dinsdag 19 mei 2009

Kritiese aksie?

Het documentaireboek Tien rode jaren. Links radicalisme in Nederland 1970-1980 door Antoine Verbij sluit af met een revolutionair die nog in de gewapende strijd gelooft en dito oordelen uitspreekt. Hij drinkt thee.
Mij frappeert dat, ik zag de thermoskannen met koffie ten behoeve van de tot in de zestiende subparagraaf verantwoorde guerrilla al voor me. Maar vermoedelijk is het bijzonder genoeg dat de man hardcore is gebleven – over de hele linie zijn opvattingen nogal scherp gezwenkt. Het klaarblijkelijk massaal beleden bijgeloof is even massaal afgezworen.
Hoe uniform schuldig ‘de jaren zeventig’ achteraf werden, verkondigen niet alleen bijna dagelijks opiniemakers. Mij bleek het toen ik als jurylid de Nederlandstalige romanliteratuur anno 2007 las. Aangaande het decennium leverde dat een bashing zonder eind. Lange zinnen met abstracta en ‘weet je wel’ en ‘eh’ moesten iets waarheidsgetrouws afdwingen, vermoedelijk bij medegeaccommodeerden en bij lui die destijds nog niet geboren waren. Op zeker ogenblik besefte ik na de zoveelste vermelding van de prototypische ‘zitkuil’ er welgeteld één ooit gezien te hebben: bij de hockeyclub.
Dit imago komt neer op een dubbel verwijt: dat die jaren zeventig krom gemoraliseerd waren door wereldbeelden en dat die predikers voor verandering zich louter voor hun eigenste ik interesseerden.
Aan dat eerste punt herinnert me een recente uitlating van een medewerker van Obama, die hem een ‘overtuigde non-ideoloog’ noemt. Zo laat de president als democraat de discutabele ondervragingstechnieken van de CIA rusten: hoewel ze schijnbaar exclusief de ideologische rigiditeit van zijn republikeinse voorganger tonen, had de huidige voorzitster van het Huis van Afgevaardigden, van zijn eigen partij, er al lang een zekere kennis van – zonder haar kan Obama zijn plannen niet verwezenlijken. Geen cultural wars meer, vindt hij. Vanuit het perspectief van de jaren zeventig zou de voorzitster allang kaltgestellt zijn wegens revisionisme. Obama toont zich hoffelijker. En pragmatischer en ontwijkender, want het is nogal zuur dat uitgerekend hij change propageerde, inclusief beeltenis à la Che.
Het tweede punt rijmt met de clichés die destijds zijn gedebiteerd door de Haagse Post in zijn haastige diagnose, kerst 1979, van de jaren zeventig als ‘ik-tijdperk’. Verbij onderkent daar symptomen van maar (en daarom zal het boek omstreden zijn) ziet de crux, vanuit een inderdaad overkoepelende visie die toen ‘analyse’ heette, juist in het tegendeel: het gemeenschapsgevoel, een bloei van sociale bewegingen.
Daarbij steekt een ander recent bericht extra scherp af: dat het niet meer lukt om jongeren te organiseren in een vakbond of een vereniging. Dat wordt ouderwets bevonden, helemaal nu werk hangt aan flexibiliteit. Het anders willen in collectief verband blijkt een gegarandeerde illusie.
Als ik een ‘ik-tijdperk’ moest aanwijzen, dan lijkt me het heden in aanmerking te komen. Niet-aflatende auto-erupties van de homo twitterans, hoogst particuliere weblogs, Bekende Laaglanders die hun draadjes uitpluizen, comments en polls: het idee dat eigen leven en meningen reuze-interessant zijn getuigt van een breidelloze egovergroting.
Misschien het pregnantst joekelt het op de opiniepagina, waar ooit politici en lobbyisten hun beargumenteerde voorstellen vertolkten. In mijn branche schijnt het al van engagement te getuigen wanneer je er openbaart niet meer bij prijsuitreikingen aanwezig te zijn en daar terstond het literaire wereldnieuws mee haalt. De winkel van deelbelang is alle dagen open.
Zelfreferentialiteit? Het lijkt wel nostalgie dat ik soms, de cafetière leeg, kan verlangen naar de polarisering en confrontatie van weleer. Maar da’s ook een bekentenis, gedaan op een internetstek, benepen van zelfgemaaktheid. Dan een experimentje Heimwee naar de toekomst opgestart?

donderdag 7 mei 2009

Raatmoment (3)

Mij staat bij dat ik door de eerste roman van Da capo een genre wilde verweven dat me vreemd is: sciencefiction. Zo liet ik onder meer in een spreekkamer een consul acteren met een koptelefoontje op, verbonden aan een scherm, waardoor hij allerlei signalen lijkt te krijgen. Vaag lag de inspiratie daarvoor in een krantenartikel midden jaren tachtig over Japan, waar mensen op straat al wandelende schenen te praten in eigen telefoons!
Een gen voor trendwatching ontbreekt kennelijk in mij. Die dingen zijn uiteraard gemeengoed geworden én blijven aan mij niet besteed. Voor zover dat interessant is: ik vind het eerder een voordeel dan een nadeel niet altijd bereikbaar te zijn, spreken tegen een formeel afwezige in de publieke ruimte wekt de associatie met de openbaar masturberende Diogenes en het is bij mijn weten nooit bewezen dat de straling die rondzingt bij het bellen met een gsm gezond is (zelf word ik liever doof van een mp3-koptelefoon).
Gisteren werd ik echter gemaand zo’n Personal Jesus te omhelzen. Tijdens een retour Holland met de internationale trein die, voor ervaringsdeskundigen business as usual, zowel op de heen- als op de terugreis bleek ‘afgeschaft’, was een telefoontje vanaf het station aan het thuisfront gewenst. In Holland bleek dat niet meer mogelijk.
Ik realiseerde me ineens hoe het straatbeeld is veranderd. Nog eerder dan hondenpoep verdwenen de hoofddeksels – politieke partijen die hun pleidooi voor normen en waarden trachten te onderstrepen met het betekenisloos geworden woord ‘respect’, kunnen niet verhinderen dat er generaties opgroeien voor wie de uitdrukking ‘daar neem ik mijn hoed voor af’ ongeveer middeleeuws Kerklatijn is. Daarna hebben sigaret, sigaar en pijp eraan moeten geloven. Je ziet ze nog wel, maar na een campagne voor de algehele gezondheid op aarde tot in den eeuwigheid dreigt voor hun dragers het paria- annex martelaarschap.
En nu zijn dus de telefooncellen op het station foetsie. ‘Misschien dat u er bij het postkantoor nog vindt, als u die weg inslaat en dan na vijfhonderd meter…’ De ratio zal uiteraard zijn dat deze dingen onnodig zijn geworden omdat de overgrote meerderheid van de treinreizende bevolking een telefoon op zak heeft; in de snit van jassen en broeken wordt daar sinds jaar en dag zelfs rekening mee gehouden.
Het punt is dat de strijd tegen nicotine van overheidswege is gevoerd. De bekommernis om het welzijn van niet-rokers steekt daarbij schril af tegen de vanzelfsprekendheid waarmee steeds meer zendmasten in het (stedelijke) landschap opduiken om mobiel bellen mogelijk te maken. In deze observatie ben ik, als voormalige zware gebruiker bekend met een genot dat mij bij de gsm niet deelachtig is mogen worden, vermoedelijk niet objectief. Daar gaat het ook niet om. Wel dat je als burger het recht hebt daartegen te protesteren. Dan ageer je tegen bemoeienis, wat mij een even neoliberaal standpunt lijkt als de idee dat door privatisering mensen zelf kunnen kiezen en dat dit hen gelukkiger maakt. Zowel bij de NS als bij de PTT, ooit staatsondernemingen, is dat werkelijkheid geworden. Door een simpele faciliteit als een telefooncel werd weer eens bewezen hoe tergend moralistisch de vrije markt is.

woensdag 22 april 2009

Doordruklezing


Vrij in het begin van Alfred Schaffers Zijn opkomst in de voorstad staat het gedicht ‘De dochter van de generaal’. Het valt in twee delen uiteen en de verteller is de in de titel genoemde dame. Eerst spreekt ze de pers toe. Meteen blijkt dat haar vader na een verblijf in het buitenland per vliegtuig terugkeerde tot genoegen van het volk. Hij is juichend ontvangen, met vlaggetjes en alles.
Hola, wacht even. Bengels die ‘leesconventies’ onderzoeken zullen het beamen: poëzie die zo’n recht betekenisspoor uitzet, wekt wantrouwen. Ze instigeert bij mij alvast een nieuwe poging. Die vlaggetjes: zijn er in bepaalde politieke contexten geen generaals die er zichzelf mee laten toezwaaien, bijvoorbeeld wegens ongelooflijke, zij het door niemand geregistreerde moed die in decoratief veelvoud op de borst prijkt?
Uit de door dochterlief trots aangehaalde militaire escorte die haar vader reeds in de lucht begeleidde, kan evengoed worden begrepen dat hij het in de buitenpoëtische werkelijkheid beruchte type is dat misdaden heeft gepleegd, heeft moeten vluchten en na ampele advocatenstrijd wordt gerepatrieerd voor het gerecht. Dan zou het volk de vlag uithangen voor de aanstaande openbaring van de amper latent te noemen oudtestamentische god in zichzelf: wraak!
In het tweede deel instrueert de dochter het ziekenhuispersoneel over de optimale verzorging van haar vader. De ramen moeten gesloten blijven en ze belooft dat elke schade aan het gebouw wordt vergoed. Met steeds meer zekerheid meen ik dat het volk over de generaal zeg maar doodenthousiast is. Of heeft hij, van een democratische regering, mogen weerkeren om op geboortegrond zijn laatste adem uit te blazen?
De dochter vraagt het personeel voor haar vader – weinig gezond, zou ik denken, maar who cares in de finale uren – ‘verse koffie, zonder melk’.
Bijna aan het eind van de bundel staat het gedicht ‘Een duur gesprek’, dat zijn titel maar deels waarmaakt: weliswaar minder expliciet dan bij de dochter heerst de vorm van een monoloog door een ik, die op straat allerlei woorden voor regen zegt te kunnen zeggen. Hij wordt eenmaal onderbroken, als hem wordt voorgelegd of dichters geen gehandicapte schrijvers zijn, uit de tijd, de weg van de minste weerstand aflopend? In die vraag gaat proza boven poëzie, wat volgens oude genrehiërarchieën blasfemisch mag heten. Wel zijn romanschrijvers vaak ondubbelzinniger; dit is in dictaturen soms een voordeel.
De vraag blijft onbeantwoord, omdat er een enorme regenbui losbarst. Er wordt gerept van een ‘open einde’. Da’s superieur, mede omdat kennelijk zeitgemäß proza daar onsimpel met zo weinig woorden een proeve van kan geven. Achtergelaten worden onderwijl ‘als bij een bommelding: de koffie op het terras,/ het onderhoudende gesprek, de kinderwagen – een wolk van een baby’.
Welk een zondvloed moet dat geweest zijn! En had die vondeling iets in de generaalsdochter kunnen losmaken? Haar spreekdrift refereerde eenzijdig aan haar oorsprong, niet aan iemand die ze voortgebracht had. Misschien leut ik te veel, maar door haar, mogelijk overgeërfde, gebiedende wijs eerder in Zijn opkomst in de voorstad krijgt de ‘wolk van de baby’ voor mij in de inktzwarte setting ineens een vleugje melk – dat de vader als eerste beweger beter had ingenomen. Buiten de edele kunst der poezij om ontstaat hier ongewild haast psychologie. In romanvorm valt daar echter amper aan te ontkomen (rare jongens, die proza).

zaterdag 11 april 2009

Lichtpoll

Tijdens de Wereldoorlogen was er al mee geëxperimenteerd, maar definitief deed het fenomeen zomertijd in 1977 zijn intrede. Wel blijkt dat reeds in 1941 van prof.dr.mr. G. van den Bergh Hervorming van de wettelijke tijd gedrukt was, dat pas na de bevrijding kon verschijnen. De ratio van dit boek openbaarde zich mede in de titels van de steeds iets omvangrijker herdrukken: Klokhervorming. Een weg tot opvoering der productie zonder extra inspanning (1950) en De Euro-klok. Een eenheidsstelsel van klokhervorming voor geheel Europa ten westen van het IJzeren Gordijn (1957).
De geleerde – dixit een andere geleerde – stelde voor dat we afhankelijk van de zomer of winter, de klok per dag 50 seconden langzamer dan wel sneller laten lopen. Zo beleeft de burger de natuurlijke dagindeling van de buitenmens die boer heet en hij, de burger dus, verslaapt niet langer kostbare lichturen. Bovendien wordt er bespaard op brandstof (de zomertijd kwam inderdaad pas opnieuw in zicht tijdens de oliecrisis van 1973), vallen er minder verkeersdoden, neemt het werkcomfort toe, stijgt de productie en hebben we in lichtgulle maanden meer tijd om ons dagelijks op vakantie te wanen, door bijvoorbeeld in de natuur te vertoeven.
Van den Bergh heeft begrijpelijkerwijs minder affiniteit met kunstlicht, een fenomeen dat Peter van Lier onderzocht. Indien die een reisbeurs aangevraagd had, had hij dat kunnen doen vanuit de atmosfeer (bijvoorbeeld om de peertjes boven het wegennet van België te controleren), maar hij koos voor het perspectief van het nabije landschap. Of toch niet?

In de verte straalt licht: waarschijnlijk een boerderij.
Een plek dus waar mensen wonen.
Omdat de mens nu eenmaal ook na zonsondergang (voor-
dat hij slapen gaat) nog iets om handen wil hebben en ook
dan deze handelingen zo aangenaam mogelijk wenst uit te
voeren, heeft hij kunstlicht uitgevonden en er
zijn stulpjes mee uitgerust. Drinken de mensen in hun huis ’s
avonds bijvoorbeeld een kopje koffie, dan gieten ze het door
de aanwezigheid van dit kunstlicht (dat lichtvlekje daar in de
verte, omgeven door het immense duister) niet over hun kle-
ren, maar waar het hoort: in de mond.
En ze kunnen nu met recht een opmerking maken die hun
tevredenheid uitdrukt (iets wat de mens erg graag doet omdat
het met levensvreugde te maken heeft):
‘Lekker toch hè, zo’n kop koffie,’ of zoiets.


Natuurlijk is het fideel van het licht aan motoriekbegeleiding te doen, maar een geroutineerde drinker vanaf een jaar of drie zal ook in het donker de koffie keurig in de daartoe bestemde lichaamsopening kunnen storten. Komt dat meteen de kwaliteit van de drank ten goede? Ik doel hier niet op het bijgeloof dat je ‘in het donker beter kunt genieten’, maar op het advies koffie koel én donker te bewaren. Hugo Rombouts, directeur van het fameuze gelijknamige Vlaamse familiebedrijf, plaatst zijn bonen zelfs in de koelkast (omdat anders het aroma zou vervliegen).
Hoe ook, verbinden we Van den Berghs vakantiegevoel met Van Liers levensvreugde en omhelzen we de leerstelling dat koffie het beste aller natte dingen is, dan luidt de vraag: onder welk licht drinken we liever koffie?
Wat is daarover een ervaringsdeskundige mening? Doe in het belang van de megamentale volksgezondheidsnuance mee aan onze poll en stem ja of nee. De eerste vijftig zwartkijkers maken kans op twee koffiezetapparaten naar opgelegde keuze, en gaan door naar de derde ronde waarin het licht bijna zeker menig men deelachtig zal worden.

woensdag 8 april 2009

Raatmoment (2)

Toen we ons huis in gebruik wilden nemen, wisten we ons gesteld voor een rare keuze. In de deur van het jarendertigpand zit een gietijzeren klepje met de geciseleerde letters BRIEVEN, terwijl met hetzelfde doel buiten een redelijk nieuwe metalen bak van Brabantia hangt die van een bijna schunnige lelijkheid is. Weg daar dus mee? De klep zorgt voor relatief opmerkelijke tocht en biedt toegang aan ranke envelopjes, in de bak passen met gemak de Bunte Illustrierte en een paar boeken – en een Vlaams postkantoor, waar vergeefs aangeboden stukken kunnen opgehaald, is het voorgeborchte van de hel.
We dichtten de klep aan de binnenkant.
Wel beschikten we voor de buitenbrievenbus slechts over één piepkleine, breekbare sleutel, die ik maar heb laten kopiëren. De verbluffend goed geoutilleerde en gesorteerde sleutelmaker bleek dat niet zelf te kunnen. Ooit was ons brievenbakmerk kwaliteit, zei hij, maar toen moesten de winsten omhoog en zocht het voor elk onderdeel de goedkoopste oplossing. De productie van het slot werd de ene keer uitbesteed aan Oost-Europa, de andere keer aan Azië. De kwaliteit van de spotprijslevering was navenant en voor reproductie schier onnavolgbaar.
Behalve zijn handmatig te bedienen machine had de sleutelmaker een computer, waarvan de naar verluidt peperdure software voortdurend vernieuwd moet worden om alle typevarianten te kunnen blijven volgen. Hij tikte getallen in voor onze sleutel en het significante uiteinde ervan verscheen, als was het een vingerafdruk van een asielzoeker, uitvergroot op het scherm. Na vergelijking met het origineel gaf de sleutelmaker de computer opdracht een metalen mal bij te laten slijpen op een derde, volledig automatisch apparaat. De sleutel die vervolgens uitgepoept werd is ironischerwijs tweemaal zo duur als de ambachtelijk vervaardigde en zal sneller kapotgaan.
Als van nature bovendien verliesbekwame bakgebruikers mogen wij binnen afzienbare tijd ‘de kostenafweging’ maken of we weer de sleutel laten bijmaken, het slot laten vervangen of de hele brievenbus. Van Brabantia? Of blijven we daarvan verschoond want is in de niet-virtuele hoedanigheid het fenomeen post of brief aan het uitsterven? Hallo? Hallo!

vrijdag 3 april 2009

War is over?

Wat een bericht, eigenlijk. Van officiële zijde wordt bevestigd (door de minister van Buitenlandse Zaken) én ontkend (door het Pentagon) dat de postbushiaanse regering geen gebruik meer maakt van de notie war on terror. Ongetwijfeld zal er nog wat vergaderkoffie voor vloeien, maar zou De Ander het niet langer gedaan hebben, tenminste niet per definitie?
Het blijft aardig de wereldwijsheden van George Bush jr. af te meten aan het feit dat hij in de lange jaren tot zijn presidentschap zelden de provinciegrenzen overschreed. Ter zake kan hij dan koffiehandelaar Batavus Droogstoppel de hand schudden, sowieso een prototype van een neocon: ‘ik houd niet van arme menschen, omdat er gewoonlyk eigen schuld onder loopt, daar de Heer niet iemand verlaten zou, die hem trouw gediend had. (…) Armen moeten er zyn, dit is noodig in de maatschappy, en ’t is Gods wil.’
De provincie Texas is nog geen tien keer zo groot als de Lage Landen bij elkaar, maar er wonen wel ongeveer evenveel mensen. Ook moet nog even bewezen worden dat iemand die vele windstreken aaneen heeft geknoopt afgewogener besluiten neemt.
Zou de war on terror patoisgewijs eveneens ter discussie hebben gestaan onder Bush’ beoogde opvolger McCain? Diens running mate was volgens Naomi Klein een representant van de blanke arbeidersklasse die door hard werken omhoog kwam, maar monddood moest blijven. Niet voor altijd! Fictie en werkelijkheid naderden elkaar ineens: ‘Als je al je hele leven lang koffiezet, moet het wel heel fijn zijn als je je even kunt inbeelden dat je aan het hoofd staat van de vrije wereld.’
Wel beweerde Klein dit vanuit een luxepositie, indien ik geloof hecht aan de dankbetuiging in No Logo, waar voor de finishing touch van de deprimerend lange lijst onmisbaar gebleken personen echtgenoot Avi lof krijgt toegezwaaid omdat hij haar jarenlang ’s morgens stapels krantenknipsels uit de economische katernen bracht alsmede een kop koffie.
Ongelijkheid moet er dus zijn? Of bestaat er gelijkheid in het behalen van doelen en liggen de graduele verschillen ergens tussen ‘ten koste van’ en ‘met hulp van’ en ‘samen met’? Dan is elke homo sapiens een Droogstoppel, een Bush en evengoed een Klein, zeker als de privé-economie, onder referte naar verantwoorde zware jongens, wordt verklaard vanuit het fenomeen risico: ‘de mogelijkheid van een financiële ondergang zorgt voor een morele fundering van de winst’.
Overigens lijkt in de vervangende term Overseas Contingency Operation het eufemisme hoofdaandeelhouder. De uitvaardiger ervan blijft hoe dan ook de administration. Moet er voor de meest realistische inschatting van dat specifiek Amerikaanse begrip gewoon letterlijk worden terugvertaald?

donderdag 26 maart 2009

Readymade (bijna)

Zelfs als men weet dat het om een faketekst gaat, lezen ze toch door. Tot het punt dat de hele tekst weer opnieuw begint. Dit is faketekst. Deze tekst wordt later vervangen door de uiteindelijke tekst, die nu nog niet bekend is. De faketekst is dus een tekst die eigenlijk nergens over gaat. Het grappige is, dat mensen deze toch vaak lezen. Zelfs als men weet dat het om een faketekst gaat, lezen ze toch door. Tot het punt dat de hele tekst weer opnieuw begint. Dit is faketekst. Jij nog koffie? Deze tekst wordt later vervangen door de uiteindelijke tekst, die nu nog niet bekend is. De faketekst is dus een tekst die eigenlijk nergens over gaat. Het grappige is, dat mensen deze toch vaak lezen. Zelfs als men weet dat het om een faketekst gaat, lezen ze toch door. Tot het punt dat de hele tekst weer opnieuw begint. Dit is faketekst. Jij nog koffie? Deze tekst wordt later vervangen door de uiteindelijke tekst, die nu nog niet bekend is. De faketekst is dus een tekst die eigenlijk nergens over gaat. Het grappige is, dat mensen deze toch vaak lezen. Zelfs als men weet dat het om een faketekst gaat, lezen ze toch door. Tot het punt dat de hele tekst weer opnieuw begint. Dit is faketekst. Deze tekst wordt later vervangen door de uiteindelijke tekst, die nu nog niet bekend is.

(Na een kennismaking klinkt soms ten afscheid: ‘Zullen we eens afspreken om ergens te gaan koffiedrinken?’ Mag daaraan in deze context geen verplichting kleven, het zegt wel dat het eerste treffen voor herhaling vatbaar was én dat de voorgestelde drank woorden faciliteert. Meer woorden, leuke en trefzekere, want alles kan nog alle kanten op. Koffie weet die ban echter eveneens te breken wanneer de stemming ongemakkelijk is, of verlegenheid een ruimte in bezit neemt, men zich moet instellen op volkomen onverwachte, a.h.w. paradigmatisch nieuwe feiten – bij een tekort aan woorden.
Hoe ook, het decor zal niet snel een bruin café zijn dat, bij dubieus koffiepeil, geschikter is om het geanimeerd op een zuipen te zetten. Wel een grand café dat, met alle lifestylekloterij van dien, enige onberispelijkheid wil ademen, opties, belofte. Ik kan daarom niet helemaal instemmen met filosoof Awee Prins: ‘Wat rest ons, weeskinderen van de waarheid, kinderen van het uitgesloten derde, post-moderne “marge-kramers” van dat wat is? In een helverlicht grand-café nipt de hedendaagse mens, met niet anders te vrezen dan een zachte dood, aan een campari-soda, terwijl op het podium onder een grote palm het combo Peggy Lee and the Metaphysics “Is that all there is?” speelt.’
Bovenstaand fragment is trouwens een bij de aanbouw van websites voor het woordbeeld gebruikte Lorem Ipsumtekst. Klank- en contaminatiegevoeligen horen daar ‘lorum’ in, te verklaren uit delirium, een staat van woordbalkerij die exclusief door drank wordt veroorzaakt. Thans sluiten wij zulke oren voor het feit dat slappe koffie in het Noord-Brabants ‘loerie’ blijkt te heten.)

zondag 15 maart 2009

Raatmoment (1)

Misschien had Julius Caesar het helemaal niet op zijn moordenaar Brutus voorzien maar fouilleerde hij zichzelf met zijn uitspraak ‘tu quoque’. Zo leek althans de hypothese van lekkerbek annex belovend taalkundige Stien K. (2), toen zij haar ouders taart en chocola zag eten en opsprong en riep: ‘Jij ook!’

dinsdag 10 maart 2009

God terror

Mocht je vandaag nog in het paradijs raken, neem je de heggenschaar mee? Het maal moet bereid en pottenkijkers dienen gediend. Ook heeft snoei op veel plaatsen uitnemende papieren (bij de grens). Krijg jij dus een apart gevoel van binnen als god je aankijkt? Talm niet langer en pak de appelboor. Onder friendly fire breng je ieder tot de volmaakte extase. Want begrijp ik het goed dat je je zo kan vereenzelvigen met zo’n beetje elke medemens, begrijp ik het goed? Dan te weten hoe lang god in het vak zit en zo zijn cool verliest. Bloody shame blijft zijn deel. Sinds wanneer speelt hij de hobo? Gesteld dat hij buigt, zou je hem wassen, ook daar waar het komt? O wreedheid van het mededogen.

maandag 2 maart 2009

Ulrike (3)

Van Hitler naar Mao: lijken de kinderen op hun naar de mestvaalt verwezen ouders? Mei ’68-bashingreflex! Het is dat hij ouder is dan babyboomers, of er was actuele bewijslast: de brandstichtingslegitimatieadvocaat zwoer de RAF af, ging voor neonazi’s werken en ontkent nu de Holocaust.
Dit is niet eens het begin van een beschrijving van de leden, hooguit guilt by uitvergroting. Oké, had alle koffie bij het opstellen hun theorieën, waarbij populisme uitgesloten was zodat ook ‘functioneel tijdrovende en wezenlijk luxueuze vulwoorden’ verdwenen tot er niet zozeer uitgebeend als wel stukgedacht proza ontstond, in de praktijk niet hun hersenen gespoeld? Voor hen waren door napalm besmeurde Vietnamese kindjes restloos te vergelijken met Joodse kindjes in het getto. Dit via omstandige redenaties; met Hitler had Baader gemeen dat hij oeverloze monologen kon houden. Zou daar een zeker dichotomisme in zijn opgedoken?
Wederom sluimert ironie en retoriek in mijn taal. En vergelijkingen zijn gevaarlijk want nooit sluitend en dus altijd tendentieus. Oorsprong van het tu quoque-argument? De vraag dan wat er tegen dichotomie is, behalve dat ze nu impopulair lijkt (op dit punt van de geschiedenis, waar Aust zijn oorspronkelijke, meer dan duizend pagina’s tellende RAF-boek uit 1986 heeft bekort tot nog geen zeshonderd, ‘speciaal voor een internationaal leespubliek’). Vervolgens het antwoord toetsen aan nuance, daadkracht en wellicht aan een fatsoenlijk stilzwijgen dat daar vaak bij hoort.
Waar sprak Baader UM aan met ‘liberale hoer’? Mijn hypothese: in een laboratorium voor een sensationeel experiment om de wereld te verbeteren, met deze kanttekening dat de wereld tegelijk het laboratorium was dat er ten behoeve van de voortgang van het experiment onmogelijk even toe kon doen.
In Brechts revolutiedrama De maatregel – de andere RAF-favoriet naast Moby Dick – walgde UM van het citaat ‘Welke laagheid beging je niet, om de laagheid te verdelgen’. Ze maakte in de gevangenis notities, die de leiding, vals maar logisch vanuit de kadaverdiscipline, in kopie verspreidde: ‘zelf allang een smeris zijn in het psychische mechanisme van macht en onderwerping, van angst en je vastklampen aan de instructie. Een schijnheilige trut uit de heersende klasse, zo zie ik me gewoon’.
Thans lieve kijkbuiskinderen toch een vergelijking.
Rijmt de UM-gehoorzaamheid aan het bevel ‘Kut, zet eens koffie’ met een getuigenis van Anja Meulenbelt over haar leerjaren? In een trotskistisch studiegroepje ter gezamenlijke lezing van Het Kapitaal: ‘Het werd altijd laat. De discussies hadden de neiging te verzanden in debatten over de relatieve ruilwaarde van een emmer water in een woestijn. Theo neuzelde maar door, zijn vrouw zette koffie.’
In Margarethe von Trotta’s film Die bleierne Zeit (1981), gebaseerd op het leven van Ensslin, valt de onwankelbare terroriste Marianne midden in de nacht het appartement van zus Juliane binnen met twee collega-revolutionairen die al rokend koffie bestellen. Ogenblikkelijk gaat Marianne koffiezetten, mede tot genoegen van Juliane’s vriend. En in de aflevering ‘Kunst oder Leben (1970)’ uit Heimat 2 is de explosief emotionele Helga RAF-lid geworden en schuilt met drie collega’s in het appartement van haar vroegere bijna-vriend Stefan. Ook die mannen houden zich bezig met roken en worden eet- en drinkgewijs in de watten gelegd door de revolutionaire.
Stoffeert koffie sociaal uit routine? Dan zou het vanzelfsprekend zijn dat de drank door de moeder wordt bereid (species UM)? Workaholic, sterkekoffieverslaafde en communist Egon Erwin Kisch liet zich de complimenten welgevallen voor zijn gastvrijheid in de roaring twenties te Berlijn, waar hij onderdak bood aan ballingen aller landen, in welk kader Nico Rost voor een lyrische schets vaststelde dat Fräulein Gisl steeds maar weer nieuwe koffie moest zetten. Met zijn vaste medewerkster en minnares Gisela Lyner zou Kisch op zijn oude dag trouwen.

maandag 23 februari 2009

UIrike (2)

Zou het RAF-team vermoedelijk niet snel een vestiging van de imperialistische koffieketen Starbucks hebben aangedaan, in de gevangenis gebruikte Gudrun Ennslin de mythische herkomst van die naam, Herman Melvilles roman Moby Dick, om al haar collega’s, voor wie dat boek ook een standaardwerk was, mee aan te duiden. Het was Holger Meins die aldus Starbuck kwam te heten, de eerste stuurman, beheerst door de magnetiserende geesteskracht van kapitein Ahab die hij eigenlijk verafschuwde. Verder noemde Ennslin Jan-Carl Raspe ‘de timmerman’, omdat hij zo vaardig knutselde en een dompelaar wist te fabriceren waarmee buiten de toegestane tijden koffiewater kon worden verhit – Baader was niet verder gekomen dan een lamp vervaardigd uit een thermoskan. Louter UM kreeg een extraliteraire naam, ‘Teresa’, naar de even beproefde als heilige non van Avila.
Meins kwam te overlijden aan het collectieve drukmiddel tegen de isolatie binnen de hechtenis, hongerstaking, waar ‘Ahab’ Baader zijn eigen interpretatie van gegeven had: advocaten namen fijne vleeswaren voor hem mee.
Baader sprak alle vrouwen aan met ‘doos’, inclusief Ensslin (wier naam uit het standpunt van realiteit beter in de bendetitel was opgenomen ipv die van UM) die ‘baby’ tegen hem zei. UM verkeerde daarbij in een netelige positie omdat ze in den beginne minder iemand van daden was dan van woorden, gelet op haar betrekking van hoofdredacteur bij het blad konkret. Bovenal had UM twee kinderen, hetgeen ‘burgerlijk’ bevonden werd omdat het ‘innerlijke vrijwilligheid’ belemmerde. Je verleden, je afkomst, ze moesten verdelgd voor de zaak. Principes gingen boven behoeftes. Bezitloosheid was eenzelfde voorwaarde als illegaliteit, een noodzakelijke onderwerping.
Krachttermen als ‘kut’ of ‘doos’, die voor de effectiviteit van de vernedering het liefst werden gebezigd ten overstaan van de hele groep, betekenden ‘burgertrut’. En al bande UM al dat quasi-achterhaald persoonlijke uit haar leven, schuldgevoelens ten opzichte van haar kinderen rispten op – en golden als aanval van zwakte.
Ooit, na brandstichting in een warenhuis die te legitimeren moest zijn door uitbuiting, onrechtvaardigheid en onderdrukking, had hun advocaat gesteld dat een straf door detentie zou bewijzen ‘dat het tuchthuis in deze maatschappij de enige verblijfplaats is voor een fatsoenlijk mens’. In Stammheim kon UM dan haar lol op, ze benoemde zich pas daar weer tot ‘mammie’. Het isolement in de gevangenis werd totaal toen ze vlak voor Kerstmis 1973 een adventskalender van de kinderen weigerde in ontvangst te nemen en vervolgens hun brieven onbeantwoord liet. Sowieso was UM geraakt tot twijfel ofwel ‘roeren in de stront’, een doodzonde die gelijkstond aan verraad, evenals ‘zelfkritiek’ die iets kon kapotmaken wat zelfs justitie niet lukte.
Starbucks werd gesticht door drie hippies die ten minste kwaliteit in het consumentisme wilden brengen. De RAF viseerde alles om zich heen wat kiemen zou bevatten van het oude fascisme. Bij die kruistocht bleek twijfel inderdaad ondraaglijk. En zo kreeg Monika Helbing, die meegeholpen had aan de Schleyerontvoering, de volle laag van haar mederevolutionairen toen ze een vergelijking trok: ‘Wij zijn door een reeks operaties in ’77 in een positie beland waarvan we voorheen zeiden dat we die wilden bestrijden.’ Zien degenen die de vergelijking niet begrijpen, in de RAF-doden martelaren?

woensdag 18 februari 2009

Ulrike (1)

Van nature was ze aan de zenuwachtige kant. Ze wreef voortdurend haar duim, wijs- en middelvinger over elkaar, culminerend in propjes alom – en aan de typemachine, omringd door gebundeld papier in de vorm van boeken, rookte ze en dronk non-stop koffie. Dat laatste sloot aan bij de geplogenheden van haar medestrijders. Niet echt fuifnummers, aan de vooroordelige verwachting alcohol werd eigenlijk mondjesmaat voldaan, er schijnt gelachen te zijn maar dat hoor je wel vaker van parallelle universa.
Leider Andreas Baader was ook iemand die onophoudelijk rookte (Celtic) en koffiedronk. Op 14 mei 1970 werd hij van de Berlijnse gevangenis even overgebracht naar het Zentralinstitut für Soziale Fragen, waar UM hem zou ontmoeten. Samen gingen ze zogenaamd een boek maken over de organisatie van randgroepjongeren. In de leeszaal zou de bevrijding losbarsten; Baader bestelde er een koffie die hij onmiddellijk geserveerd kreeg van heet water en oplospoeder.
Vervolgens dronken de leden bij de opleiding in Jordanië ’s morgens om zes uur zoete thee. Een jaar later schreef UM, met hulp van genoemde stimultantia, in een Concept stadsguerilla over onheuse kameraden die er louter bij wilden horen: ‘Wij hebben met die kletsmajoors, die de anti-imperialistische strijd bij een kopje thee denken te kunnen voeren, niets te maken.’ De RAF gebruikte voor het vermalen van hun in combinatie nogal dodelijke bomchemicaliën koffiemolens. Bij Che Guevara gelezen hebbend dat je nooit moest eten voor een harde actie (als je dan in je buik geschoten werd, kon je het schudden), werd werkgeversorganisatievoorzitter Hanns Martin Schleyer ontvoerd op een basis van koffie met gebak.
UM stierf in de Stammheimgevangenis, door ophanging. De directie, laverend tussen staat, advocaten en listigheden van de krijgstechnisch gepokte gevangenen, had maatregelen doorgevoerd waarvan ongewis bleef of ze waren bedoeld om informatie te verkrijgen of te voorkomen dat die er kwam; zelfs RAF-expert Stefan Aust wist de afluisterkwestie nooit op te helderen, en dus evenmin of de revolutionairen aangewreven paranoia enige grond had. Wel werd Baader intern verplaatst en vroeg hij aan een bewaker zijn koffie uit de oude cel te brengen. Toen werd in een doosje koffiefilters een zwarte Minox-camera met een, nog onbelicht, fotorolletje aangetroffen.
Dan schrijven we ‘de Duitse herfst’. Ter herverkrijging van de vrijheid voor de overgebleven kopstukken fungeerde het project-Schleyer en even later de kaping van een vliegtuig met Duitse vakantiegangers, dat in Palma de Mallorca opgestegen was. Voor zover toegestaan door de autoriteiten landde het op Afrikaanse vliegvelden. Op de luchthaven Dubai vernam hoofdkaper ‘Martyn Mahmud’ dat de stewardess Anna-Maria Staringer jarig was en hij bestelde een feestmenu voor iedereen. Behalve een taart in pastelkleuren met het suikerglazuren opschrift Happy Birthday Anna-Maria werd er champagne en koffie binnengedragen.
Uiteindelijk mislukte het feest, in Mogadishu te Somalië door een bestorming van de GS-9, Duitse elitetroepen. De ochtend na die nacht, waarin zelfmoord of moord maar liefst drie RAF’ers had omgelegd, bestond het ontbijt in Stammheim uit koffie, tarweroggebrood en een ei. Sectie op Baader reveleerde dat het eerste niet nodig was geweest: tussen een veelheid aan medicinale stofjes zat cafeïne.

vrijdag 13 februari 2009

Van Dale (ed. 2005)

twisten om de geitenwol
om een kleinigheid
(weinig gebruikt) harrewarren over een geitenhaar
om een kleinigheid
geitenwollensokkentype
wat wereldvreemde, non-conformistische sociale hervormer
dat is geen zuivere koffie
dat is niet eerlijk
dat is andere koffie (dan thee)
dat is heel wat anders (beters)
na bezette tijd in een koffiehuis zijn
na het sluitingsuur

woensdag 11 februari 2009

Systeem



Dag vogels, dag bloemen, waarom hilariteit toen de term ‘het systeem’ viel? Vanwege degenen die hem zonder aanhalingtekens gebruiken: onnozelaars die te groot denken en/of te veel verwachten van hun daden? Het zullen restjes puberteit of romantiek in mij zijn, maar zoekend naar vindplaats en context van het door Ulrike Meinhof opgevolgde bevel ‘Kut, zet jij eens koffie’, besef ik bij het lezen van Stefan Austs boek over de RAF andermaal, dat me voor die onnozelaars bijna automatisch sympathie overvalt die slechts moeizaam kan worden gerelativeerd door de gruwelijke gevolgen van hun overtuigingen.
Ik begrijp dat ‘het systeem’, met dat wel heel bepaalde lidwoord, al zoveel deprimerende associaties oproept dat het overweldigd wordt door vooroordelen. Deze zijn op hun beurt te exploiteren, winkwink (aanhalingstekens). Terecht stelt Joris Note in Tegen het einde echter: ‘Het bestaande misbruik van woorden is geen reden om ze te schrappen, dat zou capitulatie zijn.’ Verder mag er nog een veiligheidsslot onklaar worden gemaakt, dat een overigens geestige logische inconsequentie bevat: ‘Het systeem bestaat helemaal niet en bovendien kun je er niets tegen beginnen.’ Laat ik blijven erkennen dat mij de charme van radicale intenties en acties tegen ‘het systeem’ niet ontgaat. 
Over recente specimina daarvan zegt Harold Polis in het maartnummer van Streven: ‘Klinkt heldhaftig, maar wat lost het op? Wij zijn het systeem. De meerderheid van de bevolking is rechtstreeks of onrechtstreeks aandeelhouder, al was het maar via het aanvullend pensioen. Vechten tegen het systeem is het pistool richten op jezelf.’ Dat is mooi gezegd, en calculerend. En los van het feit dat ik niet alles in resultaten vertaald wil omdat ook nuchterheid een ondergrens heeft, komt die laatste zin mij nogal aantrekkelijk voor. 
Allicht houdt het richten van een pistool op jezelf je bij de les, waar het gaat om artikeltjes als kennis, verantwoordelijkheid en genot. Je wordt je bewust van wat wel degelijk effecten zijn van hetgeen je doet en nalaat. Negatief dunkt me dan weer dat die houding even simpel kan uitmonden in jezelf belangrijk voelen, door meningspuiterij bijvoorbeeld. In het laatste geval wordt aan ‘het systeem’ dezelfde signaalfunctie PASSÉ gegeven als aan ‘geitenwollen sokken’. Dat interesseert me, omdat ik te jong was voor de in dit associatieveld eveneens welig tierende ‘basisdemocratie’, terwijl die gewraakte voetenomhullingen in mijn bange jaren nog te koop waren in elk warenhuis, confectie dus. Ze gaven een lekkere warmte, maar ze jeukten wel een beetje. 
Achteraf ontdekte ik dat het woord ‘geitenwollen sok’ altijd kon rekenen op spot, destijds van mensen die zulke dingen niet droegen, daarna van hen die dat wel hadden gedaan maar merkten dat zoiets door een meerderheid ridicuul werd bevonden, en inmiddels van mensen die waarschijnlijk nooit een geitenwollen sok van nabij hebben gezien. Dat hoeft ook niet, omdat het noemen van het woord volstaat om in een fractie van een seconde herkenbaarheid te verwekken bij een zwijgende overmacht, haar van de wereld af te keren en te bestemder plaatse te behagen. 
Vergis ik me, of is dat nu een levend bewijs voor ‘het systeem’?

zaterdag 7 februari 2009

Welkomskwestie

Zeg, weet jij misschien wie zwanger gaat van? 
Het is de zee die het land heeft opengeslagen. 
Wil zij soms echt souperen met de engeltjes? 
Een haring beminnen, oesters op zandgrond. 
Leden van de commissie of een medefirmant? 
Veel tunnels vormen een aanslag op het licht. 
Bepaalde dingetjes dus, milddadig gestemd? 
‘Hochmut, aangenaam, met ha oo see ha.’ 
Is dit dan nog de tijd van explicatie in hout? 
Bordjes van rigiedmoraal, licht inmiddels op. 
Wil jij weten waarom verreweg de meeste
getallen ronduit elektronische hufters zijn? 
Luister dan naar het verhaal van de heer die 
per abuis zijn eigen bratwurst had ingeslikt.