zondag 10 april 2016

Footloose


Wat een week! Helpt het om te zoeken naar één noemer? Met de Panama Papers openbaarden zich vermogende types die de grenzen van de wettelijkheid hadden laten aftasten. De mannen van GeenPeil richtten een referendum aan over iets wat hun niet interesseert om een grotere gemeenschap te vernaggelen. En de meest gezochte terrorist van de westerse wereld, te herkennen aan een hoedje, zou dat hoedje doodleuk hebben doorverkocht.

Is het verband een zekere mentaliteit? Graag een alternatief voor mijn voorstel: footloose.

Mijn aantekeningen over dat begrip begonnen met een betekenis die aanschurkte tegen wat kosmopolitisch heet: ‘able to travel freely and do as one pleases due to a lack of responsibilities or commitments’. Mijn associatie kwam mede voort uit de voorbeeldzin: ‘I am footloose and fancy-free – I can follow my job wherever it takes me.’

Tegelijk zat in die zin, dankzij een koningskoppel, de titel besloten van een elpee van Rod Stewart uit 1977. Daaruit volgde in mijn brein een uitloper naar lichamelijkheid; het openingsnummer was ‘Hot Legs’. Of kwam die assocatie voort uit informatie over een trend in Amerika? Van Afro-Americans die bewust te veel eten en dik willen zijn, om ook hoogstpersoonlijk afscheid te nemen van de slavernij en welvaart uit te stralen?

Van die trend blijkt trouwens ook een tegendeel te bestaan, orthorexia nervosa, dat noopt tot een antoniem van footloose. Daarin zouden onvrijheid en afhankelijkheid moeten regeren, al kun je je natuurlijk afvragen hoe vrij en onafhankelijk bunkeren is.

Footloose heeft daarnaast een uitloper naar een kunstenaarschap dat zichzelf als antiburgerlijk beschouwt. Ilja Leonard Pfeijffers Brieven uit Genua lijken daar een lange afrekening mee. Het boulimisch ogende boek valt te beschouwen als poging om van een ‘beroepsbohemien’ te veranderen in kwetsbaar persoon die niet per definitie ‘alles in dienst van de kunst’ stelt. In de eerste helft presenteert Pfeijffer zichzelf als iemand met veel ideeën die geen aansluiting vindt bij ‘de praktijk’ van allerminst footloose burgerlijkheid:

vaste werktijden, hypotheeklasten, een gezinsleven, tarieven van energiebedrijven, persoonlijke hygiëne, huisartsenposten, recreatie, verhuizingen, ouderavonden, familiebezoek, halfjaarlijkse controles bij de mondhygiëniste, verzekeringen, belastingaangiften, gesorteerde was, groenten, stofzuigen, kerstversiering, notariële akten, gazonsproeiers, wachttijden voor kinderopvang of bejaardentehuizen, kortingskaarten, afvloeiingsregelingen, pensioengaten, bakfietsen, inentingen, afwas, fruit, inruilwaarde, overwerk, kappersbezoek, wasstraten, bezwaarschriften, verjaardagskalenders en winterschilders*

Omdat Pfeijffer steeds aankomt met voorbeelden, krijgt footloose bij hem evenzeer financiële betekenis. Hij noemt een kunstemployé die tot ‘de elite’ gerekend zal worden een virtuoos in het aanboren van fondsen, die hem in staat stellen om twee weken onderhouden te worden en ’s avonds voor te dragen à 5000 tot 8000 euro netto.

Of is dit juist niet footloose en genereert het oertype zelf inkomsten?
Mij dunkt de rol van de tussenfiguur belangrijk, zoals de Panama Papers lieten zien. Die invalshoek kwam al ter sprake in De wereldburger bestaat niet waarin volgens René Cuperus ‘footloose kapitaal’ samen met flexibele arbeid en internationale netwerken de bevordering bewerkstelligt van onthechting.

Zo ben ik terug bij het kosmopolitisme. Toch hoeft de beoefenaar van footloose gedrag geen non-stop-reiziger te zijn. Ik kwam de term althans ook tegen in Jan-Hendrik Bakkers Welkom in Megapolis. Daar gaat het om een buitenwijkmens, bij wie wonen en werken en recreëren gescheiden zijn. Footloose is die mens dan wegens een broodmagere band met de plaats van huisvesting en met de gemeenschap die zich daar ophoudt.

Hier weet ik wel een tegenvoorbeeld. In Tineke van der Stelts kinderboek Api wil op reis wenst het gelijknamige hoofdpersonage verder te kijken dan zijn vertrouwde omgeving, inclusief vriend Das. Maar zijn gevoelens blijken sterker. Aangrijpend is het moment in de nacht voor vertrek, waarin hij probeert overtuigende argumenten tegen zijn afreis te verzinnen die zogenaamd niets met hem te maken hebben. Api zegt bijvoorbeeld tegen Das: ‘Ik ben bang dat je mij heel erg gaat missen als ik weg ben’.

Die legitimatie zal weinig indruk maken in de literaire wereld, waar een beetje auteur zo’n Odysseus geworden is dat footloose nóg een associatie verwekt: met principeloosheid. Ik moest daar althans aan denken bij de aanhoudende commentaren op het contract dat Abou Jahjah tekende bij De Bezige Bij, dat dit oer-Nederlandse huis van haar fundament zou beroven.

Voordien publiceerde hij immers bij Pelckmans, tot uitgever Karl Drabbe daar werd ontslagen en mocht rekenen op zijn solidariteit. Maar bij Drabbes nieuwe werkgever Vrijdag zijn inmiddels dan wel Pelckmans-auteurs te vinden, Abou Jahjah zit daar niet tussen. De ironie wil dat het even tumultueuze als complexe ontslag geweten werd aan nog een ander bedrijf, Polis, bij de uitgever waarvan Abou Jahjah twee concerns tevoren, toen, onder dezelfde CEO, diens huis Meulenhoff/Manteau heette, zijn debuut had gemaakt.

Bevreemdend is dat de recentste bijdrage aan het BezigeBijdebat werd geleverd door Marcel Möring, die eerst vele boeken publiceerde bij Meulenhoff. In dat opzicht betaalde de directeur van De Bezige Bij hem met gelijke munt door Abou Jahjah te steunen op autoriteit van Vlamingen als Stefan Hertmans, Tom Lanoye en David Van Reybrouck. De tweede heeft nooit bij De Bezige Bij gepubliceerd en de anderen – ik schreef al eens over de absurdistische gevolgen van herschikkingen – hadden evenzeer een verleden bij Meulenhoff.

De affaire als geheel onderstreept dat insiders, voor of tegen, uit vele uitgeverij-eigenschappen een monolithisch karakter distilleren. De veronderstelling daarbij is dat er ideologische profielen bestaan. Daarom is principeloosheid waarschijnlijk niet het meest exacte equivalent van footloose, vergeleken met bijvoorbeeld inwisselbaarheid.

Is dat wennen of weet ik niet dat ik al gewend ben? Voor een scherper besef van de huidige toestand kan het andere uiterste worden gememoreerd. Het vastklampen aan een ideologie in pak ’m beet fopzittingen van politbureaus, met superuitslagen. Toen hij na decennia alleenheerschappij naar het randje van de afgrond was gedreven, schijnt Erich Honecker zelfs gestemd te hebben voor zijn eigen ontslag. Da’s pas footloose!

Thans de weeksluiting. Zodra ik iemand tegenkom die nog vrijer en onafhankelijker is dan ik, eet ik gewoon mijn nieuwe hoed op.


*deze opsomming is in verbrokkelde vorm ook te vinden in Pfeijffers dichtbundel Idyllen

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen