zondag 12 november 2017

Meneertje vwo




Net nu ik door de bestandsnaam ‘def’ afstand heb gedaan van het voorrecht een boek te herschrijven, gebeurt er iets wat in die tekst aan bod had kunnen komen. Of het met identiteitspolitiek te maken heeft of met instituties of met geen van beide, weet ik eerlijk gezegd nog steeds niet. Maar feit bleef dat afgelopen week voor De Groene Amsterdammer Christiaan Weijts een standenmaatschappij heeft bevestigd in laaglandse literatuur.
Naar aanleiding van de jongste roman van Alex Boogers waren dit de frappantste passages:

‘dit soort literaire buitenbeentjes. Ik denk aan Henk van Straten, Jan van Mersbergen, Auke Hulst, Walter van den Berg… dat soort mannen. Of jongens eigenlijk. Hoe verschillend ze ook zijn, in grote lijnen delen ze dit verhaal: ze zijn opgegroeid in achterstandswijken of plattelandsdorpjes, hadden een jeugd van gebroken gezinnen, ontsporingen, vulden hun cv’s met baantjes voor ongeschoolden (…)
Ook de uiterlijke overeenkomsten zijn meer dan bijkomstig. Ze beoefenen ruige sporten, hebben tatoeages of spelen in gitaarbandjes. (…)
Ook stilistisch is hier een verwantschap: geen mooischrijverij, geen stilistische virtuositeit, maar een directheid, een rauwheid, die je volks zou kunnen noemen. Mannen van weinig woorden. De blueszangers van onze literatuur. Ironie zul je hier evenmin aantreffen als geraffineerd gegoochel met fictie en werkelijkheid. Geen diepere lagen, intertekstuele verwijzingen of experimentele vormen. We hebben hier te maken met een andere literaire familie dan de tak Flaubert-Nabokov-Couperus-Nooteboom’

Heuse chavs in Holland! Ik vind Weijts exercitie nogal wat. Academisch populisme, populistisch would-be academisme of journalistiek die de eigen tijd weerspiegelt?
‘Vroeger’ konden laaglandse literatuurgeschiedenissen periodiseren naar beroep: dominees, juristen, schilders, copywriters, neerlandici, beeldend kunstenaars, filosofen… Bij het Manifest voor de jaren zeventig, dat grof samengevat pleitte voor toegankelijkheid en heroverweging van werkbeurzen, is wel aangetekend dat hun makers niet uit een academisch milieu kwamen.
Nu gaat het echt om sociale klasse, in uiterlijkheden, met alle vooronderstellingen an sich. Aan de andere kant spreek ik zelf net zo makkelijk van een witte middle class.
En natuurlijk, de betreffende editie van De Groene vierde een jubileum door zich te werpen op het fenomeen ‘de elite’ en Weijts staat mij, die zijn romans niet ken, bij om studentikoze columnistiek, maar het is licht verbijsterend om zulke generalisaties voorgeschoteld te krijgen. Temeer daar Weijts redeneert vanuit de faketerm ‘volksschrijver’ van Gerard Reve, die toch werkelijk uit een intellectueel gezin kwam.
Zelf heb ik van de aangehaalde auteurs alleen Van Mersbergen en Van den Berg gelezen, één roman per persoon om precies te zijn. Die ik me herinner als (wat ik kennelijk beschouw als) ‘literair’.
Nog vreemder vond ik het dezelfde week in NRC dezelfde namen te zien in de hoedanigheid van ‘volkse schrijvers’, aan wie nog Dimitri Verhulst werd toegevoegd.
Goed dat – voor zover het binnen mijn gezichtsveld kwam – Jan van Mersbergen, Henk van Straten en Walter van den Berg meteen reageerden. Wel doneerden ze een portie tegenclichés:

‘die auteur van De Groene (die ook maar van werkbeurs naar werkbeurs gaat, amper boeken verkoopt en hoopt dat de mensen hem om zo’n artikel zullen applaudisseren, zodat hij zich weer heel even compleet en goed kan voelen, waarna het allemaal meteen wordt vergeten en tot stof vergaat). Zo deprimerend en voorspelbaar allemaal, zo zinloos, en vooral: zo sáái.’
Chris, meneertje vwo dat je bent
dat culturele slag dat met enge pianohandjes en vlotte zinnetjes de hokjes bepaalt’

Schaamte nam mij in bezit. Temeer daar ik onlangs uit een naslagwerk begreep dat Van den Berg de eerste blogger was die doordrong tot het literatuurwezen, wat betekent dat hij een principieel andere weg bewandelde dan via het papieren literaire tijdschrift. Ook las ik dat Hulst een exponent zou zijn van een mediacultuur waarin fictionaliteit verdrukt is door een schematisch genoemd onderscheid tussen waar en niet-waar.
Vooral besefte ik, schoolmeesterige semi-academicus, notie te hebben genomen van de zin ‘Hij sponste saus op met zijn brood en maalde het zompig geworden deeg’, uit Auke Hulsts mooie roman En ik herinner me Titus Broederland (2016), naar aanleiding waarvan ik over spellingseigenaardigheden wilde gaan bloggen.
Tegelijk zijn voor mij weinig boeken zo ‘urgent’ geweest als De lezer is niet dood van Alex Boogers, uit wiens werk Weijts in instantie zijn wijsheden haalde. Hij signaleert in dat pamflet dat er een groot potentieel leespubliek over het hoofd wordt gezien, ook voor de ‘de tak Flaubert-Nabokov-Couperus-Nooteboom’.
Volgens Boogers is er nood aan gidsen, bemiddelaars. Hij toont overtuigend dat bij ontstentenis van hen cultuur helaas culturen blijven – eilandjes waar vanaf naar overzijden wordt geblaft.
Daarin valt de treurigheid van Weijts’ bevindingen louter te historiseren. Het onderscheid dat hij maakt, komt namelijk bekend voor uit de vermaledijde jaren zeventig (die in hetzelfde Groene-nummer minstens zo voorspelbaar en a-solidair worden gekraakt). De ‘tak’ zat toen in de rugzak van De Revisor, het literaire tijdschrift dat boeken van bijvoorbeeld Nabokov bewonderde. Kroonluchters die niet kunnen branden, zei de geleerde Maarten ’t Hart.
Dus heette het tijdschrift een podium voor saaie academici. Decennia later was Van Mersbergen er redacteur. En tegenwoordig lijkt het schimmiger dan ooit wat een academicus inhoudt.
Enfin, op dit soort momenten dringt zich het gemis op van Jeroen Mettes, die overigens van Weijts een studiegenoot was.
Toevallig lees ik in het boekje Opzienbarende ontdekkingen over taal van het duo Milfje Meulskens over prototypes. Ze behandelen die aan de hand van meubels en vogels, maar in een achterafblokje staat de uitdrukking meisje-meisje die stereotiepe kenmerken van dat geslacht op jonge leeftijd blijken uit te serveren, ‘zoals een voorliefde voor roze jurkjes’.
De taalexperts vragen zich dan af aan welke kenmerken een schrijver-schrijver moet voldoen. Daar heeft Weijts hun nu op geantwoord. Maar ze hadden uiteraard ook even Engels kunnen raadplegen, in de categorie writer’s writer.
Succes niet verzekerd?

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen