vrijdag 7 februari 2014

Lustrum


Vandaag is De Honingpot vijf jaar geworden. Heb ik iets gemist? Is het tijd om, zoals dat heet, over mijn eigen schaduw heen te springen? Ik moet me wel een beetje bekommeren om mijn Trade Related Intellectual Property Rights natuurlijk.
Dat ik me de eerste posting herinner ‘als de dag van gisteren’ zal niet alleen iets zeggen over gewenning aan het bloggen maar ook over een zwak ervoor. Het distributieprobleem van literatuur, waarbij sommige teksten potentieel geïnteresseerden nooit bereiken, speelt er niet. In de geest van Chantal Mouffes pleidooi voor het antagonisme dunkt mij de weblog ideaal om een maatschappelijk geschil te organiseren dat niet op een voor iedereen teleurstellend compromis hoeft uit te draaien. De scherpe randen kunnen blijven. En doordat blogs zich in het publieke domein bevinden, ondergaan ze sociale controle – zodat randen geen onnodige snijwonden geven.
Waarom stel ik meteen de kwestie van ‘polemiek’? Zelf een constructie zijnde, met mijn anti-opinismen die even inwisselbaar zijn, ben ik nog niet zo cynisch om, gesteld dat ik daar geld voor had, onderzoek te laten doen naar wat voor een persoon bezoekers hier het liefst zouden tegenkomen opdat hun droom werkelijk wordt (bizarre dinges toch, die realiteit). Ik keten internet inderdaad aan krasse oordelen. De geijkte relativering door een blik op verleden doet vermoeden dat er niets nieuws onder de zon is. Maar het verleden lijkt me niet herhaalbaar. Bovenal heeft een medium van deze omvang en met zo’n rechtstreekse bereikbaarheid over de grootste delen van de wereld bij mijn weten geen voorloper.
Krankzinnig is het wel, de bereikbaarheid die penetreert in het privéleven. Mogelijk komt het doordat ik binnen korte tijd met On The Road, Lemmy en Ramses meer rolprenten aan me voorbij heb zien trekken die de lof prediken van het vitalisme, maar ik kan me niet indenken dat alle hoofdpersonen, mits geëquipeerd, elke minuut hun smartphone controleren. Daar hebben ze ook geen tijd voor, want ze moeten roken.
Een korte samenvatting van de eenentwintigste eeuw: nicotine maakte plaats voor megabytes en de overheid zei vanuit de verte dat het goed was.

Je kunt bloggen over wat je in extase brengt. Dat zet een toon die mij te blijmoedig is en waarvan ik als papa de valkuilen ken: kroostgezwijmel. Je kunt ook bloggen over dingen die je absurd vindt. Maar dan gaat het snel over woorden, zoals ‘pionieren’, ‘vooronderstelling’, ‘bodemanalyse’ en ‘tabakslobby’. Je rijdt je karretje binnen de poorten van De Verwondering, een fabriek met uitstekende arbeidsvoorwaarden, behalve dat je altijd moet doen alsof je nooit ouder dan acht jaar bent geworden. Ten slotte kun je bloggen over zaken die onrechtvaardig zijn. Dat zet een toon die prettig kritisch is, maar die verongelijkt kan overkomen. Door het bereik van internet heeft dat negativisme eveneens iets griezeligs. Wat zegt dat nu weer? In Je hebt niet van mij, maar… beweert Joris Luyendijk: ‘outsiders kunnen in Den Haag alles opschrijven maar weten bijna niks. Insiders weten heel veel maar kunnen bijna niks meer opschrijven’.
Wat mij aan bloggen doet terugdeinzen is de macht, de door niets gehinderde mogelijkheid tot het verbreiden van onwaarheid en tot veroordelen. Nou ja, door niets... Er is die sociale controle, een denkbeeldige meelezer. En mijn kinderen spelen een even zelfcensurerende rol. Nu zijn ze nog klein en dateren ze alles uit het verleden op ‘gisteren’ en ik neem aan dat het internet op apocalyptische wijze vanzelf wel ontploft – maar stel dat De Honingpot over een jaar of tien nog vindbaar zou zijn… Ik moet er niet aan denken dat zij louter vakidiotie aantreffen. (‘Hij vierde een half decennium van zijn blog, terwijl vijf decennia tevoren The Beatles in Amerika landden en in Sotsji de Olympische Winterspelen begonnen.’)
Met een tandspiegeltje oefen ik dan wel in wat Luyendijk ‘functionele woede’ noemt.
Nogmaals, waarom zo pontificaal over het meningsverschil? Hoewel er naast een anxiety of influence ook een desire to be influenced zal bestaan, heb ik binnen mijn vak een boontje voor de materialistische literatuurkritiek die niet direct polemiekvrij is. Een bundel die een voorbeeld is geweest voor mij is Konfrontaties van J.F. Vogelaar uit 1974. Zelfs voor deze blog. Ooit legde ik in een papieren blad nogal omstandig uit waarom ik De Honingpot ben gestart, maar ik had evengoed één zin kunnen citeren uit de inleiding bij het essay Woekering van betekenissen: ‘Ik beschouw deze aantekeningen als een vorm van reflexie die in feite integraal bestanddeel van het schrijfwerk zelf moet uitmaken, zeker als dit wordt opgevat als een sociale aktiviteit en niet als individuele expressie en expansie.’
Hier is meteen verklaard waarom ik graag werk met onmundig veel hyperlinks. In termen van een win-winsituatie heeft de moralist in mij daar hopelijk baat bij.
Doordat Vogelaar kunst niet als autonoom lichaam beschouwde, moest hij zijn neus elders in steken. Bij een honingpot is dat makkelijk gezegd, maar hij speurde in instituties en in uiteenlopende teksten naar veronderstellingen en fenomenen die deze autonomie wilden verankeren. Zo kwam hij vanzelf in conflict. Zijn definitie van ideologie voorspelde dat: ‘een geheel van denkbeelden die een bepaalde maatschappij nodig heeft om zich te rechtvaardigen, denkbeelden dus die niet of maar ten dele met de feitelijk sociale verhoudingen samenvallen, maar er niettemin een reële funktie in vervullen.’
Ik snap dat zulke kwesties eerder plicht en paranoia oproepen dan enthousiasme en elan, maar ze zijn cruciaal – helemaal in een global village die roept van ideologie gespeend te zijn. Zijn arbeidsintensieve en bijna tot aan in soevereine slimme betogen ten spijt, was er geen belangstelling voor Vogelaars sociale oogmerk. Op mijn beurt hoef ik er niet chic over te doen dat buiten de spertijd van updates het aantal dagelijkse bezoekers van De Honingpot rond de twintig ligt. Nochtans een huis vol, een familie bijna, ware het niet dat statistieken het laatste restje ijdelheid verdelgen. Van de tien best bezochte stukken, waarbij de koploper nog op de meest gênante eenzame hoogte staat, zijn er drie door gastschrijvers verzorgd; zoektermen maken duidelijk dat men hier meestal niet de gewenste zoetigheid vindt.
Vogelaar heeft afstand genomen van Konfrontaties. Aan Arnold Heumakers deed het boek bij herlezing nog altijd pijn aan de ogen. In hoeverre bij die allergie vooroordelen over marxisme een rol spelen is mij duister, temeer daar ik nooit iets van Marx heb gelezen. Maar zijn de verwijten van dienstbetoon aan een politiek dogma zelf vrij van dogmatisme? Een blik op de concrete kritieken leert hooguit dat het oordeel vaak hard is, en knorrig en soms arrogant wordt geformuleerd. Zelfs als teksten van Mulisch van ‘domheid’ zouden getuigen, doet dat echter niets af aan de argumenten waarmee diens aanpak en engagement worden onttakeld.
Mij weet Vogelaar te overtuigen. En Sybren Polet een keertje niet zodat, alsof Mouffe aan het voorzeggen was, Konfrontaties van hem een ampele repliek bevat op een kennelijk toch niet geheel vernietigende kritiek die Vogelaar hem had bereid. Ook in Oriëntaties, de al wat betoomde opvolger uit 1983, komen in polemieken tegenstanders (Klaas Hellinga, Carel Peeters) nog integraal aan het woord. Dit oogt on-Nederlands. Bij verschil van mening wordt meestal ironie ingevlogen, soms de karikatuur, en daarnaast is er draconisch fatsoen zoals wegkijken, negeren en verzwijgen.
Curieus is dat met mijn hooggestemde opvattingen, die een toegespitst beeld in zich dragen van wat ‘democratie’ kan zijn, het dieptepunt van De Honingpot volgens mij ligt in een confrontatie, die mij er nota bene toe noopte comments te wissen. Ai, dat is kennelijk ook ‘gisteren’. Ik heb er al eens op teruggeblikt, zonder in de gewraakte thread één reactie, van Eddy Warmerdam, bij te treden – ‘dat we zelfs ook maar de elementaire beginselen van een internetpsychologie ontberen’. Wel voel ik me inmiddels meer gesterkt in mijn optreden. Destijds werd de voorzitter van een adviescommissie voor subsidie aan papieren tijdschriften hier beschuldigd van belangenverstrengeling omdat hij in één blad een rubriek had. Zijn opvolger heeft in hetzelfde blad ook een rubriek en dat bleek geen bezwaar.
Curieus is verder dat De Honingpot openging toen het bloggen in buiten- en binnenland passé bleek, ‘heel erg anno 2005’. Het klopt dat in mijn branche mensen als Cornets de Groot, Reugebrink, Roelens en Vriezen hun weblog niet of nauwelijks meer aanvullen. Als medium maakt het dan weer een comeback in de neerlandistiek, voor zakelijke informatie en om buitenwereldse prestaties van medewerkers in de etalage te zetten. Mij was al opgevallen dat zodra daar een persoonlijke toon wordt aangeslagen de gesuggereerde bezieling niet rijmt met de vermoeidheid die spreekt. Het contrast is daarom zo frappant, omdat het hoogtepunt van de laaglandse letterkundige blogkunde vooralsnog inderdaad ligt rond 2005, bij literatuurwetenschapper-dichter Jeroen Mettes.
En zo’n rouwbrief post ik op mijn weblog! Wendy Kroy deed zoiets nota bene al eleganter op de hare. Zij is mij als blogger gaan opvallen. Haar teksten probeer ik te volgen, net zoals die van Benders, Beurskens, Van ’t Hof, Huet, Hüsgen, De Jager, Van Oostendorp, Pollet, Stolk, Velter,… Niet om te ontdekken of zij ‘gelijk’ hebben, maar om welk project ze in deze specifieke ruimte uitwerken. Zonder dat ik zou kunnen zeggen waaruit het precies bestaat, rijst de gewaarwording dat ze buiten hun karakter om kenbaar zijn.
Tegelijk baden deze auteurs niet in het succes dat toestaat een merknaam te zijn. Zij hebben hun podium niet gebruikt voor het behoud van het cultuurprogramma Joos. Da’s een andere wereld, de reële, die er door bloggersogen virtueel uitziet?

Ik stelde al eens vast dat er allerlei categorieën auteurs zijn gekomen waarbij zichtbaarheid sterker verbonden is geraakt aan institutioneel succes. Ooit konden zogeheten A-auteurs neerkijken op de bestsellermaker, na structurele veranderingen in het uitgeverswezen, de kritiek en boekhandel mogen ze blij zijn met een plaatsje onder de zon. Het valt slechts te hopen dat ze op een of andere manier met elkaar verbonden blijven.
Ook wie WikiLeaks wantrouwt kan het niet ontgaan dat het internet een aanvullende bron van informatie vormt op mainstream media. Ook een deel van de literaire kaalslagen is aldus opgevangen. Alleen heeft het internet daarbij uitgerekend het publieke debat bemoeilijkt. Een oorzaak daarvan zit dan in een apert soort kritiek, waarover straks meer. Ook werkt een andere site contraproductief, getuige standaardfrases als: ‘Op Facebook zei ik al dat…’ Maar goed, ook die plek viert dezer dagen een jubileum en er schijnen wedstrijden te worden gehouden in poëzie vertalen. Het goede nieuws is bovenal dat in de literaire berichtgeving bijna volledig wordt voorzien door Tzum en De Contrabas, in de breedte van kritieken door Meander en De Reactor, en in de reanimatie van tijdschriften door Alphavillle en Samplekanon (terwijl Tirade geëxpandeerd is in zijn virtuele nevenvorm).
Dat maakt het des te teleurstellender dat de literaire site OoteOote, ondanks een overvloedig en gecertificeerd personeelsbestand, niets extra’s biedt. Gelukkig zijn er postings geweest over de actualiteit van Komrij en over de grenzen van ironie, met relevant uitwaaierende reacties ook (inclusief Komrij zelf, die zich niet te groot voelde te reageren), evenals toen iets interessants overgeplant werd van Facebook, maar ik snap niet dat de drijvende kracht achter het geheel Perdu is. In dat poëziecentrum, waar ik twee decennia geleden mocht debuteren, heerste juist interesse voor alles wat buiten eigen kringen lag.
Maar ook bij deze kritiek past ontzag voor de verhoudingen. Voor de hoeveelheid treffers die OoteOote op zijn eerste dag verklaarde te hebben gekregen heeft mijn blog drie maanden nodig. Toch blijf ik zaniken, omdat de praktijk van die website suggereert dat het literaire bedrijf berust op één activiteit: netwerken. En dat zou in de traditie van Perdu, en van de vroege Vogelaar waar dat centrum uit voortkomt, een jammerlijke suggestie zijn. Welke dikke termen je ook voor macht en machtstructuren wilt gebruiken, de aandacht lag bij de manier waarop zij niet minder dan kennis baarden.
Zo konden kunstenaars geen vervolg geven aan de beste humanistische geplogenheden door unverfroren waarheid te spreken, maar moesten ze begrepen worden in hun omgeving, in hun gelegenheidsverbanden. Met dat inzicht ontbrandde een ecologische bezigheid avant la lettre, een bodemanalyse waarin ‘krities’ zijn afhing van de scherpte van de tanden die het terrein afgraasden. Pas nadat een complexe hegemonie van ideologische en culturele apparaten was blootgelegd, kon waarheid terug in zicht komen. Hier toont zich ook de invloed van Michel Foucault, die zelf een heel parcours heeft afgelegd. Zijn laatste stuk naar de meet werpt misschien nog een aardig licht op het bloggen.

In De moed tot waarheid ziet Foucault in het midden van de negentiende eeuw een kunst postvatten die het vehikel van cynisme is. Ze reduceert mensenlevens op gewelddadige wijze tot het elementaire dat zelden erg fraai is. Makers houden zich dan bezig met ‘ontmaskeren, afkrabben, uitgraven van het bestaan’. Ik moet dan denken aan comments die, voor de goede orde, hier en elders soms relevanter zijn dan de initiërende posting, maar die nogal blussend uitpakken als voor de honderdduizendste keer dezelfde diagnose rondgebazuind wordt: corruptie en hypocrisie. Willekeurig voorbeeldje uit de literatuur: dat de principiële natuureenzaat Thoreau er in de weekenden tussenuit piepte naar de stad, om appeltaart te eten bij zijn mama.
Bijna zeker zijn dergelijke ergernissen door de hele geschiedenis heen gevoeld maar telkens weggewuifd, uit schaamte of onvoldoende emancipatoire kracht maar evengoed omdat ze nergens toe zouden kunnen dienen. Internet biedt echter de mogelijkheid er direct lucht aan te geven. Aldus heeft het medium mee aan een maatschappijtype geboetseerd: ‘Waar vroeger ongeveer iedereen aannam dat een gezagsdrager een hoger ideaal vertegenwoordigde en met de uitoefening van zijn ambt alleen maar de realisatie van dit ideaal beoogde, wordt er nu van uitgegaan dat iemand met macht vooral op eigen profijt uit is, en dus op het eigen genot’ (Paul Verhaeghe, Liefde in tijden van eenzaamheid).
Een praktisch probleempje daarbij is de suggestie zelf compleet integer en onkreukbaar te zijn, zonder frictie tussen opvattingen en daden. Maar de meest basale frictie openbaart zich meteen, doordat hypocrieten als bij een natuurwet een ideologie of een politiek uit blijken te venten. Hoezeer je dit ook afkeurt, altijd leg je dan zelf een mening of mensbeeld op. Voor Hans Achterhuis, die zelf nogal een ontwikkeling doormaakte, was dit in De erfenis van de utopie de kuil die men voor een ander graaft: ‘Het inclusieve denken dat steeds de onechte behoeften en gevoelens van de ander onthult om vervolgens de ware en echte visie op te kunnen leggen, loert bij de cultuurkritiek net als bij de utopie tenslotte altijd vlak om de hoek.’
Gezeten op mijn stokpaardje van confrontaties fascineert me dit nogal. Elk spreken wordt onmogelijk gemaakt dat ook maar de geringste gelijkenis vertoont met een aanklacht.
Tevens kan men het recht op kritiek eisen en ontkennen zelf een haar beter te zijn. Hypocrisie betreft dan een routinehandeling jegens personen en zaken die niet rijmen met het mooie beeld dat de beklaagde schetst, zonder dat er een alternatief aangedragen wordt. Tom Naegels heeft dat laten zien bij de ACW-affaire: ‘De redenering is dus niet: “Er geldt hier in deze gemeenschap een morele code, een stelsel van waarden en normen dat jij achter onze rug aan je laars lapt terwijl je voor de schone schijn toch doet alsof. Wij, die ons wel aan die normen houden, veroordelen je daarom.” De redenering is: “Je bent geen haar beter dan wij.” Het verwijt van hypocrisie dient niet om het ideaal in stand te houden of te versterken; het helpt om het van zijn voetstuk te sleuren.’
Nu vind ik niet dat een ideaal gespaard moet worden indien het louter rampen aanricht. Toch zou het al schelen wanneer protest niet klinkt als business as usual. Daarvan geven weblogs, in de volledige combinatie van posting en comment, helaas te vaak bewijzen. Oordelen over niet- of halfgelezen teksten, over namen – ze waren de vroege Vogelaar al een doorn in het oog. Maar omdat op het internet bij elke toevoeging het tijdstip geregistreerd staat, is in het adembenemende tempo zelfs het begin van geloofwaardigheid onmogelijk.
Opnieuw voel ik me genoopt tot een ‘maar’. De weblog is een medium voor ongevraagde bijdragen. Daaruit begreep Vogelaar in Je zit niet alleen in je vel, zijn laatste bij leven verschenen boek, dat er geen zelfbeperking meer bestaat en dat bloggen neerkomt op het opendraaien van een kraan. Als gezegd ervaar ik door denkbeeldige meelezers allerminst die sensatie. Frequenter het tegendeel van vrijblijvendheid, namelijk een druk van binnenuit, discipline misschien – die vaak aangenaam is maar, zoals dat gaat met verslavingen, soms ook kokervormig.

Een zeker in papieren kringen even ingeburgerde, maar iets ingewikkelder evenknie van de hypocriete annex corrupte mens is de kortzichtige. Hier schijnt de Illusion of Asymmetric Insight te regeren, die bij de ander intellectueel-psychologische vooronderstellingen openbaren van een grootse bekrompenheid waaraan je zelf uiteraard niet zou lijden, enz. ‘Liberals believed they knew more about conservatives than conservatives knew about liberals. The conservatives believed they knew more about liberals than liberals knew about conservatives.’ Mij zou het een kek project lijken om het verschil te formuleren met de oorspronkelijke kritische praktijk van Vogelaar, waarbij de verleiding groot is er één pot nat van te maken.
Hoe dan ook doemt bij de diagnose van kortzichtigheid, te herkennen aan het symptoom ‘provincialistisch’, evenzeer onmiddellijk een praktisch probleempje op. De ontleding van denkpatronen bij de ander is zelden smeuïg om te volgen, mede omdat de onvermijdelijke uitkomst, domheid, verder strekt dan een karaktertrek die enigszins te repareren is. Daarbij vergeleken valt een ander obstakel aan de Asymmetric Insight in het niet: de suggestie van de analyticus snugger en restloos zelfkritisch te zijn.
Niet toevallig wordt dit notoire citaat van Walt Whitman erbij geleverd:

Do I contradict myself?
Very well then I contradict myself.
(I am large, I contain multitudes.)’.

De Bijbel koos een even comfortabele oplossing door, met copy-paste uit het oeuvre van Tante Leen, te stellen wie zonder zonde is de eerste steen mag werpen.
Ook vergen zulke ontledingen heel wat ruimte. Het blijft de vraag of een weblog daarvoor geëigend is. Omdat ik me heb voorgenomen op dit jubileumpje niet weemoedig te worden, stel ik alleen vast dat de antagonistische schermutselingen uit de begintijd van Vogelaar een woordental met zich meebrachten dat in papieren media nu de associatie met een harakiri wekt. Wie om die reden in het internet een vluchtplaats ziet, heeft nog wel wat rechtvaardigen aan longreads.
Tegenover de klassieke onheilstijdingen over het medium staat de overtuiging dat de lengte van een tekst uiteindelijk niet zo’n groot probleem is. Ik hoop dat dit zo is, want Maarten Doorman meldt in Rousseau en ik dat, in tegenstelling tot een emoticon, reeds een lange, grammaticaal gelaagde zin frustreert en en bij voorbaat inauthentiek overkomt. Ik hoop ook dat lengte geen argument is omdat u, beminde bezoeker, al dan niet in lieftallig en volkomen naturel gezelschap van een sigaret of smartphone, helemaal op dit punt bent geraakt bent.
Ga nu terug naar start.

Meest gelezen postings:

1. Het onvoltooide: een uitnodiging
2. Schromeloos (1)
3. Coreferenties (1)
4. Coreferenties (6)
5. Jeroen Mettes (2)
6. De open bibliotheek van morgen
7. Kleine wasjes, grote wasjes
8. Nico
9. Hans Groenewegen (1)
10. Ja meneer de burgemeester (4)

Zoektermen:

1. honingpot
2. marc kregting
3. honingpot kregting
4. louvre
5. bertram mourits
6. ridder
7. jeroen mettes
8. het is makkelijker met zijn zestigen
9. dehoningpot.blogspot.com
10. www.dehoningpot.blogspot.com

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen