woensdag 27 juni 2018

Par excellence


1.
Aan de telefoon had hij gestotterd dat hij wel naar ons toe kwam. Bij de kerk wachtten we, tot dichtbij in de verte een man verscheen die bijna capitulerend zwaaide, zijn blote voeten in slippers.
Dit was Slovenië, bereikt na een druk bemountainbiket klimmetje op kiezels in een niemandsland achter Italië.
Hij liet ons het appartement zien, dat we voor een nacht hadden gehuurd. Ik vroeg hem naar een apparaat, Bialetti of percolator voor de koffie. Ze bleken alle onnodig omdat er een elegant getuit pannetje was voor bereiding op Turkse wijze. In onberispelijk maar dus wel wat traag Engels deelde hij mee dat we elke verder nog opdoemende vraag hem onmiddellijk konden voorleggen, want hij woonde boven. 
Op tafel stonden twee flesjes likeur voor de wegkapitein en mij, en twee weckpotjes zelfgemaakte confituur voor het taalkundig genie en de gourmande.
Lachend stelde hij ons gerust dat we de zoveelsten waren die het appartement niet hadden kunnen vinden én het bordje met de straatnaam hadden gedetecteerd. Het stond namelijk een kwartslag de verkeerde kant op.

2.
Slovenië, ons nieuwe begin van een reis, ditmaal door wat Donald Rumsfeld niet eens zo lang geleden het nieuwe Europa noemde – het toeristische wij zou dan bestaan uit oude Europeanen. Ik werd aan die bizarre uitspraak herinnerd door een boek met de verrukkelijke titel In Defense of Lost Causes, van de Sloveen met de misschien wel bekendste bierbuik van het land: Slavoj Žižek.
Ooit had ik de pdf op de e-reader gezet na een tip van mijn Heidegger-informant, nu was de tekst de perfecte aanleiding voor een eerste snuif van een onbekende natie die onze schakel moest zijn tussen Italië en Hongarije. Meteen golfde het landschap er groen en vruchtbaar, vol herhaling (‘repetitief’).
Sommige passages kwamen me bekend voor uit Pleidooi voor intolerantie en ik mocht andermaal meespringen op Žižeks stokpaardjes van de decafé en de groepsmasturbatie, die zich met hun nobele bedoelingen in het ravijn werpen – vlak bij Budapest zag ik op een affiche nog een kandidaat voor deze categorie: triphop-yoga.
Niet dat ik, in Hongarije dus inmiddels, het boek uit heb. Het vraagt om interferentie en adempauze van andere teksten. In Defense of Lost Causes is namelijk het tegendeel van een pageturner, hoewel ook deze Žižek-bundel vol relevante inzichten staat. Ze zijn alleen zoals de supermarkt Aldi in Slovakije gecompartimenteerd: in de Hofer (variatie, breed assortiment) en de Eurospin (gering aanbod van grosverpakkingen).
Zelfs zo’n lijvig boek toont behalve de extraverte drive de meest notoire gedaante van Žižek: van opiniegranaat. De fragmentatie verhuist vervolgens naar de lezer.
Dat In Defense of Lost Causes me een echte Žižek dunkt, betekent ten slotte dat erg veel toestanden weer een ‘exces’ verraden en de kwalificatie ‘obsceen’ verdienen. Enfin, taal die sinds de jaren negentig bij een deel van de Vlaamse intelligentsia valt te genieten.
Toch denk ik de leestip te begrijpen. Niet omdat ik in Slovenië een plaatsje ben tegengekomen dat Terapija heet, maar omdat Žižek mogelijke motieven nevenschikt van ware radicale intellectuelen als Heidegger en Michel Foucault. In hun bewogen tijd, jaren dertig en zeventig, maakten deze filosofen immers keuzes voor gruwelijke regimes die zich net aan het ontplooien waren, respectievelijk het nazisme en het Iran van Khomeini.
Volgens mij poneert Žižek dat de twee collega-filosofen een hypergevoelige antenne hadden voor systemische veranderingen, maar afstemden op de verkeerde zender. Daarmee betoonden ze zich zowaar echte, om niet te zeggen voorbeeldige mensen. In iedereen schijnt diep een wens verborgen te zitten dat alles anders wordt, om precies te zijn: rechtvaardiger. Maar bijna niemand durft de consequentie uit zijn verlangens te trekken, en pendelt dus tussen woord en daad.
De Sloveen zegt het zo: ’Logically, it all began with the Word; the Act that followed was a flailing outburst that bore witness to the deadlock of the Word. And the same goes for the Act par excellence, the divine act of Creation: it also signals the impasse of Gods ratiocinations.’
Bravoure of niet?! Ik moest denken aan een schisma dat me overviel nadat ik van Nederland in het begin van de eeuw naar België was gevlucht. Opgegroeid was ik met een protestdiagnose van Armand uit 1972:

De Nederlander is een meelzak
je kunt er op blijven slaan
hij gaat toch nooit staan.
De Nederlander is een meelzak
die niet reageert want dat is verkeerd
en bovendien hebben ze 'm dat nooit geleerd.


Armand nuanceerde zo de spreekwoordelijke grote bek van Nederlanders, die als het erop aankwam bij de grote, onmachtige meerderheid gesloten bleef. Toen viel de Muur en deed Fortuyn voor een groot publiek zijn intrede, en werd reageren het summa summarum. Verdroeg ik het niet langer dat anderen in mijn vaderland steeds luider ‘profiteur’ heetten, dergelijke expliciete omgangsvormen bleken in België eigenlijk best te worden gewaardeerd.
De omgang bestond er namelijk niet alleen uit zwijgen dat goud heet te zijn boven het zilver van het spreken, maar vooral uit een soort poëzielezen tussen de regels. Hoe vervolgens te handelen? Na enige jaren stond ik er nog verwonderd bij toen een koffieliefhebber een Senseo kreeg aangeboden, daarop antwoordde ‘Dat is heel vriendelijk’ en er niets gebeurde. Dit antwoord bleek Vlaams voor: ‘Nee, bedankt.’
Later leerde ik dat sollicitatiebrieven nooit de woorden ‘maar’ of ‘niet’ mogen bevatten. Zoiets kende ik alleen van literaire uitgeverijen, die uitsluitend afwezen met stilte annex onbereikbaarheid bij pogingen tot contact.
Voor mij is het succes van Bart De Wever dan ook altijd te verklaren geweest uit een putdekseleffect: eindelijk iemand die het ondenkbare doet door onwelgevallige dingen ‘gewoon’ te zeggen.
Jeetje, door de (onvoltooide) lectuur van Žižek moet ik geloven dat het gevoel van burgers te België dan te vergelijken valt met dat in de Sovjet-Unie onder Stalin. Een ‘empire of signs’, waarin men elke formulering moet decoderen om de actuele partijlijn te achterhalen.
Zou het? Wat doet koffie in een land waar je eindeloos kunt fietsen tussen achterover hellende, om staketsels gewonden hop? Ten gunste van Duvel of Chimay of Westmalle, zoals we in Italië pomodori aten uit Nederland en in Hongarije paprika’s uit Marokko?

3.
Een tweede welsprekende compagnon de route – elk excuus om te lezen is er eentje - zocht ik in de historische laaglandse Balkannoloog A. den Doolaard, van wiens uitgebreide oeuvre ik alleen de vooroorlogse novelle Wampie ken. Maar die heb ik als puber dan ook verslonden. Als ik me niet vergis verving deze auteur volgens de geschiedschrijving de pen door de vuist.
Den Doolaard is minstens gaan gelden als man van de daad. Oei, mag dat wel van de afdeling reflectie? Voor zijn Europese boeken pleegde hij ter plekke vooronderzoek, zo gretig dat de kennis die hij opdeed een alibi werd voor zijn reisdrift.
Ik raadpleegde voor de gelegenheid zijn memoires Ogen op de rug waarin ook foto’s zijn opgenomen, bijvoorbeeld van Den Doolaard op de fiets van zijn tijd die paard heette. Hij ziet zijn calvinistische jeugd als reden voor fysieke uitbraken die een reis nu eenmaal vereist (Polet pleegde ze in de geest). In dit boek graaft Den Doolaard zich een kloof met onder meer de cerebrale Ter Braak, die op feestjes altijd in een hoek zou zijn blijven zitten.
Van ‘intellectuelen’ lijkt Den Doolaard überhaupt niets te willen hebben. Naar zijn overtuiging handelen ze niet alleen zelden, het ontbreekt hun bovenal aan empathie, zodat elke andersgezinde hun ‘blanke handjes’ ziet en niets openhartigs zal delen. Dat beweert Den Doolaard in een fragment over wat uiteindelijk de Deltawerken zouden worden waarvoor hij, vlak na de oorlog, beduidend minder ver van huis hoefde. Toch presenteert hij ook Zeeland als een buitenland.
Wat sprak Den Doolaard over de grens? Hij blijkt in elk geval het Frans goed te hebben beheerst. Op onze beurt passen we ons aan bij de tweede taal die onze gastbevolking spreekt. In Italië, waar de honderdduizenden televisienetten louter de landsspraak gaven en dus nasynchronisatie scheen te moeten, was dat heel soms Engels; in Slovenië, waar het Engels juist van het scherm spatte, voerde die lingua franca altijd de boventoon.
In Hongarije lijkt er zelfs bij jongeren niets te bestaan buiten de eigen taal. Een triomf voor Orbán? Er is sporadisch, in toeristische oorden, wat Duits voorradig. Maar het houdt niet over, uitgerekend bij zo’n unieke taal als het Hongaars, waar tej melk is en bor wijn. Wat te doen als supermarkt Penny drie soorten gehaktbrood verkoopt waarbij van geen enkel vermeld ingrediënt chocola te maken valt? Voor de zekerheid van de wanhoop vroeg ik aan de vakkenvulster of ze English spoke – en ze antwoordde in het Nederlands.
Wat ontwaarde Den Doolaard onderweg? Zelf weet de provinciestedeling in mij vanmorgen het gekwetter op een logement op de vierde verdieping aan ‘vogels in de bomen daar beneden’. Maar de wegkapitein wees een halve meter boven me, waar vijf zwaluwnesten waren. Bij de zogenaamde studeerkamergeleerde Ter Braak leidden buitenlandse verblijven dan weer tot cultuurfilosofie over de prijs van de koffie op toeristische pleisterplaatsen, terwijl wij hebben gezien dat je op het San Marcoplein in Venetië beter je wrap stevig vasthoudt tegen de meeuwen.
Ter Braak hoort vooralsnog bij de overwinnaars van de literatuurgeschiedenis, Den Doolaard niet en evenmin Dirk Coster, voor wie hij wel sympathie koesterde en wiens ethische aanblazingen reacties verwekten van Ter Braaks buddy Du Perron (vent) waarna Binnendijk (vorm) zoiets als moderne Noord-Nederlandse letterkunde deed ontstaan. Zichzelf presenteerde Ter Braak als het slimme jongetje dat slecht is in sport en hij rangschikte, laatdunkend, Den Doolaard bij veelgelezen verhalenvertellers zoals Antoon Coolen. Hun zwakke, vermeend reactionaire reputatie is nooit hersteld.
Heden leeft de plotvertelling vooral elders voort. Met de vraag “wat zou er nu weer gaan gebeuren” in betaaltelevisiereeksen, met de vraag “wat gebeurt er werkelijk in de wereld” in de journalistiek.
Van het laatste type bracht de e-reader me onlangs het boek Een jaar met Trump, waarin Ine Roox haar portret van de VS samenstelde op basis van losse reportages, met interviews op locatie. Een helaas nogal overbodig boek, mede omdat er niets aan veranderd is ten opzichte van de originele krantenstukken. Hun professionaliteit krijgt door de serieschakeling vol overlappingen iets machinaals.
Den Doolaard werkte eveneens als journalist, zonder Roox’ neiging tot exemplarisme van enkelingen. Hij schiep personages binnen een wens tot realisme, waarbij hij karakters zelfs poëticale gezichten wilde verlenen. Voor de spiegel van hun ziel wendde hij zich ironischerwijs tot historische schilderijen. Ik vind dat althans ironisch, omdat Den Doolaards vooronderzoek ook meer of minder roekeloze ervaringen verzamelde.
Voor De grote verwildering, een roman over de beklimmingsstrijd rond de Mont Blanc, ging hij zelf de recordhoogte in, zo bewust amateuristisch dat hij bij naderend onweer het gevoel krijgt alsof ‘een onzichtbare schoonheidsspecialiste mijn wenkbrauwen aan het epileren is’ en hij zijn pikkel hoort zoemen. Koket noemt hij zich dan ‘knettergek’, maar letterlijk klopt het natuurlijk wel.
Eigen ervaring deed Den Doolaard in zijn jonge jaren tevens op als boekhouder bij de Curaçaose Petroleum Maatschappij, die van de grootste winsten trachtte zo min mogelijk belasting af te dragen. Zo verklaart hij zijn weerzin tegen het kapitalisme – toch wat anders dan facebook-likers of twitterandi die een ‘goed kritisch stuk’ onder elkaar aanbevelen.

woensdag 6 juni 2018

Kostbaar



1.
Met een laattijdige boeking hebben we de hand weten te leggen op de beste plaatsen voor de ferry tussen Spanje en Italië. Hun prijs was zo hard gezakt dat ze de goedkoopste bleken.
De oversteek duurt bijna een dag en blijkt berucht omdat ze wordt bevolkt door scholieren op hun jaarlijkse culturele uitje. Vooral ’s nachts, de zonnebril op het achterhoofd, maken ze de stemming wat te weinig beschaafd, wil het gerucht, waartegen de bootmaatschappij zich expliciet indekt.
Nadat we de fietsen hebben mogen parkeren tussen vrachtwagens tillen we alle elf tassen plus tent op onze vermoeide lichamen, waar de stuurtasjes met gewichtig materiaal al aan bungelden.
Twee dekken hoger wacht personeel, dat ongelovig kijkt naar ons team waar de gourmande nauwelijks achter de tent te ontwaren is. Een controle van onze tickets activeert drie gerants die het gerei van ons trachten over te nemen. Het zijn Aziaten.
Ik verzet me, beschaamd te worden aangezien voor een vermogende wereldburger of koloniaal. Maar de gourmande en het taalkundig genie worden onmiddellijk ontlast van hun draagwaar en drentelen verbaasd achter de gerants van wie er een de tentzak zo onhandig vastpakt dat deze valt.
Het trio vuurt in een verstaanbaar Engels vragen op ons af. Ze gaan daar mee door als we in de suite zijn aangekomen. Omringd door belachelijke luxe weten we niet meer te antwoorden dan ja en nee, en mijn schaamte slaat om in boosheid over de onvermijdelijke geste de gerants een fooi te geven. Ik zou hun bij wijze van spreken alles willen schenken, maar niet voor het dragen van bagage.
  
2.
Het deel van de reis dat we door Italië maken is tegelijk een tocht langs kunst. Namen, mythes en commentaren omringen ons. Dit hadden we kunnen weten, maar niet dat er met ons een camper- en caravan-nomadische populatie van gepensioneerde Nederlandse, Duitse en Engelse koppels maandenlang vakantie houdt die de tijd voor zichzelf hebben en voldoende geld om haar in zonniger oorden te spenderen.
Het zijn ten jongste babyboomers, die de opleiding hebben gehad om, bijvoorbeeld, Italiaans-Nederlandse literatuur naar waarde schatten. Ze zien de allusies. Het geheel van westers-mythische verhalen die potsierlijk ‘de joods-christelijke cultuur’ wordt genoemd hebben ze op het gymnasium ingegoten gekregen. Zij hebben echt bagage.
In de roman Spoo Pee Doo (2016) van Dimitri Verhulst die ik gratis op de e-reader lees, zit een ander menstype verscholen. Het piept aan de oppervlakte bij een meisje dat aan de ik-figuur haar nieuwe tatoeages laat zien. Ze zegt dat dit Keltische tekens zijn, duidt hun betekenis maar zegt ook dat er veel meer betekenissen in omloop zijn.
Op een of andere manier link ik dat type aan de formatie van de nieuwe Italiaanse regering, waarbij zich met de figuur van kandidaat-premier Conte, vijfsterrenist, een man opwierp die beweerde afscheid van de oude politiek te gaan nemen. Van ‘de elite’ die, corrupt als ze heet, alles zou laten zoals het is.
Ik meende meteen Fortuyn te horen, en zag ijdele ministers al vechtend over straat gaan. Contes woorden vatte ik op als populistisch. Alsof machthebbers vanzelfsprekend moordenaars zijn!
Wel fietsen we door Midden-Italië waar de wegen pericoloso zijn (dit woord kent de liefhebber van Nederlandse bellettrie waarin een internationale trein voorkomt). Ze lijken nog het meest op appelpannenkoeken met rozijnen, ook in onverlichte tunnels waar fietsers samen met auto’s in gedreven worden.
We horen dat iedereen hier al sinds mensenheugenis over klaagt, maar dat er niets verandert. Tegelijk kunnen ‘fietspaden’ die zijwegen of carports kruisen binnen vijf meter borden dragen die hun eind aankondigt en daarna hun begin. Lucratieve overheidsopdrachten!
Toen Conte zijn opdracht teruggaf omdat de president weigerde een minister van Lega Nord te aanvaarden die luidruchtig tegen de EU is, zou ‘de elite’ zelfs zichtbaar zijn opgestaan tegen ‘de’ democratie. Maar als het de kandidaat-minister ernst was had hij die positie opgegeven. Politiek is toch gediend met een geloofwaardige praktijk? Reden waarom het kiezers toch nooit om poppetjes mocht gaan?
Wellicht moet ik mijn verkeers-vergelijking uitwerken. Er is niet alleen infrastructuur, ze wordt ook gebruikt. Er bestaat zoiets als een elementaire verantwoordelijkheid van weggebruikers die burgers eveneens zijn. Maar we ervoeren slechts automobilisten in een triomfale onverschilligheid tegenover fietsers, voortdurend claxonnerend.
In Venetië had een kofferdrager voor een ongetwijfeld prestigieus hotel op zijn steekkarretje een fietsbel gemonteerd die hij driftig doorstappend over de stegen liet afgaan. Op verkeerslichten is het rood beduidend groter dan oranje en groen, alsof de bestuurder extra moeten worden geattendeerd op iets wat schier onmogelijk is: even stoppen. Eigen ego immer eerst? Pas bij Ferrara ondervonden we hoffelijkheid in het verkeer, toen ons voorrang werd verleend op een zebrapad.
Op de camping van datzelfde Ferrara, waar mannen hun toilettassen staken in zakken van Albert Heijn, maakten we meteen kennis met een heuse afsluitbare stalling voor fietsen. Zoals dat gaat met vertalingen van vertalingen, lazen we daarover: ‘Fietsgarage is vrij’.
Minder dan Italië-kenners of economen als Paul De Grauwe vroeg de formatiecrisis om inzichten van schrijvers, suggereerde onlangs Salman Rushdie. Gegevens over de aard van de mens en vertrouwen in de waarheid zouden een effectief tegengif tegen cynisme kunnen bieden.
Terecht mopperde Maxim Februari daarop dat literatoren en filosofen zo andermaal een ‘ons’ van betere mensen zouden doen ontstaan. Toch toonde Rushdie zich opgelucht dat het negentiende-eeuwse exclusieve westerse wij, dat de waarheid in pacht had, meerstemmiger en rijker is geworden door de Kelten van dienst, die makkelijk allochtoon of derdewerelds heten.
Bovenal lijkt alles me beter dan analyses van tactische steekspelen, waarin spelers niet eens integer kunnen zijn. Zoiets verdient de waarheid niet.
  
3.
Roelof ten Napel beweerde onlangs iets opmerkelijks. In de uitdrukking ‘Ik vrees dat’ zag hij een proeve van koketterie. Maar ik hoor er Engels in, beleefdheidsfrasering, zoals het taalkundig genie, haar ontbijtbuikje net vol, tegen haar zus die de abrikozenjam zoekt: ‘Ik vrees dat je die niet meer gaat vinden’.
Ten Napels bewering stond in een lange verdediging van de geëngageerde dichteres Dominique De Groen tegen recensent Willem Thies die haar, mede op basis van zelfportretten, had beticht van narcistisch nepengagement. Een dolzinnig argument, dat zich ent op auteursintenties en dat integriteit in de uitverkoop zet.
De dichteres reageerde zelf ook, in nog meer woorden, en bereikte een bij mijn weten zeldzaam effect. Eerst werd mijn pijngrens bereikt door gul gebruik van (afleidingen van) de term ‘misogynie’. Daarna vuurde De Groen meer semi-automatische begrippen af die weinig meer betekenen.
Terwijl De Groen pleitte voor een niet-algemeniserende beoordeling die zich verre houdt van ‘sterk gegenderde aannames over mij’, toonde haar taal zich geleend en onpersoonlijk. Er waren me althans te veel frases die ik ontelbaar vaak elders heb gelezen:

Het ergste is nog dat hij zijn lezing presenteert als objectief en vanzelfsprekend in plaats van de aannames die zijn lezing informeren te expliciteren.
Met zijn giftige karikatuur van een ijdele, pronkende, poserende jonge vrouw schrijft Thies zich in in een lange, lelijke traditie waarin vrouwen systematisch worden aangevallen op basis van hun uiterlijk en stijlkeuzes om zo gedelegitimeerd en op hun plaats gezet te kunnen worden.
De vraag stelt zich waarom Thies zich in zoveel bochten wringt om mij krampachtig te proberen ontmaskeren als ‘witte, gepriviligieerde westerling’, terwijl mijn bundel zelf mijn privilege expliciet problematiseert. De ambiguïteit van mijn positie, mijn medeplichtigheid en mijn verknooptheid met het systeem vormen net één van de belangrijkste uitgangspunten van mijn bundel.
De enige levensvatbare vorm van engagement is er daarom volgens mij één die de eigen positie expliciteert, die de contradicties en ambiguïteiten die ieder van ons belichaamt onder ogen ziet, en die iedere claim van onschuld of neutraliteit in vraag stelt.
En hoewel ik mijn eigen positie problematiseer, betwijfel ik niet dat er geargumenteerd zou kunnen worden dat ik de lijn af en toe overschrijd.
Eerder dan appropriatie aan de kaak te willen stellen lijkt Thies het discours van social justice te willen kapen voor zijn eigen doeleinden: om zijn onfrisse argumenten een sociaal bewust laagje vernis te geven en ze zo te valideren.

Ik heb de hyperlinks even niet bij de hand, maar er bestaan sites die op commando taal genereren. Er vallen naar hartenlust onoriginele zinnen mee te maken door combinatie van zinsdelen die clichés uit één register oplepelen. 
Bij al die goedbedoelde en sympathieke pogingen zich teweer te stellen met tweedehands taal preekte de dichteres ook nog voor eigen parochie:

Het voordeel van dit gebruik van paraleipsis, overigens ook een geliefde stijlfiguur in het discours van de alt right-beweging, is natuurlijk plausible deniability. Thies heeft me nooit écht beoordeeld op mijn uiterlijk, hij heeft louter op zeer gedetailleerde wijze aangegeven hoe een hypothetische lezer dat mogelijkerwijs zou kunnen doen. Om een zekere Donald J. Trump te citeren, die om de haverklap gebruikmaakt van dit retorische trucje: (…)’

‘Preken voor eigen parochie’ is een versteende metafoor, maar in dit volgens mij representatieve citaat proef ik katholicisme. Ben ik door mijn tijdelijke gastland beïnvloed (en door de e-lectuur van Van der Plas’ Het Rijke Roomsche Leven)? Voor de crypte van de heilige Franciscus in Assisi kan men bij de ingang kaarsen kopen die men ter plekke niet mag ontbranden maar tien meter verderop moet deponeren in een kartonnen doos – en de dienstdoende non die maar ongebruikte koopwaar aan het verplaatsen is.
Grandioos. De heilige beheerste onder meer de taal van de vogels, zijn zelfbenoemde nazaten weten vliegensvlug geld te verdienen.

donderdag 17 mei 2018

Ingrijpende



1.
De grens van Aragon naar Catalonië staken we buiten medeweten over. Tot nog toe had een sterk gewijzigd wegdek – zoals tussen België en Nederland – het sein gegeven in een andere provincie te zijn beland. Wel frappeerde ons meteen een Ruta de Orwell, of was dat beroepsmisvorming.
We waren gewend geraakt aan plukjes urbanizatión, wat eufemistisch leek te duiden op gated communities. Al doorfietsend greep de verstedelijking onmiskenbaar om zich heen. Catalonië leek vooral welvarender dan wat we in het zuiden hadden gezien, meer geïndustrialiseerd ook.
Dus was het wachten op het tegendeel. In Barcelona hield een man met boodschappenkarretje halt bij elke afvalbak; hij leek tuk op bezems, moppen en borstels. In Sitges inspecteerden een moeder en zoontje tegenover een verbluffend breed gesorteerde supermarkt de vuilcontainers. Na een kreet zijnerzijds sprong het jongetje er net niet helemaal in (mama hield zijn benen vast).  
Een paar dagen eerder, in een supermarkt van dezelfde keten, te Lleida, oogde ‘gaspacho’ plots krijgshaftiger in het kostuum van ‘gaspatxo’.
Uiteindelijk hadden we bijna bij het begin kunnen weten Aragon achter ons te hebben gelaten. Op de huizen van elk dorp of iedere stad de menigvuldige vlaggen met het opschrift si.
  
2.
De camping van Sitges was hyperverzorgd. Terrasjes en stoepjes werden meerdere malen per dag aangeveegd, sanitair gepoetst: ‘Si us plau, ajudeu-nos a mantenir netes les nostres instal.lations’. Op die inwendige punt na leek Catalaans wel Frans.
Doordat de camping zo overgeorganiseerd was, waren we des te meer verbaasd dat er nergens een overkapping of picknickbank te ontwaren viel. Een zachte manier om kampeerders zonder tafel of stoel in de richting van het restaurant te manen? Het bleef regenen en we hadden al eten gekocht, bederfelijke waar.
De wegkapitein ontdekte op het terrein een onverhuurde ‘bungalow’, op de overdekte voorplaats waarvan een plastic tafeltje stond. Daarop bereidden we ons avondmaal. De gourmande keek van buitenaf toe, omdat ze zich ongemakkelijk voelde wegens geen recht op de gelegenheidsruimte en de steeds dreigende mogelijkheid dat de huurders kwamen. We begonnen te eten, gezeten op een vlondervloer. 
In de motregen bleef de gourmande, lepelend van het bordje in haar handen. Ze schaamde zich zo zichtbaar dat het besmettelijk werd. Voor het eerst sinds onheuglijke tijden voelde ik een zinnetje: ‘Wat zullen de mensen wel niet denken’. En hoewel ik weiger te sneven onder de veronderstelde blik van de ander, moet ik erkennen dat al tijdens het koken mijn bewegingen zich hadden verhaast en dat we nu sneller aten dan gewoonlijk.
Terwijl de gourmande koppig onoverdekt doorat, groeide onze genegenheid voor haar even exponentieel als haar schaamte voor ons. We besloten ons dessert in de tent op te eten.
Weinig later kwam ik in de afwasruimte. Door een wit behuifde poetsvrouw werd ik vriendelijk begroet, wat zij en haar collega’s ’s ochtends eveneens hadden gedaan bij hun betreden van de toilet- en doucheruimte. Het was dat ze bezems en emmers bij zich droegen, hun hele voorkomen deed me veeleer denken aan dat van verpleegsters.
Maar wat zie ik precies? Als witte man bijvoorbeeld, zoals Nadia Fadil wil aantonen met een foto van Miroslava Duma:


Zie ik werkelijk, zoals Fadil stelt, eerst wit dan zwart – en daarmee mijn eigen bevoorrechte positie of zelfs superioriteit? Bedrieg ik mezelf of een verhoopte lezer als ik geloof dat ik, in elk geval bij dit voorbeeld, beide non-kleuren tegelijk waarneem?
  
3.
De e-reader bracht me twee geweldige Nederlandse boeken, waarin Curaçao een mentaal decor vormt. Beide verschenen in de jaren zeventig, zijn ze zoals dat heet brandend actueel, in hun demonstratie van verschillende maten van rechthebbendheid. Ze schreeuwen om een houding en om oordelen die waarlijk onafhankelijk zijn. Bovendien wekken de boeken de indruk uit de losse pols te zijn geschreven, zonder schema’s en intertextualiteit. Maar waarom wil ik zoiets naïefs meedelen (achterop mijn notitieblokje staat ‘contains recycled content and is recyclable’)?
Frank Martinus Arion vertelt in Afscheid van de koningin (1975) zijn verhaal grotendeels met dialogen. Vertellersteksten en personagegedachten bevatten veel minder ‘ideologie’ dan de directe rede. In die technische bijslijping zijn achtergrondartikelen verwerkt, wat tamelijk naturel kan omdat de hoofdpersoon een geëngageerd journalist is.
Zo kan er uitgebreid kritisch commentaar komen op de achtergestelde positie van en onwetendheid over Afrika, op standbeelden voor koloniale helden als Coen,… Blanken blijken zich amper bewust van beperkingen terwijl zij ze etaleren.
Afscheid van de koningin doet aan identiteitspolitiek zonder de witte pedanterie van tegenwoordig. Het boek blijkt slecht ontvangen, voelde juist te weinig aan als roman en veeleer als pamflet.
Regelrechte antipathie wasemde Kees Fens, onder de heeresmaïaanse titel ‘Tante Nel gaat in ontwikkelingshulp’ die, vrees ik, meer zegt over de politieke inzichten van de recensent dan over zijn dan al voltrokken afscheid van de autonomistische literatuurbenadering. Ik moet denken aan een recent bericht over een beer die door zijn dierentuin was meegenomen op een trip. Zou er in dit geheel van actoren (dier-bewakers-passanten) zich iemand helemaal vrij hebben gewaand?
De Curaçaose auteur Frank Martinus Arion is helaas louter bekend van zijn grootse debuutroman Dubbelspel, en bleef in de toch wat koloniale Nederlandse canon ‘allochtoon’, hooguit iemand die je niet echt kunt weigeren. Zoals Afscheid van de koningin zegt van een oer-Hollands nevenpersonage: ‘Aangetrouwde familieleden kunnen bij ingrijpende gebeurtenissen of de hoofdrol spelen, of ineens weer de vreemdeling worden, die ze eigenlijk zijn’.
Het andere boek dat mijn bewondering wekte was De dagen van Olim (1971) door Miep Diekmann. Zij staat geregistreerd als jeugdauteur, met ongenuanceerd linkse opvattingen die volgens die catalogisten horen bij die tijd.
Door hedendaagse ogen gaat De dagen van Olim over MeToo, en dan nog in de etnische variant. Een Curaçaose bediende die blijkt aangerand door een Nederlandse militair lacht, ‘de gemakkelijkste manier als je bruin was om de mensen niet kwaad te maken en toch niks te hoeven zeggen.’ Zelfs solidariteit door taal is lastig, scholieren die op school Papiamentu spreken krijgen straf.
Ook Diekmann heeft slecht nieuws voor makamba’s, maar anders dan Arion was ze wit en sneed haar boodschap in eigen vlees. Mij bevalt het verder dat zij, geboren in 1925, sympathiseert met de protestgeneratie.
De dagen van Olim heeft eveneens een technisch aardigheidje, in het middenstuk. Het eerste deel is een jeugdroman, vooruitstrevend voor zijn tijd wegens expliciet seksuele onderwerpen. Dan komt het middenstuk dat documentair is, uit het archief van Diekmann. Het stelt met terugwerkende kracht de hoofdpersoon Josje van de jeugdroman laconiek gelijk aan de auteur.
Het derde en laatste deel toont de auteur in de tegenwoordige tijd die, weergekeerd naar Curaçao, politiek en relaties evalueert. Het maakt van het boek definitief een werk voor volwassenen. Ben ik nu echt zo kinderachtig die correctie te willen plegen? Bij de jaren zeventig horen voor mij de reeks Het aanzien van, en ik weet bijna zeker dat precies in een deel over dit decennium een geïllustreerd stukje staat over een Japanse soldaat, aangetroffen in een oerwoud. Hij wist niet dat de oorlog al zo’n kwarteeuw voorbij was.

dinsdag 1 mei 2018

Grommende



1.
Reizen veroorzaakt bij de informatiejunk in mij een cold turkey. Als smartphoneloos persoon ben ik plots verstoken van nieuws. Dat blijkt telkens te wennen en richt waarschijnlijk koketterie aan. Ten tijde van Nine Eleven waren we in Toscane en zagen pas ’s avonds, zappend op een hotelkamer, dat aan Amerika de oorlog verklaard was. En sorry, de steeds herhaalde beelden van de omvallende WTC-torens stemden ons in het geboorteland van Marinetti vooral lyrisch.
Toscane drong zich vandaag aan ons op, toen we het marktplein van Almazán opfietsten. Het heeft ongeveer de vorm van een schelp en is enigszins komvormig – hallo daar, Siena! 
Ergens knaagt het natuurlijk aan mijn geweten dat de belangrijkste en onbelangrijkste actuele gebeurtenissen aan me voorbijgaan. Maatschappelijke onwetendheid past niet bij mijn ideaalbeeld van burgers. Maar reizen doet kennelijk een beroep op andere faculteiten. Die van een heremitische verleiding?
Op mijn e-reader consumeer ik nog schrijftaal, geïnstitutionaliseerde zelfs omdat er vooral historische literatuur en essays op staan. Maar, passanten en winkelpersoneel uitgezonderd, de gesproken taal richt zich alvast tot het beperkte aantal betrokkenen dat mijn gezinnetje is. Uitdrukkingen, zinswendingen, onafgemaakte anekdotes: aan het notoire halve woord hebben we, zeker onderweg op de fiets, al bijna genoeg. 
In het bergdorpje El Real de San Vincente, doorsneden door plakken cement en waar werkelijk geen straat horizontaal loopt, zagen we een jongen passeren op het meest passende vervoermiddel ter plekke: een paard, wit ook nog. Wel had hij de teugels in één hand, omdat hij met de andere hand aan het telefoneren was.

2.
Nieuws dringt af en toe alsnog door, wanneer er WiFi is, het thuisfront is geïnformeerd en de koers van de dag wat energie heeft overgelaten. Op zulke kwartiertjes surf ik in de rondte en dan kan ik blijven hangen bij een artikel. Zo schreef Geert Buelens in De Groene Amsterdammer van 18 april, uit actualiteitsperspectief vermoedelijk een eeuwigheid geleden, over Daniel Cohn-Bendit, bijgenaamd Rode Dany.
Buelens beschikt over een fantastische eruditie en een dito vermogen complexe zaken helder uit te leggen. Hij volgt de actualiteit in alle internationale media denkbaar. Altijd heeft hij net een commentaartje in pakweg de Seattle Chronicle meer gelezen dat zijn informatie breder en neutraler laat ogen. Ditmaal schildert hij Cohn-Bendit vanuit de meimaand van 1968, die deze Fransduitser als studentenleider wereldberoemd zou maken.
Belangrijk vind ik Buelens’ aparte vermelding van onderzoek, waarvan de conclusie luidt dat linkse babyboomers betrekkelijk trouw aan zichzelf en hun idealen zijn gebleven. Dit vormt een tegenwicht voor helaas ook door hem vermelde clichés: arbeiders die de theorie van studenten in de praktijk brachten, activisten later die een maatpak gingen dragen,… Zeker op internet heerst de topos dat idealisten hypocrieten zijn (linkse praatjes, rechtse daden). Buelens zet Cohn-Bendit uiteindelijk neer als een mediamanipulator, zonder dat hij hem veroordeelt. Constante in de optredens van de studentenleider van weleer blijkt ‘realiteitszin’, die Rode Dany er zelfs toe noopt een pact te sluiten met de neoliberale paling Macron, om Marine Le Pen buiten de deur te houden.
Uit het artikel komt Cohn-Bendit te voorschijn als een pragmaticus. Ik kan niet beoordelen of dat klopt op basis van mijn lectuur van het oeuvre, die fragmentarisch is. Wel heb ik het pamflet Voor Europa (2012) bestudeerd en besproken. Cohn-Bendit bracht het op de markt met Guy Verhofstadt. Daaruit kreeg ik het beeld van een idioot die niet zozeer gevaarlijk is wegens zijn voorkeuren, die sympathiek zijn, als wel wegens zijn sloganeske dedain voor andersdenkenden. Ook leek me dat zijn macht zo gestaag is opgebouwd dat pijnlijk misplaatste uithalen naar als groep gespecificeerde onbekenden niet eens meer weersproken worden.
Wat beweert Le Pen los van haar reputatie echter precies, waar gaat ze over de schreef en op welke punten, die kennelijk een breed publiek aanspreken, mogen we leren? Voor mij is het verschil tussen pragmatisch en opportunistisch niet steeds duidelijk, terwijl men om laatstgenoemd label op te spelden smetteloos moet zijn. Toch betreur ik het dat Buelens’ tekst kadert in een tijdschriftdossier over mei 68, precies vijftig jaar na dato, zij het vervroegd om collega-media voor te zijn. Het helpt niet dat hij opent met een verwijzing naar die ‘commemoritis’. Bovendien publiceerde Buelens – het staat keurig onder het artikel uitgeduid – net een eigen boek over de jaren zestig. Ik zie er enorm naar uit het te lezen, maar de voorspelbaarheid dat het deelt in de halve-eeuwhausse...
In de korte tijd tussen verschijning van Buelens’ studie en het begin van onze Europa-reis kwamen me vier interviews onder ogen waarin hij steeds hetzelfde zei. Ook over zijn eigen jeugd in ‘de jaren tachtig’, die hij verpakte in gemeenplaatsen. Het ergste vind ik echter de parallellen en contrasten met het heden, waarvan Buelens ook in De Groene staaltjes geeft, zoals de bestorming van woonvertrekken van studentes en het Me-Too-debat.
Grondig heeft Buelens een historisch tijdvak bestudeerd en doet vervolgens mee aan debatten waarover het licht van het heden moet schijnen. Zelfs vermeende overeenkomsten tussen mei 68’ers met IS-strijders zitten in het pakket. Dit bevredigt het narcisme van de actualiteit, waarvan kennelijk iedereen haar diepste kern ontbloot wil zien. Zo voegt Buelens zich naar de cultuurindustrie.
Het deed me denken aan wat ik op mijn e-reader bij Paul Rodenko had herlezen over een ‘verbeten levenshouding’ bij Nes Tergast. Deze dichter liet zich niet van zijn stuk brengen en putte steeds op het gepaste moment uit de geëigende poëtische middelen. Dat zou Tergast volgens Rodenko in het gezelschap van Nijhoff brengen: misschien experimenteel naar uiterlijk, niet naar ingesteldheid.

3.
Wat weet de blik van de ander? Afwisselend voor de brandende zon en stortregens schuilden we onder het afdak van een soort crèche op onze camping. We hadden een picknickkleed uitgevouwen, er waren dranken, brood, e-readers, kleurpotloden, zonnepanelen. Plots kwamen allerlei ouders met kroost langs, alle kinderen keken ons aan en niemand van de ouderen keurde ons een blik waardig. Ze gingen de crèche binnen, daar openden zich de bovenramen, harde beats schalden over ons negorijtje.
Natuurlijk is een camping evengoed een bedrijf dat zijn eigen ruimtes voor derden exploiteert, bijvoorbeeld voor evenementen als een kinderfeestje, inclusief animatoren. Van de ouders veranderden naar mijn indruk de blikken zodra die ons alsnog betroffen. Ze werden vermanend. Omdat we ons zo dicht bij hun nageslacht ophielden? Hielden ze ons voor vluchtelingen? Onderwijl verveelden ze zich drie uur boven hun smartphones.
We wilden hen niet langer storen (of onszelf storen met onze projecties). En ach, we moesten toch gaan eten. Dus verplaatsen we onze have naar de rand van een aangrenzend plein, waar ik alvast de groente sneed – en waar even later de animatoren dansten, met achter hen weer de meute. Oranje pionnen werden over het plein neergezet en binnen een mum van tijd raasde het bij ons tafeltje van beweging. We zaten net te eten toen het feestje werd beëindigd. De kindjes cirkelden rond ons tafeltje. Honger konden ze onmogelijk hebben, gelet op de grote puntzakken snoep die ze droegen. Of hun ouders voor hen, terwijl ze naar de uitgang slenterden.
De camping lag ongeveer tien kilometer van Escorial. We waren er naartoe gegidst door een man die ons bij een benzinetank had zien vragen naar de weg (en de amateurdoping cola kopen). Hij had ons toegeroepen dat we een momento moesten wachten en holde weg. Even later was hij terug onder een zwart petje, met een racefiets waarvan hij de banden nog even oppompte. De route voerde langs meerdere snelwegen en rotondes, niet simpel uit te leggen. Tot we louter nog rechtdoor hoefden en de man zwaaide en beweerde dat we als gezin ‘incredible’ waren en hij maakte een foto van ons terwijl we op ons tandvlees wegreden.
Een uur tevoren had ik staan uitdruipen over mijn stuur na een zonovergoten beklimming bij het fameuze klooster El Escorial. Twintig meter voor me reed een hummer achteruit de heuvel af in mijn richting. Hij zou toch wel stoppen? Ja toch? Eh? Ik schreeuwde en moest uit alle macht mijn fiets onder me vandaan trekken. Het karretje stopte en wachtte. Toen ik passeerde, riep de bestuurder iets naar me, ik weet niet of hij zich verontschuldigde of dat hij mij uitschold.
Even verderop, wachtend op verlossende signalen van de gps of van der wegkapiteins smartphone, zag ik dat er zich steeds meer auto’s op de steile helling verzamelden, de motor stationair. Toen doken er allerlei kinderen in schoolkostuum op; in een kaarsrechte lijn stapte een jongetje bij de hummer in en hij zoefde weg. 
 

