vrijdag 9 januari 2026

Ik had een paar duidelijke


 

 

 

Thomas Heerma van Voss bundelde in De prullenmand heeft veel plezier aan mij interviews die lekker weglezen. Omdat ze over iets zo complex als literatuur gaan, is dat misschien opmerkelijk. Maar in het boek spreekt bijna exclusief de biografische persoon achter de auteur, op gevorderde, in principe werkluwe leeftijd ook. Bijna vijftig jaar na dato benaderde Heerma van Voss namelijk nog levende medewerkers die anno 1977 hun bijdrage aan De Revisor leverden in de vorm van een getekend zelfportret.

Het toenmalige literaire-tijdschriftinitiatief weet aan de interviewer de heden niet geheel onobligate kanttekening te ontlokken dat de man-vrouwverhoudingen scheef lagen, en dat mensen van kleur er niet te vinden waren. Indien hij echt had uitgezoomd was het Heerma van Voss allicht ook opgevallen dat De Revisor geen notie van Vlamingen had, op Ivo Michiels na. Maar zo’n zelfkritische beweging past deze bundel niet. Bij de Amsterdammers onder de geïnterviewden laat Heerma van Voss niet na te vertellen of hij hun straat kent of in hun buurt is opgegroeid.

Mij frappeerde dát die locaties opduiken. Ze suggereren intimiteit, die andermaal bevestigt hoe ver de autonomistische school inmiddels verwijderd is van de norm. Een genretechnisch overeenkomstig boek als Scheppen riep hij gaat van Au (1965) door H.U. Jessurun d’Oliveira stamt in verhouding uit de middeleeuwen, uit een ambachtsatelier. Wellicht valt De prullenmand heeft veel plezier aan mij beter te scharen onder de hausse aan biografieën. Conform aan de huidige zeden voorspelt Heerma van Voss’ achterflap een ‘smakelijke literatuurgeschiedenis’ en maakt die belofte letterlijk waar. Elk gesprek vermeldt wat auteur en interviewer drinken (bijna altijd thee) en welke koekjes of soesjes erbij geserveerd zijn, en of in de woordenstroom de geïnterviewde tijd vindt om ze te eten.

 

Stutten

Deze schrijvers blijken bijna allen spraakwatervallen. Voor zover ze het niet zelf zeggen, legt Heerma van Voss de reden daarvan bloot: ze zijn eenzamerig en staan niet meer in de belangstelling. Hij is dus ook hun verlosser – meer dan eens eindigt een gesprek met de vraag aan hem om nog eens langs te komen of in elk geval contact te houden. Er hoort een motief bij van communicatiemiddelen. Deze auteurs bezitten zelden een smartphone of laptop. Ze moeten het stellen met oude, slecht werkende bakbeesten van computers, en foeteren op internet dat alles, kennis én verbondenheid, kapot heeft gemaakt. Toch oogt niemand cynisch; veeleer leeft men, mede door gezondheidsproblemen, in het besef van vergankelijkheid, ook van generaties. En zonder zicht op publicatie schrijven velen voort.

Door deze opzet kan Heerma van Voss om boeken heen laveren. Ze functioneren louter als kapstok voor anekdotes over triomf en mislukking, uitgeverssores of mediasteun. In de psychologiserende biografietjes achter in het boek moeten de geïnterviewden zelf hun favoriete eigen titel geven. De ondertitel Schrijversportretten toen en nu is dus goed gekozen. Destijds een beeld van de schrijver, nu de taal van het portret. Als in het mooiste gesprek van de bundel Jan Kuijper aan Heerma van Voss vraagt of hij een bepaald (recent bij een niet-Amsterdamse uitgever verschenen) boek van hem ter voorbereiding heeft gelezen, pareert de interviewer of dat dit de verwachting had mogen en kunnen zijn. Waarna de geïnterviewde met een anekdote komt die zijn ontzagwekkende eruditie relativeert.

Wanneer ook Heerma van Voss oprecht was geweest, had hij zich geout als cultureel ondernemer bij wie tijd geld is. Naast dit project, dat hij startte als freelancer voor het Literatuurmuseum Online, is hij columnist bij De Lage Landen, gastdocent Creatief Schrijven op de VU en kunstmedewerker van De Groene Amsterdammer. Achteraf redundant merkt hij in zijn inleiding op dat hij zijn stukken niet wilde ‘stutten met veel jaartallen, titels, feitjes, stijlanalyses of geëxpliciteerde dwarsverbanden’. Een motief in dit boek is zijn bevreemding als meer geportretteerden, als waren ze schoolmeesters en andere wereldvreemden die in een studeerkamer of achter een scherm te vinden zijn, eerste versies zorgvuldig corrigeren. Feiten en toewijding rijmen allicht te sterk met de geregeld gememoreerde gouden tijd van de Nederlandse boekencultuur, van de jaren zestig tot negentig.

Heerma van Voss wilde, mijns inziens terecht, niet romantiseren. Maar had dat moeten leiden tot debunking? Nu laat hij auteurs babbelen over een tijd waarin ze culturele betekenis hadden én laat ze bij hun geheugenverlies namen beloven en behinten, die hij niet opzoekt. Zo sardonisch ontvouwt zich deze literatuurgeschiedenis, met leeslint en zonder register of bibliografie. Zo wordt evengoed ‘ontlezing’ een banaal begrip. Bovenal blijft het een aanleiding tot persoonlijke relazen en tot een beschrijving van uitpuilende bibliotheken. Daarbij ontdekte Heerma van Voss, naast de eenzijdige samenstelling van de Revisor-tekenaars van dienst, nog iets. Keer op keer bleek ‘dat elegant ouder worden een kunst is, een precair proces waar de ene schrijver beduidend meer talent voor heeft dan de ander’.