zondag 27 september 2009

Het bestaat niet maar het bestaat

Rood het zonnetje dat schijnt over de oceaan van je gemoed. Weet je een zekere koers te bewaren? De verdenking blijft achter bij kapitein Gatbaard, ook om de stand der planeten: vanavond wordt je relatie nieuw leven ingeblazen. Dwaalt het zwarte schaap weer van de kudde? Geloof is ballistisch, claxonneer met mate en wek je familie op straffe van onterving. Vind je het heel erg trouwens dat je steeds nagewezen wordt als het best bewaarde geheim van de natie? Zijn er slechtere garanties op voorland? Flits, witte schil, zakjes en voor je het weet rinkelt de bel in de pot dahag! (Stom hè, daar schildert zich altijd iets bij. Dus je hoeft niet bang te zijn, het rode zonnetje gaat vanzelf weg.)

zondag 20 september 2009

Jump

Was het Urbanus die op de constatering ‘Spring is in the air’ zei ‘Why should I?’ Volgens een betrouwbare bron wordt vandaag, op de drempel van de herfst, herdacht dat veertig jaar terug aan de andere kant van de aardbol in een park nogal fervent werd gesprongen. Voor de vrije meningsuiting. Ondanks een verbod op samenscholing kregen die jumping sundays, met muziek van The Frank E. Evans Band, elke week meer concrete onderwerpen, zoals ‘Vietnam’ en ‘Apartheid’, en trokken ze tienduizenden jongeren aan, hippies, als ik even grof generaliseer. De protesten breidden zich uit over andere parken, over het eiland, enzovoorts.
De hippies van weleer wordt gesuggereerd hun kleinkinderen mee te nemen; het evenement valt onder een Heritage Festival. Het is verleidelijk over dat alles snelle hoon of zachte spot uit te storten. Die dwazen die toen betrekkelijk onwetend en kinderlijk een beetje stonden te niksen voor de wereldvrede, zijn in een gespreid bedje gesprongen! Maar ook zij die mokken over een permissive society met een vleugje cultuurrelativisme kunnen niet ontkennen dat die hippies een topic hadden, daar een risico (op arrestatie) bij voor lief namen en resultaten boekten.
De meest doortastende critici van hippies, punkers, sprongen ook graag, al noemden ze dat pogoën. Onlangs zag ik daar wat historische beelden van, bij een interview met Siouxsie. Hoe welopgevoed toonde ze zich! Zouden hippies haar ‘burgerlijk’ hebben gevonden? Tevens kon ik de hand leggen op een live-opname uit dezelfde tijd, waarin het tegendeel van punk werd gespeeld: LA rock door een sessiemuzikantenband voor Patti Austin. Ze brachten onder meer het nummer ‘Jump for Joy’, dat de tiltknop van mijn vooroordelen beroerde – evangelische blijheid. Wellicht is de titel ontleend aan de masserend omverwerpende musical uit 1941 van Duke Ellington. Er moest gesprongen op zekerheden, terwijl de hippies en punkers nietschzeaans op het koord leken te balanceren. Maar waar heb ik het over? Indien kindjes vrolijk zijn of iets zeer graag willen, stuiteren ze werktuiglijk. En de rest van de mensheid in de Lage Landen, gedomesticeerd, kent de term ‘springlevend’, volgens mij toch betreffende de preapocalyptische fase.
Veel woorden om te bekennen dat ontroering mij omgaf bij het zien van youtubebeelden van die jumping sundays. Scheen er ander licht? Natuurlijk ken ik de demon van de nostalgie, van de sepia, niet het minst door reclames. Zoals van Kanis & Gunnink, in de jaren tachtig, waar op een quasi-achtmillimeterfilmpje ook ‘hippies’ in gezamenlijk geluk bijeen waren; op een of andere manier hoorde ik daar terstond de discussie onder de marketeers doorheen met welke rekwisieten het veiligst en meest effectief de ironische afstand kon ingebouwd, hetgeen me destijds resoluut deed besluiten nooit meer koffie van dat merk te drinken.
Maf, ik heb nooit geloofd dat ‘vroeger alles beter was’, behalve culinair, en wellicht heeft dat duo weemoed & allergie zelfs niet met een specifiek decennium te maken. Ik geraakte eens in een omwaterd ministadje, dat een nagebouwde jarendertigwijk bleek. Moesten daar toeristen mee gelokt? Op welk verlangen mikte men dan? Iets ‘authentieks’, verwijzend naar een tijd dat er een gemeenschap bestond en waar problemen exclusief bij les autres lagen? En is het verschil met een andere decorshifttrend, het ecologische wwoofing, gradueel of immens? Van het stadje memoreer ik uiteindelijk slechts rubber isolatielappen om de schoorstenen en ‘saté met friet’ op een menukaart.
Moet je wel of geen idealen hebben om daaroverheen te stappen? Wat kan zonder voorbehoud echt heten? Zouden er nog onderwerpen structureel kunnen verontrusten en dus uit de trechter van de personencultus weten te blijven? Ik werd gewezen op een bericht dat niet voor de poes is: grootscheepse militaire plannen om de EU te vrijwaren van al dan niet door natuurrampen op drift geraakte vluchtelingen en armoede en ziekte, en om een surplus aan grondstoffen te garanderen. Dit is bedacht door een onafhankelijk bureau, dat bestaande afspraken echter niet kan verhelen. Terwijl Motivaction, waar ik het de vorige keer over had, tenminste ook wat had ontdekt voor een theemerk (dat het kansen heeft tegenover koffie), zijn hier alle middelen, van hightech wapens over spionage tot gelegenheidscoalities, vanuit een synergetisch of holistisch idee geoorloofd. De begrippen ‘Fort Europa’ en ‘preventie’ krijgen er een dimensie bij. Een agenda van het crisismanagement: eigen rijkdom eerst!
Waarom blijft het hier stil over? Te absurd, te paranoïde om waar te zijn? Of te groot om te vertalen in getuigenissen en, omdat – als ik met een persoonlijk voornaamwoord even een seculiere pater mag uithangen – we er allemaal bij zijn betrokken, voor door wetenschappelijk pluimvee ondertekende petities? En waarom houd ik het zelf bij het bericht, dat een rapport samenvat waar ik mechanisch doorheen scroll? ‘The views expressed are those of the authors and do not represent those of the European Commission’. Staaft het, mocht het kloppen, simpelweg mijn cynischer gedachten? Wellicht zouden hippies al tegen zulk ‘imperialisme’ op de barricaden zijn gegaan, hadden punkers er om gebulderd dat de destructie zo nabij was en baden relirockers dat Iemand ons zou bijstaan. En wij? Springen we nog ergens voor uit onze stoel?

woensdag 9 september 2009

Waardeonderzoek

Lastig de lach in te houden bij de najaarscatalogi der Lage Landen (we hebben het over boeken). Er blijken zoveel belangrijke auteurs dat het overzicht al ontbreekt bij het aanbod: welk van de talloze glimmende losse vouwvellen bij de op hun beurt in fictie en non-fictie onderverdeelde catalogi hoort bij welk huis of imprint daar weer van? Uitgeverijen doen het erom, dat zie je direct!
Lachen is de makkelijkste reactie, net als dankbaar zijn dat er per dag meer dan één supertitel gaat verschijnen die ‘in geen enkele boekenkast ontbreken mag’. Zulke rituele reflexen lijken onontkoombaar. Sites die het aanbod zonder filter van media en boekshop kunnen tonen blijken dan wel verbeterd, adequaat willen ze nog niet worden. Toch biedt juist internet door zijn hyperlinks dé mogelijkheid voor een gezelschapsspel: op basis van de gepleegde vergelijkingen, waarin auteur A is bedoeld ‘voor de liefhebbers van’ auteur B, een netwerk van verwanten ontwerpen. Dit zal een hemels kluwentje van de beste families geven, minstens vierdimensionaal, met op het punt van het niets de rest.
Euh, zoals in de Middeleeuwen?
Hoeveel kan een seizoen redelijkerwijs aan? Een selectie uit het zogeheten upmarket segment doet vermoeden dat je niet te veel interesses mag hebben om geen slaaptekort te incasseren, tenzij de crisis zulke hopen werkelozen heeft opgeleverd dat uitgevers hen wilden plezieren met een hobby voor dag en nacht. Maar dan geef ik toe aan het gevoel dat er een overproductie is, die betwist wordt met de opmerking dat er al sinds de jaren ** veel boeken verschijnen (de conclusie dat ze onmogelijk naar behoren geredigeerd kunnen krijgt een soortgelijke tegenwerping: dat dit vroeger helemaal niet gebeurde).
De CEO van Lannoo, goed voor 500 van de bijna 20.000 titels die de Lage Landen jaarlijks verstouwen: ‘We zijn in dit vak bijna collectief zelfmoord aan het plegen, denk ik soms.’ Saillant is dat Lannoo, nadat zijn meest geduchte landgenoot de kranten van het concern annexeerde, nog altijd overweegt de boekendivisie van PCM over te nemen. In een andere hoofdbijzaak, voetbal, zijn de invasionele betrekkingen tussen Nederland en België wel vertrouwd.
Neveneffect van de stortvloed onvergetelijke boeken die gaan komen, is dat alles je ontschiet. Toch herinner ik me één titel: De grenzeloze generatie. Die zal ‘collectieve onvolwassenheid’ uitduiden. Wow, herkenbaar! De reden dat er bij mij een bel begon te rinkelen was echter de bron: ‘het Mentality-waardenonderzoek van Motivaction’. Orkestreerde dat bureau niet de campagnes van zowel CDA als GroenLinks? En verstrekte het zijn adviezen toen niet vanuit een eigen, want vooraf in opdracht geschapen beeld van ‘de moderne burgerij’? Het bureau is reeds gesignaleerd als tergend mediërende instelling tussen bevolking en staat in het publieke debat, maar als fenomeen lijkt het ingewikkelder.
Chantal Mouffe heeft dat beschouwd vanuit de idée reçue dat er geen ideologieën meer zijn, en er dus onder het bewind van Koning Pragma geen verschil tussen ‘links en rechts’ is. Het Einde van de Geschiedenis gaf het Einde van het Conflictmodel er gratis bij. Spinning door Motivactionachtigen bezorgt partijen dan nog enige distinctie bij de kiezer, die zich echter niet slaagt te identificeren met de consensus van het midden, waar hartstochten en collectieve identiteiten hautain zijn weggeredeneerd. Vanwege het door die groeiende afstand tussen burger en politiek getaande democratisch gehalte is Ad Verbrugge evenmin tuk op zulke bureaus. Hij vermeldde ze recent in het kader van de ‘terugtredende overheid’, waardoor de politieke besluit- en gedachtevorming geoutsourcet raakt aan interim-management, adviesbureaus en meer geprivatiseerde goden.
In precies die gedaante, gematerialiseerd door deskundige rapporten, kwam Motivaction voor het eerst in mijn blikveld. Het had het leesgedrag van Nederlanders onderzocht. Twee op de drie had ten minste een keer per week een boek in handen, 47 procent op het nachtkastje en 28 procent las het liefst in bed, tweederde het liefst op vakantie en 42 procent bij het luisteren naar muziek. Weg dus met de cultuursombering van het Sociaal Cultureel Planbureau met zijn falende methodes, die hadden geleid tot de rampzalige ziekte ontlezing! Zo stelde een voormalig redacteur dat tot dan toe was gevraagd of men een boek uitlas, en vond dat er geen oog was geweest voor multitasking. Een ander begreep dat te snel besloten werd dat het boek passé is en startte een leescampagne voor de schoolvakantie. Zo legitimeerden zij prettig onzuur meteen hun eigen baan in de sector – en heilbrengende instanties als Motivaction.
Op de crèche en op de peuterschool van onze S. zit een kindje dat Dante heet.
Er kunnen dus veel meer titels komen, niet noodzakelijk met eindes. Onderwijl gaat de homo zappiens, onmisbaar voor het verslinden van de rijstebrij die najaarscatalogi beloven, het echte werk doen. Daar is wel wat concentratie voor nodig en uitgerekend daaromtrent zijn er empirisch twijfels gerezen. Ze zullen berusten op statistische feilen. En nu maar zoet naar ons bedje, oogjes dicht en snaveltjes toe.

zondag 30 augustus 2009

Pim

Kijk, er is een foto boven water gekomen van de schuur waar we ooit repeteerden. Pas daardoor besef ik dat er een raam was en dat, niet goed zichtbaar, ons bandje een speciaal ontworpen poster had op kopieën waarvan optredens konden worden ingeschreven. Vooral ben ik beschaamd er pas nu van doordrongen te raken dat af en toe – hij studeerde al, elders – een percussionist met ons meespeelde.
Dat was Pim, tweede van links. Het klinkt overdreven maar hij maakte onze muziek compleet. We speelden namelijk instrumentaal, eigen composities, waar iets aan ontbrak. Het lag voor de hand de missing link in de zang te zoeken of een solo-instrument. Nu ik me echter even terug waan daagt de euforie van de momenten dat Pim zich bij ons voegde. Vreemd, percussie brengt geen melodie (waar we vooral gitaar en piano voor hadden), en ondersteunt veeleer het ritme (dat door drums en bas werd beheerd). Het had er alle schijn van dat Pim, vooral met zijn conga’s, die gebieden met elkaar verbond. Dat verwekte een zekere onoverwinnelijkheid, een toxische sensatie die er vermoedelijk op berust dat we ons hechter of zekerder waanden.
‘Pim is boven alles MENS. Een vriend die altijd voor mensen klaar staat zonder daarvoor iets terug te vragen.’ Da’s een heiligverklaring, waar ik niet in geloof. Maar volgens mij wordt hier wel een punt gemaakt, dat mogelijk inherent is aan de kunstvorm. Slechts in samenspel kan een musicus zijn ding doen (zelfmoordthese in de literaire wereld maar alleen al praktisch een argument voor een pianist of drummer tegen een fluitist: bij het sjouwen van de spullen). Samenspel vergt finesse, waar dialogische aandacht voor nodig is. Zo hadden Pim, op drums, en onze bassist elders al uren de schijnbaar simpele riff van Hancocks ‘Chameleon’ geoefend. Die tijd diende om te groeien in dat nummer en naar elkaar, de verhoudingen en de volumes. 
Het citaat over Pim vond ik op Google. Al surfend hoorde ik na vijfentwintig jaar zijn stem, zag zijn gezicht, vernam enige feiten. Meer dan ooit is het me een raadsel wat hr-managers eigenlijk willen bereiken met het natrekken van sollicitanten via een zoekmachine. Ik ervoer althans vooral: onvolledigheid. Wel is mij het bestaan geworden van een Hollandse site waarop je rudimentaire gegevens – van jezelf of een derde – kunt invoeren, waarna je de datum krijgt voorgeschoteld waarop het desbetreffende hart stopt met kloppen. 
Het is even huiveringwekkend als mooi zich te realiseren dat een relatief onbekende een rol in je leven heeft gespeeld, tot de dag van vandaag. Ik herinner me op een doordeweekse avond meegereden te zijn naar Paradiso, waar een presentatie was van de Rietveldacademie. Onder anderen was er een duo. Een gitarist had de distortion helemaal opengedraaid, terwijl zijn kompaan met een moker op een (auto)portier inbeukte. Achteraf zei de gitarist: ‘Optreden is voor ons repeteren, en repeteren optreden.’
We reden terug via Utrecht om Pim af te zetten. Hij zat er op De Akademie voor Expressie door Woord en Gebaar. Van daaruit, met ontluikende bekendheden en onder een idiosyncratische regie, deed hij een paar jaar later mee bij een jonge theatergroep in een schouwburgtournee. Van de voorstelling is me slechts de elegante melancholie van het themaliedje ‘Gentle rain’ bijgebleven en dat de zaal koudweg leeg was. Maar zulke inlichtingen bieden hapklaar voedsel aan rabiate romanticismen over startende kunstenaars en afhankelijkheidsquotiënten in verband met subsidie. 
Ze speelden Shakespeare, leert internet nu. Tevens wordt me verteld dat aan het eind Pim, als Fortinbras, schreeuwend van achter uit de zaal het podium komt opgestormd. Da’s waar ook. 
Onbetwistbaar is dat Pim ten minste twee buitengewone films heeft gemaakt. De ene is een requiem waarop, naar ik begreep, zijn vrouw virtuoos piano speelt terwijl de camera door de ruimte dwaalt en uitkomt bij de verrassend opgetuigde achterkant van haar hoofd; een sardonisch én humoristisch effect. De andere film is een impressie van een eiland én van de begeleidende muziek van Bach. Diens mathematische sentiment heb ik zelden zo scherp geïllustreerd gezien. 
Door zijn lens heeft Pim de wereld scherpgesteld. In die houding lijkt hij mogelijk het meest op een wetenschapper. Niet zo een die ‘voor het debat’ op columnistische wijze steun zoekt voor accommoderende ideeën, maar iemand die intens investeert in onderzoeken en ongeacht de consequenties zijn uitkomsten deelt. Omdat hij vindt: ‘Zo steekt dit facetje van de wereld volgens mij ineen. Knap hè?’ Een sponsachtige empirist. 
Onlangs ging Pim op Malta voor de zoveelste keer snorkelen. Naar gewoonte had hij op het strand zijn papieren begraven. Door het militairedienstplaatje aan zijn hals is zijn identiteit achterhaald. Pim heeft nog twee weken in het ziekenhuis gelegen. Hoewel hij eventueel voor altijd in Malta schijnt te hebben willen blijven, had zijn familie begrijpelijkerwijs liever dat hij naar Nederland kwam. Deze week is hij overgebracht en gisteren is hij begraven.

woensdag 19 augustus 2009

Capitulaties (of gewoon de warmste dag van het jaar)?

In dezelfde voor mij ongewone bron leken twee berichten te rijmen. Eerst meldde Nederlands Dagblad dat voor de aanstaande president van de RMS een Molukse republiek niet langer heilig was, daarna dat Nina Hagen zich had laten dopen.
De republiek werd in april 1950 uitgeroepen en datzelfde jaar door Indonesië neergeslagen, waarna ballingschap. Heden laat de president de onafhankelijkheidseis afhangen van de Molukse bevolking én van de Indonesische regering. Zeggenschap, vooral over de economie, acht hij belangrijker dan een politiek boterbriefje. Al voor de vakantie, toen zijn benoeming gloorde, blijkt hij die lijn te hebben uitgezet. Opnieuw in een protestants orgaan had hij verklaard dat er diverse stromingen waren waardoor samenwerking realistischer was dan eenheid. Coalities met andere volken binnen Indonesië achtte hij even nuttig.
De president wil pas ergens naar streven met steun van een meerderheid. Bij hem wint pragmatiek het van het naakte ideaal, de oplossing van de confrontatie. Nogal een verschil met ruim drie decennia geleden, toen geweld een vanzelfsprekend onderdeel van de strijd was (bezetting van een consulaat, treinkapingen, gijzeling in een school). Sterker, de president wijt het aan die era dat Molukkers nu met hun imago sukkelen en dat officiële instanties selectieve verontwaardiging uiten over andere volken door soortgelijke onrechtvaardigheden te negeren. Die status quo raakte eigenlijk ingebakken: ‘Na de opleving van de strijd in de jaren zeventig kwam er een gevoel van uitzichtloosheid’.
Toen ook vestigde Nina Hagen haar reputatie, niet alleen als virtuoos zangeres maar zeker als autonome vrouw. Antiburgerlijkheid, destijds gesmaakt door het establishment, zette de toon. Dat vrijgevochtene bulkte uit haar fameuze debuutelpee, die zo’n beetje elke muziekgenre beproefde. Dat Nederlands Dagblad haar ‘punkzangeres’ noemt, dunkt me een reductie. Maar dat beweer ik bij herbeluistering, als mij in tekst en muziek het theatrale aspect opvalt dat voortdurend neigt tot satire en stijlbreuk. Zo valt haar werk voor mij nog dieper in te bedden in de jaren zeventig van de rockopera’s en Hauser-Orkaterachtige dingen.
Vergroot ik zo het contrast met de toetreding tot de kerk? In een derde protestants medium ontwaarde een dominee een natuurlijke ontwikkeling bij Hagen. Die teleologie valt me zwaar. Het is ook zo’n cliché, met een ceremoniemeester die weet dat Nina het altijd had betreurd ‘dat ze als kind van atheïstische ouders niet gedoopt was’. Van het ene extreem in het andere – van hyperindividualisme tot verzwelging in prescriptieve collectiviteit. Wel springt op Hagens weblog deelname aan menige maatschappelijk-ecologische actie in het oog en de ironie wil dat het net genoemde medium ook een artikel had over filosoof Koo van der Wal: in excentrisch milieuengagement, zelfoverschrijding dus, bespeurt deze kansen voor een nieuwe religiositeit.
De shufflefunctie op mijn mp3-speler had me nota bene net naar de Nina Hagentijd gecatapulteerd met de zalige Molukse band Massada (beider debuten stammen uit 1978). En zo was daar het nummer ‘Unknown Destination’:

We lost our way in a fight
Let's give us a helping hand
We can sleep neither day or night
'Cause we're strangers in this land

People, where's the old relation?
People, where's our destination? (…)

People, who wants an unknown destination?
People, you don't need it, I don't need it, we don't need it
People, where's the good vibration?
Whatcha gonna do now?

Alsof de nieuwe president hier al spreekt! De muziek geeft echter een tweesporenbeleid: gladde noorderfunk die wordt doorbroken door een lang instrumentaal jazzrockstuk dat met name de drummer niet echt kan dragen. Onbedoeld sorteert dat een folkloristisch effect, wat iets aangrijpends heeft. En gelukkig zijn er genoeg andere nummers, ‘Ibu dari adsal ku’ bijvoorbeeld en ‘Sageru’ natuurlijk, waarop de Melanesische traditie zich effectief paart aan zuiderlatin.
Even waande ik me in repetitieruimtes in een Molukse wijk uit die tijd. In de schuur van (de ouders van) onze extreem begaafde gitarist, en bij uitbreiding in de straten en op een groot voetbalveld, hing een ongrijpbaar aantrekkelijk sfeertje. Over het geweld, dat mij als beroepswatje mateloos fascineerde, werd niet gesproken. Het was muziek voor en na, Santana uiteraard én mij geheel nieuwe bands op de rand van de kitsch: Casiopeia, Gino Vanelli…
Die schuur had als voordeel dat ze dicht bij de keuken was. Maar het bleef een noodoplossing voor het wijkgebouw, waar er volop ruimte was en het geluid, in mijn herinnering, schier transparant naar onze hoofden vluchtte. Alleen was het op een dag tot de grond toe afgebrand; niemand wist hoe en waarom.

woensdag 12 augustus 2009

De paden op

Vreemd genoeg begon iemand niet te smalen toen ik, onderweg, vertelde van Antwerpen te zijn verhuisd naar een provinciestad. Grinnikend werd een verbetering gediagnosticeerd. Gewend voor benepen en profaan verklaard te worden – wel door bewoners van Antwerpen, die zelf in gehuchten zijn geboren – heb ik de verplaatsingstijd onder meer benut om te overwegen wat die grote stad toch minstens even dorps maakt als Amsterdam, zonder aan te sturen op het per zelfacclamatie bruisende cultureel klimaat dat zo claustrofobisch aandoet.
Wel wenste ik iets over het begrip ‘beschaving’ uit te denken, in een wijdere betekenis dan van gymnasiasten die met mes en vork kunnen eten. Wellicht clichématig, maar spoedig daagde het wiel als prototype en toen, tunica propior pallio est om met Van Dale te spreken, de fiets. Het had me jaren geleden al in Wenen gefrappeerd en ditmaal, pedalerend door bijv. Groningen en Bremen, wist ik wederom dat het kon: veilig door een grote stad je route vinden, nu met een aangekoppeld karretje waarin het taalkundig genie en haar op straffe van snoep en oranje ballonnen te bestijgen piespot.
Wie in Antwerpen de fiets neemt is zacht gezegd een waaghals. Inwoners snappen niet dat er een ander privé-vervoermiddel dan de auto kan bestaan. Na een fietser daarmee van de weg te hebben gereden snauwen ze hem toe in een herkavelingspapoeaans. Natuurlijk worden zij geholpen door de infrastructuur die niet bepaald op de tweewieler is ingericht. Voor zover er paden zijn eindigen zij even abrupt en willekeurig als ze beginnen. Over bordjes met pijlen en cijfers tot achter de komma voor specifieke wijken, zoals in Bremen, zwijg ik maar (en dus niet uit beschaving).
Voorspelbaar is dat vervoerstechnisch de stad, en bij media-uitbreiding Vlaanderen, beroering wekt vanwege de Lange Wapper. Onbesproken bij dat toekomstige tracé blijven echter de vooronderstellingen. Bijvoorbeeld dat het milieu vervuild mag worden door auto’s die worden bezet door één persoon terwijl er plaats is voor vier. Of dat, voor het stroomlijnen van de tweeverdienerseconomie, huishoudens onbelast meer dan één auto kunnen voeren. Ik zou denken dat op hen extra kosten voor schappelijker varianten zijn te verhalen. Er is niet zozeer een mobiliteits- als wel een mentaliteitsprobleem.
Ditmaal ligt het naar mijn stellige overtuiging niet eens aan de postideologische branding van de stad dat een veel groter schandaal bedekt blijft. Het tracé dient namelijk in het centrum de oude leien te ontlasten die al meer dan vijf jaar worden heraangelegd. Bij die renovatie is op unieke wijze rekening gehouden met fietsers: niet. Zij kunnen nimmer rechtdoor, zoals vroeger, maar moeten auto- en tramparcoursen overzwenken. Aan het begin van dit project verongelukte prompt een fietser en het is mij niet bekend wat de stand nu is; hoe dan ook zijn de nieuwe leien behalve origineel vooral inefficiënt in hun bestrijding van de overbevolking.
Verbazend dunkt me dat uitgerekend jonge intellectuele stadsbewoners, de een nog snediger en polyglotter over de wereldpolitiek dan de ander, dit niet lijkt te deren. Een enkeling heb ik zelfs het leienfietsontwerp horen prijzen. Die visie is louter te verklaren uit een onbekendheid met de fiets als ervaringsleverancier. Kosmopolitische Antwerpenaren zullen er ongetwijfeld gekruide verhalen over weten, maar in het dagelijks onderhoud moet dat ding voor hen zoiets opwerpen als het bereiden van een warme maaltijd – overlaten aan de middenstand of aan de papa en de mama. Vanuit die optiek wordt de onnutheid van het vervoermiddel onderstreept door een lekke band.
Ik kreeg er eentje toen ik een dag in Antwerpen woonde en op zijn Hollands dacht de stad via de leien te kunnen verkennen. Parijs-Roubaix kende ik slechts van televisie.
Aan de oude leien, die een fijn gemurmel van autobanden veroorzaakten, bewaar ik sowieso dierbare herinneringen. Woonachtig ter hoogte van het kruispunt voor de Nationale Bank was er elke middag vanaf vijf uur een fenomenaal gekrioel te aanschouwen doordat het volledige gemotoriseerd verkeer (diverse trams en ontelbare auto’s) gestaag vastliep. Maar na enig arrangeren wist elk miertje uit de hoop zijns weegs te gaan.
En is het in mijn huidige provincieplaats beter? Vervaarlijk klinkt het motto ‘stad in volle vaart’. Er wordt naar gestreefd het centrum zo bereikbaar mogelijk te houden. Dit schijnt te moeten betekenen dat auto’s er diep in kunnen penetreren, terwijl de straten niet bijster breed zijn. Gisteren trachtten twee tegenliggers naast elkaar, luid knorrende beesten achter hen, de bestuurdersraampjes open, met gesjor aan andermans stuur doorgang te verkrijgen.

donderdag 23 juli 2009

maandag 20 juli 2009

Herman (3)

Het optreden van Herman Brood & his Wild Romance bij VARA’s lijn 3 uit 1977 is vooral interessant in genetisch opzicht. Er zijn vroege versies te horen van liedjes, die niet alleen sneller maar vooral uitgepuurder worden gespeeld op Shpritsz. Een standaardalbum, al heeft Joost Zwagerman ooit bekend het debuut Street beter te vinden, wat mij kennerssnobisme lijkt. Hoe dan ook had een onstuitbaar succes de band in zijn greep gekregen. Over de opvolger Cha cha, een live-elpee, onthult VARA’s lijn 3 met terugwerkende kracht dat er geen enkel nieuw liedje op heeft gestaan – met recht zegt Brood in Boston dat hij in de luttele tijd aan gene zijde van de oceaan meer songs had geschreven dan het hele jaar tevoren.
Mij dunkt dat het optreden in Boston 1979 aldus een onoplosbaar dilemma verraadt. Enerzijds moest er van nul af aan een nieuwe verovering gedaan (en liet de ritmesectie uitschijnen dat dit kon), anderzijds waren met name Brood en Lademacher toe aan het verzilveren van publieke investeringen. De Wild Romance diste fracties op. Het lijkt alsof Brood dat projecteert op John Travolta, om wie, vermoedelijk vanwege het traject Saturday Night Fever-Grease, volgens hem door het Amerikaanse publiek wordt gelachen, ‘but the man is okay’.
Niet echt conform mijn inborst zou ik verlangen naar een compromis tussen Boston 1979 en VARA’s lijn 3 uit 1977. En dat compromis bestaat, getuige de opname uit juni 1978, live in de Prinsentuin te Leeuwarden. Bij dat notoire concert, waar na een paar nummers de gitaar uitvalt en kinderen vooraan in het tienduizendkoppige publiek volgens Brood – half bevreesd, half geamuseerd – tegen het podium platgedrukt dreigen te worden, haalt de Wild Romance zijn top: 21 nummers, inclusief onderbreking en de relevante cover ‘Pourin’ it all out’ van Graham Parker. Broods bereik als zanger wordt optimaal benut in een ritmestem: bekwame raps binnen een halve toonladder. Dat had iets wervends. Misschien schuilde een deel van die magie in de onverstaanbaarheid van de teksten; behalve een wrak geheugen manifesteerde Brood een slordige articulatie. Er ontstonden versies, bij maker én luisteraar.
In de Prinsentuin slaakt Brood kreetjes die ik pas veel later kon thuisbrengen, toen mijn dochtertje kraaide van plezier. Hij heeft achteraf verklaard dat precies bij de Leeuwardense affaire hij er met zijn gedachten niet bij was; die afwezige intentie ten faveure van een autonoom opererend lichaam zal verklaren waarom het optreden zo geslaagd is.
Maar da’s mijn interpretatie op grond van particuliere expertise. Er zijn langs die weg nogal wat pogingen gedaan om het fenomeen Brood te duiden en vast te leggen. Met afstand de ingrijpendste is die van Bart Chabot in Brood en spelen. Deze aflevering uit de meerdelige biografie geeft tot in detail een verslag van een theatertournee met Brood, met al diens charme en egocentrisme. Het psychogram was eigenlijk al gegeven in 1966, door Pé Hawinkels: ‘Wat wereldvreemd. Verder bijzonder sociabel door de uitzonderlijk rauwe humor en skrupellosigkeit die hij erop nahield.’ Dat was in een brief, terwijl Chabot een dik, wonderbaarlijk boek schreef waarin hij zich een groot schrijver (en een solidaire vriend) betoont, die in de traditie van New Journalism hier de ster in zijn zogezegd allerlaatste nadagen laat zien.
Brood en spelen frappeert des te meer omdat men zich bij zulke documentaires in woord of beeld veelal beperkt tot zijn muzikale toptijd en dus drie jaar uitkiest uit een carrière van zo’n vijfendertig jaar. Die bekorting moet zijn gedreven door bekoring, met de personificatie van een gesamtkunstwerk dat toen op de maatschappij werd losgelaten. Daar leek het maar met één liefje een wild romance te hebben: het leven, 24 uur p.d.. Waar het mezelf aangaat, zal de leeftijd waarop ik dat aanschouwde een rol gespeeld hebben. Bij een beginnend puber, in wie de hormonen gieren, is de constitutie allicht wat vatbaarder voor prikkels dan in andere fasen.
De euforie wordt gedeeld en bij de neergang is men met evenveel recht verslagen. En iedere gegrepene denkt dat ‘One (of a kind)’, volgens de snob in mij het fijnste nummer van Shpritsz, op hem en hem alleen slaat.
Als ik ooit de moed krijg om kranten, tijdschriften en televisieprogramma’s van 1977 tot en 1979 uit te pluizen, dan lijkt het zeker mogelijk een boek te maken over Herman Brood & his Wild Romance waarin de ampersand is opgelost omdat het, van komkommers gesproken, een autobiografie zou zijn.

Naschriftje

Van het Prinsentuinconcert bestaan foto's. Bij VARA lijn 3 is Cavalli nog niet de bassist, maar Gerrit Veen. Deze speelt ook op de vroegste algemeen toegankelijke opnames van Herman Brood & his Wild Romance: een demo uit 1975 en een optreden in het Groningse café De Koffer uit 1976.

vrijdag 17 juli 2009

Herman (2)

Als de term ‘topvorm’ ergens op zijn plaats is, dan voor de ritmesectie van Herman Brood & his Wild Romance bij het optreden in Boston, 1979. Naast Meerman moet in dat geval bassist Freddie Cavalli worden genoemd. Zij lijken van acquit verdwenen in de nummers en vormen aldus, in een gekende metafoor, het ‘fundament’ waarop het glazen gebouw van de popmuziek staat te pronken. Instructief is dat het tweetal niet altijd even strak speelt (de Wild Romance heeft technisch betere ritmesecties gekend), maar de ademhaling reguleert. Het fundament is dus flexibel, wat bij een voorganger als Brood wel zo efficiënt is, en maakt de muziek schokvrij. Van de voetafdruk die Brood in de Verenigde Staten wou achterlaten, zichtbaar gesteund door zijn begaafde gitarist Danny Lademacher, bepalen drums en bas de tijd en de plaats. Had Cees Meerman de liedjes geïncorporeerd? Waar hij van de cruciale dameszangkoortjes op de plaat bij optredens sowieso de eerste tweede stem voor zijn rekening nam, zingt hij in Boston ook halve coupletten mee. Hij geeft daarmee extra comfort aan Brood, die melodisch niet echt virtuoos was en die een reputatie op te houden had als het ging om het vergeten van teksten. Uniek aan Meerman was bovendien dat hij de kleinste eenheid binnen een song aanduidde met een bekkenslag, zodat hij een zinnendrummer mag heten. Meer dan iemand anders stond hij in dienst van de band. Dat is een gratuite constatering, ware het niet dat ze in deze bezetting steevast was opgegaan voor Lademacher die de kunst verstond te begeleiden en kernachtig te soleren. In Boston laat uitgerekend hij steekjes vallen. Het betreft dan niet eens hoorbare foutjes maar de intentie. Lademacher fröbelt! Zijn solo’s hadden min of meer vastgelegen en nu voegt hij versieringen toe, in triolen ook nog. In plaats van effectief wordt hij virtuoos, waarmee hij doet wat in de programmatische song ‘Rock ’n roll junkie’ werd bestreden: behoren tot de ‘symphonic nellies, pretending high class’. Ook Brood rukt zich los uit het collectief door veel te babbelen. Hij doet dat uiteraard om het publiek gunstig te stemmen. Maar hij moest het hebben van een vrolijk antagonisme ten opzichte van altijd wat stijfjes heersende machten. Ondanks een vroegliberaal pleidooi voor een terugtrekkende overheid onder het motto ‘I love this country’, een land waarop hij naar verluidt al verzot was toen hij als achtjarige ‘Johnny Weismuller doing Tarzan’ zag, laten veel van de tussenteksten slechts de interne keuken van zijn levenswijsheden zien, die inderdaad floreren bij nationalisatie. Aldus is Brood terug bij af, in mijn vergelijkingsmateriaal bij het optreden uit 1977, voor VARA lijn 3. Daar was hij minstens zo goed geluimd, met vaak geestig geleuter over zijn favoriete onderwerp: zichzelf. Dat heeft iets charmants, als een verlegenheidsoplossing omdat Brood eigenlijk niet durfde te zingen en zich achter de piano ophield, verborg naar mijn idee. En omdat hij daarbij zijn stinkende best deed melodisch te zingen, ontstaat een Koos Koetseffect. In Boston biecht Brood juist op dat hij, in tegenstelling tot Ray Charles, niet simultaan kan pianospelen en zingen. Dus bepaalt hij zich hees tot het laatste, en is melodie verworden tot, exclusief, kretologie. Brood achtervolgt zijn taal. In een uur worden tussen al het gebabbel en een applaus voor de toegift 18 nummers gespeeld. In 1977 komt de Wild Romance niet verder dan 14 stuks, waarvan de laatste, ‘Anything that makes you feel good’, nog moet worden weggedraaid. Maar dat heeft ook te maken met het genre: de rock neigt dan nog naar Broods favoriete genres funk en soul, die nu eenmaal een lager tempo vereisen en lange intro’s. Ze behelzen ook bij uitstek zwarte muziek, die voor autochtone laaglanders nog het dichtste valt te benaderen op de dansvloer. Bovenal is na vele personeelswisselingen de bezetting kakelvers, nog zoekend. Misschien speelde Brood mede daarom voortdurend piano en hoefde dat niet langer toen hij blind kon vertrouwen op de drie. Die vonden elkaar en hem. Herman Brood wás de Wild Romance en vice versa.
Met het ontslag van Meerman was het hart uit het organisme verwijderd en daarna moesten externe, kunstmatige factoren de band in leven houden. De figuur van Sjef van Oekel die de Wild Romance na de Amerikaanse tournee van Schiphol ophaalde, tekende al het tekort dat zich, alle heldenverhalen en filmplannen en wat dies meer ten spijt, snel zou laten gelden. Hooguit luidde de vraag wie nog in de onderneming geloofde. Reagan stond op het punt de macht over te nemen, Thatcher… Broods imperium stortte ineen en vanaf dan waren er louter periodieke opflakkeringen te registreren. Hoezeer de trouwe manager Koos van Dijk op die momenten kon beweren te voelen dat ‘de oude tijden herleven’, in Herman Brood & his Wild Romance was de nadruk komen te liggen op de ampersand. Waarom wil ik dat toch allemaal navlooien en vaststellen? Daarover bekruipen me wat suggesties, waartoe er nog een komkommer moet opgediend. Charlotte Mutsaers schreef het al: ‘Extremiteiten bezit hij niet en daardoor lijkt hij een en al hoofd’.

zondag 12 juli 2009

Herman (1)

Wat misdeed de komkommer dat media hun zomerslaap naar deze frisse vrucht hebben vernoemd? Duidelijk is dat ze bedwelmd terugblikken op ‘legendarische’ toestanden die bij voorkeur een rond aantal jaren geleden voorvielen – de komende decennia op 25 juni het overlijden van Michael Jackson en, hopelijk, op 12 juli de laatste adem van Simon Vinkenoog. Zou ik aan dit menu iets kunnen bijdragen? Door een bewust maar niet minder discutabel trekje aan het internetwezen weet ik me de gelukkige bezitter van drie liveopnames van Herman Brood & his Wild Romance uit 1977, 1978 en 1979. Redelijkerwijs kan ik vanwege mijn aanhalingstekens in de openingsalinea die tijd niet meer luisterrijk serveren, maar er zijn gronden voor de hypothese dat dit behalve de succesvolste de beste bezetting is geweest. De opnames vertonen ook een interessante curve, en narekenend is het precies dertig jaar geleden dat Brood op tournee ging door de Verenigde Staten. Nu schuilt de bijzonderheid er niet in dat een Nederlandse groep probeerde vaste voet te krijgen in het geboorteland van de rock, wel dat de offers daartoe groot waren. Vooraf had Brood er al gebracht. De fameuze openstaande gulp van een leren mannenbroek op de hoes van Shpritsz was vervangen door een paar vrouwenbillen in satijn. ‘Saturday night’, ook transatlantisch ingezet als hitsingle, kreeg een discoachtige uitvoering, waarin bijvoorbeeld ‘We had to hit him to the ground’ het veld geruimd had voor ‘Just digging sounds’. Op een of andere manier had ik gehoopt dat de opname uit juli 1979, gemaakt in het Paradise Theatre in Boston voor een uur radio, zou onthullen dat de Wild Romance in de werkelijkheid van zijn optredens overzee trouw was gebleven aan het non-conformisme dat ze uitdroeg. Maar van ‘Saturday night’ waren de huiveringwekkende openingsregels ‘The neonlight of the open all night / was just in time replaced by the magic appearance / of a new day, while melancholic reno / was crawlin’ on his back…’ inderdaad komen te vervallen: ‘Beautiful soulmusic chirpin’ out of the jukebox / chicks dressed to kill / surrounded by the boys like bees on the honey…’ Die metaforische zoetigheid geeft de moeite weer die Brood zich getroostte het publiek te behagen. Alleen geschiedde dat met wat projecties op ‘Amerika’ moeten zijn, zodat de Wild Romance onwillekeurig trekken kreeg van een bruiloften- en partijenorkest. De met ‘Thank you, Lord’ afgesloten cover ‘Knocking on heavens door’ beschaamt: een overbekend nummer van Bob Dylan, waar muzikaal geen eer aan te behalen is. Ook een van de hoogtepunten van Shpritsz, ‘Champagne and wine’, had Brood niet voor niets zelden live uitgevoerd: een delicate song die snel een niemendalletje wordt – en in het land van Otis Redding een belediging. ‘Going To The City’ van Mose Allison loopt dan weer gesmeerd, maar dat nummer had Brood, en deze bezetting, al tijden op het repertoire staan en was totaal eigen gemaakt. Hollands beroemdste junkie oreert dat hij ‘absolutely against’ zijn lichaamsbrandstof is. Hilarisch in dat licht vind ik zijn karakteristiek van ‘Dope sucks’ als ‘a religious song’. In die tijd was er een heus traditietje van zulke campagnes: beroemdheden waarschuwden op zo’n manier tegen de gevaren dat de verleiding groeide. Brood vertelt dat twee van de veertien stations die het optreden zouden uitzenden zijn liedje niet in de set wilde hebben, terwijl hij juist bedoeld had dat… Hij legt het er allemaal dik bovenop en blijft mekkeren dat drugs ongezond zijn en somt bij zijn mantra’s van namen aan wie hij dit en dat opdraagt beroemdheden op die voortijdig aan de naald waren bezweken, ‘which is a shame’, terwijl zij natuurlijk zijn idolen waren. Hier openbaart zich zijn privéoffer: wegens de strenge Amerikaanse wetgeving was hij zelf drooggelegd. In gedogend Nederland had nota bene zijn grote liefde, die weigerde mee te acteren in de publiciteit, getracht hem narcoticaneutraal te krijgen. Zonder resultaat, maar vermoedelijk tot opluchting van muziekliefhebbers. Wel had Brood voor haar een prachtsong geschreven, ‘Doreen’; de naam had hij ook laten tatoeëren op zijn rechter bovenarm. In het beloofde land had hij voor de camera er op de linker ‘POP’, met een traantje, bij laten tekenen. Voor de radio speelt de Wild Romance een euforische versie van ‘Doreen’, zij het dat ze die naam wegschreeuwen met ‘Boston USA’. Broods Amerikaanse tournee werpt voor mij de kwestie op in hoeverre het doel de middelen heiligt. ‘I am trying to get close to you my ass off’, zoals de ster zelf het veeleer klassiek-katholiek dan vroeghip-calvinistisch uitdrukte. Wellicht het grootste offer bleek bij thuiskomst: op advies van de Amerikaanse producer van zijn nieuwe elpee zette hij drummer Cees Meerman uit de band. Deze aanpassing werd opnieuw zichtbaar op een hoes, van die elpee Go nutz namelijk, waar Meermans hoofd was overgeplakt door dat van zijn opvolger. Rechtvaardigden de optredens die totalitair te noemen retouche? Als antwoord wordt binnenkort in dit theater een tweede komkommer opgediend.

maandag 29 juni 2009

Interventie

Lezen kan inhouden: zijn meerdere erkennen. Dat gebeurt me bij Paulus. De fundering van het universalisme door Alain Badiou. Hoe sympathiek zijn pleidooi voor de waarheid als ‘universele singulariteit’ en voor ‘tolerante onverschilligheid met betrekking tot verschillen’ ook is, ik zou liegen als ik beweer dat ik er alles van begrijp. Luiheid? De gehanteerde termen zijn voor mij geen klein bier, maar ik vermoed dat het tekortschieten mij stiekem ook deugd doet. Voor een goed begrip zou ik namelijk de brieven van Paulus moeten lezen. Daartoe is er een verzamelbundel, die mij nooit zo heeft gelegen. Te langdradig en een weinig geloofwaardig hoofdpersonage.
(Uit de brieven aan de Korintiërs prikte ik ooit doodleuk een zin voor een gedicht. Terecht werd het nooit gepubliceerd; wel heb ik de zin later als motto gebruikt zien worden in een passender context.)
Hulpeloze lezers slaan graag zijweggetjes in, waarop ze iets bekends hopen te treffen dat voor hen het landschap met terugwerkende kracht verheldert. Mij overkwam dat toen Badiou de ‘antifilosofie’ van Paulus als tekstsoort karakteriseerde. Geen verhaal, een traktaat noch een profetie, maar een ‘interventie (…) Hij roept mensen op te breken met hun oude leven en de geschreven vorm volgt wanneer nodig’.
Hola! Ik had net een artikel onder ogen gehad waarin interventie eens níet met stencilmachine en molotovcocktail aan een revolutie werd gelinkt. Ze figureerde als vorm waarin populisten hun armageddonpunt maken dat ze pas brengen als het kan worden geregistreerd. Buiten die mediamieke ruimte existeren ze amper. Is ook onnodig vanwege hun rol die ik goddelijk zou noemen, ware het niet dat er martelaarschap wordt ervaren. Populisten ventileren hun colère ‘namens het volk’, wiens stem wordt genegeerd door de bestuurlijke elite enz.
Het artikel herinnerde me aan twee voorlichtings- annex inspraakavonden in mijn woonplaats. Beide keren werd de burger een drankje naar keuze aangeboden maar koffie, toch een gekend smeermiddel bij vergaderingen en andere consensus nastrevende situaties, schitterde door afwezigheid.
De eerste bijeenkomst ging over ingrijpende infrastructurele werken die op stapel staan. Ze zullen ongeveer tien jaar vergen en dan verlichting bieden aan de mobiliteitsdruk (aangeduid als ‘infarct’, waardoor de stad een lichaam wordt maar haar ingezetenen niet vanzelfsprekend organisch). Alle inwoners waren uitgenodigd, bijna niemand kwam opdagen. Ondanks het feit dat de tijd voor vragen en suggesties grotendeels werd volgepraat door de bestuurders en specialisten zelve, ging de avond kabbelend voorbij.
Een week later was het tweede treffen, een jaarvergadering van de wijk met schepenen voor lopende zaken waaronder de infrastructurele operatie. De zaal zat bomvol. En meteen bleek: men was overal TEGEN. De schuldigen waren ook snel gevonden: ‘de gemeente’, ‘de politie’, ‘de politiek’. Pogingen om ‘pijnpunten’ in een verband te krijgen (parkeerplaats voor de deur vs woonwerkverkeer) strandden in onbegrip.
Luide kritiek kwam vooral van een klein, armer deel van de wijk, woonachtig aan ‘mijn’ kant van de weg. De meeste aanwezigen waren van het meer vermogende deel ter overzijde. Ze deden eerst mee met bashen en exploiteerden vervolgens hun eigenbelang, mede met het oog op de nabije toekomst en de middellange termijn, door er in vraagvorm de schepenen mee te confronteren. ‘Hoe denkt u op te lossen dat…’ Na afloop werden contactgegevens uitgewisseld. Op maandelijkse wijkraden, waar plannen en correcties daarop zijn te lanceren, had ik die slimme, verdacht vaak Noord-Nederlands sprekende lieden nooit gezien. Al die andere opinieventers evenmin trouwens.
Frappant, de effectiviteit van bemiddelden die een Matteuseffect sorteren. Anderzijds de blinde afwijzing van alles wat de stad organiseert: over de aanleg van een mooi fietspad dat de veiligheid bevordert klinkt niet meer dan dat dit lang duurt, weinig politietoezicht heeft en stof veroorzaakt.
Redelijkerwijs leidt zo’n door cafeïne aangedreven motor van ongenoegen tot acties, of echte burgerlijke ongehoorzaamheid. Maar het heeft er alle schijn van dat twee uurtjes klagen de gemoederen heeft bedaard. Desinteresse? Onvrede kan altijd wel in een poll of comment worden uitgestort (24 uurseconomie van de mening). Zijn interventies niet meer dan oprispingen en gaan ze over niets anders dan de eigen stoep? Vaak wordt met de slappe thee van de karikatuur naar ‘de jaren zeventig’ gekeken, waar voor de wereldvrede alleen al in Nederland 2500 actiegroepen bestonden. Wandelden zij louter door geloof en niet door aanschouwen?

vrijdag 19 juni 2009

Alleslezer

Aardig aan Nergensman. Autobiografieën van P.F. Thomése zijn de tegenspraken. Zo hanteert hij een vrijblijvend, quasi-postmodern perspectief op het ik dat uit veel personen zou bestaan, maar weerlegt dat existentieel dramaatje impliciet door zonder veel relativering nogal wat meningen te debiteren die hij nadrukkelijk verankert in tijd en plaats. Ik zie uiteindelijk een rechte lijn van de onbescheiden betweter John Lennon, aan wiens liedje Thomése zijn titel heeft ontleend, naar Barack Obama – de omtrekkende bewegingen die de president zelfs grammaticaal doet om zijn punt te maken, laten onverlet dat er een hele, bepaald niet postideologische agenda achter zit. 
Mij was het boek uit het hart gegrepen vanwege de observatie van een fetisj: 'Verwondering is het voorrecht der conservatieven.’ Temeer daar Thomése voordien had gesteld: ‘Aforismen zijn er voor lezers die te beroerd zijn om verder na te denken.’ (Interessant zijn sowieso zijn ideeën over stijl. Hij vat het eigen geluid op als makkelijk te imiteren trucage, terwijl een schijnbaar onopvallende woordzetting de finesse van een meester zou kunnen verraden. Confronteer dat met Thoméses homeopathische Vladiwostok! en met zijn tirade tegen de narcistische samenzwering, waar juist eigenheid, het literaire of ‘gekunstelde’ een nadeel zou zijn tegenover eenheidsproza, dat ‘toegankelijke’ wendingen en uitdrukkingen bevat die iedereen gebruikt.) 
Onduidelijk voor mij blijft of het een gimmick is dat de auteur zichzelf als een niets-belever en alleslezer te kijk zet en of het tweede uit het eerste voorkomt. Maar dat is een vraag die boven mijn pet gaat, bijvoorbeeld omdat de tegenstelling erin me ontsnapt. Bovendien dringt een gerelateerde kwestie zich naar de voorgrond. Meer dan eens bekent Thomése in zijn carrière als boekenverslinder namelijk een vliegende start te hebben beleefd door het werk van J.B. Schuil. Hij zegt nooit te hebben gedacht dat het afkomstig was van een mens met een leven en zo, het leek een logo dat veeleer een type of een genre aanduidde. 
In den beginne was Schuil, zo heb ik dat ook meegemaakt. Zijn boeken leken domweg altijd te hebben bestaan, altijd voorradig ook in de bibliotheek om meegenomen te worden (dit mysterie was beduidend minder groot dan een van de weinige titels die in mijn ouderlijk huis in de kast verstierven: De Mens Ernie Pyle. Wie was de auteur, wat was de titel? Pas vandaag ontdek ik dat hier een complete vertaalde titel in het geding is, waarin de auteur opgesloten zit). En och, het zal zo zijn dat wie van Schuil kan houden zich goed kan schuilhouden, maar Nergensman duwde me een andere richting uit. 
Thomése noemt tweemaal De AFC’ers, en tweemaal hetzelfde personage daaruit: ‘Keesje van Bree’. Vreemd, ik had dat boek toch ook een paar honderd keer doorgenomen en de naam zei me niets, of althans: niet helemaal iets. Wel wist ik meteen bij ‘Eddy Loman’, die Thomése eveneens opvoert, dat het Lo(o)mans moest zijn. Een geheugenslip zeg maar, of een passierijke verschrijving van een groslezer, vermoedde ik: Willy Loman is hoofdpersoon van Death of a Salesman. Ook zal een verklaard muziekliefhebber als Thomése geen verwarring hebben gewild met de familie Lomax
Maar Keesje van Bree? Ik heb er heel even De AFC’ers op nageslagen, en inderdaad heet het bedoelde personage anders: Keesje Brummer, keeper. Vervolgonderzoek durfde ik niet te doen om de simpele reden dat me de tijd en het gemoed ontbreekt me weer te laten meeslepen (ik bladerde door het slot waar Keesje wegens het redden van een kameraad wordt onderscheiden, bij de onder het Wilhelmus begeleide aanblik waarvan zijn vader het te kwaad krijgt). Ook ken ik Thoméses boeken onvoldoende om te beoordelen of dit een mystificatie is. De enige sleutel die ik meteen kan bieden is dat in Thoméses vormende jaren een goede keeper het net niet haalde: Nico de Bree. En dat de strenge docent in Bint heet Van Bree. 
Wie het weet mag het zeggen.

vrijdag 5 juni 2009

Maanman

Sinds ik ging ‘studeren’ borrelt in mij onmiskenbaar een zekere afkeer van wetenschap. In het algemeen zal ik er, met vertraagd begrip een kind van mijn tijd, niet echt ‘de maatschappelijke relevantie’ van ingezien hebben. Inmiddels is geconstateerd dat door recuperatie van precies die reden de technocratisering van de universiteit, met gequoteerde publicaties en onderzoeksgeldstromen en bulkend management, haar beslag heeft kunnen krijgen.
Maar nu ben ik genezen. Mijn vertrouwen in de wetenschap is hersteld door een bericht over linguïstisch onderzoek naar de eerste woorden van Neil Armstrong toen hij in 1969 de maan betrad. Daarbij gaat het niet om de felicitatie die hij volgens apocriefe bronnen aan zijn oude buurman richtte, maar om zijn vergelijking tussen mens en mensheid, dus om de vooruitgang die zou zijn geboekt. Naar nu blijkt was Armstrongs one small step toch niet ‘for a man” maar ‘for man’ – hij verkleinde zich al vergrotend.
Bij die conclusie is, nog los van de respectabel krakkemikkige geluidsverbinding, rekening gehouden met zijn Ohio’s accent, volgens welk de ‘a’ zacht wordt uitgesproken, zodat men in de zin lang een soort gat hoorde vallen. Maar uit een spectografische afdruk van de originele magnetische tape van de Apollo 11, geoptimaliseerd met de recentste audiotechnieken, bleek daar helemaal geen plaats voor te zijn. Man. In het vuur van het ogenblik had Armstrong onbedoeld door die omissie extra nadruk gelegd op het verschil met mankind, vreemd genoeg door een equivalent (waar vanaf de aarde nogal lacherig over is gedaan). Hij schiep een bedwelmend te noemen ritmische parallellie, tevens de reden waarom de zin soepeltjes in het geheugen plaatsnam: poëzie in de dop.
Terzijde genas ik van nog een kwaal. Uit zijn lichaamstaal en spraakpatronen is afgeleid dat Armstrong zijn catchphrase spontaan heeft geuit, of tenminste zelf verzonnen. Hij is niet ingefluisterd door zijn opdrachtgever de NASA, of desnoods het Witte Huis. Voor iemand als ik, die een fictieserie als The West Wing geloofwaardig acht omdat de president voortdurend acteert tussen zijn pr-mensen en ghostwriters en pas in de tweede jaargang heel eventjes in beeld komt bij zijn kabinet, is dit lastig om aan te nemen, maar het is nu bewezen.
Wel ontdekte ik, euforisch voortsurfend, de vakliteratuur niet goed bijgehouden te hebben. Ik stuitte namelijk op nog een weetje: Neil Armstrong was niet de eerste op de maan. Er zat al een man, de oppasser Piggelmanus. Deze was niet bepaald het zonnetje in huis omdat hij hevig verlangde naar koffie. Dat ontdekte ter plekke althans het verslaggeverskoppel Piggelmee en Tureluur (zelf woonachtig in een Keulse pot) die ook erg veel zin hadden in koffie.
Zij waren personages in een vervolgverhaal van De Erven de Wed. J. van Nelle. Gesticht te Rotterdam in 1782 bereikte deze firma door de jaren, niet het minst door de inspanningen van Jacob Boppe Van Nelle, bijna de gehele Nederlandse wereldbevolking. In Leeuwarden sloten rayonhoofden de ultieme vergadering voor de Elfstedentocht steevast af door de beerenburg van tafel te vegen en, om het hoofd koel te houden in de hectiek tot aan de start, ‘Van Nelle erbij te pakken’, onder het slaken van de, naar verluidt Hongaarse, formule Us Doen Ut.
Betreffende Piggelmee was dit het idee: ‘om in onze koffie-pakjes een attractie te doen voor de jeugd, voorstellende sprookjes. De plaatjes kunnen dan later in speciaal daarvoor uit te geven albums door de kinderen verzameld worden en ofschoon dit idee niet nieuw is, doch veelal eene navolging van Verkade vormt, gelooven wy, dat wy daarmede succes kunnen hebben en den verkoop van onze pakjes-koffie daarmede vooral in den aanvang, flink kunnen steunen.’
De scoop van de eerste maanbewoner staat in De Wonderschelp (1950). Wellicht kende Armstrong, vanwege zijn afkomst waar ik nu verder niet over uitweid, dat boek.
Heeft wetenschap nu de mythe ontkracht, of andersom? Ik durf daar geen bindende uitspraak over te doen, al meen ik ergens gehoord te hebben dat de naam Neil in Friesland net ietsje anders werd uitgesproken.
De maan is van nelle.

maandag 1 juni 2009

Consumententest

Zeg, vind jij het kunnen dat op de trappen van 
Ron’s Honeymoon Quiz god daar staat met zijn 
onderbroek achterstevoren, wasvoorschrift
nota bene uitpuilend, inclusief som van de 
Hollandsche Eenheidsprijzen Maatschappij 
Amsterdam, vind je dat dat kan? En zo nee,
hoe geef je hem zijn verdiende loon? Spons 
met wat azijn? En wie draagt dan de gevolgen 
(het kabinet heeft veel medewerkers, zeker)? 
Ga water redden van de verdrinkingsdood, 
zwijg van het lemmet dat zoekt naar het heft. 
Roep ici Paris, papegaai is ziek en hij moet 
sterven. Meteen? ‘Maar het blijft toch je kind, 
Ron, je eigen kind.’ Ontvangt wie zoiets zegt
geen eeuwige bijstand? Het leger staat paraat,
behalve vandaag omdat het Maria naar de
tandarts brengt. Welke Maria? Zoveel pijn? 
Welnee, zijn verstandskiezen gaan getrokken,
dus hij moet verdoofd. Kan hij dat niet zelf? 
Best, maar zij doet dat zo graag, verdoven. 
Daarom staat het leger vandaag niet paraat? 
Participeer liever observerend, het verwijlt 
niet in de wachtkamer want het helpt ons
aller Maria door de grosaanschaf van haar
favoriete nachtcacao. Duurt dat nu erg lang? 
Wat is lang? Naar verwachting zal het leger 
vanavond zijn post herinnemen. In verband
met een intrige? Bel zelf het Pentagon bij 
verdachte bewegingen langs de grens. Enne… 
god? Maak een appelmoes al van conserven. 
Maar natuurlijk kan hij ook plaatsnemen op
de lepel boven de tomatensoep, die vrijheden
zijn elkeen adembenemend welkom, niet?

dinsdag 19 mei 2009

Kritiese aksie?

Het documentaireboek Tien rode jaren. Links radicalisme in Nederland 1970-1980 door Antoine Verbij sluit af met een revolutionair die nog in de gewapende strijd gelooft en dito oordelen uitspreekt. Hij drinkt thee.
Mij frappeert dat, ik zag de thermoskannen met koffie ten behoeve van de tot in de zestiende subparagraaf verantwoorde guerrilla al voor me. Maar vermoedelijk is het bijzonder genoeg dat de man hardcore is gebleven – over de hele linie zijn opvattingen nogal scherp gezwenkt. Het klaarblijkelijk massaal beleden bijgeloof is even massaal afgezworen.
Hoe uniform schuldig ‘de jaren zeventig’ achteraf werden, verkondigen niet alleen bijna dagelijks opiniemakers. Mij bleek het toen ik als jurylid de Nederlandstalige romanliteratuur anno 2007 las. Aangaande het decennium leverde dat een bashing zonder eind. Lange zinnen met abstracta en ‘weet je wel’ en ‘eh’ moesten iets waarheidsgetrouws afdwingen, vermoedelijk bij medegeaccommodeerden en bij lui die destijds nog niet geboren waren. Op zeker ogenblik besefte ik na de zoveelste vermelding van de prototypische ‘zitkuil’ er welgeteld één ooit gezien te hebben: bij de hockeyclub.
Dit imago komt neer op een dubbel verwijt: dat die jaren zeventig krom gemoraliseerd waren door wereldbeelden en dat die predikers voor verandering zich louter voor hun eigenste ik interesseerden.
Aan dat eerste punt herinnert me een recente uitlating van een medewerker van Obama, die hem een ‘overtuigde non-ideoloog’ noemt. Zo laat de president als democraat de discutabele ondervragingstechnieken van de CIA rusten: hoewel ze schijnbaar exclusief de ideologische rigiditeit van zijn republikeinse voorganger tonen, had de huidige voorzitster van het Huis van Afgevaardigden, van zijn eigen partij, er al lang een zekere kennis van – zonder haar kan Obama zijn plannen niet verwezenlijken. Geen cultural wars meer, vindt hij. Vanuit het perspectief van de jaren zeventig zou de voorzitster allang kaltgestellt zijn wegens revisionisme. Obama toont zich hoffelijker. En pragmatischer en ontwijkender, want het is nogal zuur dat uitgerekend hij change propageerde, inclusief beeltenis à la Che.
Het tweede punt rijmt met de clichés die destijds zijn gedebiteerd door de Haagse Post in zijn haastige diagnose, kerst 1979, van de jaren zeventig als ‘ik-tijdperk’. Verbij onderkent daar symptomen van maar (en daarom zal het boek omstreden zijn) ziet de crux, vanuit een inderdaad overkoepelende visie die toen ‘analyse’ heette, juist in het tegendeel: het gemeenschapsgevoel, een bloei van sociale bewegingen.
Daarbij steekt een ander recent bericht extra scherp af: dat het niet meer lukt om jongeren te organiseren in een vakbond of een vereniging. Dat wordt ouderwets bevonden, helemaal nu werk hangt aan flexibiliteit. Het anders willen in collectief verband blijkt een gegarandeerde illusie.
Als ik een ‘ik-tijdperk’ moest aanwijzen, dan lijkt me het heden in aanmerking te komen. Niet-aflatende auto-erupties van de homo twitterans, hoogst particuliere weblogs, Bekende Laaglanders die hun draadjes uitpluizen, comments en polls: het idee dat eigen leven en meningen reuze-interessant zijn getuigt van een breidelloze egovergroting.
Misschien het pregnantst joekelt het op de opiniepagina, waar ooit politici en lobbyisten hun beargumenteerde voorstellen vertolkten. In mijn branche schijnt het al van engagement te getuigen wanneer je er openbaart niet meer bij prijsuitreikingen aanwezig te zijn en daar terstond het literaire wereldnieuws mee haalt. De winkel van deelbelang is alle dagen open.
Zelfreferentialiteit? Het lijkt wel nostalgie dat ik soms, de cafetière leeg, kan verlangen naar de polarisering en confrontatie van weleer. Maar da’s ook een bekentenis, gedaan op een internetstek, benepen van zelfgemaaktheid. Dan een experimentje Heimwee naar de toekomst opgestart?

donderdag 7 mei 2009

Raatmoment (3)

Mij staat bij dat ik door de eerste roman van Da capo een genre wilde verweven dat me vreemd is: sciencefiction. Zo liet ik onder meer in een spreekkamer een consul acteren met een koptelefoontje op, verbonden aan een scherm, waardoor hij allerlei signalen lijkt te krijgen. Vaag lag de inspiratie daarvoor in een krantenartikel midden jaren tachtig over Japan, waar mensen op straat al wandelende schenen te praten in eigen telefoons!
Een gen voor trendwatching ontbreekt kennelijk in mij. Die dingen zijn uiteraard gemeengoed geworden én blijven aan mij niet besteed. Voor zover dat interessant is: ik vind het eerder een voordeel dan een nadeel niet altijd bereikbaar te zijn, spreken tegen een formeel afwezige in de publieke ruimte wekt de associatie met de openbaar masturberende Diogenes en het is bij mijn weten nooit bewezen dat de straling die rondzingt bij het bellen met een gsm gezond is (zelf word ik liever doof van een mp3-koptelefoon).
Gisteren werd ik echter gemaand zo’n Personal Jesus te omhelzen. Tijdens een retour Holland met de internationale trein die, voor ervaringsdeskundigen business as usual, zowel op de heen- als op de terugreis bleek ‘afgeschaft’, was een telefoontje vanaf het station aan het thuisfront gewenst. In Holland bleek dat niet meer mogelijk.
Ik realiseerde me ineens hoe het straatbeeld is veranderd. Nog eerder dan hondenpoep verdwenen de hoofddeksels – politieke partijen die hun pleidooi voor normen en waarden trachten te onderstrepen met het betekenisloos geworden woord ‘respect’, kunnen niet verhinderen dat er generaties opgroeien voor wie de uitdrukking ‘daar neem ik mijn hoed voor af’ ongeveer middeleeuws Kerklatijn is. Daarna hebben sigaret, sigaar en pijp eraan moeten geloven. Je ziet ze nog wel, maar na een campagne voor de algehele gezondheid op aarde tot in den eeuwigheid dreigt voor hun dragers het paria- annex martelaarschap.
En nu zijn dus de telefooncellen op het station foetsie. ‘Misschien dat u er bij het postkantoor nog vindt, als u die weg inslaat en dan na vijfhonderd meter…’ De ratio zal uiteraard zijn dat deze dingen onnodig zijn geworden omdat de overgrote meerderheid van de treinreizende bevolking een telefoon op zak heeft; in de snit van jassen en broeken wordt daar sinds jaar en dag zelfs rekening mee gehouden.
Het punt is dat de strijd tegen nicotine van overheidswege is gevoerd. De bekommernis om het welzijn van niet-rokers steekt daarbij schril af tegen de vanzelfsprekendheid waarmee steeds meer zendmasten in het (stedelijke) landschap opduiken om mobiel bellen mogelijk te maken. In deze observatie ben ik, als voormalige zware gebruiker bekend met een genot dat mij bij de gsm niet deelachtig is mogen worden, vermoedelijk niet objectief. Daar gaat het ook niet om. Wel dat je als burger het recht hebt daartegen te protesteren. Dan ageer je tegen bemoeienis, wat mij een even neoliberaal standpunt lijkt als de idee dat door privatisering mensen zelf kunnen kiezen en dat dit hen gelukkiger maakt. Zowel bij de NS als bij de PTT, ooit staatsondernemingen, is dat werkelijkheid geworden. Door een simpele faciliteit als een telefooncel werd weer eens bewezen hoe tergend moralistisch de vrije markt is.

woensdag 22 april 2009

Doordruklezing


Vrij in het begin van Alfred Schaffers Zijn opkomst in de voorstad staat het gedicht ‘De dochter van de generaal’. Het valt in twee delen uiteen en de verteller is de in de titel genoemde dame. Eerst spreekt ze de pers toe. Meteen blijkt dat haar vader na een verblijf in het buitenland per vliegtuig terugkeerde tot genoegen van het volk. Hij is juichend ontvangen, met vlaggetjes en alles.
Hola, wacht even. Bengels die ‘leesconventies’ onderzoeken zullen het beamen: poëzie die zo’n recht betekenisspoor uitzet, wekt wantrouwen. Ze instigeert bij mij alvast een nieuwe poging. Die vlaggetjes: zijn er in bepaalde politieke contexten geen generaals die er zichzelf mee laten toezwaaien, bijvoorbeeld wegens ongelooflijke, zij het door niemand geregistreerde moed die in decoratief veelvoud op de borst prijkt?
Uit de door dochterlief trots aangehaalde militaire escorte die haar vader reeds in de lucht begeleidde, kan evengoed worden begrepen dat hij het in de buitenpoëtische werkelijkheid beruchte type is dat misdaden heeft gepleegd, heeft moeten vluchten en na ampele advocatenstrijd wordt gerepatrieerd voor het gerecht. Dan zou het volk de vlag uithangen voor de aanstaande openbaring van de amper latent te noemen oudtestamentische god in zichzelf: wraak!
In het tweede deel instrueert de dochter het ziekenhuispersoneel over de optimale verzorging van haar vader. De ramen moeten gesloten blijven en ze belooft dat elke schade aan het gebouw wordt vergoed. Met steeds meer zekerheid meen ik dat het volk over de generaal zeg maar doodenthousiast is. Of heeft hij, van een democratische regering, mogen weerkeren om op geboortegrond zijn laatste adem uit te blazen?
De dochter vraagt het personeel voor haar vader – weinig gezond, zou ik denken, maar who cares in de finale uren – ‘verse koffie, zonder melk’.
Bijna aan het eind van de bundel staat het gedicht ‘Een duur gesprek’, dat zijn titel maar deels waarmaakt: weliswaar minder expliciet dan bij de dochter heerst de vorm van een monoloog door een ik, die op straat allerlei woorden voor regen zegt te kunnen zeggen. Hij wordt eenmaal onderbroken, als hem wordt voorgelegd of dichters geen gehandicapte schrijvers zijn, uit de tijd, de weg van de minste weerstand aflopend? In die vraag gaat proza boven poëzie, wat volgens oude genrehiërarchieën blasfemisch mag heten. Wel zijn romanschrijvers vaak ondubbelzinniger; dit is in dictaturen soms een voordeel.
De vraag blijft onbeantwoord, omdat er een enorme regenbui losbarst. Er wordt gerept van een ‘open einde’. Da’s superieur, mede omdat kennelijk zeitgemäß proza daar onsimpel met zo weinig woorden een proeve van kan geven. Achtergelaten worden onderwijl ‘als bij een bommelding: de koffie op het terras,/ het onderhoudende gesprek, de kinderwagen – een wolk van een baby’.
Welk een zondvloed moet dat geweest zijn! En had die vondeling iets in de generaalsdochter kunnen losmaken? Haar spreekdrift refereerde eenzijdig aan haar oorsprong, niet aan iemand die ze voortgebracht had. Misschien leut ik te veel, maar door haar, mogelijk overgeërfde, gebiedende wijs eerder in Zijn opkomst in de voorstad krijgt de ‘wolk van de baby’ voor mij in de inktzwarte setting ineens een vleugje melk – dat de vader als eerste beweger beter had ingenomen. Buiten de edele kunst der poezij om ontstaat hier ongewild haast psychologie. In romanvorm valt daar echter amper aan te ontkomen (rare jongens, die proza).

zaterdag 11 april 2009

Lichtpoll

Tijdens de Wereldoorlogen was er al mee geëxperimenteerd, maar definitief deed het fenomeen zomertijd in 1977 zijn intrede. Wel blijkt dat reeds in 1941 van prof.dr.mr. G. van den Bergh Hervorming van de wettelijke tijd gedrukt was, dat pas na de bevrijding kon verschijnen. De ratio van dit boek openbaarde zich mede in de titels van de steeds iets omvangrijker herdrukken: Klokhervorming. Een weg tot opvoering der productie zonder extra inspanning (1950) en De Euro-klok. Een eenheidsstelsel van klokhervorming voor geheel Europa ten westen van het IJzeren Gordijn (1957).
De geleerde – dixit een andere geleerde – stelde voor dat we afhankelijk van de zomer of winter, de klok per dag 50 seconden langzamer dan wel sneller laten lopen. Zo beleeft de burger de natuurlijke dagindeling van de buitenmens die boer heet en hij, de burger dus, verslaapt niet langer kostbare lichturen. Bovendien wordt er bespaard op brandstof (de zomertijd kwam inderdaad pas opnieuw in zicht tijdens de oliecrisis van 1973), vallen er minder verkeersdoden, neemt het werkcomfort toe, stijgt de productie en hebben we in lichtgulle maanden meer tijd om ons dagelijks op vakantie te wanen, door bijvoorbeeld in de natuur te vertoeven.
Van den Bergh heeft begrijpelijkerwijs minder affiniteit met kunstlicht, een fenomeen dat Peter van Lier onderzocht. Indien die een reisbeurs aangevraagd had, had hij dat kunnen doen vanuit de atmosfeer (bijvoorbeeld om de peertjes boven het wegennet van België te controleren), maar hij koos voor het perspectief van het nabije landschap. Of toch niet?

In de verte straalt licht: waarschijnlijk een boerderij.
Een plek dus waar mensen wonen.
Omdat de mens nu eenmaal ook na zonsondergang (voor-
dat hij slapen gaat) nog iets om handen wil hebben en ook
dan deze handelingen zo aangenaam mogelijk wenst uit te
voeren, heeft hij kunstlicht uitgevonden en er
zijn stulpjes mee uitgerust. Drinken de mensen in hun huis ’s
avonds bijvoorbeeld een kopje koffie, dan gieten ze het door
de aanwezigheid van dit kunstlicht (dat lichtvlekje daar in de
verte, omgeven door het immense duister) niet over hun kle-
ren, maar waar het hoort: in de mond.
En ze kunnen nu met recht een opmerking maken die hun
tevredenheid uitdrukt (iets wat de mens erg graag doet omdat
het met levensvreugde te maken heeft):
‘Lekker toch hè, zo’n kop koffie,’ of zoiets.


Natuurlijk is het fideel van het licht aan motoriekbegeleiding te doen, maar een geroutineerde drinker vanaf een jaar of drie zal ook in het donker de koffie keurig in de daartoe bestemde lichaamsopening kunnen storten. Komt dat meteen de kwaliteit van de drank ten goede? Ik doel hier niet op het bijgeloof dat je ‘in het donker beter kunt genieten’, maar op het advies koffie koel én donker te bewaren. Hugo Rombouts, directeur van het fameuze gelijknamige Vlaamse familiebedrijf, plaatst zijn bonen zelfs in de koelkast (omdat anders het aroma zou vervliegen).
Hoe ook, verbinden we Van den Berghs vakantiegevoel met Van Liers levensvreugde en omhelzen we de leerstelling dat koffie het beste aller natte dingen is, dan luidt de vraag: onder welk licht drinken we liever koffie?
Wat is daarover een ervaringsdeskundige mening? Doe in het belang van de megamentale volksgezondheidsnuance mee aan onze poll en stem ja of nee. De eerste vijftig zwartkijkers maken kans op twee koffiezetapparaten naar opgelegde keuze, en gaan door naar de derde ronde waarin het licht bijna zeker menig men deelachtig zal worden.