zaterdag 18 april 2026

Boos en overspelig

 


 

 

Waar begon het? Er verscheen een betrokken boek van Lotfi El Hamidi, dat met de titel Stakkers en wolven Gerrit Komrijs bashing van ‘de islam’ citeerde, situeerde én bekritiseerde. Diens biograaf Arie Pos opende een meerdelig debat op HP-De Tijd en Neerlandistiek, waarbij laatstgenoemde site, ook via comments, melding maakte van een ‘leerlijn Polemiek’ op het onvolprezen Utrechtse SchrijfLab. Met een heuse wedstrijd voor jongeren, te ontbranden rond de verschijning van Komrijs biografie in de Boekenweek van 2027.

Uiteindelijk legde ik er ook mijn kakje bij. Het leek me toen niet opportuun te vermelden dat iedere bewering een polemisch ingrediënt bevat. Een dooddoener, maar door gewenning en herhaling kan een schijn van neutraliteit ontstaan die je er niet snel afkrabt. Onlangs gebruikte vakbondsman Bert Engelaar een heel boek, Kort door de bocht, om samen met slammer Bekvegter en nog wat vrienden keerzijden van zulke losse quasi-waarheden te tonen, inclusief ideologische herkomst. Wel viel die evengoed te ontwaren in hun eigen weerleggingen; polemiek bereikt niet snel een eindhalte.

Zelf ben ik allergisch voor de term ‘leerlijn’ en tegelijk fascineerde me de omzichtigheid waarmee de polemiek, die in Komrij een ongekroonde koning zou hebben gekend, werd benaderd. Dat had niet eens te maken met de literaire afkeer die voor het genre is ontstaan sinds de millennials. Crucialer was een maatschappelijk fenomeen dat het Utrechtse instituut (die aan de medewerkerslijst de naam Pos toegevoegd had) expliciet in de presentatie betrok: ‘polarisatie’.

Het begrip geldt als antipode van een ander veel gebezigd taalmerkteken: ‘verbinding’. In de vele bespiegelingen die het duo heeft verwekt wordt dan een oorzaak gevonden in sociale media waar men veeleer contact breekt dan verstevigt, maar evenzeer in groeiende ongelijkheid. Polemiek zou hoe dan ook tonen dat expliciete meningsverschillen contraproductief zijn, en een barrière opwerpen tegen ‘verbinding’.

Ten voordele van polarisatie geldt dan weer dat ze ‘de vrije meningsuiting’ zou dienen. In debatten is ook daar een antipode te vinden: ‘intolerantie’. Teruggekoppeld naar de aanleiding van ‘de islam’ zou dan een gevoeligheidje bovenkomen, dat het seculiere Westen na een beschamende traditie van ‘censuur’ zou hebben overwonnen. In de wereld daar weer naast, op TikTok vooral, bestaat rage bait domweg om producten aantrekkelijker te maken voor klanten.

 

Heel precies

Vanwaar de haast intuïtieve afkeer van een meningsverschil dat open ligt? Tot Trump zijn tweede termijn van acquit ging met een spervuur aan decreten, functioneerde ‘het’ westen op basis van consensus. In Nederland heet daar, historisch na de gepolariseerde jaren zeventig, de techniek van het ‘polderen’ mee gemoeid te gaan. Dat is een keuze. Zoals ik zelf altijd, bijvoorbeeld om die ongelijkheid beter te bestrijden, de voorkeur heb gegeven aan dissensus. En al vóór de millennials ondervond dat vele collega’s dit te grimmig achtten.

Grimmigheid lijkt in het polemiekgenre op twee manieren haar beslag te krijgen, waarbij hetzelfde strijdmiddel dienst doet in twee uitvoeringen. Het gaat om een steekwapen. Bij polemieken kan een ‘hakmes’ worden gebruikt of een ‘fileermes’. Bij de eerste variant ziet men ook wel een ‘botte bijl’, wat de geringe appreciatie al verraadt. De echte polemist fileert en doet dat idealiter virtuoos.

Het Schrijflab heeft voor die ambachtelijke activiteit in zijn leerlijn een aparte stap ingeruimd, bij wijze van oefening. Ze schetst eerst risico’s, die berusten op wat ‘snel scoren’ wordt genoemd, naar ik vermoed een leerlingvriendelijke versie van populisme: rumoer aanrichten om het rumoer. Dat gaat ten koste van een medemens. Met dat besef stelt het Schrijflab leerlingen voor een keuze:

 

Stel dat je meer wilt met een polemiek: de lezer geen ophef bieden, maar stof tot nadenken. Dan moet je de tekst van de tegenstander heel serieus nemen. Die heel precies lezen en fileren op gedachten, aannames en argumenten: dus niet alleen op wat er staat, maar ook op waar het vandaan komt dat het er zo staat. Zoals een visboer met een mes een vis fileert en de graten van de vis blootlegt. De basis van een polemiek die stof tot nadenken geeft is dan die precieze lezing van de tekst én de achterliggende motieven van de schrijvers. Hoe je je punt daarna opschrijft, is stap twee. In deze oefening kijk je hoe je fileertechnieken je kunnen helpen bij de eerste stap, en hoe je daarna je punt kunt maken. Met of zonder snel scoren, want scoren is natuurlijk wel scoren als je bezig bent lezers te overtuigen.

De schrijver, dichter en criticus Gerrit Komrij kon als geen ander teksten van anderen fileren.

 

Een curieus betoog, waarin mij de taalversterker ‘heel’ ontroert die blijft waarschuwen. Het is net alsof men vóór de introductie van Komrij al zegt dat het altijd mis kan lopen, zelfs als het goed gaat. Ook wie virtuoos fileert kan verbinding verbreken. Scoren als naast het doel schieten? Intrigerend vond ik elders te begrijpen dat het verbrokenverbindingsresultaat in het bijzonder vrouwen wordt aangerekend als ze harde kritiek leveren op andere vrouwen. Er speelt hier iets mee van solidariteit, dat na aan mijn hart ligt en dat ik in dit verband niet goed snap.

 

Nudistisch

Mij valt verder op dat de getroffen partij niet aan het woord komt. Over slachtoffers en eventuele sympathisanten is eerst door de polemische dader gesproken, en daarna door derden. Dat bleek in België onlangs nog bij de uitvoering van SANCTA, Florintina Holzingers beruchte opera tijdens de uitvoering waarvan toeschouwers onwel waren geworden van het bloed en seksueel geweld. Er traden naakte nonnen in op, ‘een nudistische persiflage van het religieuze leven van zusters’ volgens de Antwerpse bisschop Bonny die bezwaar aantekende namens katholieken. Toch riep hij hen op niet te protesteren, maar hun gekrenktheid om te zetten in paasvieringen.

Een getergde Holzinger meende strijdlustig: ‘what the fuck is wrong with shock?’ Haar voorstelling, die volgens de trailer een prachtige uitwerking gekregen had, kaderde ze zelf in brede westerse onrechtmatigheden. Maar volgens Gwendolyn Rutten was dat het punt niet. De oud-leider van de liberale OpenVld die inmiddels Anders heet, meende dan wel dat de bisschop een katholieke relaps beleefde, maar bovenal dat hij met vermeende lange tenen zijn geloof had laten kapen door extreem-rechts. Ze riep Bonny op tot verdraagzaamheid.

Meer kanttekeningen spoelden aan. Daarbij kwam één type argument mij bekend voor uit de lange geschiedenis van polemieken. Ik noem het deftigjes de substitutietechniek: voor het ter discussie staande object zet je iets anders in dat zijn controverse bewezen heeft. Vaak gaat het om ‘de jood’ of ‘de moslim’. In dit geval waren de blote nonnen dan te vervangen door besneden piemelaars of door blote meneren met ‘arafatsjaals’ en bomvesten.

In het debat zag ik wel geen blote paters voorbijkomen. Mogelijk omdat de SANCTA-regisseur een vrouw is, speelde hier blijkbaar geen seksisme. En waar velen geen begrip hadden voor bisschop Bonny’s protest tegen het hergebruik van christelijke symbolen, lag dat even later anders bij Trumps zoveelste narcistische provocatie, toen hij zichzelf door AI liet afbeelden als door handoplegging helende Jezus.

 

Uithangen

Uit mijn kwalificatie ‘zoveelste narcistische provocatie’ blijkt al dat, voor mij, polemieken niet als één geheel zijn op te vatten. Ik neem Florintina Holzingers shocktherapie veel serieuzer dan Trump. Dat brengt me in het vaarwater van de Utrechtse leerlijn Polemiek. Hoe schuchter en objectief de tien stappen daar ook zijn beschreven, ze tonen bij nagenoeg iedere fase voorbehoud. Wat Trump doet, zou volgens het SchrijfLab vallen onder ‘sarren’. Voor mij ontbreekt de intellectuele en geëngageerde basis die het choqueren door Holzinger wel heeft.

Maar bisschop Bonny’s protest wil ik evenmin opzijschuiven. Enerzijds zal dat uit ergernis zijn over de vanzelfsprekendheid waarmee Rutten religieuze instituties als dusdanig gedateerd beschouwt dat ze beter op de lippen bijten en het spreekrecht ongelimiteerd acht voor breuken met één specifiek geloof dat katholicisme is. Het doet denken aan de arrogantie anno 2008 van haar destijds door Verhofstadt aangestuurde partij en artistieke partners bij de euthanasie van Hugo Claus, tegenover aartsbisschop Danneels.

Aan de andere kant bevalt me aan Bonny dat hij opkomt voor bovenpersoonlijke waarden die hij tot nader order persoonlijk onderschrijft. Dat die moralistisch (kunnen) zijn, doet er niet toe. Ik zou het erger hebben gevonden wanneer de bisschop had gezwegen uit imagoredenen of omdat zijn strijd al vruchteloos gestreden zou zijn. Daarmee verschil ik alvast van het Utrechtse SchrijfLab dat een stap heeft ingeruimd voor ‘belangenafweging’. Mij is dat te strategisch, te pragmatisch.

Meer impliciete reserves in de leerlijn doen me beseffen een slechte leerling te zijn. Deze intro op een oefening vind ik zelfs griezelig:

 

Polemiseren is nét wat anders dan discussiëren. Van mensen die polemiseren – polemisten – wordt ook verwacht dat ze heel snedig (grappig, gevat) zijn. In deze oefening ga je de polemist uithangen. Die rol ligt je misschien niet. Vandaag niet, en misschien wel nooit niet. Je hebt vandaag of altijd een uitstekend humeur en je ergert je eigenlijk nergens aan. Je bent niet boos te krijgen, laat staan dat je iemand echt gaat opzoeken om met diegene in een woordenstrijd te raken.

Dat kan, dat is prima, maar in deze oefening ga je toch doen alsof. Zodat je wel kunt polemiseren mocht je in de toekomst nog eens in verzet willen komen en dan als schrijver al je middelen in willen zetten.

 

Waar doet me dit aan denken? De grensoverschrijding van verbindende communicatie? De zalving van de dorpspastoor?

 

Hinnekende

Door deze uitval dek ik wel iets toe bij mezelf. Ik vrees dat ik me met de verdediging van bisschop Bonny heb bekend als oude man. Zou ik ‘vroeger’ überhaupt zijn geneigd om een vertegenwoordiger te verdedigen van een geloof waarmee ik geen affiniteit heb maar waar ik evenmin, anders dan best wat Belgen, traumatische herinneringen aan bewaar? Kan ik ook verdragen in het vaarwater te raken van Pim Fortuyn, die met zijn trumpiaanse getreiter geen ware polemist was maar zich beriep op de neppe, aan Voltaire toegeschreven uitspraak over het verdedigen van rechten van mensen met wie je het absoluut oneens bent?

Literair gezien ben ik anders gaan denken over expliciet moralistische reacties. Zoals op Jan Wolkers’ ‘De wet op het kleinbedrijf’ (1964), een lang oorlogsverhaal dat exhibitionist meneer Savijn naar een totale ondergang voert. Met medewerking van nevenpersonages, van wie een opgetrommelde vriendin zegt: ‘Zoiets mag je niet met een mens doen’. De verhaallaag kaatst dus zelf een morele component. Ook opent Wolkers namens zijn genadeloos registrerende ik-kunstenaar het verhaal met een oordeel over meneer Savijn: ‘Natuurlijk was hij een viezerik, een stiekeme misdadiger, met zijn perverse bedenksels, zijn vuile hinnikende lachen, en zijn angst, ja vooral zijn angst.’

Toch zou ik ooit waarschijnlijk gelachen hebben met het feit dat Kees Fens deze tekst ‘walglijk en weerzinwekkend’ bleek te vinden, ook met kennis van zijn katholieke achtergrond. Allemaal door de bevrijdende jaren zestig opgelost! Waarschijnlijk durfde ik niet de spot drijven met de toen officieel autonomistische criticus, zoals Huug Kaleis deed, maar kritiek op Wolkers’ verhaal, waar weergaloze dorps- en stadsbeschrijvingen in te vinden zijn, zou ik niet verder hebben laten strekken dan Paul de Wispelaere, op esthetische gronden.

De vrijheid van meningsuiting mag gepaard gaan met het recht van lezers zich gekrenkt te voelen en daar lucht aan te geven, in woorden die de door emotionele vectoren veroorzaakte kruiperigheid van AI achter zich hebben gelaten.

Dit voorbeeld geef ik na, ook op Neerlandistiek, gelezen te hebben over het overlijden van de mij onbekende gereformeerde literatuurcriticus Gert Slings die Wolkers’ werk moreel niet verdroeg. In zijn studie Een boos en overspelig geslacht. De moderne literatuur als teken des tijds had hij daar rekenschap van afgelegd. Daar zou mijn jongere ik zeker om hebben gelachen. Nu meen ik: Slings bedreef polemiek op een wijze waarvoor ik toekomst zie. De studie verscheen nota bene in de seculariserende jaren zeventig, het decennium waarin Komrij van zich liet horen als fileerkundige.

 

Gefixeerd

Op de kak die ik legde over het debat tussen Lotfi El Hamidi en Arie Pos kwamen enige interessante comments. Conform de substitutietechniek herinnerde Huub Beurskens er terecht aan dat Komrijs snijdende kritieken zich niet beperkten tot ‘de islam’. Hij wees op de recensies van vrouwenliteratuur die rücksichtslos waren. Ze vielen onder wat het SchrijfLab afkeurt onder ‘ad hominem’. Wel waren ze routineus en sloten aan bij Komrijs op taal gefixeerde omgang met feminisme en bij zijn reacties op vrouwen in het publieke domein (Emmy van Overeem). Die kritieken liepen in die zin vooruit op socialemediatirades, dat ze veeleer producten waren van een zender dan van een ontvanger. Voor zover Komrij luisterde, gebeurde dat selectief – wat wel zo vruchtbaar was voor het effect. Wie deze fileerder retrospectief in bescherming wil nemen, moet zich beroepen op zijn maskeradepoëtica, die ondubbelzinnige standpunten of coherentie in een reeks uitspraken door één individu principieel verwerpt. Wel een verademing in tijden dat literatuur en ego-uitstoot siamees geworden zijn.

Bij die literaire invalshoek valt niet te ontkennen dat deze auteur jarenlang elke week formats moest vullen. Komrij was een opinist, voor wie de vrije meningsuiting een irrelevant concept was in het licht van een kras geformuleerd tegendraads en voor kritisch doorgaand idee. Vermoedelijk bedoelt het SchrijfLab dat met het zuinige begrip ’mening’ dat dankzij noeste arbeid én behoedzaamheid kan doorgroeien tot een ‘standpunt’. Is er aan zo’n cultuurindustriële status quo te ontsnappen? Juist Bert Engelaars vermelde bundel Kort door de bocht, die polemische premissen blootlegde in neutraal ogende (metaforische) uitspraken, doet vermoeden dat dit een moeilijke opgave is. Per tegenframe wordt het boek saaier, omdat het vanuit dezelfde metafoor steeds dezelfde ideologie aanvalt met steeds dezelfde klacht en oplossing.

Zo wist Komrij column na column steevast in krukkig formulerende andere autoriteiten een hypocriet te ontwaren. Hij deed dat soeverein, als zelfstandige, perfect beantwoordend aan de vraag van de vrije markt. Als dichter viel daarin immers niet rond te komen. Bijzonder was dat hij opereerde in het centrum van de macht én ensceneerde niet tot ‘de elite’ te behoren. In die zin was de spijkerharde verdachtmaking van Teun van Dijk, een professor nota bene, dat Komrij de genius was achter het anti-islampamflet De ondergang van Nederland vreemd genoeg ook een godsgeschenk voor zijn street credibility.

 

Eigenlijk

Heeft Komrijs polemische praktijk uiteindelijk vooral de achilleshiel van het genre getoond? Al dan niet op Olympische hoogte bekwaamde het zich tot vliegen afvangen. Amusant allicht en in de schier onschuldige geest van het fenomeen roasten, dat na zijn dood opkwam? Het Utrechtse SchrijfLab heeft het in zijn leerlijn opgenomen. Ik heb er geen sjoege van of het, als een esthetische polemiek, een beperkte houdbaarheidsdatum kent en vermoeiend is om te volgen. Polemiek wordt interessant wanneer de auteur zich geraakt voelt in een bovenpersoonlijk belang. Wat dat aangaat ben ik, toch al vatbaar voor taalgruis, te licht over de Utrechtse ‘belangenafweging’ gegaan. Urgente onderwerpen maken polemiek mede tot een zelfonderzoek, in de ouderwets essayistische zin.

Nog een comment trok de vergelijking met Gerrit Krols controversiële opvattingen over de doodstraf, die volgens mij mank loopt. Krol nam de tijd om zijn stellingen te ontwikkelen en te formuleren, tot in een samenhangend boek. De vergelijking is zelfs pijnlijk, omdat in het El Hamidi-debat de vraag was in hoeverre de islamcolumn van de stakkers en de wolven representatief was voor Komrijs overtuigingen – én of hij daar überhaupt op kon worden aangesproken. Wat dat aangaat kijk ik, met alle ontzag voor Arie Pos’ bekwaamheid en langjarige inspanningen, niet echt uit naar de biografie. Het geweld dat dit type egoboek moet ontketenen om aandacht voor amper gelezen oeuvres te genereren, zal media ertoe verleiden minstens drie weken allerlei vrienden te laten verkondigen ‘hoe Gerrit eigenlijk was’.

Dan zwijg ik nog over de wedstrijd die in de Boekenweek de Komrij-biografie luister bij moet zetten. Welke cynische ziel bedenkt polemieken op afroep? En welke idioten gehoorzamen dat theater en spelen er braaf hun rol in? Wordt dit dan roasten? Ik krijg medelijden met de gestorvene die ermee geëerd wordt. Mag het verschijnen van de biografie niet worden gevierd met iets wat de druk op de boekenwereld en leescultuur kan verlichten? Behalve een consumentenpolemist was Komrij, onder meer, een originele bloemlezer. Roep jongeren op tot gedichtenselecties uit poëzie die verscheen na zijn dood! Dan moet er eerst worden kennisgenomen en daarna, voor de verbinding, van mening verschild.

 

4 opmerkingen:

  1. Mijn vroegere ''kakje' waarvan sprake lag op Neerlandistiek, een site die daarna gehackt werd. Inmiddels is daar de schade goddank gerepareerd, maar zijn de comments verdwenen. Onder andere bij het kakje. Ik had ze gelukkig meteen gekopieerd:

    1. Stichting Vrienden van Gerrit Komrij zegt 1 april 2026 om 10:50
    Een paar vragen komen op (“wakker worden”);
    (1) waaruit leidt u af “dat Komrij deed alsof hij tot een onderliggende partij behoorde”? – wij herkennen dit geenszins; integendeel;
    (2) u stelt dat Komrij de P.C. Hooftprijs wat u betreft niet had mogen krijgen omwille van door u bevonden “gedachtegoed”. Wij herkennen geen enkel “gedachtegoed” en gelukkig leven wij in Nederland waar de P.C. Hooft Jury alsvolgt oordeelde:
    “In het juryrapport wordt Gerrit Komrij geprezen om de brille, het stijlgevoel, het vernuft, de afwisseling en de effectiviteit waarmee hij essays en columns heeft geschreven. Daarmee heeft hij deze genres, in de ogen van de jury, hun intellectuele en subversieve waardigheid teruggegeven en heeft hij zich geplaatst in de rij van Multatuli, Busken Huet en Du Perron. ‘De lading van zijn essays en columns ontstaat uit de wetenschap dat de kunstenaar in een permanent polemische verhouding staat tot de maatschappij.’ Ook is er veel oog voor de literaire kwaliteit, de omvang en de vitaliteit van Komrij’s essayistische oeuvre”.
    Wellicht kan Komrij u zelf inspireren:
    “Een essay heeft toch iets rechtlijnigs, iets van hou-me-vast-ik-heb-een-mening,
    iets van hier sta ik en een held die me wegkrijgt,
    dus laat mij u intussen even haarfijn uitleggen hoe de wereld in elkaar steekt.
    Iets van, godbewaarme, een opinie.
    Iets van, erbarm u onzer, heilige ernst”.
    (De buitenkant, blz. 39)
    https://www.schrijversinfo.nl/komrijgerrit.html
    “Je hebt niets aan ideeën als je ze niet in zekere zin principeloos kunt behandelen,
    er de betrekkelijkheid van kunt inzien.
    Je moet beseffen dat een stel van je principes met elkaar in strijd zijn
    en dat je weliswaar drie mooie principes kunt hebben,
    maar nooit alledrie tegelijk”.
    (Gerrit Komrij, De buitenkant, blz. 13

    2. Stichting Vrienden van Gerrit Komrij zegt 1 april 2026 om 11:15
    En, speciaal voor u, nu het op uw zenuwen werkt:
    “Ik heb een heel simpel wereldbeeld.
    Ik hang geen religie, ideologie of opvatting aan,
    behalve die dat de mens vrij is om te denken wat hij wil.
    En dat de mens – in mijn geval vooral de schrijver –
    vrij is nu eens dit en dan weer dat te denken,
    er twee verschillende meningen over één onderwerp op na te houden.
    Je hebt toch niet iedere dag trek in hetzelfde?
    Ik trek een mening aan zoals een vrouw een avondjapon aantrekt.
    Ik trek een mening aan die bij mijn stemming past”.
    (Gerrit Komrij, De buitenkant, blz. 79)

    3. Gijs Koorevaar zegt
    1 april 2026 om 12:06
    Ik heb aardig wat Komrij gelezen, en daar ook wel van genoten. Ik wil niemand cancellen, hoor.
    Toch gaat die onophoudende ironie wel irriteren, bij mij althans. Is het bewonderenswaardig dat Komrij zijn eigen standpunten zo superieur kan relativeren? Is de weigering om een standpunt in te nemen waar je op aangesproken kan worden niet gewoon angsthazerij?
    Het lijkt mij hoe dan ook een zeer effectieve dooddoener. Als niemand meent wat hij zegt is er geen discussie mogelijk. Dan kunnen we net zo goed in het luchtledige voor ons uit kletsen. Dat noem ik geen polemiek.

    BeantwoordenVerwijderen
  2. 4. Wim Van Loo zegt 1 april 2026 om 12:27
    “… ik bedoel ermee dat Cliteur en Verhofstadt en Komrij steeds deden alsof ze tot een onderliggende partij behoorden terwijl ze onophoudelijk hun recht op spreken kregen. Grote media in Nederland en België gaven hun een podium.’ Los van deze casus: dat is toch geen contradictie? Je mag toch hopen dat ook “onderliggende partijen” recht van spreken en een podium krijgen? En omgekeerd betekent het toch niet dat wie recht van spreken en een podium krijgt, geen onderliggende partij kan zijn? Gerrit Krol pleitte ooit voor de doodstraf: dat hij daarvoor een podium kreeg (o.a. bij zijn uitgeverij en in Vrij Nederland) betekent ipso facto toch niet dat hij geen minderheidsopinie verdedigde? Het betekent waarschijnlijk wel dat hij intussen genoeg symbolisch kapitaal had opgebouwd om met zo’n aan een taboe grenzende opinie weg te komen. (Ook Komrij had overigens massa’s symbolisch kapitaal.) Het hangt er ook maar van af in welke contexten je de onderliggende partij bent. Een columnist die nu zou pleiten voor een onmiddellijke migratiestop vertolkt waarschijnlijk geen meerderheidsstandpunt, maar toch een breed gedragen opinie, terwijl hij in academische kringen en bij NRC- en Volkskrantlezers wél tot een kleine minderheid zou behoren.

    5. Huub Beurskens zegt 1 april 2026 om 12:54
    Of Marc Kregting hier beweert dat Gerrit Komrij de P.C. Hooftprijs niet had mogen krijgen omwille van zijn ‘gedachtegoed’, zoals Stichting Vrienden van Gerrit Komrij meent, waag ik te betwijfelen. En uiteraard heeft hij die prijs juist gekregen vanwege zijn literair polemische briljantie. Hij kon er wat van!
    Zo staat me levendig een met stilistische brille geschreven stuk voor de geest over een roman van een Vlaamse schrijfster, waarin de grote polemist zich al meteen eloquent introduceert met het dubbelzinnige gebruik van het woord ‘gleuf ’ in de allereerste zin, en waarin het vervolgens heet dat de schrijfster op de omslagfoto eruit ziet ‘als een soort oppertrol’, voorts als een ‘poeslieve gifmengster’, waarna de volgende, artistiek prangende vragen worden gesteld: ‘Hoe krijgt een trol zo’n dik boek vol?’ en ‘Zou het mens paardentanden hebben?’

    6 Stichting Vrienden van Gerrit Komrij zegt 1 april 2026 om 13:27
    Marc Kregting beweert:
    “Dat Komrij kort daarna in 1993 de P.C. Hooftprijs kreeg, bevestigt de geringe controversialiteit van zijn gedachtegoed. Temeer daar hij deze onderscheiding niet kreeg als dichter-vertaler of eventueel romanschrijver, maar voor zijn beschouwend proza”.
    Afgezien van het feit dat wij menen dat Gerrit Komrij niet op een specifiek gedachtegoed betrapt kan worden (zie citaten hierboven) en dat de P.C. Hooft Jury het heeft over “literaire kwaliteit en vitaliteit” alsmede “heeft deze genres hun intellectuele en subversieve waardigheid teruggegeven”, lezen wij dat de heer Kregting wel gedachtegoed meent ontdekt te hebben dat hij controversieel vindt.
    Daaruit volgt dat de heer Kregting commentaar heeft op de toekenning van de P.C. Hooftprijs aan Gerrit Komrij.
    De prijs is uitgereikt tijdens een feestelijke bijeenkomst in het Literatuurmuseum (toen nog Letterkundig Museum), op 21 mei 1993, de sterfdag van de naamgever van de prijs, de dichter P.C. Hooft (1581-1647), onze grootste renaissancedichter.
    Het dankwoord door Gerrit Komrij is te vinden in Gerrit Komrij P.C Hooft-prijs 1993, uitgegeven door de Stichting P.C. Hooft-prijs en De Arbeiderspers.


    BeantwoordenVerwijderen
  3. 7. Stichting Vrienden van Gerrit Komrij zegt 1 april 2026 om 12:57
    “Zonder speelse levenshouding verliezen we beschaving, waarschuwde Johan Huizinga in zijn boek Homo Ludens uit 1938. Spel vraagt om samenwerking, spel is een uitnodiging tot relativeren, spelen is een kenmerk van vrijheid en is alleen al daarom een onontbeerlijk element van een gezonde samenleving. Huizinga zag in zijn tijd – vlak voor de Tweede Wereldoorlog – het tegenovergestelde gebeuren: hang naar sensatiezucht en gemakkelijk te verteren meningen, een gebrek aan humor en onverdraagzaamheid tegenover groepsgenoten.
    Is er ruimte voor het spel in een samenleving waarin doelmatigheid koning is? Hoe spelen wij? Kunnen we de fluïditeit en dubbelzinnigheid van het spel nog accepteren? Welke rol spelen valsspelers en spelbrekers? En mag je nog spelen met je vijanden? In krap een uur onderzoekt presentator Arnon Grunberg deze vragen met Vlaamse en Nederlandse denkers”:
    https://npo.nl/luister/podcasts/179-het-filosofisch-kwintet/116032

    8. Robert Walter Joseph Kruzdlo zegt 1 april 2026 om 14:15
    Johan Huizinga had het óók over ‘spelbrekers’ die het spel niet willen meespelen omdat er beteren spelen zijn. De illusie van het spel – Ik trek een mening aan zoals een vrouw een avondjapon aantrekt – verwerpen, is géén valsspelers. En…, waar komt het spel vandaan? Daarover heeft Huizinga nooit over nagedacht. Ik moet het opzoeken maar Huizinga was echt geen man om de spelen van nu.

    9. Robert Walter Joseph Kruzdlo zegt 1 april 2026 om 14:45
    De grote boosdoener is de spelbreker. Ook hier. De apostaat, de ketter, de revolutionair! Spelbederf – ook hier – zoekt de spelende mens naar nieuwe vormen, andere vormen, wisselend om telkens een ander leven te tekenen. En dat naar zijn beste vermogen. Einde Homo Ludens.


    BeantwoordenVerwijderen
  4. 10. Eric Schneyderberg zegt 1 april 2026 om 13:24
    Inmiddels ook wakker geworden las ik het volgende:
    “[…] en bijna alle, soms door een olijk pseudoniem gedekte, medecommentatoren op Neerlandistiek alsmede een Stichting Vrienden van Gerrit Komrij vallen [Arie Pos] bij.”
    In de veronderstelling dat ik die “olijkerd” ben, en in de wetenschap dat dat “pseudoniem” een waanbeeld is van een zich als Komrij-kloek gedragend, links en rechts in kuiten pikkend bestuurslid van een obscure stichting, merk ik het volgende op:
    Het ging in deze “discussie” in eerste instantie niet om de vraag wie er gelijk heeft, Pos of El Hamidi: het ging om de vraag of de laatstgenoemde reputatieschade heeft toegebracht aan het fenomeen Gerrit Komrij.
    Daarop is naar mijn idee maar één antwoord mogelijk, en dat is:
    Nee, Gerrit Komrij heeft dit allemaal aan zichzelf te danken.
    Als er al sprake zou zijn van schade, dan is deze inmiddels toegebracht door de iets te fanatieke en iets te arrogante acties en reacties van de heer Arie Pos.
    Wat de rest aangaat is deze discussie – u had het al begrepen – voor mij een paar maatjes te groot.

    11. Ronald V. zegt 1 april 2026 om 14:47
    Vriend van Komrij?
    Ik herinner mij dat Komrij ooit fulmineerde tegen beeldende-kunstrecensies omdat ze bol stonden van holle abacadabra. Een goed punt van hem. Vervolgens ging hij zelf beeldende-kunstrecensies schrijven en weldra bezigde hij daarin ook abacadabra en stopte toen maar met zulke recensies. Of mijn herinnering helemaal klopt, is uiteraard de vraag.
    Dus nee, Komrij is voor mij geen heilige. Wel iemand die af en toe op verantwoorde en goed verwoorde wijze zijn vingers wellustig en diep drukte op etterende, kwalijk riekende wonden in de cultuur. Komrij was mijns inziens geen echte intellectueel maar wel dikwijls een zeer leesbare literaire en karaktervolle polemist.
    Komrij’s boekje over het christelijk geloof vond ik wat slapjes.
    Ik ben dus geen echte Vriend van Komrij. En wellicht hield Komrij zelf ook niet van Vrienden met een beginhoofdletter. Maar ik wil toch wel opmerken dat die Stichting Vrienden van Gerrit Komrij met verve en brille haar zaak voor het voetlicht brengt en verdedigt. Misschien zou Komrij toch een beetje en met de nodige ironie van die Stichting hebben gehouden en genoten.
    De hele kwestie draait mijns inziens om het vrije woord. In hoeverre staat de islam het vrije woord toe? En als je bedenkingen hebt of de islam het vrije woord wel hoogacht, dan ben je nog geen islamofoob in pejoratieve onderbuiklinkse zin. Afkeer van en vrees voor een onverlichte islam is wellicht zeer gezonde islamofobie zonder connotaties van extreem rechts, uitermate bekrompen, rabiaat racistisch en dergelijke.


    12. Stichting vrienden van Gerrit Komrij zegt 1 april 2026 om 19:27
    Dank voor uw aardige woorden over het vrije woord..
    Dit kan nog wel een aardig licht werpen op de door u benoemde ‘afkeer van en vrees voor de onverlichte islam’:
    Erdal Balci op 11 maart 2019 in de Volkskrant
    https://www.volkskrant.nl/columns-opinie/nrc-columnist-el-hamidi-beschermt-in-een-blinde-reflex-vader-moeder-zus-broer-land-cultuur-en-religie~b4967e63/
    en in de documentaire uitgezonden in 2025:
    “…wat Balci zijn moeder als kind al hoorde zeggen: wie de kudde verlaat, wordt opgegeten door de wolf”.
    https://www.cinema.nl/artikelen/wie-de-kudde-verlaat-turkse-schrijver-erdal-balcis-zoektocht-naar-persoonlijke-vrijheid

    13. Melchior Vesters zegt 21 april 2026 om 07:55
    Calling it now: over 3-4 jaar zitten er stukjes uit deze reacties in examenvragen. Met een hoofdrol voor de onderkoelde ironie van de Stichting Vrienden van Gerrit Komrij.
    Overigens ben ik het oneens met Kregting: ik vind Komrij’s parodie op Marsman zeer sterk. Onze politieke hypocrisie is nog zeer actueel, vervang alleen de toespeling op Zuid-Afrika door een op Israël.

    BeantwoordenVerwijderen