woensdag 18 april 2018

Jemig


1.
Volkomen verloren gereden door de hyperadequate fiets-gps vroeg ik, aan de voet van Medina-Sidonia, in mijn beste gebarentaal aan de ober van een wegrestaurant waar de camping lag. Eerste rotonde rechts, tweede rotonde links, begreep ik. Maar hij bleef praten, met meer armbewegingen, waarop mijn verwaande middelbareschoollatijn zo mogelijk nog minder vat kreeg.
Dat zijn antwoord op mijn vraag een dubbelspoor kende, daagde mij pas echt toen we die eerste rotonde hadden bereikt. Er was een klim van minstens vijftienhonderd meter aan voorafgegaan, met klassieke haarspeldbochten die telkens de hoop lieten vervliegen. Ons bepakt gezin haalde een snelheid van drie tot vijf kilometer per uur. Geregeld moesten we afstappen.
De ober had bij zijn antwoord dus een kritische repliek gevoegd: waarom in hemelsnaam met de fiets naar de camping?
Dat kruisverkeer in de communicatie, bedacht ik later in vlakker landschap, is voor mij poëzie. Gedichten lezen is niet alleen interpreteren, maar zeker ook: op de proppen komen met een tegenoffensief.
Het is nodig. Mij heeft het altijd gehinderd, afhankelijk te zijn van een taalgevoel dat zich tot mijn privéradar beperkt. Luisteren en lezen heft dat tekort maar gedeeltelijk op. Luceberts regels ‘maar mij het is blijkbaar is wanhopig / zo woordenloos geboren slechts / in een stem te sterven’ worden volgens mij pas grafschriftwaardig wanneer ‘een’ als ‘één’ wordt begrepen.
Wat een opluchting dat lezers te hulp kunnen schieten. Als het goed is, bieden dichters bij hun stellingen voldoende ruimte om de opties van alternatief door derden te wegen.

2.
Ik las op de e-reader Jemig de pemig! van Ewoud Sanders, over de taalvernieuwing die Koot en Bie in het Nederlands gebracht hebben. Van dit onderwerp, met name Jacobse en Van Es, dacht ik uit mijn hoofd wat te weten, maar indertijd blijkt een kranslegging bij monumenten van De Ruyter, De Witt en Van Oldenbarneveldt wegens hun ondernemerschap, als collega-vrijejongens, me te zijn ontgaan.
De meest gebruikte frase in Jemig de pemig! is ‘zoals al gezegd’ en demonstreert haar eigen redundantie. Sanders betoont zich een brave studax. Onbedoeld schept hij een minder florissant beeld van de heren Koot en Bie, in elk geval over mijn punt van ruimte voor een alternatief. Wanneer zij eens tegenwind kregen, schoten ze in de verdediging.
Met name Van Kooten stelt teleur in een afwerende reflex op christelijk protest tegen het liedje ‘Stoned als een garnaal’, of bij extreemrechtse sympathieën voor het politieke programma van Jacobse en Van Es. Alsof alles wat onwelgevallig is aan de wereld principieel op afstand moest blijven. Hij bestreed nota bene minderheidsstandpunten; de opinie van Koot conformeerde zich aan verwachte visies. 
Die onverwachte hautainiteit van een innemende persoonlijkheid deed me denken aan Remco Campert, als Vijftiger nog zo’n prototypische vernieuwer. De vroege bundel Dit gebeurde overal is me dierbaar, maar ik vrees dat het ‘gemompel van bedelaars’ dat Campert daar restloos afwijst ten gunste van zijn swingende wereld behoort tot een even onontkoombare werkelijkheid als die Van Kooten niet verdraagt.
Die persoonlijkheid moet juist los van de wereld zelfs authenticiteit garanderen. Een geruchtmakend vroeg gedicht van Campert bewijst het:

Alles zoop en naaide
heel Europa was één groot matras
en de hemel het plafond
van een derderangshotel.

En ik bedeesde jongeling
moest nodig
de reine berk bezingen
en zijn bescheiden bladerpracht.

Merk op dat de dichter hier van zichzelf een publiekspresentatie maakt, met een gevoel voor welke relativering wordt gewaardeerd.
Of is het flauw de ontwikkeling van Campert buiten beschouwing te laten? De vraag is misschien of hij zich ontwikkeld heeft? Is ‘het café’ niet altijd de habitat gebleven? Betaamt het daarom om burgers met milde maar besliste spot uit die habitat te weren? Samen met selecte soortgenoten voor ons eigen?  
Ik weet niet of het aan ‘de poëziekritiek’ of aan de voorleesvriendelijkheid ligt dat Camperts bekende lange gedicht ‘Lamento’ zo’n grote reputatie heeft, maar voor mij is het een overschatte tekst die met knipogen naar Van Ostaijens klassieke ‘Melopee’ zijn pretentie blootlegt. Campert toont hier hooguit dat van de Vijftigers Lucebert wél een muziekdichter was. ‘Lamento’ verandert de stijlfiguur van de ellips in een kant-en-klaar-saus uit de supermarkt. Het is een als spiritual verkleed hoempawijsje en duldt geen tegengeluid. Welkom is alleen sentiment, dat de verschijningsvorm heeft van verfijnde aarzeling.
Samen met onder meer Van Kooten is Campert vereeuwigd in lolligheid op een foto bij een bezoek aan Hugo Claus, aan wiens talent ook zij zich warmden. Diens misschien wel beroemdste vriend Guy Verhofstadt is onlangs gekenschetst als liberale vernieuwer. Hoe moet ik dat plaatsen? Deze politicus lijkt in vergelijking tot de andere twee een absolutist, zo fervent hij alleen al Europa als zijn project voorstelt.
Alle drie hebben een radar voor de gevoeligheden en verlangens van de tijdgeest en vertolken wat een gesettelde groep mensen graag hoort om het gevoel te krijgen kritisch en smaakrijk te zijn. De term salonpopulisme is al gereserveerd voor een ander fenomeen. Elitebehagen dan, of anti-intellectueel intellectualisme? Hoe dan ook is bij Verhofstadt voor een tegenoffensief geen plaats.

3.
Toen we, mede gegidst door een papieren kaart, in Mérida aankwamen, belandden we in een optocht met vlaggen. Felle slogans stegen op uit kelen die goed leken gesmeerd. Die avond begrepen we uit journaalbeelden dat er in heel Spanje werd geprotesteerd voor waardiger pensioenen.
Hoe zou de oude dag zijn van Verhofstadt, Van Kooten en Campert? Over de eerste hoeft niemand zich zorgen te maken; als Europapoliticus is zijn kostje gekocht. De twee anderen hebben gewerkt in decennia dat de banen en opdrachten voor het oprapen lagen, in een culturele sector waar de overheid graag bijsprong, in een boekenmarkt die een hoogconjunctuur kende.
De journaalbeelden zagen we in een prachtig, net en goedkoop hotel, met baliemedewerkers die reuzevriendelijk waren en opvielen door hun beheersing van de Engelse taal. Volgens ons, want wat zegt dat over wie, waren het hoogopgeleiden. Later bezochten we een weergaloos klooster in Guadalupe dat op de Werelderfgoedlijst staat, en de rondleiding was exclusief in het Spaans en werd afgesloten door een monnik zonder enige gelaatsuitdrukking die zijn uitleg afsloot met een minutenlang gebed, zijn rug naar de bezoekers toe. 
Met mijn gezin sta ik aan het begin van een fietstocht langs de randen van Europa. Wat betekent dat cruciale project nu precies? En wat houdt dat in voor het schijnbaar tegenovergestelde, de natiestaat die voorbijgestreefd heet te zijn?
Daar hopen we een klein halfjaar het een en ander, hopelijk niet te folkloristisch, bij te beleven. Ik durf te zeggen dat we redelijk ervaren fietsers zijn internationaal. En dus ook heel wat mensen in allerlei windstreken meegemaakt hebben. En vandaaruit kunnen beweren dat fietsers bij route- of materiaalproblemen tot nog toe louter in België letterlijk de rug wordt toegekeerd.
Uiteraard geven veralgemeniseringen geen pas. Toch staat het nog op ons netvlies gebrand dat we door Hongarije fietsten in het jaar dat deze natie een nieuwe lidstaat van de EU werd. Om elf uur ’s morgens bereikten we een dorpje, waar we het café aandeden. Het zat vol, met uitsluitend mannen die uitsluitend bier dronken. We vroegen om koffie, uit een kast werd een koffiezetapparaat getrokken, de stekker ging in het stopcontact – en alle stroom viel uit.
Momenteel bevinden we ons, voor zover de plaatsnamen Medina-Sidonia en Merida al geen licht hadden doen opgaan, in Spanje. Zo bar als het weer is, zo warm is de ontvangst.
Tegenstellingen frapperen. Een enkel voorbeeld: we stoppen om middagbrood te smeren op een speelpleintje. Er staan fitnesstoestellen (voor het hoge percentage rokers?). Onze kinderen worden meteen benaderd door andere kinderen die, net als wij gehuld in kleren van de Decathlon, zijn gewapend met smartphones. Men verstaat elkaar niet, maar Google Translate en een spraakprocessor leggen eigen contacten. Ondertussen zitten alle ouderen, onder wie de wegkapitein en ik, op witte muurtjes bij het pleintje. Maar als de autochtonen opstaan, nemen ze ieder voor zich een stuk dubbelgevouwen karton mee, dat ze al die tijd onder zich hadden liggen.
Constant blijft de gewaarwording dat we stinkend rijk kunnen worden, als we onze kleine karavaan kunnen verzilveren: 1 tandem met de mama en de gourmande, 1 fiets met het taalkundig genie, 1 fiets met de honingpottist. Al was het maar 1 euro per (verbaasde, meewarige, enthousiaste, geïrriteerde, vertederde) blik: zouden we dan echte ondernemers zijn, die werken aan een eigen pensioen? Een omgekeerd toerisme komt naar je toe deze zomer.

maandag 2 april 2018

Het moment suprème




Begrijp ik dat miljarden mensen zitten te zweten, nu een bedrijf met de door en door betrouwbare naam Cambridge Analytica (niet te verwarren met het Oxford Haarinstituut) iets heeft uitgespookt met privégegevens? Zou het de eerste en enige speler op de markt zijn die interesse heeft in onze opvattingen – en in consumptiepatronen?
Wij mensen, onschuldige bloedjes, hebben op Facebook nota bene het beste van onszelf gegeven, tot en met de overbodigste vakantiefoto. Kennelijk is de profileringsdrang nog even groot als toen kolonialen zich met geweer en tropenhelm lieten portretteren boven een gedood zeldzaam wild dier, één been losjes op de gevulde pels.
Ik las tijdens deze zoveelste onthulling over Facebooks alomtegenwoordigheid toevallig de studie Het geheim van de laatste staat door Paul Frissen uit 2016. Hij zou heden onmiddellijk de zijde van de slachtoffers kiezen want kant zich tegen algehele transparantie. Om goede redenen, zeker in een maatschappij waarbij digitaal zoveel ongrijpbaars voorvalt. Toch ergerde Frissen me, doordat hij transparantie steevast verbindt met utopieën, die per definitie verwerpelijk zouden zijn want totalitair.
Wat een populisme! Ook het dreigen met de gevolgen van technologie is natuurlijk vruchtbaar, zeker wanneer Frissen er een term voor leent die schitterend is: ‘hersenvredebreuk’. Maar hij betoont zich net iets te volgzaam aan Dave Eggers’ romanpamflet The Circle, en berispt me net iets te eenvoudig activisten als Edward Snowden en Julian Assange die juist het gebrek aan transparantie aanklaagden, en ook de democratische besluitvorming wilden verbeteren.
Bij de liberaal in Frissen staat individuele vrijheid voorop, en heet kritiek uit gemeenschapsmotieven paternalistisch.
Toch stemde zijn studie me uiteindelijk redelijk mild wegens haar sterkste deel tegen het einde, dat met ‘Kleine antropologie van het geheim’ een wat wufte titel draagt. Dit hoofdstuk bevat interviews met medewerkers van geheime diensten. Omdat ze alleen anoniem mogen spreken, maken ze een komische indruk, die versterkt wordt doordat Frissen hun beweringen tussen aanhalingstekens in zijn redenaties monteert.
Op die manier wordt een bewering over de betrekkelijkheid van slimme analisten weergaloos: ‘als het erop aankomt, zijn het toch de mensen in de operaties die “op het moment suprème de hete kooltjes uit het vuur halen”, helden die met “gevaar voor eigen leven” het werk doen.’
Het heeft wel iets van een subtiele onthulling dat deze medewerker licht op bezigheden gunt door het circonflex-dakje boven suprême te halveren, maar bovenal charmeert de aanschouwelijkheid van het citaat over de hete kooltjes. Er wordt aldus vuur uit vuur gehaald, terwijl de getuige natuurlijk de spreekwoordelijke kastanjes bedoelde. Op hete kolen kun je in zegswijzenland louter zitten, wanneer je geduld danig op de proef wordt gesteld. Bij veiligheidsdiensten kan men nu eenmaal nooit zijn cool verliezen.
Misschien inderdaad maar goed dat zoiets in het duister gebeurt, voor de personen in kwestie dan. De burger heeft echter niet helemaal dezelfde belangen. Precies op dat snijvlak tussen privaat en algemeen leverde de gevallen prins Laurent recent een open brief, waarin hij zijn versie bracht over een niet-aangekondigd optreden in militaire kledij.
Hij beklaagde zich over zijn lot van beroemde edelman. Nu krijgt zoiets, zeker in België, sneller het odium van Calimero dan van Don Quichotte, maar Laurent deed iets groots. Hij onderkende, zoals vermoedelijk louter een prins kan, een heel leven lang te worden ‘geïnstrumentaliseerd’.
Kijk, wanneer witte academici hun engagement uitdrukken in verwante termen als ‘objectiveren’ en ‘dekoloniseren’ heeft dat iets potsierlijks. Maar een Laurent die daar met ‘instrumentaliseren’ moeiteloos aan meedoet…?
Die witte academici bevestigen met hun patois louter het systeem. Een kwestieus begrip, uiteraard, maar in de protestjaren, toen het meer in de mond genomen werd, legde Václav Havel uit wat het inhield: ‘Wat wij onder het systeem verstaan is geen maatschappelijk orde die door de ene groep wordt opgelegd aan een andere, maar eerder iets waarvan de gehele maatschappij is doortrokken, en een factor die daarvan vorm geeft, iets dat onmogelijk is te begrijpen of is te definiëren kan lijken (want het is eigenlijk alleen maar een principe), maar dat door de gehele maatschappij tot uitdrukking wordt gebracht als belangrijk kenmerk van het leven.’
En Havel ondervond wat het systeem ter plekke inhield, net als Laurent nu. Een belangrijk verschil, denk ik, met spreken van buitenaf. Van witte academici die kritisch willen zijn, wordt verondersteld dat ze woorden als ‘objectiveren’ en ‘dekolonaliseren’ bezigen!
Wie is immers onderwerp en wie lijdend voorwerp?
Ik zou dat verder moeten uitleggen, ware het niet dat ik in een staat van ontkenning verkeer. Mijn directe omgeving is namelijk in de ban geraakt van The Sound of Music, een film die ik altijd ontlopen heb uit veronderstelde zeemzoetigheid. Nu word ik tot aan tafel geconfronteerd met liedjes die zo’n grote vanzelfsprekendheid hebben (‘Edelweiss’) dat ze uitmonden in een huzarenstuk (‘Do-re-mi’).
Bij voorgerecht, hoofdschot en dessert.
Hors concours blijft ‘My Favorite Things’ dat, biechtte ik al eens op, voor wijlen mijn poëzie van enig belang geweest is. Bij die biecht pleegde ik wel geschiedvervalsing, omdat mij eerst leek dat de invloed van elders kwam. Namelijk in de uiterste grenzen die bij dat liedje de improvisator opzoekt op een basaal wijsje.
Veel zinnen om te bekennen dat ik het liedje toeschreef aan John Coltrane. Een instrumentaaltje, luidde mijn overtuiging. Bij de presentatie van mijn debuutbundel kwam het ter sprake, en werd er vanuit de zaal terecht opgemerkt dat het uit The Sound of Music was, met tekst. Daar wilde ik niet aan, maar zocht het thuis zekerheidshalve na.
Verrek. 
Hoewel.
Na kennisname van de woorden had ik alsnog een alibi om het invloedsvermoeden te handhaven. Wat Hammerstein voor Rodgers aan heterogene elementen bij elkaar had verzameld, kende louter het verband van het momentane. Een ervaring die zo gelukkig kan stemmen dat ze geheimzinnig wordt.
En van ‘Do-re-mi ‘ blijken versies in allerlei talen te bestaan. Zodat de gourmande en het taalkundig genie me op lyrische wijze deelgenoot hebben gemaakt van het feit dat sol Spaans is voor de zon.

maandag 26 maart 2018

Voor ik een oordeel velde



  
Vorige week publiceerde ik een artikel over iets dat banaal was, zeker in verhouding tot mijn vertrekpunt: de voortwoekerende maatschappelijke ongelijkheid. Scheefgroei zat volgens mij namelijk ook in de culturele boekenbranche, in een kloof tussen lezerspublieken.
Ik vergeleek twee recente gebeurtenissen in literatuurland: het Boekenweekgeschenk van Griet Op de Beeck en het tienjarig overlijden van Hugo Claus. Waar de eerste ten prooi viel aan defenestratie (dat woord wilde ik altijd al eens in het openbaar gebruiken!), ondervond de tweede ophemeling.
Bizar daarbij was dat Op de Beeck een enorm, deels misschien nieuw publiek heeft gevonden dat in de ontvangst van het Boekenweekgeschenk van dommigheid werd verdacht, en dat de nu om hun menselijk tekort bejubelde boeken van Claus lezers verliezen.
Terwijl de rol van de vierde macht al tijden afschrikwekkend is, leek de omgang van literatuur met de actualiteit ineens minstens zo gespannen. Bovendien ervoer ik dat de werking van concerns – een stokpaardje mijnerzijds – nog schriller was geworden, bij literatuurmedia en boekhandels.
In mijn artikel gingen zwakke passages schuil en bovendien bleken me een paar frappante teksten rond de twee gebeurtenissen te zijn ontgaan.

Peter Casteels schreef in zijn Knack-column, wat mij betreft terecht, dat de dappere afkeer van Op de Beeck laf was. Zelf begon hij er niet aan, maar van hem mocht iedereen het Boekenweekgeschenk lezen.
Wel bleek hij te weten dat het vermaak voor vrouwen boven de vijftig was. Hij trachtte zijn punt bovendien te maken door er een onafhankelijke boekhandel bij te betrekken, die publiciteit uit de negatieve ontvangst had gehaald. Maar Casteels zag niet dat die publiciteit, bij collega’s natuurlijk, op feitelijke misvattingen stoelde die hij kopieerde. Kennelijk was hij te zeer in de ban van arrogant nepidealisme dat hij ontwaarde.
Afgezet tegen die winkel, redeneerde Casteels, was alles beter. Zoals algoritmes bij digitale boekgiganten. Nog los van dat cynisme, irriteert me dat hij een tamelijk gecompliceerde zaak met meer spelers afdoet in één pubergrap.
Verder passeerde een tweet van schrijfster en De Morgen-columniste Ann De Craemer. Ik kwam die tegen als retweet bij Arjan Peters, die in de Volkskrant Op de Beeck in driehonderd woorden naar de kleuterschool had verwezen:

Ik wilde het eerst zelf lezen voor ik een oordeel velde. Maar @ArjanPeters2 heeft gelijk. Om een Boekenweekgeschenk te mogen schrijven moet je dus helemaal niet kunnen schrijven. Om veel boeken te verkopen ook niet.

Het gaat er niet eens om dat zo’n uitroep oncollegiaal en conformistisch is. Vooral de schijn van flinke polemiek jeukt. Er wordt bewust niet inhoudelijk gedebatteerd, en het medium Twitter kan daar geen verandering in brengen.
Met ‘het debat’ til ik nog een van mijn stokpaardjes op het zadel, indien dat kon. Meningsverschil in de publieke ruimte is er bij de terechtstelling van Op de Beeck niet geweest. Bij Claus lag dat ogenschijnlijk anders. En juist daar betichtte ik deelnemers maar liefst van ‘intellectuele oneerlijkheid’, omdat mediastructuren hen vermaalden. Ik vertrouwde verder op mijn hyperlinks ter plaatse.
Nu alsnog wat toelichting. Knack verzocht eerst één auteur om, in zijn geval voor de zoveelste keer, herinneringen aan het overlijden van Claus op te tekenen. Daarna rekende een andere auteur er af met deze wittemannenherdenkingsindustrie. Vervolgens serveerde een witte ex-biograaf er allerlei anekdotes. Ten slotte blogde een leraar er over zijn pogingen zijn klas warm te krijgen voor Claus.
Wie programmeert zoiets? Wat behelst dit anders dan in pluralisme aangeklede onverschilligheid, waarvoor de medewerkers hopelijk goed zijn betaald? Van de vele boeken die ondertussen bij deze Clausgelegenheid verschenen, ontbrak elk spoor. Op zijn blog, waar concernbelangen en omvangsbeperkingen niet tellen, besprak Johan Velter zo’n titel. Veel bleef er niet van over. De begaafde anti-establishmentauteur was wéér gerecupereerd, en wéér op treurige wijze.
Horen dit soort herdenkingen bij een bepaalde lichting? Met bekende jongere auteurs (Zwagerman, Grunberg,… ) is vaker geprobeerd zoiets op touw te zetten, maar dat pakte niet zo breed. Bij de biografie van Claus’ generatiegenoot Wolkers was er wel ruime aandacht, niet allesverslindend zoals in België met ‘de meester’ gebeurde maar, kreeg ik de indruk, met meer sympathie voor het feestvarken – dat zelfs #MeToo-parallellen doorstond.
De tijden zijn echt veranderd. In haar herinneringen aan Kouwenaar, ook van die generatie, vertelt Anna Enquist over de begrafenis van diens vrouw, aan wie hij alles te danken heeft. Gerrit vraagt een resem collega’s om bij het graf van zijn beminde een gedicht voor te lezen. Na afloop van deze poëzietop ontdekken ze dat niemand iets over de gestorvene heeft gezegd.

Tot slot nog even terug naar De Craemer. Haar wijsheid dat bestsellerschrijvers het vak niet hoeven te beheersen – wat een cliché! Zijn bijvoorbeeld slecht verkopende dichters dan ambachtslieden? Mij lijken beide beweringen guilt by association.
(Zoals onlangs in een andere stiel afgrondelijk getoond door Bart De Wever die kritiek van de sociaaldemocraten pareerde met een verwijzing naar een meer dan twee decennia oud voorval bij die sossen.)
Zelf zit ik ook alweer een tijdje in het vak, van de literatuur dan. Ik heb vele auteurs geredigeerd die meer lezers hadden dan ik – wat geen grote prestatie is. Och, technisch kon ik me nog met hen meten, maar hun talent zat vaak elders. Ze konden een verhaal vertellen.
Ooit had ik daar allerlei theorieën over, over gemakzucht en het behagen van lezers en zo. Nu denk ik dat het ware ‘schandaal’ elders zit. Bij onopvallende auteurs die door allerlei vormen van seriële erkenning (recensie, optreden, nominatie, redactietoetreding, prijs) groot worden gemaakt en als naam voor zogenaamd echte liefhebbers gelden.
Ik blijf Claus-fan, terwijl mijn bewondering toeneemt voor het gemak waarmee Op de Beeck lezers weet te boeien. Dat merk ik momenteel, nu ik Lampje lees, van Annet Schaap. Dit kinderboek kan beter, vind ik, maar wat een geweldig vermogen om een soort pageturner-in-avonturen-en-fantasie te scheppen! Nota bene rond familieverhoudingen! Maar natuurlijk ook over verlangen.
Sommige dingen kunnen niet vaak genoeg worden gezegd. Lezers van de toekomst, uit welke klasse of stand ook, zij krijgen nú een opleiding.

Naschrift
Een dierbaar detail uit bovenstaande posting is inmiddels hier opgepikt. Dit doet me vermoeden dat ik na bijna twee decennia België tussen twee talen ben gevallen. Bij wat ik om me heen begrijp van het gallicisme ‘defenestratie’ vult mijn digitale exemplaar van Van Dale aan: ‘figuurlijk het terzijde schuiven, op non-actief stellen van een politicus e.d.