maandag 29 januari 2018

Ontnozeling (5)




In Het compostcirculatieplan (2016) van Anton Valens staat de zin: ‘Jens & Hugo waren gewoon elkaars haar te knippen, “een belangrijke, geldelijke besparing”.’ De aanhalingstekens zetten een spoor uit, dat ik nu eens niet hoef te zoeken. Mijn eerste zelfstandige publicatie in de neerlandistiek ging namelijk over het verhaal De laatste jaren van mijn grootvader van Gerard Reve waar de frase te vinden valt.
Erg zelfstandig was mijn publicatie trouwens niet, aangezien ze de snobistische consensus volgde dat Reves beginjaren zijn beste zijn omdat ze ‘de kunst van het verzwijgen’ tot in de perfectie beheerste. Het compostcirculatieplan meldt zelf dat Jens in een pand gewoond had aan de Weesperzij op de oostoever van de Amstel ‘waar naar zijn zeggen De ondergang van de familie Boslowits van Gerard Reve was gesitueerd’.
Anton Valens’ roman onderstreept voor mij een besef dat ik liever vergeet en dat me eerder overviel bij De vermiste wereld van Alstein: dat literatuur en stijl uit elkaar zijn gegroeid. In elke zin van deze twee boeken kunnen aandachtige lezers iets van hun gading vinden omdat de taal er een gebeurtenis is: registers tuimelen over elkaar, ritmiek en klank zijn factoren van betekenis.
De laatste jaren van mijn grootvader hoort niet tot de canonieke Reve-teksten en de door Valens geïsoleerde frase toont al waarom. Ze combineert overdrijving met pleonasme en loopt zo vooruit op de latere, schmierende auteur die stijlbloempjes produceerde. Daar openbaart zich het gevaar van formalisme. Stijl is dus, zompig gezegd, een werkwoord, een gevolg van blijvende zelfvernieuwing.
In de hoedanigheid van stijlbloempjesleverancier is Reve lang besmettelijk geweest voor velen die trucs voor literatuur hielden. Verticale effecten.
Het werk van Reve is dood, net als dat van andere legendarische witte meneren als Mulisch en Hermans en Boon (ter gelegenheid van zijn tiende sterfdag gaat men binnenkort voor de zoveelste keer alles uit de kast halen voor Claus, maar het recentste wereldnieuws over hem stemde al triest). Welke geletterdheid is daarvoor in de plaats gekomen?
Ik vrees dat mijn stelling van een schijnbaar onomkeerbaar registerverlies bij jongere generaties lezers en schrijvers niet alleen een zeurpieterig stokpaardje is, maar ook bijvoorbeeld wekelijks bewezen wordt in recensiebijlagen. De stijl van besprekers en besprokenen is hetzelfde geworden, zoals fictie en non-fictie dooreen zijn gaan lopen.
Voor mij wordt die ontwikkeling samengevat in de kop van een recensie à 200 woorden op Februari’s tamelijk duizelingwekkende roman Klont: ‘Heerlijk tegendraads’. De geringe ruimte is geen excuus, bij gebrek aan taal kan er alleen maar worden geponeerd.
Vertegenwoordigt een direct herkenbare schriftuur dan het stadium van decadentie? Waar Alstein en Valens mijn leestempo vertraagden en concentratie verhoogden, gebeurde het tegenovergestelde tijdens de eerste Brusselmans van mijn leven, Zeik en de moord op de poetsvrouw van Hugo Claus. De taal ademde een overdosis. Ze denderde door met eindeloze, uiteraard zinloze details en grappen die ik alleen in het begin nog lollig kon vinden.
Als antipsycholoog ervoer ik bovendien de bizarre aanvechting de auteur te duiden. Ik weet nog altijd niet of ik de uitgave van Zeik en de moord op de poetsvrouw van Hugo Claus tragisch of dapper vind.
Een identieke reactie van gedachteloos diagonaal lezen verwekte bij mij een boek dat stilistisch juist kleurloos was: Het smelt van Lize Spit. Betekent dit dat een direct onherkenbare schriftuur meer kans heeft? Ja, suggereren flapaanprijzingen van collega’s die de term ‘comfortzone’ gebruiken of zeggen dat Spit ‘schrijft met de trefzekerheid van een messentrekker. (…). Een poëtische nekslag.’
