woensdag 28 januari 2026

Zwoesj-zwoesj

Voor W.N.

 

 

 

Ziezo, de papers van het eerste semester zijn weer van punten voorzien. Een monsterinspanning die ik al jaren met liefde doe. Deels uit nieuwsgierigheid naar de jongste ontwikkelingen in taal, deels omdat het me een plicht lijkt waarvan ik zowaar het nut zie. In een tijd waarin ‘mentaal welzijn’ geen pleonasme is staan studenten onder druk, naar verluidt de grootste EVER, en ze verdienen het om adequaat begeleid te worden. Door steun, maar evengoed door schoolmeesterlijke correcties.

De plicht van het punten geven (quoteren, in het Vlaams) had ik al bijna met de term ‘essentieel’ bekroond, ware het niet dat ChatGPT daar als pepernoten mee blijkt te strooien. Met het noemen van de Artificieel Intelligente intrigant beken ik meteen maar dat ik de plicht ditmaal deprimerend vond en de sensatie onderging een vergeefse, om niet te zeggen bespottelijke inspanning te hebben geleverd.

Natuurlijk, sporadisch was ik weer groos en van mijn melk wanneer een student voortreffelijk schreef en iets te melden had. Maar ik betrapte me er voor het eerst op, dat ik bij het nalezen niet meer aan het leren was maar aan het wantrouwen. In plaats van dat ik studenten met mijn betweterigheden kon stimuleren, was ik hen aan het controleren. Fraude of geen fraude, dat is voor de Hamnetten in de docentenstiel de kwestie geworden.

In de praktijk komt het er zo’n beetje op neer dat iedere door mijn laserogen ontwaarde tricolon – een retorische drieslag met een geschiedenis van heb ik me jou daar – een stigma van mijn digitale markeerstift te verduren krijgt. En als de gedachtestrepen uit de vorige zin me te breed zijn en door geen wit worden omgeven, dan komt er nog zo’n fluogeel litteken bij. Onder meer de uitdrukking ‘Onderzoek toont aan’ verwekt inmiddels mijn argwaan en de notoir bluffende ‘niet alleen, maar ook’-constructie. Zelfs voorzetsels staan onder verdenking. Kreeg ik al de pestpokken van ‘rond’ als er ‘aan’ of ‘over’ werd bedoeld, mijn treurigste ontdekking van 2026 is alvast dat ChatGPT ‘in’ heeft vervangen door ‘binnen’.

Zware concurrentie aan het front, ongetwijfeld, maar ik ervaar de regulier geworden polyetherfrase ‘binnen deze context’ als een belediging. Al was het omdat ik er toch van wil blijven uitgaan, dat studenten hun papers herlezen voordat ze die inzenden. Zo’n realiteit blijkt niet langer haalbaar. En mogelijk begrijp ik dat wel. De druk die studenten beleven komt allicht inderdaad van sociale media, en misschien van familie die hoge verwachtingen heeft én zich zorgen maakt over de financiën. Maar volgens mij is er iets aan dit noodpakket toegevoegd.

Het betreft de zogeheten academische studie. Daartoe moet ik aan mijn publiek passend Nederlands bijbrengen. Omdat het bestaat uit toekomstige kunstenaars mag hun taal persoonlijk zijn. Haast gebruikte ik de term ‘creatief’, maar die is door de communicatie-industrie naar de kloten geholpen. En studenten voelen dat. Ze worden ook onzeker van gepraat door taaldeskundigen uit een jonge niche die symposia, enquêtes en acties spuwt en waarin mede pedagogen en kwaliteitscontroleurs zitting hebben. Hun zogeheten dialogen gaan dan over ‘meertaligheid’ en ‘inclusie’, over reacties op dt-fouten, van veroordelend over relativerend naar vergoelijkend.

Naast dit evangelisme horen en lezen studenten een bokitotaaltje van docenten die verklaren ChatGPT te gebruiken voor hun lessen en voor hun examenvragen en correcties en becijferingen. Het zou me niet verbazen dat tussen hun ETCS-fiches al de kerncompetentie ‘goed leren prompten’ te vinden is. Als het afschrikwekkend gebetonneerde pad naar goede taal in ijltempo alsmaar drassiger wordt, wat let de studenten dan nog zelf exclusief ChatGPT te gebruiken?

 

zondag 18 januari 2026

Als patiënt


 

Op deze plaats heb ik het via Houellebecq en Rushdie en Haidt en Ross en Savitzkaya vaak geopperd: het zou een aardig spelletje zijn om op basis van het gebruikte Nederlands een vertaler te lokaliseren of in een generatie onder te brengen. Ditmaal zou dat alleen een katholiek gedoe worden, want ik weet toevallig al waar vertaler-essayist Piet Joostens vandaan komt.

Toch wil ik geen spelbederver zijn omdat de titel die hij deze keer aan een Nederlandstalig publiek schenkt belangrijk is én bij mijn weten, een cultuurbijlagetip van 197 woorden niet te na gesproken, met plechtige stilte is ontvangen: de futuristische roman Het wetboek van Perelà (1911) door Aldo Palazzeschi. Nochtans ging Joostens, heel verstandig met alle klimaatveranderingen, niet over één nacht ijs. Zijn eerste vertaalfragment dateert van 2008, uitgerekend in een dossier over literaire kritiek.

Het zinnetje dat mij in de boekversie opviel, telt veertien woorden: ‘Als die ons in het vizier krijgen, zal het onze beste dag niet zijn.’ Feitelijk gaat het me om de tweede helft. Misschien heb ik in Noord-Nederland niet goed opgelet, of zelfs te weinig ruzie gehad, maar pas in Vlaanderen heb ik de frase gehoord, als afsluiting van een dreigement.

Bij mijn weten gaat ze gepaard met de u-vorm: ‘Dat zal uw beste dag niet zijn.’ De drie Nederlandse varianten die me te binnen schieten, gebruiken juist de je-vorm. Ook laten ze tegelijk elk iets over de vermeende volksaard zien:

 

‘Dat zal je duur komen te staan’ (economie)

‘Dat zal je lelijk opbreken’ (ruimtelijke ordening)

‘Dat zal je nog bezuren’ (moralisme)

 

In de verwante uitdrukking ‘Dan zijn de rapen gaar’ schuilt uiteraard een hele culinaire traditie, maar ze geldt een nader te vergaren aantal vervloekte eters die dan ook onvermeld blijven.

Interessant vind ik verder dat het eerste persoonlijk voornaamwoord ‘die’ en het bijhorende werkwoord ‘krijgen’ in Joostens vertaling formeel incorrect zijn maar correct klinken. De constructie verwijst naar het onzijdige en enkelvoudige ‘gepeupel’. Wanneer er echter had gestaan ‘Als dat in ons vizier krijgt’, was het ongeloofwaardig geweest. Gevoelsmatig en omdat het hier om spreektaal gaat.

Het grootste gedeelte van Het wetboek van Perelà bestaat, net als het fragment waaruit ik de zin tilde die zelf tussen aanhalingstekens stond, uit dialogen. Voor mij, vanuit een polyfoon poëzieproject, is dat een bewonderenswaardige prestatie, omdat vertellerstekst makkelijker weg schrijft. Bijzonder aan Palazzeschi’s boek is bovenal een Twitter-avant-la-lettre-touch: die spreektalige uitspraken zijn schier steevast gericht tegen de hoofdpersoon die zelf zelden iets zegt. Zelfs zijn naam Perelà is door derden toegekend.

En daar komt het grote drama. Luttele jaren later schreef Kafka Het proces, waar de hoofdpersoon om onduidelijke redenen gearresteerd wordt en uiteindelijk quasi-legitiem vermoord. In Het wetboek van Perelà mag de held eerst om onduidelijke redenen rekenen op ophemeling, heeft op het toppunt van zijn macht vervolgens niets te maken met een zelfmoord van ene Alloro, en krijgt na een absurd proces de schuld. Hij fungeert als heus projectiescherm.

Kan er even een cultuurindustriële grootheid anno 2026 opstaan om, voordat het zijn of haar of hets laatste dag zal zijn, dit boek aan te bevelen bij het middenstandsgepeupel, liefst in meer woorden dan ik hier van plan ben te gebruiken? Liefst ook met wat knetterende adjectieven en met harde garanties van actualiteit en urgentie, vol ideale aanschaf voor bureau, koffietafel of performative-reading-locatie?

Aan de herziene versie uit 1958, die Joostens voor zijn vertaling heeft gebruikt, is als slotwoordje iets universeels toegevoegd: ‘Hahaha!’ Loopt het dus beter af dan in Het proces? Van Josef K werd het lijk in een kuil gegooid, terwijl door bemiddeling van de koning de 33-jarige Perelà in een gevangenis mag. Daar treft zijn trouwe vrouwe Oliva di Bellonda van hem niets anders aan dan twee laarzen bij een schoorsteen. (In mijn studententijd was het kantoor van onze studiecoördinator eens onbemand terwijl zijn sandalen er stonden – onwillekeurig richtte mijn blik zich opwaarts.)

Die schoorsteen is geen overbodig decorstuk. Feitelijk bestaat de hoofdpersoon uit 100% lucht. Een onzichtbare man! Zou Ralph Ellison dit Palazzeschi-boek hebben gekend? De staat waarin Perelà verkeert geeft, meer dan een eeuw later, een bijsmaakje aan de veramerikaanste Nederlandse taal. Bijvoorbeeld als een hofarts hem niet kan genezen, al was het omdat hij geen hart- of polsslag kan vinden, en besluit geen ‘mannen van rook’ meer als patiënt te aanvaarden. 

 

Culpa (19 jan.)

Is de harde schijf van mijn geheugen definitief kaduuk? Josef K sterft ‘als een hond’, zoals Het proces eindigt, terwijl in de slotzin van Malcolm Lowry’s Under the Volcano over de vermoorde Consul staat ‘Someone threw a dead dog after him in the ravine.’

 

vrijdag 9 januari 2026

Ik had een paar duidelijke


 

 

 

Thomas Heerma van Voss bundelde in De prullenmand heeft veel plezier aan mij interviews die lekker weglezen. Omdat ze over iets zo complex als literatuur gaan, is dat misschien opmerkelijk. Maar in het boek spreekt bijna exclusief de biografische persoon achter de auteur, op gevorderde, in principe werkluwe leeftijd ook. Bijna vijftig jaar na dato benaderde Heerma van Voss namelijk nog levende medewerkers die anno 1977 hun bijdrage aan De Revisor leverden in de vorm van een getekend zelfportret.

Het toenmalige literaire-tijdschriftinitiatief weet aan de interviewer de heden niet geheel onobligate kanttekening te ontlokken dat de man-vrouwverhoudingen scheef lagen, en dat mensen van kleur er niet te vinden waren. Indien hij echt had uitgezoomd was het Heerma van Voss allicht ook opgevallen dat De Revisor geen notie van Vlamingen had, op Ivo Michiels na. Maar zo’n zelfkritische beweging past deze bundel niet. Bij de Amsterdammers onder de geïnterviewden laat Heerma van Voss niet na te vertellen of hij hun straat kent of in hun buurt is opgegroeid.

Mij frappeerde dát die locaties opduiken. Ze suggereren intimiteit, die andermaal bevestigt hoe ver de autonomistische school inmiddels verwijderd is van de norm. Een genretechnisch overeenkomstig boek als Scheppen riep hij gaat van Au (1965) door H.U. Jessurun d’Oliveira stamt in verhouding uit de middeleeuwen, uit een ambachtsatelier. Wellicht valt De prullenmand heeft veel plezier aan mij beter te scharen onder de hausse aan biografieën. Conform aan de huidige zeden voorspelt Heerma van Voss’ achterflap een ‘smakelijke literatuurgeschiedenis’ en maakt die belofte letterlijk waar. Elk gesprek vermeldt wat auteur en interviewer drinken (bijna altijd thee) en welke koekjes of soesjes erbij geserveerd zijn, en of in de woordenstroom de geïnterviewde tijd vindt om ze te eten.

 

Stutten

Deze schrijvers blijken bijna allen spraakwatervallen. Voor zover ze het niet zelf zeggen, legt Heerma van Voss de reden daarvan bloot: ze zijn eenzamerig en staan niet meer in de belangstelling. Hij is dus ook hun verlosser – meer dan eens eindigt een gesprek met de vraag aan hem om nog eens langs te komen of in elk geval contact te houden. Er hoort een motief bij van communicatiemiddelen. Deze auteurs bezitten zelden een smartphone of laptop. Ze moeten het stellen met oude, slecht werkende bakbeesten van computers, en foeteren op internet dat alles, kennis én verbondenheid, kapot heeft gemaakt. Toch oogt niemand cynisch; veeleer leeft men, mede door gezondheidsproblemen, in het besef van vergankelijkheid, ook van generaties. En zonder zicht op publicatie schrijven velen voort.

Door deze opzet kan Heerma van Voss om boeken heen laveren. Ze functioneren louter als kapstok voor anekdotes over triomf en mislukking, uitgeverssores of mediasteun. In de psychologiserende biografietjes achter in het boek moeten de geïnterviewden zelf hun favoriete eigen titel geven. De ondertitel Schrijversportretten toen en nu is dus goed gekozen. Destijds een beeld van de schrijver, nu de taal van het portret. Als in het mooiste gesprek van de bundel Jan Kuijper aan Heerma van Voss vraagt of hij een bepaald (recent bij een niet-Amsterdamse uitgever verschenen) boek van hem ter voorbereiding heeft gelezen, pareert de interviewer of dat dit de verwachting had mogen en kunnen zijn. Waarna de geïnterviewde met een anekdote komt die zijn ontzagwekkende eruditie relativeert.

Wanneer ook Heerma van Voss oprecht was geweest, had hij zich geout als cultureel ondernemer bij wie tijd geld is. Naast dit project, dat hij startte als freelancer voor het Literatuurmuseum Online, is hij columnist bij De Lage Landen, gastdocent Creatief Schrijven op de VU en kunstmedewerker van De Groene Amsterdammer. Achteraf redundant merkt hij in zijn inleiding op dat hij zijn stukken niet wilde ‘stutten met veel jaartallen, titels, feitjes, stijlanalyses of geëxpliciteerde dwarsverbanden’. Een motief in dit boek is zijn bevreemding als meer geportretteerden, als waren ze schoolmeesters en andere wereldvreemden die in een studeerkamer of achter een scherm te vinden zijn, eerste versies zorgvuldig corrigeren. Feiten en toewijding rijmen allicht te sterk met de geregeld gememoreerde gouden tijd van de Nederlandse boekencultuur, van de jaren zestig tot negentig.

Heerma van Voss wilde, mijns inziens terecht, niet romantiseren. Maar had dat moeten leiden tot debunking? Nu laat hij auteurs babbelen over een tijd waarin ze culturele betekenis hadden én laat ze bij hun geheugenverlies namen beloven en behinten, die hij niet opzoekt. Zo sardonisch ontvouwt zich deze literatuurgeschiedenis, met leeslint en zonder register of bibliografie. Zo wordt evengoed ‘ontlezing’ een banaal begrip. Bovenal blijft het een aanleiding tot persoonlijke relazen en tot een beschrijving van uitpuilende bibliotheken. Daarbij ontdekte Heerma van Voss, naast de eenzijdige samenstelling van de Revisor-tekenaars van dienst, nog iets. Keer op keer bleek ‘dat elegant ouder worden een kunst is, een precair proces waar de ene schrijver beduidend meer talent voor heeft dan de ander’.