zaterdag 1 december 2018

Niettegenstaande




Vandaag, jongelui, ga ik proberen een deftig woord te gebruiken. Van Dale deelt erover mee: ‘1484, vertaald uit Frans non obstant [zonder dat iets in de weg staat]’.
De route begon bij de Belgische spoorwegen, met een campagne over agressie tegen treinpersoneel. Op foto’s van die mensen is telkens het glas verbrijzeld op ooghoogte, zodat de suggestie ontstaat dat er een zeer flinke toef is uitgedeeld. Het onderschrift schept vervolgens een contrast met de dagelijkse werkelijkheid:

Mag ik uw vervoersbewijs zien, alstublieft?
Puis-je voir votre titre de transport, s’il vous plait?

Ik durf te zeggen vaak in een trein te hebben gezeten. En dat ik de meerderheid van conducteurs vriendelijk vind overkomen. Maar wat hier als standaardtaal gepresenteerd wordt is mij niet alleen onbekend, het lijkt me ook overbeleefd. Overigens is dat evenmin een reden voor agressie, laat staan om te slaan of te schoppen.
Misschien draaf ik door met de stelling dat de beleefdheid in de twee vraagzinnen iets huichelachtigs heeft dat doet denken aan het personage Uriah Heep in David Copperfield. Er past een contrapunt bij uit een stripverhaaltje van Herman Brood. Daar vraagt een oude vieze man aan een kind ‘Wil je een snoepje?’ en krijgt hij het antwoord ‘Eerst je lul zien’.
Natuurlijk is dat Hollandse humor. Mij schiet een voorbeeld te binnen van een Vlaamse overdrive, in de gelukwens ‘dikke proficiat’. Vervolgens weet ik niet goed of er landgebondenheid is bij ‘grote groet’, in het sowieso ingewikkelde afscheid nemen onder aan mails. Oer-Hollands doet zelfs een naturelle hyperbool aan bij de vroege Gordon (‘wat doet het ongelofelijk veel pijn’).
Wat zegt een conducteur in België dan wel? Volgens mij spreekt hij slechts een deel van de twee voorbeeldzinnen uit: ‘uw vervoersbewijs, alstublieft’ c.q. ‘votre titre de transport, s’il vous plait’.
Mijn indruk is dat hij daar helemaal geen vragende toon bij geeft. Ook geen imperatief, trouwens. Hij doet schijnbaar een mededeling, die in neutraliteit slechts overtroffen wordt door wat ik van mijn recentste ontmoeting met een conducteur heb onthouden: ‘Goedenavond’.
De keer daar weer voor heb ik de beambte schromelijk gemist. Toen zat ik in een dubbeldekker, op een bankje bij het tussenbalkon waar ik mijn vouwfiets had gezet. Op Brussel-Centraal stapten vele nieuwe reizigers in die de fiets even aan mijn zicht onttrokken. Zo’n twintig seconden later had iedereen een plaatsje en was mijn fiets verdwenen.
Wat een brutaliteit! En hoe koelbloedig! Achter nooit integraal op elkaar aansluitende ruggen van paar onbekenden andermans fiets optillen, trappetje af en wegdragen over het perron. Op hooguit drie meter van de eigenaar die ik was. Geweest.
Vergelijk dat eens met de legendarische Duitse spreekhovaardigheid uit de Tweede Wereldoorlog tegenover de fiets van de onderdrukte. Flatuliere!
Natuurlijk was mijn bewondering voor dit staaltje diefstalkunst niet onvoorwaardelijk. Ik voelde me ook ontmaskerd als een goedgelovige provinciaal die uitgerekend in de enige metropool van de Lage Landen geconfronteerd wordt met een andere werkelijkheid. Wel accepteer ik dat – ik blijf liever uitgaan van vertrouwen in de Mitmenschen.
En naar de conducteur ben ik niet eens op zoek gegaan.
Wel, inmiddels, naar een geschikte ingang om dus dat deftige woord te gebruiken. Ik kwam het enige tijd geleden tegen in een dictee van het taalkundig genie dat, ondanks haar belezenheid, het woord zelfs nog nooit onder ogen had gehad. Ja, ik kende het wel, maar ik verzekerde haar dat ik het nooit gebruikte.
’s Avonds laat aan mijn computer vond ik die garantie met terugwerkende kracht vreemd, gelet op mijn ongeneeslijke pasticheneigingen én de ambitie van stonde af om zoveel mogelijk registers ‘mee te nemen’.
Een controle van mijn tekstbestanden leerde dat ik niet ver naast de waarheid gezeten had. In geen van mijn veertien boeken bleek het woord voor te komen. Wel zit er tussen de teksten die ik voor één project had doorgenomen een weblogposting, waarop 25 comments kwamen. Daar meldde ene Guillaume tussen de soep en de patatten van een langer betoog: ‘Niettegenstaande het feit dat Hollanders zulke koffiedrinkers zijn, verwondert het me, dat de cultuur van het zelf branden en melangeren vrijwel verloren is gegaan.
In mijn overige papieren teksten heb ik het één keer uit mijn vingers gekregen (‘Niettegenstaande de officiële sombering over het teruggedrongen aantal poëziebundels verschijnt er heel veel’). En geen van de bijna 500 blogstukjes die hier te vinden zijn, herbergt het woord.
Er is iets moois over mijn poëzie beweerd dat begon met ‘Niettegenstaande’.
Nu is het genoeg.

Zeer geachte dief/dievegge,

Niettegenstaande ik behoorlijk in de aap ben gelogeerd dat u mijn vouwfiets heeft meegenomen, hoop ik dat u er een mooie tijd mee zult beleven. Het is althans mijn ervaring dat het landschap op zijn toegankelijkst is wanneer het van dichtbij, maar toch op gemiddelde snelheid, wordt doorkruist. En waarom zou de grote stad niet behoren tot het landschap?
Wel moet men voorzichtig zijn met de fiets jegens Belgische weggebruikers, die autoverslaafd zijn. De infrastructuur is ook niet op fietsers berekend. Kritiek op die toestand, die met recht levensgevaarlijk mag heten, is van een efficiënt (taal)frame voorzien met de term ‘moordstrookjes’ die momenteel meedoet met de verkiezingen voor het woord van 2018.
Aangeraden wordt proactief te zijn. Dat betekent dat men voorzorgsmaatregelen moet treffen. Het belangrijkste wapen voor de fietser is dan wel een reflecterend geel hesje. Ik weet alleen niet of dat momenteel in Brussel op veel mededogen mag rekenen.
Misschien weten we morgen meer, bij de klimaatmars. Zie ik u daar?

Met vriendelijke groeten,
Marc Kregting

P.S. Niettegenstaande het feit dat ik de fiets pas een keer of twintig had gebruikt, brak juist voordat u hem in beslag nam de kabel van de voorrem. Wilt u bergaf dus voorzichtig zijn, alstublieft? U kunt overwegen uw hakken te gebruiken.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten