woensdag 9 oktober 2019

Moet je entameren leren?






Goeie bal! Dat dacht ik bij het nieuws dat het tijdschrift DWB een nummer had gewijd aan Het literair klimaat 2010-2019. Fanate lezers als ik missen het bredere perspectief waarin we opereren. Voor het poëziegenre bestaan daarover al twee boeken, die ik trouwens niet zo geweldig vond, maar nu wordt er waarlijk een gooi gedaan naar een Olympisch overzicht. Inspiratie voor hun onderneming vonden de samenstellers in de nuchtere contemporain-historische reeks Het literair klimaat, ontsproten aan het strikt tekstanalytische Literair lustrum, en in het bredere en gewaagdere Nederlandse literatuur. Een geschiedenis.
Conform de opzet van laatstgenoemd werk is voor DWB elk van de tien jaren tussen 2010 en 2019 opgehangen aan een betekenisvolle aanleiding. Samen weerspiegelen de teksten veranderingen in literatuur die in de inleiding worden herleid tot drie ‘constellaties: (literaire) infrastructuur, verbinding en activisme’. De stelling is dan dat deze kunstvorm het juk van de autonomie heeft afgeworpen en in het afgelopen decennium haar heteronomie aan lezers toonde. Voor ‘nieuwe niches en gemeenschappen’.
Literatuur zou dus werelden openleggen die eindelijk rijmen met de samenstelling van de gehele bevolking in Nederland en België. Bizar is dat de artikelen zelf de suggestie wekken dat sinds 2010 eenzijdigheid is ingetreden, qua geboorteland, leeftijd, poëtica en zelfs politieke voorkeur. Maar al tijdens mijn lectuur van het nummer bekroop me de sensatie dat ik sinds de millenniumwisseling op een andere planeet leef, verkokerd en al. Anders heb ik bijvoorbeeld geen verklaring voor ‘de belangrijke positie die het essay als genre inneemt in de 21e-eeuwse literatuur’. Mij staat nog de crowdfunding bij om Peter van Liers poëzie-essayboek Geachte afwezigen mogelijk te maken, na verschijning waarvan het wederom stil werd.
De samenstellers berichten dat in het nummer de nadruk meer op Nederland ligt dan op Vlaanderen. Dat is een understatement. Van de tien bijdragen gaan er twee over het kleine broertje, met wiens gezondheid het barslecht blijkt gesteld. Een derde bijdrage over de fondspromotie van laaglandse literatuur zegt meer dan eens dat België achterbleef. Tussen de elf medewerkers aan dit nummer zitten twee Belgen, die in Nederland werkzaam zijn. En dat allemaal in het Vlaamse tijdschrift DWB.
Wanneer ik probeer te recapituleren wat er uit het gigantische boekenaanbod volgens dit nummer wel toe doet, dan gaat het om een klein aantal Noord-Nederlandse millennials. DWB situeert hen in collega-media De Groene Amsterdammer, De Gids, De Correspondent en Dag Mag(azin), die ‘hubs’ worden genoemd. Aan de rand is plaats voor nY en Samplekanon. Laat ik die blik dan ook maar verkokerd noemen, zich openbarend in een commentaar op de dichtregels: ‘De pinautomaat is kunststof dat alleen maar geld gaf / om te kunnen doordromen, de mannen met baarden / zagen het al’. Geduid worden deze meneren als bankbestuurders of intellectuelen.
De belangrijkste auteurs van het nu bijna afgelopen decennium zijn volgens dit nummer Niña Weijers en Nina Polak. Beiden publiceerden twee romans. Dat ze vrouwen zijn, geeft nog een verandering aan in het decennium. Drie bijdragen signaleren de opkomst van jonge schrijfsters, met verwijzing naar een artikel van de nogal onvermijdelijke Marja Pruis – dat Herman Stevens er een heel, niet onomstreden boek aan wijdde blijft buiten beeld. We leren bijvoorbeeld dat deze schrijfsters een kookclub hebben die De Herenclub van Harry Mulisch degradeert tot ‘voorgoed verleden tijd’. Niks te vroeg! Toch vraag ik me af of die vestiging van schrijfsters een kwantitatief argument is, voor met name proza.
Weijers en Polak fungeren exclusief in de titel van een bijdrage die vijftien namen als vernieuwende generatie karakteriseert. Wanneer ze op een rijtje staan, frappeert allereerst dat er één Vlaming tussen figureert (die volgens mij naar Amsterdam verhuisde). Toch zijn de vijftien ‘opgegroeid en woonachtig in de Randstad’. De vraag dringt zich op wat hen verbindt. Dat blijkt verbondenheid zelf te zijn, op affectief niveau, ook wel ‘permanente connectivity’ genoemd. Zo kunnen in het betoog digitale media meedoen, die over ‘scenario’s’ gaan en de wereld dreigen te vervangen.
Als auteur en lezer die het postmodernisme nog moest incorporeren, herken ik zulke observaties. Maar telkens vraag ik me af wat er nieuw aan is. In de door DWB aangedragen roman Wormen en engelen heeft Maarten van der Graaff zich bijvoorbeeld als dichteres geportretteerd die slogans mengt met ‘concrete situaties, herinneringen en journalistieke en wetenschappelijke informatie, waarvan ze het jargon bestudeerde (...) Voor haar bestond schrijven niet bij de gratie van of, of, maar van en, en. De aaneenschakeling van komma’s. Alles gelijktijdig, zonder eindpunt.’ Uitlatingen van Weijers over haar romanuitoefening hebben een soortgelijke originaliteit.
Verder snap ik niet waarom kwaliteitsvragen ontbreken, die voor de behandelde generatieromans van Ouariachi en Marsman opportuun lijken. Het verschil groeit met het DWB-artikel dat me het meest bekoorde. Het gaat over Insta-poëzie die jaloersmakend veel volgers aanspreekt, precies door authenticiteit en onmiddellijkheid en die gemeenschapsvormend blijkt. Tragischerwijs snakken ook deze dichters naar papieren erkenning. Het lukt hun niet een bundel gepubliceerd te krijgen. Omwille van de kwaliteit dus, die tevens een rol speelt in de gênantste bijdrage aan dit nummer. De zoveelste analyse van Griet Op de Beecks succes mondt zelfs uit in een denigrerend psychologiserend citaat. Hier wreekt zich de idee dat mensen steeds bezig zijn met ‘entameren’. Sommige wetenschappers zien in een object een type dat iets ‘heel mooi laat zien’ en ‘goed past bij’ wat zij willen parafraseren. Juist in een nummer dat steeds dezelfde auteurs opvoert, zouden andere namen in aanmerking mogen komen voor zo’n reputatiegeschiedenis.
Kwaliteitsvragen nopen tot esthetiek én ethiek. In een fijn artikel over Jef Geeraerts wordt dat helder. Discriminerende aspecten van diens Gangreen-cyclus bleven lang onbelicht, objecten bleven objecten. Waarom eindigt dit artikel dan met een droog signaleren van de bloemlezing Zwart, waarin eindelijk Afro-Europese literatuur uit de Lage Landen is gebundeld? Stemmen klinken nu op ja, maar worden alsnog op één hoop geveegd door niet te luisteren naar wat ze ieder voor zich zeggen.
Natuurlijk kunnen artikelen niet alles uitwerken, zeker niet in deze evenementiële opzet die linkt aan één jaar. En misschien volstaat het vernoemen. Zoals Van der Graaff in zijn roman een catalogus opent met gekende spelers (Acker, Lorde, I Love Dick en Luiselli tegenover ‘Roth, Hermans, Whitman, Kellendonk, Melville, Foster Wallace’), dito voorvallen (jongen kleedt zich als meisje) en opvattingen (Zwarte Piet, ‘de vrouwelijke genderrol’). Zoals ik het nu opschrijf is het krenkend. Ik bedoel dat politieke voorkeuren meer kaatsen in een spiegelpaleis dan dat ze worden uitgewerkt.
Van de vermelde Valeria Luiselli wordt Valse papieren expliciet geïdentificeerd in de verantwoording bij Nina Polaks Gebrek is een groot woord, als zijnde de naamloze roman die een personage in een tussengevoegde autobiografische novelle van datzelfde personage leest. Postmodern? Ik zie zoiets eerder als wat Hans Groenewegen ooit een geurvlag noemde. Met die tekstuele strategie verstrekt Gebrek is een groot woord mensenrechtentopoi als Lampedusa en besmeurde koloniale beelden, laat het een tiener protesteren tegen ‘sexist underpinnings’, én sneert naar ‘eerstewereldproblemen’, het ‘smetteloze, progressieve wereldbeeldje’ en ‘activisme [waardoor] de implicatie [schemert] dat dat zwakkeren zichzelf niet kunnen verdedigen’.
Lezers hoeven hier niets meer te doen, behalve ja en amen roepen. Toch zou het me niet verbazen wanneer Polak inderdaad de grootste stiliste van deze generatie is. De ontwikkeling in Gebrek is een groot woord berust alleen wel op het afleggen van smeuïge clichés, en het binnenlaten van nuances, inclusief sentiment dat een affectief structurerend principe blijkt. Mij verwart dat omdat ik dan door talentrijke plichtmatigheid zou moeten ploegen die mogelijk simpelweg over Amsterdam gaat, en de aantrekking en afstand van Polaks nomadische personage daartoe.
Dat zou nog de vreemdste conclusie uit dit DWB-nummer zijn. De literatuurwetenschappers die zich hier aandienen, betonen zich socioloog. Dan wordt hun keuze voor verkokering nog merkwaardiger. In het behandelde decennium verschenen bijvoorbeeld ook Fikry El Azzouzis Het Schapenfeest (2010), Anil Ramdas’ Badal (2011), Chrétien Breukers’ Een zoon van Limburg (2014) en, in 2017, Hoe Vlaming te zijn? Zes teksten van August Vermeylen & Jozef Deleu naast Murat Isiks Wees onzichtbaar. Wanneer vernieuwing toch een criterium was geweest, dan hadden pakweg An Mertens’ Tot later (2013), Tonnus Oosterhoffs Op de rok van het universum (2015), Alfred Birneys De tolk van Java (2016), Simone Atangana Bekonos hoe de eerste vonken zichtbaar waren (2017) en J.Z. Herrenbergs Nederhalfrond (2018) interessante exposés kunnen verwekken.
Dit is uiteraard zinloos gebabbel vanaf de kantlijn. Toch dunken me ook de anekdotes die in DWB de partijen in het veld willen blootleggen vatbaar voor representatievere keuzes. De fondspromotie van laaglandse literatuur was toch minder ingrijpend dan debutantenregelingen (met residenties door semipublieke instellingen), werkbeurzen voor non-fictie, opheffing van productiesubsidies,... Door zulke maatregelen is een grote groep auteurs min of meer op brugpensioen gestuurd, zij het zonder vangnet. Voor een beter begrip van uitgeef- en boekhandelspolitiek dan het eeuwige gedoe rond het merk Das Mag kan leveren, had het faillissement van De Slegte kunnen dienen. En bij literatuurkritiek kon een licht schijnen over de Knack-samenwerking met De Reactor, of over discriminatie bij de anti-discriminatoire Lezeres des Vaderlands. En waarom reflecteert DWB eigenlijk niet op de opheffing van de neerlandistiek aan de Vrije Universiteit?
Het nummer geeft literairhistorische aanspraken uiteindelijk prijs door te besluiten met speculatie. In een fragmentarisch, prettig grillig essay over de toekomst reflecteert een vertaler van Valeria Luiselli op het verhaal dat in de toekomst moet worden verteld. Ze laat historische autoriteiten relevante kwesties ‘bespreken’ en concludeert dan plots:

‘We leven in een tijd waarin de meeste succesvolle politieke (populistische) projecten zich bewust van rationaliteit en causaliteit lijken te hebben afgekeerd. Ze vertellen wel een verhaal, maar op een ander niveau. Deze groepen zenden subliminale boodschappen uit die voorbij lijken te gaan aan het vertellen van een verhaal. Het zijn namelijk tot op het bot inconsistente, tegenstrijdige en anachronistische verhalen. Bijvoorbeeld over de zuiverheid van een natie, die nooit zuiver is geweest. Of ze verheerlijken de westerse verworvenheden als tolerantie en verlichting in de vorm van een eurocentrisch verhaal dat vervolgens niet op het eigen, huidige politieke programma wordt toegepast.’

Al die overbodige inkt die er al is gevloeid over de zogenaamde linkse kerk in kunst en wetenschap – het is dat het hier om literatuur gaat, anders kroop men door zo’n statement terug de pen in. De ironie wil dat het openingsstuk van DWB ging over de protesten tegen cultuurbezuiniging in 2010, en begrip opbracht voor de huiver die ze onbedoeld verwekten bij andere dan de eigen klasse. Wel biedt het nummer als geheel zo definitief één programma.
Dat is natuurlijk dé paradox van deze gedurfde onderneming. Ze koos uiteenlopende aanleidingen, gebruikte diverse methodes uit de literatuurwetenschap – en veroorzaakte uniforme denkbeelden. Misschien niet helemaal onverwacht. Men zit in het tijdvak dat men in kaart brengt. Die ‘spannende oefening’ is niet uniek. Maar zelfs daarbij had ze kunnen leren uit haar voorgangers, die door afstand te nemen tot de beschreven periode voor mijn part risicolozer heten. Zowel Literair lustrum als Het literair klimaat en Nederlandse literatuur. Een geschiedenis rekruteerden hun beschouwers namelijk uit allerlei gremia, terwijl dit DWB-nummer schier een soloproductie is van de vakgroep moderne Nederlandse letterkunde aan de Universiteit Utrecht. En al met al is er in de geschiedschrijving nu nog een hiaat van 1993 tot 2010.
Zo opgetogen als ik was over het idee, zo onvoldaan ben ik over de uitwerking. Een eigen doelpunt! Het redacteurtje in mij kreunt na onnodig afstotende taal (‘institutioneel seksisme’, ‘masculiene vrijheidsconcepties’, ‘patriarchale structuren’, ‘agency’, ‘structureel ongelijke machtsrelaties’, ‘een intersectionele aanpak’, ‘neokoloniale exploitatie’,…). Dat kunstminnend Nederland tijdens de bezuinigingspolitiek ‘in de ringen’ zou hebben gehangen, vind ik dan weer wel grappig. Passend ook bij een onderneming die vóór 2010 nog zou hebben geleid tot een boekuitgave, en waarvoor nu een tijdschrift aan outsourcing heeft gedaan.

woensdag 2 oktober 2019

Tussentijds





Los van Greta Thunbergs toespraak stuit ik op een artikel uit 2014 van Zadie Smith over klimaatverandering. De schrijfster was toen net geen veertig. Ze probeert zich in te denken hoe een kleinkind later vraagt naar haar klimaatgedrag. Haar sanctioneert feitelijk, want alle verzachtende omstandigheden en verklaringen in acht genomen kan Smith zich niet voorstellen dat het meisje haar zal vergeven. Dus evenmin voor dat ‘zelfs de overmoedigsten onder ons niet hadden kunnen denken dat we het oorspronkelijke ritme en karakter van de aarde ook konden veranderen, net als een klein meisje dat de hele dag tegen haar vader heeft lopen gillen en brullen niet verwacht dat hij op een gegeven moment zelf op de keukenvloer gaat liggen’. Smith vreest dat haar toekomstige kleindochter dit niet eens als excuus aanvaardt. Onverbiddelijker dan Thunbergs verwijt dus dat volwassenen haar dromen uit haar kindertijd hebben gestolen.

Terwijl ik al vertrok voor de supermarkt, duwde een man zijn karretje naar me toe: ‘Alstublieft, een gratise kar.’ Wat aardig! Jammer dat ik er niets mee kon doen, terwijl in mijn portemonnee nota bene de geschikte munten om zo’n kar los te klikken vaak ontbreken. Ik dacht onderweg nog dat de man consequent geweest was. Wanneer hij het synoniem ‘kosteloos’ had gebruikt, of wanneer de kar ‘duur’ was geweest, dan had hij alle daarmee gemaakte adjectieven op een e laten eindigen. Heeft ‘gratis’, meer dan vier eeuwen al leenwoord uit het Latijn, nog niet helemaal die status bereikt? Of is het zo onbetaalbaar inflexibel dat het in de stellende trap niet te verbuigen valt?

Bij het recente fenomeen die-in vallen demonstranten voor dood neer in de publieke ruimte. In mij ontstaan daarbij meer gezellige dan griezelige associaties, wellicht ook ouderwetsige. Want het klinkt als ‘drive-in’, ‘sit-in’, ‘sleep-in’ en ‘teach-in’. Ik wou meer. Dankzij de Woordenlijst Nederlandse taal, waarbij een zoekactie tot de i reikte, kwam: ‘all-in’, ‘buy-in’, ‘check-in’. Verder bracht een andere site, ideaal voor eenzaatspuzzels: ’love-in’, ‘opt-in’, ‘plug-in’, ‘pop-in’, ‘stand-in’, ‘step-in’, ‘tie-in’ en ‘walk-in’. Toen meende ik dat er meer zou zijn te achterhalen, omdat ‘opt-in’ mij ooit werd uitgelegd samen met tegenhanger ‘opt-out’, zonder dat ik het begreep wat wat was. Bij de uitgang -out gaf de woordenlijst echter amper sjoege. Genoeg nieuwe woorden, daar niet van, maar geen tegenhangers, en ‘buy-in’ was al genoteerd. Nu ja, wegens ‘bail-out’ ontdek ik dat er ook ‘bail-in’ bestaat. En ‘fade-in’ en ‘lock-in’ kunnen op mijn lijstje. Nederlands blijft ontbreken. Wel krijgen vele dieren door het suffix -in een prettige vrouwelijke gedaante en nogal wat beroepen worden er empathischer van. Nu wachten op een demonstratievorm die die-out heet? Dan heeft Greta Thunberg gelijk gekregen.

woensdag 25 september 2019

Zo verdomd




Door omstandigheden heeft ‘Ik voel me zo verdomd alleen’, de debuutsingle van Danny de Munk, nogal uitbundig door ons huis gegalmd. Ik herinner me uit de Hollandse jaren de omkaderende film Ciske de Rat als fijn maar zwaar op het herengemoed inspelend. Ook dacht ik het liedje woordelijk te kennen. Maar al bij vers twee tastte ik mis.
Had ik vermoed dat Ciske de mensheid verwenste ‘Val voor mijn part half dood’, hij is draconischer: ‘Val voor mijn part allemaal dood’. Metrisch vergde dat wat meer van De Munk, maar hij slaagt met glans. Wel vraag ik me af waar ik mijn versie vandaan heb. Ergens moet ik hebben geworsteld met de ongrijpbare zegswijze ‘meer dood dan levend’.
Nu weet ik wat het betekent. Nagekomen leeswerk leert me dat dit de toestand is waarin Griet Op de Beeck zal verkeren na de boekenbijlage van De Morgen, haar oude werkgever. Daar leverde Dirk Leyman aflevering nummer zoveel van zijn Op de Beeck-bashing, ditmaal door zogeheten watchers haar nieuwe roman te laten duiden.
Mannen vanzelfsprekend, die psychologisch doorzicht hebben in ‘hormonale herkenbaarheid’ bij het andere geslacht. Ook stellen ze hun diagnose in samenhang met ‘de heersende mediacultuur’.
Zo citeert Leyman een Nederlandse recensent: ‘Ik hou ook van Dostojewski (lacht), maar het leed dat Op de Beeck tegenwoordig over ons uitkiepert, dat kan tellen.’ De toevoeging tussen haakjes is vilein, het stuk na de komma kan onmogelijk uitgesproken zijn want is zo Vlaams als Leyman.
Eveneens aan het woord komt een ‘Nederlandse literatuurwetenschapper’ die in een tijdschrift waarvan Leyman secretaris is net ‘een helder essay publiceerde over haar riskante succesverhaal’. Deze Noordelijke kenner mag de vakterm geframed bezigen, hij spreekt evenzeer Vlaams:

De DWDD-uitzending is in haar gezicht geëxplodeerd. Het moet afschuwelijk voor haar geweest zijn. Toen besefte ze wellicht dat ze een grens had overschreden. Had ze beter moeten nadenken wat ze wel of niet prijsgaf? (…) Ook Jan Wolkers is destijds eerst op het schild gehesen en werd immens populair. Maar op een bepaald moment ging het bergaf en lustten de critici hem totaal niet meer.’

Ten slotte warmt Leyman het broodje aap op dat een Gentse boekhandel Op de Beecks werk weigert te verkopen. Vervolgens citeert hij de eigenaar: ‘Mensen kunnen het wel bestellen. Noem het dus geen censuur. Maar we laten Griet liever over aan de ketens. (…) Haar romans zijn een soort slecht georkestreerd poppentheater. Pas op, ik heb geen persoonlijke vete met haar. Maar wij mogen onze klanten toch gewoon coherente kwaliteit aanbieden?’
Einde duiding. De vraag is zo onderhand wel wie wie orkestreert. Temeer daar Leyman zijn slotalinea opent met de observatie dat de boeken van zijn voormalige collega Op de Beeck polariserende effecten sorteren. Hij verdient hopelijk een boterham met warm beleg aan zijn inspanning.
In tegenstelling tot Ciske, die in zijn lijflied alleen kan terugvallen op ‘m’n pa’. Die aanduiding valt me inmiddels ook op. In België hoor ik ‘onze pa’, in Noord-Brabant destijds ‘ons pa’ of ‘ons vader’. Maar nergens ‘onze vader’? God beware iedereen die verder ontbreekt.

donderdag 19 september 2019

Een boerkamuseum?


 
Ik heb geleerd om anderen tegemoet te komen en om anderen te respecteren. Omdat ik weet dat in verschil en verscheidenheid kracht zit, maar helaas vinden anderen het moeilijk mij te accepteren. Mijn niqaab wordt als een gevaar gezien en ik mag niet zijn wie ik ben. Ik ben niet uw vijand en ook niet een gevaar, daarom bewapen ik mij met de pen! Terwijl mijn niqaab mijn ziel koestert en mij beschermt hoor ik dat mijn niqaab anderen afschrikt. Ik ben gewoon een vrouw die een andere keuze heeft gemaakt. Maar weet u dat uw norm mij schrikt? De niqaab is een keuze die bij mij het beste past. Ik voel mij er vrij in en het is een vrijheid waar ik voor vecht. Ik heb recht om die keuze te maken, want uw recht is mijn recht!’
Dit schreef arabiste S. Lakbiach in 2015. Inmiddels heeft het vaderland het dragen van zulke kleding in wetten vastgelegd en komen de gevolgen daarvan telkens in mijn nieuwsblikveld. In de marge waarvan ik benieuwd ben wie waarom doorheeft dat bovenstaand citaat een heel gedicht is. Desgewenst zijn de regelafbrekingen hier te vinden, waarmee duidelijker wordt dat er vaak rijm is. Die aloude lezerslijm wordt wel gesmeerd op woorden die niet direct als poëtisch worden ervaren, te beginnen met ‘respecteren’ en ‘accepteren’. En dan zwijg ik nog over ‘verschil’ en ‘verscheidenheid’, die wegens grosgebruik door de meeste uiteenlopende spelers retorisch zijn gaan klinken.
Doet zo’n technische kanttekening ertoe? Voor mij niet, omdat hetgeen Lakbiach zegt autonome waarde heeft en het een aspect van vrijheid vertolkt dat ongeloof blijkt te genereren. Afgelopen weekend weer bij Dirk Verhofstadt, die in een pleidooi voor individuele vrijheid boerka’s rijp voor het museum achtte,  ‘als relieken van een tijd waarin mensen het recht werd ontzegd om zichzelf te zijn’.
Mij emotioneerden these en vergelijking, ook nog gedetecteerd bij ‘de massa’. Natuurlijk polemiseren ze en heb ik door studie van teksten, voor een vorig boek, deze partijideoloog leren kennen als een verbeten strateeg die in Nederland sympathie vindt bij Paul Cliteur. Ik denk dat Verhofstadts redenatie me zo onaangenaam trof omdat een overtuiging samen met een praktijk gedateerd verklaard werd – zoiets gebeurt in literaire kritiek ook.
Verhofstadt opereert hier louter vanuit een onwrikbaar vijandbeeld (zoals zijn tegenpool Peter Mertens). Bij deze vrijzinnigheid heet de gebeten hond religie. Zelf heb ik daar ook geen affiniteit mee, net als met nationalisme waarvan Verhofstadt walgt, maar mij ontgaat het waarom deze fenomenen verboden zouden moeten worden. Helemaal in een betoog voor individuele vrijheid dat mensen juist niet wil terugbrengen tot ‘constructen’.
Handig is het waarschijnlijk onwelgevalligheden conservatief te noemen, maar bij een dergelijke reactie op godsdienst lijkt het me grote lenigheid te vergen daar zelf aan te ontsnappen. Wat hebben die zelfverklaarde atheïsten meegemaakt dat hun allergie nog in de eenentwintigste eeuw zo quarantainerig is? Blij dat me elk psychologisch doorzicht ontbreekt.
Verontrustend vind ik dat Verhofstadts rabiate teksten de inspiratie blijken te vormen voor de jonge liberale burgemeester van Gent, Matthias De Clercq, die zelf beweert polarisering te willen tegengaan. Wat voor een gidsfiguur kan dat wezen wanneer deze klaagt over ‘een teveel aan gedwongen solidariteit’? Zouden deze mannen bijvoorbeeld van Lakbiach principieel niet willen aannemen dat ze zich vrij voelt in een niqaab, voor haar een teken van emancipatie? Is zoiets in 2019 nog steeds  ‘achterlijk?
Zelf reageerde Lakbiach overigens, met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid, op een lang gedicht van Theodor Holman, daags tevoren als Het Parool-column gepubliceerd. Het prefereert strofe na strofe 60.000 exemplaren van groepen die de dichter niet aanstaan, maar altijd nog meer dan ‘islamieten’:


Want ik hou zo van mijn vrijheid.
Ben je islamiet en woon je hier,
geniet – ik zal je geen haar krenken,
maar je wel van je geloof af redeneren.

Mijn wapens zijn de logica en rationaliteit.
Ik zal je vragen mijn ongelijk te bewijzen.
Ik zal niet schelden, maar ik zal de draak moeten steken
met je god en je godsdienst.

Tja. Misschien is het dat imperatiefje ‘geniet’ dat deze tekst voor mij definitief ongenietbaar maakt. Verandert het al die particuliere expressiedrang niet in een consumentendingetje, voor het straatbeeld? Holmans provocatie kan inderdaad één grote grap zijn, en onder de vlag van vrijheid moet ook dit kunnen worden gezegd. Maar of het iets oplost?
Ik meen dat Holman de grenzen van de meningsuiting wilde opzoeken en dat hij er niet tegen kon dat kritieken als deze hem voor de buitenwereld automatisch in het kamp van de PVV deden belanden. Het ene onrecht is kennelijk het andere niet.

maandag 9 september 2019

Zelfgenoegzame tevredenheid





Ooit ging iemand die 65 werd met pensioen, inmiddels is er voor deze persoon een kletskassa. Pas dit weekend raakte ik op de hoogte van dit – in sweet old Brabant voorkomende – fenomeen, terwijl het al even blijkt te bestaan. Iemand die niets meer omhanden heeft en ‘om de eenzaamheid te bestrijden’ een gesprekje wil, kan het in de rij van die kassa krijgen.
De alliteratie in kletskassa belooft een spervuur van dialogen, meer dan zijn synoniem keuvelkassa dat volgens Google een jaar langer op de teller heeft. Kennelijk was er onvoldoende vertrouwen in het effect van praten, babbelen en ouwehoeren. Of van converseren, kouten of kwekken, die wel een alliteratie hadden opgeleverd.
Zouden medewerkers er een speciale cursus voor moeten volgen?
De kletskassa werd uitgevonden door supermarktketens. Cynici kunnen denken dat langer wachten door het kletsen kan leiden tot meer aankopen (bij de finish staan de verleidelijkste artikelen), pragmatici merken op dat juist ouderen geneigd zijn voor te dringen. Maar wat mij frappeert is dat hier iets op bedrijfsniveau wordt uitgeprobeerd dat onder beheer van de overheid stond.
Het welbevinden van bepaalde burgers hoeft niet meer te worden uitbesteed. Net als kinderen onder de twaalf zijn ouderen onvermijdelijk een interessante doelgroep. Hun belangen worden behartigd door one-issuepartijen. Maar uit die politieke boezem hoort eigenlijk iets anders te komen dat de koopkracht garandeert, dankzij de AOW die in 1956 begon.
Demografisch zouden pensioenen niet meer evident zijn. Te veel mensen worden te oud. Mij intrigeert de ideologische weerstand. De signalen om dit basisrecht op te heffen kwamen vroeg. Pal na de zogenaamd verkwistende jaren zeventig hadden Jacobse en Van Es al een oplossing. Er hoefde louter geïnvesteerd voor autochtonen die de handen uit de mouwen staken en die het gogme hadden nieuwe markten aan te boren. ‘De miljoenen van de pensioenen, de miljarden van het gas’: met deze inkomsten kregen sommige burgers wat hun toekwam.
Satire uiteraard, maar de kletskassa had er een selectief publiek door gekregen. Al was het om één taal tot standaard te promoveren die nooit heeft bestaan. Gelukkig heet praten niets te kosten, in tegenstelling tot gebakken lucht geloof ik.
Zou het pensioen ooit onomstreden zijn geweest? In de Verenigde Staten lag de hoogste belastingschaal op 92%. Dat weet ik uit een boek over Coca-Cola, waar de baas dit tarief schokken moest. Wel ontving hij na terugtreding, behalve een adviseurshonorarium van 20.000 dollar per jaar en wat inkomsten uit zijn aandelen ter waarde van 250 miljoen dollar, elke maand een portie van zijn staatspensioen.
In dit voorbeeld staat rechtvaardigheid ter discussie: moet iemand gebruikmaken van een basisrecht wanneer zelfbedruiping volstaat?
Een ander type rechtvaardigheid kreunt onder het besef dat babyboomers ook in het slotstuk van het leven de mazzel van een inkomensgarantie kennen. Geinig, na revolutionaire overtuigingen uit hun jeugd. Een pensioen wees op stabiliteit, wat burgerlijk kon zijn. Opnieuw is al vroeg een tragische scheiding van geesten te ontwaren. De revolutie zou officieel namelijk zwakkeren ten goede moeten komen, maar zelfs de iets oudere Roel van Duijn beweerde toen al:

‘Wij provoos aksepteren het anarchisme als (antipolitieke) tejorie. We zien de tejoretiese mogelijkheid van een anarchie. De praktiese verwezenlijking lijkt mij ver van de rejaliteit. De arbeidersbeweging is ingedommeld achter de teeveetoestellen in zelfgenoegzame tevredenheid over de behaalde resultaten: ouderdomspensioen en arbeidsvitaminen.’

Dit idee van permanente beweging zal ten grondslag liggen aan nieuws dat ertoe aanzet hypocrisie te ontwaren. Ik denk bijvoorbeeld aan het bericht dat Mick Jagger, uit Van Duijns bouwjaar, al vroeg in zijn Stones-tijd een levensverzekering had afgesloten.
Mogelijk sorteert zo’n effect omdat Jagger een zelfstandige is die van stonde af vrijwillig buiten de overheid om heeft geopereerd. Heden zijn er door de afname van vaste dienstverbanden echter nogal wat verborgen werklozen wier virtuoos vage statuut (zzp’er) de schijn van ondernemerschap hoog moet houden. Moeten kunstenaars de idee van permanente beweging helemaal genegen zijn? Dan zal de vooronderstelling ongeveer luiden dat ze als consequentste mensen ter wereld door een pensioen zouden worden beledigd in hun nooit aflatende scheppingsdrift.
Hoe treurig het verschil met de werkelijkheid. Dateert de AOW dus van na de Tweede Wereldoorlog, uit brieven van kleinkunstenaar Jean-Louis Pissuisse blijkt dat er vlak na de eeuwwisseling al ideeën rezen over een Pensioenfonds voor Artisten, die decennia later hun beslag kregen. Toen ging het nog maar om liefdadigheid.
Aan de andere kant is zeker in kunst zoveel concurrentie gekomen dat zwijgen in de vorm van een (vroegtijdig) pensioen uitkomst kan bieden. Ik moet denken aan Christine D’haen, de grote schrijfster die na haar 65e tot een verbluffende productie kwam. Haar ultra-originele boek Schreef in de aarde, dat louter brieven aan haar bevat, wilde ze eerst afsluiten met een missive van het Letterenfonds. Vriendelijk ried het haar aan te genieten van haar vrije tijd – en geen werkbeurzen aan te vragen voor nieuwe projecten.
Uiteraard kan zo’n economisch argument voorkomen de kunstenaar te confronteren met een verdict dat gênanter is. Wie wijst graag op het etaleren van achterhaaldheid in postjeugdig werk? Al was het om geen strijdvaardig antwoord te krijgen over the survival of the fittest, waarbij aanpassing, en dus opportunisme, het zou winnen.
In dat darwiniaans perspectief kan ten slotte taal zelf worden bezien. Voor Elisabeth Costello, auteur-personage van J.M. Coetzee, is banaal een term die ‘should be retired’. Woorden komen en gaan, dus is het de vraag hoe lang de eeuwigheid duurt die ‘kletskassa’ gaat trotseren. Iets zegt me dat er meer kans is voor het digitale winkeltje dat Albert Heijn nu uittest. In het persbericht staat wel nog geen ander jargon dan plug and play en grab and go. Maar de alliteraties lonken.

woensdag 4 september 2019

Dat bedoel ik dus




Er is vast een subtiel verschil tussen commotie en consternatie, maar toch: in het vaderland was het minstens een paar seconden bal. Deze dans der opinies werd veroorzaakt door niets minder dan de Kinderen voor Kinderen. Hun nieuwe lied ‘Reis mee!’, gecomponeerd door Jochem Meijer en Tjeerd Oosterhuis, bepleitte bij ouders om tijdens de vakantie ook culinair de touwtjes te laten vieren.
De dienstdoende kinderen geven zelf een suggestie voor het menu: Pizza, pasta en patat. Een kenner wees me erop dat deze drieslag een voorloper kent in het Kinderen-voor-kinderen-repertoire: ‘Kip, patat en appelmoes’, door Henk Westbroek en Henk Temming van Het Goede Doel. Dat liedje komt uit 1989. Tussen de twee menusuggesties zit een heuse millenniumwisseling, maar een kind onder de evenaar is meestal nog een bedelaar. En in alle genoemde gerechten werpt de letter p zich op.
Constante op de kaart blijkt uitsluitend patat. Voor dat gerecht is het een Hollands woord waar in Vlaanderen, amper gallicistisch, friet tegen wordt gezegd. Beide landen betonen zich zuinig in hun aanduidingen, want de lekkernij heet integraal patates frites. Dat de etymologie teruggaat op batata, en dus op koloniale wingewesten, dunkt me geen verrassing.
Kip en appelmoes zijn verruild voor pizza en pasta. Zou in de tussentijd de Italiaanse keuken dus zijn ingeburgerd? In mijn jeugd bestond de aanroep ‘spaghettivreter’, geen compliment. En ‘pasta’ kwam neer op macaroni. Dat goedje werd op zijn beurt gemonopoliseerd door de firma Honig, die er de naam elleboogjes voor reserveerde. Naar mijn idee is dat gewricht dan wel soepel, maar eerst en vooral stevig. Bedoelde pasta had echter meer weg van pap, kleine vermicelli misschien, en moest geslurpt worden. Uit het begin van de jaren tachtig herinner ik me vervolgens, na een middaglange bereiding door een vriend van mijn zus, de eerste pizza van mijn leven nog levendig – het afgrijzen ervan, vrees ik.
Quod uitheemse keuken? Het broodje shoarma en de tiramisu die bij de Kinderen voor Kinderen van nu tot het standaardrepertoire behoren, heb ik evenzeer in mijn late puberteit op de markt zien komen. Mogelijk was er in hogere milieus al enige vertrouwdheid mee. In Het supermarktparadijs van Roland Duong staat dat Nederlanders pas na 1950 van gelijke lengte werden. Toen was het verschil gemiddeld nog 4 cm, in 1873 was het zelfs 13 cm. Rara in het voordeel van welke stand?
Enfin. Wat mij in ‘Reis mee!’ schoon aan de haak bezighoudt, is het slot van het refrein:

Dat bedoel ik dus dat
Pizza, pasta en patat

Verweesd blijf ik achter met de uitdrukking: ‘Dat bedoel ik dus dat’. Vanwaar die late herhaling? Ik stel me voor dat haar functie iets fatisch zal zijn. De spreker kan er een nadruk mee geven die onderwijzers aan het eind van een zin leggen met ‘begrijp je?’ (in Vlaanderen: ‘versta je?’). Maar waarom dan een letterlijke herhaling?
In mijn Noord-Nederlandse jaren hoorde ik ouderen wel eens een relaas doen met de taalfiguur ‘Ik zeg… zeg ik’. Maar ik kan niet verifiëren hoe bij de tijd nog die is. Commotioneel-consternatoire boem patat.

maandag 26 augustus 2019

Genoeg is genoeg




In de Zomergasten-aflevering met longarts Wanda de Kanter trof me het Cruijff-fragment uit 1973. Uiteraard was in Fietsland Nederland de buitenlandse trainer Stefan Kovács de enige die per tweewieler op Ajax’ trainingscomplex arriveerde. Maar dat bedoel ik niet.
Ik vond het speciaal dat de maker van deze documentaire Nummer 14 (geproduceerd door Cruijfs schoonvader) dezelfde was als de auteur van het boek De Ajaxieden, twee jaar voordien aan de wereld geopenbaard. Onlangs las ik het toevallig en was verbijsterd dat Cruijff er ronduit ‘niet bijzonder intelligent’ heet, Barry Hulshoff ‘een intelligent gevoelsmens’ volgens wie coach Rinus Michels ‘erg intelligent’ is zij het ‘met twee gezichten’, terwijl Piet Keizer volgens de auteur gewoon ‘intelligent’ is.
Het zullen de jaren zeventig wel weer zijn.
Cruijffs uitleg in het fragment was even openhartig als bochtig (ik kan er helaas geen voorbeelden van geven omdat de VPRO-robot me meedeelt dat het programma ‘niet bekeken mag worden vanuit jouw locatie’). In die combinatie van eigenschappen heeft hij school gemaakt, niet meteen, maar bij de Generatie Z, voor wie er altijd internet en mobiele telefoons geweest zijn.
Ik besefte dit vandaag eens te meer na de verklaring van Vlaams klimaatboegbeeld Kyra Gantois, waarin ze uitlegt waarom ze weggaat, of is gebonjourd, uit de kerngroep van Youth for Climate. Net zoals bij Cruijff zou bij haar de schoolmeester in mij zinnen willen voorzien van interpunctie. Haar slaloms met bijvoorbeeld het voegwoord ‘maar’ gaan mijn leeslenigheid te boven.
Bij één zin wist ik domweg niet of er een tikfout stond, spreektaal werd gebezigd of dat de harde schijf in mijn hoofd een update verdient:

‘Ik hoopte dat ik dit verhaal nooit ging moeten doen, maar er is een punt waarop genoeg genoeg is en ik ben het beu zo behandeld te worden.’

Mij gaat het om Gantois’ ging, waar officieel ‘zou’ hoort te staan. Ergens voel ik er vertrouwdheid mee, maar dan toch exclusief vanuit Vlaanderen. Uit het vorige millennium, toen Nederland mijn standplaats was, staat me bij dat het werkwoord ’gaan’ een toekomst kon uitdrukken, maar niet in de verleden tijdsvorm. Wie zei ‘Ik ging werken’, werd daarbij minstens onderbroken.
Dit ‘gaan’ betrof volgens mij tastbare daden. Onvergetelijk blijft ook de verwensing ‘Ga fietsen!’, waarbij de bestemming nooit in mijn postvakje is geraakt. Tenzij aan het eind van die rit de hel lag. Van deze locatie heb ik nooit verstand gehad. Nochtans las ik recent tevens een boekje waarin de oplossing nabij leek.
Katholiek worden! Dat scheef in Branding (1930) Pieter van der Meer de Walcheren, en hij beloofde een authentieke sterrenstatus aan de gelovige die hartstochten bedwingt door zijn plaats te kennen: ‘Hij moet zijn een dukdalf, waaraan de door den wilden stroom van den tijdgeest meegesleurde, hun stuur verliezende schepen zich kunnen vastmeren!’.
Ideaal voor wie zich omgeven weet door een zee van informatie.
Overigens vrees ik dat Youth for Climate het punt van Gantois bevestigt door nu ook letterlijk een andere taal te spreken en te reageren met een persbericht in het Engels. En dat het van een artistiekerige treurigheid getuigt dat een Zomergasten-recensent klaagt over antwoorden en verlangt naar vragen. Tenzij het aloude ‘wie wat vindt heeft slecht gezocht’-dogma al die jaren zijn adem heeft ingehouden.