donderdag 24 november 2016

Een gezellige polonaise (vervolg)



Beminde gelovigen, hierbij waarlijk mijn steekproef.
Naar aanleiding van een rel over bevoordelende literaire kritiek suggereerde ik een besproken boek gewoon eens te lezen. De toetsing van die lectuur ontbrak echter. Lui verkeerde ik in de veronderstelling dat het stuk (van Arie Storm in Het Parool over Jamal Ouariachis roman Een honger) niet beschikbaar was. Maar het staat op de blog van de geprezene.
Nu er intussen meer te doen blijkt over literaire kritiek, wegens een interview en een meer bezonken commentaar op de aanleiding, haal ik de achterstallige arbeid in.
De recensie telt bijna 600 woorden. Ik ben zo verwaand daar het genre van een signalement op te plakken – voor mij begint een recensie met 1500 woorden – maar Storm zal ervaren genoeg zijn om die omvang te accepteren en te benutten.
Toch overtuigen de openingsalinea’s me niet:

‘Het lijkt wel alsof Jamal Ouariachi (1978) met Een honger, zijn vierde roman, eens even goed wil laten zien wat hij allemaal kan. Hij is een begenadigde verteller. Hij is iemand die op smeuïge wijze een verhaal weet te brengen. Dat doet hij met verrassende plotwendingen, het inbrengen van een liefdesgeschiedenis en het voortdurend suggereren van gevaar en onraad.
Daarnaast is hij wel degelijk ook een man van de letteren. Hij richt zijn roman geheel naar eigen zin in, met knappe perspectiefwisselingen, literaire pastiches en postmoderne knipoogjes naar de lezer.’

Er wordt een tegenstelling geschapen waarvan ik het bestaan niet had vermoed. Blijkbaar zijn er vertellers en literatoren. De eersten zorgen voor amusement, de tweeden penetreren het brein van lezers. Schept literatuur een esthetisch genoegen dat hoger wemelt dan de spreekwoordelijke onderbuik (die vertellers dan zouden vullen)?
Als ik Storm goed begrijp, schuilt uniciteit in de techniek. Maar bij Een honger ervoer ik dat Ouariachi juist daarin vastliep. Gebrek aan controle fnuikte zijn verteldrift en de vermelde pastiches zijn zo doorzichtig dat ik aan een schoolkrant moest denken. Die postmoderne knipoogjes lijken uit een handboek te komen, conform de ideeën die de mannelijke held heeft over ‘Franse filosofen’ van wie Derrida en Foucault worden genoemd.
Daarna meldt Storm dat Een honger volgens de reacties over pedofilie zou gaan. Hij treedt die indruk bij. Zelf ervoer ik dat Ouariachi niet aan dat maatschappelijke onderwerp toekomt, laat staan aan ontwikkelingshulp waarin hij het verhaal wil kaderen en dat het boek geëngageerd had kunnen maken.
Even verderop maakt Storm nog een draai in zijn redenatie:

‘En nu hangt het er vanaf welk standpunt je inneemt: wil je vooral de maatschappelijke boodschap, áls die er al in zou zitten, van dit boek eruit lichten, of waardeer je het meer om de stilistische krachtpatserij ervan.
Ik waardeer Een honger vooral om die laatste kant.

De recensent trekt hier een hoofdambitie van het boek in twijfel. Ergens begrijp ik dat, omdat Ouariachi voor zijn engagement een visie op de jaren zestig tot en met tachtig moet optrekken die bol staat van clichés. Het zijn er zoveel dat Een honger soms een reproductiemachine lijkt, die inderdaad amusement brengt en die betrokkenheid ridiculiseert.
Door deze reductie kan Storm wel vertelkwaliteit benadrukken, inclusief de staalkaarten van technische bekwaamheid en plotwendingen die geen optimisme brengen. En hij eindigt de recensie haastig:

‘De ellende blijkt al snel alom aanwezig, maar wordt in zekere zin verzacht door het taalplezier in dit boek. Ouariachi laat zien dat onze taal en van welk register we gebruikmaken, medebepalend is voor onze blik op de werkelijkheid. Hij put daarvoor op een intrigerende wijze uit de wereldliteratuur – van Virginia Woolf tot Bret Easton Ellis.’

Hier haak ik af. Ik zie dat Ouariachi alles uit de kast wil halen. Het erge is alleen dat hij door dat etaleren zijn constructie aantast. Dat spijt me des te meer uit poëticaal opzicht, omdat ik heterogene teksten liefheb en me niet slaag te interesseren voor wat wegkijkt van de grote boze wereld daarbuiten.

Een honger draait uit op een liefdesroman. De spanningsboog die Storm heeft benoemd als ‘het voortdurend suggereren van gevaar en onraad’ betreft de afloop van de geschiedenis van de liefde – niet eens die van de actualiteit waarin het tweetal elkaar na tien jaar tegenkomt.
Goed vind ik dat Storm zijn noem het ‘autonomistische’ poëtica bekent, raar dat hij daarvoor het begrip ‘wereldliteratuur’ verengt. Een honger cirkelt om een westerse canon, en daar een Engelstalige uitsnede van.
Wegens de poëticale inzet ogen Storms redenaties hoepelvormig. Hij laat zich bovendien verleiden door de kwantiteit van Ouariachi’s vormentaal. Misschien is het daarom dat er uit Een honger slechts drie ultrakorte zinnetjes worden geciteerd: ‘Idylle, idylle. Dit is hoe het was. (…) Een zeurderig bliepmelodietje.’ Als consumentenadvies lijkt dit mager.
Wat de beschuldiging van bevoordeling aangaat, ben ik niet overtuigd. Storm treedt Een honger zeker welwillend tegemoet. De openingsalinea’s bevatten overbodige bijvoeglijk naamwoorden die alle in het voordeel van Ouariachi pleiten. Hetzelfde geldt voor de zinnen erna: ‘Vervolgens kan in de bekwame handen van Ouariachi de pret beginnen. Op een slimme wijze heeft hij genoeg explosief materiaal bij elkaar gebracht voor een spetterend literair werkstuk.’
Tweemaal ‘op … wijze’ vlak achter elkaar verraadt voor mij eerder dat de recensie haastwerk geweest is. De merkwaardige redenaties bevestigen mijn achterdocht. Bovendien is door het voorbehoud dat Storm schept over de maatschappelijke touch het maximale aantal (5) ‘ballen’ onlogisch. Maar misschien wordt dat becijferd door een Parool-medewerker.
Indien Storm de 5 ‘ballen’ er zelf heeft bijgeleverd, lijkt me dat het zwaarste argument om bevoordeling te diagnosticeren. Het zou wel een paardenmiddel zijn, want het signalement enthousiasmeert niet echt en dient dus evenmin onvoorwaardelijk de uitgeverij van Storms vrouw.
Ik lees in het betoog over de esthetische waarde van Een honger althans geen aansporing om naar de boekwinkel te rennen – literatuur over literatuur, da’s smeken om een nichepubliek. En over de andere drie titels van Ouariachi zwijgt de recensie zelfs.
Tot zover mijn steekproef. Een wetenschapper zegt nu dat er nader onderzoek moet worden gedaan. Of stelt een hypothese op. Bijvoorbeeld dat het feit dat Een honger zoveel juichende recensies kreeg, misschien minder over het boek zegt dan over ‘de literaire kritiek’.
Over en sluiten en amen

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen