donderdag 16 mei 2019

Een proeve van onverschilligheid





Mijn archiefblog is uitgebreid met de voorlopig definitieve versie van mijn bespreking van De wereld in jezelf. De Nederlandse en Vlaamse literatuur van de 21ste eeuw in 60 essays. Over deze prestigieuze bloemlezing door Nina Polak en Joost de Vries berichtte ik twee weken geleden op Neerlandistiek.nl. Ik heb nog wat onvolkomenheidjes uit dat betoog proberen weg te werken.
Commentaar blijft welkom onder aan deze posting.
Meteen alsnog reageren op het comment dat op Neerlandistiek kwam. Mijn intro over de onbeschikbaarheid van Patricia de Martelaeres werk werd weerlegd met een verwijzing naar Boekwinkeltjes.nl, waar er nog veel tweedehands te koop blijkt te staan. Zo’n reactie blust me.
Ik kan hooguit verantwoorden te zijn afgegaan op recente mededelingen van een tijdschriftredactie en van boekhandelaren over het gemis van De Martelaere-titels. Daarbij had ik een acht jaar oude cultuurindustriële sessie in het achterhoofd waarin die klacht al werd gedaan, en vijf jaar geleden een heuse petitie voor herdruk van De Martelaeres werk, die onlangs herhaald werd, en niet op één plaats.
(Wel vind ik altijd fijn om met nuchtere getallen te worden geconfronteerd. Zo meldde deze maand de Nieuwsbrief van de Schrijverscentrale dat er maar liefst 744 auteurs zijn aangesloten. Onder hen zijn er trouwens 377 vrouw, 365 man en 2 genderneutraal.)
Maar het comment pakte vooral goed omdat ik de bloemlezers had verweten geen deugdelijk onderzoek te hebben gedaan. Als mijn intro al niet klopt, dan zal de rest helemaal niet veel soeps zijn! De pot leek de ketel weer eens te verwijten.
Tragikomisch werd mijn eerste versie zelfs, omdat ze bij Polak en De Vries bijziendheid vaststelde. Ze zagen volgens mij uitsluitend hun eigen provincie. Maar De Vries bleek net promotie te hebben gekregen tot adjunct-directeur bij een weekblad dat juist verder kijkt dan zijn neus lang is.
Toch blijf ik De wereld in jezelf, ondanks soms fraaie fragmenten, een proeve van onverschilligheid vinden. Hoe recenter de keuzes, hoe vaker ik meen te stuiten op een gevaarlijk soort nieuwe routine.
Altijd reëel echter blijft de mogelijkheid dat ik, bijna vijfentwintig jaar boeken publicerend, niet meer begrijp wat jongeren drijft. Dat zou beschamend zijn (voor een vader).

dinsdag 7 mei 2019

Verschrijvingen





Nu het luidruchtigste deel van de Lage Landen werktuiglijk gelooft in Ajax’ herovering van de wereldzeeën, te beginnen met het meertje in de buurt van de fameuze metropool Hotspurs dat Champions League heet, is het zaak de teleologie ook in de taal te bewaren.
Voor 99% was het volstrekt logisch dat de Amsterdammers alvast de Nederlandse beker wonnen, een opwarmertje tegen die slappe sigaren uit Tilburg, maar gelukkig is er altijd een 1% die de geest scherp houdt. Het officiële spandoek bij de prijsuitreiking bewees voor hen dat een f’je zo gevlogen is.
Fuck man.
Toch vond ik bekerinale een mooi en passend woord. Van Ajax’ pretenties levert het op klank en metrum al de heroïek (olympiade), de artisticiteit (biënnale) en de gezondheid (bionade). Het signalerende artikel gaf meer voorbeelden van zulke verschrijvingen uit de sportgeschiedenis. Ze stonden veelal op de achterkant van shirtjes, bevattende het nummer van de atleet en, bovenal, zijn naam.
Hoewel foto’s harde bewijzen gaven, moest ik zelf soms steun zoeken bij het onderschrift. Behalve bij ééntje: andesron. Nochtans had ik nooit van de dienstdoende Engelse voetballer gehoord. Maar allicht moesten die ‘s’ en die ‘r’ andersom. Een poëticaal verstrooidheidje?
Ja, nu heb ik me hangen. Dankzij het geheugen van de zoekfunctie op mijn computer schiet me te binnen dat in Een cheque voor de tandarts (1967) Bernlef over William Carlos Williams schreef dat deze voor diens laatste bundel weliswaar twee prijzen had gekregen maar ‘toch is mijn poëzie nooit erg populair geweest en hebben niet veel jongeren er zich door laten inspireren.’ Het is een soort feit dat Bernlefs poëzie inderdaad nooit zo is gewaardeerd; de jonge Maximalen namen haar zelfs als afschrikwekkend voorbeeld.
Een heus complot! Met een gezonde dosis paranoia heet men altijd een stapje voor te blijven. Vroeg Bernlef er dus om? Of was het de zetter die zijn manuscript in een moment van onachtzaamheid herschreef zonder dat de auteur het in de smiezen had, evenmin in de drukproeven?
Mij valt op dat het zelfs bij ervaren blinde typers aanbevelenswaard is pas de toetsen in te drukken, nadat alle tien vingers op de juiste positie staan. Ik spreek hier uit ervaring, al heeft ze me ooit wel een notitie opgeleverd die in programmatisch tekstje voor een literair tijdschrift belandde:

Nokxpmfrt. yrhr;okl s;hr,rrm rrm ;ovjyr brtdvjiobomh bsm fr jsmf" fr omhrvs;vsi;rrtfr gpiy. nreidy dvjs,[rmfr yss;/

Onder de eerste vijftig inzenders van de goede oplossing verloot ik evenveel stukjes uit de neus van een bekende oud-voetballer of twee zoenende goden naar keuze.
Tegenwoordig, nu spieren en botten strammer worden, kijk ik zekerheidshalve al tijdens het verschijnen van letters op het scherm. En dan verandert een collega net zo makkelijk in een collage. Omdat werken leidt tot wreken?
Ten slot van deze warming-up even melden dat er veel verschrijvingswerk zit aan ‘verfomfaaid’. Het woord blijkt aan te zuigen in Van Dale. Uit die informatie begreep ik eveneens dat bij gebruikers van dat woord zich de ‘r’ opdringt, maar liefst op twee posities tegelijk (hier kan Ajax een voorbeeld aan nemen). De reden zou liggen in onverwante termen als ‘fraai’ en ‘frommelen’.
In het allerverschrevendste geval wordt ‘verfomfaaid’ tot ‘verfromfraaid’. Zeg dat maar eens tegen de mannen van Tottenham. Misschien horen ze fromfright, wat zoals genoegzaam bekend een angst is voor het hebben van een statische afkomst.
Onder groene zoden?

woensdag 1 mei 2019

Freak is een nog veel te chic begrip





Bij mijn opinies bij opinies over wat er allemaal scheelt aan de neerlandistiek – allemachtig, ik zou bijna vergeten voorbeelden te geven van hoe het naar mijn jolly allerbescheidendste mening ook kan.
Pas onlangs las ik de verzamelbundel De lichtheid van literatuur. Engagement in de multiculturele samenleving uit 2015. Zo’n boek maakt me ook op andere dagen dan 1 mei enthousiast, leeslustig, doevaardig. Omdat het teksten met theorie confronteert en zichzelf inclusief onderzoeksobject binnenstebuiten keert met een heikel vraagje: wat hebben wij nu helemaal voor zin?
Logisch. Geen wetenschapper wil buiten de samenleving om werken, geen literator wenst teksten te produceren die verstoken blijven van betekenis voor diezelfde samenleving.
Hopelijk vat ik de bevindingen adequaat samen wanneer de vier auteurs – Maria Boletski, Sarah De Mul, Isabel Hoving en Liesbeth Minnaard – voor de ijdele kunstuiting die literatuur is nog steeds ruimte zien, met handhaving van haar wat in de voetballerij ‘speciale kwaliteiten’ heet. De motor achter lezen en interpreteren kan dan de bijzondere behandeling van taal blijven.
Een opluchting vind ik ook de principiële aporie van analyses in de praktijk, zonder dat de orthodoxie van permanente onbeslisbaarheid leidt tot wapenstilstand vooraf. Sterker nog, literatuur geldt voor deze beschouwers als een slagveld, waarop iedereen welkom is. Vervolgens is het een zaak van vallen en opstaan, net als bij nog wat dingetjes uit het leven.
Dat vallen levert ondertussen heel wat verklaringen op van denkbeelden en tegenstrijdigheden in een literaire tekst, totdat ze met zovelen zijn dat een nieuwe hypothese nodig is. Dit alles met de aanname uit de ondertitel: de multiculturele samenleving, niet van het wijdverbreide failliet ervan. Iedereen is dan gebaat bij de detectie van stereotyperingen, om uitsluiting te voorkomen.
Constante in de artikelen is het notoire begrip ‘nieuw realisme’. Daarmee doelde Baukje Prins ooit op witte burgers, destijds autochtonen geheten, die ervan overtuigd waren dat ze in hun meningsuiting beknot werden. Dat was ook voor de maatschappij reuzejammer, omdat ze misstanden waarnamen, veroorzaakt door zogeheten allochtonen. Dus zat er niets op dan te ‘zeggen waar het op staat’.
De lichtheid van literatuur gaat vervolgens na in hoeverre laaglandse romans deze taal /spreekstijl hebben gevolgd, genuanceerd of bestreden. Jammer is dat het boek al verschenen was, toen Prins moeite kreeg met het nieuw realisme dat als het ware van allochtoon naar autochtoon begon te vloeien en er bredere, ongeduldige steun kwam voor hetgeen het boek geduldig aanklaagt.
Met name trof me het artikel ‘De fantasieën van de onschuldigen’. Daarin behandelt Hoving eerst een dubbelinterview met Robert Vuijsje en P.F. Thomése, en daarna de romans Salomon van Hafid Bouazza en 24/7 van Willem Melchior. Ik geef dat compliment natuurlijk uit luiheid, om me er listig van te ontslaan de redenaties na te vertellen.
Het punt waarop ik hardop over Hovings tekst wil nadenken, ligt namelijk in een mededeling. Ze noemt een rits recente Surinaams-Nederlandse auteurs van wie ik als gediplomeerd neerlandicus nooit had gehoord: Marylin Simons, Annet[te] de Vries, Annel de Noré, Sophie Redmond, Cándani,…
Wat heb ik al die jaren uitgespookt? Alleen de laatste vind ik terug in mijn oude Spiegel van de Surinaamse poëzie. Ze sluit die bloemlezing zelfs af, met gedichten die mijn zelfverklaard kritische blik destijds kennelijk dusdanig zozo hebben gevonden dat ze met schrijfster en al in het vergeetputje belandden.
Tijdens mijn studie, in de jaren tachtig, waren al mijn medestudenten wit. Ik volgde een keuzevak dat zoiets als ‘Caraïbische literatuur’ heette. Daarin maakte ik kennis met romans van Frank Arion en Tip Marugg en, als ik het me goed herinner, Hugo Pos. De laatste liet me koud, de eerstgenoemden vond ik een revelatie.
Nu doet mijn mening er natuurlijk niet toe, wel de constatering dat ‘neerlandistiek’ neerkwam op ‘Nederlandse literatuur’.
Schijnbewegingen en uitzonderingen daargelaten hoorde Vlaanderen daar evenmin bij en ik geloof dat er in de tussenliggende jaren weinig is veranderd in die kennis over de zuiderburen (zelf las ik pas dit weekend een type rouwadvertentie dat hier gangbaar blijkt, van een man die bij nader inzien zijn in kleiner corps gezette vrouw betrof, ‘geboren als xxx’).
Wanneer ik me toespits op Suriname, dan vrees ik dat pas in dit decennium tot me doordrong hoe cruciaal Anil Ramdas’ artikel ‘Moedwil en kwade trouw bij blanke schrijvers’ (1997) is geweest. En in het vak is het inzicht evenmin oeroud dat Hans Faverey nou niet exclusief tot de Nederlandse literatuur behoort.
Enfin, dank aan Isabel Hoving dus, een decennium wijzer dan ik. Prettig ook dat ze zich als lezer en burger nergens wegsteekt en, in een eindnoot, haar poëtica vertolkt. Als literatuur van ‘werkelijk cultureel belang wil zijn’, tekent ze aan, kan het niet anders dan dat deze kunst dominante fantasieën ‘problematiseert, vernieuwt, ontrafelt’.
Ter discussie staat dan vanzelfsprekend wat ‘dominant’ is. Indien literatuur zo’n debat ontketenen kan, is het al heel wat.
Hoving ziet ondermijning van die dominantie bij Melchior door een besef bij een personage. En ze citeert vervolgens uit de roman: ‘Ik ben evengoed een geval (…) Freak is een nog veel te chic begrip.’ Die laatste zin heeft voor mij vreemd genoeg boven alles een intertextuele lading. Als muziekmaniak of als lijdzaam onderdeel van Melchiors generatie?
Het liedje waarnaar hij knipoogt, is geschreven nadat Bernard Edwards en Nile Rodgers letterlijk een staaltje uitsluiting hadden ervaren (uit de fameuze New Yorkse nachtclub Studio 54).

dinsdag 23 april 2019

Dropkrijt






Op Neerlandistiek.nl voltooide Toos Streng kalm de drieslag van een debat over de insinuatie dat veel literatuur- en cultuurwetenschappers tegenwoordig een linkse agenda doordrukken, vol moralisme en taal die van oudsher ‘politiek correct’ heet.
Het begin lag bij een tekst van Kees ’t Hart in De Gids. Voor zijn doen onironisch reclameerde hij tegen een methode van ‘Distant reading’ die politieke gevoeligheden zou beogen boven te halen. Twee door hem geviseerde wetenschappers, die ‘kritische analyses van representaties van onder andere gender, ras en klasse’ dachten te hebben gegeven, reageerden ter plekke. Daarna was er een rabiate column van Freek Van de Velde tegen ‘gender-obsessies’. Streng bestreed vooral dat laatste stuk.
Zelf plengde ik op genoemde vakwebsite zowel bij het eerste als bij het tweede debat een comment. Nu wil ik mijn ideetjes zogezegd synthetiseren. Daarbij vooraf de opmerking dat het lijkt alsof er in ‘de’ wetenschap een trend is, terwijl die, net als de kritiek erop, maatschappelijke gevoelens vertolkt. Dat vind ik op zich een opluchting, want vacua afwendend. Bij ontstentenis van parallelle universa zijn er over die gevoelens in ons metabestel natuurlijk al wel boeken verschenen.
Steeds duidelijker blijkt de betekenis van ‘ideologisch’ veranderd. Het etiket staat voor expliciet linkse politiek, zoals populair in de studentenjaren van babyboomer ’T Hart. Vreemd blijft het dat de afrekening daarmee, officieel met de val van de Muur, doet uitschijnen niet ideologisch te zijn. En wil doen geloven: niet-vooringenomen.
Maar neutraliteit is een paashaas.
Die evidentie komt van pas, omdat comments bij Van de Velde lijsten voorstelden met ‘ideologische’ wetenschappers. Zulke wensen zijn niet nieuw. Baudet viste ernaar, bij het aantreden van Trump ontstonden er schandpaalwebsites, alsof het mccarthyisme wederopstond. Vice versa was het tijdens decennia van linkse politiek gewoon om andersdenkenden ‘fascist’ te noemen. Nog altijd klinkt de aanduiding ‘fout’. Zelfs ‘linkse’ ontmaskeringsneigingen die ’T Hart bespeurt hebben hun pendant in ‘rechtse’ zogeheten neokritiek.
Om stellingnames te verhelderen dienen zich krasse vergelijkingen aan. In de ene richting gebeurde dat ooit met het nazisme, in de andere richting ziet Van de Velde nu verwante mechanismes met een terreurorganisatie – voor literatuurwetenschap dus. Geert Buelens werd dit kennelijk te veel: ‘IS, collega?’ (op de melodie van: ‘Et tu, Brute?’).
Toch is enige mentale gewelddadigheid onloochenbaar. In mijn comment memoreerde ik de ‘linkse’ Lezeres des Vaderlands die zo radicaliseerde dat mij ‘een tegenpolig mccarthyisme’ opviel. Ik kreeg vervolgens een artikel toegestuurd over een geëngageerde jonge schrijver die The House of Mirth (1905) van Edith Wharton niet alleen na vijftig pagina’s wegsmeet maar de dus amper gelezen roman niet eens in huis wilde hebben. Het antisemitisme van een personage deed hem walgen.
Tegelijk blijft er consensus over het idee dat literatuur empathisch stemt. Men leert zich dan te verplaatsen in onbekende gedachten, wel fijn in sociale-mediatijden die door bubbels heten bepaald. De ‘morele verontwaardiging’ die Van de Velde wetenschappers aanwreef, is eerlijk gezegd de motor achter mijn leesdrift: wat weet ik weinig over anderen, schandalig mijn beperkingen! Zowel hij als ’T Hart gaf dan wel af op literatuurwetenschappelijke teksten, toch leek dat hooguit aanleiding. Hun grote bezwaar was een specifieke beperking, de sensatie van een soort censuur – op doodzielige hoogopgeleide witte mannen die altijd maar de pineut zouden wezen. De vraag dunkt me dan: over welke realiteit gaat het?

woensdag 10 april 2019

Titel, cover, flaptekst





Bij het sombrisme over de toekomst van de neerlandistiek, het niveau van het middelbaar onderwijs en de gevolgen voor bellettrie snak ik naar tastbare gegevens en niet naar zondebokken. Het zal best dat studenten aan lerarenopleidingen niet graag lezen, maar moeten ze, zoals Bart Moeyaert zei, jeugdliteratuur dan maar door hun strot geduwd krijgen? En spelen ouders geen rol wanneer kinderen het woord ‘ree’ niet kennen? Is het belangrijk om te weten wat ‘kassei’ betekent?
Mijn voorstellingsvermogen heeft er meer aan te vernemen dat bij Latijn het probleem ervaren wordt in de complexiteit van de benodigde zinnen voor de vertaling. Zoiets is voor mij instructiever dan het koningskoppel dat in zulke signalementen vroeg of laat opduikt, te weten ‘visie’ en ‘ambitie’. Dan zie ik prompt sterretjes. Wanneer vervolgens een ‘lat’ ofwel hoger of lager gelegd moet worden, wordt het laagland niet bevolkt door taalspecialisten maar door dopingrijke atleten.
Concrete informatie voor mij graag. En daar daar werd mijn wens al vervuld. Het taalkundig genie moest, in het laatste jaar dat ze op de lagere school zit, een boekbespreking houden en kreeg het evaluatieformulier mee naar huis.
Welkom op het ministerie van Quasi-Objectiviteit met ‘criteria’. Mij verraste in de beoordeling een T-splitsing: de spreekbeurt zelf (75%) en een onderdeel ervan, te weten een voorgelezen fragment uit het boek (25%).
Het laatste ijkt ‘expressief voorlezen’. Tot in deze aanduiding domineert het presentatie-aspect, de buitenkant. Of misschien moet ik uitgaan van de ontvanger en wordt klantgerichtheid getoetst. Hoe dan ook vallen zes hordes te nemen: articulatie, uitspraak, intonatie, oogcontact, tempo en ritme, lichaamshouding.
Alleen onder intonatie kan de leerling tonen iets van de tekst te hebben begrepen, omdat het daar gaat om aanpassing aan personages met wier karakterschetsen in de voordracht ongetwijfeld iets te doen is. Saillant in de Vlaamse context, en het hangijzer van de tussentaal in het bijzonder, lijkt me dat onder uitspraak ‘dialectisch’ als minder ‘verzorgd’ geldt. Overigens gebruik ik zelf, veeleer een taalmaniak dan een filosoof, ‘dialectisch’ nooit in deze betekenis.
Dan de hoofdmoot van de beoordeling. De spreekbeurt als geheel ondergaat een kritisch oog met maar liefst twaalf facetten: aanspreking (= intro), voorstelling (= samenvatting), keuze van het fragment, fragment voorlezen, inkleding, mening, afsluiter, articulatie, uitspraak, presentatie algemeen, (formele) vereisten, tijd (tien minuten).
Valsspelers op het ministerie! Deels vertonen deze facetten een overlapping met de horden.
De formele vereisten bestonden eruit dat het boek voor tienplussers was, minstens honderd pagina’s lang en – een naar verluidt nog lastige opgave in het segment – geen deel uitmaakte zijn van een reeks. Uitdrukkelijk werd zowel fictie als non-fictie toegestaan. Dat rijmt met de statusverhoging van het tweede fenomeen. Gezegend de kinderen die toch een beginnersoefening in empathie mogen beleven.
Mijn nieuwsgierigheid gaat uit naar betekenistoekenning. En dan zijn eigenlijk alleen samenvatting, fragmentkeuze en mening relevant, waarbij ik bid dat die keuze belangwekkend is in plaats van spectaculair en waarbij ik bovendien hoop dat de leerling bij het oordeel voortbouwt op de tekst. Ik twijfel, omdat een onderdeel van de samenvatting blijkt: ‘zegt wat hij/zij dacht toen hij/zij de titel, cover, flaptekst zag’.
Ligt het grootste belang bij de buitenkant van de buitenkant?
Een figuur als Donald Trump is daar ver mee gekomen. In het zalig uitspittende roddelvod Fire and Fury noemt Michael Wolffs hem ‘postliterair’. Of de president kan schrijven of lezen blijft ongewis. Wel is hij een echte prater, of beter: een publieksbespeler. Hij vleit en breekt terwijl hij meningen plengt. Omgekeerd interesseren cijfers en analyse hem allerminst. Als schermverslaafde kan hij louter zijn aandacht houden bij verhalen, die ook nog enthousiast en spannend moeten worden gebracht.
Iets zegt me dat Trump niet zou slagen voor Begrijpend Lezen, het vak waarboven nu bezorgdheid hangt. Het is echter zeker denkbaar dat hij, met een improvisatie die zakenmannen in voorraad hebben, hoog zou scoren voor een boekbespreking.
Een spreekbeurt is best te vergelijken met een oefening in retorica. Formele aspecten (als de aan Trump zelve ontleende alliteratie in Wolffs’ titel) zijn zeker te legitimeren bij een boekbespreking. Maar bijvoorbeeld bij de intro en de afsluiter bleken niet per se tekstuele strategieën bedoeld. Een koddig voorwerp of dito afbeelding op PowerPoint-dia konden evengoed dienen om de klas te boeien c.q. uit te wuiven.
De glijdende schaal van aandacht trekken over behagen tot conformeren.
Dit klinkt hopeloos ouderwets. Maar op het gevaar af mijn geschiedenis te, eh… extrapoleren, waag ik me te herinneren dat ik op de leeftijd van het taalkundig genie niet kon ophouden met vertellen waar ik over gelezen had. Wat een belevenissen en emoties! Sterker nog, ik ben jaloers op de lezer die ik toen was.
Taal mag van mij dus met taal worden beantwoord. De waaromvraag, niet de hoevraag. Nu wijst het expliciet bij intro en afsluiter criteriaal verankerde summum ‘origineel’ voor mij naar iets wat rijmt met de bekende competentie uit het middelbaar onderwijs, ‘creatief’.
Voor mij zijn zo wel erg veel presentatie-onderdelen veeleer kosmetisch. Trek de trukendoos maar open! Dat is mijn eigen bekommernis, aangezien het centrale idee vermoedelijk in communicatie ligt. Toch frappeert dat bij de toelichtingen ‘levendigheid’ terugkomt en dat (trumpiaanse?) zelfverzekerdheid beter heet dan verlegenheid. Alsof er een uniform esthetisch menstype wordt geschapen. Zoals er hier dankzij een gulle regeling van het ziekenfonds een hele (witte?) generatie rondloopt met onberispelijke gebitten die allemaal op elkaar lijken.
Maar wellicht vertolk ik vooral privévrezen. En in hoeverre dit allemaal representatief is, weet ik niet. Het lager onderwijs in België heet strenger dan het Noord-Nederlandse, maar dat gaat volgens mij meer over de orde dan over de lesstof. En sinds De Luizenmoeder lijkt boven de rivieren alles in de klas gehuld in duisternis die wel niet oudtestamentisch is. Dat belooft.

woensdag 3 april 2019

Volg de partijlijn





In de marge van wat jongeren in België blijven doen voor het klimaat, is er onlangs iets bijzonders gebeurd. David Van Reybrouck bepleitte een aanpassing in de grondwet om klimaatmaatregelen en -voornemens bindend te maken in een opiniestuk dat, op de slotzin na, helemaal in de gebiedende wijs was gegoten. Hij wilde dan ook specifieke mensen overtuigen: de politici uit het parlement van wie verwacht werd dat ze de aanpassing zouden negeren. Zijn pleidooi verscheen op de dag van de stemming.
Met de imperatief wordt, in voetbaltermen, maximaal druk naar voren gezet. De zender doet met de werkwoordvervoeging een appèl dat niet directer kan. In nood kan hij ‘Hulp!’ roepen, een zelfstandig naamwoord dat er niet om liegt. Toch kan er zich dan naast een eventuele redder een veelvoud van wegkijkers aandienen. De werkwoordsvorm ‘Help!’ maakt de vraag echter onontkoombaar. Na die aanspreking kan het antwoord louter ‘ja’ of ‘nee’ zijn, zoals bij een stemming gebeurt.
Deze doelgerichtheid nam bij Van Reybrouck een extra wending. Iets daarvan schemerde al in de titel van de tekst door: ‘Parlementsleden van CD&V, N-VA of Open Vld, negeer de jongeren, de studenten en de vele tienduizenden betogers’. Hij voerde een omgekeerd betoog, een vervreemdingseffect dat ten overvloede bewijst dat elk formalisme moreel is. De betreffende strategie werd in protestmuziek tegen de Vietnamoorlog toegepast door Boudewijn de Groot:

Meneer de president, welterusten
Slaap maar lekker in je mooie witte huis
Denk maar niet te veel aan al die verre kusten
Waar uw jongens zitten, eenzaam, ver van thuis

Denk vooral niet aan die zesenveertig doden
Die vergissing laatst met dat bombardement
En vergeet het vierde van die tien geboden
Die u als goed christen zeker kent

Door alle vooronderstellingen is de ondertoon dan wel wat cynisch, alsof het protest niet gelooft in zijn resultaat. Toch heeft de gebiedende wijs ook iets aanlokkelijks, omdat de (niet door een klassieke apostrofe) aangesprokene op zijn noten krijgt. Mocht deze trots of ijdel zijn, dan kan het geschonden eergevoel leiden tot een reactie – het begin van een gesprek.
Van Reybrouck speelt dus technisch en inhoudelijk va-banque. Misschien is dat een bittere noodzaak, nu argumenten geregeld worden ontweken want beantwoord met verdachtmakingen. Door de ander ‘hypocrisie’ aan te wrijven hoeft er geen gesprek gestart. In dit geval hadden betogers de koude dagen vóór de stemming in tentjes bij het parlement doorgebracht. Het ontlastende antwoord aan Van Reybrouck kon dan een wedervraag zijn: of hij er ook had gekampeerd. Grappig vind ik dat hij die uitvlucht blokkeert door aan het slot van zijn stuk alle voor hem dubieuze Kamerleden bij naam te noemen: 17 van de CD&V, 31 van de N-VA en van 14 Open Vld.
Nog een reden voor de imperatief in combinatie met een negatief betoog kan liggen in een literaire traditie. Een (minder consequent) voorbeeld is de ‘Funeral Blues’ van W.H. Auden, bekend uit de film Four Weddings And A Funeral waar uitgerekend een gedicht dus impact heeft.

Stop all the clocks, cut off the telephone,
Prevent the dog from barking with a juicy bone,
Silence the pianos and with muffled drum
Bring out the coffin, let the mourners come.

Het idee is meteen dat de situatie zodanig precair is geworden dat louter menselijkheid beslissend kan zijn. Het doel, niets meer dan ethiek, heiligt deze literaire middelen die de retoriek voorbij zijn. Is dat precies ook wat dit opiniestuk onderscheidt van verkiezingscampagnes en reclames die evengoed imperatieven lanceren?
Wanneer Van Reybroucks vorm inderdaad het hogere belang spiegelt, trekt hij zich veeleer op aan de Tien geboden. En die dan door zijn mixer van de omgekeerde redenatie, waarmee hij ieder genoemd Kamerlid gebiedt: ‘Volg de partijlijn, niet uw geweten’. Dat zinnetje had bovendien alle voorafgaande alinea’s afgesloten.
De mens die ik ben is ook lezer en luisteraar, die geen kunst ontwaren maar kitsch. Hier vind ik dat minder zwaar wegend – Van Reybroucks keur van argumenten had me al overtuigd. Een groter risico voor dit opiniestuk openbaarde zich omdat aan ‘hypocrisie’ tegenwoordig een tweelingbroer wordt gegeven: ‘moralisme’ (eventueel te herleiden naar de ouders van een ‘deugelite’).
Dat risico kent in de Lage Landen drie persoonstypes. De eerste heeft Doe Maar vereeuwigd in ‘Pa’, doorspekt met mantra’s:

Knoop je jas dicht, doe een das om, was eerst je handen
Kam je haren, recht je schouders, denk aan je tanden
Blijf niet hangen, recht naar huis toe, spreek met twee woorden
Stel je netjes voor, eet zoals het hoort en zeg u

Wat de vader hier voortbrengt zijn niet zozeer geboden als wel etiquette. Veeleer esthetiek, zodat kinderen die daar last van ondervinden hun beklag doen over ‘burgerlijkheid’ of holheid.
Het tweede moralistische type vertoont juist een teveel aan ethiek en verstikt daarmee de ontvanger voor het leven. Afhankelijk van het dienstdoende geloof wordt dat trauma geleverd door de pastoor of de dominee. Intrigerend is dat dit protest kan verwekken met tegenmoralisme. Zoals onlangs hier in een comment ter sprake kwam: ‘Meneer de kardinaal, schaam je’ (Erwin Mortier).
Ten slotte is er het type van de schoolmeester. Dat is raar, omdat het over te brengen object kennis is, het meest neutrale van de drie. De frappe zal zijn dat nieuwsgierigheid in leerboeken gewekt wordt met een vraag die de imperatief dempt: ‘Wist je dat…?’ Een schoolmeester slaat die frase over en gaat aldus van acquit: ‘Schrijf op’. En vervolgens, tegen wie dat niet doet, desnoods omdat er alternatieve feiten blijken: ‘Kijk me aan als ik tegen je praat’.
Heb ik nu alle ins en outs rond Van Reybroucks keuze voor de gebiedende wijs bijeen? Mij schiet nog te binnen dat zijn tactiek de meest reguliere menselijke reactie ontmantelt: ‘Ik zal er nog eens over nadenken’. Maar dat zou na decennia milieuvervuiling misplaatst zijn.
Dat het grondwetsaanpassingsvoorstel niet aangenomen werd, liet vermoeden dat een – onmogelijk te vertalen – Vlaamse reactie had toegeslagen: ‘Ik trek mijn plan wel’.

dinsdag 26 maart 2019

Niets dan goeds




Godfried Danneels stierf op 14 maart 2019. In memoriams schetsten een gesloten man met een gedachtegoed dat tegenstrijdige trekken had. Daarnaast werd uiteraard gemeld dat de man zich aan het eind van zijn bewind als aartsbisschop had vergaloppeerd met de pedofiliezaak-Van Gheluwe.
Mij trof dat, voor zover mijn digitaal zoekvermogen klopt, in vier postume portretten Danneels ook zonder de geringste twijfel werd opgevoerd als een omstreden criticus van Hugo Claus’ euthanasie in 2008. Ik heb daar toevallig het nodige over gelezen, dat terecht is gekomen in een boek. Op basis van die kennis zou ik niet zo’n pertinente bewering durven te doen.
Ten eerste staat het iedereen vrij een mening te hebben (binnen de grenzen van de wet). Zelfs indien Danneels Claus’ besluit zou hebben bekritiseerd, kan dat nooit een probleem zijn geweest. Die omstredenheid is dus geschapen door derden.
Ook heeft de kardinaal Claus nooit genoemd. De uitentreuren geciteerde passage uit zijn homilie luidt: Door zomaar uit het leven te stappen, antwoordt men niet op het probleem van lijden en dood. Men loopt er in een boog omheen en omzeilt het. Omzeilen is geen heldendaad, geen voer voor frontpaginanieuws.
Het lijkt me geen slinks protokatholicisme het te houden bij algemene kritiek. Bij herlezing van het citaat springt evengoed de term ‘frontpaginanieuws’ in het oog. Dat is een anglicistisch vlaamsisme dat, voor mijn Hollandse oren, met ‘front’ een oorlogssfeertje waarneemt.
En oorlog was het in de Vlaamse media van maart 2008. De aandacht voor Claus – een groot schrijver wiens euthanasie ik billijk vind – was buiten elke proportie. Achteraf bleek dat de euthanasie-onthulling aan de media minutieus was voorbereid. Met een heus event werd geweld ontketend.
De dood van Claus beheerste dagenlang het nieuws, de publieke begrafenis in een schouwburg was rechtstreeks op de televisie.
Na voltooiing van mijn boek las ik de gebundelde versie van Paul Claes’ Glimpen. Daarin frappeerden me twee details. In 2004 boekstaaft hij dat naar een tv-documentaire over Hugo Claus ‘amper 40.000 kijkers’ hadden gekeken. En in 2006 noteert Claes ‘een Clauswoordraadsel’ in elkaar te hebben gestoken, ‘voor het nummer van de Standaard der Letteren dat moet verschijnen als de Meester sterft’.
De twee details bevestigen de teneur van de feiten die ik verzamelde: de belangstelling van het volk voor Claus was minimaal en de inspanningen van media om hem tot een volksheld te maken waren maximaal.
Overdrijf ik als ik stel dat Clausvolgelingen de opmerking van Danneels prima konden gebruiken? De daad van de heilige werd er nog controversiëler van. Zelfs in seculiere tijden kreeg hij loon naar een leven lang antipapisme. (In dat licht ontgaat me de portee van het contact dat Claus, onthulde Jan Vanriet onlangs, had gezocht en gekregen met Danneels.)
Waarom dus die schwalbe na Danneels’ homilie? En waarom het re-enactment bij zijn dood, ook bijvoorbeeld weer in De Standaard? Ik zie wel de ironie van de geschiedenis dat uitgerekend deze voormalig katholieke krant de voor Danneels ontluisterende Van Gheluwe-tapes vrijgaf.

Rein Bloem stierf op 20 juli 2008. Het einde van een gestaag uitdoven bij iemand die onvermoeibaar potentiële lezers had geënthousiasmeerd voor literatuur. Bloems activiteiten sorteerden het meest effect in de jaren zestig en zeventig, niet toevallig de decennia waarin het boekbedrijf profiteerde van een demografische en intellectuele aanwas.
Nu, dik elf jaar na Bloems overlijden, is er het Boekenweekgeschenk Jas van belofte. Met de auteur die deze eervolle opdracht vervulde, Jan Siebelink, krijg ik toch wat medelijden – als ik het goed heb heeft hij één positieve recensie gehad.
Het boek gaat over een heilige en kent daarnaast bijrollen. Tot de figuranten in Jas van belofte behoort Edwin Wopereis. Hij fungeert als tijdelijke vaderfiguur die net als de hoofdpersoon docent is en schrijft.
Wopereis ‘houdt van onbegrijpelijke poëzie’ en wordt afgeschilderd als de Charles Manson van de Nederlandse literatuur, een sekteleider die volgzaamheid eist en die waanzinnig wordt. Er zijn ook hints over een nacht met des hoofdpersoons echtgenote.
Deze karikatuur is gemodelleerd op Rein Bloem, ontdekker van Siebelink. Wat heeft de gelouterde Boekenweekgeschenkauteur bezield? Nazicht leert dat hij in 2017 aantekeningen had voor één roman die hij nog hoopte kunnen uitwerken. Er was een verhaallijn over een leraar en over ‘een telefoontje van een bekende literatuurcriticus die in een obscuur tijdschrift een verhaal van hem heeft gelezen en dat graag onder ieders aandacht wil brengen’.
Dat verhaal is ‘Witte chrysanten’, deels beland in zijn debuut Nachtschade, en zijn promotor Bloem, ‘een destijds geducht recensent van Vrij Nederland’. Siebelinks eigen vader was zoals bekend een bloemenkweker. En Wopereis was de naam van de ’erg vervelende’ eigenaar van Jans eerste huis.
Ik zou van alles over Jas van belofte kunnen beweren. Maar daarvoor had ik liever meer gelezen van Siebelink en ik vrees dat ik het bij dit boekje ga laten. In de derde alinea raakte ik de draad al kwijt, door het rare werkwoord beseffen: ‘Een moment verwijlde hij in die verre tijd, op het eiland Patmos, bij de apostel, luisterend naar de raadselachtige woorden die de geest hem dicteerde, besefte de stilte in en rond het huis.’
Waarschijnlijk behoort het tot de fijngevoeligheid om te zwijgen over wat Siebelink in zijn boek van Bloem heeft gemaakt. Ook kun je Jas van belofte legitimeren met de stelling dat het ‘maar fictie’ is. Of een product van de vrije meningsuiting (net als deze, helaas ongeredigeerde, blog).
Wat Rein Bloem heeft betekend voor de neerlandistiek, en voor mij persoonlijk een beetje, heb ik elders eens proberen te zeggen. Zijn kennis strekte van middeleeuwse tot en met recente literatuur, en hij durfde met eigen ontdekkingen te komen. Zo was zijn verdienste iets wat weinigen gegeven is – docent en criticus in dezelfde persoon te zijn.
Ik begrijp niet waaraan Bloem het te danken heeft om meer dan tien jaar na zijn dood te kakken te worden gezet, onder auspiciën van een vereniging die het boek promoot.

donderdag 21 maart 2019

Als hij niet steeds onderging




Is het vandaag niet officieel lente geworden? Prompt ervoer mijn lichaam iets wat het niet kende. Mij lukte het namelijk niet Thierry Baudets overwinningstoespraak bij de Provinciale Statenverkiezingen aan te zien. Met alleen geluid ging het net.
Inmiddels wordt aan Baudets woorden al het mogelijke gewicht verleend. Dat kan een vorm van kritiek zijn, die onvermijdelijk cultuurindustrieel wordt. Kenners van de menselijke geest ontwaren in al die achterafcommentaren op de traumatische uitslag misschien ook rationaliseringen.
Zelf vond ik de speech simpelweg gênant, vreselijk, enz. Kennelijk bestaat er zoiets als een plebejisch elitarisme.
Soit, zoals ze in Noord-België zeggen.
In het ostentatieve deel van de literaire wereld blijkt consternatie ontstaan over het feit dat Baudet en Hiddema zich beriepen op (regels uit) poëzie van Herman Gorter en Menno Wigman. Dat begrijp ik niet. Die consternatie, bedoel ik.
Lezen is toe-eigenen. Zeker schrijvers weten dat wat ze naar buiten brengen vogelvrij is. Omdat het wordt geïnterpreteerd, gepoëticaliseerd, in een niche tot slogans gelifestyliseerd, enz.
Onlangs verscheen een prachtig documentaireboek van Marja Vuijsje, Oude dozen, waarin zij laat zien dat teksten zelfs ongelezen een betekenis kunnen krijgen die verregaand is. Identiteitsvormend, niet alleen vlak na het verschijnen, ook in retrospectief.
Wat de poëzie van Wigman overkwam, is dus gangbaar. De consternatie daarover rijmt wel met safe-spacepraktijken die met de beste bedoelingen ideeën die onwelgevallig zijn op afstand houden. En ze zo bevestigen?
Teksten, kunstuitingen, en zeker literatuur: ze lenen zich voor toe-eigening in iedere ideologische richting. Voor dat even ellendige als geweldige vermogen heeft de roman Briljante man van Michael Tedja een microbewijs in het woord ‘macaberlinerbolhoed’.
Ieder leest zichzelf.
Zo publiceerden de dag na deze wat mij betreft deplorabele verkiezingen de jongens van Terras uit de nalatenschap van Raster – het tijdschrift dat zij zich toe-eigenden – drie ondergangsgedichten van A. Roland Holst.
Hopelijk is mijn punt nuchter. Wie het niet bevalt dat taal wordt geïnstrumentaliseerd, kan beter proberen de democratie omver te werpen en een staat oprichten waarin uitsluitend contextbehoud van betekenis mag heersen.
Wie selectief citeert, belandt dan in de gevangenis.
Iedereen zit dus in de gevangenis. Met vele illustere, soms oneindig extremischer voorgangers. Hitler die (de zus van) Nietzsche had laten lezen.
Logisch toch?
Dat nu ook Wigmans nabestaanden zich ongelukkig verklaren met de cherrypicking van Baudet, is beter te volgen dan de collegiale onmin. Solidariteitshalve dan. Ze citeren van hun geliefde onder meer:

De zon was mij niet opgevallen als hij niet
steeds onderging […]

Vervolgens corrigeren ze Baudet omdat die de zon in de voltooid verleden tijd had laten verdwijnen. Een andere betekenis, ja. ‘Wigman besteedde altijd zeer veel zorg aan het ritme van zijn gedichten.’
Ik weet niet of ik het tragisch of pathetisch vind dat de familie daarvoor een persbericht inzet, waarin ze geen irritatie of schaamte uit maar zich ‘nadrukkelijk distantieert’. Het zal rouwverwerking zijn.
Is het kies, laat staan belangrijk dat ik mijn ambivalente gevoelens hierover publiek maak? Heb ik tot nu toe iets beweerd dat niet iedereen kan bedenken?
Hmm.
Laat ik op deze lentedag dan maar volgens de beste cultuurindustriële zeden eens een waarheid proclameren die volgens diezelfde zeden ‘ongemakkelijk’ kwam te heten: het verbaast me niet dat Wigmans poëzie voor Baudets karretje te spannen valt.
Disclaimer: mijn kennis van beide oeuvres is oppervlakkig.
Baudets ideeën vind ik aan de narcistische kant. Dat viel me aan Wigmans poëzie ook altijd op, al lengde hij dat narcisme aan met een scheut ironie. Het verkeerde geciteerde gedicht heet nota bene ‘Afscheid van mijn lichaam’. Toch werd bij Wigman de draaischijf gevormd door een beperkt aantal spelers: ik, mijn teksten, de eeuwigheid, enz.
Verder staan me van hem gedichten bij die in die activiteit een houding tot de ander had die volgens mij tot de basisbeginselen van Baudet behoort en die ook diens debuutroman demonstreert. Ik voel me bijna verguld om voor de definiëring ervan eindelijk een bijdetijdse vakterm te kunnen gebruiken: ‘heteronormatief’.
Baudet en Wigman hebben zeker gemeen dat hun teksten niet zozeer progressief en experimenteel zijn als wel klassiek en traditioneel. De poëzie schiep daarbij enig voorbehoud, moet ik toegeven – alsof Wigman het erom deed vormvastheid zo opzichtig te etaleren.
Voorbehoud ontbreekt bij de politicus dan weer helemaal in zijn opvattingen over cultuur die ook de overwinningsrede dusdanig reactionair plengde, dat ik onwillekeurig wachtte op het verlossende, voor mijn part even kakkineus uitgekreten woord ‘GRAPJE’.
Misschien ben ik te makkelijk in mijn parallelindruk en moet ik Wigmans gedichten herlezen. Ze zijn momenteel in mijn herinnering armageddonesk, en dat past helaas bij de doem die Baudet over de samenleving uitspreekt.
That’s life, folks. Tot zover een stukje dat goedkoop en overbodig is. Het seizoen moet nog beginnen.

maandag 18 maart 2019

Naar Zinzendorp




Aan het eind van J.Z. Herrenbergs roman Nederhalfrond wordt een personage, werkzaam als docent en groepsbegeleider op het John Lennon Marktcollege, uitgeroepen tot ‘het symbool van… de neerlandicus’. Wat betekent dat in hemelsnaam?
Over het nut van de neerlandicus bestaat momenteel weinig consensus. Aan opinieafdracht nochtans geen gebrek de laatste tijd. Bovendien verscheen er vorige maand een rapport over het belangrijkste dat er in deze stiel gaande is: taalvariatie.
Het rapport stelt terecht dat het niet alleen onwenselijk is zich vast te klampen aan standaardtaal, maar ook dat het steeds onrealistischer wordt ervan uit te gaan. Geschreven taal week al af van gesproken taal, en daarbinnen zouden gebruikers inmiddels een ‘registerkeuze’ doen als uit een ‘kledingkast’. Dat beantwoordt aan het principe van de meervoudige identiteit: taal weerspiegelt wat iemand op één moment tegenover één doelgroep wil zijn.
Nederhalfrond biedt van die idee verbluffende staaltjes. Steeds wordt gesproken in geschreven taal getrokken en andersom, vaak al binnen een zin. Herrenberg heeft die instabiliteit ook aangebracht in de naam van een personage, popicoon Bor von Singlecell t/m Europa.
Van de veronderstelde registergevoeligheid is deze roman echter een zeldzaam voorbeeld. Regel lijkt me hoornhuidigheid. Als ik jongeren De Test Van Note voorleg met een lijst van versteende uitroepen (‘De minister is op weg naar de uitgang. Dit willen we nog even meegeven. Hoog tijd om een tandje bij te steken. Hij houdt de vinger aan de pols van de samenleving. Absoluut!’), dan wordt daar weinig inauthentieks in aangetroffen.
Mij verwart die werkelijkheid telkens weer. Het rapport over taalvariatie maakt melding van ‘digitale geletterdheid’, en ik vrees dat hiermee geïnstitutionaliseerd onvermogen wordt bedoeld. Copypaste is immers navolging die bepaalde taal bevestigt zonder varianten te wegen. Niet iedere digital native beseft, ervaren verantwoordingsgezinde docenten geregeld, taal van een ander te citeren.
Met het traditionele beeld van de lappendeken (cento) voor een tekst kan uitsluitend hyperbewust worden omgegaan; men ziet draden die de verstaander afwikkelt. Nu kun je voor taal beter spreken van een kant-en-klare saus. Alleen het ironieteken kan markeren dat die saus soms nog een klont bevat.
Dominant is de taal van de marketing, waaruit ook laattwintigste-eeuwse communicatieneerlandici verdreven werden. En zo schiep Niemand een dynamische standaardtaal, vol gemeenplaatsen en suggesties van gepassioneerde uitwisseling.
Ik geloof soms mijn ogen niet. Na onze ervaringen met kanaaltrein dienden we vanzelfsprekend een klacht in, die reacties oplevert waarin taalvariatie inderdaad de boventoon voert. Na de verrassend familiaire aanhef ‘Beste Marc’ gaan ‘u’ en ‘je’ door elkaar, is er copypasting uit andere documenten en waarschijnlijk, leve Google Translate, uit andere talen, wordt er doorverwezen naar irrelevante informatie, doen lange, nevengeschikte zinnen mededelingen die geen ander verband hebben dan de adem die ze uitblaast,…
Manifest is dat een medewerker van de klachtendienst een format aanvult. Maar er ontstaat zo’n ratjetoe dat het bij een groot bedrijf als Eurostar ondenkbaar zou zijn dat dergelijke teksten het huis zouden mogen verlaten. Behalve wanneer het honorabele management, dat de medewerker zal ‘aansturen’, hetzelfde taalgevoel heeft.
De pertinent volgende vraag om kwaliteitscontrole van ‘het gesprek’ in gradaties tussen slecht en uitstekend maakt de grap compleet. Taalcodedoorbreker Gerard Reve heeft jaren gedaan om teksten te componeren van zo’n heterogeniteit. Zijn boeken moeten onleesbaar zijn geworden, zonder uitleg over de hinkstapsprongen tussen registers.
Inderdaad is taal, gelukkig, voortdurend aan verandering onderhevig, maar tegelijk hangen ook professionele gebruikers hun aandeel midden in de zojuist met weinig eetlust getoonde saus. (Zij doen dat in metaforenland met een blinde vlek.)
Het taalvariatierapport noemt zichzelf een ‘visietekst’, wat in mijn wereldbeeld vooronderstellingen lostrekt over een neoliberalisme. Een rapport doet verslag. Daarvan is in expliciet ideologische tijden opgemerkt dat het niet objectief hoeft te zijn, evengoed selectief. In een visietekst wordt echter iets neergelegd, waardoor lijkt dat dit tenminste gezamenlijk gebeurt en toch voorzichtig-beslist. Wat alsnog objectiever oogt, duwt in een richting. Hetgeen in het onderhavige rapport, door taalkundigen dus, steun krijgt van een term als ‘implementatieplan’.
Bij Herrenberg toont registergevoeligheid of ‘situationele taalvariatie’ zich als intertekstualiteit. Zijn roman levert voor het popicoon een datumoverzicht van een Tour de Pays-Bor, waarbij telkens een grote Nederlandse stad wordt vermeld. De drie finale locaties vallen dan uit de toon: Rommeldam, Zinzendorp en Hoefbeek. De laatste is Herrenbergs verzonnen dramadecor. De eerste is erfgoed als bedenksel van Marten Toonder. Zinzendorp komt uit het proza van Kees Ouwens, waarmee deze in en met literatuur, variërend op Marsman, Zeist herstichtte.
Wat een neerlandicus uit te richten heeft met Nederhalfrond is dus ongewis. Het gevoel ontstaat dat in Herrenberg alles citaat is, dan wel toespeling. Tijdens het lezen groeide mijn verlangen naast de roman ‘iets gewoons’ te consumeren. En zo deed ik extra ijverig naspeuringen voor mijn studie naar ‘de jaren zeventig’ en trof het liedje ‘Friet met mayonaise’ door een zekere Mike Vincent (1974).
Vincent heeft een Brabantse tongval die me richting geboortecontreien slingerde. YouTube gaf er een grappige entourage bij, met spencers, dus voelde ik me een hele piet dit te hebben herontdekt – ik (Kregting 1965) moet destijds hooguit negen geweest zijn.
Het liedje gaat over de charme van eenvoudig voedsel, dat lichaam en geest meer genoegen schenkt dan spul met ingewikkelde Franse namen. Zo’n stelling is populistisch, wat dat ook concreet moge betekenen, maar handig om het beeld van de pretentieuze jaren zeventig scherper te stellen. Toch zingt Vincent voldoende te hebben aan een hoofdschotel. In een ‘chique tent’, bediend door ‘een gerant’, voelt hij zich misplaatst. Dat past aardig bij de ecologische boodschap van soberheid door de Club van Rome rond die tijd.
Tegelijk richt de ontelitarisering van Franse gastronomie een nieuw cliché aan. Zijn favoriete eten haalt Vincent namelijk bij ‘den Bels’ en bevindt zich in ‘een tentje’ (ooit vielen me verkleinwoorden op bij Doe Maar-songteksten van Henny Vrienten, zo overweldigend in aantal dat bescheidenheid begon te tollen).
De overtuigingen zou ik hoe dan ook kunnen toetsen aan culinaire ideeën van een Fransman zelf, die recent in literatuur zijn vereeuwigd. In Eduard Louis’ roman Weg met Eddy Bellegueule (2014) is de vader een vroeg werkloos geraakte fabrieksarbeider die consequent van ‘vreten’ spreekt. En dus niet zoals zijn zoon later, inmiddels hoogopgeleid, ‘het avondmaal gebruiken’.
Ik kies zelf geen partij in dat debat. Ik wil slechts die spanning laten zien, dat lijkt me ook mijn taak als wetenschapper.
Wel begon me, galant associërend over aardappels, de melodie van Vincents liedje bekend voor te komen, in tegenstelling tot de tekst. Aan dat verschijnsel heb ik eens een boekje gewijd (Kregting 2004), dus vreesde ik het zoveelste losse draadje te hebben opengewerkt.
Totdat de verlossing kwam: dit was niets meer of minder dan ‘Gigi Amoroso’. Van Dalida, vooraan in mijn hoogculturele onbewuste, met een single die doodleuk zeven minuten duurde.
Frankrijk had de mosterd dus gehaald in Brabant! Een bewijs voor de Stelling van Eus (2019) dat media zoveel aandacht aan het eigen centrum besteden dat razend interessante buitengebieden onontgonnen blijven.
Toch vreemd dat het Amoroso-liedje ook uit 1974 bleek te stammen (Michaële, Lana Sebastian & Paul Sebastian). Dit leerde nazicht op Wikipedia, daarbij vermeldend dat ‘Friet met mayonaise’ er een bewerking van was, eveneens gebracht door Johnny Hoes (1974, sic). Veel later deed Wendy van Wanten (1998) weer de Franse versie.
Het wordt nog vreemder bij vergelijking van de varianten. Hoes blijkt Vincents bewerking bewerkt te hebben. Commercieel en misschien ook auteursrechtelijk leep schoof hij het refrein naar voren en snackte in de coupletten. Een zoekopdracht naar de lyrics van het Nederlandse origineel levert bovendien zinnen op die niet door Vincent zijn gezongen. Tenzij hij, ten gunste van dezelfde commercie, een korte én een (niet meer terug te beluisteren) lange versie heeft uitgebracht.
De vervanging van de kreet Gigo Amoroso door Friet met Mayonaise vind ik knap. Aan de ene kant is dit een spel dat veel kinderen doen met popliedjes in vreemde talen, overwegend het Engels. Dan resteert er grammaticale of semantische nonsens. Maar Vincent laat een volwaardige variant verschijnen, die een wereldbeeld vertoont.
Hij citeert niet, parafraseert niet, alludeert niet – het Brabants lied bleek een vrolijke plundering. Is dat voor neerlandici ook een manier om te dealen met Herrenbergs intertekstualiteit? Ergens in zijn roman staat: ‘Contracten worden tot contracties in de ure des doods.’ Welja, daar was het gedicht Werkster van Gerrit Achterberg, en daar viel de overrompeling theoretisch te dekken met het etiket travestie. Maar meteen voert Herrenberg dan ene Beumer op, aan wie Achterberg evenzeer een beroemd gedicht wijdde dat op zijn beurt refereert aan Werkster.
Snaveltje toe dan? Da’s nooit verkeerd, tenzij om zich welgedaan te laten ondersproeien door een taaldouche. Die zou mijn zicht beperken dat in Nederhalfrond werktuiglijk tweemaal deze zin dacht te hebben ontwaard: ‘De neerlandicus keek verstoord voor zich uit onder een vlakke hoek’. Cursief en in romein.
Overigens schijnt Herrenberg in zijn vrije tijd positie te kiezen in de verdediging van Liverpool, onder de naam Virgil.