dus steek het niet op de media, want ik heb u gewaarschuwd. Er komt, aan wat volgt, geweld te pas.

Als filmrecensent schuilt er vanzelfsprekend een gerateerd regisseur in mij. Hoe vaak ben ik in mijn hoofd niet aan een scenario begonnen over een moegetergde verkoper die door het lint gaat op die ochtend dat zijn koffie met een klontje suiker te veel geserveerd wordt?
Suiker in koffie, ik vind het maar niks, net zomin als koffie met zuivelwaren allerhande. In coffee, as black as my soul, ga ik op zoek naar de finesse in de puurheid. Witte additieven, laat het aan de Italianen.

Het scenario-idee berust op waar gebeurde feiten. Ik heb lang mijn werkplek in het groene, rustige Terhulpen gehad, niet ver van Overijse, met zicht op oude bomen en schichtige eekhoorns. Daar kreeg ik koffie geserveerd, per thermos van twee liter, met zo’n pompje, en waarmee normaal receptiepopulaties mee aan de waggel worden gehouden, zoals koeien aan een drinkbeugel in de wei. Ik kreeg geen bakje, maar een tank troost, elke dag opnieuw.

Dat zorgde ervoor dat ik ’s avonds als een gek de E19 afroste, op de gezwollen soundtrack van Gladiator, met getrokken zwaard en wapperende wimpel. Voorliggers moesten opzij want ik moest naar huis. Dringend. Geen idee wat er dringend was, maar het moest vooruit. Thuis aangekomen ging ik dan trillend op zoek naar iets, niet wetende wat, en langzaam sijpelde het besef door dat het de overdosis koffie was die me mijn eigen staart had doen najagen.

Alle goede dingen, zeggen wijzere mensen dan ik, moeten we, helaas, met mate consumeren. En hoe ouder we worden, hoe meer de maat zich opdringt. Tot dan was ik de koffieteit toegedaan die ik geleerd had in een Starbucks op de kruising van John en Water Street downtown Manhattan: ‘What goes well with coffee? More coffee!’ Schrandere jongens, die yanks, want het is waar.

Toch gaan koffie en beheersing ook goed samen. Een koffiedrinker laat zich zelden op zijn verslaving betrappen, zelfs niet wanneer hij zich zijn gebruikelijke dosis niet heeft toegediend.

Koffie drink je uit een kopje eventueel of zelfs bij voorkeur, maar uit een beker mag ook. Als hij maar uit porselein of glas is. Niet uit karton. Dat is voor hipsters on the go. De democratisering van het koffiedrinken heeft geen nivellering teweeggebracht, noch naakt een bekermatig einde van de beschaving. Lange tijd vond ik dat je beker mee naar je werk nemen een te huishoudelijke gezelligheid introduceerde die daar niet hoorde en zodoende de zakelijke sfeer verpestte. Je gaat toch ook niet in je pyjama naar je werk? Maar ik heb het tegendeel ondervonden. Vergaderen met een beker koffie geeft blijk van werklust en smeedt een onzichtbare band tussen discussiërende vergadergenoten. Sinds de mens koffie drinkt, is zijn evolutie vermoedelijk pas echt goed op gang gekomen, al moet dat nog bewezen worden.

Wat wordt er, behalve melk en suiker, allemaal niet bij de koffie gedaan? Onder gelijkgezinden geleuterd, onder vrienden per ongeluk geroddeld en onder collega’s, in een zeldzaam goede bui, nuttigheden uitgewisseld. Iedereen kan het over koffie hebben, omdat het zo evident tot ons leven en, voor de gelukkigen, ons werk is gaan behoren.

Pas op leeftijd, kunnen we ons veroorloven om het over koffie te hebben en erover te schrijven in plaats van er ons, zonder voor- of nabeschouwing, aan te goed te doen. Maar wijsheid komt met de jaren, zeggen, nog altijd, diezelfde mensen die wijzer zijn dan ik, en dan is het goed om voor het koffie gaan eerst ’t in eigen kopje te kijken. Al was het maar om dat ontsnapte stukje speculaas eruit te lepelen.

Als je sommige schrijvers en journalisten kan geloven hebben we aan koffie de beschaving te danken, wel, laat ons dan – zelfverklaarde koffie-ologen en barrista’s – ons gewichtige prietpraatje gunnen. Ik moet namelijk nog iets bekennen: ik ben een koffiebarbaar. Ik durf mijn namiddagkoffies al eens verdunnen met warm water. Of ik durf op een zwak moment wel eens voor een deca overstag gaan. Ik ben eigenlijk een theedrinker, altijd geweest, en nu meer dan ooit, sinds bij mij de cafeïnegeïnduceerde daver na de middag ongenadig toeslaat. Kan je beiden zijn? Ik drink thuis thee en op locatie koffie. Mijn profiel is bipolair: dat van een gedomisticeerd, sedentair theedrinker, en een nomadisch, avontuurlijk koffiedrinker. Ik voel je misprijzen, maar tot welke soort behoor jij? Mogelijk maak je je wel schuldig aan het posten van koffiestillevens op een van die talloze blogs met instagrams van lepeltje-in-kopje-op-schoteltje onder de juiste lichtinval?

Koffie staat beter dan thee. Toen ik nog rookte, was thee voor jeanetten, of hooligans. Het was de sigaret noch de koffie die voor de sublieme aha zorgde. Het was de combinatie van beide, zeker op vroege ochtenden. Sinds ik gestopt ben met roken is koffie niet meer hetzelfde. Alle eenzijdige sublimiteit van koffie zit nu in dat gelukzalige solomoment van de geur van koffie bij het ontwaken. Maar die vroege ochtenden mét sigaret, dat was toch anders. Om vijf uur, op een verre reis, buiten in de verfrissende dauw turen, over een voor een Belg ongeziene glorende horizon, met een gitanes zonder filter en slurpen uit een inox kop. Klaar was je dan, voor de rest van je leven, die dag.

Roken is verleden tijd, al ben je daar nooit zeker van, maar koffie zal zijn tijd voor mij wel blijven duren. En anders kan ik altijd nog wegdromen naar de tijd dat ik met vrienden koffie morste en dat die opneemvod van een ober ons toesnauwde dat hij extra zou aanrekenen voor de vlek op het witte tafellaken. We hebben dan het voorbeeld van Donald Barthelme’s dwergen in Snow White gevolgd en de rest van de koffie over het tafellaken gesmodderd. Vwalla. Geen vlek meer te bespeuren, enkel een bruin dampend laken. Ober, nog een koffie graag. More coffee. Koffie maakt slim en onoverwinnelijk, al heeft de rest van de mensheid dat niet altijd door.

Hou het glorieuze moment glimlachend voor jezelf, kwestie van koffiequette. Slurp in stilte verder, desnoods van een latté, en bij de geur van een aangebrand toastje.

zaterdag 9 maart 2013

Eat your pie


Maria Landis, de fameuze kokkin van Guy Verhofstadt, heeft de laatste maaltijd van Hugo Claus bereid. Dat onthulde vandaag Yves Desmet. Op het menu stond trippa alla parmigiana. Dit is het stuk van de rundermaag dat meestal als slachtafval in de vuilnisbak verdwijnt. Bij Claus niet, omdat hij genoot ‘van een sterrenkeuken, zeker, maar ook en vooral van de cucina povera, de arme plattelandskeuken die met twee keer niets een delicatesse in elkaar kan draaien.’
Valt deze keuze te vergelijken met lievelingskostjes van veroordeelden voor ze ter dood worden gebracht? (Van die menu’s, in ambachtelijker tijden wel galgenmaal genoemd, bestaan kunstfoto’s.) De Italiaanse keuken is er ver te zoeken, buiten pizza. Er overheerst vlees, met name kip en hamburgers van gerenommeerde ketens, soms in combinatie met ei, meestal met aardappelen in vaak gebakken vorm, begeleid door melkachtige dranken en ijs.
Enkele minimalisten en zelfkastijders niet te na gesproken is het vooral heel veel, zonder dat de associatie wil oprijzen met een verfijnde grande bouffe, zoals in de gelijknamige film of voor mijn part met Claus. ‘Honger als een paard’, dus. Maar wat hebben edele viervoeters uit te staan met kwantiteit of met de dood?

donderdag 7 maart 2013

Little stars, big stars (aanhalingstekens)

De dood van Hugo Chávez – geen gering nieuws, hoe je ook over hem denkt. Niet omdat hij naar eigen zeggen elke dag op cocabladeren kauwde. Evenmin, voor mij in de hoogstpersoonlijke privésfeer dan, omdat hij stierf op de dag dat het taalkundig genie ‘o my god’ is gaan zeggen, na een schoolreisje naar het dinosaurussenmuseum. Nee, Chávez belichaamt idealen, vuile handen en geweld. Hij verdient tenminste aanhalingstekens om zijn naam.
Bij wijze van herdenking beluisterde ik twee versies van een nummer van Charlie Haden. In de oorspronkelijke, met zijn Liberation Music Orchestra, heeft deze bassist zelf de hoofdrol, in de andere is Ornette Coleman de frontman. Ligt het aan mijn zwak voor een bepaald instrument dat de eerste me in de flora van een oordeel een pietsje beter bevalt (de term ‘authentieker’ durf ik niet te zaaien)? Er is strijdzang in gemonteerd.
Het betreft de Song for Che. Het object werd – als symbool voor verandering, voor ‘links’ – een zogeheten icoon op T-shirts en posters.
De dienstdoende muren en borstkassen, bakstenen en huiden, zullen vreemd opkijken. Inmiddels blijkt, met hetzelfde doel, Che’s beeltenis rechtsextremisten te inspireren. Voor die metamorfose bestaat een mooie score, die door de grote vrouw achter het Liberation Music Orchestra, Carla Bley, niet heel lang geleden is gevat in haar arrangement van Lost in the Stars.
Roept ‘Chávez’ een verleden op? ‘In het dichte weefsel van de geschiedenis zijn geen witte plekken. Ik bedoel: die zijn er wel, er is alleen geen manier om hun bestaan te bewijzen’ (Szymborska). Misschien valt er een vernietigend soort licht over een continent waar niet louter cocabladeren toch al geplaagd zijn.

dinsdag 5 maart 2013

Hola

Kan god een tactische blunder maken? Rüdiger Safranski noemde er eens eentje: ‘Na de exodus begint de verovering van het beloofde land met Gods bemoedigende woorden: “Mijn schrik zal Ik voor u uit sturen en alle volkeren waar u komt in verwarring brengen en Ik zal zorgen dat uw vijanden u de rug toekeren.” Deze God was, voorzover hij zich voor hoeder van de eenheid uitgaf, zelf het probleem waar hij de oplossing voor meende te zijn, want hij scheidde zich af van de goden van de andere stammen en volken.’
Had het opperwezen soms te weinig vertrouwen, in zijn collega’s of in wat zo hilarisch zijn missie is gaan heten? Of was hij reeds in het oude testament sadder and wiser over de wereld? Zelf betrapte ik me gisteren op enige euforie, die me bij nader inzien nogal dwaas voorkwam. Wanneer de winter namelijk ten einde lijkt omdat de zon begint te schijnen, heerst er weinig hoop inzake de gang der dingen.
En de eend die slobbert voort.
Het taalkundig genie kan onder het plots zo gulle licht en bij de gestegen temperatuur helemaal niet meer wachten op het eerste leerjaar en heeft zichzelf tot autodidactisch docent rekenen benoemd. Aan de keukentafel lost ze uit een boek sommen op, met alle vingers die ze kan vinden. Dat is vreemd, want ze kan ook nog niet lezen. Toch pakken haar profane berekeningen zelden fout uit, waarover ze afwisselend lyrisch is en verbijsterd. Bijvoorbeeld over de uitkomst van de met twee handen bedwongen som 0 + 8.
Kan men van de werkelijkheid de taal verleren?

zondag 3 maart 2013

Leuker kunnen we het niet maken


Hallo beste mensen. Europarlementariër Bart Staes zette onlangs in een interview vraagtekens bij machtsconcentraties. Aanleiding was zijn bezwaar tegen genetisch gemanipuleerde organismen, die zijns inziens de biodiversiteit tegengaan en die boeren verder afhankelijk maken van een beperkt aantal multinationals: ‘Als die technologie wordt ingevoerd, zullen de Monsanto’s van deze wereld alles in handen krijgen.’
Memorabel was het antwoord van de journalist: ‘Bijna de hele Vlaamse pers is in handen van een paar families, maar daarom schaffen we de kranten toch niet af?’ Dit verklaart alvast waarom hij, zoals veel van zijn collega’s, binnen de branche smetteloos van de ene concurrerende werkgever naar de andere was overgestapt: verschil, en helemaal ideologie, is onder het tapijt geveegd.
Afgelopen weekend droeg de glossy bij dezelfde krant de kop De nieuwe revolutionairen. Dit verwees naar een groot interview, waaruit bleek dat het hip is om niet alleen te vinden dat de wereld moet worden verbeterd, maar daar ook een daad bij te stellen. Het was geschreven door een journalist die diverse printmedia had gediend én speechschrijver was geweest van de sp.a, de voormalige socialistische partij die in Nederland haar evenknie heeft in de PvdA.
Grappig dus dat uitgerekend in een lifestylebijlage, met zijn programma van een ironisch-pastoraal ‘wij’, uitgerekend deze man over activisme berichtte. Zijn partij beleefde een ontideologisering in de jaren negentig, en schurkt – men zou het door het martelaarschap van de door de N-VA verdreven Antwerpse zogeheten socialistische burgemeester Patrick Janssens bijna vergeten – inmiddels aan tegen de neoliberalen.
Kan de boog altijd gespannen zijn?
Mijn aandacht voor het artikel was gewekt doordat op het glossyomslag Barbara Van Dyck genoemd werd. Haar zaak is op deze blog meermaals aan de orde geweest, mede vanwege de berichtgeving erover. De bezorgdheid van Staes refereerde nota bene aan de gevangenisstraf die haar en medeactivisten is opgelegd. Het medium van dienst leek zich pas afgelopen week te realiseren wat er gebeurd was en, naast de reguliere site die voor kwesties met maatschappelijk belang onmisbaar is (wat van blogs op zich ook de invloed en toekomst moge zijn), het kanaliseerde alsnog een opinievloedje.
Waarom toch mensen? In zijn duizelingwekkende studie Schuld diept David Graeber Chinese boeddhisten op, bij wie het getal 180 peck (1632,2 liter) canonieke proporties aangenomen had. Dit zou de hoeveelheid melk wezen die elke boreling van zijn moedertje krijgt en die moet worden terugbetaald. Onmogelijk uiteraard, maar de melkschuld zou eveneens door boeddhistische liefdadigheid kunnen worden afgelost.
Ook met de beste bedoelingen blijkt het lastig, zo niet ondoenlijk eigen referentiekaders te doorbreken. Het is zondag, jongens, we zullen altijd plaatselijke goden blijven.
In het lange stuk over activisme spraken een paar mannen, maar Barbara Van Dyck kwam niet aan het woord. Wel gingen twee halve bijzinnen en twee hele hoofdzinnen over haar lot. Dat haar naam desalniettemin pontificaal op het omslag van de glossy stond vermeld, kan niet anders betekenen dan dat ze een unique selling point is geworden. Of dat een nieuw plaatje schetst van haar of van het activisme of van de betreffende krant of van ‘de media’ is mij niet echt duidelijk, maar redelijkerwijs duurt het niet lang meer of de nieuwe Antwerpse burgemeester krijgt een verzoek om de naam te veranderen van de Antoon van Dyckstraat.
Dag allemaal.

vrijdag 1 maart 2013

De open bibliotheek van morgen


Vandaag een bijdrage van Saskia Scheltjens. Ze bewerkte haar toespraak bij het Belgische luik van de presentatie van Koffie. Een doeboek, op 17 februari 2013. De tekst had op deze blog evengoed gepast in de reeks ‘Coreferenties’ uit 2010. Toen vertelden gastauteurs vanuit hun expertise iets over een facet van de leescultuur die ik had verkend aan de hand van het fenomeen literair tijdschrift.
Saskia Scheltjens (1970) is faculteitsbibliothecaris Letteren en Wijsbegeerte aan de Universiteit van Gent. Ze werkte eerder onder meer als kunstbibliothecaris bij het Museum voor Moderne Kunst in Oostende en bij het Rijksmuseum in Amsterdam. Ze is ook actief op Twitter.


Een bibliotheek gaat voor mij niet in de eerste plaats over boeken. Of over een gebouw. Als ik dat zeg, dan reageren velen eerder verbaasd. Een bibliotheek gaat voor mij over delen en verbinden. Of dat nu coherente verzamelingen boeken zijn, mensen, computerkabels, kunstobjecten of bij elkaar geschraapte data, dat maakt mij eerlijk gezegd niet zo veel uit. En ook niet waar dat precies gebeurt. Een groot deel van het plezier zit ’m in het koppelen van dingen.
Om te kunnen delen heb je iets nodig dat je wilt en mag delen. Het moet dus iets interessants zijn, en je probeert het zo goed mogelijk te bewaren zodat je het kan blijven delen. Duurzaamheid, openheid en herbruikbaarheid zijn voor een bibliotheek geen holle woorden.

Momenteel werk ik als faculteitsbibliothecaris in de Faculteit Letteren en Wijsbegeerte van de Universiteit Gent. Ik ben daar sinds vier jaar bezig met een hele groep mensen om 49 vakgroepbibliotheken om te vormen tot één Faculteitsbibliotheek. Die komt in een gerenoveerd negentiende-eeuws gebouw tegenover de Boekentoren.


Rozier, Gent – Foto: Torsade de Pointes (CC BY-NC-SA)

De boeken bevinden zich nu op 222 verschillende locaties in Gent, in en rond de Blandijn. Ze staan in leslokalen, afgesloten gangen, oude conciërgewoningen, bureaus van professoren en assistenten, secretariaten, kelders en kleine seminariebibliotheken met allemaal verschillende openingsuren. Het is chaos. En absoluut niet open voor iedereen.
Al die bibliotheken – en het geld en de mensen die daaraan vasthangen – brengen we tegen 2015 samen. In totaal zullen we dan ongeveer 1 miljoen boeken hebben verhuisd, waarvan sommigen meer dan één keer. Dat is veel werk. Des te meer als je beseft dat slechts 52% in de catalogus stond. Dus registreren we deze bulk eerst zodat nadien ook deze boeken kunnen worden opgezocht en uitgeleend. Heel veel werk dus, dat wel wat brandstof kan gebruiken.


Foto: Saskia Scheltjens (CC BY-NC-SA)

Dit is een foto van onze voorlopige personeelskeuken. Bijna het hele team in de bibliotheek is verslaafd aan koffie. En aan chocolade. Maar dat is een ander verhaal.

Op 17 februari 2012 opende de eerste fase van de Faculteitsbibliotheek. Dit is een poster over de huisregels die daar nu uithangt.


Foto: Geert Roels, Lay-out: Gitte Callaert (CC BY-NC-ND)

Als ik die hordes studenten zie die de afgelopen maand uitgeput zaten te studeren in de bibliotheek, kan ik me levendig voorstellen hoe welkom koffie zou zijn.
Ik vind het steeds moeilijker uit te leggen waarom niet. Maar hier komt mijn armzalige reden. Omdat we er momenteel niet voor zijn uitgerust, niet fysiek en niet mentaal. Omdat het in deze fase van de Faculteitsbibliotheek niet past. Nu geopend is een deel van de eerste verdieping van het hele complex, waar het gros van de boekencollecties in open kasten staat. De balies, de studieplaatsen, de administratie, vergaderzalen en personeelskeuken zijn er voorlopig bij geplaatst. Op termijn verhuizen al deze zaken naar de begane grond waar ook andere, meer flexibele ruimtes zullen komen zodat we de huisregels kunnen aanpassen.
En dat is nodig. Tot nog toe hebben we boeken uit een negentiende-eeuwse opstelling gehaald en er een mooie twintigste-eeuwse wetenschappelijke bibliotheek van gemaakt.


Faculteitsbibliotheek LW, UGent – Foto: Thomas Smolders (CC BY-NC-SA)

Deze stap is nodig voor iedereen binnen de faculteit die moet wennen aan het idee van één grote gemeenschappelijke bibliotheek. Maar als we het daarbij laten, gaan we het in de eenentwintigste eeuw niet redden.
Meer nog dan in openbare bibliotheken, voelen we bij wetenschappelijke bibliotheken de invloed van de digitalisering en de impact van technologische veranderingen door het internet. Niet alleen onze collectie wordt onder onze handen virtueler. Ook het onderwijs en het wetenschappelijk onderzoek dat we als Faculteitsbibliotheek willen ondersteunen wordt minder statisch en – intrigerend genoeg – veel minder afgebakend. Iets is nu nooit meer af. Waardoor de noden van de bibliotheekbezoekers verschuiven en we ons als bibliothecarissen dienen af te vragen of ons werk nog zinnig is. Zijn we niet bezig om een fossiel in stand te houden, ten koste van buitengewoon veel gemeenschapsgeld? En hoe verhuizen we onszelf met ons hele hebben en houden naar een nieuwe eeuw, met nieuwe premissen? Zitten niet al onze potentiële bibliotheekgebruikers thuis of in de Mokabon in Gent, met hun eigen kop koffie voor hun eigen laptop of iPad? En blijven dan enkel de studenten over die enkele maanden per jaar de bibliotheken overrompelen omdat ze nood hebben aan een offline omgeving waar zoveel groepsdruk is, dat ze zich wel moeten losrukken van alle online verstrooiing opdat ze zich eindelijk kunnen concentreren?


Foto: Elizabeth Thomsen (CC BY-NC-SA)

Bij bibliotheken doet zich een buitengewoon interessante identiteitscrisis voor – die al een paar decennia bezig is. Maar het is ook een tijd waarbij de oplossingen die worden aangedragen meewaaien met alle denkbare hypes. En sommige bibliotheken waaien daarin meer mee dan andere.
Maar dan denk ik terug aan dat delen en verbinden. En aan de onwaarschijnlijk prachtige collecties waar generaties en generaties van onderzoekers en verzamelaars hun ziel en zaligheid in hebben gelegd en nog steeds leggen. Waar de geschiedenis in zit vervat van alles wat mij dierbaar is aan een universiteit. Maar ook aan bedrijven zoals Google en JSTOR die immense digitaliseringsprojecten opstarten waarbij ze de inhoud van publieke wetenschappelijke bibliotheken gratis digitaliseren. En daarbij en passant het recht verwerven om die inhoud nadien te verhandelen, en – in het geval van JSTOR en anderen – deze voor veel geld terug te verkopen aan diezelfde bibliotheken. Dat is waanzin. Of ik denk aan Aaron Swartz, een internetactivist die onlangs zelfmoord pleegde, en die inzag dat data die tot kort daarvoor nog ‘vrij’ toegankelijk waren via bibliotheken, of op eigen lokale harde schijven, nu in een ijltempo geprivatiseerd worden. Waarbij de toegang beheerd wordt door corporaties die zo onzichtbaar zijn dat ze nauwelijks of niet ter verantwoording kunnen worden geroepen. En dan denk ik: hoe dat zo, bibliotheken en bibliothecarissen niet meer nodig?

Wat deze tijd verder razend interessant maakt, is dat er andere initiatieven ontstaan die de uitgangspunten van de bibliotheek zoals mij die dierbaar is, helemaal herdenken.
Bijvoorbeeld de Occupy-bibliotheken die overal opdoken waar mensen bij elkaar kwamen om te protesteren. Ik ben er zeker van dat er daar, net buiten beeld, koffie wordt gedronken door rogue librarians die vinden dat bibliothecaris-zijn een attitude is, een mindset waarvoor ze niet eens een collectie nodig hebben. Die de wereld tot hun collectie verklaren.


Peoples Library Occupy Wall Street - Foto: Thomas Shankbone (CC BY-NC-SA)

Of zoals een prachtig initiatief in Rotterdam, waarbij buurtbewoners als reactie op de schandalige beslissing van de Nederlandse overheid om blind te snoeien in de culturele sector – en dus ook om een heleboel openbare bibliotheken te schrappen – een eigen Leeszaal hebben opgestart.


Foto: Leeszaal Rotterdam West (2013)

Ingericht in een leegstaand buurtlokaal waar iedereen welkom is. Gratis gebruikmakend van de Wi-Fi van de bovenbuur, met afgevoerde meubels en tweedehandsboeken van de deelnemers zelf. En natuurlijk met koffie.


Foto: http://www.facebook.com/leeszaalrotterdamwest

Maar tussen droom en daad… Dus krijg je ook dit.


Foto: http://www.facebook.com/leeszaalrotterdamwest

Waar dan bijna niemand op reageert…. En heimelijk vraag ik me af hoelang die bovenbuurman het nog prettig gaat vinden dat er lustig wordt meegelift op zijn Wi-Fi zodat hij geen stream tv meer kan kijken wanneer hij dat wil.
Ik wil me niet vrolijk maken over zoiets. Of het bekijken met leedvermaak. Maar als bibliothecaris weet ik wel dat een dienst leveren niet eenvoudig is. Dat het geld en moeite kost. Waarvan ik vind dat de kosten daarvoor gedragen moeten worden door een gemeenschap die het belang inziet van een publieke ruimte waar iedereen toegang krijgt tot informatie en informatiebemiddeling. Waar men kan lezen of studeren als men dat wil. Waar men zorg draagt voor de sporen uit het verleden die ons iets vertellen over onszelf. En maakt dat de wegen naar de toekomst voor iedereen toegankelijk blijven.

En dus zijn we binnen de Universiteit Gent van plan om die mooie twintigste-eeuwse Faculteitsbibliotheek Letteren en Wijsbegeerte die er nu is, binnenkort een eenentwintigste-eeuwse doorstart te laten maken.


Fases Faculteitsbibliotheek LW UGent - Beeld: Mira de Winne (DGFB- UGent)

Met vijf extra verdiepingen buiten die ene die er nu al is. Met een rustige tweede verdieping waar ruimte is voor onderzoekers en mensen die zich voor langere tijd willen concentreren. Maar ook met een begane grond en zelfs een overkapte binnenplaats voor ontmoetingen. Met een digitale werkplaats waar studenten en onderzoekers samen met bibliothecarissen kunnen werken aan projecten en zaken die de collecties van overmorgen zullen worden. Of dat nu databases zijn, websites, geannoteerde gedigitaliseerde manuscripten en kaarten of multimediale boeken zoals wij die ons nu niet eens kunnen voorstellen, dat maakt mij niet uit. Maar waarbij wij als bibliothecarissen hen er wel van trachten te overtuigen dat de zaken die we samen maken het best zo open mogelijk zijn. Met open software en open licenties. Zodat ook anderen na hen de kennis kunnen hergebruiken, en delen en verbinden tot iets nieuws. En bij zulk een dynamiek hoort

Foto: onbekend (CC BY-NC-SA)