zondag 18 februari 2018

Ingepeperd (1)



Ben ik ooit sentimenteel geworden tijdens het lezen van een boek? Niet dat ik me herinner, maar bij Peter van Liers Geachte afwezigen, Het verweer van de poëzie gebeurde het. Aan de tekst zelf kan dat redelijkerwijs niet gelegen hebben, want deze verzamelde essays en kritieken zijn onspectaculair, serieus en rustig.
Van Lier beoefent bovendien niet de enerverende bezigheid die close reading heet, maar graast in zijn beste passages gedichten af tot hun onderzoeksterrein blootligt. Als het niet zo stupide zou klinken, had ik gezegd dat het boek Geachte afwezigen, op zoek gaat naar denktradities. De vraag dus, wat op abstracter niveau het punt is dat een gedicht wil maken.
Na afvloeiing van mijn sentimentaliteit betrap ik me erop dat het voor mij mooiste stuk uit het boek niet over gedichten ging maar over het motorrijden van Jan Hanlo (aan de hand van diens proza). Ik bleef eveneens haken bij Van Liers oefening bij een foto van Jannes Linders, vanaf het moment dat hij de afbeelding op zijn kop beschouwt.
Gaat het boek wel over poëzie? Er is een tekstje over Rachmaninov en luciditeit, en een productieve vergelijking tussen een songtekst van Bløf met onder meer een eigen gedicht. Überhaupt schrijft Van Lier geregeld over eigen teksten. Geachte afwezigen, loopt uit op een brief aan de overleden vader, wiens monteursvak en radiohobby vergeleken worden met dichterlijk gepruts aan woorden. Ook de moeder komt in het betoog voor. En beiden staan in het register, als ‘ma’ en ‘pa(p)’.
Door zo’n haakjestoevoeging, weet ik inmiddels, kan sentimentaliteit me bewalmen, maar evenzeer leert de ervaring dat ik allergisch ben voor het particuliere. Prijzenswaardig aan Geachte afwezigen, lijkt me dat de vele persoonlijke mededelingen nooit zorgen voor plaatsvervangende schaamte.
Disclaimer is Van Liers onthechtheid, die van stonde af uit zijn gedichten gesproken heeft. Ze laat het toe zonder schade nabij te komen, dankzij een springveer van objectivering. Lees bijvoorbeeld een anekdote over een radiogesprek, verweven in Van Liers dankwoord voor de Jan Campertprijs. Hij krijgt van de interviewer live de vraag of hij het gedicht ‘Mostar’ wilde voordragen:

‘Mostar is, mocht men het alweer vergeten zijn, een stad in Bosnië die tijdens de oorlog op de Balkan werd verwoest als gevolg van etnische conflicten. Mijn verweer bestond erin dat ik geen gedicht over Mostar, maar wel een gedicht over mos had geschreven, of hij dat misschien wilde horen? Hoewel de sfeer van het gesprek niet vijandig was, trachtte de interviewer met zijn onmogelijke verzoek mij wel degelijk in verwarring te brengen en in zekere zin ook terecht te wijzen voor mijn buiten-maatschappelijke en niet-politiek geïnspireerde houding. Ook hier moest mij kennelijk worden ingepeperd dat de mens en de wereld niet zo onschuldig zijn als ik in mijn poëzie deed voorkomen. Natuurlijk weet en voel ook ik dat vaak maar al te best en sijpelt er wel degelijk iets van dit besef in mijn bundels door. Maar juist door het gegeven dat onschuld zich zo moeilijk laat ontdekken vanuit het alledaagse bewustzijn dat getrouw het achtuurjournaal bijhoudt, is mijn behoefte eraan des te groter. Het dichterschap is bij uitstek de discipline waarin je tegen beter weten in kunt hopen en verlangen.’

Geweldig is de openingszin, die voor alles correcte informatie wil aanbrengen, opdat het probleem helder is. En dan begint Van Lier te redeneren, bijna tegen zichzelf in. Alsof hij moet worden overtuigd van zijn opvattingen en van zijn poëtica, doordat hem gevoelens en nieuwe werkelijkheid overvallen die mogelijkheden en interpretaties opnieuw open leggen.
Typische woordjes vind ik dan: ‘misschien’, ‘onmogelijk’, ‘wel degelijk’ (2x), ‘in zekere zin’, ‘kennelijk’, ‘natuurlijk’, ‘vaak’, ‘juist’, ‘het gegeven’, ‘bij uitstek’… Wegens vertragend of onnodig genuanceerd of quasi-wetenschappelijk zou een redacteur ze schrappen. Maar dan versmaadt deze Van Liers inzet, samengebald in een woordje waar de redenatie op afstevent: ‘tegen beter weten in’. Die aanpak maakt me sentimenteel en ze dunkt me zeldzaam.
Inzicht biedt een vergelijking met de poëziestukken van Ilja Leonard Pfeijffer die over laaglandse poëzie het, zoals dat heet, dominante discours uitvent. Vanaf ‘De mythe van de verstaanbaarheid’ uit 2000, waarmee hij als jonge dichter naam maakte, gaat dat in een stijl en aanpak die diametraal op die van Van Lier staan.
Pfeijffer schrijft apodictisch. Koppelwerkwoorden vormen bij hem de hoofdmoot, exclusief ‘lijken’ en ‘schijnen’. Deze stelligheden hebben het patroon A= B (‘onbegrijpelijke poëzie is altijd beter dan makkelijke poëzie’), terwijl Van Lier essayeert in termen van hoe komt het dat B wordt opgevat als A. Zo ent hij zich op de logica, terwijl Pfeijffer zijn mosterd haalt uit de retorica.
Dat Pfeijffer menige collega op de kast heeft gekregen, is voorspelbaar omdat de aanname, nog altijd, zo ver van de werkelijkheid ligt dat alleen een geloof kan redden. Van Lier richt zich echter op vertakkingen richting waarheid. Hij laat zien hoe iets zou kunnen, en Pfeijffer hoe iets moet. De een wijst de weg, de ander legt het routestelsel bloot.
Onlangs besefte ik pas, mede na wat exercities over het genre, dat Pfeijffer lang beantwoord heeft aan mijn voorstelling van het essay inhoudt. Dat houdt echter onvoldoende rekening met de biotoop waarin zo’n tekst inmiddels moet leven. Wat Pfeijffer blijft doen valt bij nader inzien veeleer als column of opiniestuk op te vatten.
Die wijziging betekent ook dat Van Liers studieuze aanpak in de huidige omstandigheden meer het essay waardig is. Daarmee herstel ik het opstel, oorspronkelijk wat braaf of schools, misschien wat in zijn glorie, als hulpvaardig broertje.
Maar tussen Van Lier en Pfeijffer bestaan meer verschillen – die het fenomeen van sentimentaliteit verder kunnen bijlichten.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten