vrijdag 15 januari 2016

De roman van het leven


Wat een fantastisch idee van Hans Goedkoop om een boek te wijden aan een samenkomst op één avond. Iedereen was er. Feest voor Renate Rubinstein heeft alle ingrediënten voor niet minder dan een cultuurgeschiedenis: spraakmakende personages uit kunst en wetenschap en politiek en media, relationele banden en breuken die decennia terug voerden, verschillen en nuances in ideologie anno 1979.

Dit is nu eens wat ‘de elite’ te noemen valt. Er zaten mensen tussen die zich hadden kunnen opwerken, geruggesteund door een veel betere opleiding dan hun ouders. Nog niet maakten hyperrijken met een elastische moraal de dienst uit.

Zelfs dus geen aanleiding voor het zoveelste partijtje bashing.

Ook het verloop van de bewuste avond, die toespraak op toespraak stapelde, speelt een meer dan grandioze stof voor Iedereen was er in de kaart. Voordat Rubinstein voorbij middernacht haar dank voor de verrassing mag uitvouwen, deconstrueert het evenement zichzelf. De laatste van al die briljante, antiburgerlijke en ruimdenkende sprekers merkt namelijk op dat nog geen enkele vrouw aan het woord geweest was.

Zou dit komen omdat die mannen vooral ook zo blank waren, dat Ellen Ombre louter exotisch aanwezig leek te mogen zijn? Ze had moeilijk aan Peter Schat achter de piano de partituur kunnen geven van Millie Jacksons toen al weer zes jaar oude hit ‘It Hurts So Good’.

Ombre lijkt op dat moment slechts de ‘vrouw van’. Effen meldt Goedkoop dat ze voor het eten heeft gezorgd. Op één van de in Iedereen was er afgedrukte foto’s van de samenkomst is ze terug te vinden. Vergis ik me nu of staat haar blik echt strak?

Een buitenkans voor een geweldig boek was bovendien dat verder het personage Norbert Elias geboortelandgewijs niet helemaal in het rijtje paste. Dit is misschien een wat makkelijke constatering om naar het heden door te stappen, maar een ijzingwekkende passage uit Rubinsteins bekendste boek Niets te verliezen en toch bang uit 1978 zou licht op onze niet-aflatende actualiteit kunnen werpen.

Renate Rubinstein had Duitse ouders, die vlak voor de Tweede Wereldoorlog naar Nederland waren gevlucht. Het tekent voor mij het decennium waarin ze het schreef, dat ze daar zo nietsverhullend en allesonderzoekend over nadacht. Haar ouders namen immers met die vlucht een groot risico, dat louter kan worden afgedekt met de plots neoliberaal aandoende zegswijze Wie niet waagt die niet wint: 

‘Je zou met evenveel recht kunnen zeggen: Die niet waagt die niet verliest, maar daaraan denk je niet. Het hele denkbeeld is afkomstig uit de boeken en verhalen van overwinnaars, die het doen voorkomen alsof het winnen reeds opgesloten zat in het wagen. Van de verliezers hoor je niet, die zijn dood, of ze hebben pech gehad en schamen zich en hun geval is daarom niet van toepassing op de hoofpersoon in de roman van het leven.’
 
Als aanleiding voor het schrijven van Iedereen was er noemt Goedkoop teruggevonden opnames van enige toespraken, of fragmenten daarvan. Ze zijn op cd bij het boek gevoegd, maar ik kon me er niet toe zetten.

Tegelijk snap ik dat het extraatje kopers trekt, zo adequaat als het behoeftes aan authenticiteit bevredigt. Dat zal de reden zijn waarom Facebook me ook al wezensvreemd voorkomt: geen affiniteit met zaken die niet voor mij bedoeld zijn, wel met ideeën en redenaties die eraan ten grondslag liggen.

Citaat versus parafrase?
 
Iedereen was er is eigenlijk verbijsterend kort en vat ik dan maar op als een losgooien van de spieren voor Goedkoops marathon die een biografie is, zeker als die over Rubinstein gaat. De context komt later wel.

Toch ligt het aan die beknoptheid dat ik, altijd gewapend met computerfiles voor pertinente beweringen, een schitterende zin in Iedereen was er aantrof: ‘Het wordt eind jaren zeventig wat rustiger, maar het is toch een beetje het milieu waarin, zoals Renate eens schreef, een vrouw in een lift vanuit het niets tegen je man kan zeggen: “Zullen we neuken”.

Behalve dat dit zo in mijn lijstje kan, pakt de zin me in omdat er aan Rubinsteins teksten iets verhaspeld wordt. In Niets te verliezen en toch bang geldt de directe rede niet als een mededeling maar als een vraag. En wordt die gesteld in cafés. Dat Goedkoop daar een lift van maakt, zal een contaminatie van zijn geheugen wezen of zoiets.

Onbewust moet hij aan de contemporaine film Blue movie uit 1971 gedacht hebben, waar Hugo Metsers in een nagelnieuwe Bijlmerflat een file voor de lift veroorzaakt omdat hij daar inderdaad even bezig is. Met zijn feest?

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen