dinsdag 30 december 2025

De zichtbare nederlaag




 

Een geweldige zin: ‘Op wandelvakanties pelt hij onderweg een ei en rolt dat over zijn bezwete voorhoofd, voor het zout.’ Ik trof het aan in Mirjam van Hengels Ganzentijd. Dit boek over de dood van haar vader houdt zich op in een autobiogenre dat me niet ligt, maar blijkbaar weet Van Hengel me te overtuigen. De zin karakteriseert op een wijze waarin diverse reacties open worden gelaten. Voor sommige lezers zal de vader inventief zijn, voor andere lezers wordt hij een zonderling. Knap vind ik de komma, die de ruimte ook daadwerkelijk schept. Bij de rolgewoonte vragen sommigen zich allicht af waarom ze geschiedt, anderen moeten juist bevestigd worden in de hint.

Van Hengel kan in Ganzentijd intiem worden door afstand te houden en zorgvuldig te selecteren. Sporadisch gebruikt ze een citaat, dat ze pas achterin toeschrijft en dan nog minimaal. Over het proces dat ze samen met haar vader richting zijn overlijden ingaat, indiceert het boek dat ze er al onderweg notities over maakt. Van Hengel noemt die ‘sleutelgaten’, een motief dat artistiek door Vijftigers-essayist Paul Rodenko werd geduid. In Ganzentijd doemt het op via het gedicht ‘Januari 1943’ door Vijftiger-dichter Remco Campert, waarvan ze het einde een sleutelgat noemt. Bovenal rijmt de blik daardoorheen met het turen door een kijkertje dat vader als vogelaar gewoon was en waarmee het boek opent; voor deze twee Van Hengels blijkt Peterson’s vogelgids de Bijbel.

Bij afstand en selectie hoort voor mij registerkeuze – in het begin spreekt Van Hengel al over ‘de liefde bedrijven’. Verderop toont de tekst een harde montage, kalm en kritisch in- en uitgeleid, van het curriculum vitae dat de vader op gevorderde leeftijd over zichzelf opstelde. Het is uiteraard een onvoltooide tekst, die zijn dochter vervolgens afmaakt. Dan tracht ze uiteraard zijn stijl te benaderen, met veel tussenhaakjes.

Hoe groot het verschil met een ander boek dat recent op mijn weg kwam: Lize Spits Autobiografie van mijn lichaam. Daarin wordt ook een ouderlijk overlijden (van de moeder) herdacht en is er ook een tekstmontage (van Lizes oude dagboeken), maar het resultaat is, in meer opzichten: dikte. Alles wordt gezegd, in één voortdenderde stijl die details en evaluaties van gevoelens in beeldspraken blijft aandragen. Misschien is het daarom eerlijker Autobiografie van mijn lichaam te vergelijken met Maria Vlaars overvolle Zwagerman-biografie. Ik wist me er geen raad mee en, onbekend met de openbare ruimte die door sociale media zal zijn geherdefinieerd, voelde me na lectuur een oude puritein.

Ergens in een zeer geheim typoscript las ik dat Rilkes begrip Weltinnenraum, ‘wereldbinnenruimte’ dus, tegenwoordig wel eens wordt vertaald als ‘binnenwereldruimte’.

Bijna dacht ik al uit de tijd gevallen te zijn, tot het toeval me nog een kakelverse biografie bracht: Groots is de liefde. Daarin portretteert Jacqueline Oskamp componist Louis Andriessen. Zijn leven was langer en rijker, minder honkvast en van groter cultureel belang dan dat van Zwagerman. Toch heeft Oskamp veel minder pagina’s nodig om de figuur van Andriessen op te roepen. De componist was net als de betreurde auteur een vaardig netwerker, die bij ellende ook terug kon vallen op een Harde Kern van echte vrienden. Wel vielen in zijn volkomen artistiek milieu blijkbaar vanzelfsprekend seksuele escapades voor en werden ze vergeten, al hield ook deze womanizer lijstjes met prooien annex veroveringen bij. In Oskamps boek spelen die vrouwen een marginale rol – en worden de meesten slechts opgevoerd bij de voornaam, al dan niet veranderd voor de privacy.

donderdag 18 december 2025

Zeer taai-taai

 

 

 

Al tijdens het lezen van haar bijna achthonderd pagina’s drong zich aan mij steeds luider één grote vraag op: waarom heeft Maria Vlaar acht jaar van haar leven opgeofferd aan een Joost Zwagerman-biografie? Natuurlijk, ze had literaire nevenactiviteiten en haar arbeid werd vertraagd door corona die het niet toeliet 42 archiefdozen in het Literatuurmuseum uit te spitten. Maar toch, steeds blijkt dat ze Zwagermans oeuvre weinig bijzonder vindt, dat zijn spectaculair ogende bestaan geleefd werd door een verboekte huismus en dat ze in hem dan wel sympathieke trekjes ontwaart maar grotere porties mannelijke hypocrisie – die ze, als ik me niet vergis, ruim vóór verschijnen aankondigde.

Of zou Vlaar verrast zijn geweest door de reacties op Zwaag. De zeven levens van Joost Zwagerman die zich toespitsten op het drukbezette, met blitse namen gedecoreerde liefdesleven van de auteur tot en met de experimentele deelname aan een pornofilm? Waarom richtte ze zich bij haar speurtochten ook nog tot een Amsterdamse kioskhouder bij wie de auteur wel eens ‘vieze blaadjes’ kocht? En hoe bestaat ze het om het zoveelste plaatselijke relletje te vergezellen van de noot ‘of dit roddels zijn of waarheid laat ik in het midden’?

Zelf motiveerde Vlaar haar titanenklus gelukkig niet alleen uit een vraag van de uitgever. Ze wees op een generatieverwantschap met Zwagerman (1964 vs. 1963) en op een vergelijkbaar katholiek nest in West-Friesland. Haar boek kan ook worden opgevat als een zoektocht naar culturele overlappingen en restanten van levensbeschouwelijkheid. Toch moet in de loop van haar onderzoek vervreemding zijn ontstaan die, gepaard aan haar eruditie en stilistisch vermogen, een spannend en gelaagd boek had kunnen opleveren dat een stuk dunner was geweest. In plaats daarvan onthult Vlaar haar ware indruk na een van de zeer vele signalementen van Zwagermans disparate tekstproductie:

 

‘In een column over “De denkwereld van 2040” voorspelt hij in 2008 al dat schrijvers tegen die tijd helemaal niet meer bestaan, en literaire nalatenschappen geen waarde meer hebben; er is dan “vermoedelijk een computerprogramma dat na de input van een handvol woorden en persoonsnamen, en na een keuze voor het gewenste “verhaalprogramma”, een oneindig aantal “verhalen” produceert, toegesneden op de wensen en fantasieën van de individuele consument.” Hij voorziet wat AI zal gaan beteken en voorspelt in één ruk door zijn eigen toekomstige overbodigheid.’

 

Allicht bedoelt ze dat laatste niet letterlijk, maar wanneer ik uit Zwaag lering probeer te trekken, dan lijkt me dit dicht bij de kern te komen.

 

Vooroordelen

Een ander merkwaardig besef dat zich bij kennisname van Zwaag van mij meester maakte, is dat Vlaar heel wat informatie niet heeft geraadpleegd. Deels ligt dat buiten haar schuld, suggereert de verantwoording: ‘De volgende personen wilden niet geïnterviewd worden voor dit boek: Sandra Derks, Bram Bakker, A.F.Th. van der Heijden, René Huigen, Bert Nubé, Thijs, Koen en Daantje Zwagerman.’ Allicht had hun medewerking meer persoonlijke anekdotes en inzichten gebracht. En literaire nuances kunnen geven, al vraag ik me af of Vlaar daar wel naar op zoek was.

De geslaagdste hoofdstukken uit het boek gaan over Zwagermans opinistentijd en over zijn finale depressie. In het ene geeft hij vanaf diverse podia commentaar op binnen- en buitenlandse politieke ontwikkelingen en vernemen we iets over de gevolgen die zijn interviewrol bij Zomergasten had, nadat Ayaan Hirsi Ali er de film Submission in première liet gaan. De mens Zwagerman krijgt daar door alle banale bijeffecten ineens diepte omdat hij moreel moet handelen. In het andere hoofdstuk beleven en begrijpen we, mede dankzij Vlaars verteltalent, hoe iemand gestaag en zonder pardon in omstandigheden kan komen die nopen tot zelfmoord. Het is tegelijk een aanvulling op én steun voor het controversieel geachte boek De langste adem (2020) van voormalig echtgenote Arielle Veerman.

Dat mij aldus slechts een fractie van Vlaars boek boeit, hoe bedreven ook gemaakt, ligt uiteraard aan mijn verwachtingen. Zwaag biedt als gezegd allerlei biografica, maar die interesseren me niet en soms vind ik ze niet publicabel. Toch had ik gehoopt bij Vlaar daarnaast nieuwe interpretaties van romans, verhalen en gedichten aan te treffen. Juist op dat basale vlak schiet deze biografie voor mij tekort. Haar toevoegingen betreffen passages die autobiografisch gelezen kunnen worden en die interviewbeweringen over het waarheidsgehalte weerleggen.

Het grote verhaal vertelt Vlaar na, en dan ook nog gedeeltelijk. Ze maakte namelijk de keuze louter recensies op de afzonderlijke werken in beschouwing te nemen. Het gevolg demonstreer ik met één voorbeeld. Gaandeweg ontstond van de literair auteur het beeld dat hij, zeker als romanschrijver, snel zijn kruit verschoten had en bij gebrek aan inspiratie een goed verdienende mediafiguur werd. Uitgaand van recensies valt de loop van dat repeteergeweer niet bij te buigen. Dus is er bij Vlaar geen ruimte voor de rehabilitatie die Thomas Vaessens aan de prozaïst Zwagerman bood in zijn studie De revanche van de roman (2009). Het enige moment waarin deze hoogleraar in de biografie opduikt, is als poëziecriticus van de bundel Bekentenissen van de pseudomaan, wiens kritiek door de besprokene niet werd verdragen en verleidde tot een uitval – de zoveelste die karakterieel tekenend moet wezen.

Op die wijze blijft ook Zwagermans passage door het postmodernisme bij Vlaar bleekjes. Ze ontleent inzichten over deze nog altijd van vooroordelen wasemende stroming aan contemporaine theorie (zoals van Annemarie [sic] Musschoot op de DBNL) en aan losse primaire werken die in de jaren tachtig en negentig ermee werden geassocieerd. Een tweede literair-historische goudmijn boden de Maximalen, de dichtersgroep van wie Zwagerman zich opwierp als woordvoerder. Zwaag vertelt er best veel over, maar het lijkt wel of de poëzie zelf, tenzij in de algemeenst mogelijke termen belicht, buiten beeld moet blijven.

In plaats daarvan kanaliseert Vlaar haar energie om strubbelingen en vetes in de groep aan het licht te brengen. Wie daarvan houdt, is spekkoper. En wie er Zwagerman-psychologie aan wil verbinden, heeft de biografe vaardig geleid naar één van de zeven gezichten die hij zou hebben: die van de onderwijzer. De opper-Maximaal blijkt punten te hebben uitgedeeld aan zijn bentgenoten op de competenties ‘persoonlijkheid en poëzie’. In die lijstjes valt niet alleen op dat Zwagerman geen al te hoge dunk had van kameraden met wie hij revolutie beweerde te maken, maar ook dat zijn cijfers akelig precies zijn – Arthur Lava, man van het eerste uur, krijgt voor ‘poëzie’ een 7-.

woensdag 10 december 2025

De poëtische kracht en nuance

 

 

 

Buzz in neerlandistisch letterenland: de gratis pdf’s van de Bulkboeken zijn foetsie! Na een overname moeten scholieren die generatie na generatie literatuur uit alle tijden leerden kennen en van wie nu wordt verwacht dat ze daar ‘leesplezier’ aan ontlenen, de mastercard uit een ouderlijke portefeuille trekken. Blijkbaar hoeven we ons toch geen zorgen te maken. In een comment werd Bulkboek dan wel ‘een sterk merk’ genoemd, een ander comment stelde gerust dat er archives en platformen bestaan waarop downloads nog mogelijk zijn. Dat bespaart alvast grote woorden, die tegenwoordig zo vaak en misplaatst de ronde doen, over uitwissing en censuur.

Alles verdwijnt, natuurlijk, maar werkt internet het in de hand? Als ik me beperk tot het zojuist genoemde vak, dan dringen, ongetwijfeld willekeurig, voorbeelden zich op. Al tijden geleden bleek dat het veelbesproken project van de Lezeres des Vaderlands, die man-vrouwverhoudingen in kritieken natelde en becommentarieerde, in het web was verzwonden. Een goed recht. Toch viel niet te ontkennen dat het anoniem gehouden project voortkwam uit de boezem van de neerlandistiek en dus ´op kosten van de belastingbetaler´. Het bleek bovendien te worden geciteerd in minstens één wetenschappelijke bron en figureert soms nog in expliciet ideologische argumentaties.

Onlangs ontdekte ik dat ook de veelbesproken Personagebank spoorloos is. Nazoeking onderstreepte dat mijn geheugen weer een bedrieger is, ik wist al dat dit project offline was. Allicht had ik dat verdrongen, omdat op gezette momenten de lust naar kennis groter blijkt. Dat dit dan gefrustreerd wordt mag geen probleem zijn, maar de Personagebank fungeerde als een breekijzer, een bewijs van een nieuw paradigma dat in een Engelstalig wetenschappelijk tijdschrift geconstrueerd werd – en daarna bediscussieerd, evengoed in een zijdraad-van-een-zijdraad door mij.

Waarom blijven dergelijke stille manoeuvres onbelicht? Ik ga ervan uit dat er niet alleen neerlandici bij betrokken waren, maar ook dat zij actief deze projecten in de vergeetput gooiden. Toegegeven, het vak verkeert in zwaar weer, het blijkt te moeten gelegitimeerd tegenover bezuinigingen die al tot onderbezetting zullen hebben geleid. Ook ben ik niet de geloofwaardigste figuur voor bovenstaande vraag nadat ik neerlandici uitriep tot serieuze kanshebbers bij het Olympische onderdeel meelopen. Alleen kan ik me niet aan de indruk onttrekken dat ze minstens zo goed zijn in het altijd verleidelijke wegkijken (en mogelijk in het opsteken van Facebookduimpjes).

Een heuse recente verdwijning doemde voor mijn ogen op toen ik voor de finale van een exercitie tegen de lijstjescultuur een hyperlink wilde leggen. Naar een artikel waarin Joris Note duidt hoe Jozef Deleu de erfenis van Jeroen Mettes naar zich toetrok. Maar Google noch DuckDuckGo noch Ecosia bood uitkomst. Ik meende dat het artikel op DeWereldMorgen stond. Op de pas vernieuwde website blijkt het echter afwezig. Net als iets dat daar zeker op heeft gestaan en dat echt van groot belang is om wat van de contemporaine literatuur, recensiecultuur en bedrijfsvoering te snappen.

Het betreft een gekender artikel van Note dat zelfs NRC Handelsblad haalde als serieuze kritiek op David van Reybroucks Congo. In het besef dat deze bestseller uit 2010 ook onder connaisseurs louter aan status heeft gewonnen en dat de receptie heden bestaat uit een compliment à 40 woorden van Peter Sloterdijk dat het enige betrof wat hij er in jaaroverzicht van zogeheten Beste Boeken over te melden had, is het bizar dat de meer dan vijfduizend woorden, exclusief bibliografie, onvindbaar zijn geraakt. Niet alleen toont Note hoe de geschiedenis in dit boek werd vergoelijkt en herschreven in een gelatinestijl, ook legt hij kwestieuze argumenten bloot waarom het Vlaams Letterenfonds bij de overheid ‘een extra budget’ aanvroeg om het te vertalen.

Minstens zo bizar dunkt me dat DeWereldMorgen op de vernieuwde website wel een signalement heeft behouden van het essayboek Wonderlijke wapens (2012) waarin Note dit stuk bundelde. Hij deed dat sensatieloos, door op de achterflap in de reeks namen die hij behandelt ‘de vermoorde Congolese premier Lumumba’ te vermelden, aan wie hij, in relatie tot Aimé Césaire, nog een essay wijdde. Wel is dit boek inmiddels verramsjt. Wat nu? Gelet op de richting waarin het genre zich ontwikkelt, is de kans miniem dat het essay nog ergens opduikt, terwijl Notes kanttekeningen relevant blijven.

donderdag 4 december 2025

De trucs van oplichters


 

Terwijl bij de vorming van een nieuw kabinet mevrouw Yeşilgöz volhardt in het bijkneden van betekenis tot wensdromen, liet een column van Maxim Februari vorige week al uitschijnen dat de rest van mijn landgenoten in Dichtbijistan-aan-Zee evenmin stilzit. ABN Amro heeft namelijk Het oplichtings ABC gepubliceerd. De spatie in die titel zuigt me probleemloos in deze materie. Nu is ‘materie’ een interessanterig woord, maar de brochure vraagt erom. Pagina 2 suggereert al dat ik bepaald niet de eerste de beste ben:

 

Introductie

 

Oplichters proberen op allerlei manieren aan geld te komen.

Sommige manieren bestaan al heel lang. Andere manieren zijn nieuw.

Soms worden slachtoffers persoonlijk benaderd.

Maar vaak gaat het via de telefoon, via e-mail, via sms of via een app.

 

Het is belangrijk dat je weet hoe oplichters werken.

Dan heb je het misschien door als iemand jou oplicht.

De trucs van oplichters hebben vaak moeilijke namen.

De uitleg is soms ook lastig te begrijpen.

Daarom hebben we nu een lijst gemaakt in makkelijke taal.

In deze lijst staan veel verschillende soorten oplichting.

 

De namen van deze soorten oplichting zijn vaak nog steeds moeilijk.

Maar die namen hoef je niet te onthouden.

Het belangrijkste is dat je de trucs van de oplichters herkent.

Dan is de kans kleiner dat je slachtoffer wordt.

 

Geloof het of niet namelijk, ik ben zo beroepsgedeformeerd dat ik dacht een sonnet voorgeschoteld te krijgen. Wat een bank! Ja, ik wil rijk worden als ik groot ben. ‘Beroepsgedeformeerd’  is trouwens ook geen kinderachtige term, waarin mijn digitale spellingscontroleur adviseert een spatie aan te brengen.

Blijkbaar komt de redelijkheid bij mij na een paar seconden en dringt het besef door dat hier iets op een toegankelijke wijze wordt verteld (r.9, in een traditioneel sonnet dus na de sjuut). Mocht ik minder gulzig zijn geweest, dan had ik de PISA-promillages kunnen afleiden uit de ondertitel van de brochure: Verschillende manieren van oplichting uitgelegd in makkelijke taal. Normaliter rijdt mijn brein over vele alledaagsheden heen, maar hier is het secuur. Ultrakorte alinea’s helpen de toegankelijkheid van een tekst.

Zo luidt althans de theorie, die Februari’s krant even later met een compleet (tot in de grafieken aangrijpend) artikel op ‘referentieniveau 1F’ zou staven. Merkwaardig vind ik dan de ervaring dat door zo’n tekstaanzicht mijn begrip wordt bemoeilijkt – het begint me wat chaotisch te worden. Maar dat zal een defect aan mijn brein zijn, of generatiegewijs horen bij non-digital-natives die in dito, zin per zin afgevuurde verbreide WhatsAppberichten van digital natives de weg schijnen kwijt te raken. Na een kleine reset en inspanning snap ik alsnog wat er staat.

Ondertussen bevestigt het illusiesonnet de indruk dat tijdens de discussies over genderneutrale voornaamwoorden de u-vorm stilzwijgend de benen heeft genomen. Ook een deftige bank spreekt in 2025 zijn klant aan met ‘je’. Even evident toegepast dunkt me een aangrenzend fenomeen, waarvoor Maartje Lindhout me in 2016 de ogen opende: het wenken met ‘jou’.

En het loopt als een tierelier! Ik citeer: ‘Het is belangrijk dat je weet hoe oplichters werken. / Dan heb je het misschien door als iemand jou oplicht.’ Door die nadruk aan het slot zou iedere lezer zich aangesproken moeten voelen om de brochure door te nemen. Februari had dat al gedaan en zelfs zijn brein was niet altijd mee. Dus zal ik me beperken tot twee details.