Het smelt viel me nog mee. Doordat de plot in het teken stond van een uitgesteld antwoord werd kwantiteit een argument. Wegens mijn veroppervlakkigend leestraject heb ik geen recht van spreken, maar mijn indruk was dat Spits boek het scenario is van een ultralange tv-serie, bedoeld om te bingewatchen.
Vooralsnog blijf ik dus denken: stijl en literatuur hebben niets meer met elkaar te maken. Toch wordt er voor proza in de Lage Landen nog een besmettelijke stijl ontwaard: van Arnon Grunberg. Die werkt horizontaal, door een opvolging van zinnen, niet op microniveau. Onlangs vroeg ik me af of dit aansluit bij de poëzie van Jeroen Mettes, in wie jongere Nederlandse dichters een oorsprong lijken te zien. Bij hem moet dan, vanuit zijn mosterdpotje van L=A=N=G=U=A=G=E, de term ‘sequentie’ vallen.
De parallel luidt, preciezer: non-sequitur. Zinnen botsen – bij Grunberg met een absurdistisch effect, bij Mettes met een provocatieve uitwerking.
Ik weet niet of deze hypothese hout snijdt, maar ze verklaart voor mij wel een tweede fenomeen dat met registerverlies kan samenhangen. Dan denk ik aan woorden die vanuit groepen louter nog incriminerend zijn tegenover andere groepen. Zoals ‘gutmensch’ en ‘politiek correct’, die op magisch performatieve wijze dezelfde formaties lijken te moeten bewerkstelligen ter overzijde als ‘misogyn’ en ‘geprivilegieerd’ dat proberen.
Taal heeft dan een sjibboletfunctie, want haalt bewust de een binnen en sluit bewust de ander uit. Letterlijk gebeurde dat vorige week in Bart De Wevers opiniestuk na de solidariteitsactie voor vluchtelingen. Het betoog onthutste door het misbruik van Hannah Arendts gedachtegoed maar toch in de allereerst plaats door, andermaal, te vertrekken vanuit ‘de gutmensch’.
Dergelijke performativiteit zou aan literatuur mogen kleven! Uiteraard ben ik voor zo’n wens geen onverdachte bron, met mijn hang naar verandering. Toch zag ik in dezelfde dagen met eigen ogen op het Nederlandse journaal een item over de nieuwe film van Adil El Arbi en Bilall Fallah, gebracht als feitenrelaas en afgemeten aan de drugstraffic in de Rotterdamse haven.
Performativiteit zou eveneens het verantwoordelijkheidsgevoel van redacteuren kunnen uitbreiden, die immers mede tekenen voor teksten die ze de wereld in sturen.
Des te intrigerender dat Anton Valens zijn hoofdpersonage Jens entte op Jaap Jansen, die de roemrijke uitgeverij Polak & Van Gennep drijvende hield, zeker toen ego’s van haar naamgevers nogal een amplitude kregen.
In Het compostcirculatieplan acteert Jansen vooral in de periode na zijn pensioen, als freelance redacteur die het principe less is more huldigt. Hij helpt met schrappen. De tekst beschrijft die gewaardeerde ingrepen (tell), zonder voorbeelden te laten zien (show):

‘Mijn zwakke punten – die door hen werden bestreden – waren onder meer de “doodlopende weggetjes” (passages die niet per se onaardig hoefden te zijn, maar niet dáár), een zekere hang naar lolligheid en moeite met het bewaren van het overzicht. En natuurlijk wat ik als eerste had moeten noemen, te weten mijn slordigheid, mateloze herhalingen en zinledige verbositeit.’

Hier suggereert ‘hen’ al dat er meer redacteuren aan Valens’ tekst arbeiden. Jens is in dienst van Sharon (Tilly Hermans?), die volgens Het compostcirculatieplan zo goed kan lezen dat haar blik op teksten de uitwerking heeft van een papierversnipperaar. Is dat een industrieel-ambachtelijke variant van de verpulpingsmachine die elk boek, gestileerd of niet, in zijn nek voelt hijgen?
Systematische toepassing van die blik vóór verschijning van een tekst kan een belangrijke, geldelijke besparing inhouden. Ten minste op termijn.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten